CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting NL IMRO 0828 WZ4buitengboss2020-ON01.PDF

Adviescommissie Ruimte 12 mei 2022, gemeente OssBij agendapunt: B Gebundelde procedure ontwerpbestemmingsplannen23.123 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Wijziging 4 Bestemmingsplan Buitengebied Oss – 2020, pag. 52 van 66 2021-12-16

Hierbij dient te worden opgemerkt dat dit deel van het beleid verouderd is. De circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen is, zoals al aangegeven in de voetnoot van de beleidsvisie, op 11 november 2013 vervangen door het Besluit externe veiligheid transportroutes. De conclusies veranderen hierdoor echter niet, het invloedsgebied blijft hetzelfde. Planologische kaders In hoofdstuk 6 van de Beleidsvisie externe veiligheid Oss (versie maart 2011, revisie 6.4) worden planologische kaders gegeven. Langs waterwegen en provinciale & gemeentelijke wegen is, vanwege de beperkte vervoersomvang van gevaarlijke stoffen, geen kader opgenomen. Het risico op een ongeval met gevaarlijke stoffen is hier dusdanig klein dat er voor is gekozen om niet van tevoren ruimtelijke keuzes te maken. In bijlage 2 van de beleidsvisie externe veiligheid Oss (versie maart 2011, revisie 6.4) is de navolgende standaardtekst opgenomen, welke gebruikt kan worden bij ruimtelijke plannen die op meer dan 300 meter van een transportas liggen. Gebieden waar de standaard verantwoording van toepassing is:  Zone IV, zoals omschreven in paragraaf 6.1.4  Het invloedsgebied langs de Maas, zoals aangegeven in voetnoot 16 van hfdst. 6.

 Toxische scenario's bij bedrijven, vanaf 200 meter De motivatie/verantwoording hierbij is: Ontwikkeling groepsrisico Indien een ruimtelijk plan tot toename van de personendichtheid leidt, betekent dit dat:  vanwege de afstand tot de plaats van het mogelijke incident,  de aard van incident (blootstelling aan toxisch gas), het groepsrisico niet significant zal toenemen. Mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is geen item.  Toename van de personendichtheid heeft geen significant effect op het groepsrisico.  De kans op overlijden door een incident met gevaarlijke stoffen is hier bijzonder klein. De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Voor deze gebieden speelt het bestrijdbaarheidsvraagstuk niet. De bestrijding vindt plaats bij de bron, op afstand van deze gebieden. Ten aanzien van de algemene mogelijkheden van de bestrijdbaarheid wordt verwezen naar het door de regionale brandweer/de Veiligheidsregio opgestelde 'risicoprofiel'. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario is, biedt ‘schuilen’ de beste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken.

De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Bij bestaande bouwwerken worden geen aanvullende maatregelen getroffen om mogelijke indringing van toxisch gas te verminderen. Aanpassing van bijvoorbeeld oude woningen op dit punt is ingrijpend en kostbaar. Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas. Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelingsinstallatie, waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen. Van belang is dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding. De zone III gebieden in de bebouwde kom van Oss vallen geheel binnen het dekkingsgebied van het WAS.

Wijziging 4 Bestemmingsplan Buitengebied Oss – 2020, pag. 53 van 66 2021-12-16

Casus Aangezien het gaat om een loods voor opslag, met beperkte aanwezigheid van personen, en het beperkt aantal aanwezige personen, is het realistisch om aan te nemen dat het groepsrisico in de beoogde situatie de oriëntatiewaarde (nog steeds) niet zal overschrijden. Daarbij liggen er geen transportroutes binnen genoemde afstanden tot de locatie. Concluderend kan gesteld worden dat er geen belemmeringen zijn op het gebied van de externe veiligheid voor de voortgang van het plan.

5.7.4 Geurhinder: agrarisch De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is het beoordelingskader voor geur bij milieuvergunningen, bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Het gaat uitdrukkelijk om agrarische geur van landbouwhuisdieren uit dierstallen. De wet maakt onderscheid tussen geurnormen voor intensieve en extensieve veehouderijen. De geurbelasting van intensieve veehouderijen wordt berekend en uitgedrukt in de vorm van een geurcontour. De geurbelasting van extensieve veehouderijen wordt uitgedrukt in vaste afstanden. De gemeente Oss heeft op basis van de wet een eigen geurbeleid opgesteld. Het geurbeleid bestaat uit twee delen: de “Geurgebiedsvisie 2013” en de “Agrarische geurverordening gemeente Oss 2017”. Het hanteert per soort gebied een eigen geurnorm en streeft de volgende doelen na: -

de burger beschermen tegen geurhinder;

-

de veehouderijen niet onnodig beperken;

-

ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken, onder de voorwaarde dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is. De gemeentelijke “Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder” is van belang voor de vraag of een ruimtelijke ontwikkeling kan plaatsvinden. De beleidsregel geeft aan wanneer sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oss 2017 wordt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object binnen de gemeente Oss vastgelegd. Conform Artikel 3 Waarden voor de geurbelasting van de verordening zijn de volgende waarden vastgelegd: Lid 1. Op grond van artikel 6, lid 1 van de wet en in afwijking van artikel 3, lid 1 van de wet bedraagt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in het gebied als genoemd in artikel 2, lid 1 van deze verordening: A. Stad Oss

