Toelichting+regels MrvCoothstr14
Tekst van het document
In onderstaande tabel is de bandbreedte van de woningprogrammering afgezet tegen de plancapaciteit in Oss. (NB: het voorliggende plan voor de realisatie van 23 appartementen en 1 vrijstaande woning is reeds opgenomen in de concrete plancapaciteit). bandbreedte opgave woningvoorraad periode 2023 t/m 2032 2032 t/m 2039 Totaal Totaal 2022 - 2032 * inventarisatie augustus 2023
gemeente Oss
prognose 2020 5.270 2.561 7.381 5.270
model Oss 5.985 2.371 8.356 5.985
concrete capaciteit* 5.012 0 5.012 5.012
Mr. Van Coothstraat 14 Lith – 2024, pag. 24 van 76 Vastgesteld 27 juni 2024
De totale concrete capaciteit in woningbouwplannen voor de hele gemeente Oss bedraagt circa 5.000 woningen (actualisatie augustus 2023). Dit is niet alleen de zogenaamde harde capaciteit (juridisch bindend, opgenomen in vastgestelde bestemmingsplannen of bouwvergunningen), maar ook woningbouw in concrete plannen, die nog in procedure zijn. Ook de concrete mogelijkheden voor herontwikkeling of transformatie van bestaande bebouwing zijn hierin opgenomen. Duidelijk is dat Oss nog een opgave heeft om de plancapaciteit voor woningen voor de gehele gemeente uit te breiden. De woningbehoefte in dorpencluster Lith Het plangebied ligt in het dorp Lith. Woningbouw op deze locatie is niet alleen gericht op de woningbehoefte vanuit Lith maar ook vanuit de omliggende kernen (het dorpencluster Lith). Door de aanwezigheid van een goed pakket aan voorzieningen en werkgelegenheid vervult de kern Lith een centrumfunctie voor de omliggende kernen. Hierdoor ligt in Lith ook een zwaartepunt voor de woningbouw. De provinciale woningbouwprognose is doorberekend naar de verschillende gebiedsdelen van Oss (PFM Wonen Oss). Onderstaande tabel geeft de behoefte en capaciteiten voor woningen in het dorpencluster Lith weer. De 24 woningen van het plangebied zijn al opgenomen in de capaciteiten.
Uit het overzicht blijkt dat de woningen in Lith qua omvang passen in de bandbreedte van de behoefte van het cluster Lith. bandbreedte opgave woningvoorraad periode
prognose 2020
2023 t/m 2032 2033 t/m 2039
254 92
Totaal 2022 t/m 2039
346
cluster Lith model Oss
concrete capaciteit*
292 105
206 0
397
206
* inventarisatie augustus 2023
De kwalitatieve behoefte In de Woonvisie Oss 2020 en PFM Wonen Oss is er een indicatieve raming gemaakt van de behoefte aan verschillende kwaliteiten, met een onderscheid naar woningtype, eigendomsvorm, woonmilieus en prijssegmenten9. De raming is gebaseerd op recente woningmarktonderzoeken en ontwikkelingen in de woningmarkt van Oss en de regio. Hierbij is ook rekening gehouden met de wisselwerking met de bestaande woningvoorraad en de behoefte vanuit de verschillende doelgroepen (starters, gezinnen, ouderen, inkomensklassen e.d.). Gezien de verwachte bevolkingsontwikkeling wordt er een toenemende behoefte aan woningen voor kleinere huishoudens en ouderen voorzien, als gevolg van vergrijzing van de samenleving en gezinsverdunning. In de kwalitatieve raming is dit vertaald naar een toenemend aandeel appartementen of levensloopbestendige woningen. Belangrijk is ook de betaalbaarheid van wonen, met een blijvende behoefte aan betaalbare woningen (zowel koop als huur). Dit is onder andere het gevolg van de sterk gestegen woningprijzen, de beperkte toegankelijkheid van de sociale sector en de toenemende behoefte aan kleinere woningen. Zoals in veel dorpen bestaat de woningvoorraad ook in Lith vooral uit grondgebonden koopwoningen.
Voor de komende periode wordt een toenemende behoefte aan woningen voor kleinere huishoudens en ouderen voorzien, als gevolg van vergrijzing van de samenleving en gezinsverdunning. In de kwalitatieve
9 De prijssegmenten 2023 zijn als volgt: huur goedkoop, kale huur < liberalisatiegrens; huur middelduur, kale huur > liberalisatiegrens; koop goedkoop < € 240.000; koop middelduur, > € 240.000 < €405.000, koop duur > € 405.000. Deze prijsgrenzen zijn gekoppeld aan landelijke standaarden zoals de liberalisatiegrens, de NHG grens en de consumentenprijsindex en zullen daarom per jaar meebewegen met deze landelijke standaarden.
Mr. Van Coothstraat 14 Lith – 2024, pag. 25 van 76 Vastgesteld 27 juni 2024
raming is dit vertaald naar een toenemende behoefte aan appartementen of levensloopbestendige woningen. Ook is er sprake van een blijvende behoefte aan goedkopere woningen, zowel koop als huur. In onderstaande figuren is de indicatieve behoefte voor het landelijke cluster weergegeven. De woningen in het plangebied zijn al opgenomen in de capaciteiten. Het programma betreft 24 woningen, waarvan 23 appartementen verdeeld over twee gebouwen en 1 grondgebonden woning. Hierbij gaat het om 6 goedkope appartementen (koop of huur), 17 betaalbare appartementen (tot de NHG-grens10) in het koopsegment en 1 vrijstaande woning in het dure koopsegment. Zowel de appartementen als de grondgebonden woning zijn levensloopbestendig. Opgave tot 2040 versus capaciteit cluster Lith 160 140 120 100 80 60 40 20 0 sociale huur
vrije sector huur
prognose 2020
goedkope koop model Oss
middeldure koop
dure koop
concrete capaciteit*
Totaal, cluster Lith appartementen -grondgebonden 450 400 350 300 250 200 150 100 50 0
prognose 2020
model Oss
appart./levensloopbestendig
concrete capaciteit* Grondgebonden
Hiermee voorziet het beoogde plan zowel qua prijssegmenten als qua woningtypen vooral in de behoefte van starters, ouderen en kleinere/middelgrote huishoudens. Ook na realisering van dit plan blijven er nog tekorten voor met name ouderen. Belangrijk is ook dat het voorliggende plan de herontwikkeling van een bestaande bedrijfslocatie beoogt. Hiermee sluit het plan aan bij de provinciale uitgangspunten voor 10 Geldend op het moment van verkoop, mits niet lager dan thans (2023) vastgesteld op 405.000 euro per woning.
Mr. Van Coothstraat 14 Lith – 2024, pag. 26 van 76 Vastgesteld 27 juni 2024
zorgvuldig ruimtegebruik en het benutten van de mogelijkheden door transformatie van verouderde bebouwing. Conclusie De conclusie is dat de beoogde woningen in het plangebied aansluiten bij de behoefte aan toekomstbestendige en duurzame woonmilieus in het cluster Lith. Het plan sluit aan bij de Woonagenda van provincie, regio en de gemeente Oss en voldoet aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. 4.4.4 Welstandsbeleid Op 24 september 2020 is “Samen bouwen aan een mooi Oss, Nota uiterlijk van bouwwerken Oss 2020” vastgesteld. Dit welstandsbeleid legt meer verantwoordelijkheid bij de inwoners en bedrijven van de gemeente Oss. Met deze nota geldt in principe voor het gehele grondgebied van de gemeente een welstandsvrij beleid. Nieuwe bouwaanvragen hoeven niet te worden voorgelegd aan het Adviesteam Architectuur om te worden getoetst aan ‘redelijke eisen van welstand’. Er gelden drie uitzonderingssituaties: bebouwing binnen beschermde stads- en dorpsgezichten; monumenten en de panden in de directe omgeving van een monument (binnen een straal van 25 meter vanaf een monument); bebouwing binnen gebieden waar een beeldkwaliteitsplan geldt. In deze gevallen is voor bebouwing een welstandadvies wél verplicht. In het welstandsvrije deel van de gemeente blijft de mogelijkheid bestaan om bouwplannen voor te leggen aan het Adviesteam Architectuur voor een vrijblijvend welstandsadvies.
