CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting NL IMRO 0828 WZ4buitengboss2020-ON01.PDF

Adviescommissie Ruimte 12 mei 2022, gemeente OssBij agendapunt: B Gebundelde procedure ontwerpbestemmingsplannen23.123 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Wijziging 4 Bestemmingsplan Buitengebied Oss – 2020, pag. 30 van 66 2021-12-16

-

Oeverwal Komgebied Dekzandrand Dekzandrug Primair agrarisch gebied

Per landschapstype is een gebiedsbeschrijving, een ruimtelijke en een functionele visie opgenomen. Naast de visies per landschapstype zijn er ook ontwikkelingsvisies opgesteld per bebouwconcentratie. Per bebouwingsconcentratie is een beschrijving van de ruimtelijke situatie van het gebied gegeven, evenals een visie over landschappelijke kenmerken en de mogelijkheden voor ontwikkelingen en transformaties. We beschrijven in welke bebouwingsconcentraties de realisatie van nieuwe woningen ruimtelijk voorstelbaar is. Daarnaast geven we aan welke andere functies eventueel mogelijk zijn. Uitgangspunt is nieuwe burgerwoningen in het buitengebied niet gewenst zijn. In hoofdlijn zijn de mogelijkheden voor het bouwen van nieuwe burgerwoningen in het buitengebied beperkt tot drie mogelijkheden: in de vorm van een stedelijke ontwikkeling binnen zoekgebied verstedelijking, in de vorm van een ruimte-voor-ruimte woning binnen een bebouwingsconcentratie, of met de regeling kwaliteitsverbetering bebouwingsconcentraties binnen zoekgebied verstedelijking. De locatie is gelegen in het landschapstype ‘Komgebied’. De komgronden beslaan een groot gedeelte van het grondoppervlak van de gemeente Oss. Deze kleiige, relatief laaggelegen gronden worden in het noorden begrensd door de oeverwal en in het zuiden door de dekzandrand.

Het landschap is grootschalig, open tot zeer open en wordt gekenmerkt door een zeer regelmatig, rationeel, rechtlijnig verkavelingspatroon. Dit verkavelingspatroon bestaat over het algemeen uit een slagenverkaveling. De openheid van het gebied is zeer kenmerkend en uniek in het Brabantse land. Deze openheid maakt dit gebied landschappelijk waardevol. Het komgebied was eeuwenlang te nat om in gebruik te nemen. Dat kwam ook door de regelmatige overstromingen door de Beerse Overlaet. Door betere beheersing van de grondwaterstanden en het buiten werking stellen van de Overlaet werd het gebied intensiever in bezit genomen door landbouwbedrijven. De ruimtelijke opbouw van het komgebied wordt bepaald door de openheid met daarin de waterlopen, de slagenverkaveling, de kades, de boerderijen, al dan niet met erfbeplanting, en in het zuidwesten door de eendenkooien. Het initiatief behelst de omzetting van een agrarische bestemming naar een niet-agrarische bedrijfsbestemming. De mogelijkheden voor omschakeling van agrarische bedrijven worden geschetst in het beleid voor vrijkomende agrarische bebouwing. In het primair agrarisch gebied staat het behoud van geschikte agrarische locaties voorop en wordt in beginsel geen medewerking verleend aan omschakeling naar niet-agrarische bedrijven. In het gebied beperkingen veehouderij is omschakeling wel voorstelbaar.

Gedacht wordt aan bedrijvigheid die aan het buitengebied is gebonden, recreatieve voorzieningen en kleinschalige bedrijvigheid die qua karakter en uitstraling past bij het gebied. Overige bedrijvigheid dient zicht te vestigen op een regulier bedrijventerrein. De locatie is niet gelegen in primair agrarische gebied, maar ook niet in beperkingen veehouderij. Gelet op de gaande functieverandering in het gebied is sprake van een afgenomen potentie voor agrarisch ondernemen. Gelet verder op het kleinschalige karakter van de beoogde bedrijvigheid, zoals beschreven in paragraaf 4.3.2, is de gemeente toch bereid mee te werken aan de herbestemming mits deze gepaard gaat met een behoorlijke verbetering van de ruimtelijke kwaliteit.

Wijziging 4 Bestemmingsplan Buitengebied Oss – 2020, pag. 31 van 66 2021-12-16

Bij de voorgenomen ontwikkeling zal sprake zijn van een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing. Hiertoe is een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld waarin de voorgenomen landschappelijke inpassing nader is uitgewerkt en onderbouwd. Daarnaast zal een deel van de bedrijfsbebouwing bij de voorgenomen ontwikkeling worden gesloopt. De oppervlakte van de te slopen bebouwing bedraagt ongeveer 844 m². Daarmee draagt de voorgenomen ontwikkeling bij aan een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het gebied en de omgeving. 4.4.3 Bestemmingsplan In het bestemmingsplan “Buitengebied Oss -2020” is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor de omschakeling naar bedrijfsmatige activiteiten. De gewenste ontwikkeling op de locatie is aan deze voorwaarden getoetst. Het artikel luidt als volgt. . 40.7 Wijziging omschakeling naar bedrijfsmatige activiteiten Indien wordt aangetoond dat een dialoog is gevoerd met de direct aanwonenden zijn burgemeester en wethouders bevoegd om een bouwvlak binnen de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschap' te wijzigen in de bestemmingen 'Bedrijf', 'Horeca', 'Recreatie - Dagrecreatie', 'Recreatie Verblijfsrecreatie 1', 'Maatschappelijk' of 'Sport' voor het omschakelen naar een (andersoortige) bedrijvigheid of functie, mits: a. de in voorkomend geval uitgeoefende agrarische bedrijfsactiviteiten blijvend worden gestaakt; b.

er wordt voldaan aan het bepaalde in bijlage 1 Mogelijkheden functieverandering agrarische bedrijven; c. er geen sprake is van milieuhygiënische bezwaren; d. de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een bedrijf behorende tot milieucategorie 3 of hoger, met dien verstande dat bij een agrarisch verwant bedrijf en een agrarisch-technisch hulpbedrijf de milieucategorie maximaal 3 mag zijn; e. de beoogde ontwikkeling niet leidt tot twee of meer zelfstandige bedrijven; f. bebouwingspercentage en bouwhoogte passen bij de aard van de omgeving en de beoogde ontwikkeling; g. de inrichting van het bestemmingsvlak een gunstige verhouding tussen bruto- en nettoruimtebeslag bevordert; h. buitenopslag uitsluitend plaatsvindt voor de toegestane functie; i. geen detailhandel plaatsvindt, tenzij het betreft de verkoop van op het bedrijf geproduceerde producten en gewassen tot een oppervlakte van maximaal 100 m²; j. het aantal bedrijfswoningen na de wijziging niet meer bedraagt dan het aantal agrarische bedrijfswoningen dat op basis van dit bestemmingsplan is toegestaan vóór de functiewijziging; k. de inhoud van een bedrijfswoning niet meer bedraagt dan 750 m 3 dan wel de bestaande grotere inhoud; l. alle gebouwen voor de te wijzigen functie worden gesloopt, met uitzondering van 1. cultuurhistorisch waardevolle gebouwen ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden'; 2.

de eventueel aanwezige bedrijfswoning(en) inclusief aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen en maximaal 100 m² vrijstaande bijgebouwen per bedrijfswoning; 3. maximaal 1.000 m² aan al dan niet te herbouwen bedrijfsgebouwen dan wel, uitsluitend als het betreft een agrarisch-technisch hulpbedrijf, 5.000 m²; m. het bestemmingsvlak goed en zorgvuldig landschappelijk wordt ingepast met inheemse beplanting; n. een goede uitstraling van het geheel in stedenbouwkundige, landschappelijke en/of architectonische zin wordt bereikt; o. eventuele bijbehorende gronden die geen erffunctie hebben, beschikbaar blijven of komen voor de grondgebonden functies landbouw, natuur of recreatie, overeenkomstig de functie van het betrokken gebied;

