CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting+regels MrvCoothstr14

Gemeenteraad 27 juni 2024, gemeente OssBij agendapunt: A Bestemmingsplan Mr. van Coothstraat 14 Lith - 202434.543 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Afvalwater Door het plangebied ligt het gemeentelijk hoofdriool, wat ook via een zakelijk recht is vastgelegd. De afbeelding hieronder illustreert de ligging van het riool (zijde Mr. van Coothstraat, aangeduid met een rode lijn en rode vrijwaringszone).

Uit bovenstaande blijkt dat de woningen buiten de vrijwaringszone (2 meter vanaf de buitenkant van het riool) zijn geprojecteerd. De ligging van de riolering vormt daardoor geen belemmering voor de realisatie van het planvoornemen. Aanvullend hierop moet ook het afvalwater in het plangebied worden afgevoerd. Het planvoornemen kan hiervoor aangesloten worden op put 22061.49 (als deze groter is dan Ø160 mm). De initiatiefnemer is ervoor verantwoordelijk dat hij een dwa (droogweerafvoer) rioolstelsel aanlegt dat wordt aangesloten op het hoofdriool. Voor de te realiseren rioolaansluiting moet de initiatiefnemer een aansluitvergunning aanvragen.

Mr. Van Coothstraat 14 Lith – 2024, pag. 47 van 76 Vastgesteld 27 juni 2024

5.5

Defensie

Uit oogpunt van defensie kunnen er beperkingen gesteld worden aan ruimtelijke ontwikkelingen in een gebied. Belangrijke aandachtspunten met betrekking tot het defensiebelang zijn: - Radarverstoringsgebieden; - Obstakelbeheergebieden; - Laagvliegroutes voor jachtvliegtuigen; - Geluidszones voor militaire luchtvaartterreinen. Het gehele plangebied is gelegen binnen het radarverstoringsgebied van een radar van de vliegbasis Volkel. Binnen dit gebied is het in beginsel niet toegestaan om hogere bebouwing op te richten dan 114 meter boven NAP. Indien er initiatieven zijn voor het oprichten van hogere bouwwerken of gebouwen, dan kan dit toegestaan worden als blijkt dat de radar niet onevenredig wordt verstoord. Dit kan door TNO worden berekend. Dit bestemmingsplan voorziet echter nergens in bouwmogelijkheden tot een dergelijke hoogte. Daarmee is het belang van het radarverstoringsgebied binnen dit bestemmingsplan voldoende gewaarborgd. Bij een eventueel toekomstig initiatief voor een bouwwerk met een hoogte tot 114 meter boven NAP of hoger dient het defensiebelang nadrukkelijk betrokken te worden bij de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling. Voor het overige geldt dat het plangebied niet gelegen is binnen een obstakelbeheergebied, een laagvliegroute voor jachtvliegtuigen of een geluidszone voor militaire luchtvaartterreinen.

Aan deze aspecten hoeft dan ook geen verdere aandacht besteed te worden. 5.6

Milieuaspecten

In deze paragraaf wordt ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten die verband houden met, of betrekking hebben op de ruimtelijke ontwikkeling. Het gaat daarbij meestal om de wisselwerking met de omgeving. Welke gevolgen heeft het initiatief voor de omgeving en omwonenden? Maar ook, welke gevolgen hebben activiteiten in de omgeving voor de mogelijkheden op de projectlocatie? Achtereenvolgens komen de volgende aspecten aan bod: - Bedrijven en milieuzonering - Bodem - Externe veiligheid - Geurhinder: agrarisch - Geur: industrieel - Luchtkwaliteit - Straling - Weg-, spoor-, en industrielawaai - Gezondheid - Spuitzones 5.6.1 Bedrijven en milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten van bedrijven en gevoelige functies, zoals woningen. Het doel van milieuzonering is om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast kan milieuzonering bedrijven voldoende zekerheid bieden om hun activiteiten duurzaam uit te voeren. De handreiking Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft richtafstanden om de milieuzonering van bedrijven te kunnen bepalen.

Mr. Van Coothstraat 14 Lith – 2024, pag. 48 van 76 Vastgesteld 27 juni 2024

Met het planvoornemen wordt een gevoelige functie mogelijk gemaakt. Het gaat om de functie wonen. Rondom de planlocatie zijn voornamelijk woningen gelegen. Aangezien dit ook gevoelige objecten zijn vormen deze geen belemmering voor het woon- en leefklimaat van het planvoornemen. dienstverlening. Het gebied waarin het plangebied is gelegen kan op basis van de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering worden getypeerd als een ‘rustig buitengebied/rustige woonwijk’. Op een afstand van ca. 220 meter (Hertog Janstraat 34 en 36 in Lith) is een bedrijfsbestemming gevestigd (gemeten vanaf het bouwvlak dat bestemd is voor wonen naar het bestemmingsvlak ten behoeve van de functie bedrijf). Hier is maximaal milieucategorie 2 toegestaan. Hiervoor geldt een maximale richtafstand van 30 meter. Aan deze richtafstand wordt ruimschoots voldaan. Daarnaast is op ca. 60 meter van het plangebied een tweetal kantoorfuncties gelegen (gemeten vanaf het bouwvlak dat bestemd is voor wonen naar het bestemmingsvlak ten behoeve van deze functie). Voor de functie zakelijke dienstverlening (kantoren) geldt een maximale richtafstand van 10 meter. Aan deze richtafstand wordt ruimschoots voldaan. Tot slot is er op ca. 90 meter van het plangebied een sportaccommodatie gelegen (gemeten vanaf het bouwvlak dat bestemd is voor wonen naar het bestemmingsvlak ten behoeve van deze functie).

Voor een dergelijke functie geldt een maximale richtafstand van 50 meter. Aan deze richtafstand wordt ruimschoots voldaan. Op basis van voorgaande kan gesteld worden dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat en dat door de ontwikkeling geen bedrijven worden gehinderd in hun bedrijfsvoering. Nader onderzoek kan achterwege blijven. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het planvoornemen of andersom de ontwikkeling vormt geen belemmering voor omliggende bedrijvigheid. 5.6.2 Bodem Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht, moet in planvorming rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. In de Bouwverordening van de gemeente Oss is geregeld dat onder bepaalde omstandigheden het oprichten van gebouwen pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij iedere nieuwbouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld. Door Vink Milieutechnisch Adviesbureau B.V. is een verkennend, actualiserend en afperkend bodemonderzoek uitgevoerd. Het bodemonderzoek is bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 9) en kent de navolgende samenvatting. “Uit het bodemonderzoek blijkt dat op de locatie sprake is van drie bodemverontreinigingen.

De milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt een belemmering en/of aandachtspunt voor de verlening van een omgevingsvergunning (bouwen). De resultaten vormen geen belemmering voor de functiewijziging onder voorwaarde dat een bodemsanering plaatsvindt (gezien de relatief beperkte omvang van de verontreinigingen zijn de ontwikkelingen niet financieel onhaalbaar ten gevolge van de saneringskosten). Ten aanzien van de drie verontreinigingen is sprake van één geval van ernstige bodemverontreiniging. De omvang van de ernstige verontreiniging bedraagt 75 m³ vaste bodem. Vanwege het ontbreken van

Mr. Van Coothstraat 14 Lith – 2024, pag. 49 van 76 Vastgesteld 27 juni 2024

actuele onacceptabele humane-, verspreidings- en ecologische risico’s is in de huidige situatie geen sprake van een spoedeisende sanering. Voordat er op de onderzoekslocatie gebouwd kan worden zal een bodemsanering noodzakelijk zijn, waarbij de verontreinigingen dienen te worden gesaneerd en de verontreinigde/niet herbruikbare grond dient te worden afgevoerd naar een erkende verwerker (reiniger). Graafwerkzaamheden in en/of nabij bodemverontreiniging wordt gezien als een bodemsanering en mag niet worden uitgevoerd zonder schriftelijke goedkeuring van het bevoegd gezag. Geadviseerd wordt om voor het saneren van de verontreiniging een BUS-melding mobiel in te dienen bij het bevoegd gezag. De overige bodemkwaliteit en daarmee de totale bodemkwaliteit na uitvoering van de bodemsanering vormt geen belemmering voor de voorgenomen functiewijziging naar wonen met tuin. De milieuhygiënische bodemkwaliteit speelt een rol bij grondverzet. Voor de grond buiten de verontreinigingscontouren om geldt dat dit mag worden hergebruikt op het perceel.

Indien de grond verplaatst wordt naar een locatie elders, moet dit worden gemeld bij het Meldpunt bodemkwaliteit (https://meldpuntbodemkwaliteit.agentschapnl.nl) en gelden samenstellingseisen met betrekking tot verschillende mogelijkheden voor hergebruik conform het Besluit bodemkwaliteit en de regionale Nota Bodembeheer.” De gemeente Oss heeft het verkennend, actualiseren en afperkend bodemonderzoek beoordeeld en ermee ingestemd11. Voor de bestemmingsplanprocedure geeft het bodemonderzoek voldoende inzicht in de bodemkwaliteit in het plangebied. Na sloop- en sanering is wel nog een actualisatie bodemonderzoek (volgens NEN 5740) nodig waarin is vastgesteld of puinbijmenging (en dus mogelijk asbest) voorkomt. Ook is – in ieder geval omdat eerder als is vastgesteld dat asbest in de bodem aanwezig is - een aanvullend verkennend asbestonderzoek (volgens NEN 5707) nodig. Om dit te borgen is een voorwaardelijke verplichting in de regels van dit bestemmingsplan opgenomen. In verband met de sanering van de aanwezige bodemverontreinigingen is een BUS-melding gedaan bij het bevoegd gezag. De BUS-melding is bijgevoegd bij deze toelichting (zie bijlage 10). De gemeente Oss heeft de BUS-melding beoordeeld. In de BUS-melding is echter ook (foutief) sanering van twee gevallen van zorgplicht verontreiniging opgenomen.

De voorwaarden voor instemming zijn als volgt: - Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) dient het bodemonderzoeksrapport en de BUS-melding te beoordelen. Aan door hen eventueel aanvullend gestelde eisen dient te worden voldaan. - De gemeente heeft geen bezwaar met het (in de BUS procedure) meenemen van de sanering van de twee nieuwe gevallen van verontreiniging (deellocaties G en H). Maar wel onder de voorwaarde dat volledig herstel van de bodemkwaliteit plaatsvindt. Wanneer ODZOB hier niet mee instemt dan is het noodzakelijk om voor sanering van deellocaties G en H een plan van aanpak in te dienen bij de gemeente. Omdat de ODZOB de beoordeling van de BUS-melding nog niet heeft gedaan is nog niet duidelijk wat hun bevindingen zijn en of de BUS-melding nog aangepast moet worden. De beoordeling van de ODZOB zal in de vast te stellen versie van dit bestemmingsplan worden verwerkt, deze paragraaf zal met die reden t.z.t. worden aangepast. Om te borgen dat de sanering plaatsvindt is hiervoor een voorwaardelijke verplichting in de regels van dit bestemmingsplan opgenomen.

11 Omdat sprake is van sterke bodemverontreiniging dient het rapport tevens door Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) te

worden beoordeeld, de beoordeling is in gang gezet maar nog niet afgerond.

Mr. Van Coothstraat 14 Lith – 2024, pag. 50 van 76 Vastgesteld 27 juni 2024

Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het via dit bestemmingsplan mogelijk te maken beoogde gebruik, mits de bodem conform akkoord van het bevoegd gezag wordt gesaneerd en via actualiserend bodemonderzoek wordt aangetoond dat de bodem geschikt is voor het beoogd gebruik. Dit is via de regels van dit bestemmingsplan geborgd met een voorwaardelijke verplichting. De kosten van de sanering vormen geen belemmering voor de financiële haalbaarheid van het planvoornemen. Ontplofbare oorlogsresten Op basis van het in opdracht van de gemeente uitgevoerde vooronderzoek naar niet gesprongen explosieven in de gehele gemeente Oss is het plangebied mogelijk verdacht van de aanwezigheid van munitie uit WOII. Het (historisch) vooronderzoek is in 2016 door AVG uitgevoerd. Dit is kort samengevat een bureauonderzoek op basis van luchtfoto’s en archiefdocumenten uit WOII en van de EODD. Hier komen gebieden uit waar op basis van de documenten en luchtfoto’s een verwachting is voor munitie uit WOII. Op de bodembelastingkaart ontplofbare oorlogsresten WOII, waarvoor het eerdergenoemde onderzoek input is geweest, is het plangebied gelegen in een gebied met de oude dorpskernen en voormalig front richting Kerkdriel uit WOII. Dit gebied is verdacht van artillerie, mortier en raketmunitie (geschutsmunitie).

De afbeelding hieronder – waarop het plangebied is ingetekend en zichtbaar is gelegen in roze gearceerd gebied – is dit zichtbaar. Hierdoor is de kans op munitie aanwezig.

De ervaring leert dat in de directe omgeving geen munitie wordt gevonden bij andere graafwerkzaamheden. Vandaar dat een aanvullend vooronderzoek conflictperiode (VC) is aan te raden om voor dit specifieke plangebied vast te stellen of er oorlogshandelingen plaats hebben gevonden in plaats van veldonderzoek. Dit is een bureauonderzoek op basis van luchtfoto’s, archiefstukken en andere historische informatie. Gezien een dergelijk onderzoek niet verplicht is in het kader van een goede ruimtelijke ordening en daarmee in verband met het opstellen van een nieuw bestemmingsplan is het

Mr. Van Coothstraat 14 Lith – 2024, pag. 51 van 76 Vastgesteld 27 juni 2024

onderzoek nog niet uitgevoerd. De initiatiefnemer zal het onderzoek op een later moment, voordat hij grondwerkzaamheden gaat laten plaatsvinden, door een gecertificeerd bedrijf laten uitvoeren. Dit zodat werknemers de werkzaamheden ter plaatse veilig uit kunnen voeren. Indien er een verwachting is voor ontplofbare oorlogsresten en deze kunnen een gevaar opleveren voor de veiligheid en gezondheid van werknemers dienen de risico’s te worden onderzocht en eventueel weggenomen. Het advies is om altijd binnen een verdacht gebied het protocol toevalsvondsten onder de aandacht te brengen van mensen die grond- en bouwwerkzaamheden verrichten. Bij het vinden van een artikel wat er uit ziet als een explosief of munitie, stop de werkzaamheden, iedereen verlaat lopend het werkterrein (i.v.m. trillingen door voertuigen en machines) en bel de politie op 0900-8844. De Explosieven Verkenner (EV) of Team Explosieven Veiligheid (TEV) van de politie komt op de locatie beoordelen of het om munitie gaat die moet worden geruimd. Zo ja, schakelt deze de Explosieven Opruimingsdienst van Defensie (EODD) in. Zo nee, dan kunnen werkzaamheden worden hervat. 5.6.3 Externe veiligheid Rijkskader Externe veiligheid behandelt de risico's die ontstaan als gevolg van opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico’s kunnen hun weerslag hebben op de omgeving.

