CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

toelichting en regels Oijense Bovendijk 19 ontwerp

Adviescommissie Ruimte 30 november 2023, gemeente OssBij agendapunt: Ontwerpbestemmingsplan Oijense Bovendijk 19 te Oijen - 202331.236 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

B. Woonkern met geen/enige intensieve veehouderij

2,0 Ou

C. Plangebied (bij kern A en B)

3,0 Ou

D. Woonkern met intensieve veehouderij

6,0 Ou

E. Zoekgebied + plangebied Maren-Kessel West en Liesdaal

6,0 Ou

F. Recreatiegebieden

8,0 Ou

G. Extensiveringsgebieden

8,0 Ou

H. Bedrijventerreinen

8,0 Ou

I. Bedrijventerrein Vorstengrafdonk

12,0 Ou

J. Verwevingsgebied

14,0 Ou

K. Landbouwontwikkelingsgebied

14,0 Ou

Toets plangebied Binnen het plangebied worden vijf nieuwe voor geurgevoelige objecten opgericht. De bestaande bedrijfswoning wordt herbestemd naar een reguliere burgerwoning. Artikel 3, tweede lid Wet geurhinder en veehouderij Ter plaatse van het plangebied is thans sprake van een agrarische bedrijfswoning. Op deze woning is artikel 3, tweede lid van de Wet geurhinder en veehouderij van toepassing: “In afwijking van het eerste lid bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, of dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij: a. ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en b. ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.” De naar burgerwoning om te zetten bedrijfswoning betreft een geurgevoelig object dat thans onderdeel uitmaakt van een veehouderij en zal na 19 maart 2000 ophouden deel uit te maken van een veehouderij. De bescherming van de woning ten opzichte van agrarische bedrijvigheid door derden wijzigt derhalve niet door de omzetting van bedrijfswoning naar burgerwoning. Veehouderijbedrijven in de omgeving van het plangebied In de omgeving van het plangebied zijn een aantal agrarische bedrijven aanwezig.

Navolgende figuur betreft een beeld van de ligging van deze bedrijven ten opzichte van het plangebied.

Oijense Bovendijk 19 Oijen – 2023, pag. 49 van 71 Ontwerp september 2023

Figuur 15: Veehouderijbedrijven in de omgeving van het plangebied

Op deze veehouderijen zijn de volgende dieraantallen vergund:

Figuur 16: Actueel vergunde situatie Bernhardweg 31A Oijen (Bron: BVB-Brabant)

Figuur 17: Actueel vergunde situatie Bernhardweg 33 Oijen (Bron: BVB-Brabant)

Oijense Bovendijk 19 Oijen – 2023, pag. 50 van 71 Ontwerp september 2023

Figuur 18: Actueel vergunde situatie Oijense Bovendijk 17 Oijen (Bron: BVB-Brabant)

Figuur 19: Actueel vergunde situatie Oijense Bovendijk 21 Oijen (Bron: BVB-Brabant)

Figuur 20: Actueel vergunde situatie Berghuizen 48 Maasbommel (Bron: BVB-Gelderland)

Figuur 21: Actueel vergunde situatie Hogenhofstraat 10B Maasbommel (Bron: BVB-Gelderland)

Oijense Bovendijk 19 Oijen – 2023, pag. 51 van 71 Ontwerp september 2023

Figuur 22: Actueel vergunde situatie Hogenhofstraat 16 Maasbommel (Bron: BVB-Gelderland)

Woon- en leefklimaat Ter plaatse van het plangebied dient sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Om het woon- en leefklimaat te bepalen, is zowel de voorgrondbelasting als de achtergrondbelasting van belang. Belangenafweging De beoogde herontwikkeling mag de toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen niet belemmeren. Voorgrondbelasting Het meest dichtbijgelegen veehouderijbedrijf is gelegen aan Oijense Bovendijk 21. Ter plaatse is een milieuvergunning aanwezig voor het houden van 84 stuks vrouwelijk jongvee en 200 stuks melk- en kalfkoeien. Op grond van het geurbeleid van de gemeente Oss geldt voor de beoogde Ruimte voor Ruimte woningen een minimumafstand van 50 meter tussen het emissiepunt van een dierenverblijf en de gevel van de Ruimte voor Ruimte woningen. De overige veehouderijbedrijven liggen allen op een afstand van ruimschoots meer dan 50 meter. Het agrarisch bouwvlak van het veehouderijbedrijf grenst aan het plangebied. De te herbestemmen bedrijfswoning dient na herontwikkeling te worden beschouwd als ware het een bedrijfswoning. De bescherming van de woning ten opzichte van agrarische bedrijvigheid door derden wijzigt niet door de omzetting van de agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning.

De nieuwe woningen worden gerealiseerd op een afstand van ten minste 50 meter tot het agrarisch bouwvlak en op 55 meter tot het meest dichtbijgelegen dierenverblijf. Dit is verzekerd door bouwvlakken op te nemen voor de nieuwe woningen. Voldaan wordt aan de vaste afstand. Op navolgende figuur is dit inzichtelijk. Daarbij is eveneens van belang dat het agrarisch bedrijf Oijense Bovendijk 21 is gelegen binnen de aanduiding ‘beperkingen veehouderij’. Voor een grondgebonden veehouderij geldt dat een toename van de oppervlakte van dierenverblijven niet is toegestaan.

Oijense Bovendijk 19 Oijen – 2023, pag. 52 van 71 Ontwerp september 2023

Figuur 23: Afstand tussen bouwvlakken en het bedrijfsgebouw gemeten in GIS

Op de bedrijven aan Bernhardweg 31a, Bernhardweg 33 en Oijense Bovendijk 21 worden alleen dieren gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld. Tussen de beoogde woningen en deze veehouderijen dient een vaste afstand aangehouden te worden van 50 meter. Hieraan wordt ruimschoots voldaan. Aan Oijense Bovendijk 17, Berghuizen 48, Hogenhofstraat 10B en Hogenhofstraat 16 mogen ook dieren worden gehouden waarvoor een geuremissie is vastgesteld. Om te bepalen of ter plaatse in het kader van de voorgrondbelasting sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat, is de voorgrondbelasting berekend. Gesteld kan worden dat, gelet op de geuremissie van de omliggende veehouderijbedrijven, het veehouderijbedrijf Berghuizen 48 de dominante veehouderij betreft. De geurbelasting van de veehouderij Berghuizen 48 op de hoekpunten van het huidige agrarische bouwvlak is berekend met behulp van het programma V-Stacks vergunning. Uitgegaan is van een worst-

Oijense Bovendijk 19 Oijen – 2023, pag. 53 van 71 Ontwerp september 2023

case benadering waarbij de volledige geuremissie op de hoek van het agrarisch bouwvlak is gelegd die het dichtst bij het plangebied gelegen is. Het resultaat van deze berekening is hierna weergegeven. Berekende ruwheid: 0,15 m Meteo station: Eindhoven Brongegevens: BronID

X-coord.