Wijziging 4 Bestemmingsplan Buitengebied Oss – 2020, pag. 32 van 66 2021-12-16

p. als sprake is van een groter bestaand bouwvlak dan 0,5 ha, het bestemmingsvlak moet worden teruggebracht tot maximaal 0,5 ha dan wel, indien sprake is van een agrarisch-technisch hulpbedrijf buiten de groenblauwe mantel, 1,5 ha. Ad lid a. De agrarische bedrijfsactiviteiten in de vorm van een intensieve veehouderij worden blijvend gestaakt. De milieuvergunning wordt ingetrokken. Ad lid b. De locatie is gelegen in ‘overige zone - overig agrarisch gebied’. Caravanopslag/statische opslag tot maximaal 1.000 m2 behoort hier tot de mogelijkheden. Ad lid c. Als aangetoond in de paragraaf “Milieuaspecten”(paragraaf 5.7) zijn er geen milieuhygiënische bezwaren. Ad lid d. De beoogde ontwikkeling leidt tot een bedrijf behorende tot milieucategorie 2, welke ook maximaal wordt toegestaan in de regels. Ad lid e. De beoogde ontwikkeling leidt tot één zelfstandige bedrijf, dat van de initiatiefnemer. Ad lid f. Zowel het bestemmingsvlak als het bebouwd oppervlak worden teruggebracht. Daarmee wordt het bebouwingspercentage 1.100 / 4.528 = 25%. De bestaande bouwhoogte van de stallen is 6 meter. In geval deze volledig gesloopt worden en er herbouw plaats vindt, zal deze bouw voldoen aan de maximaal toegestane bouwhoogte van 11 meter. De gewenste loods heeft vooralsnog een beoogde hoogte van 9 meter.

Gelet op de omliggende agrarische bestemmingen en aldaar aanwezige bebouwing is deze hoogte passend in de omgeving. Het bebouwingspercentage en de hoogte is ook passend bij de beoogde ontwikkeling, waarbij alle opslag binnen plaats zal vinden en er in de gehele loods een voldoende hoogte moet zijn voor de stalling van kampeermiddelen. Ad lid g. Door de verkleining van het bestemmingsvlak en de beperking van de bebouwing bevordert de inrichting van het bestemmingsvlak een gunstige verhouding tussen bruto- en netto ruimtebeslag. Ad h. Er vindt in de beoogde bedrijfsvoering geen buitenopslag plaats anders dan tijdelijk bij de aanvoer van grote partijen materialen dan wel de tijdelijke plaatsing van kampeermiddelen bij het brengen en halen. Ad i. Er vindt in de boogde bedrijfsvoering geen detailhandel plaats. Ad j. Enkel de toegestane bestaande agrarische bedrijfswoningen blijft aanwezig als bedrijfswoning bij het bedrijf. Ad k. De inhoud van de bestaande bedrijfswoning bedraagt niet meer dan 750 m 3.

Wijziging 4 Bestemmingsplan Buitengebied Oss – 2020, pag. 33 van 66 2021-12-16

Ad l. Er zijn geen cultuurhistorisch waardevolle gebouwen ter plaatse aanwezig. Naast de bedrijfswoning blijft aanwezig en toegestaan 100 m² vrijstaande bijgebouwen en 1.000 m² aan al dan niet te herbouwen bedrijfsgebouwen. Ad m. Het bestemmingsvlak wordt goed en zorgvuldig landschappelijk ingepast met inheemse beplanting. Hiervoor is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld welke ook voorziet in de aanleg van een poel voor de opvang van hemelwater. Ad n. Naast een landschappelijke inpassing zal een deel van de bedrijfsbebouwing bij de voorgenomen ontwikkeling worden gesloopt. De oppervlakte van de te slopen bebouwing bedraagt ongeveer 844 m². Daarmee wordt ter plaatse overtollige bebouwing in het buitengebied gesloopt. Verder wordt er aan de resterende bebouwing een nieuwe invulling gegeven. Daarmee wordt leegstand van bebouwing in het buitengebied voorkomen. Hiermee wordt voorkomen dat de bebouwing verpaupert. De voorgenomen ontwikkeling draagt daarmee bij aan de omgevingskwaliteit van het landelijk gebied. Ad o. Het onbebouwde deel van het agrarisch bouwvlak aan de noordzijde krijgt weer de agrarische bestemming voor gebruik als landbouwgrond overeenkomstig de functie van het betrokken gebied. Ad p. Het bestemmingsvlak wordt teruggebracht tot een oppervlak onder de 0,5 hectare.

Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de regels zoals zijn opgenomen in de wijzigingsbevoegdheid van het bestemmingsplan “Buitengebied Oss -2020”.

4.4.4 Welstandsbeleid Op 24 september 2020 is “Samen bouwen aan een mooi Oss, Nota uiterlijk van bouwwerken Oss 2020” vastgesteld. Dit welstandsbeleid legt meer verantwoordelijkheid bij de inwoners en bedrijven van de gemeente Oss. Met deze nota geldt in principe voor het gehele grondgebied van de gemeente een welstandsvrij beleid. Nieuwe bouwaanvragen hoeven niet te worden voorgelegd aan het Adviesteam Architectuur om te worden getoetst aan ‘redelijke eisen van welstand’. Er gelden drie uitzonderingssituaties:  bebouwing binnen beschermde stads- en dorpsgezichten;  monumenten en de panden in de directe omgeving van een monument (binnen een straal van 25 meter vanaf een monument);  bebouwing binnen gebieden waar een beeldkwaliteitsplan geldt. In deze gevallen is voor bebouwing een welstandadvies wél verplicht. In het welstandsvrije deel van de gemeente blijft de mogelijkheid bestaan om bouwplannen voor te leggen aan het Adviesteam Architectuur voor een vrijblijvend welstandsadvies. Het plangebied ligt niet in een beschermd stads- en dorpsgezicht of in de nabijheid van een monument. Voor het plan is geen beeldkwaliteitsplan opgesteld waaraan de bebouwing zal worden getoetst. De plannen zullen niet vrijwillig aan het Adviesteam Architectuur worden voorgelegd.

Wijziging 4 Bestemmingsplan Buitengebied Oss – 2020, pag. 34 van 66 2021-12-16

4.4.5 Visie Toerisme en Recreatie In de nota toerisme & recreatie staat de economische ontwikkeling en het behoud van de leefbaarheid centraal. Daarbij wordt met name gericht op de het landelijk gebied in de gemeente Oss en de voormalige gemeente Lith. Binnen de gemeenten wordt onderscheid tussen verschillende zones. Deze zones zijn de Maasrand, het poldergebied, de stad Oss, Herperduin en de stadsrand. Per zone worden de sterke en zwakke punten beschreven, maar ook de onderlinge relatie tussen de verschillende zones. Het definitief verdwijnen van een intensieve veehouderij op onderhavige locatie, alsmede de sloop van bebouwing en een landschappelijke inpassing dragen bij aan het toerisme en recreatie in het gebied.