Het wettelijke kader voor externe veiligheid bestaat onder meer uit: - het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) - het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) - het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Enerzijds gaat het over de risicobronnen (bedrijven of transportroutes). Anderzijds gaat het over de risicoontvangers (omstanders die niets met de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen te maken hebben). Wat betreft de risico-ontvangers maakt de wetgeving onderscheid in kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbare objecten zijn gebouwen, waarin (of waarbij) groepen van circa 50 personen of groter, gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. Ook sommige gebouwen waarin/waarbij kleinere groepen verblijven, worden als kwetsbaar object gezien, wanneer die personen beperkt zelfredzaam zijn (zoals zieken, bejaarden of gehandicapten). Beperkt kwetsbare objecten zijn verspreid liggende woningen en bedrijven waarin/waarbij groepen van minder dan 50 personen gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. In de landelijke wetgeving wordt meer gedetailleerd beschreven wat er onder kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten wordt verstaan. Belangrijk is hierbij dat de opsomming in de wetgeving niet limitatief is, zodat er in de verdere uitwerking van het beleid nog enige vrijheid rest.

Verder maakt de wetgever onderscheid tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het

Mr. Van Coothstraat 14 Lith – 2024, pag. 52 van 76 Vastgesteld 27 juni 2024

invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Gemeentelijk kader Ook in de gemeente Oss zijn risicobronnen aanwezig in de vorm van transportassen en stationaire activiteiten. Dit vraagt om een gemeentelijke visie. Op 19 mei 2011 heeft de gemeenteraad de Beleidsvisie Externe veiligheid vastgesteld. Deze beleidsvisie beschrijft op welke manier de gemeente Oss externe veiligheid in haar afwegingen betrekt. Toetsing Kwetsbaar object Het planvoornemen betreft de realisatie van meerdere kwetsbare objecten (24) zoals geformuleerd in het Bevi, artikel 1. Ligging plangebied Uit de risicokaart blijkt dat het planvoornemen niet is gelegen binnen een plaatsgebonden risicocontour (PR10-6/jaar). Ook is het plangebied niet gelegen binnen het invloedsgebied van inrichtingen en buisleidingen. Het plangebied is wel gelegen binnen het invloedsgebied van een transportroute. Zie onderstaand de uitsnede van de risicokaart waarop het plangebied met een blauwe cirkel is aangegeven.

De ontwikkeling is gelegen binnen het invloedsgebied van een vaarroute (Maas). Het invloedsgebied is 1080 meter gebaseerd op het vervoer van toxische stoffen. Het plangebied ligt op circa 755 meter afstand van de vaarroute. Verder ligt de locatie binnen het invloedsgebied van de N625. Deze weg is niet aangewezen als route voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, er worden echter wel gevaarlijke stoffen

Mr. Van Coothstraat 14 Lith – 2024, pag. 53 van 76 Vastgesteld 27 juni 2024

over vervoerd. In verband met beide transportroutes moet een verantwoording worden opgenomen. Deze volgen hieronder. Maas In de beleidsvisie van de gemeente Oss is opgenomen dat langs waterwegen de standaard verantwoording zoals opgenomen in bijlage 2 bij de beleidsvisie van toepassing is. Deze is als volgt. Ontwikkeling groepsrisico Indien een ruimtelijk plan tot toename van de personendichtheid leidt, betekent dit dat: - vanwege de afstand tot de plaats van het mogelijke incident, - de aard van incident (blootstelling aan toxisch gas), het groepsrisico niet significant zal toenemen. Mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is geen item. - Toename van de personendichtheid heeft geen significant effect op het groepsrisico. - De kans op overlijden door een incident met gevaarlijke stoffen is hier bijzonder klein. De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Voor deze gebieden speelt het bestrijdbaarheidsvraagstuk niet. De bestrijding vindt plaats bij de bron, op afstand van deze gebieden. Ten aanzien van de algemene mogelijkheden van de bestrijdbaarheid wordt verwezen naar het door de regionale brandweer/de Veiligheidsregio opgestelde 'risicoprofiel'.

Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario is, biedt ‘schuilen’ de beste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Bij bestaande bouwwerken worden geen aanvullende maatregelen getroffen om mogelijke indringing van toxisch gas te verminderen. Aanpassing van bijvoorbeeld oude woningen op dit punt is ingrijpend en kostbaar. Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas. Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelinginstallatie, waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen. Van belang is dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het Waarschuwings- en AlarmeringsSysteem (WAS) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding. De zone III gebieden in de bebouwde kom van Oss vallen geheel binnen het dekkingsgebied van het WAS. N625 Over deze weg vindt in beperkte mate vervoer van gevaarlijke stoffen plaats.

Dit betekent dat in relatie tot het wegvervoer conform artikel 7 van het Bevt voor dit plan het groepsrisico moet worden verantwoord. In de beleidsvisie externe veiligheid Oss is hiervoor een verantwoordingskader opgesteld (zwaarte 2). De verantwoording van het groepsrisico conform het verantwoordingskader (zwaarte 2) volgt hieronder. 1. er hoeft geen noodzaak te worden aangetoond om de voorziening op deze plek te realiseren; 2. de zelfredzaamheid is goed De mate van zelfredzaamheid is redelijk. De ontwikkeling voorziet in het oprichten van 23 appartementen en 1 vrijstaande woning en richt zich niet specifiek op mensen die niet of verminderd

Mr. Van Coothstraat 14 Lith – 2024, pag. 54 van 76 Vastgesteld 27 juni 2024

zelfredzaam zijn. Aangenomen mag worden dat deze mensen in staat zijn om op een dreiging te reageren. Het plangebied is via meerdere routes toegankelijk. Er kan van de bron af worden gevlucht. Door de beperkte afstand tussen de woningen en de weg zal een incident snel waargenomen worden, waardoor tijdig gevlucht kan worden. 3. bestrijdbaarheid: In het algemeen geldt op onderhavige locatie dat externe veiligheidsincidenten per definitie moeilijk bestrijdbaar zijn, aanvullend daarop geldt per bestrijdbaarheidsonderwerp het volgende. a. er is een goede verkeerskundige ontsluiting voor hulpdiensten; De ontsluiting is goed. De ontsluiting van het plangebied betreft de weg waarover de gevaarlijke stoffen vervoerd worden. Als op die weg een incident voorvalt, kunnen de hulpdiensten via een andere weg (Valkseweg) het plangebied nog steeds bereiken. b. er wordt voldaan aan de Handleiding bluswatervoorziening of een gelijkwaardig voorstel van de brandweer; De capaciteit van de ter plaatse aanwezige brandkraan is voldoende om een incident met gevaarlijke stoffen effectief te kunnen bestrijden. c.