Het plangebied ligt niet in een beschermd stads- en dorpsgezicht of in de nabijheid van een monument. Voor het plan is geen beeldkwaliteitsplan opgesteld waaraan de bebouwing moet worden getoetst. Het plan hoeft niet te worden voorgelegd aan het Adviesteam Architectuur. 4.4.5 Beleid aan huis gebonden activiteiten Op 22 november 2012 heeft de gemeenteraad het Beleid aan huis gebonden activiteiten – Actualisatie 2012 vastgesteld. Het beleid voor aan huis gebonden activiteiten is opgesteld om mogelijkheden te bieden aan ondernemen vanuit de eigen woning. Door de jaren heen zijn de activiteiten die aan huis worden ondernomen steeds meer divers geworden. Het gaat allang niet meer alleen om een huisarts of accountant aan huis. Er is een breed scala dat aan huis uitgeoefend kan worden. Voorbeelden zijn een adviesbureau, pedicure of afslanksalon. Ook komen er steeds vaker vragen om kleinschalige cursussen te mogen geven, voor kleinschalige kinderopvang, ambachtelijke bedrijfjes of een bed en breakfast. Met het beleid wordt ingespeeld op de veranderende inzichten over aan huis gebonden activiteiten. Er wordt ruimte gegeven aan deze nieuwe vormen om vanuit de thuissituatie te werken. Het gaat dus altijd om een bewoner die de activiteit uitvoert. Een andere belangrijke voorwaarde is steeds dat de activiteit zich goed verhoudt met de woonomgeving.
Het beleid aan huis gebonden activiteiten is er op gericht om zoveel mogelijk rechtstreeks toe te staan. Er is een lijst opgesteld met een breed scala aan activiteiten die rechtstreeks mogen worden uitgeoefend in de woning. Deze lijst is als bijlage opgenomen bij de regels van dit bestemmingsplan. Bij het opstellen van de lijst van rechtstreeks toegestane activiteiten is de woonomgeving het uitgangspunt geweest. Dit houdt
Mr. Van Coothstraat 14 Lith – 2024, pag. 27 van 76 Vastgesteld 27 juni 2024
in dat er geen bedrijven op staan die veel verkeer aantrekken of activiteiten die milieuhinder veroorzaken, die niet past in een woonomgeving. Het oppervlak van de rechtstreeks toegestane activiteiten is 35m2. Maar niet alle activiteiten kunnen rechtstreeks in een woning worden uitgevoerd. Soms is een toetsing vooraf nodig. Als dit positief is, wordt toestemming verleend in de vorm van een ‘omgevingsvergunning waarbij van het bestemmingsplan wordt afgeweken’. Bij deze afweging spelen publieksaantrekkende werking en milieu- en verkeersaspecten altijd een rol. Voorbeelden van activiteiten waarbij een toetsing vooraf nodig is zijn: een groter oppervlak dan het toegestane 35 m2, andere activiteiten dan die in de lijst zijn opgenomen of groepsmatige activiteiten. In het nieuwe beleid worden de mogelijkheden voor dit afwijkend gebruik beschreven. Voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik moet de aanvrager een concrete aanvraag om toestemming bij de gemeente indienen.
Mr. Van Coothstraat 14 Lith – 2024, pag. 28 van 76 Vastgesteld 27 juni 2024
Hoofdstuk 5 5.1
Omgevingsaspecten
Natuur
5.1.1 Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming beschermt Nederlandse natuurgebieden en planten- en diersoorten. Het is belangrijk voor de natuur dat er veel verschillende planten- en diersoorten zijn. Wanneer het met de natuur goed gaat, is er ook meer ruimte voor economische en andere maatschappelijke activiteiten. Maar sommige soorten zijn kwetsbaar, zoals vleermuizen en mussen. Een goede natuurbescherming is dan ook belangrijk. Rolverdeling tussen provincies en Rijk Sinds 1 januari 2017 bepalen de provincies wat wel en niet mag in de natuur binnen de provincie. De provincies zorgen voor de vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor het beleid van grote wateren en internationaal beleid (zoals Natura2000). Ruimtelijke plannen en omgevingsvergunningen die invloed hebben op beschermde natuur moeten passen binnen de Wet natuurbescherming. Daarnaast gelden ook provinciale regelingen voor natuurbescherming. 5.1.2 Groen en natuur/biodiversiteit Natuurinclusief bouwen De gemeente streeft ernaar om bij (ver)bouwen zoveel als mogelijk rekening te houden met de natuur en de biodiversiteit ofwel “natuurinclusief” te bouwen. Aan initiatiefnemers wordt gevraagd om dit ook te doen.
Door Brabant Eco, die voor het planvoornemen een quickscan flora en fauna heeft uitgevoerd, zijn enkele aanbevelingen gedaan in verband met natuurinclusief bouwen op de locatie. Deze zijn hieronder weergegeven. “Voor de ontwikkeling van het plangebied Meester van Coothstraat 14 raden wij de volgende natuurinclusieve maatregelen aan: - Veel vleermuissoorten zijn afhankelijk van bebouwing als nestgelegenheid, maar onze huizen en verdere bebouwing worden steeds dichter. Vleermuizen kunnen zelf geen nest bouwen, maar maken gebruik van al bestaande holtes, zoals spleten en spouwen. Ze verblijven op verschillende plekken, afhankelijk van de periode van het jaar en de functie (zoals winter- of kraamverblijfplaats). Door het plaatsen van inmetselstenen worden vleermuizen enorm geholpen bij het bieden van een verblijfplaats. Naast het plaatsen van vleermuisvoorzieningen kunt u ook ruimtes in het gebouw vrijlaten voor vleermuizen. Denk hierbij aan open stootvoegen om de spouw toegankelijk te maken, ruimte achter de gevelbetimmering te laten of ruimte maken in (dubbele) daklijsten. - Bij de aanleg van groenstructuren in het plangebied worden bij voorkeur inheems (streekeigen) groen aangeplant. Groei en bloei van deze planten en de momenten waarop rupsen, bijen of vogels sterk van hun blad, nectar en stuifmeel afhankelijk zijn, zijn op elkaar afgestemd.
Dit is een belangrijk verschil met uitheemse soorten, die vaak eerder en te vroeg uitlopen/bloeien. De voorkeur gaat uit naar bes- en nootdragende struiken zoals sporkehout (vuilboom), Gelderse roos, wilde kardinaalsmuts, lijsterbes, hondsroos, sleedoorn of hazelaar. Deze zijn ten gunste van foerageerfuncties voor vogels, maar ook kleine knaagdieren, insecten en insecteneters zoals vleermuizen zullen hiervan profiteren. Huismussen zullen schuilgelegenheid vinden in stekelige struiken zoals bijv. (groenblijvende) hulst of meidoorn. Lindebomen trekken tijdens hun relatief lange bloeitijd grote aantallen insecten aan, en dus ook eerdergenoemde insecteneters.”