Wijziging 4 Bestemmingsplan Buitengebied Oss – 2020, pag. 35 van 66 2021-12-16

Hoofdstuk 5 5.1

Omgevingsaspecten

Landschap

5.1.1 Nota Landschapsbeleid Binnen de gemeente Oss bestaat grote aandacht voor het landschap en het landelijke gebied. De Nota Landschapsbeleid zorgt voor een beleidskader welke een sturende werking heeft bij ruimtelijke ontwikkeling in het buitengebied. Ruimtelijke ingrepen en nieuwe functies in het buitengebied hebben een grote uitstraling naar de omgeving. Dit betekent dat bij deze ingrepen (bijvoorbeeld de bouw van agrarische bedrijfsgebouwen) eisen aan de landschappelijke inpassing van objecten moeten worden gesteld. De gemeente wordt verder geconfronteerd met de aanleg (of juist verwijdering) van (landschaps)elementen door particulieren op agrarische percelen in het buitengebied. Dergelijke initiatieven komen vaak niet overeen met de ter plaatse aanwezige en te behouden landschappelijke kwaliteit (bijvoorbeeld behoud van openheid of gebruik van niet-inheemse boomsoorten). Goede toetsingskaders en sturingsinstrumenten zijn voor bescherming maar ook voor ontwikkeling van het landschap onmisbaar. In de Nota Landschapsbeleid wordt per deelgebied beschreven wat de landschappelijke visie is. De verschillende deelgebieden zijn: Uiterwaarden Oeverwal Komgebied Dekzandrand Dekzandrug Per deelgebied wordt aangegeven wat de ontwikkelingsvisie is. Daarbij worden aandachtspunten voor uitwerking en uitvoering geschetst. De locatie is gelegen in het landschapstype Komgebied.

Het landschap is grootschalig, open tot zeer open en wordt gekenmerkt door een zeer regelmatig, rationeel, rechtlijnig verkavelingspatroon. De ruimtelijke opbouw wordt bepaald door de openheid, de smalle slagenverkaveling, waterlopen, enkele kades, boerderijen al dan niet met erfbeplanting, een aantal eendenkooien en laanbeplanting.

In dit gebied wordt gestreefd naar het versterken van de rechtlijnige opbouw van de kommen met het duidelijke ritme van sloten, wegen en erven. Het contrast met de lossere vormen van de oeverwal en dekzandrand wordt versterkt door de karakteristieken van dit landschapstype zoals openheid, rationaliteit en grootschaligheid te benadrukken.

Wijziging 4 Bestemmingsplan Buitengebied Oss – 2020, pag. 36 van 66 2021-12-16

Openheid is de belangrijkste kwaliteit van het komgebied. Het behoud en versterken van een open karakter is dan ook uitgangspunt, evenals het behoud van zichtrelaties. Aan ontwikkelingen op het erf, zoals de bouw van stallen en loodsen, worden randvoorwaarden gesteld die passen bij het landschapstype. Erven in het komgebied vormen momenteel veelal een eiland van bebouwing -en soms groen- in een open, grootschalig, modern landbouwlandschap. Een ondernemer kan kiezen voor bebouwing die qua vorm, architectuur, materiaal- en kleurkeuze hoogwaardig is. Deze agrarische bebouwing mag gezien worden. Er kan dan worden uitgegaan van een erf omzoomd met transparante bomenrij(en), gecombineerd met een watergang. Hierdoor komen nieuw te bouwen stallen en loodsen (gedeeltelijk) in het zicht komen te liggen. De bebouwing op de erven met een rommelig karakter, kan wel voorzien worden van een afschermde, dichte groene rand. De bebouwing hoeft hierbij niet geheel ‘ingepakt‘ te worden. In weidevogelgebied is toepassing van erfbeplanting over het algemeen ongewenst. Erfinrichting De erven in het komgebied zijn van een veel recenter datum dan die van de oeverwallen en dekzandgronden: de bebouwing stamt veelal pas uit de 2e helft van de 20ste eeuw. De erven hebben een veel rationeler en moderner karakter.

Vaak is er sprake van een rechthoekig bouwblok met voor op het erf een woonhuis met een siertuin en daarachter de grote stallen en schuren. Ook zijn er op de erven vaak grote silo’s en kuilplaten aanwezig. nieuwe ontwikkelingen Er moet voldoende afstand tussen de (bedrijfs)kavels blijven, om de beleving van de openheid te waarborgen. De bebouwing en de nokrichting zijn in de verkavelingsrichting van het landschap gesitueerd. Voor bedrijven in het komgebied zal de bebouwing parallel aan elkaar moeten worden gesitueerd, parallel aan de verkavelingsstructuur/ perceelsrichting en vaak loodrecht op de weg. Hierdoor krijgt het geheel ritmiek. Ook de schaal van de bebouwing mag in het grootschalige komgebied groter zijn dan op de zandgronden. Grote stallen en loodsen dienen geleed te worden. Nieuwe stallen en schuren bij bestaande bedrijven worden achter het woonhuis geplaatst. Toepassing van modernere materialen is hier mogelijk. Er moeten koele kleuren (grijstinten) gebruikt worden. Erfbeplanting Erven vormen in het komgebied veelal een eiland van bebouwing in een open, grootschalig, modern landschap. Indien de bebouwing qua vorm, architectuur, materiaal- en kleurkeuze als hoogwaardig kan worden bestempeld, kan een erf omzoomd worden met transparante bomenrij(en) van bijvoorbeeld (knot)wilg, grauwe abeel, zwarte els of es.

De beplanting (bestaande uit (knot)bomenrij(en)) wordt gecombineerd met water, in de vorm van sloten, moeras en poelen. Nieuw te bouwen stallen en loodsen komen (gedeeltelijk) in het zicht te liggen; agrarisch gebruik mag gezien worden. Ontwikkeling Op de locatie is sprake van bestaande stalgebouwen met aanbouwen. Deze aanbouwen zullen worden gesloopt. Ook zal de bedrijfsbebouwing worden terug gebracht tot een oppervlak van 1.000 m 2, dan wel wordt alles gesloopt en wordt een dergelijk oppervlak herbouwd. Deze komt overeenkomstig de bestaande stallen parallel aan de verkavelingsstructuur/ perceelsrichting, loodrecht op de weg en achter de bedrijfswoning. De toekomstige (resterende) bebouwing is daarmee als hoogwaardig te bestempelen. Om die reden is ook gekozen voor een transparante beplanting bestaande uit een rij knotwilgen aan de noord- en zuidrand van het perceel evenwijdig aan de bebouwing. Aan de zuidzijde achter de woning wordt verder een poel gerealiseerd met daaromheen een bosplantsoen om het directe zicht op de bebouwing aan die zijde te verminderen en voor het nestelen van vogels en insecten. Ook wordt sprokkelhout gestapeld voor insecten. Tezamen met de laanbeplanting en verdere bestaande beplanting aan de voorzijde van het perceel is daarmee sprake van een passende erfbeplanting.

Wijziging 4 Bestemmingsplan Buitengebied Oss – 2020, pag. 37 van 66 2021-12-16

5.1.2

Kwaliteitsverbetering van het landschap

Regeling ‘kwaliteitsverbetering van het landschap’ De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant eist, bij een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in het landelijk gebied, een fysieke kwaliteitsverbetering van de landschappelijke kwaliteit. Dit staat in artikel 3.9 van de Interim omgevingsverordening. In januari 2013 is het afsprakenkader over de toepassing en uitwerking van deze regeling vastgesteld. Dit regionale afsprakenkader is oorspronkelijk bedoeld als uitwerking van regeling ‘Kwaliteitsverbetering van het landschap’ uit de Verordening ruimte. Het afsprakenkader geldt nog steeds. Toepassingsbereik De notitie toepassingsbereik vormt het basisdocument voor het afsprakenkader van de provincie met de gemeenten in de regio Noordoost. Deze notitie bevat de categorie-indeling voor de niet-planmatige ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied en de bijbehorende tegenprestatie. Deze notitie geeft de minimale inspanning aan die de gemeente Oss regionaal heeft afgesproken. Gemeenten hebben alle vrijheid om meer kwaliteitsverbetering te verlangen als ze dat nodig vinden op basis van beleids- of gebiedsambities. Het afsprakenkader is nadrukkelijk geen ruimtelijk afwegingskader. Gemeenten moeten zelf beoordelen of een ontwikkeling ruimtelijk gewenst is.