er is voldoende opvang, afvoersloten; In en rondom het plangebied zijn sloten aanwezig, verder is aan de achterzijde van de woonbebouwing een weiland aanwezig waar het water afkomstig van een eventueel noodzakelijke vuurbestrijding naartoe kan stromen, waarna het via het aanwezige slotenstelsel gemakkelijk kan worden afgevoerd. De berging van calamiteitenwater is derhalve geen probleem. d. er zijn minimaal twee vluchtroutes van de bron af; Hiervan is sprake. e. kwetsbare objecten moeten aan risicoluwe zijde worden gerealiseerd. Geen van de objecten die gerealiseerd worden zijn kwetsbaarder dan andere. 4. maatregelen: a. maatregelen moeten in beschouwing worden genomen; Maatregelen zijn niet aan de orde. b. Privaatrechtelijk afdwingen is niet nodig. c. Aandacht voor organisatorische en communicatiemaatregelen. Advies Veiligheidsregio Op 27 juli 2023 heeft Veiligheidsregio Brabant Noord op onderhavig plan gereageerd. In hun reactie geven zij aan dat omdat de ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt in het invloedsgebied van de Maas en de lokale transportroute voor gevaarlijke stoffen N625 conform artikel 7 van het BEVT het groepsrisico moet worden verantwoord. Hieronder volgt de door de Veiligheidsregio Brabant Noord opgestelde verantwoording. > Scenario's De relevante scenario’s i.r.t het plangebied zijn een toxische wolk en een BLEVE.

Toxische wolk Een toxische wolk wordt veroorzaakt door een incident tijdens de verlading of door een mechanische impact op de tank. Hierdoor ontstaat een gat in de tank, waardoor in korte tijd een groot deel van de toxische stof vrijkomt en met de wind mee wordt verspreid. De gevolgen voor personen zijn afhankelijk van de concentratie en blootstellingstijd aan de stof. BLEVE Een BLEVE wordt veroorzaakt doordat een aanwezige brand de druk in de tank doet oplopen. Hierdoor verzwakt en bezwijkt de tank, LPG komt vrij en ontsteekt. Er ontstaat een vuurbal en een drukgolf. Gezien

Mr. Van Coothstraat 14 Lith – 2024, pag. 55 van 76 Vastgesteld 27 juni 2024

de directe ligging aan de N625 is het aannemelijk dat er slachtoffers vallen als gevolg van een incident nabij de plan locatie. Het aantal transportbewegingen over de N625 is beperkt. Er is dus sprake van een geringe kans op een ongewoon voorval. > Beoordeling zelfredzaamheid Voor het scenario BLEVE is vluchten het beste handelingsperspectief. Dit betekent dat aanwezigen op tijd gealarmeerd en geïnstrueerd moeten worden en er voldoende vluchtwegen van de risicobron aflopend aanwezig moeten zijn. Als het incident op enige afstand plaatsvindt kan via de N625 haaks op het incident gevlucht worden. Als het incident recht voor de deur plaatsvindt zijn de vluchtmogelijkheden beperkt. Dan zal er eerst naar het incident gevlucht moeten worden om vervolgens haaks op het incident te vluchten. Voor het scenario toxische wolk is schuilen het beste handelingsperspectief. Om veilig schuilen binnen de bebouwing mogelijk te maken dient de bebouwing aan bepaalde veiligheidseisen te voldoen. Als gevolg van energieprestatie-eisen zijn nieuwe woningen goed geïsoleerd en bieden daarom een goede bescherming. Eventuele aanwezige ventilatieopeningen moeten afgesloten kunnen worden. De mogelijkheden ten aanzien van de zelfredzaamheid zijn goed. Er worden geen niet- of verminderd zelfredzame mensen in het plangebied gehuisvest.

De aanwezigen zijn normaal gesproken in staat om zelfstandig conform instructies bijvoorbeeld via NL-Alert te reageren. Het aantal mensen in het plangebied is beperkt. > Beoordeling bestrijdbaarheid De bestrijdbaarheid van een BLEVE is matig. Propaan wordt vervoerd in niet- geïsoleerde tankwagens. Als gevolg van externe hittestraling kan deze na ca.12 minuten ontploffen. De brandweer zal om deze reden defensief optreden en zich richten op het ontruimen van de omgeving. De bestrijdbaarheid wordt om deze reden als slecht beoordeeld. Bij het scenario toxische wolk zal de brandweer proberen de toxische wolk neer te slaan. Bij een snelle verspreiding van de toxische wolk zal dit echter beperkt effect hebben. De bestrijdbaarheid wordt om deze reden als matig beoordeeld. Naast de bestrijdbaarheid van externe veiligheidsscenario's kijkt de veiligheidsregio ook naar de mogelijkheden voor het bestrijden van reguliere incidenten. Hiervoor zijn de beleidsregels bereikbaarheid en bluswatervoorziening het uitgangspunt. In voorliggend plan is mogelijk sprake van een doodlopend eind en is de afstand tot de voordeuren voor de achterste woningen mogelijk te lang. geadviseerd wordt om hier vroegtijdig rekening mee te houden. In bijlage 1 zijn de ontwerpeisen voor een doodlopend eind toegevoegd.

> Advies De veiligheidsregio adviseert om de volgende maatregelen te nemen om de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid in het plangebied te verhogen: informeer de initiatiefnemers c.q. de toekomstige bewoners actief over het aanwezige risico en handelingsperspectief. Deze informatie kan worden meegenomen in het besluit om zich op deze locatie te vestigen. Hiermee wordt in optimale vorm invulling gegeven aan het risicobewustzijn van- en het nemen van een eigen verantwoordelijkheid door de burger. Deze informatie zorgt er ook voor dat de bewoners op het moment dat een incident plaats vindt direct weten hoe te handelen, dit heeft een positieve invloed op de mate van zelfredzaamheid. Externe veiligheid vormt – mits de nieuwe bewoners worden geïnformeerd over het aanwezige risico en handelingsperspectief - geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. De initiatiefnemer is aan zet om de nieuwe bewoners hierover te informeren.