1,0 Ou

B. Woonkern met geen/enige intensieve veehouderij

2,0 Ou

C. Plangebied (bij kern A en B)

3,0 Ou

D. Woonkern met intensieve veehouderij

6,0 Ou

E. Zoekgebied + plangebied Maren-Kessel West en Liesdaal

6,0 Ou

F. Recreatiegebieden

8,0 Ou

G. Extensiveringsgebieden

8,0 Ou

H. Bedrijventerreinen

8,0 Ou

I. Bedrijventerrein Vorstengrafdonk

12,0 Ou

J. Verwevingsgebied

14,0 Ou

K. Landbouwontwikkelingsgebied

14,0 Ou

Wijziging 4 Bestemmingsplan Buitengebied Oss – 2020, pag. 54 van 66 2021-12-16

Op de locatie wordt een veehouderij in de vorm van een varkenshouderij beëindigd en omgezet naar een bedrijfsbestemming zonder geuremissie. Dit leidt tot een aanzienlijke geurreductie in de omgeving en daarmee een verbetering van het woon- en leefklimaat. De loods met opslag betreft geen geurgevoelig object. Voor de aanwezige bedrijfswoning (voorheen) behorend tot een veehouderij is in artikel 3 van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) de volgende regel gesteld. In afwijking van het eerste lid bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, of dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij: a. ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en b. ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. De afstand van de bedrijfswoning tot het bouwvlak van de veehouderij aan de overzijde van de weg Herstraat 9 is 50 meter. Daarmee wordt voldaan aan voornoemde afstand van ten minste 50 meter buiten de bebouwde kom. Onderhavige herbestemming is daarmee niet beperkend voor deze en andere omliggende veehouderijen.

Aangezien de veehouderij tegenover een paardenhouderij betreft en ook de andere direct omliggende veehouderijen geen intensieve veehouderijen betreffen en onderhavige intensieve veehouderij wordt beëindigd, mag aangenomen worden dat het initiatief ligt in een gebied met een goede of voldoende achtergrondbelasting, waarmee sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het initiatief wordt niet belemmerd door het aspect geur.

5.7.5 Geur: industrieel Het nationale industriële geurbeleid is vastgelegd in de Nederlandse emissierichtlijn (NeR). De brief van het ministerie van Infrastructuur en Milieu van 30 juni 2005 stelt het rijksbeleid in grote lijnen vast. Het algemene uitgangspunt is het voorkomen van (nieuwe) hinder. Dit uitgangspunt vormt samen met het toepassen van de Beste Beschikbare Techniek (BBT) de kern van het geurbeleid. Uitgangspunten van het rijksbeleid zijn: - als er geen hinder is, zijn maatregelen niet nodig; - als er wel hinder is, worden maatregelen getroffen op basis van het Beste Beschikbare Techniekprincipe; - de gemeente stelt vast welke mate van hinder acceptabel is. Gemeenten en provincies hebben de bevoegdheid om een eigen geurbeleid vast te stellen. De provincie Noord-Brabant heeft een eigen geurbeleid voor provinciale bedrijven, de Beleidsregel beoordeling geurhinder omgevingsvergunningen industriële bedrijven Noord-Brabant. De gemeente Oss heeft geen eigen industrieel geurbeleid. Per situatie stelt de gemeente Oss vast of sprake is van een acceptabel geurniveau. Er zijn verschillen in het niveau van bescherming mogelijk. Voor een bedrijfswoning kan bijvoorbeeld een hogere geurbelasting gehanteerd worden dan voor aaneengesloten woonbebouwing. Het initiatief is niet gelegen in de buurt van industrieterreinen of bedrijven.

Bij de beoogde ontwikkeling gaat het verder om een omschakeling naar een bedrijf zonder geuremissie. Zodoende is industriële geurhinder geen beperkende factor voor de beoogde ontwikkeling. 5.7.6 Luchtkwaliteit Het beleid en de regelgeving over luchtkwaliteit heeft tot doel om mensen te beschermen tegen de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging. Ze bevatten luchtkwaliteitsnormen voor verschillende stoffen. Ruimtelijke plannen of projecten die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, zoals bestemmingsplannen, dienen getoetst te worden aan de Wet milieubeheer (afdeling 5.2.). Deze wet

Wijziging 4 Bestemmingsplan Buitengebied Oss – 2020, pag. 55 van 66 2021-12-16

bevat grenswaarden voor de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijn stof, lood, benzeen en koolmonoxide in de buitenlucht. In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Overschrijding van de grenswaarden van andere stoffen komt bijna niet voor. De wet maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Kleine projecten zijn projecten die de luchtkwaliteit niet ‘in betekende mate’ (NIBM) verslechteren. Deze projecten hoeven niet meer beoordeeld te worden op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Er is geen belemmering als een klein project niet of nauwelijks bij draagt aan luchtverontreiniging, óók niet in overschrijdingsgebieden (gebieden met te veel luchtvervuiling). De ministeriële Regeling NIBM geeft aan in welke gevallen een nieuw project in ieder geval een NIBMproject is. Dit is bijvoorbeeld het geval als er minder dan 500 woningen worden gebouwd bij minimaal één ontsluitingsweg, of minder dan 1.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Het Besluit gevoelige bestemmingen beperkt de vestiging van zogeheten ‘gevoelige bestemmingen’, zoals een school, in de nabijheid van provinciale en rijkswegen.

Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. Waar in zo’n onderzoekszone de grenswaarden voor PM 10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming’ niet toenemen. Dit wordt bereikt door op zo’n plek de vestiging van bijvoorbeeld een school niet toe te staan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien.

De gemeente heeft geen eigen regelgeving en beleid over luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen in hoeverre sprake is van NIBM, zijn vastgelegd in de Regeling NIBM (artikel 2 t/m 4). In artikel 2 lid 1 van het besluit NIBM is bepaald dat er sprake is van een “Niet in betekenende mate bijdrage” indien vanwege een plan de concentraties in de buitenlucht aan zowel fijn stof (PM10) als stikstofdioxide (NO2) met niet meer dan 3% toeneemt. De overige componenten behoeven in dat geval dan ook niet nader beschouwd te worden. Onderstaand de uitkomst van de NIBM-tool, waarbij de mogelijke verkeersgeneratie (zie paragraaf 5.4.1) is ingevoerd. Hieruit blijkt dat het initiatief niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit.

Wijziging 4 Bestemmingsplan Buitengebied Oss – 2020, pag. 56 van 66 2021-12-16

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie

2020

Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) Aandeel vrachtverkeer

5,0%

NO2 in μg/m3

0,07

PM10 in μg/m3

0,01

Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m3

57

1,2

Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig

De gewenste bedrijfsvoering in de vorm van opslag betreft geen gevoelige bestemming in de zin van het Besluit gevoelige bestemmingen.

5.7.7 Straling Het beleid voor elektromagnetische velden is opgenomen in het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4), de Toekomstagenda Milieu en de beleidsnota Nuchter Omgaan met Risico's, beslissen met gevoel voor onzekerheden (2004). Het ministerie van Infrastructuur en milieu heeft het beleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen uitgewerkt in een advies van oktober 2005. Dit advies is verder toegelicht in een brief van november 2008. De gemeente Oss heeft in het Milieubeleidsplan 2010-2014 het rijksadvies vastgelegd als beleidsuitgangspunt. Dit houdt in dat er bij nieuwbouwplannen of het realiseren van nieuwe hoogspanningslijnen voorkomen dient te worden dat er gevoelige bestemmingen terecht komen in een zone waar het magnetische veld gemiddeld over een jaar hoger is dan de norm van 0,4 microtesla.

Het initiatief is niet gelegen binnen een zone van 80 meter van een bovengrondse hoogspanningslijn. De straling van bovengrondse hoogspanningslijnen is geen beperkende factor voor het initiatief. 5.7.8 Weg-, spoor- en industrielawaai De Wet geluidhinder (Wgh) biedt bescherming tegen (spoor)weglawaai en tegen industrielawaai van inrichtingen voor zover gelegen op een gezoneerd industrieterrein. In de Wgh wordt een beperkt aantal typen objecten beschermd, de zogenoemde geluidgevoelige objecten. De Wet geluidhinder kent een stelsel van normen ter voorkoming van geluidhinder. Ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen zijn grenswaarden opgenomen. Hierbij is een ondergrens (voorkeursgrenswaarde) en een bovengrens (maximaal toelaatbare grenswaarde) opgenomen. De Wgh biedt gemeenten de mogelijkheid om gericht in te spelen op de lokale situatie door maatwerk te leveren. Burgemeester en wethouders kunnen een hogere waarde vaststellen dan de ondergrens, maar mogen daarbij de bovengrens niet overschrijden. In 2010 heeft de gemeenteraad van Oss de geluidsnota “Geluidskwaliteit in de leefomgeving” vastgesteld. De gemeente Oss maakt hierbij gebruik van gebiedsgericht geluidbeleid. Per gebied wordt een geluidskwaliteit nagestreefd. Zo zijn er ‘rustige gebieden’, ‘dynamische gebieden’ en er zijn gebieden

Wijziging 4 Bestemmingsplan Buitengebied Oss – 2020, pag. 57 van 66 2021-12-16

die ten aanzien van geluid onder druk staan. De geluidsnota gaat ook in op de realistische inzet van onderzoek, het stellen van eigen criteria voor het toestaan van een hogere waarde en bedrijfswoningen op industrieterreinen. De gemeente Oss streeft naar een leefbare woonsituatie, ook op locaties met een hoge geluidsbelasting. Deze leefbaarheid wordt bereikt door terughoudend te zijn met hogere grenswaarden en door hieraan voorwaarden te verbinden. Deze voorwaarden leggen de initiatiefnemer of de beheerder een inspanning op voor een leefbare woonomgeving als compensatie voor het bouwen en het veroorzaken van een lawaaiige situatie. Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. Ook in Oss is er een aantal gezoneerde industrieterreinen. Met zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel bedrijven als aan bewoners/gebruikers van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Bedrijven kunnen aan de ene kant hun geluid producerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone.

Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen te veel oprukken naar de bedrijven toe. Het initiatief voorziet niet in de oprichting van nieuwe geluidgevoelige objecten in de zin van de Wet geluidhinder. Externe werking: industrielawaai Met betrekking tot de geluidbelasting van onderhavige ontwikkeling op geluidgevoelige objecten in de omgeving, dient te worden aangetoond dat de ontwikkeling geen onevenredige toename van de geluidbelasting op deze gevoelige objecten met zich meebrengt. Als gevolg van het plan verdwijnt een varkenshouderij met geluidsbronnen als ventilatoren op de stallen, waardoor het woon- en leefklimaat verbeterd. Met de realisatie van een loods is geen sprake van extra/nieuwe geluidsbronnen en zal er geen sprake zijn van een aantasting van een goed woon- en leefklimaat ten opzichte van de omgeving. Activiteitenbesluit De bedrijfsactiviteiten die op de planlocatie uitgebreid gaan worden, vallen onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Er zal worden voldaan aan de voorschriften uit dat besluit en de bijbehorende regeling. Hiertoe zal te zijner tijd bij de gemeente een melding worden ingediend.

5.7.9 Gezondheid Uit de VGO-rapporten die afgelopen jaren zijn gepubliceerd door het RIVM komt duidelijk naar voren dat er een relatie wordt gevonden tussen veehouderijen en de gezondheid van omwonenden. Deze relatie is door de onderzoeker op verschillende manieren vastgesteld. Daarbij komt dichtheid van veehouderijbedrijven en afstand tot bepaalde type individuele veehouderijen concreet naar voren als factoren die van invloed zijn op de gezondheid van omwonenden. Verder blijkt uit VGO-onderzoek dat er in een straal van twee kilometer rond geitenhouderijen een verhoogde incidentie van longontstekingen (ca. 25-30% hoger) voorkomt. De oorzaak van het verhoogde risico op longontsteking rond geitenbedrijven is vooralsnog onbekend en onderwerp van vervolgonderzoek. Op dit moment kan er geen enkele bron-effect relatie worden beschreven tussen de verhoogde longontsteking incidentie en de uitstoot vanuit geitenhouderijen. Wel is er een causaal verband geconstateerd waarbij de associatie sterker is naarmate de afstand tot een geitenhouderij kleiner is. Tot er meer duidelijkheid is over de bron van de verhoogde incidentie longontstekingen kan niet worden geadviseerd over beschermde maatregelen. Afstand houden en goed informeren is de enige maatregel die de GGD op dit moment adviseert.

Wijziging 4 Bestemmingsplan Buitengebied Oss – 2020, pag. 58 van 66 2021-12-16

In afwachting van het vervolgonderzoek heeft de provincie besloten dat geitenstallen uitbreiden of in gebruik nemen niet meer is toegestaan. Het moratorium is in beginsel tijdelijk. Als de uitkomsten van het vervolgonderzoek bekend worden, wordt er gekeken of er redenen zijn het besluit in te trekken of aan te passen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het bevoegd gezag verplicht om alle bekende risico's bij een nieuwe ontwikkeling af te wegen. Er is geen sprake van een omgekeerde werking van het moratorium (met andere woorden de 'stop' op uitbreidingen van geitenbedrijven zorgt niet voor een stop op ontwikkelingen binnen de 2 km straal van een geitenhouderij), maar wel van een risico dat beoordeeld en meegewogen moet worden bij nieuwe ontwikkelingen. Het verantwoorden van dit verhoogde risico is aan het bevoegd gezag, in casu de gemeente. Deze geeft een oordeel over en maakt een afweging of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (m.b.t. onder andere gezondheid & geitenhouderijen). Het college van B&W besloot op 5 december 2017 dat wenselijke ontwikkelingen na een zorgvuldige afweging met betrekking tot volksgezondheid kunnen worden toegestaan binnen een straal van twee kilometer rondom een geitenhouderij.

Het beleid voor geitenhouderijen in Oss houdt in dat bij de realisering van een ruimtelijke ontwikkeling binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij rekening moet worden gehouden met de volgende criteria: a. het infomeren van de aanvragers over het risico b. terughoudend omgaan met ontwikkelingen betreffende het huisvest of opvangen van kinderen, kwetsbare mensen en ouderen c. na een zorgvuldige afweging en eventueel maatwerk kunnen wenselijke ontwikkelingen binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij worden toegestaan. ‘De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’ (versie mei 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De zeven stappen dienen allen te worden doorlopen en beantwoord om na te gaan of er aandachtspunten worden gevonden. Toetsing aan het stappenplan moet plaatsvinden, zodat kan worden bepaald of een advies van de GGD nodig is voor de beoogde ontwikkeling. Alle stappen in het stappenplan kunnen met NEE beantwoord worden. Een advies van de GGD is niet benodigd voor de beoogde ontwikkeling. 5.7.10 Spuitzones Het initiatief voorziet niet in de oprichting van nieuwe gevoelige objecten dan wel het realiseren van nieuwe gevoelige functies.