Vervolgens kan aan de hand van het afsprakenkader beoordeeld worden waar de kwaliteitsverbetering minimaal aan moet voldoen. Afspraken toepassingsbereik 1. de notitie Toepassingsbereik en met name de verdeling van ruimtelijke ontwikkelingen over de verschillende categorieën is de basis voor het afsprakenkader over toepassingsbereik. 2. bij planmatige (stedelijke) ontwikkelingen is kwaliteitsverbetering altijd van toepassing; 3. bij niet-planmatige ontwikkelingen: tegenprestatie gerelateerd aan impact:  cat. 1 geen impact: geen tegenprestatie  cat. 2 beperkte impact: landschappelijke inpassing  cat. 3 grote impact: berekende kwaliteitsverbetering van het landschap Afspraken kwaliteitsverbetering 1. Bij planmatige (stedelijke) ontwikkelingen: storting in een landschapsfonds of bijdrage in natura in landschapsversterkend project. 2. Bij niet-planmatige ontwikkelingen zijn gemeenten zelf verantwoordelijk voor de toepassing: in natura (op of nabij de projectlocatie), financiële bijdrage in landschapsfonds of een combinatie van beide. 3. Bij kwaliteitsverbetering in natura (op of nabij de projectlocatie) bevat het ruimtelijk plan de verantwoording van de kwaliteitsverbetering. 4. De regio kiest niet voor een (sub)regionaal landschapsfonds. Indien gemeenten een grensoverschrijdend landschapsproject willen realiseren, weten zij elkaar te vinden.

Onderhavige ontwikkeling valt onder de navolgende categorie 3 ontwikkeling waarvoor een berekende kwaliteitsverbetering van het landschap geldt: - omschakeling zonder vergroting van het bouwvlak, van agrarisch bouwvlak of Wonen-vab naar Bedrijf, Recreatie, Agrarisch gerelateerd etc Voor de mate van investering in de ruimtelijke kwaliteit is een berekening gemaakt op basis van forfaitaire bedragen die zijn afgesproken tussen de gemeente Oss en de provincie. Uit deze berekening, waarvoor wordt verwezen naar de bijlagen, blijkt dat aan de noodzakelijke investering in de ruimtelijke kwaliteit op basis van deze afspraken kan worden voldaan. Dit door het verkleinen van het bestemmingsvlak en de sloop van 791 m2 bebouwing, bestaande uit stalruimtes met mestput.

Wijziging 4 Bestemmingsplan Buitengebied Oss – 2020, pag. 38 van 66 2021-12-16

Verder wordt voorzien in een landschappelijke inpassing, waarvoor ook investerings- en onderhoudskosten worden gemaakt. De feitelijke en juridische borging van bovenstaande maatregelen worden geborgd in een separate overeenkomst tussen de gemeente en initiatiefnemer.

Wijziging 4 Bestemmingsplan Buitengebied Oss – 2020, pag. 39 van 66 2021-12-16

5.2

Natuur

5.2.1 Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming beschermt Nederlandse natuurgebieden en planten- en diersoorten. Het is belangrijk voor de natuur dat er veel verschillende planten- en diersoorten zijn. Wanneer het met de natuur goed gaat, is er ook meer ruimte voor economische en andere maatschappelijke activiteiten. Maar sommige soorten zijn kwetsbaar, zoals vleermuizen en mussen. Een goede natuurbescherming is dan ook belangrijk. Rolverdeling tussen provincies en Rijk Sinds 1 januari 2017 bepalen de provincies wat wel en niet mag in de natuur binnen de provincie. De provincies zorgen voor de vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor het beleid van grote wateren en internationaal beleid (zoals Natura2000). Ruimtelijke plannen en omgevingsvergunningen die invloed hebben op beschermde natuur moeten passen binnen de Wet natuurbescherming. Daarnaast gelden ook provinciale regelingen voor natuurbescherming.

5.2.2 Groen en natuur/biodiversiteit Natuur- en landschapsvisie 2005 De visie vormt een toetsings- en ontwikkelingskader voor het natuur- en landschapsbeleid in Oss. Zij geeft richting aan ontwikkelingen en nodigt initiatiefnemers uit om een bijdrage te leveren aan projecten. De visie heeft als bouwsteen bijgedragen aan de Structuurvisie Oss 2020. De ambities die in de visie zijn opgenomen zijn: Het realiseren van een tweetal natuur- en landschapsparken, te weten: 'Maashorst-Herperduin' en het Maaspark'. Het realiseren van stevige verbindingen tussen de natuur- en landschapsparken. Behoud en herstel van natuur- en landschapswaarden in het 'Land van Grutto en Pastinaak' en het 'Land van Dassen en Struweel'. Het realiseren van een groenblauw lint door de polder rond de Hertogswetering. Het ontwikkelen van aantrekkelijke groengebieden in en rond Oss en de dorpen, te weten de 'Groenblauwe Slinger door Oss', de 'Groene geledingszone ten zuiden van Oss', de 'Groene dorpen' en de 'Maasband'. Routekaart Groen, Blauw en Natuur In deze nota is aangegeven dat we de natuur en de biodiversiteit willen verbeteren door in te zetten op een gemeentelijk natuurnetwerk, aanvullend op het provinciaal netwerk. Het landschap en de ontstaansgeschiedenis van de gemeente Oss vormen daarbij de basis. Daarbij onderscheiden we de vijf gebieden die ook in de Natuur- en Landschapsvisie worden genoemd.

Natuurinclusief bouwen De gemeente streeft er naar om bij (ver)bouwen zoveel als mogelijk rekening te houden met de natuur en de biodiversiteit ofwel ‘natuurinclusief’ te bouwen. Het plan gaat om het slopen van gebouwen. Alvorens hiertoe over te gaan zal een ecologische deskundige op dit gebied worden geraadpleegd voor het uitvoeren van een ecologisch onderzoek, waarbij een inschatting wordt gemaakt van de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Als er beschermde soorten op de locatie van de activiteit aanwezig zijn, bepaalt de deskundige of deze beschermde soorten nadelige effecten zullen ondervinden van de werkzaamheden en welke maatregelen getroffen moeten worden.

Wijziging 4 Bestemmingsplan Buitengebied Oss – 2020, pag. 40 van 66 2021-12-16

Bijzonder waardevolle bomen In 1998 is de beleidsnota “Bijzonder waardevolle bomen” opgesteld, waarin bomen zijn opgenomen die vanwege specifieke waarden bescherming verdienen. De lijst met waardevolle bomen wordt periodiek geactualiseerd. De laatste actualisatie is opgenomen in de nota “Bijzondere bomen in Oss 2018”. In deze nota is vastgelegd dat de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de aangewezen waardevolle bomen altijd geweigerd moet worden tenzij het kappen van deze bomen vanuit het algemene belang noodzakelijk is. Dit is verder vertaald in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Op grond van de APV is voor het kappen van bomen die op de Beschermde bomenlijst staan een vergunning vereist. De vergunning kan op grond van verschillende criteria door het college van burgemeester en wethouders worden geweigerd. In onderhavig plan worden geen bomen gekapt.