Mr. Van Coothstraat 14 Lith – 2024, pag. 56 van 76 Vastgesteld 27 juni 2024

5.6.4 Geurhinder: agrarisch De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is het beoordelingskader voor geur bij milieuvergunningen, bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Het gaat uitdrukkelijk om agrarische geur van landbouwhuisdieren uit dierstallen. De wet maakt onderscheid tussen geurnormen voor intensieve en extensieve veehouderijen. De geurbelasting van intensieve veehouderijen wordt berekend en uitgedrukt in de vorm van een geurcontour. De geurbelasting van extensieve veehouderijen wordt uitgedrukt in vaste afstanden. De gemeente Oss heeft op basis van de wet een eigen geurbeleid opgesteld. Het geurbeleid bestaat uit twee delen: de “Geurgebiedsvisie 2013” en de “Agrarische geurverordening gemeente Oss 2017”. Het hanteert per soort gebied een eigen geurnorm en streeft de volgende doelen na: - de burger beschermen tegen geurhinder; - de veehouderijen niet onnodig beperken; - ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken, onder de voorwaarde dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is. De gemeentelijke “Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder” is van belang voor de vraag of een ruimtelijke ontwikkeling kan plaatsvinden. De beleidsregel geeft aan wanneer sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

In de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oss 2017 wordt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object binnen de gemeente Oss vastgelegd. Conform Artikel 3 Waarden voor de geurbelasting van de verordening zijn de volgende waarden vastgelegd: Lid 1. Op grond van artikel 6, lid 1 van de wet en in afwijking van artikel 3, lid 1 van de wet bedraagt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in het gebied als genoemd in artikel 2, lid 1 van deze verordening: A. Stad Oss

1,0 Ou

B. Woonkern met geen/enige intensieve veehouderij

2,0 Ou

C. Plangebied (bij kern A en B)

3,0 Ou

D. Woonkern met intensieve veehouderij

6,0 Ou

E. Zoekgebied + plangebied Maren-Kessel West en Liesdaal

6,0 Ou

F. Recreatiegebieden

8,0 Ou

G. Extensiveringsgebieden

8,0 Ou

H. Bedrijventerreinen

8,0 Ou

I. Bedrijventerrein Vorstengrafdonk

12,0 Ou

J. Verwevingsgebied

14,0 Ou

K. Landbouwontwikkelingsgebied

14,0 Ou

Om te onderzoeken of dat ter plaatse van het plangebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd en omliggende bedrijven niet (onevenredig) in hun belangen geschaad worden is door De Roever Omgevingsadvies een onderzoek uitgevoerd naar de geurhinder van veehouderijen. Dit onderzoek is als bijlage 7 aan de toelichting van dit bestemmingsplan toegevoegd. Het onderzoek toont aan dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat de belangen van veehouderijen niet worden geschaad. Geurhinder van veehouderijen vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

Mr. Van Coothstraat 14 Lith – 2024, pag. 57 van 76 Vastgesteld 27 juni 2024

5.6.5 Geur: industrieel Het nationale industriële geurbeleid is vastgelegd in de Nederlandse emissierichtlijn (NeR). De brief van het ministerie van Infrastructuur en Milieu van 30 juni 2005 stelt het rijksbeleid in grote lijnen vast. Het algemene uitgangspunt is het voorkomen van (nieuwe) hinder. Dit uitgangspunt vormt samen met het toepassen van de Beste Beschikbare Techniek (BBT) de kern van het geurbeleid. Uitgangspunten van het rijksbeleid zijn: - als er geen hinder is, zijn maatregelen niet nodig; - als er wel hinder is, worden maatregelen getroffen op basis van het Beste Beschikbare Techniekprincipe; - de gemeente stelt vast welke mate van hinder acceptabel is. Gemeenten en provincies hebben de bevoegdheid om een eigen geurbeleid vast te stellen. De provincie Noord-Brabant heeft een eigen geurbeleid voor provinciale bedrijven, de Beleidsregel beoordeling geurhinder omgevingsvergunningen industriële bedrijven Noord-Brabant. De gemeente Oss heeft geen eigen industrieel geurbeleid. Per situatie stelt de gemeente Oss vast of sprake is van een acceptabel geurniveau. Er zijn verschillen in het niveau van bescherming mogelijk. Voor een bedrijfswoning kan bijvoorbeeld een hogere geurbelasting gehanteerd worden dan voor aaneengesloten woonbebouwing. Het plangebied is niet nabij industrieterreinen of bedrijven die geuroverlast veroorzaken gelegen.

5.6.6 Luchtkwaliteit Het beleid en de regelgeving over luchtkwaliteit heeft tot doel om mensen te beschermen tegen de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging. Ze bevatten luchtkwaliteitsnormen voor verschillende stoffen. Ruimtelijke plannen of projecten die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, zoals bestemmingsplannen, dienen getoetst te worden aan de Wet milieubeheer (afdeling 5.2.). Deze wet bevat grenswaarden voor de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijn stof, lood, benzeen en koolmonoxide in de buitenlucht. In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Overschrijding van de grenswaarden van andere stoffen komt bijna niet voor. De wet maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Kleine projecten zijn projecten die de luchtkwaliteit niet ‘in betekende mate’ (NIBM) verslechteren. Deze projecten hoeven niet meer beoordeeld te worden op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Er is geen belemmering als een klein project niet of nauwelijks bij draagt aan luchtverontreiniging, óók niet in overschrijdingsgebieden (gebieden met te veel luchtvervuiling). De ministeriële Regeling NIBM geeft aan in welke gevallen een nieuw project in ieder geval een NIBM-project is.

Dit is bijvoorbeeld het geval als er minder dan 500 woningen worden gebouwd bij minimaal één ontsluitingsweg, of minder dan 1.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Het Besluit gevoelige bestemmingen beperkt de vestiging van zogeheten ‘gevoelige bestemmingen’, zoals een school, in de nabijheid van provinciale en rijkswegen. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. Waar in zo’n onderzoekszone de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming’ niet toenemen. Dit wordt bereikt door op zo’n plek de vestiging van bijvoorbeeld een school niet toe te staan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen

Mr. Van Coothstraat 14 Lith – 2024, pag. 58 van 76 Vastgesteld 27 juni 2024

zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien. De gemeente heeft geen eigen regelgeving en beleid over luchtkwaliteit. Grenswaarden luchtkwaliteit Voor de meest voorkomende stoffen zijn de luchtkwaliteitsnormen als volgt:

Gekeken naar de voorspellingen voor deze stoffen met behulp van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN) van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)12 blijkt dat (ruim) voldaan wordt aan deze grenswaarden. Uitsneden van de kaarten ter hoogte van het projectgebied zijn hieronder opgenomen.

12

Bron: http://geodata.rivm.nl/gcn/

Mr. Van Coothstraat 14 Lith – 2024, pag. 59 van 76 Vastgesteld 27 juni 2024

Mr. Van Coothstraat 14 Lith – 2024, pag. 60 van 76 Vastgesteld 27 juni 2024

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; • woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; • kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Aangezien het hier een ruimtelijke ontwikkeling betreft die genoemd staat in de Regeling NIBM, een woningbouwlocatie met minder dan 1.500 woningen, kan geconcludeerd worden dat de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project NIBM is. Om dit aan te tonen is de NIBM-tool welke is ontwikkeld door het ministerie van Infrastructuur en Milieu in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil ingevuld.

Hieruit blijkt dat het planvoornemen (toename 40 verkeersbewegingen per etmaal) niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Zie de weergave daarvan hieronder.