Wijziging 4 Bestemmingsplan Buitengebied Oss – 2020, pag. 59 van 66 2021-12-16

5.8

Milieueffectrapportage (M.e.r.)

Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt de milieugevolgen van een plan in beeld voordat er een besluit over wordt genomen. In een milieueffectrapport worden de gevolgen voor het milieu beschreven. Zo kan de overheid die het besluit neemt de milieugevolgen bij haar afwegingen betrekken. Het doel van m.e.r. is om het milieu een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over plannen en projecten. In een m.e.r.-beoordeling kijkt het bevoegd gezag of een project mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Als dat zo is, moet een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Wanneer speelt een m.e.r.-beoordeling? In het Besluit m.e.r. staat wanneer m.e.r. of een m.e.r.-beoordeling aan de orde is. De activiteit die het project mogelijk maakt en het besluit over de activiteit zijn daarbij bepalend. In de C- en D-lijst in de Bijlage bij het Besluit m.e.r. staat of sprake is van m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht. Per categorie van activiteiten is een drempelwaarde voor de omvang van de activiteit gegeven. Boven de C-drempel geldt een m.e.r.-plicht, tussen de C- en D-drempel geldt een plan-m.e.r.-plicht en onder de D-drempel geldt een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient onderbouwd te worden of de activiteit belangrijke nadelige milieugevolgen heeft.

Sinds de implementatie van de gewijzigde M.e.r.-richtlijn op 16 mei 2017 is de procedure voor de vormvrije en de formele m.e.r.-beoordeling bijna gelijk. Het enige verschil is dat van het besluit bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling geen kennisgeving wordt gedaan. Het m.e.r.-beoordelingsbesluit De initiatiefnemer stelt een aanmeldnotitie op, waarover het bevoegd gezag binnen zes weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit moet nemen. Het bevoegd gezag motiveert het besluit door in te gaan op de selectiecriteria van Bijlage III van de M.e.r.-richtlijn. Het gaat daarbij om de hoofdcategorieën: 1. kenmerken van het project 2. plaats van het project 3. kenmerken van het potentiële effect. Is het bevoegd gezag zelf initiatiefnemer, dan is het bevoegd gezag, anders dan een derde, niet verplicht een aanmeldnotitie op te stellen. Verantwoording Hier dient u aan te geven of er sprake is van m.e.r., een m.e.r.-beoordeling of een vormvrije m.e.r.beoordeling. Uit het doorlopen van de m.e.r.-scan volgt dat op basis van de ingevulde gegevens geen verplichtingen ontstaan op grond van de regelgeving op het gebied van milieueffectrapportage. Daarnaast blijkt uit de relevante paragrafen uit deze rapportage dat dit plan geen belangrijk nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken.

Wijziging 4 Bestemmingsplan Buitengebied Oss – 2020, pag. 60 van 66 2021-12-16

Hoofdstuk 6

6.1

Toelichting op de regels

Algemeen

Het bestemmingsplan bevat regels die het juridisch instrumentarium geven voor het regelen van het gebruik van de gronden en opstallen én bepalingen over de toelaatbaarheid van bebouwing. Het bestemmingsplan kan worden verbeeld op papier, en gaat vergezeld van deze toelichting. De toelichting heeft geen bindende werking en maakt juridisch geen deel uit van het bestemmingsplan. Wel heeft zij een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan. De Wet ruimtelijke ordening biedt zowel de mogelijkheid om een globaal bestemmingsplan te maken als de mogelijkheid van een gedetailleerd bestemmingsplan. In het bestemmingsplan “Wijziging 4 Bestemmingsplan Buitengebied Oss – 2020” is gekozen voor een globale regeling. Voor de opzet van de regels is aangesloten bij de “Standaardregels bestemmingsplannen Oss”. In de regels van onderhavig wijzigingsplan wordt verwezen naar de planregels van het moederplan “Buitengebied Oss – 2020”. De regels bestaan uit vier hoofdstukken. Dit zijn de inleidende regels (artikelen 1 en 2), de bestemmingsregels (artikelen 3 tot en met 4), de algemene regels (artikelen 5 tot en met 12) en de overgangsen slotregels (de artikelen 13 en 14). Bij de regels hoort een bijlage, te weten een milieuzoneringslijst. In de volgende paragraaf worden de diverse artikelen uit de regels en de bijlage toegelicht.

6.2

Regels

Hoofdstuk 1: Inleidende regels Artikel 1: Begrippen In dit artikel worden de in de regels gehanteerde begrippen nader verklaard om verschillen in interpretatie te voorkomen. Artikel 2: Wijze van meten Dit artikel geeft aan op welke manier het meten van in de regels genoemde begrippen moet plaatsvinden. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels De in dit hoofdstuk geregelde bestemmingen zijn achtereenvolgens: Artikel 3: Agrarisch met waarden - Landschap Dit artikel staat het agrarisch grondgebruik van de gronden toe. Artikel 4: Bedrijf Dit artikel staat de gewenste bedrijvigheid ‘statische opslag/caravanstalling’ toe op de locatie alsmede de maximale toegestane oppervlakte bedrijfsgebouwen van 1.000 m 2. In dit artikel wordt mede vastgelegd dat uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf – niet-agrarisch-technisch hulpbedrijf en niet-agrarisch verwant bedrijf': andere niet-agrarischtechnische hulpbedrijven en niet-agrarisch verwante bedrijven dan ‘statische opslag/caravanstalling’ zijn toegestaan, mits de milieucategorie niet hoger is dan 2.