Y-coord.

EP Hoogte Gem.geb.

EP Diam. EP Uittr. snelh. E-

hoogte Berghuizen 48

163 696

426 498

6,0

Aanvraag

6,0

0,50

4,00

6 052

Geur gevoelige locaties: GGLID

Xcoordinaat

Ycoordinaat

Geurnorm

Geurbelasting

NW

163 435

425 980

8,0

0,3

NO

163 483

425 924

8,0

0,3

ZO

163 418

425 823

8,0

0,2

ZW

163 361

425 863

8,0

0,2

Tabel 1: Voorgrondbelasting veehouderijbedrijf Berghuizen 48

De voorgrondbelasting bedraagt maximaal 0,3 oue/m³. Dit betekent dat er in het kader van de voorgrondbelasting sprake is van een ‘zeer goed’ woon- en leefklimaat. Achtergrondbelasting De geurbelasting van meerdere intensieve veehouderijen in de omgeving vormt de achtergrondbelasting. De Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant publiceert jaarlijks een kaart met de achtergrond geurbelasting. Navolgend is een uitsnede weergegeven van deze kaart met daarop de achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied. Het plangebied is weergegeven in de zwarte cirkel.

Oijense Bovendijk 19 Oijen – 2023, pag. 54 van 71 Ontwerp september 2023

Figuur 24: Achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied

Ter plaatse van het plangebied is sprake van een achtergrondbelasting van maximaal 3,0 oue/m³. Daarmee kan worden gesteld dat in het kader van de achtergrondbelasting ter plaatse sprake is van een ‘zeer goed’ woon- en leefklimaat. Door middel van het saneren van het bedrijf aan Oijense Bovendijk 19 verbetert het woon- en leefklimaat nabij en in de kern van Oijen aanzienlijk. Belangenafweging Middels de herbestemming van de agrarische bedrijfswoning wordt geen nieuw geurgevoelig object opgericht. De woning betreft thans een bedrijfswoning horende bij een agrarisch bedrijf. De bescherming van de woningen ten opzichte van agrarische bedrijvigheid door derden wijzigt niet door de omzetting van de woningen van agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning. Herbestemming van de woning brengt geen belemmeringen voor agrarische bedrijven met zich mee. Herontwikkeling van het plangebied ten behoeve van de Ruimte voor Ruimte woningen mag de toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen niet belemmeren. Tussen de meeste omliggende veehouderijen en het plangebied zijn reeds enkele gevoelige objecten gelegen. Deze veehouderijen worden door de beoogde herontwikkeling dan ook niet meer in de ontwikkelingsmogelijkheden belemmerd dan in de huidige situatie het geval is.

Ten opzichte van de veehouderij aan Oijense Bovendijk 21 wordt met de situering van de beoogde nieuwe woningen een afstand aangehouden van minimaal 50 meter. Daarmee wordt voldaan aan de vaste afstand. Conclusie Bij besluitvorming omtrent de geurgevoelige objecten binnen het plangebied dient in het kader van het aspect ‘geur’ antwoord te worden gegeven op de vragen: - Is ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd? - Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? Ter plaatse van het plangebied is, na sanering van de eigen intensieve veehouderij, sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat. Als gevolg van de beoogde herontwikkeling wordt ook niemand in de belangen geschaad. De beoogde herontwikkeling van het plangebied is dan ook in het kader van het aspect ‘geur’ geen bezwaar.

Oijense Bovendijk 19 Oijen – 2023, pag. 55 van 71 Ontwerp september 2023

5.7.6 Geur: industrieel Het nationale industriële geurbeleid is vastgelegd in de Nederlandse emissierichtlijn (NeR). De brief van het ministerie van Infrastructuur en Milieu van 30 juni 2005 stelt het rijksbeleid in grote lijnen vast. Het algemene uitgangspunt is het voorkomen van (nieuwe) hinder. Dit uitgangspunt vormt samen met het toepassen van de Beste Beschikbare Techniek (BBT) de kern van het geurbeleid. Uitgangspunten van het rijksbeleid zijn: - als er geen hinder is, zijn maatregelen niet nodig; - als er wel hinder is, worden maatregelen getroffen op basis van het Beste Beschikbare Techniekprincipe; - de gemeente stelt vast welke mate van hinder acceptabel is. Gemeenten en provincies hebben de bevoegdheid om een eigen geurbeleid vast te stellen. De provincie Noord-Brabant heeft een eigen geurbeleid voor provinciale bedrijven, de Beleidsregel beoordeling geurhinder omgevingsvergunningen industriële bedrijven Noord-Brabant. De gemeente Oss heeft geen eigen industrieel geurbeleid. Per situatie stelt de gemeente Oss vast of sprake is van een acceptabel geurniveau. Er zijn verschillen in het niveau van bescherming mogelijk. Voor een bedrijfswoning kan bijvoorbeeld een hogere geurbelasting gehanteerd worden dan voor aaneengesloten woonbebouwing. In de omgeving van het plangebied zijn geen bedrijven gevestigd met een geurcontour in het kader van de NeR.

5.7.7 Luchtkwaliteit Het beleid en de regelgeving over luchtkwaliteit heeft tot doel om mensen te beschermen tegen de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging. Ze bevatten luchtkwaliteitsnormen voor verschillende stoffen. Ruimtelijke plannen of projecten die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, zoals bestemmingsplannen, dienen getoetst te worden aan de Wet milieubeheer (afdeling 5.2.). Deze wet bevat grenswaarden voor de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijn stof, lood, benzeen en koolmonoxide in de buitenlucht. In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Overschrijding van de grenswaarden van andere stoffen komt bijna niet voor. De wet maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Kleine projecten zijn projecten die de luchtkwaliteit niet ‘in betekende mate’ (NIBM) verslechteren. Deze projecten hoeven niet meer beoordeeld te worden op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Er is geen belemmering als een klein project niet of nauwelijks bij draagt aan luchtverontreiniging, óók niet in overschrijdingsgebieden (gebieden met te veel luchtvervuiling). De ministeriële Regeling NIBM geeft aan in welke gevallen een nieuw project in ieder geval een NIBMproject is.