Mr. Van Coothstraat 14 Lith – 2024, pag. 61 van 76 Vastgesteld 27 juni 2024

Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleegen bejaardentehuizen. Woningen, kantoren en ziekenhuizen zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Het planvoornemen betreft niet het mogelijk maken van een gevoelige bestemming zoals in het kader ‘luchtkwaliteit’ is bedoeld. Het besluit gevoelige bestemmingen is in onderhavige situatie niet aan de orde. Bedrijven Binnen de directe nabijheid van de locatie liggen geen veehouderijen of zijn andere bedrijven gevestigd die van invloed zijn op de luchtkwaliteit. Conclusie Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het planvoornemen draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.6.7 Straling Het beleid voor elektromagnetische velden is opgenomen in het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4), de Toekomstagenda Milieu en de beleidsnota Nuchter Omgaan met Risico's, beslissen met gevoel voor onzekerheden (2004). Het ministerie van Infrastructuur en milieu heeft het beleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen uitgewerkt in een advies van oktober 2005. Dit advies is verder toegelicht in een brief van november 2008. De gemeente Oss heeft in het Milieubeleidsplan 2010-2014 het rijksadvies vastgelegd als beleidsuitgangspunt. Dit houdt in dat er bij nieuwbouwplannen of het realiseren van nieuwe hoogspanningslijnen voorkomen dient te worden dat er gevoelige bestemmingen terecht komen in een zone waar het magnetische veld gemiddeld over een jaar hoger is dan de norm van 0,4 microtesla.

Mr. Van Coothstraat 14 Lith – 2024, pag. 62 van 76 Vastgesteld 27 juni 2024

Het plangebied is niet gelegen nabij een hoogspanningslijn, wat betekent dat ter hoogte van het plangebied geen sprake is van een magnetische veldsterkte van meer dan 0,4 microtesla ten gevolge van hoogspanningslijnen. Straling vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. 5.6.8 Weg-, spoor- en industrielawaai De Wet geluidhinder (Wgh) biedt bescherming tegen (spoor)weglawaai en tegen industrielawaai van inrichtingen voor zover gelegen op een gezoneerd industrieterrein. In de Wgh wordt een beperkt aantal typen objecten beschermd, de zogenoemde geluidgevoelige objecten. De Wet geluidhinder kent een stelsel van normen ter voorkoming van geluidhinder. Ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen zijn grenswaarden opgenomen. Hierbij is een ondergrens (voorkeursgrenswaarde) en een bovengrens (maximaal toelaatbare grenswaarde) opgenomen. De Wgh biedt gemeenten de mogelijkheid om gericht in te spelen op de lokale situatie door maatwerk te leveren. Burgemeester en wethouders kunnen een hogere waarde vaststellen dan de ondergrens, maar mogen daarbij de bovengrens niet overschrijden. In 2010 heeft de gemeenteraad van Oss de geluidsnota “Geluidskwaliteit in de leefomgeving” vastgesteld. De gemeente Oss maakt hierbij gebruik van gebiedsgericht geluidbeleid. Per gebied wordt een geluidskwaliteit nagestreefd.

Zo zijn er ‘rustige gebieden’, ‘dynamische gebieden’ en er zijn gebieden die ten aanzien van geluid onder druk staan. De geluidsnota gaat ook in op de realistische inzet van onderzoek, het stellen van eigen criteria voor het toestaan van een hogere waarde en bedrijfswoningen op industrieterreinen. De gemeente Oss streeft naar een leefbare woonsituatie, ook op locaties met een hoge geluidsbelasting. Deze leefbaarheid wordt bereikt door terughoudend te zijn met hogere grenswaarden en door hieraan voorwaarden te verbinden. Deze voorwaarden leggen de initiatiefnemer of de beheerder een inspanning op voor een leefbare woonomgeving als compensatie voor het bouwen en het veroorzaken van een lawaaiige situatie. Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. Ook in Oss is er een aantal gezoneerde industrieterreinen. Met zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel bedrijven als aan bewoners/gebruikers van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Bedrijven kunnen aan de ene kant hun geluid producerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone.

Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen te veel oprukken naar de bedrijven toe. Het planvoornemen omvat 24 nieuwe geluidgevoelige objecten. Wegverkeerslawaai De woningen zijn gelegen in de wettelijke zone (akoestisch aandachtsgebied) van de Meester van Coothstraat. Bovendien ondervindt de locatie mogelijk een relevante geluidbelasting van het 30 kilometer per uur wegvak van de Valkseweg, waarvan de geluidbelasting in het kader van een goede ruimtelijke ordening moet worden onderzocht.

Mr. Van Coothstraat 14 Lith – 2024, pag. 63 van 76 Vastgesteld 27 juni 2024

Door Nipa milieutechniek is een onderzoek uitgevoerd om te onderzoeken of geluid ten gevolge van wegen een belemmerende factor vormt voor het planvoornemen. Het onderzoek is bijgevoegd bij de toelichting van dit bestemmingsplan (bijlage 8). De conclusies van dit onderzoek zijn als volgt. “Uit de berekeningsresultaten blijkt op de gevels van de nieuwe woonbestemmingen een geluidbelasting van ten hoogste 62 dB inclusief aftrek ex. artikel 110g Wgh vanwege het wegverkeer op de Meester van Coothstraat. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt op de voor- en zijgevels van de appartementen en de grondgebonden woning met ten hoogste 14 dB overschreden. Een aanvraag om een hogere waarde voor wegverkeerslawaai is noodzakelijk, tenzij de betrokken gevels niet geluidgevoelig zijn en/of als ‘doof’ (zonder te openen delen) worden uitgevoerd. Voor de geluidbelastingen en de motivatie wordt verwezen naar het onderzoeksrapport. Op grond van het Bouwbesluit is de geluidwering van een nieuwe woning in standaarduitvoering tenminste 20 dB. Hieruit volgt dat de (gecumuleerde) geluidbelasting niet hoger mag zijn dan 53 dB om aan de richtwaarde van het binnengeluidniveau van 33 dB te voldoen. Bij de berekende (ongecorrigeerde) geluidbelasting als gevolg van alle betrokken wegen, van ten hoogste 67 dB is een geluidwering van de gevel van minimaal (67-33=)34 dB vereist.