Mr. Van Coothstraat 14 Lith – 2024, pag. 29 van 76 Vastgesteld 27 juni 2024
De initiatiefnemer zal bij de uitwerking van de omgevingsvergunning activiteit bouwen aandacht besteden aan nestgelegenheden voor vleermuizen. Verder zal hij bij de uitwerking van het inrichtingsplan inheemse beplanting toepassen. Bijzonder waardevolle bomen In 1998 is de beleidsnota “Bijzonder waardevolle bomen” opgesteld, waarin bomen zijn opgenomen die vanwege specifieke waarden bescherming verdienen. De lijst met waardevolle bomen wordt periodiek geactualiseerd. De laatste actualisatie is opgenomen in de nota “Bijzondere bomen in Oss 2018”. In deze nota is vastgelegd dat de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de aangewezen waardevolle bomen altijd geweigerd moet worden tenzij het kappen van deze bomen vanuit het algemene belang noodzakelijk is. Dit is verder vertaald in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Op grond van de APV is voor het kappen van bomen die op de Beschermde bomenlijst staan een vergunning vereist. De vergunning kan op grond van verschillende criteria door het college van burgemeester en wethouders worden geweigerd. In het plangebied zijn geen waardevolle bomen aanwezig. 5.1.3 Natuurtoets Bij de bescherming van natuurwaarden gaat het enerzijds om gebiedsbescherming en anderzijds om soortenbescherming. Gebiedsbescherming is gericht op de bescherming van kwetsbare natuurgebieden.
Soortenbescherming moet ertoe leiden dat het voortbestaan van (beschermde) soorten niet in gevaar komt. 5.1.3.1. Gebiedsbescherming Binnen Nederland zijn 166 Natura 2000-gebieden aangewezen. Dit zijn gebieden met een Europese beschermingsstatus. Voor de Natura 2000-gebieden zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld. Activiteiten en ontwikkelingen die een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen hebben, zijn verboden. Voor een plan geldt op grond van artikel 2.7 lid 1 van de Wet natuurbescherming dat bepalend is of het significante gevolgen kan hebben voor een (of meer) Natura 2000-gebied(en). Is dat het geval, dan dient het bestuursorgaan, onderscheidenlijk de aanvrager van de vergunning, bij de vaststelling van een plan met toepassing van artikel 2.7 Wnb, een passende beoordeling te maken, zoals bedoeld in artikel 2.8 Wnb. Veel van de Natura 2000-gebieden zijn gevoelig voor stikstofdepositie. Een verdere toename van de stikstofdepositie kan leiden tot ‘significante negatieve effecten’ op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden. Sinds 1 juli 2021 is de Wsn samen met het bijbehorende Besluit stikstofreductie en natuurverbetering van kracht. Deze regelgeving wijzigt de Wet en het Besluit natuurbescherming en moet voorzien in een structurele aanpak van de stikstofproblematiek.
De Wsn regelt ook een aanpassing van het Besluit natuurbescherming, waardoor een vrijstelling geldt voor bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten van bouwprojecten. Deze vrijstelling is op 2 november 2022 echter tenietgedaan via de uitspraak van de Raad van State inzake Porthos (ECLI:NL:RVS:2022:3159). Sindsdien geldt de vrijstelling niet meer en moet zowel voor de gebruiks- als aanlegfase worden bepaald of er negatieve effecten kunnen optreden. Een eerste toetsing (voortoets) geeft aan of er negatieve effecten kunnen optreden en zo ja of deze van dien aard kunnen zijn dat de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar kunnen komen. Indien dat het geval is, wordt een tweede toetsing verricht welke dieper ingaat op de mate van effect (passende beoordeling).
Mr. Van Coothstraat 14 Lith – 2024, pag. 30 van 76 Vastgesteld 27 juni 2024
Uit de ‘Handreiking Voortoets Stikstof’ (3 maart 2021) blijkt dat een voortoets moet worden overlegd bestaande uit een beschrijving van de uitgangspunten van de emissieberekening, de AERIUS-resultaten en de conclusie. In de handreiking is hierover opgenomen “Op grond van de AERIUS-resultaten kunnen significant negatieve gevolgen van een plan of project op voorhand uitgesloten worden als het plan of project niet leidt tot een depositietoename op een stikstofgevoelig habitattype of leefgebiedtype waar de KDW (bijna) wordt overschreden. De Voortoets bestaat dan enkel uit een beschrijving van de uitgangspunten van de emissieberekening, de AERIUS-resultaten en de conclusie dat significante gevolgen zijn uitgesloten”. Op basis van artikel 2.7, lid 1 en 2 jo. artikel 2.8 lid 1 van de wet Natuurbescherming geldt dat er een Passende Beoordeling moet worden gemaakt wanneer een plan of project (afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten), significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Wanneer deze gevolgen in de Voortoets op grond van objectieve gegevens met zekerheid kunnen worden uitgesloten, is geen Passende Beoordeling vereist en bij projecten geen vergunning. Het onderscheid tussen de Passende Beoordeling en de Voortoets is niet wettelijk vastgelegd.
Wel zijn het Rijk en provincies akkoord gegaan met de Handreiking Voortoets stikstof en wordt deze als landelijke lijn gehanteerd. Voor het planvoornemen is voor zowel de gebruiks- als aanlegfase een Voortoets gedaan (bijlage 1 bij deze ruimtelijke onderbouwing). Uit de Voortoets blijkt dat het planvoornemen geen significante gevolgen heeft voor Natura 2000-gebieden. 5.1.3.2. Soortenbescherming De Wnb geeft kaders voor de bescherming van planten en dieren. Zo is het verboden om dieren te vangen of verwonden en om vaste rust- en verblijfplaatsen te vernielen. Dit is vastgelegd in drie vergelijkbare beschermingsregimes voor soorten. Indien deze verbodsbepalingen overtreden worden, is er een ontheffing nodig. Voor ieder ruimtelijk plan is het verplicht om te toetsen of deze leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen. Door Adviesbureau Brabant Eco is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. De rapportage van de quickscan is bijgevoegd bij dit bestemmingsplan (bijlage 2). De quickscan kent de navolgende conclusie: “Op basis van de uitgevoerde quickscan wordt geconcludeerd dat er geen beschermde flora en fauna in het plangebied voorkomen. Met de sloop van de zwaar beschadigde garage zijn geen overtredingen te verwachten ten aanzien van de Wet natuurbescherming.
De te slopen garage bestaat volledig uit wanden van damwand en is volledig ongeschikt voor verblijf- schuil- en nestplaatsen van beschermde diersoorten. De planlocatie heeft een erg lage ecologische waarde. Er zijn geen overtredingen te verwachten ten aanzien van de Wet natuurbescherming met de sloop van de loods. Door de locatie na de bouw geheel planologisch in te passen en natuurinclusief te bouwen zal het leefgebied van genoemde soorten worden verbeterd.” De gemeente Oss heeft de quickscan flora en fauna beoordeeld en heeft aangegeven dat aanvullend onderzoek noodzakelijk is naar de bever, omdat er gegevens zijn dat er in het verleden door de bever gebruik is gemaakt van de locatie. Dit blijkt uit eerder geconstateerde gang, legers, vraat. Onderzocht moet worden wat de huidige stand van zaken is en in hoeverre de bever door het planvoornemen wordt belemmerd.
Mr. Van Coothstraat 14 Lith – 2024, pag. 31 van 76 Vastgesteld 27 juni 2024
Door Brabant Eco is aanvullend op de quickscan flora en fauna onderzoek gedaan naar het voorkomen van de bever in/nabij het plangebied. Zij hebben het uitgevoerde veldbezoek gerapporteerd (zie bijlage 11 bij deze toelichting). Hieruit blijkt dat het plangebied al een tijdje niet meer door de bever gebruikt wordt en met die reden geen belemmering vormt voor het planvoornemen. Natuur vormt geen belemmering voor het planvoornemen. 5.2
Archeologie en Cultuurhistorie
5.2.1 Erfgoedwet en overgangsregeling omgevingswet De Erfgoedwet beschermt het cultureel erfgoed in Nederland. In deze wet staan regels om belangrijk cultureel erfgoed beter te beschermen en behouden. In de Erfgoedwet staat wat cultureel erfgoed is, hoe de overheid omgaat met roerend cultureel erfgoed (zoals schilderijen), wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe de overheid daar toezicht op houdt. Het beschermingsregime voor de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (lees archeologische resten) net als de bescherming van gebouwde rijksmonumenten wordt opgenomen in de Omgevingswet. Vooruitlopend op de ingang van de Omgevingswet is het deel van de Monumentenwet 1988 dat gaat over de fysieke leefomgeving geregeld in het overgangsrecht van de Erfgoedwet. Het gaat om: - vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten. - verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. - bescherming van stads- en dorpsgezichten. Het erfgoed in de ruimtelijke ordening wordt nu nog voor een belangrijk deel geregeld via de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Ruimtelijke plannen die toepassing hebben op cultureel erfgoed moeten passen binnen wettelijke kaders van de Erfgoedwet en ook de regelingen die in andere wetten en regelgeving is opgenomen, zoals de Wabo en het Bro.