Dit is bijvoorbeeld het geval als er minder dan 500 woningen worden gebouwd bij minimaal één ontsluitingsweg, of minder dan 1.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Het Besluit gevoelige bestemmingen beperkt de vestiging van zogeheten ‘gevoelige bestemmingen’, zoals een school, in de nabijheid van provinciale en rijkswegen. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. Waar in zo’n onderzoekszone de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming’ niet toenemen. Dit wordt bereikt door op zo’n plek de vestiging van bijvoorbeeld een school niet toe te staan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare

Oijense Bovendijk 19 Oijen – 2023, pag. 56 van 71 Ontwerp september 2023

functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien. De gemeente heeft geen eigen regelgeving en beleid over luchtkwaliteit. Binnen het plangebied wordt een intensieve veehouderij gesaneerd en herbestemd naar een woonfunctie. Gesteld kan worden dat het plan onder een NIBM-project valt en het aspect luchtkwaliteit niet van toepassing is op de beoogde herontwikkeling. Niettemin dient ten alle tijden sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in het kader van het aspect luchtkwaliteit. Navolgende figuren geven de jaargemiddelde concentratie van PM10 en PM2,5 voor het plangebied en directe omgeving weer. Het plangebied is hierbij aangeduid met blauwe stip.

Figuur 25: Fijnstof 2020 (PM10) (Bron: Altasleefomgeving.nl)

De jaargemiddelde concentratie fijnstof PM10 bedraagt ter plaatse van het plangebied 15-16 µg/m³. De concentratie blijft daarmee ruim beneden de norm.

Oijense Bovendijk 19 Oijen – 2023, pag. 57 van 71 Ontwerp september 2023

Figuur 26: Fijnstof 2020 (PM2,5) (Bron: Atlasleefomgeving.nl)

De jaargemiddelde concentratie fijnstof PM2,5 bedraagt ter plaatse van het plangebied 9-10 µg/m³. De concentratie blijft daarmee ruim beneden de norm. Geconcludeerd kan worden dat ter plaatse van het plangebied op grond van het aspect fijnstof sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Stikstofdioxide De Europese richtlijn luchtkwaliteit geeft de volgende grenswaarde voor stikstofdioxide: de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van NO2 is 40 µg/m³. Navolgende figuur geeft de jaargemiddelde concentratie van NO2 ter plaatse van het plangebied en directe omgeving weer. Het plangebied is weergegeven met de witte stip.

Oijense Bovendijk 19 Oijen – 2023, pag. 58 van 71 Ontwerp september 2023

Figuur 27: Stikstofdioxide 2020 (NO2) (Bron: atlasleefomgeving.nl)

Ter plaatse van het plangebied is sprake van jaargemiddelde concentratie NO2 van 10-12 µg/m³. Geconcludeerd kan worden dan de beoogde ontwikkeling in het kader van de blootstelling aan luchtverontreiniging als gevolg van stikstofdioxide geen bezwaar is. 5.7.7 Straling Het beleid voor elektromagnetische velden is opgenomen in het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4), de Toekomstagenda Milieu en de beleidsnota Nuchter Omgaan met Risico's, beslissen met gevoel voor onzekerheden (2004). Het ministerie van Infrastructuur en milieu heeft het beleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen uitgewerkt in een advies van oktober 2005. Dit advies is verder toegelicht in een brief van november 2008. De gemeente Oss heeft in het Milieubeleidsplan 2010-2014 het rijksadvies vastgelegd als beleidsuitgangspunt. Dit houdt in dat er bij nieuwbouwplannen of het realiseren van nieuwe hoogspanningslijnen voorkomen dient te worden dat er gevoelige bestemmingen terecht komen in een zone waar het magnetische veld gemiddeld over een jaar hoger is dan de norm van 0,4 microtesla. In de directe nabijheid van het plangebied is geen sprake van een hoogspanningslijn. Dit aspect is dan ook niet van toepassing. 5.7.8 Weg-, spoor- en industrielawaai De Wet geluidhinder (Wgh) biedt bescherming tegen (spoor)weglawaai en tegen industrielawaai van inrichtingen voor zover gelegen op een gezoneerd industrieterrein.

In de Wgh wordt een beperkt aantal typen objecten beschermd, de zogenoemde geluidgevoelige objecten. De Wet geluidhinder kent een stelsel van normen ter voorkoming van geluidhinder. Ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen zijn grenswaarden opgenomen. Hierbij is een ondergrens (voorkeursgrenswaarde) en een bovengrens (maximaal toelaatbare grenswaarde) opgenomen. De Wgh biedt gemeenten de mogelijkheid om gericht in te spelen op de lokale situatie door maatwerk te leveren. Burgemeester en wethouders kunnen een hogere waarde vaststellen dan de ondergrens, maar mogen daarbij de bovengrens niet overschrijden. In 2010 heeft de gemeenteraad van Oss de geluidsnota “Geluidskwaliteit in de leefomgeving” vastgesteld. De gemeente Oss maakt hierbij gebruik van gebiedsgericht geluidbeleid. Per gebied wordt een geluidskwaliteit nagestreefd. Zo zijn er ‘rustige gebieden’, ‘dynamische gebieden’ en er zijn gebieden die ten aanzien van geluid onder druk staan. De geluidsnota gaat ook in op de realistische inzet van

Oijense Bovendijk 19 Oijen – 2023, pag. 59 van 71 Ontwerp september 2023

onderzoek, het stellen van eigen criteria voor het toestaan van een hogere waarde en bedrijfswoningen op industrieterreinen. De gemeente Oss streeft naar een leefbare woonsituatie, ook op locaties met een hoge geluidsbelasting. Deze leefbaarheid wordt bereikt door terughoudend te zijn met hogere grenswaarden en door hieraan voorwaarden te verbinden. Deze voorwaarden leggen de initiatiefnemer of de beheerder een inspanning op voor een leefbare woonomgeving als compensatie voor het bouwen en het veroorzaken van een lawaaiige situatie. Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. Ook in Oss is er een aantal gezoneerde industrieterreinen. Met zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel bedrijven als aan bewoners/gebruikers van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Bedrijven kunnen aan de ene kant hun geluid producerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen te veel oprukken naar de bedrijven toe.