Dit moet met een onderzoek van de geluidwering van de gevel worden aangetoond. Het woon- en leefklimaat in een aantal geluidgevoelige ruimten van de nieuwe woningen is evenmin zonder nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels gewaarborgd.” De verwachting is dat met een goede geluidwerende gevel aan de richtwaarde van het binnengeluidniveau van 33 dB kan worden voldaan. Op basis daarvan kan gesteld worden dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor wat betreft het aspect wegverkeerslawaai. Om aan te tonen dat dit daadwerkelijk het geval is zal bij de aanvraag omgevingsvergunning activiteit bouwen wel nog een onderzoek naar de geluidwering van de gevel moeten worden overlegd. Verder zal een hogere waarde procedure doorlopen moeten worden, deze loopt gelijk op met de procedure van dit bestemmingsplan. Het besluit hogere waarde is als bijlage 13 bijgevoegd aan deze toelichting. In de nabijheid van de planlocatie is geen sprake van railverkeer. Aangezien de geluidgevoelige objecten ook niet zijn gelegen in een geluidszone van de lucht of hinder ondervinden van geluidproducerende bedrijven in en rondom het plangebied is een onderzoek hiernaar om aan te tonen dat voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarden niet nodig. Geluid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.6.9 Gezondheid Uit de VGO-rapporten die afgelopen jaren zijn gepubliceerd door het RIVM komt duidelijk naar voren dat er een relatie wordt gevonden tussen veehouderijen en de gezondheid van omwonenden. Deze relatie is door de onderzoeker op verschillende manieren vastgesteld. Daarbij komt dichtheid van veehouderijbedrijven en afstand tot bepaalde type individuele veehouderijen concreet naar voren als factoren die van invloed zijn op de gezondheid van omwonenden. Verder blijkt uit VGO-onderzoek dat er in een straal van twee kilometer rond geitenhouderijen een verhoogde incidentie van longontstekingen (ca. 25-30% hoger) voorkomt. De oorzaak van het verhoogde risico op longontsteking rond geitenbedrijven is vooralsnog onbekend en onderwerp van vervolgonderzoek. Op dit moment kan er geen enkele bron-effect relatie worden beschreven tussen de verhoogde longontsteking incidentie en de uitstoot vanuit geitenhouderijen. Wel is er een causaal verband geconstateerd waarbij de associatie sterker is naarmate de afstand tot een geitenhouderij kleiner is. Tot er meer duidelijkheid is over de bron van de verhoogde incidentie longontstekingen kan niet worden

Mr. Van Coothstraat 14 Lith – 2024, pag. 64 van 76 Vastgesteld 27 juni 2024

geadviseerd over beschermde maatregelen. Afstand houden en goed informeren is de enige maatregel die de GGD op dit moment adviseert. In afwachting van het vervolgonderzoek heeft de provincie besloten dat geitenstallen uitbreiden of in gebruik nemen niet meer is toegestaan. Het moratorium is in beginsel tijdelijk. Als de uitkomsten van het vervolgonderzoek bekend worden, wordt er gekeken of er redenen zijn het besluit in te trekken of aan te passen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het bevoegd gezag verplicht om alle bekende risico's bij een nieuwe ontwikkeling af te wegen. Er is geen sprake van een omgekeerde werking van het moratorium (met andere woorden de 'stop' op uitbreidingen van geitenbedrijven zorgt niet voor een stop op ontwikkelingen binnen de 2 km straal van een geitenhouderij), maar wel van een risico dat beoordeeld en meegewogen moet worden bij nieuwe ontwikkelingen. Het verantwoorden van dit verhoogde risico is aan het bevoegd gezag, in casu de gemeente. Deze geeft een oordeel over en maakt een afweging of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (m.b.t. onder andere gezondheid & geitenhouderijen). Het college van B&W besloot op 5 december 2017 dat wenselijke ontwikkelingen na een zorgvuldige afweging met betrekking tot volksgezondheid kunnen worden toegestaan binnen een straal van twee kilometer rondom een geitenhouderij.

Het beleid voor geitenhouderijen in Oss houdt in dat bij de realisering van een ruimtelijke ontwikkeling binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij rekening moet worden gehouden met de volgende criteria: a. het infomeren van de aanvragers over het risico b. terughoudend omgaan met ontwikkelingen betreffende het huisvest of opvangen van kinderen, kwetsbare mensen en ouderen c. na een zorgvuldige afweging en eventueel maatwerk kunnen wenselijke ontwikkelingen binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij worden toegestaan. Geitenhouderijen Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van enkele geitenhouderijen (zie de afbeeldingen hieronder).

Mr. Van Coothstraat 14 Lith – 2024, pag. 65 van 76 Vastgesteld 27 juni 2024

Het plangebied ligt op een afstand van ongeveer 1.130 meter van de geitenhouderij Valkseweg 36 in Lithoijen. Voor het planvoornemen geldt dat: - de aanvrager c.q. de toekomstige bewoner van de woning moet op de hoogte worden gesteld dat dit risico bestaat. - de op de locatie te realiseren woning is niet bedoeld voor de huisvesting van een kwetsbare groep. - er een motivering moet worden toegevoegd. Voor het plangebied is sprake van een verhoogd risico op het voorkomen van longontsteking. Omdat de reden van het verhoogd voorkomen van longontsteking niet bekend is, is het niet mogelijk om preventief maatregelen te nemen. De GGD adviseert om het verhoogd voorkomen van longontsteking als één van de parameters mee te wegen in de besluitvorming van dit plangebied. Volledigheidshalve wordt ook verwezen naar het geitenmoratorium. Naar aanleiding van het aanvullende VGO-rapport (VGO 3) heeft Provinciale Staten van Noord-Brabant op 7 juli 2017 besloten om het uitbreiden van geitenhouderijen en het omschakelen naar geitenhouderijen tegen te gaan, waarmee het moratorium geitenhouderij een feit was. Het moratorium is een voorzorgmaatregel en verwerkt in de Verordening ruimte Noord-Brabant. Het doel van het moratorium is te voorkomen dat rond geitenhouderijen de gezondheidslast toeneemt en (nieuwe) knelpunten ontstaan.

Mr. Van Coothstraat 14 Lith – 2024, pag. 66 van 76 Vastgesteld 27 juni 2024

Bij de bestuurlijke afweging om toch binnen 2 km te bouwen, kunnen de volgende aspecten betrokken worden: - locatiespecifieke zorgvuldige afweging door het benoemen van andere (milieu-)factoren die gunstig danwel ongunstig zijn; - cumulatie, wat is er meer aan belastende milieufactoren in de omgeving; - verblijflocaties specifiek bedoeld voor gevoelige groepen (zieken, ouderen, kinderen e.d.); - VGO III: het risico wordt kleiner naarmate de afstand tot de geitenhouderij groter is; - het betrekken van deskundigen (GGD, Kennisplatform veehouderij en humane gezondheid) Voor de locatie aan de Meester van Coothstraat 14 gelden in het kader van de geitenhouderij binnen 2 kilometer de volgende overwegingen ten aanzien van het planvoornemen: - Er bevindt zich één geitenhouderij binnen 2 km van het plangebied, er is geen sprake van cumulatieeffecten; - Toekomstige bewoners worden op de hoogte gesteld van het risico; - Er komen geen kwetsbare doelgroepen in het plangebied, zoals voorzieningen voor ouderen of zieken; - Andere milieufactoren in de omgeving hebben een relatief beperkte invloed. Gelet op bovenstaande overwegingen en de kanttekening dat de achterliggende oorzaak van de associatie tussen de aanwezigheid van geitenhouderijen en longontstekingen niet bekend is, wordt het plan aanvaardbaar geacht.