5.2.2 Archeologiebeleid Het provinciale archeologisch beleid is neergelegd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant van 25 oktober 2019 en op de provinciale Cultuurhistorische waardenkaart 2010, herzien 2016. Hierin is de bescherming van aardkundig waardevolle gebieden en archeologische landschappen geregeld. Het gemeentelijk archeologisch beleid is veel gedetailleerder dan het algemene provinciale beleid op dit punt en prevaleert daarom ook boven het provinciale archeologisch beleid. Op 14 oktober 2010 heeft de gemeente Oss haar ‘archeologiebeleid’ vastgesteld. In 2015 heeft de gemeenteraad het archeologiebeleid opnieuw vastgesteld. Dit was nodig vanwege de gemeentelijke herindeling met Maasdonk. Onderdeel van de vaststelling in 2015 is het rapport 'Actualisatie archeologiebeleid gemeente Oss, een herziene archeologische beleidskaart voor het nieuwe grondgebied van de gemeente Oss' (Goddijn, 2012). Aan de hand van onderzoeken, inzichten en boringen in het veld zijn de eerdere archeologische kaarten gedeeltelijk bijgesteld. Op de beleidskaart is sprake van meerdere beleidscategorieën (zie onderstaande tabel). In het beleid is per beleidscategorie vastgelegd wanneer sprake is van een onderzoeksplicht en wanneer ontwikkelingen hiervan zijn vrijgesteld.
Mr. Van Coothstraat 14 Lith – 2024, pag. 32 van 76 Vastgesteld 27 juni 2024
Verwachting/waarde Archeologisch beschermd rijksmonument Archeologisch (AMK-) monument Beschermde stadsgezichten Historische stads-/dorpskern Hoge verwachtingswaarde Hoge verwachtingswaarde – bedrijventerrein Middelhoge verwachtingswaarde Lage verwachtingswaarde Reeds onderzocht
Vrijstellingsgrenzen 0 m2 / 30 cm -Mv
35 m2 / 30 cm -Mv 50 m2 / 30 cm -Mv 100 m 2 / 30 cm -Mv 1000 m2 / 30 cm -Mv
5 hectare / 30 cm -Mv Afhankelijk van de resultaten van het reeds uitgevoerde onderzoek. Verstoord Geen onderzoeksplicht Volgens de archeologische beleidskaart is het plangebied aangeduid als historische dorpskern. Vanuit het archeologiebeleid geldt een archeologische onderzoeksplicht als de bodemingrepen dieper zijn dan 30 cm beneden het huidige maaiveld én de omvang van het gebied groter is dan 50 m². 5.2.3 Archeologietoets Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente is aan het bestemmingsplangebied een hoge archeologische verwachtingswaarde toegekend. Concreet betekent dit dat er een archeologische onderzoeksplicht geldt indien de bodemingrepen dieper reiken dan 30 cm beneden huidig maaiveld én de omvang van het gebied groter is dan 50 m². Toetsing van de plannen Met het planvoornemen worden de vrijstellingsgrenzen overschreden. Door KSP Archeologie is daarom een archeologisch bureau- en booronderzoek uitgevoerd (bijlage 3). De samenvatting van het onderzoek is als volgt: “Het doel van het archeologisch bureauonderzoek was het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Op basis van de gemeentelijke beleidsadvieskaart heeft het plangebied een verwachting voor de historische kern. Voor oudere resten lijkt het plangebied een middelhoge verwachting te hebben op de archeologische beleidskaart. Deze verwachting is bijgesteld.
Op basis van historisch kaartmateriaal was het plangebied rond 1829 geen onderdeel van de historische kern en is het plangebied pas in de tweede helft van de 20e eeuw bebouwd. Nabij het plangebied is historische lintbebouwing aanwezig in 1829. Daarom is aan het plangebied een middelhoge verwachting gegeven voor huisplaatsen vanaf de Late Middeleeuwen tot Nieuwe tijd. Het plangebied ligt op de zuidrand van de oeverwal van de Maas (afgezet vanaf de Romeinse tijd). Aangezien het plangebied op de zuidrand van een oeverwal ligt is aan het plangebied een middelhoge verwachting gegeven voor nederzettingen uit de periode Romeinse tijd tot en met Volle Middeleeuwen. In de ondergrond zijn in een deel van de boringen op de percelen in de nabijheid rivierdoorbraakgeulen (crevasses) waargenomen vanaf 1,5 à 2,0 m-mv (2,4 à 3,0 m+NAP). Deze crevasses zijn van de Lith stroomgordel en zijn afgezet vanaf de Late-Bronstijd. In de ca. 60 cm dikke crevasses afzettingen in de omgeving is geen bodemvorming waargenomen, maar als er bodemvorming heeft plaatsgevonden dan kunnen de smalle zandigere gordels enigszins gunstige omstandigheden hebben geboden. Het plangebied heeft daardoor een middelhoge archeologische verwachting voor nederzettingen uit de LateBronstijd en IJzertijd. De bredere oeverwallen van de Lith stroomgordel zouden de voorkeur hebben. In
Mr. Van Coothstraat 14 Lith – 2024, pag. 33 van 76 Vastgesteld 27 juni 2024
het plangebied hebben in de 20e eeuw meerdere bouw- en sloopactiviteiten plaatsgevonden, waardoor de bodem diep verstoord kan zijn. De gemeente heeft bij de beoordeling van het rapport informatie aangeleverd over de ligging van een in de 18e eeuw gedempte middeleeuws gracht ten zuiden of net in het zuiden van het plangebied op basis van recente uitkomsten uit het wetenschappelijke promotietraject van Jos Cuijpers naar de cultuurhistorische ontwikkeling van Lith. Vervolgens is deze verwachting getoetst door middel van een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase in april 2023 en een karterende fase in mei 2023. Onder de verharding is tot 30 à 70 cm-mv sprake van bouwzand of een mengsel van bouwzand met natuurlijke afzettingen. In een deel van de boringen is onder deze recent door de mens beïnvloedde laag nog een deel van de oorspronkelijke oeverachtige afzetting van de Maas aanwezig tot ca. 90 à 100 cm-mv. Onder de oeverachtige afzettingen of direct onder de antropogeen beïnvloedde laag komt komklei voor. Lokaal is vanaf 180 cm-mv deze komklei iets lichter van textuur of is er sprake van een zandige gelaagheid als gevolg van de ligging nabij een rivierdoorbraakgeul van de Lith-stroomgordel. In de oeverachtige afzettingen is een niveau waargenomen met zacht roodoranje baksteenspikkels, houtskool en verbrande leem/huttenleem (een oude woongrond).