Wegverkeerslawaai De bestaande bedrijfswoning betreft reeds een geluidsgevoelig object. De nieuwe woningen worden gesitueerd in een erfmodel in een tweede lijn achter de huidige bedrijfswoning. De geluidniveaus ter hoogte van de nieuwe woningen zitten ruim onder de voorkeursgrenswaarde (<48 dB). Een onderzoek wegverkeerslawaai is niet noodzakelijk. Industrielawaai In de omgeving van het plangebied is geen sprake van een overschrijding van de normen voor industrielawaai. Er is geen sprake van de aanwezigheid van grote lawaaimakers in de omgeving van het plangebied. 5.7.9 Gezondheid Uit de VGO-rapporten die afgelopen jaren zijn gepubliceerd door het RIVM komt duidelijk naar voren dat er een relatie wordt gevonden tussen veehouderijen en de gezondheid van omwonenden. Deze relatie is door de onderzoeker op verschillende manieren vastgesteld. Daarbij komt dichtheid van veehouderijbedrijven en afstand tot bepaalde type individuele veehouderijen concreet naar voren als factoren die van invloed zijn op de gezondheid van omwonenden. Verder blijkt uit VGO-onderzoek dat er in een straal van twee kilometer rond geitenhouderijen een verhoogde incidentie van longontstekingen (ca. 25-30% hoger) voorkomt. De oorzaak van het verhoogde risico op longontsteking rond geitenbedrijven is vooralsnog onbekend en onderwerp van vervolgonderzoek.

Op dit moment kan er geen enkele bron-effect relatie worden beschreven tussen de verhoogde longontsteking incidentie en de uitstoot vanuit geitenhouderijen. Wel is er een causaal verband geconstateerd waarbij de associatie sterker is naarmate de afstand tot een geitenhouderij kleiner is. Tot er meer duidelijkheid is over de bron van de verhoogde incidentie longontstekingen kan niet worden geadviseerd over beschermde maatregelen. Afstand houden en goed informeren is de enige maatregel die de GGD op dit moment adviseert. In afwachting van het vervolgonderzoek heeft de provincie besloten dat geitenstallen uitbreiden of in gebruik nemen niet meer is toegestaan. Het moratorium is in beginsel tijdelijk. Als de uitkomsten van het vervolgonderzoek bekend worden, wordt er gekeken of er redenen zijn het besluit in te trekken of aan te passen.

Oijense Bovendijk 19 Oijen – 2023, pag. 60 van 71 Ontwerp september 2023

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het bevoegd gezag verplicht om alle bekende risico's bij een nieuwe ontwikkeling af te wegen. Er is geen sprake van een omgekeerde werking van het moratorium (met andere woorden de 'stop' op uitbreidingen van geitenbedrijven zorgt niet voor een stop op ontwikkelingen binnen de 2 km straal van een geitenhouderij), maar wel van een risico dat beoordeeld en meegewogen moet worden bij nieuwe ontwikkelingen. Het verantwoorden van dit verhoogde risico is aan het bevoegd gezag, in casu de gemeente. Deze geeft een oordeel over en maakt een afweging of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (m.b.t. onder andere gezondheid & geitenhouderijen). Het college van B&W besloot op 5 december 2017 dat wenselijke ontwikkelingen na een zorgvuldige afweging met betrekking tot volksgezondheid kunnen worden toegestaan binnen een straal van twee kilometer rondom een geitenhouderij. Het beleid voor geitenhouderijen in Oss houdt in dat bij de realisering van een ruimtelijke ontwikkeling binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij rekening moet worden gehouden met de volgende criteria: a. het infomeren van de aanvragers over het risico b. terughoudend omgaan met ontwikkelingen betreffende het huisvest of opvangen van kinderen, kwetsbare mensen en ouderen c.

na een zorgvuldige afweging en eventueel maatwerk kunnen wenselijke ontwikkelingen binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij worden toegestaan. ‘De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’ (versie mei 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De zeven stappen dienen allen te worden doorlopen en beantwoord om na te gaan of er aandachtspunten worden gevonden. Toetsing aan het stappenplan moet plaatsvinden, zodat kan worden bepaald of een advies van de GGD nodig is voor de beoogde ontwikkeling. Toets Stap 1 Inleiding In stap 1 van de handreiking wordt getoetst aan endotoxine. Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Varkenshouderijen In de omgeving van het plangebied zijn geen varkensbedrijven gelegen. Het plangebied is niet gelegen binnen endotoxinecontouren van varkensbedrijven. Pluimveehouderijen In de omgeving van het plangebied zijn geen pluimveehouderijen gelegen. Er is geen sprake van een endotoxinen-contour. Het plangebied is ruimschoots buiten deze afstanden gelegen. Melkveehouderijen Ten oosten van het plangebied is een melkveebedrijf gelegen. Dit bedrijf kent een fijnstofemissie van 27 kg/pj.

Er is geen reden aan te nemen dat dit een gevaar vormt voor omwonenden.

Oijense Bovendijk 19 Oijen – 2023, pag. 61 van 71 Ontwerp september 2023

Stap 2 Toets aan toename van emissies. Dit is niet van toepassing omdat het plan geen uitbreiding van een veehouderij betreft. Stap 3 In stap 3 wordt getoetst aan geur. Bij 3b wordt voor geur getoetst aan de gezondheidskundige advieswaarden. Deze zijn maatgevend ten opzichte van stap 3a. Voor het buitengebied zijn deze waarden: −

5 oue/m3 voor de voorgrondbelasting.

−

10 oue/m3 voor de achtergrondbelasting.

−

100 meter voor de afstand tussen de rand van een bedrijf en de gevel van het geurgevoelige object.

De norm van 5 oue/m³ voor de voorgrondbelasting wordt binnen het plangebied niet overschreden. Ook de norm voor achterrondbelasting wordt niet overschreden. De vaste afstand van 100 meter wordt niet behaald. Wel wordt voldaan aan de afstand van 50 meter van een geur gevoelig object tot een dierenverblijf. Gemotiveerd wordt afgeweken van stap 3 van de handreiking op basis van de gemeentelijke normen voor een acceptabel woon- en leefklimaat. Stap 4 Er zijn geen bedrijven in de omgeving waar bedrijfsmatig een combinatie van de volgende dieren worden gehouden: varkens en pluimvee; rundvee en kleine herkauwers (schapen/geiten); kleine herkauwers onderling. Aan stap 4 wordt voldaan. Er is geen sprake van de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving, waar een combinatie van deze dieren wordt gehouden. Stap 5 Inleiding In stap 5 wordt getoetst aan de afstand tot een geitenhouderij, een pluimveebedrijf of een overige veehouderij. Voor een geitenhouderij geldt een aan te houden afstand van twee kilometer. Voor een pluimveehouderij geldt een afstand van 1 kilometer. Voor een overige veehouderij geldt een afstand van 250 meter. Stap 5a Geitenhouderijen In de omgeving van het plangebied is één geitenhouderij aanwezig, dat betreft de locatie Oijense Benedendijk 54. De afstand tot het plangebied bedraagt circa 1.600 meter ten westen van het plangebied.