Wijziging 4 Bestemmingsplan Buitengebied Oss – 2020, pag. 61 van 66 2021-12-16

Hoofdstuk 3: Algemene regels Dit hoofdstuk geeft een aantal gebruikelijke algemene regels. Het betreft achtereenvolgens: Artikel 5

Anti-dubbeltelregel

Artikel 6

Landschappelijke tegenprestatie

Artikel 7

Algemene bouwregels

Artikel 8

Algemene gebruiksregels

Artikel 9 Algemene aanduidingsregels Dit artikel regelt de inrichting van de gronden conform het inrichtingsplan in de bijlagen. Artikel 10

Afwijken van de bouw- en gebruiksregels algemeen

Artikel 11

Wijzigingsregels

Artikel 12

Overige regels

Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Artikel 13 Overgangsrecht Dit artikel regelt het overgangsrecht voor bebouwing en gebruik van gronden en bouwwerken. Artikel 14 Slotregel Dit artikel regelt de formele titel waaronder het bestemmingsplan kan worden aangehaald. Bijlage: milieuzoneringslijst In deze bijlage zijn de bedrijfsactiviteiten genoemd die volgens de regels toelaatbaar zijn. De lijst is opgesteld vanuit de typering van het plangebied als een rustige woonwijk. Bijlage: inrichtingsplan Herstraat 10 in Megen In deze bijlage wordt het landschappelijk inpassingsplan opgenomen.

Wijziging 4 Bestemmingsplan Buitengebied Oss – 2020, pag. 62 van 66 2021-12-16

Hoofdstuk 7

7.1

Handhaving

Beleidskader

Naar aanleiding van een landelijk traject heeft de gemeente Oss in 2005 de nodige besluiten genomen om de handhaving te professionaliseren. De gemeente wil namelijk een professionele organisatie zijn. Om haar handhavingstaken zo transparant en objectief mogelijk uit te voeren, heeft zij een toezicht-, sanctie- en gedoogstrategie opgesteld. De wijze waarop de gemeente handelt bij overtredingen is daarin vastgelegd. Het uitgangspunt voor handhaving is: elke norm die het verdient te worden gesteld, verdient het ook te worden gehandhaafd. De gemeente is verantwoordelijk voor het algemeen belang, dat concreet wordt in de belangen van veiligheid, volksgezondheid, natuurlijk milieu en ruimtelijke kwaliteit. Deze belangen vragen om een actieve handhaving. Een goede handhaving start echter al bij het opstellen van beleid, regels en voorschriften. Om in dit verband bestemmingsplannen actief te kunnen handhaven moet voldaan zijn aan de volgende criteria: -

het opstellen van uitvoerbaar beleid en duidelijke regels;

-

het verstrekken van duidelijke informatie op basis waarvan burgers en bedrijven hun keuzes kunnen maken;

-

zorgen voor de naleving van regels door middel van toezicht en de inzet van handhavingsinstrumenten.

Als primaire verantwoordelijkheid van burgers en bedrijven wordt gezien: -

het aanvaarden van de consequenties van de eigen keuzes;

-

nakoming van afspraken en naleving van regels.

In het Handhavingsprogramma wordt het concrete belang van handhaving van regels van bestemmingsplannen aangegeven. De negatieve effecten van niet-handhaving kunnen immers groot zijn, zoals schade aan natuur en ruimtelijke kwaliteit, financieel-economische schade en onveiligheid. Maar ook kunnen burgers en bedrijven worden benadeeld door illegale activiteiten van hun buren/omwonenden. De ruimte in Nederland is schaars en iedereen heeft belang bij een goede woon-, werk- en leefomgeving. De kwaliteit hiervan wordt grotendeels in bestemmingsplannen vastgelegd en die kwaliteit verdient het om te worden beschermd, onder meer door toezicht op naleving van de regels en desnoods bestuursrechtelijke handhaving. Het bestuurlijke belang van een adequate handhaving van bestemmingsplannen is dus groot, maar dat geldt ook voor de individuele belangen van burgers en bedrijven.

7.2

Professionele handhaving en handhavingsprogramma

De gemeente Oss voldoet aan de wettelijke kwaliteitscriteria voor een professionele handhavingsorganisatie. Elke vier jaar wordt er een Handhavingsprogramma opgesteld waarin de prioriteiten voor de uitvoering worden vastgelegd. Dit gebeurt na de aantreding van een nieuwe gemeenteraad en de vorming van een nieuw college van burgemeester en wethouders. Elk jaar wordt aan de hand van een probleem- of omgevingsanalyse een voortschrijdend programma gemaakt, waarin rekening wordt gehouden met gewijzigde wetgeving en de op dat moment concrete problematiek. Handhaving van bestemmingsplannen is een vaste prioriteit in het programma.