De vermoedelijke woongrond is in boringen 6 en 8 is vanaf 30 à 40 cm-mv / 4,5 m+NAP waargenomen. Elders is dit niveau afgetopt en zijn intacte oeverachtige afzettingen pas aanwezig dieper dan 4,3 à 4,0 m+NAP. Er zijn geen eenduidige archeologische indicatoren die de aard of specifieke datering van de vermoedelijke vindplaats aangeven. Het meest waarschijnlijk is bewoning uit de Romeinse tijd of de Middeleeuwen. In de dieper gelegen komklei is in een deel van de boringen het effect te zien van een nabijgelegen crevasse vanuit de Lith stroomgordel. In dit niveau is geen bodemvorming waargenomen en het sporadisch voorkomen van dit niveau en de beperkte dikte van dit niveau duiden niet op een potentieel archeologisch niveau. De middelhoge verwachting uit het bureauonderzoek voor nederzettingen uit de periode Late-Bronstijd en IJzertijd wordt daardoor bijgesteld naar laag. Gezien de aanwezigheid van archeologische indicatoren kan de middelhoge verwachting uit het bureauonderzoek voor een nederzetting uit de periode Romeinse tijd tot en met Volle Middeleeuwen kan bijgesteld worden naar een zeer hoge verwachting. De middelhoge verwachting voor een huisplaats uit de Late Middeleeuwen tot 1829 uit het bureauonderzoek kan na het booronderzoek ook verhoogd worden.
Het terrein is op dit moment nog verhard en gravend archeologisch onderzoek is daardoor niet mogelijk voordat er sloop- en bouwwerkzaamheden plaatsvinden. Onderzoek voorafgaand aan het vaststellen van het bestemmingsplan zal daardoor niet haalbaar zijn. Geadviseerd wordt om te werken met een archeologische dubbelbestemming met vrijstellingsgrenzen van 30 cm beneden huidig maaiveld (diepte bodemverstoring) en 50 m² (omvang bodemverstoring). KSP Archeologie adviseert zo snel mogelijk na de bovengrondse sloop en het verwijderen van de betonverharding (vóór het verwijderen van funderingen en de start van de ondergrondse sloop) een vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek om vast te stellen of in het plangebied archeologische resten aanwezig zijn en zo ja, welke waardering hieraan gegeven kan worden. Voor dit gravende archeologisch onderzoek is een Programma van Eisen (PvE) noodzakelijk dat is goedgekeurd door de bevoegde overheid. In dit PvE wordt de werkwijze en de randvoorwaarden van het onderzoek vastgelegd.
Mr. Van Coothstraat 14 Lith – 2024, pag. 34 van 76 Vastgesteld 27 juni 2024
Het rapport en het selectie-advies zijn voorgelegd aan het bevoegd gezag. De gemeente stemt in het met het advies tot een vervolgonderzoek door middel van proefsleuven, maar is geen voorstander van de voorgestelde fasering. Een insteek met een proefsleuvenonderzoek met doorstart kan, maar hoeft niet, zeker omdat het nu al complex lijkt om dit te combineren (met een eventuele bodemsanering). Bij een directe doorstart zou ook een addendum op het PvE kunnen worden gemaakt.” Het bevoegd gezag (gemeente Oss) heeft op basis van het uitgevoerde archeologische bureau- en booronderzoek een selectiebesluit genomen. De beoordeling en het selectiebesluit zijn toegevoegd als bijlage aan deze toelichting (bijlage 4). Op basis hiervan geldt dat voor de locatie – na bovengrondse sloop - vervolgonderzoek nodig is in de vorm van proefsleuven. Om te borgen dat dit in één keer via een integraal archeologisch onderzoek gebeurt is hiervoor in de regels van dit bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Dit, zodat voorafgaand aan de aan te vragen omgevingsvergunning(en) de archeologische waarde van het plangebied naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld. Bestemmingsplanregels De gemeente Oss vertaalt de wet en het archeologisch beleid ook door in standaard bestemmingsplanregels.
Zo heeft de gemeente bestemmingsplanregels (dubbelbestemmingen: dat wil zeggen dat deze naast de hoofdbestemming gelden) voor bescherming van historische kernen, beschermde monumenten, monumenten en voor gebieden met een middelhoge of hoge archeologische verwachtingswaarde. Met deze regels kan, ter bescherming van archeologische waarden, worden bepaald wanneer er een omgevingsvergunning voor bepaalde werkzaamheden nodig is, wanneer dat niet het geval is en onder welke omstandigheden en met welke nadere eisen en voorwaarden een omgevingsvergunning kan worden verleend. Op basis van het uitgevoerde archeologische onderzoek en de gemeentelijke beoordeling en selectiebesluit kan het plangebied nog niet archeologisch vrijgegeven worden. Daarom is ter bescherming van de archeologische waarden in het plangebied en om het archeologische traject te borgen de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie historische kern” zoals van toepassing in het vigerende bestemmingsplan overgenomen in dit bestemmingsplan. 5.2.4 Cultuurhistorie Wettelijk kader Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen.
Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Dat wordt veranderd in: met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. De regering wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. Doordat plannen nu nog pas na afloop van het planproces worden getoetst aan de regelgeving van de monumentenzorg, wordt monumentenzorg dikwijls ervaren als hindernis. Dit is door de regering erkend en daarbij is de ambitie uitgesproken om de positie van cultuurhistorie aan het begin van het ruimtelijk ordeningsproces juridisch te versterken. Door de verankering van cultuurhistorische waarden in de bestemmingsplannen vermindert tegelijkertijd de noodzaak tot het aanwijzen van nieuwe beschermde monumenten, omdat het belang van de cultuurhistorie wordt geborgd via het proces van de ruimtelijke ordening. In de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in verband met modernisering van de monumentenzorg is daarom al de mogelijkheid voor burgers en belangengroepen om een
Mr. Van Coothstraat 14 Lith – 2024, pag. 35 van 76 Vastgesteld 27 juni 2024
aanvraag in te dienen om een monument aan te wijzen als beschermd monument, geschrapt. Dit instrument werd door belangengroepen nogal eens ingezet om afgifte van bouwvergunningen te frustreren of te vertragen. Met de wijziging van het Bro wordt tevens de adviesrol van Gedeputeerde Staten beperkt. Tot nu toe moet bij alle ingrepen aan een beschermd monument buiten de bebouwde kom advies aan Gedeputeerde Staten worden gevraagd. Met de wijziging van het besluit hoeft dat alleen nog, als het gaat om monumenten die door de minister op grond van de Monumentenwet 1988 zijn aangewezen. Daarnaast voorziet het besluit in een aantal versoepelingen van vergunningvrij wijzigen of bouwen in, aan of bij beschermde monumenten. Samengevat komen die versoepelingen er op neer, dat voor gewoon onderhoud of voor inpandige veranderingen aan beschermde monumenten geen monumentenvergunning meer nodig is, als de betreffende onderdelen geen monumentale waarde hebben. Bij twijfelgevallen zal men het bevoegd gezag moeten raadplegen. De bedoeling van het wijzigingsbesluit is om enerzijds cultuurhistorische waarden een duidelijke plaats te geven aan het begin van het planproces en anderzijds onnodige regeldruk, vooral wanneer het gaat om ondergeschikte wijzigingen aan een monument, weg te nemen.
Cultuurhistorie: gemeentelijk en provinciaal beleid Het beleid van de gemeente Oss voor wat betreft cultuurhistorie is onder meer neergelegd in het Erfgoedplan Oss 2006 “Op gemengde bodem”. Hierin zijn onder andere opgenomen: historisch bebouwde gebieden, oude verkavelingspatronen, de invloed van de Maas en Rijksmonumenten. Deze nota heeft (nog) geen betrekking op het grondgebied van de voormalige gemeente Lith. Daarnaast heeft de gemeente Oss een Monumentenlijst 2019. Hierin zijn de Rijks- en gemeentelijke monumenten opgenomen. Het provinciale cultuurhistorische beleid is verankerd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant en op de Cultuurhistorische waardenkaart 2010. Hierin zijn onder andere opgenomen: cultuurhistorische vlakken en complexen van cultuurhistorisch belang. Cultuurhistorie: bestemmingsplanregels en regels in de provinciale Interim omgevingsverordening NoordBrabant Met de onder het kopje ‘archeologie’ genoemde bestemmingsplanregels, is het ook mogelijk om cultuurhistorische waarden in bestemmingsplannen te beschermen. Een en ander voor zo ver het terreinen betreft (inbouwen sloopvergunningstelsel voor bebouwing). Kortheidshalve wordt naar het kopje ‘archeologie: bestemmingsplanregels’ verwezen. De provincie Noord-Brabant heeft in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant bindende regels opgenomen ter bescherming van cultuurhistorische waarden.