De noodzaak om te voorzien in woningbouw voor de kern Lith en deze locatie en de belangen afwegend, wordt de locatie geschikt geacht ook al ligt deze binnen 2 km van een geitenhouderij. Aanvullend op voorgaand is ook het stappenplan van de GGD doorlopen in verband met het opvragen van een eventueel advies. Zie het doorlopen stappenplan hieronder. GGD-stappenplan Advisering GGD De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie mei 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. Door alle zeven stappen te doorlopen en beantwoorden kan worden nagegaan of er knelpunten aan de orde zijn en het zinvol is de GGD om advies te vragen. Hieronder is aan het stappenplan getoetst. Stap 1 De ontwikkeling voldoet aan de endotoxine ‘richt-afstand’ tussen een veehouderij en gevoelige bestemming. GGD-advies is niet aan de orde, ga verder naar stap 2. Stap 2 De ontwikkeling leidt niet tot een toename in de emissie voor geur en/ of fijnstof en/ of ammoniak. GGDadvies is niet aan de orde, ga verder naar stap 3a. Stap 3a Sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat a.d.h.v. het wettelijk kader voor geur. GGD-advies is niet aan de orde, ga verder naar stap 3b. Stap 3b Sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat a.d.h.v. de gezondheidskundige advieswaarde. GGD-advies is niet aan de orde, ga verder naar stap 4.

Mr. Van Coothstraat 14 Lith – 2024, pag. 67 van 76 Vastgesteld 27 juni 2024

Stap 4a+b Er zijn geen veehouderijen in de buurt waar meer dan één diersoort wordt gehouden. Er zijn geen varkens- en/ of pluimveebedrijven in de buurt waarvan de afstand tussen de inrichtingsgrenzen minder dan 100 meter bedraagt. GGD-advies is niet aan de orde, ga verder naar stap 5. Stap 5a Binnen een afstand van 2 km van nieuwe woon- en verblijfsruimten is één geitenhouderij gelegen. Dit leidt tot GGD-advies. Binnen een afstand van 1 km van nieuwe woon- en verblijfsruimten is geen pluimveebedrijf gelegen. Dit leidt niet tot GGD-advies. Binnen een afstand van 250m van nieuwe woon- en verblijfsruimten is geen overige veehouderij gelegen. Dit leidt niet tot GGD-advies. Check of stap 6 nog tot een GGD-advies leidt. Stap 6 Er is geen sprake van mestbe- of verwerking als nevenactiviteit of als zelfstandige activiteit. Dit leidt niet tot GGD-advies. Check of stap 7 nog tot een GGD-advies leidt. Stap 7 Bij omwonenden is geen sprake van ongerustheid over de volksgezondheid. Dit leidt niet tot GGD-advies. Na het doorlopen van het stappenplan blijkt dat de enige aanleiding voor een GGD-advies het aspect geiten is binnen een straal van 2 kilometer vanaf het initiatief.

Omdat de GGD hierover op dit moment niet anders kan adviseren dan hetgeen in het VGO-3 is opgenomen – er wordt in 2024 op zijn vroegst meer informatie verwacht van een vervolgstudie naar het effect van geitenhouderijen op de gezondheid - wordt voor onderhavige ontwikkeling met die reden geen advies bij de GGD gevraagd. Het aspect gezondheid vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. 5.6.10 Spuitzones In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden beoordeeld of het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen onaanvaardbare gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt als vuistregel dat een richtafstand van 50 meter tussen het perceel waarop de teelt plaatsvindt en te realiseren nieuwe gevoelige functies zoals woningen kan worden gehanteerd. Kleinere afstanden zijn mogelijk mits er een locatie specifiek onderzoek wordt uitgevoerd. Op circa 20 meter van het plangebied zijn agrarische percelen gelegen. Deze zijn in gebruik als grasland en voor wisselteelt (o.a. mais). Geen sprake is van permanente en/of hoge teelt, zoals boom- of fruitteelt. De verwachting is dat dit gebruik op deze percelen in de toekomst (in ieder geval binnen het invloedsgebied: 50 meter van het planvoornemen) ook niet toegepast zal gaan worden.

Namelijk, binnen die afstand zijn reeds woningen gelegen die dan belemmerd zullen gaan worden. Verder geldt dat

Mr. Van Coothstraat 14 Lith – 2024, pag. 68 van 76 Vastgesteld 27 juni 2024

tussen de agrarische percelen en het planvoornemen beplanting is gelegen. De beplanting vormt een windhaag om drift afkomstig van het gebruik van bestrijdingsmiddelen te verminderen. Het aspect spuitzones vormt met die redenen geen belemmering voor het planvoornemen. 5.7 Milieueffectrapportage (M.e.r.) Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt de milieugevolgen van een plan in beeld voordat er een besluit over wordt genomen. In een milieueffectrapport worden de gevolgen voor het milieu beschreven. Zo kan de overheid die het besluit neemt de milieugevolgen bij haar afwegingen betrekken. Het doel van m.e.r. is om het milieu een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over plannen en projecten. In een m.e.r.-beoordeling kijkt het bevoegd gezag of een project mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Als dat zo is, moet een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Wanneer speelt een m.e.r.-beoordeling? In het Besluit m.e.r. staat wanneer m.e.r. of een m.e.r.-beoordeling aan de orde is. De activiteit die het project mogelijk maakt en het besluit over de activiteit zijn daarbij bepalend. In de C- en D-lijst in de Bijlage bij het Besluit m.e.r. staat of sprake is van m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht. Per categorie van activiteiten is een drempelwaarde voor de omvang van de activiteit gegeven.

Boven de C-drempel geldt een m.e.r.-plicht, tussen de C- en D-drempel geldt een plan-m.e.r.-plicht en onder de D-drempel geldt een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient onderbouwd te worden of de activiteit belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Sinds de implementatie van de gewijzigde M.e.r.-richtlijn op 16 mei 2017 is de procedure voor de vormvrije en de formele m.e.r.-beoordeling bijna gelijk. Het enige verschil is dat van het besluit bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling geen kennisgeving wordt gedaan. Het m.e.r.-beoordelingsbesluit De initiatiefnemer stelt een aanmeldnotitie op, waarover het bevoegd gezag binnen zes weken een m.e.r.beoordelingsbesluit moet nemen. Het bevoegd gezag motiveert het besluit door in te gaan op de selectiecriteria van Bijlage III van de M.e.r.-richtlijn. Het gaat daarbij om de hoofdcategorieën: 1. kenmerken van het project 2. plaats van het project 3. kenmerken van het potentiële effect. Is het bevoegd gezag zelf initiatiefnemer, dan is het bevoegd gezag, anders dan een derde, niet verplicht een aanmeldnotitie op te stellen. Verantwoording De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject is een activiteit als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.).

De realisatie van één woning is een stedelijke ontwikkeling, maar niet in de zin van het Besluit m.e.r. Uit jurisprudentie blijkt namelijk dat het antwoord op de vraag of sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. afhangt van de concrete omstandigheden van het geval (ABRvS 11 maart 2020, uitspraak 201901464/1/R1). Daarbij spelen onder meer aspecten als de aard en omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol. Uit eerdere jurisprudentie (ABRvS 27 mei 2015, uitspraak 201404713/1/R3) blijkt dat voor nieuwvestiging van 95 woningen geen m.e.r.-beoordeling nodig is. De ontwikkeling van 24 woningen zorgt dan wel voor een wijziging van de gebruiksmogelijkheden, maar dit betekent nog niet dat dit moet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in

Mr. Van Coothstraat 14 Lith – 2024, pag. 69 van 76 Vastgesteld 27 juni 2024

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=933b1392-1e98-4985-af24-d1a01e71da2a