In samenhang met deze ontwikkeling wordt de agrarische bestemming gesaneerd. Hierdoor verbetert de milieusituatie voor de directe omgeving per saldo aanzienlijk. Dit plan draagt in die zin bij aan kwaliteitsverbetering van de omgeving en daarmee aan de leefbaarheid ter plaatse. Er zijn inmiddels diverse uitspraken (ECLI:NL:RVS:2017:1301 en ECLI:NL:RVS:2016:2687) gedaan door de Raad van State met betrekking tot het VGO-onderzoek van juli 2016. De Raad van State oordeelt tot nu toe dat dit onderzoek geen algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten bevat, op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat een veehouderij onaanvaardbare risico’s voor de volksgezondheid veroorzaakt. Diezelfde conclusie kan getrokken worden voor wat betreft de bevindingen met betrekking tot de effecten van geitenhouderijen op de gezondheid. Niet voorzien wordt ter plaatse ‘meer kwetsbare personen’ te huisvesten. De nieuwe woningen worden niet gebruikt voor bewoning door kwetsbare doelgroepen. Ter plaatse wordt niet voorzien in, bijvoorbeeld, zorgfuncties of kinderopvang. Tevens wordt middels de

Oijense Bovendijk 19 Oijen – 2023, pag. 62 van 71 Ontwerp september 2023

beoogde herontwikkeling een agrarische functie gesaneerd, wat een positief effect heeft op het woon- en leefklimaat in de directe omgeving van het plangebied. Middels onderhavige ontwikkeling levert tevens een positieve bijdrage aan de leefbaarheid binnen de kern Oijen. Stap 5b Pluimveehouderijen Binnen een afstand van één kilometer is een pluimveehouderij gelegen. Het betreft Vlierstraat 9, op een afstand van circa 850 meter. Uit het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) bleek dat in de jaren 2009-2013 er sprake was van een verhoogd voorkomen van longontstekingen onder omwonenden die binnen een straal van één kilometer van een pluimveehouderij woonden. In de jaren daaropvolgend (2014-2016) werd dat verband niet meer gevonden. Ook in het aanvullende, recente onderzoek in de regio Utrecht/Gelderland/Overijssel werd een dergelijk verband niet meer gevonden. Dit in tegenstelling tot het verband tussen het verhoogd voorkomen van longontsteking bij omwonenden nabij een geitenhouderij (tot een afstand van twee kilometer). In de handreiking veehouderij en volksgezondheid, opgesteld door het Ondersteuningsteam, wordt aangegeven dat het wonen nabij een pluimveehouderij (binnen een straal van één kilometer) leidt tot het advies om een advies bij de GGD op te vragen.

In het ondersteuningsteam zijn de laatste onderzoeksresultaten recent besproken en is besloten dat er geen advies meer wordt gegeven om een GGD advies op te vragen op grond van het criterium ‘wonen binnen een straal van 1 kilometer van een pluimveehouderij’. Stap 5c Overige veehouderijen Er zijn geen overige intensieve veehouderijen gelegen binnen een afstand van 250 meter tot het plangebied die niet eerder zijn beschouwd in deze paragraaf. Voldaan wordt aan stap 5c. Conclusie Deze herbestemming ziet toe op realisatie van vijf woningen binnen een bebouwingsconcentratie. Tussen deze woning en de pluimveehouderijen zijn andere gevoelige objecten gelegen. Er is geen sprake van het bouwen van gevoelige bestemmingen naar een pluimveehouderij toe, dichterbij het bedrijf zijn al geurgevoelige bestemmingen gelegen. Wel neemt het aantal mensen dat een verhoogd risico loopt marginaal toe. Geadviseerd wordt in elk geval burgers op het verhoogd gezondheidsrisico te wijzen. Voor de initiatiefnemer is het belangrijk in ieder geval op de hoogte te zijn van dit gezondheidsrisico en dit risico te accepteren. Het belang van realisatie van de beoogde woningen en de ligging van deze woning tot omliggende pluimveebedrijven in de omgeving is afgewogen en als verantwoord beoordeeld. Stap 6 Er bevindt zich geen zelfstandige mestbewerking of verwerking plaats.

Aan stap 6 wordt voldaan Stap 7 Er is er geen ongerustheid bij omwonenden over de volksgezondheid. Aan 7 wordt daarmee voldaan. 5.7.10 Spuitzones In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden beoordeeld of het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen onaanvaardbare gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt als vuistregel dat een richtafstand van 50 meter tussen het perceel waarop de teelt plaatsvindt en te realiseren nieuwe gevoelige functies zoals woningen kan worden gehandhaafd. Kleinere afstanden zijn mogelijk mits er een locatie specifiek onderzoek wordt uitgevoerd.

Oijense Bovendijk 19 Oijen – 2023, pag. 63 van 71 Ontwerp september 2023

Voor onderhavige ontwikkeling geldt dat in de nabijheid van het plangebied sprake is van gronden die agrarisch worden gebruikt. Het betreft hier met name perceel 286, ten westen van het plangebied, dat beschouwd dient te worden. Perceel 287 is in eigendom van de initiatiefnemer. Op deze agrarische gronden is al dan niet bedrijfsmatig agrarisch gebruik van de gronden toegestaan voor het telen van gewassen, waarbij in beginsel ook het gangbare gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is toegestaan. Drift is hoger bij toepassing in fruitteelt dan bij de akkerbouw en lage bomenteelt, waarbij voornamelijk neerwaarts wordt gespoten. De uitoefening van een boomkwekerijbedrijf is niet rechtstreeks toegestaan, in de omgeving van het plangebied zijn geen spuitzones aanwezig. Omdat de gronden aangelegen aan het plangebied niet wordt gebruikt voor boomteelt of teelt van fruit zal er normaliter niet op- of zijwaarts worden gespoten. Daarnaast wordt het plangebied in zijn geheel landschappelijk ingepast met streekeigen beplanting. Deze beplanting zorgt eveneens voor een afschermende werking bij mogelijke drift. Bovendien zijn in de omgeving van het plangebied reeds gevoelig objecten aanwezig waarmee rekening dient te worden gehouden. Dit geldt voornamelijk voor perceel 286, waar reeds woonfuncties binnen een afstand van 50 meter liggen.

Hiermee kan redelijkerwijs worden gesteld dat ter plaatse van de woning geen onevenredig nadelige gevolgen voor het woon- en leefklimaat zullen ontstaan en waardoor strijdigheid met een goede ruimtelijke ordening ontstaat. 5.8

Milieueffectrapportage (M.e.r.)

Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt de milieugevolgen van een plan in beeld voordat er een besluit over wordt genomen. In een milieueffectrapport worden de gevolgen voor het milieu beschreven. Zo kan de overheid die het besluit neemt de milieugevolgen bij haar afwegingen betrekken. Het doel van m.e.r. is om het milieu een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over plannen en projecten. In een m.e.r.-beoordeling kijkt het bevoegd gezag of een project mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Als dat zo is, moet een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Wanneer speelt een m.e.r.-beoordeling? In het Besluit m.e.r. staat wanneer m.e.r. of een m.e.r.-beoordeling aan de orde is. De activiteit die het project mogelijk maakt en het besluit over de activiteit zijn daarbij bepalend. In de C- en D-lijst in de Bijlage bij het Besluit m.e.r. staat of sprake is van m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht. Per categorie van activiteiten is een drempelwaarde voor de omvang van de activiteit gegeven. Boven de C-drempel geldt een m.e.r.-plicht, tussen de C- en D-drempel geldt een plan-m.e.r.-plicht en onder de D-drempel geldt een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient onderbouwd te worden of de activiteit belangrijke nadelige milieugevolgen heeft.

Sinds de implementatie van de gewijzigde M.e.r.-richtlijn op 16 mei 2017 is de procedure voor de vormvrije en de formele m.e.r.-beoordeling bijna gelijk. Het enige verschil is dat van het besluit bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling geen kennisgeving wordt gedaan. Het m.e.r.-beoordelingsbesluit De initiatiefnemer stelt een aanmeldnotitie op, waarover het bevoegd gezag binnen zes weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit moet nemen. Het bevoegd gezag motiveert het besluit door in te gaan op de selectiecriteria van Bijlage III van de M.e.r.-richtlijn. Het gaat daarbij om de hoofdcategorieën: 1. kenmerken van het project

Oijense Bovendijk 19 Oijen – 2023, pag. 64 van 71 Ontwerp september 2023

2. plaats van het project 3. kenmerken van het potentiële effect. Is het bevoegd gezag zelf initiatiefnemer, dan is het bevoegd gezag, anders dan een derde, niet verplicht een aanmeldnotitie op te stellen. Verantwoording De beoogde ontwikkeling ziet toe op de ontwikkeling van enkele Ruimte voor Ruimte woningen binnen het plangebied. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft (ABRS 12 juni 2019, no. 201807060/1/R1) overwogen “dat het antwoord op de vraag of sprake is van een wijziging van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage, afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen.” Daarbij heeft de Afdeling afgewogen dat “hetgeen in het plan is voorzien, gelet op de aard en de omvang, niet [kan] worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject. Weliswaar verandert het gebruik van het perceel door onder andere de realisatie van twee eengezinswoningen, maar dat betekent niet dat hetgeen waarin het plan voorziet moet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1, categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage.

Daarbij is van belang dat het ruimtebeslag van de voorziene bebouwing beperkt is en dat de voorziene ontwikkeling gepaard gaat met een beperkte bebouwing op het perceel.” De Afdeling heeft uiteindelijk geoordeeld “dat nu de voorziene ontwikkeling geen stedelijk ontwikkelingsproject vormt, geen reguliere of vormvrije m.e.r.-beoordeling behoefde te worden uitgevoerd.” Bovenstaande leidt ertoe dat de beoogde ontwikkeling niet valt aan te merken als ‘aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen met een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied met 2000 of meer woningen dan wel de realisatie van een bedrijfsvloeroppervlakte met een omvang van meer dan 200.000 m²’. Omdat de beoogde ontwikkeling geen stedelijke ontwikkeling is, als bedoeld in het Besluit milieueffectrapportage, is het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling niet noodzakelijk. Een kleinschalige woningbouwproject is een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit conform categorie D 11.2 van het Besluit m.e.r. De omvang van de voorgenomen ontwikkeling is kleiner dan de drempelwaarde voor een m.e.r.-beoordeling (2000 woningen of 100 ha). Conform de m.e.r.-regelgeving leidt dit tot de noodzaak tot het uitvoeren van een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling (stedelijk ontwikkelingsproject minder dan 2000 woningen).

De 'belangrijke nadelige gevolgen' moeten worden beoordeeld op basis van het toetsingskader van bijlage III van de Europese Richtlijn Milieueffectbeoordeling (85/337/EEG en latere wijzigingen). Bijlage III noemt drie hoofdthema's: 1. de kenmerken van de activiteit (waaronder omvang, verontreiniging, hinder en risico van ongevallen); 2. de plaats van de activiteit (in relatie tot de kwetsbaarheid van het milieu); 3. de kenmerken van het potentiële effect (waaronder het bereik, de orde van grootte en waarschijnlijkheid van het effect). In deze toelichting zijn deze punten nader toegelicht. Er is sprake van een relatief klein project, waarbij samenhang is met de sanering van een agrarisch bedrijf. Het plan leidt niet tot een toename van hinder of risico. Het saneren van het varkensbedrijf heeft een positieve uitwerking op het milieu. De uitstraling van het project beperkt zich tot het plangebied en de directe omving hiervan. Er is geen sprake van onevenredige hinder.

Oijense Bovendijk 19 Oijen – 2023, pag. 65 van 71 Ontwerp september 2023

Hoofdstuk 6 6.1

Toelichting op de regels

Algemeen

Het bestemmingsplan bevat regels die het juridisch instrumentarium geven voor het regelen van het gebruik van de gronden en opstallen én bepalingen over de toelaatbaarheid van bebouwing. Het bestemmingsplan kan worden verbeeld op papier, en gaat vergezeld van deze toelichting. De toelichting heeft geen bindende werking en maakt juridisch geen deel uit van het bestemmingsplan. Wel heeft zij een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan. De Wet ruimtelijke ordening biedt zowel de mogelijkheid om een globaal bestemmingsplan te maken als de mogelijkheid van een gedetailleerd bestemmingsplan. In onderhavig bestemmingsplan is gekozen voor een getailleerde regeling. Voor de opzet van de regels is aangesloten bij de “Standaardregels bestemmingsplannen Oss”. De regels bestaan uit vier hoofdstukken. Dit zijn de inleidende regels (artikelen 1 en 2), de bestemmingsregels (artikelen 3 tot en met 7), de algemene regels (artikelen 8 tot en met 14) en de overgangsen slotregels (de artikelen 15 en 16). Bij de regels hoort een bijlage, te weten een milieuzoneringslijst. In de volgende paragraaf worden de diverse artikelen uit de regels en de bijlage toegelicht. 6.2