In het plangebied is geen sprake van cultuurhistorische waarden.
Mr. Van Coothstraat 14 Lith – 2024, pag. 36 van 76 Vastgesteld 27 juni 2024
5.3
Mobiliteit en parkeren
5.3.1 Verkeer De Mobiliteitsvisie Oss uit 2009 heeft als doel het in balans brengen van bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid. De mobiliteitsvisie is uitgewerkt in het Mobiliteitsplan 2020 Oss. Het deelplan Wegen werkt het gewenste netwerk voor het autoverkeer uit. Per weg is de gewenste functie vastgelegd. Van belang is de vraag of een initiatief leidt tot extra verkeersbewegingen en of de toename van verkeersbewegingen passen binnen de normen die voor ontsluitingswegen gelden. Verkeer: extra verkeersbewegingen Het planvoornemen betreft de transformatie van voormalige bedrijfsbebouwing en een buitenterrein in de bebouwde kom van Lith naar 23 appartementen verdeeld over twee gebouwen en 1 vrijstaande woning. Het gebied kan worden getypeerd als rest bebouwde kom, niet stedelijk (minder dan 500 adressen per km2). In de huidige situatie is sprake van de verkeersaantrekkende werking zoals opgenomen in de tabel, waarbij – in verband met de reeds geruime tijd die is verstreken sinds het afbranden van een deel van de bebouwing - rekening is gehouden met de tijdelijke invulling van de locatie. Daarbij is uitgegaan van de worst-case CROW-norm. Functie Bedrijf, arbeidsextensief/ bezoekersextensief
Aantal m2 bvo 2000 (bebouwing en buitenterrein dat gebruikt wordt voor stalling en opslag)
Norm
Totaal
5,7 per 100 m2 bvo
114
114 mvt/ etmaal Het planvoornemen kent de verkeersaantrekkende werking zoals opgenomen in de tabel hieronder. Hierbij zijn de worst-case CROW-normen gehanteerd. Functie Koop, appartement, goedkoop Koop, appartement, midden Koop, huis, vrijstaand
Aantal 6
Norm 6
Totaal 36
17
6,4
108,8
1
8,6
8,6 153,4 mvt/ etmaal
Ten opzichte van de huidige situatie is per saldo sprake van een toename van circa 40 motorvoertuigen per etmaal. De reeds aanwezige infrastructuur kan de verkeerstoename van circa 40 motorvoertuigen per etmaal
Mr. Van Coothstraat 14 Lith – 2024, pag. 37 van 76 Vastgesteld 27 juni 2024
prima afwikkelen. Deze verkeerstoename is gezien de vigerende situatie ter plaatse namelijk zo klein dat deze nauwelijks merkbaar is. Belemmeringen worden derhalve niet verwacht. Het wegprofiel en de ontsluiting zijn afdoende. Verkeer: ontsluitingswegen Het plangebied is ontsloten aan de Meester van Coothstraat in Lith. Dit is de hoofdontsluitingsweg die door het dorp Lith loopt. Dit betreft een brede weg met een fietspad en stoep ernaast. Op de afbeelding hieronder is dit profiel zichtbaar.
In de nieuwe situatie wordt de bestaande middengeleider ingekort om een veilige uitritsituatie te creëren. Ook zal er voor de nieuwe bebouwing een trottoir worden aangelegd waarmee het plan aansluit op de bestaande inrichting van de openbare ruimte en mensen een oversteek kunnen maken van trottoir naar trottoir. Daarmee kan een goede ontsluiting van het plangebied worden gerealiseerd waarmee het aspect verkeer geen belemmering vormt voor het planvoornemen. 5.3.2 Parkeren De gemeente Oss heeft haar parkeernormen vastgelegd in de Nota Parkeernormen Oss 2023, waarin is opgenomen welke parkeernormen voor welke gebieden gelden. De parkeereis is volgens die nota: Functie
Aantal
Totaal
8
Norm overige kernen en buitengebied 1.5
Appartement 50-75 m2 gbo Appartement 75100 m2 gbo Grondgebonden woning van 125-150 m2 gbo
15
1.7
25,5
1
2.3
2.3
12
39,8 (afgerond 40) Parkeerplaatsen
Mr. Van Coothstraat 14 Lith – 2024, pag. 38 van 76 Vastgesteld 27 juni 2024
In het plangebied worden 34 parkeerplaatsen gerealiseerd en er is nog ruimte voor 6 parkeerplaatsen extra. Die laatste zullen worden gerealiseerd als blijkt dat deze op basis van de daadwerkelijke parkeerbehoefte nodig zijn. Dit gebeurt in eerste instantie niet, omdat de verwachting is dat 34 parkeerplaatsen voor de doelgroep voldoende kan zijn. Als dit het geval is, blijft meer ruimte over voor groen. Op onderstaande afbeelding is dit weergegeven (6 extra parkeerplaatsen zijn groen weergegeven).
Met de beoogde parkeeroplossing wordt voldaan aan de parkeernormering zoals opgenomen in de Nota Parkeernormen Oss 2023. Aanvullend op het parkeren van auto’s gelden op basis van de Nota Parkeernormen Oss 2023 ook normen voor het parkeren van fietsen. Er is in het plangebied/de beoogde bebouwing voldoende ruimte om aan deze normen te voldoen. Bij de uitwerking van het planvoornemen zal dit specifiek meegenomen worden. Dit geldt ook voor de eisen die de Nota Parkeernormen Oss 2023 stelt aan oplaadpunten voor elektrische fietsen en elektrische auto’s. Parkeren vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
Mr. Van Coothstraat 14 Lith – 2024, pag. 39 van 76 Vastgesteld 27 juni 2024
5.4
Water
5.4.1 Wetgeving en beleid De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de Waterwet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets verplicht voor ruimtelijke plannen waarin waterbelangen spelen. De watertoets bewaakt de waterkwaliteit en waterkwantiteit. Een watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten zijn onder meer veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verzilting en verdroging. De watertoets heeft betrekking op alle wateren: rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. De gemeente Oss heeft in december 2022 een Water- en Rioleringsprogramma vastgesteld (WRP 2022-2029). Het programma biedt een kader voor de gemeentelijke watertaken en regelt de zorg voor inzameling en transport van afvalwater, doelmatige verwerking van afvloeiend (overtollig) hemelwater en overtollig grondwater. De gemeente is verantwoordelijk voor de openbare ruimte. In bebouwd gebied vraagt de zorg voor oppervlaktewater extra aandacht. De gemeente is ook verantwoordelijk voor een goede ruimtelijke ordening. Het gaat om voldoende ruimte voor water in ruimtelijke plannen. De watertoets is opgenomen in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro).
Beleid van gemeente, provincie en rijk is van toepassing bij een watertoets. Toetsing van uw waterparagraaf gebeurt op kwaliteit en kwantiteit. De verwerking van hemelwater, afvalwater en planologische ‘waterbestemmingen’ komen aan bod. Waterbeheerplan Op 19 november 2021 is het nieuwe waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma’s: 1. Waterveiligheid; Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. 2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem; Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). 3. Schoon Water; In het programma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd.