5.2.3 Natuurtoets Bij de bescherming van natuurwaarden gaat het enerzijds om soortenbescherming en anderzijds om gebiedsbescherming. Deze bescherming moet er toe leiden dat het voortbestaan van de soort niet in gevaar komt. De gebiedsbescherming is gericht op de bescherming van kwetsbare natuurgebieden. Programma Aanpak Stikstof (PAS) Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan in enkele beroepszaken tegen Natura 2000-vergunningen die zijn gebaseerd op het Programma Aanpak Stikstof (PAS) 2015-2021 (Kamerstuk 32 670, nr. 146). Het is een stevige uitspraak die per direct forse consequenties heeft voor individuele ondernemers, maar ook voor ambities van gemeenten, provincies en Rijksoverheid op het terrein van onder meer waterveiligheid, infrastructuur, woningbouw en klimaat. De uitspraak komt er op neer dat de PAS ‘gesneuveld’ is als aanpak en systeem voor vergunningverlening van stikstofvergunningen op basis van de Wet natuurbescherming. Hoewel er geen directe relatie lag en ligt tussen een bestemmingsplan en de PAS, is het sneuvelen van de PAS ook voor RO en bestemmingsplannen van belang, met name ook door de aandacht voor stikstof.

Tot nu toe werd als ondergrens waaronder je geen Natuurvergunning nodig had (0,05 Mol/ha) ook in de RO vaak gebruikt om aan te tonen dat stikstof geen probleem was voor de voorgenomen planontwikkeling. Voor de ontwikkeling is een Aerius-berekening uitgevoerd voor zowel de gebruiks- als aanlegfase, zie bijlagen. De totale NOx-emissie is 8,57 kg in de gebruiksfase en 20,70 kg in de aanlegfase. Hieruit blijkt geen significant effect op omliggende Natura 2000-gebieden. In beide situaties geeft de berekening geen depositieresultaten boven 0,00 mol per hectare per jaar. Voor de aanlegfase of het beoogde gebruik van de loods is derhalve geen vergunning Wet natuurbescherming nodig. Onderhavige locatie ligt 8,70 km van het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied ‘De Rijntakken’. Voorafgaand aan de sloop van bebouwing zal een ecologische deskundige op dit gebied worden geraadpleegd voor het uitvoeren van een ecologisch onderzoek, waarbij een inschatting wordt gemaakt van de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Als er beschermde soorten op de locatie van de activiteit aanwezig zijn, bepaalt de deskundige of deze beschermde soorten nadelige effecten zullen ondervinden van de werkzaamheden en welke maatregelen getroffen moeten worden.

Wijziging 4 Bestemmingsplan Buitengebied Oss – 2020, pag. 41 van 66 2021-12-16

5.3

Archeologie en Cultuurhistorie

5.3.1 Erfgoedwet en overgangsregeling omgevingswet De Erfgoedwet beschermt het cultureel erfgoed in Nederland. In deze wet staan regels om belangrijk cultureel erfgoed beter te beschermen en behouden. In de Erfgoedwet staat wat cultureel erfgoed is, hoe de overheid omgaat met roerend cultureel erfgoed (zoals schilderijen), wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe de overheid daar toezicht op houdt. Het beschermingsregime voor de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (lees archeologische resten) net als de bescherming van gebouwde rijksmonumenten wordt opgenomen in de Omgevingswet. Vooruitlopend op de ingang van de Omgevingswet is het deel van de Monumentenwet 1988 dat gaat over de fysieke leefomgeving geregeld in het overgangsrecht van de Erfgoedwet. Het gaat om: • vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten. • verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. • bescherming van stads- en dorpsgezichten. Het erfgoed in de ruimtelijke ordening wordt nu nog voor een belangrijk deel geregeld via de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Ruimtelijke plannen die toepassing hebben op cultureel erfgoed moeten passen binnen wettelijke kaders van de Erfgoedwet en ook de regelingen die in andere wetten en regelgeving is opgenomen, zoals de Wabo en het Bro.

5.3.2 Archeologiebeleid Het provinciale archeologisch beleid is neergelegd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant van 25 oktober 2019 en op de provinciale Cultuurhistorische waardenkaart 2010, herzien 2016. Hierin is de bescherming van aardkundig waardevolle gebieden en archeologische landschappen geregeld. Het gemeentelijk archeologisch beleid is veel gedetailleerder dan het algemene provinciale beleid op dit punt en prevaleert daarom ook boven het provinciale archeologisch beleid. Op 14 oktober 2010 heeft de gemeente Oss haar ‘archeologiebeleid’ vastgesteld. In 2015 heeft de gemeenteraad het archeologiebeleid opnieuw vastgesteld. Dit was nodig vanwege de gemeentelijke herindeling met Maasdonk. Onderdeel van de vaststelling in 2015 is het rapport 'Actualisatie archeologiebeleid gemeente Oss, een herziene archeologische beleidskaart voor het nieuwe grondgebied van de gemeente Oss' (Goddijn, 2012). Aan de hand van onderzoeken, inzichten en boringen in het veld zijn de eerdere archeologische kaarten gedeeltelijk bijgesteld. Op de beleidskaart is sprake van meerdere beleidscategorieën (zie onderstaande tabel). In het beleid is per beleidscategorie vastgelegd wanneer sprake is van een onderzoeksplicht en wanneer ontwikkelingen hiervan zijn vrijgesteld.

5.3.3 Archeologietoets Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente is aan het bestemmingsplangebied een lage verwachtingswaarde toegekend. Dit betekent dat pas bij een verstoring groter dan 5 hectare archeologisch onderzoek mogelijk aan de orde zou zijn. Het bestemmingsplangebied is echter aanzienlijk kleiner dan deze 5 hectare, dus deze vrijstellingsgrens zal nooit worden overschreden. Concreet betekent dit dat er geen archeologische onderzoeksplicht geldt.

Wijziging 4 Bestemmingsplan Buitengebied Oss – 2020, pag. 42 van 66 2021-12-16

Bestemmingsplanregels De gemeente Oss vertaalt de wet en het archeologisch beleid ook door in standaard bestemmingsplanregels. Zo heeft de gemeente bestemmingsplanregels (dubbelbestemmingen: dat wil zeggen dat deze naast de hoofdbestemming gelden) voor bescherming van historische kernen, beschermde monumenten, monumenten en voor gebieden met een middelhoge of hoge archeologische verwachtingswaarde. Met deze regels kan, ter bescherming van archeologische waarden, worden bepaald wanneer er een omgevingsvergunning voor bepaalde werkzaamheden nodig is, wanneer dat niet het geval is en onder welke omstandigheden en met welke nadere eisen en voorwaarden een omgevingsvergunning kan worden verleend. Aangezien de vrijstellingsgrens van 5 hectare nooit zal worden overschreden, is aan de locatie geen dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie verwachtingswaarde’ toegekend. Voor het gebied is dus geen archeologisch onderzoek nodig.

5.3.4 Cultuurhistorie Wettelijk kader Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Dat wordt veranderd in: met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. De regering wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. Doordat plannen nu nog pas na afloop van het planproces worden getoetst aan de regelgeving van de monumentenzorg, wordt monumentenzorg dikwijls ervaren als hindernis. Dit is door de regering erkend en daarbij is de ambitie uitgesproken om de positie van cultuurhistorie aan het begin van het ruimtelijk ordeningsproces juridisch te versterken. Door de verankering van cultuurhistorische waarden in de bestemmingsplannen vermindert tegelijkertijd de noodzaak tot het aanwijzen van nieuwe beschermde monumenten, omdat het belang van de cultuurhistorie wordt geborgd via het proces van de ruimtelijke ordening.