Regels

Hoofdstuk 1: Inleidende regels Artikel 1: Begrippen In dit artikel worden de in de regels gehanteerde begrippen nader verklaard om verschillen in interpretatie te voorkomen. Artikel 2: Wijze van meten Dit artikel geeft aan op welke manier het meten van in de regels genoemde begrippen moet plaatsvinden. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels De in dit hoofdstuk geregelde bestemmingen zijn achtereenvolgens: Artikel 3:

‘Agrarisch met waarden – Landschap’

Artikel 4:

'Groen - Landschappelijke inpassing'

Artikel 5:

'Wonen'

Artikel 6:

'Waarde - Archeologie verwachtingswaarde middelhoog’

Artikel 7:

'Waterstaat – Waterkering’

Hoofdstuk 3: Algemene regels Dit hoofdstuk geeft een aantal gebruikelijke algemene regels. Het betreft achtereenvolgens:

Oijense Bovendijk 19 Oijen – 2023, pag. 66 van 71 Ontwerp september 2023

Artikel 8:

Anti-dubbeltelregel

Artikel 9:

Algemene bouwregels

Artikel 10:

Algemene gebruiksregels

Artikel 11:

Algemene aanduidingsregels

Artikel 12:

Afwijken van de bouw- en gebruiksregels algemeen

Artikel 13:

Wijzigingsregels

Artikel 14:

Overige regels

Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Artikel 15: Overgangsrecht Dit artikel regelt het overgangsrecht voor bebouwing en gebruik van gronden en bouwwerken. Artikel 16: Slotregel Dit artikel regelt de formele titel waaronder het bestemmingsplan kan worden aangehaald. Bijlage: milieuzoneringslijst In deze bijlage zijn de bedrijfsactiviteiten genoemd die volgens de regels toelaatbaar zijn. De lijst is opgesteld vanuit de typering van het plangebied als een rustige woonwijk.

Oijense Bovendijk 19 Oijen – 2023, pag. 67 van 71 Ontwerp september 2023

Hoofdstuk 7 7.1

Handhaving

Beleidskader

Naar aanleiding van een landelijk traject heeft de gemeente Oss in 2005 de nodige besluiten genomen om de handhaving te professionaliseren. De gemeente wil namelijk een professionele organisatie zijn. Om haar handhavingstaken zo transparant en objectief mogelijk uit te voeren, heeft zij een toezicht-, sanctie- en gedoogstrategie opgesteld. De wijze waarop de gemeente handelt bij overtredingen is daarin vastgelegd. Het uitgangspunt voor handhaving is: elke norm die het verdient te worden gesteld, verdient het ook te worden gehandhaafd. De gemeente is verantwoordelijk voor het algemeen belang, dat concreet wordt in de belangen van veiligheid, volksgezondheid, natuurlijk milieu en ruimtelijke kwaliteit. Deze belangen vragen om een actieve handhaving. Een goede handhaving start echter al bij het opstellen van beleid, regels en voorschriften. Om in dit verband bestemmingsplannen actief te kunnen handhaven moet voldaan zijn aan de volgende criteria: - het opstellen van uitvoerbaar beleid en duidelijke regels; - het verstrekken van duidelijke informatie op basis waarvan burgers en bedrijven hun keuzes kunnen maken; - zorgen voor de naleving van regels door middel van toezicht en de inzet van handhavingsinstrumenten.

Als primaire verantwoordelijkheid van burgers en bedrijven wordt gezien: - het aanvaarden van de consequenties van de eigen keuzes; - nakoming van afspraken en naleving van regels. In het Handhavingsprogramma wordt het concrete belang van handhaving van regels van bestemmingsplannen aangegeven. De negatieve effecten van niet-handhaving kunnen immers groot zijn, zoals schade aan natuur en ruimtelijke kwaliteit, financieel-economische schade en onveiligheid. Maar ook kunnen burgers en bedrijven worden benadeeld door illegale activiteiten van hun buren/omwonenden. De ruimte in Nederland is schaars en iedereen heeft belang bij een goede woon-, werk- en leefomgeving. De kwaliteit hiervan wordt grotendeels in bestemmingsplannen vastgelegd en die kwaliteit verdient het om te worden beschermd, onder meer door toezicht op naleving van de regels en desnoods bestuursrechtelijke handhaving. Het bestuurlijke belang van een adequate handhaving van bestemmingsplannen is dus groot, maar dat geldt ook voor de individuele belangen van burgers en bedrijven. 7.2

Professionele handhaving en handhavingsprogramma

De gemeente Oss voldoet aan de wettelijke kwaliteitscriteria voor een professionele handhavingsorganisatie. Elke vier jaar wordt er een Handhavingsprogramma opgesteld waarin de prioriteiten voor de uitvoering worden vastgelegd. Dit gebeurt na de aantreding van een nieuwe gemeenteraad en de vorming van een nieuw college van burgemeester en wethouders. Elk jaar wordt aan de hand van een probleem- of omgevingsanalyse een voortschrijdend programma gemaakt, waarin rekening wordt gehouden met gewijzigde wetgeving en de op dat moment concrete problematiek. Handhaving van bestemmingsplannen is een vaste prioriteit in het programma.

Oijense Bovendijk 19 Oijen – 2023, pag. 68 van 71 Ontwerp september 2023

7.3

Handhaafbaarheid, positief bestemmen, overgangsrecht

De regels van dit bestemmingsplan zijn getoetst op handhaafbaarheid. De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voorziet in een verbod op het (laten) gebruiken van gronden en bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan. Overtreding van dit verbod is een strafbaar feit. In beginsel worden bouwwerken die in overeenstemming zijn met het vorige bestemmingsplan positief bestemd. Hetzelfde geldt voor gebruik in overeenstemming met het vorige bestemmingsplan. Met andere woorden: bestaande rechten worden gerespecteerd. Zij zijn in beginsel alleen onder het algemene overgangsrecht gebracht als te voorzien is dat zij binnen de planperiode van tien jaar zullen verdwijnen. Als sprake is van een naar huidige beleidsinzichten onwenselijke situatie die in het vorige bestemmingsplan al onder het overgangsrecht valt, is bezien of deze onder het persoonsgebonden overgangsrecht kan worden gebracht. Dat wil zeggen dat het overgangsrecht voor de betreffende percelen is beperkt tot degenen die die percelen gebruiken op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Voortgezet gebruik door anderen wordt niet als bestaand gebruik aangemerkt. Wij geven hieraan de voorkeur boven een uitsterfconstructie. Een uitsterfconstructie houdt in feite een positieve bestemming in, die afloopt na beëindiging van het betreffende gebruik. Dit maakt opvolging in de tijd door meerdere gebruikers mogelijk.