Wijziging 4 Bestemmingsplan Buitengebied Oss – 2020, pag. 63 van 66 2021-12-16

7.3

Handhaafbaarheid, positief bestemmen, overgangsrecht

De regels van dit bestemmingsplan zijn getoetst op handhaafbaarheid. De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voorziet in een verbod op het (laten) gebruiken van gronden en bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan. Overtreding van dit verbod is een strafbaar feit. In beginsel worden bouwwerken die in overeenstemming zijn met het vorige bestemmingsplan positief bestemd. Hetzelfde geldt voor gebruik in overeenstemming met het vorige bestemmingsplan. Met andere woorden: bestaande rechten worden gerespecteerd. Zij zijn in beginsel alleen onder het algemene overgangsrecht gebracht als te voorzien is dat zij binnen de planperiode van tien jaar zullen verdwijnen. Als sprake is van een naar huidige beleidsinzichten onwenselijke situatie die in het vorige bestemmingsplan al onder het overgangsrecht valt, is bezien of deze onder het persoonsgebonden overgangsrecht kan worden gebracht. Dat wil zeggen dat het overgangsrecht voor de betreffende percelen is beperkt tot degenen die die percelen gebruiken op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Voortgezet gebruik door anderen wordt niet als bestaand gebruik aangemerkt. Wij geven hieraan de voorkeur boven een uitsterfconstructie. Een uitsterfconstructie houdt in feite een positieve bestemming in, die afloopt na beëindiging van het betreffende gebruik. Dit maakt opvolging in de tijd door meerdere gebruikers mogelijk.

Daarmee kan in beginsel het ongewenste gebruik eindeloos lang duren. Persoonsgebonden overgangsrecht heeft als voordeel dat het gekoppeld is aan gebruik door één specifieke gebruiker of een beperkt aantal specifieke gebruikers. Daarmee kan het ongewenste gebruik in de praktijk eerder beëindigd worden, en zeker niet eindeloos lang voort blijven duren, waarmee mee recht wordt gedaan aan de bedoeling van overgangsrecht. Het persoonsgebonden overgangsrecht heeft zeker bij situaties die illegaal zijn ontstaan onze voorkeur boven een uitsterfregeling. Daarnaast kan het voorkomen dat bouwwerken in strijd met het vorige bestemmingsplan zijn opgericht, of dat bestaand gebruik in strijd is met dat plan. Een positieve bestemming ligt dan in de rede als de met het vorige bestemmingsplan strijdige situatie naar huidige beleidsinzichten ruimtelijk aanvaardbaar is. Indien de betreffende situatie ruimtelijk niet aanvaardbaar is, zal hiertegen in beginsel handhavend worden opgetreden. Indien dat in een uitzonderlijk geval niet (meer) mogelijk is, is bezien of de situatie onder het persoonsgebonden overgangsrecht gebracht kan worden. Overigens zijn strijdige situaties op grond van de planregels standaard uitgezonderd van het algemene overgangsrecht. Het Besluit ruimtelijke ordening schrijft dit voor.

Uiteindelijk is altijd maatwerk vereist om te bepalen of een positieve bestemming, algemeen overgangsrecht of persoonsgebonden overgangsrecht mogelijk is.

Wijziging 4 Bestemmingsplan Buitengebied Oss – 2020, pag. 64 van 66 2021-12-16

Hoofdstuk 8

Economische uitvoerbaarheid

Dit bestemmingsplan voorziet in nieuwe bouwmogelijkheden. De Grondexploitatie-wetgeving is dan ook van toepassing. Dat betekent dat meerkosten voor de planologische procedure als gevolg van particuliere ontwikkelingen dienen te worden verhaald op de initiatiefnemer(s). De verhaal van deze kosten kan op twee manieren worden geregeld, namelijk via een anterieure overeenkomst of via een exploitatieplan. De gemeente Oss heeft nadrukkelijk de voorkeur om dit via een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer te regelen omdat het opstellen van een exploitatieplan aanzienlijke meerkosten voor gemeente én initiatiefnemer tot gevolg heeft. Dit plan is een particulier initiatief. Met initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst gesloten. De kosten die voortvloeien uit het plan zijn voor rekening en risico van initiatiefnemer. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. In de anterieure overeenkomst is ook vastgelegd dat de eventuele planschade voor rekening komt voor de initiatiefnemer. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond.

Wijziging 4 Bestemmingsplan Buitengebied Oss – 2020, pag. 65 van 66 2021-12-16

Hoofdstuk 9

9.1

Overleg en maatschappelijke uitvoerbaarheid

Omgevingsdialoog

Vanwege de huidige corona maatregelen is er door de initiatiefnemer voor gekozen individueel een gesprek aan te gaan met de belanghebbende in de naaste omgeving. Zie voor de bezochte adressen de afbeelding en ingevulde formulieren in de bijlagen. De gesprekken hebben plaatsgevonden op 27-5-2021 en 28-05-2021. Initiatiefnemer heeft aan iedereen individueel het plan kenbaar gemaakt en als volgt toegelicht: Het plan is om te schakelen van agrarisch naar bedrijf categorie 2, gezien ik nu geen agrarisch bedrijf meer ben. Dit geeft in de toekomst problemen en dit wil ik voorkomen door te investeren in de locatie. Aangegeven is dat voor nu i.v.m. de tijd gekozen is eerst bestemming om te zetten en bedrijfsbebouwing terug te brengen naar de in het bestemmingsplan toegestane oppervlakten. De bedoeling is om in de toekomst richting het originele plan te gaan werken door de schuur aan de zijde van de woning te gaan verbouwen tot één nette loods van 1000 meter. Er is niets toegezegd of gevraagd om extra dingen toe te zeggen door de omwonende. Allen staan positief tegenover de beoogde ontwikkeling.