In de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in verband met modernisering van de monumentenzorg is daarom al de mogelijkheid voor burgers en belangengroepen om een aanvraag in te dienen om een monument aan te wijzen als beschermd monument, geschrapt. Dit instrument werd door belangengroepen nogal eens ingezet om afgifte van bouwvergunningen te frustreren of te vertragen. Met de wijziging van het Bro wordt tevens de adviesrol van Gedeputeerde Staten beperkt. Tot nu toe moet bij alle ingrepen aan een beschermd monument buiten de bebouwde kom advies aan Gedeputeerde Staten worden gevraagd. Met de wijziging van het besluit hoeft dat alleen nog, als het gaat om monumenten die door de minister op grond van de Monumentenwet 1988 zijn aangewezen. Daarnaast voorziet het besluit in een aantal versoepelingen van vergunningvrij wijzigen of bouwen in, aan of bij beschermde monumenten. Samengevat komen die versoepelingen er op neer, dat voor gewoon onderhoud of voor inpandige veranderingen aan beschermde monumenten geen monumentenvergunning meer nodig is, als de betreffende onderdelen geen monumentale waarde hebben. Bij twijfelgevallen zal men het bevoegd gezag moeten raadplegen.

De bedoeling van het wijzigingsbesluit is om enerzijds cultuurhistorische waarden een duidelijke plaats te geven aan het begin van het planproces en anderzijds onnodige regeldruk, vooral wanneer het gaat om ondergeschikte wijzigingen aan een monument, weg te nemen. Cultuurhistorie: gemeentelijk en provinciaal beleid Het beleid van de gemeente Oss voor wat betreft cultuurhistorie is onder meer neergelegd in het Erfgoedplan Oss 2006 “Op gemengde bodem”. Hierin zijn onder andere opgenomen: historisch

Wijziging 4 Bestemmingsplan Buitengebied Oss – 2020, pag. 43 van 66 2021-12-16

bebouwde gebieden, oude verkavelingspatronen, de invloed van de Maas en Rijksmonumenten. Deze nota heeft (nog) geen betrekking op het grondgebied van de voormalige gemeente Lith. Daarnaast heeft de gemeente Oss een Monumentenlijst 2009. Hierin zijn de Rijks- en gemeentelijke monumenten opgenomen. Het provinciale cultuurhistorische beleid is verankerd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant en op de Cultuurhistorische waardenkaart 2010. Hierin zijn onder andere opgenomen: cultuurhistorische vlakken en complexen van cultuurhistorisch belang. Cultuurhistorie: bestemmingsplanregels en regels in de provinciale Interim omgevingsverordening NoordBrabant Met de onder het kopje ‘archeologie’ genoemde bestemmingsplanregels, is het ook mogelijk om cultuurhistorische waarden in bestemmingsplannen te beschermen. Een en ander voor zo ver het terreinen betreft (inbouwen sloopvergunningstelsel voor bebouwing). Kortheidshalve wordt naar het kopje ‘archeologie: bestemmingsplanregels’ verwezen. De provincie Noord-Brabant heeft in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant bindende regels opgenomen ter bescherming van cultuurhistorische waarden. Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) De provincie Noord-Brabant koestert haar ruimtelijk erfgoed, zoals landgoederen, heidevelden, oude klooster- en fabriekscomplexen, vestingwerken, monumentale bomen en bodemvondsten.

Ze ziet dit erfgoed als belangrijk onderdeel van haar identiteit en wil het een plaats geven in de verdere ontwikkeling van Brabant. Daarom heeft de provincie haar ruimtelijk erfgoed opgenomen op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). De regio van de planlocatie is volgens de CHW van de provincie Noord-Brabant gelegen binnen een gebied met redelijk hoge cultuurhistorische waarden. Dit betreft de situering in de Beerse Overlaet, een oorspronkelijk overstromingsgebied. De provincie wil de identiteit van de regio’s versterken door de kenmerkende erfgoedwaarden als inspiratiebron te gebruiken voor nieuwe ontwikkelingen. Ter plaatse zijn geen specifieke cultuurhistorische waarden aanwezig welke de voorgenomen ontwikkeling in de weg staan.

Wijziging 4 Bestemmingsplan Buitengebied Oss – 2020, pag. 44 van 66 2021-12-16

5.4

Mobiliteit en parkeren

5.4.1 Verkeer De Mobiliteitsvisie Oss uit 2009 heeft als doel het in balans brengen van bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid. De mobiliteitsvisie is uitgewerkt in het Mobiliteitsplan 2020 Oss. Het deelplan Wegen werkt het gewenste netwerk voor het autoverkeer uit. Per weg is de gewenste functie vastgelegd. Van belang is de vraag of een initiatief leidt tot extra verkeersbewegingen en of de toename van verkeersbewegingen passen binnen de normen die voor ontsluitingswegen gelden. Verkeer: extra verkeersbewegingen De beoogde ontwikkeling leidt tot een beperkt aantal extra verkeersbewegingen ten behoeve van de stalling van kampeermiddelen. Dit betekent dat er in het hoogseizoen op bepaalde dagen meerdere auto’s kunnen komen voor het brengen of halen van een kampeermiddel. Deze beperkte toename van het verkeer heeft geen gevolgen voor omliggende wegen. Toetsend aan de Handreiking Verkeersgeneratie voorzieningen, kengetallen gemotoriseerd verkeer (CROW) is de toekomstige bedrijfsvoering aan te duiden als ‘bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief (loods, opslag, transportbedrijf)’. Dit leidt tot een verkeersgeneratie (per 100 m2 bvo) in buitengebied van maximaal 5,7. Gelet op een maximale bvo van 1.000 m2 betekent dit 57 verkeersbewegingen per dag. De locatie is gelegen aan een weg in het buitengebied.

Blijkens het Mobiliteitsplan 2020 Oss doen zich op de wegen in het buitengebied en door de kernen van de gemeente Oss en Lith zich geen problemen ten aanzien van bereikbaarheid en verkeersafwikkeling voor.

5.4.2 Parkeren De gemeente Oss heeft een gemeentelijk parkeerbeleidsplan vastgesteld. De nota ‘Parkeernormen 2017’ geeft aan welke parkeernormen voor welke gebieden gelden. De toekomstige bedrijfsvoering is aan te duiden als ‘bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief (loods, opslag, transportbedrijf)’. Hiervoor geldt in het buitengebied een parkeernorm van 1,1 (per 100 m2 bvo). Gelet op een maximale bvo van 1.000 m 2 betekent dit dat totaal voorzien moet worden in 11 parkeerplaatsen bij de loods. Voor de loods is voldoende ruimte binnen het bouwvlak om herin te voorzien. Bij de bedrijfswoning geldt een parkeernorm van 2,4 in welk aantal plaatsen reeds is voorzien op de inrit naar de woning waarvan één onder de carport.

Wijziging 4 Bestemmingsplan Buitengebied Oss – 2020, pag. 45 van 66 2021-12-16

5.5

Water

5.5.1 Wetgeving en beleid De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de Waterwet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets verplicht voor ruimtelijke plannen waarin waterbelangen spelen. De watertoets bewaakt de waterkwaliteit en waterkwantiteit. Een watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten zijn onder meer veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verzilting en verdroging. De watertoets heeft betrekking op alle wateren: rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. De gemeente Oss heeft in 2013 een integraal plan Watertaken vastgesteld. Het plan bestaat uit twee delen. Het “verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan” (vGRP) regelt de zorg voor inzameling en transport van afvalwater. Ook regelt het vGPR een doelmatige verwerking van afvloeiend hemelwater en overtollig grondwater. Daarnaast biedt het plan Watertaken een kader voor de andere watertaken van de gemeente. De gemeente is verantwoordelijk voor de openbare ruimte. Het gaat vooral om de zorg voor oppervlaktewater in bebouwd gebied. De gemeente is ook verantwoordelijk voor een goede ruimtelijke ordening. Het gaat om voldoende ruimte voor water in ruimtelijke plannen.