In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin: - schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt; - de waterkwaliteit geen risico’s geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen; - de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is; - de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen. Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. ‘
Mr. Van Coothstraat 14 Lith – 2024, pag. 40 van 76 Vastgesteld 27 juni 2024
Waterschap Aa en Maas is verantwoordelijk voor het waterbeheer in haar beheersgebied. Het gaat om het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer, de waterkeringszorg, waterzuivering, grondwaterbeheer en waterbodembeheer. De regels zijn vastgelegd in de Keur (met Algemene- en Beleidsregels) in de vorm van een aantal gebods- en verbodsbepalingen. Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. Sinds 1 maart 2015 hanteert waterschap Aa en Maas onderstaande (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn opgenomen in ‘Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’.
Voor een toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m2 en 10.000 m2 kan de vereiste compensatie berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm. De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn: Gescheiden houden van vuil (afval)water en schoon hemelwater; Voorkomen van vervuiling van water; Schoon hemelwater kan volgens de voorkeursvolgorde worden verwerkt: 1. Hergebruik 2. Infiltratie/bergen 3. Afvoer Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO), zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang, zowel in als buiten het plangebied. Ook mogen geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruik functies. Dit betekent dat: 1. De afvoer uit het gebied niet groter wordt dan in de referentiesituatie; 2. De grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt; 3. Grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties; 4. De (grond)waterstanden in het plangebied aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied; 5. Het plangebied zo wordt ingericht dat de hydrologische gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving niet leiden tot knelpunten in het plangebied.
5.4.2 Watertoets Op de www.dewatertoets.nl is de digitale watertoets ingevuld. Hiervan zijn drie mogelijke uitkomsten/ procedures: - Geen waterbelang: Er is een functiewijziging zonder relevante wateraspecten - Verkorte procedure: U heeft een klein plan met weinig relevante wateraspecten - Normale procedure: U heeft een groot plan met meerdere relevante wateraspecten.
Mr. Van Coothstraat 14 Lith – 2024, pag. 41 van 76 Vastgesteld 27 juni 2024
Na het invullen van de digitale watertoets werd direct aangegeven dat voor het ruimtelijk plan de normale procedure geldt. De verhardingstoename en/of -afkoppeling is meer dan 500 m2 en overschrijdt daarmee de ondergrens voor compensatie van 500 m2. Verder is aan de achterzijde van het plangebied een Awatergang gelegen, waarvan de beschermingszone in het plangebied is gelegen. Bijgevoegd bij deze toelichting treft u het toetsresultaat en de samenvatting van www.dewatertoets.nl aan (bijlage 5). Door Milieu-adviesbureau Landslide is een geohydrologisch veldonderzoek uitgevoerd en een waterhuishoudkundig plan opgesteld ten behoeve van de planlocatie. Deze rapportage is als bijlage 6 aan dit bestemmingsplan toegevoegd. Hieronder wordt onderdelen van de rapportage ingegaan. Huidige situatie De locatie heeft een oppervlakte van circa 3.100 m2 en is thans volledig verhard. Als gevolg van de realisatie van de beoogde nieuwbouw neemt de omvang van het verhard oppervlak af, omdat tevens groenvoorzieningen worden aangelegd. De locatie grenst aan de zuidzijde aan de Oude Lithse aanvoersloot. Deze A-watergang wordt beheerd en onderhouden door Waterschap Aa en Maas. Aan de noordzijde ligt de doorgaande weg Meester van Coothstraat. De oost- en westzijde van de locatie zijn bebouwd. Zie de afbeelding hieronder die dit illustreert.
Bodemopbouw en waterdoorlatendheid Ter plaatse van de ontwikkellocatie is de bodemopbouw en waterdoorlatendheid op 5 deellocaties bekeken. Zie de afbeelding hieronder.
Mr. Van Coothstraat 14 Lith – 2024, pag. 42 van 76 Vastgesteld 27 juni 2024
Omdat ter plaatse van boring 2 te veel puin in de ondergrond aanwezig was, zijn gegevens beschikbaar voor 4 deellocaties. Tot de geboorde einddiepte van 2,95 m-mv bestaat de bodem telkens uit achtereenvolgens een opgebrachte laag met grof zand, sporadisch grind en puin (funderingslaag) met een dikte van 0,2 tot 0,5 meter, met daaronder een laag met (licht)grijze of bruine klei. Deze klei is in het verleden afgezet door de Maas, wordt tot de “complexe Holocene afzettingen” gerekend en heeft een laagdikte van circa 4 meter (bron: DINOloket, TNO-NITG). De opgeboorde klei is zeer compact en taai en daardoor slecht waterdoorlatend en het meten van de waterdoorlatendheid (k-waarde) is daarom niet zinvol gebleken. Wel is de k-waarde geschat en die heeft een waarde van, naar verwachting, minder dan 0,01 m/d. Hieruit volgt dat de ondergrond zodanig slecht doorlatend is, dat infiltratie van de maatgevende hoeveelheid hemelwater op deze ontwikkellocatie praktisch beschouwd niet uitvoerbaar is. Grond- en oppervlaktewaterpeilen Via tijdelijke peilbuizen in de boorgaten zoals op de afbeelding hierboven afgebeeld zijn metingen verricht om een indruk te krijgen van het actuele grondwaterpeil. Op de ontwikkellocatie werd een grondwaterpeil van circa 1,2 m-mv gemeten. Zie de tabel hieronder, waaruit de geringe variatie in grondwaterpeilen blijkt.
Mr. Van Coothstraat 14 Lith – 2024, pag. 43 van 76 Vastgesteld 27 juni 2024
In boring 5, nabij de Oude Lithse aanvoersloot werd een enigszins lager peil gemeten van 1,27 m-mv (3.53 m +NAP). Dit lagere peil houdt zeer waarschijnlijk verband met de drainerende werking van de aangrenzende aanvoersloot. Deze aanvoersloot heeft een vrij constant waterpeil dat varieert tussen 3.45 m +NAP in de nattere winterperiode en 3,55 m +NAP in de droge zomerperiode (bron: Waterschap Aa en Maas). Op basis van de gemeten peilen in 4 peilbuizen en het moment van de meting wordt de GHG voor deze ontwikkellocatie geschat op 1,2 m-mv. Omdat geen meerjarige meetreeksen van peilbuizen in de directe omgeving beschikbaar zijn, heeft het waterschap modelberekeningen ten aanzien van de GHG aangeleverd. Hieruit volgt voor de locatie een GHG van 1,4 tot 1,8 m- mv. Voor het verdere ontwerp van het waterhuishoudkundige plan is zekerheidshalve uitgegaan van de op locatie gemeten waarden, zodat geen overschatting gemaakt wordt van de onverzadigde zone voor het realiseren van voldoende hemelwaterretentie. Ter plaatse van peilbuis 5 betekent dit dan een GHG van 3,60 m +NAP (4,80 m +NAP maaiveld - 1,20 m grondwaterpeil). Hemelwaterbergingsopgave Voor het berekenen van de benodigde hemelwaterretentie is gerekend met een bui van 60 mm (bron: Waterschap Aa en Maas) waarbij gekeken is of het mogelijk is om eventueel meer hemelwaterberging te realiseren.
Door de architect is vervolgens gekeken naar het toekomstig verhard oppervlak, waarbij onderscheid gemaakt is tussen daken en erfverhardingen. In de toekomstige situatie wordt 2.379 m2 verhard waarvan 2.114 m2 tot afstroming komt. Wanneer dit oppervlak vermenigvuldigd wordt met een maatgevende bui van 60 mm en rekening gehouden wordt met neerslag die rechtstreeks in de voorziening valt (afgerond 9 m3), dan bedraagt de benodigde hemelwaterretentie tenminste (en afgerond) 136 m3. Bij de verdere uitwerking van het toekomstige watersysteem is daarom uitgegaan van een minimaal benodigde hemelwaterretentie van 136 m3 boven de GHG die 1,2 m-mv bedraagt en waarbij infiltratie niet mogelijk is als gevolg van de bodemopbouw die uit slecht waterdoorlatende rivierklei bestaat. Hemelwaterbergingsvoorziening Op hoofdlijnen bestaat het toekomstige watersysteem uit een voldoende grote retentievoorziening, die wordt aangelegd aan de zuidzijde van de locatie. Deze voorziening wordt boven de GHG gerealiseerd, ontvangt hemelwater van al het verharde oppervlak dat tot afstroming komt via een ondergronds aangelegd stelsel van hemelwaterbuizen en kan via een zogenaamde “knijpvoorziening” vertraagd leeglopen naar de nabij gelegen Oude Lithse aanvoersloot.