9.2

Vooroverleg

Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat ‘het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan daarbij overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn’. Ter uitvoering daarvan zijn op 16 en 29 september 2021 provincie Noord-Brabant, Waterschap Aa en Maas en Veiligheidsregio Brabant-Noord in de gelegenheid gesteld om te reageren op het concept ontwerpbestemmingsplan. Ook is het concept ontwerpbestemmingsplan ter informatie toegestuurd naar de Dorpsraad Megen Haren Macharen. Het plan is niet overlegd met de diensten van de Rijksoverheid, omdat het Rijk in 2012 heeft aangegeven dat vooroverleg alleen nog maar hoeft als het gaat om defensie, waterstaat en energievoorzieningen. In dit plan gaat het hier niet om en daarom is het niet voorgelegd aan het Rijk. Het vooroverleg heeft het volgende opgeleverd. 9.2.1 Provincie Noord-Brabant De gemeente kan met behulp van een e-formulier een ruimtelijk plan elektronisch toezenden aan de provincie Noord-Brabant. Met dat formulier is beoogd de procedure rond het wettelijk vooroverleg te verkorten.

Op basis van de ingevulde ruimtelijke aspecten kan in veel gevallen worden volstaan met het invullen van het formulier. De gemeente ontvangt vervolgens via de e-mail een afschrift van de inventarisatie van de ruimtelijke aspecten, waarmee het wettelijk vooroverleg is afgerond. In het kader van het wettelijk vooroverleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening is het concept ontwerpbestemmingsplan op 16 september 2021 door middel van het e-formulier aangemeld bij de provincie Noord-Brabant. De provincie heeft hierop gereageerd dat er geen aanleiding is tot het maken van opmerkingen. Het wettelijk vooroverleg kan als afgerond worden beschouwd. 9.2.2 Waterschap Aa en Maas Waterschap Aa en Maas heeft op 18 oktober 2021 aangegeven dat het concept ontwerpbestemmingsplan is beoordeeld. Er is geconstateerd dat er geen opmerkingen zijn op het betreffende planvoornemen.

Wijziging 4 Bestemmingsplan Buitengebied Oss – 2020, pag. 66 van 66 2021-12-16

De vooroverlegreactie leidt niet tot inhoudelijke aanpassingen van het ontwerpbestemmingsplan. 9.2.3 Veiligheidsregio Brabant-Noord De Veiligheidsregio Brabant-Noord heeft op 11 oktober 2021 aangegeven de conclusies uit het concept ontwerpbestemmingsplan te onderschrijven en ziet geen reden voor het geven van een verder advies. De vooroverlegreactie leidt niet tot inhoudelijke aanpassingen van het ontwerpbestemmingsplan. 9.2.4 Dorpsraad Megen Haren Macharen Dorpsraad Megen Haren Macharen is op 18 november 2021 via de wijkcoördinator geïnformeerd.

9.3

Inspraak

De gemeente is wettelijk niet verplicht om een voorontwerpbestemmingsplan te maken en daar een inspraakprocedure voor te volgen. Het gemeentelijke beleid voor de toepassing van inspraak bij ruimtelijke plannen biedt de mogelijkheid om bij kleine plannen af te zien van inspraak. Dit is aan de orde bij plannen die een beperkte impact hebben. In dit geval gaat het om het herbestemmen van een voormalige agrarische bedrijfslocatie naar een bedrijfslocatie ten behoeve van opslag, waarbij een groot deel van de bebouwing wordt gesloopt. De impact is mede door de landschappelijk inpassing zeer beperkt en in hoofdzaak positief. De gemeente heeft in dit geval geen voorontwerpbestemmingsplan gemaakt en dus ook geen inspraakprocedure gevolgd.

9.4

Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft op grond van de Wet ruimtelijke ordening en de Algemene wet bestuursrecht voor iedereen gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Tegelijkertijd is het plan elektronisch beschikbaar gesteld via de gemeentelijke website en de landelijke website www.ruimtelijkeplannen.nl. Burgemeester en wethouders hebben de terinzagelegging vooraf meegedeeld in het plaatselijke blad Oss Actueel, het Gemeenteblad en op de gemeentelijke website. Iedereen kon zijn zienswijze over het ontwerpbestemmingsplan bij de gemeenteraad naar voren brengen tijdens de terinzagelegging. Er is PM zienswijze naar voren gebracht. Het eindverslag van deze zienswijzenprocedure maakt onderdeel uit van het raadsbesluit tot vaststelling van dit bestemmingsplan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=fed29164-ce18-4e26-ac42-e875148ac00e