De watertoets is opgenomen in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). Beleid van gemeente, provincie en rijk is van toepassing bij een watertoets. Toetsing van uw waterparagraaf gebeurt op kwaliteit en kwantiteit. De verwerking van hemelwater, afvalwater en planologische ‘waterbestemmingen’ komen aan bod. Waterschap Aa en Maas is verantwoordelijk voor het waterbeheer in haar beheersgebied. Het gaat om het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer, de waterkeringszorg, waterzuivering, grondwaterbeheer en waterbodembeheer. De regels zijn vastgelegd in de Keur (met Algemene- en Beleidsregels) in de vorm van een aantal gebods- en verbodsbepalingen. Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven.

Sinds 1 maart 2015 hanteert waterschap Aa en Maas onderstaande (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn opgenomen in ‘Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Voor een toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m2 en 10.000 m2 kan de vereiste compensatie berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm. De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn: Gescheiden houden van vuil (afval)water en schoon hemelwater; Voorkomen van vervuiling van water; Schoon hemelwater kan volgens de voorkeursvolgorde worden verwerkt: 1. Hergebruik 2. Infiltratie/bergen 3. Afvoer

Wijziging 4 Bestemmingsplan Buitengebied Oss – 2020, pag. 46 van 66 2021-12-16

Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO), zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang, zowel in als buiten het plangebied. Ook mogen geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruik functies. Dit betekent dat: 1. De afvoer uit het gebied niet groter wordt dan in de referentiesituatie; 2. De grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt; 3. Grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties; 4. De (grond)waterstanden in het plangebied aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied; 5. Het plangebied zo wordt ingericht dat de hydrologische gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving niet leiden tot knelpunten in het plangebied.

5.5.2

Watertoets

Hemelwater afkomstig van het erf, de daken en de spoelplaats wordt op het oppervlaktewater geloosd. De lozing van dit niet-verontreinigde water zal geen nadelige effecten geven. Met onderhavig plan wordt geen extra bebouwing gerealiseerd. Niettemin wordt ten behoeve van het hemelwater afkomstig van de bebouwing een voorziening aangelegd. Ter voorkoming van overlast en schade op particulier terrein en uit oogpunt van doelmatigheid vertaald de gemeente een redelijke inspanning van particulieren als volgt. Bij ver- en nieuwbouw in bebouwd gebied moet tenminste de eerste 10 mm regen (10 liter per m2 afstromende verharding) van een bui op het eigen terrein kunnen worden vastgehouden en lokaal worden verwerkt door infiltratie of lozing op het oppervlak (vijver, wadi of lager gelegen grond). Dit geldt voor alle bestaande en nieuwe verharding. De bebouwing heeft een totaal oppervlak van 1.000 m2, waarmee de te bergen hoeveelheid 10 m3 bedraagt. Het water Aa en Maas verlangd dat voor de uitbreiding aan verhard oppervlak een compensatie wordt gerealiseerd. Aangezien er geen sprake is van een uitbreiding van het verhard oppervlak, maar juist een afname is formeel geen compensatie nodig. Niettemin wordt hier als gesteld wel in voorzien, waarmee ook direct wordt voldaan aan de navolgende rekenregel.

Benodigde compensatie (in m ) = Toename verhard oppervlak (in m ) * Gevoeligheidsfactor * 0,06 (in m) 3

2

Gelet op de ondergrond van rivierklei wordt een poel aangelegd op het perceel met een inhoud van tenminste 60 m3. Deze zal een overstort op de sloot langs de weg krijgen. De afvoer naar dit oppervlaktewater mag maximaal 2 l/s/ha zijn. Om die reden wordt een duiker met een diameter van 63 mm en een beperkt verloop van poel naar sloot gerealiseerd. Voor de betreffende sloot is gekeken naar de leggerkaart van de Keur. De voorschriften in de Waterwet en de Keur geven aan wat wel en niet mag en welke plichten er zijn. Wil je bijvoorbeeld lozen in water in sloten en beken (oppervlaktewater), grondwater onttrekken, een sloot dempen, een duiker of brug plaatsen? Dan moet je rekening houden met de Keur. Bij waterstaatswerken zijn drie verschillende zones te onderscheiden, namelijk het waterstaatswerk zelf, de beschermingszone en het profiel van vrije ruimte. De beschermingszone beschermt het waterstaatswerk en het profiel van vrije ruimte maakt toekomstige verbetering van het waterstaatwerk mogelijk. Het profiel van vrije ruimte kan bij alle waterstaatwerken worden vastgelegd, en niet alleen bij waterkeringen. Vóór vastlegging van dit profiel moet de noodzaak ervan goed onderzocht en onderbouwd worden. De drie zones worden vastgelegd op de legger, bedoeld in artikel 5.1 van de Waterwet.

Deze legger (Waterwet) wordt in de praktijk vaak gecombineerd met de onderhoudslegger (Waterschapswet). De legger op grond van de Waterwet geeft de reikwijdte weer van de verbodsbepalingen uit hoofdstuk 3. Het verbodsregime per zone is in hoofdstuk 3 opgenomen.

Wijziging 4 Bestemmingsplan Buitengebied Oss – 2020, pag. 47 van 66 2021-12-16

Legger oppervlaktewater Aa en Maas De sloot voorlangs de weg betreft op de legger geen A of B-watergang. Het huishoudelijk afvalwater afkomstig van de inrichting zal, overeenkomstig de bestaande situatie, worden afgevoerd naar het gemeentelijke rioleringsstelsel. Hiertoe is reeds een aansluiting aanwezig. Verder zijn er geen waterhuishoudkundige belangen van toepassing.

Wijziging 4 Bestemmingsplan Buitengebied Oss – 2020, pag. 48 van 66 2021-12-16

5.6

Defensie

Uit oogpunt van defensie kunnen er beperkingen gesteld worden aan ruimtelijke ontwikkelingen in een gebied. Belangrijke aandachtspunten met betrekking tot het defensiebelang zijn: -

Radarverstoringsgebieden;

-

Obstakelbeheergebieden;

-

Laagvliegroutes voor jachtvliegtuigen;

-

Geluidszones voor militaire luchtvaartterreinen.

Het gehele plangebied is gelegen binnen het radarverstoringsgebied van een radar van de vliegbasis Volkel. Binnen dit gebied is het in beginsel niet toegestaan om hogere bebouwing op te richten dan 114 meter boven NAP. Indien er initiatieven zijn voor het oprichten van hogere bouwwerken of gebouwen, dan kan dit toegestaan worden als blijkt dat de radar niet onevenredig wordt verstoord. Dit kan door TNO worden berekend. Dit bestemmingsplan voorziet echter nergens in bouwmogelijkheden tot een dergelijke hoogte. Daarmee is het belang van het radarverstoringsgebied binnen dit bestemmingsplan voldoende gewaarborgd. Bij een eventueel toekomstig initiatief voor een bouwwerk met een hoogte tot 114 meter boven NAP of hoger dient het defensiebelang nadrukkelijk betrokken te worden bij de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling. Voor het overige geldt dat het plangebied niet gelegen is binnen een obstakelbeheergebied, een laagvliegroute voor jachtvliegtuigen of een geluidszone voor militaire luchtvaartterreinen. Aan deze aspecten hoeft dan ook geen verdere aandacht besteed te worden.