Tenslotte wordt de voorziening zodanig uitgevoerd, dat deze toegankelijk is voor onderhoud en via een noodoverlaat kan overstromen naar de aangrenzende waterloop, zodat op locatie en in de directe omgeving daarvan ook onder uitzonderlijke neerslagomstandigheden geen wateroverlast optreedt. Hieronder zijn twee afbeeldingen opgenomen van enerzijds de situering en het oppervlak en anderzijds de dwarsdoorsnede van de retentievoorziening (de situering van de bebouwing en het erf zijn indicatief).
Mr. Van Coothstraat 14 Lith – 2024, pag. 44 van 76 Vastgesteld 27 juni 2024
Het gecreëerde volume is (meer dan) voldoende om de benodigde 136 m3 te kunnen bergen. In de rapportage welke als bijlage 6 bij deze toelichting is gevoegd is de retentievoorziening, instroom van het hemelwater, de vertraagde afvoer en verplichte noodoverstort meer gedetailleerd uitgewerkt. Mocht de realisatie van de beoogde retentievoorziening onverhoopt technisch niet uitvoerbaar blijken of op instemming van de waterbeheerder kunnen rekenen, dan heeft de ontwikkelaar verzocht om het volgende volwaardige alternatief in deze rapportage op te nemen. Namelijk de realisatie van een krattenveld met een oppervlakte van circa 200 m2 aan de zuidwestzijde van de ontwikkellocatie. Dit veld wordt onder de parkeervoorzieningen/weg en boven de GHG (3.60 m
Mr. Van Coothstraat 14 Lith – 2024, pag. 45 van 76 Vastgesteld 27 juni 2024
+NAP) aangelegd en kan net als de retentievoorziening vertraagd leeglopen naar de nabij gelegen Oude Lithse aanvoersloot. In bijlage D is de ligging van het krattenveld en de inhoudsberekening opgenomen. Opgemerkt wordt dat alleen met niet-uitloogbare (bouw)materialen gewerkt mag worden. Ook geldt dat gezien de Oude Lithse aanvoersloot een A-watergang betreft hiervoor een vergunning bij Waterschap Aa en Maas moet worden aangevraagd. Beheer en onderhoud hemelwaterbergingsvoorziening Om het systeem langdurig en goed te kunnen laten functioneren is tijdig en passend onderhoud en beheer nodig. Dat geldt voor zowel regulier als incidenteel onderhoud. Zo moet de bodem en het talud van de voorziening in de zomerperiode, als het gras groeit, worden gemaaid. Dit kan als de voorziening is drooggevallen. De verwachting is dat incidenteel ook groter onderhoud nodig is, zoals het verwijderen van opslag van boomgroei (wilg, els etc.) en (te veel) riet. Ook moeten de in- en uitstroomvoorzieningen regelmatig gecontroleerd worden, evenals de filtervoorziening en de terugslagklep in de vertraagde uitstroomvoorziening. Indien nodig vinden de reparaties tijdig plaats. Een bijzonder punt van aandacht vormt de periode direct na de aanlegfase. De bodem en het talud zijn dan nog kwetsbaar voor uitspoeling en vragen om extra onderhoud.
Het onderhoud wordt belegd bij de eigenaar van de grond, de vereniging van eigenaren die voor het planvoornemen wordt opgericht. Conclusie hemelwaterberging Wanneer het in dit plan voor de ontwikkellocatie aan Meester van Coothstraat 14-16 uitgewerkte hemelwaterretentiesysteem wordt aangelegd, dan wordt a) optimaal rekening gehouden met de geohydrologische situatie ter plaatse, kan b) de maatgevende bergingshoeveelheid (136 m3 ) boven de GHG volledig geborgen en vertraagd afgevoerd worden, ontstaat c) geen overlast op locatie of in de omgeving en kan d) relatief eenvoudig en efficiënt beheer en onderhoud uitgevoerd worden. Wettelijk vooroverleg Het door Landslide opgestelde waterhuishoudkundig plan en dit bestemmingsplan zijn in het kader van het wettelijk vooroverleg voorgelegd aan het Waterschap Aa en Maas en door hen beoordeeld. Het waterschap heeft hierop als volgt gereageerd: “Er ontbreekt een waterparagraaf waardoor het plan niet kan worden beoordeeld. Wel kan vanuit inhoudelijk oogpunt algemeen worden aangegeven waarmee rekening gehouden dient te worden: 1. De locatie is gelegen in de beschermingszone van een Awatergang, waarin ook bebouwing is geprojecteerd. De beschermingszone is 5 meter vanaf de insteek van de sloot, bedoeld voor beheer en onderhoud van de sloot. De Keur is hierop van toepassing.
Deze stelt onder andere beperkingen aan het aanbrengen van obstakels binnen de beschermingszone. Het realiseren van obstakels is alleen toegestaan als hiervoor door het waterschap een (water)vergunning is verleend. Een vergunning hiervoor wordt alleen verleend indien het beheer en onderhoud van de watergang niet belemmerd wordt. In beleidsregel 3 “werken en objecten in de watergang en beschermingszone” is opgenomen aan welke voorwaarden moet worden voldaan. 2. Er moet hydrologisch neutraal ontwikkeld worden met een waterbergende voorziening. Het is dus van belang dat in de waterparagraaf staat beschreven wat de waterhuishoudkundige aspecten zijn in relatie tot grond-, oppervlakte-, afval- en regenwater in relatie tot de beoogde ontwikkeling. De initiatiefnemer van onderhavig planvoornemen is zich bewust van de beschermingszone van de Awatergang die over het plangebied loopt en de daarin door hem geprojecteerde obstakels. Het planvoornemen voldoet aan de vereisten die gesteld worden in beleidsregel 3, op basis hiervan ligt het in
Mr. Van Coothstraat 14 Lith – 2024, pag. 46 van 76 Vastgesteld 27 juni 2024
de reden dat een (water)vergunning kan worden verleend. Ten behoeve van de verlening is de initiatiefnemer in vooroverleg gegaan met het waterschap ter voorbereiding op de benodigde aanvraag omgevingsvergunning. In de versie van dit bestemmingsplan die is voorgelegd aan het waterschap in het kader van het wettelijk vooroverleg waren de specifiek door het waterschap benoemde onderdelen niet opgenomen. Die stonden in het bij de toelichting gevoegde geohydrologisch veldonderzoek en waterhuishoudkundig plan waarnaar in de toelichting werd verwezen. Naar aanleiding van de reactie van het waterschap zijn de relevante onderdelen uit de rapportage opgenomen in de toelichting. Naar aanleiding van de ter inzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan heeft het Waterschap laten weten dat haar opmerkingen uit het vooroverleg op de juiste wijze verwerkt zijn in het bestemmingsplan. De ontwikkeling is hiermee ruimtelijk aannemelijk dat deze haalbaar is. Het Waterschap attendeert nog om tijdig contact op te nemen in het kader van de benodigde watervergunning. Aan de zuidzijde zijn parallel aan de A-watergang namelijk verschillende functies (parkeren, haag en waterberging) beoogd. Bij de nadere uitwerking dient hierover nog wel afstemming plaats te vinden, zodat het toekomstig beheer en onderhoud van deze A-watergang blijft gewaarborgd.