Wijziging 4 Bestemmingsplan Buitengebied Oss – 2020, pag. 49 van 66 2021-12-16

5.7

Milieuaspecten

In deze paragraaf wordt ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten die verband houden met, of betrekking hebben op de ruimtelijke ontwikkeling. Het gaat daarbij meestal om de wisselwerking met de omgeving. Welke gevolgen heeft het initiatief voor de omgeving en omwonenden? Maar ook, welke gevolgen hebben activiteiten in de omgeving voor de mogelijkheden op de projectlocatie? Achtereenvolgens komen de volgende aspecten aan bod: -

Bedrijven en milieuzonering

-

Bodem

-

Externe veiligheid

-

Geurhinder: agrarisch

-

Geur: industrieel

-

Luchtkwaliteit

-

Straling

-

Weg-, spoor-, en industrielawaai

-

Gezondheid

-

Spuitzones

5.7.1 Bedrijven en milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten van bedrijven en gevoelige functies, zoals woningen. Het doel van milieuzonering is om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast kan milieuzonering bedrijven voldoende zekerheid bieden om hun activiteiten duurzaam uitvoeren. De handreiking Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft richtafstanden om de milieuzonering van bedrijven te kunnen bepalen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de omschakeling van een intensieve veehouderij naar een niet-agrarisch bedrijf in milieucategorie 2. Voor bedrijven behorend tot milieucategorie 2 bedraagt de grootste richtafstand vanuit de VNG handreiking 30 meter. In de omgeving zijn zowel agrarisch bedrijven als bedrijfsbestemmingen gelegen. Het dichtstbijzijnde agrarisch bedrijf is gelegen aan de overzijde van de weg Herstraat 9 op een afstand van 15 meter gemeten tussen de bouwvlakken en 28 meter tot de bij dat bedrijf behorende bedrijfswoning. Dit betreft eveneens een veehouderij om welke reden deze niet geurgevoelig is. Andere bedrijven en gevoelige objecten zijn op een afstand van meer dan 200 meter gelegen.

Onderhavige inrichting betreft nu nog een varkenshouderij met een grootste richtafstand voor geur van 200 meter en 50 meter voor geluid, waar ten aanzien van de woning niet aan wordt voldaan. In de toekomstige situatie is sprake van een grootste richtafstand van 30 meter voor geluid, waarmee de situatie feitelijk verbeterd ook al wordt ook niet aan die afstand voldaan. De toetsing tot omliggende locaties blijft verder gelijk aan de toetsing zoals deze nu is daar de afstand tot deze bestemmingen niet wijzigt. Het bouwvlak wordt daarbij wel verkleind. Naast het feit dat een ruimtelijke ontwikkeling geen onevenredige hinder aan gevoelige objecten in de omgeving mag veroorzaken mag deze ook niet leiden tot beperkingen van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven, functies en bestemmingen. Dit is echter vooral van belang wanneer sprake is van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten en daar is geen sprake van. In de loods zullen geen mensen langdurig verblijven.

Wijziging 4 Bestemmingsplan Buitengebied Oss – 2020, pag. 50 van 66 2021-12-16

5.7.2 Bodem Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht, moet in planvorming rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. In de Bouwverordening van de gemeente Oss is geregeld dat onder bepaalde omstandigheden het oprichten van gebouwen pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij iedere nieuwbouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld. Bij functiewijzigingen is in de planologische procedure van belang dat de beoogde functiewijziging plaats kan vinden op een locatie waar de milieuhygiënische bodemgesteldheid dit toelaat. De Woningwet staat niet toe dat er gebouwd wordt op verontreinigde grond. Vooraf dient nagegaan te worden of er aanwijzingen zijn voor de mogelijke aanwezigheid van bodemverontreiniging op de bouwlocatie. In onderhavige casus is vooralsnog enkel sprake van sloop van bebouwing. De locatie is daarbij verdacht op het voorkomen van asbestverontreiniging i.v.m. de aanwezigheid van asbesthoudende dakplaten op de voormalige stallen. Om die reden zal voorafgaand aan de sloop een bodemkwaliteitstoets uitgevoerd worden. Voor de omgevingsvergunning kan tevens een bodemonderzoek conform NEN-5740 noodzakelijk zijn.

Afhankelijk van de zintuiglijke waarnemingen kan ook een verkennend asbestonderzoek in de grond conform de NEN-5707 noodzakelijk zijn. De gronden voorheen in gebruik ten behoeve van het agrarisch bedrijf zullen daarbij niet worden gebruikt als tuin bij de bedrijfswoning. Deze blijft in omvang beperkt tot de bestaande tuin bij de bedrijfswoning. De locatie is daarbij niet verdacht met betrekking tot ontplofbare oorlogsresten uit de Tweede Wereld oorlog.

5.7.3 Externe veiligheid Rijkskader Externe veiligheid behandelt de risico's die ontstaan als gevolg van opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico’s kunnen hun weerslag hebben op de omgeving. Het wettelijke kader voor externe veiligheid bestaat onder meer uit: -

het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)

-

het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt)

-

het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

Wijziging 4 Bestemmingsplan Buitengebied Oss – 2020, pag. 51 van 66 2021-12-16

Enerzijds gaat het over de risicobronnen (bedrijven of transportroutes). Anderzijds gaat het over de risicoontvangers (omstanders die niets met de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen te maken hebben). Wat betreft de risico-ontvangers maakt de wetgeving onderscheid in kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbare objecten zijn gebouwen, waarin (of waarbij) groepen van circa 50 personen of groter, gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. Ook sommige gebouwen waarin/waarbij kleinere groepen verblijven, worden als kwetsbaar object gezien, wanneer die personen beperkt zelfredzaam zijn (zoals zieken, bejaarden of gehandicapten). Beperkt kwetsbare objecten zijn verspreid liggende woningen en bedrijven waarin/waarbij groepen van minder dan 50 personen gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. In de landelijke wetgeving wordt meer gedetailleerd beschreven wat er onder kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten wordt verstaan. Belangrijk is hierbij dat de opsomming in de wetgeving niet limitatief is, zodat er in de verdere uitwerking van het beleid nog enige vrijheid rest. Verder maakt de wetgever onderscheid tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen.

De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Gemeentelijk kader Ook in de gemeente Oss zijn risicobronnen aanwezig in de vorm van transportassen en stationaire activiteiten. Dit vraagt om een gemeentelijke visie. Op 19 mei 2011 heeft de gemeenteraad de Beleidsvisie Externe veiligheid vastgesteld. Deze beleidsvisie beschrijft op welke manier de gemeente Oss externe veiligheid in haar afwegingen betrekt.

Volgens de risicokaart (zie onderstaande figuur) van het Interprovinciaal Overleg bevinden zich in de directe omgeving van het plangebied geen inrichtingen waarop het Bevi van toepassing is. Nabijgelegen transportroutes Beleidsvisie externe veiligheid Oss In paragraaf 4.1.2 van de beleidsvisie wordt ingegaan op vervoer over de weg. Uit onderzoek, onder meer in het kader van het Basisnet, blijkt voor de gemeente Oss dat:  Er geen knelpunten zijn vanuit het plaatsgebonden risico;  De oriëntatiewaarde van het groepsrisico nergens overschreden wordt; De route voor vervoer van gevaarlijke stoffen in Oss is beperkt tot de N329 en alle wegen op de industrieterreinen Elzenburg, de Geer, Moleneind, Landweer en Danenhoef. In paragraaf 4.1.4 van de beleidsvisie wordt ingegaan op vervoer over het water. Hierin staat: Uit de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen, zoals deze van kracht is vanaf 1 januari 2010, blijkt dat de rivier de Maas is gecategoriseerd als zwarte vaarroute (belangrijke binnenvaartroute). Dit betekent:  Er is geen sprake van plaatsgebonden risico-contouren op de oever.  Het invloedsgebied is 1.070 meter, gebaseerd op het vervoer van toxische stoffen. Het vervoer van gevaarlijke stoffen over water is relatief beperkt en kent geen zonering.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=fed29164-ce18-4e26-ac42-e875148ac00e