Daarmee kan in beginsel het ongewenste gebruik eindeloos lang duren. Persoonsgebonden overgangsrecht heeft als voordeel dat het gekoppeld is aan gebruik door één specifieke gebruiker of een beperkt aantal specifieke gebruikers. Daarmee kan het ongewenste gebruik in de praktijk eerder beëindigd worden, en zeker niet eindeloos lang voort blijven duren, waarmee meer recht wordt gedaan aan de bedoeling van overgangsrecht. Het persoonsgebonden overgangsrecht heeft zeker bij situaties die illegaal zijn ontstaan onze voorkeur boven een uitsterfregeling. Daarnaast kan het voorkomen dat bouwwerken in strijd met het vorige bestemmingsplan zijn opgericht, of dat bestaand gebruik in strijd is met dat plan. Een positieve bestemming ligt dan in de rede als de met het vorige bestemmingsplan strijdige situatie naar huidige beleidsinzichten ruimtelijk aanvaardbaar is. Indien de betreffende situatie ruimtelijk niet aanvaardbaar is, zal hiertegen in beginsel handhavend worden opgetreden. Indien dat in een uitzonderlijk geval niet (meer) mogelijk is, is bezien of de situatie onder het persoonsgebonden overgangsrecht gebracht kan worden. Overigens zijn strijdige situaties op grond van de planregels standaard uitgezonderd van het algemene overgangsrecht. Het Besluit ruimtelijke ordening schrijft dit voor.

Uiteindelijk is altijd maatwerk vereist om te bepalen of een positieve bestemming, algemeen overgangsrecht of persoonsgebonden overgangsrecht mogelijk is.

Oijense Bovendijk 19 Oijen – 2023, pag. 69 van 71 Ontwerp september 2023

Hoofdstuk 8

Economische uitvoerbaarheid

Dit bestemmingsplan voorziet in nieuwe bouwmogelijkheden. De Grondexploitatie-wetgeving is dan ook van toepassing. Dat betekent dat meerkosten voor de planologische procedure als gevolg van particuliere ontwikkelingen dienen te worden verhaald op de initiatiefnemer(s). Het verhaal van deze kosten kan op twee manieren worden geregeld, namelijk via een anterieure overeenkomst of via een exploitatieplan. De gemeente Oss heeft nadrukkelijk de voorkeur om dit via een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer te regelen omdat het opstellen van een exploitatieplan aanzienlijke meerkosten voor gemeente én initiatiefnemer tot gevolg heeft. Dit plan is een particulier initiatief. De woningbouwontwikkeling is noodzakelijk gebleken om tot bedrijfsbeëindiging te komen. Met initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst gesloten. De kosten die voortvloeien uit het plan zijn voor rekening en risico van initiatiefnemer. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. In de anterieure overeenkomst is ook vastgelegd dat de eventuele planschade voor rekening komt voor de initiatiefnemer. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond.

Oijense Bovendijk 19 Oijen – 2023, pag. 70 van 71 Ontwerp september 2023

Hoofdstuk 9

Overleg en maatschappelijke uitvoerbaarheid

9.1 Omgevingsdialoog Door de initiatiefnemer is een omgevingsdialoog gevoerd in de omgeving van het plangebied. De dialoog is informeel gevoerd. Een verslag van de omgevingsdialoog zit in geanonimiseerde versie als bijlage bij de toelichting. 9.2 Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat ‘het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan daarbij overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn’. Daarom is het ontwerpbestemmingsplan voorgelegd aan de provincie Noord-Brabant en Waterschap Aa en Maas. In een eerder stadium van de procedure zijn reeds voorloverlegreacties kenbaar gemaakt door de vooroverlegpartners. Hierna worden deze kort toegelicht. Reactie vooroverleg waterschap Waterschap heeft op 16 april 2021 gereageerd en een vooroverlegreactie kenbaar gemaakt. Het waterschap heeft aangegeven dat er een actualisatie moest worden doorgevoerd van het beleid. Daarnaast zijn de volgende twee punten kenbaar gemaakt: 1. Parallel aan de Oijense Bovendijk is een gedeelte binnen het bestemmingsplan niet op correcte wijze in de verbeelding opgenomen. Dit betreft de primaire waterkering.

Het verzoek is om deze kernzone van de waterkering te regelen door middel van een dubbelbestemming Waterstaat – Waterkering met de daarbij behorende bepalingen. 2. Er gelden randvoorwaarden met betrekking tot de beoogde beplanting en bouwwerken binnen de beschermingszone van de primaire waterkering. In het inrichtingsplan is o.a. een boomgaard opgenomen. Er zijn twijfels over de haalbaarheid hiervan, omdat bomen diep wortelend zijn en daarmee de stabiliteit van de waterkering in het geding kunnen brengen. Het is van belang dat alle beoogde werken/obstakels in overeenstemming zijn met de Keur en daarmee watervergunning plichtig zijn. In de toelichting en de regels en op de verbeelding is hier aandacht aan gegeven en een correctie doorgevoerd. Op de verbeelding is de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ opgenomen alsmede de ‘vrijwaringszone – dijk’. Hiermee wordt invulling gegeven aan de vooroverlegreactie. Reactie vooroverleg veiligheidsregio De veiligheidsregio heeft geen opmerkingen kenbaar gemaakt. Provincie Noord-Brabant De provincie heeft kenbaar gemaakt dat de sloop van overtollige bebouwing moet worden geborgd in de regels. Daarnaast moeten de bewijsstukken Ruimte voor Ruimte als bijlage worden toegevoegd.

Verder is aangegeven dat de provincie verlangt dat in het ontwerpbestemmingsplan een nadere uitwerking van de ontwikkelingsrichting van het gebied wordt gegeven en een onderbouwing dat op basis daarvan de ontwikkeling passend is voor het gebied.

Oijense Bovendijk 19 Oijen – 2023, pag. 71 van 71 Ontwerp september 2023

Hieraan is invulling gegeven in dit bestemmingsplan. De te slopen bebouwing is aangeduid op kaart. Deze kaart is als bijlage bij de regels opgenomen. Middels een voorwaardelijke verplichting ingepast in het inrichtingsplan, in de regels, is sloop van de overtollige bebouwing geborgd. De Ruimte voor Ruimte certificaten worden door de initiatiefnemer bijgevoegd aan het bestemmingsplan na publicatie van het ontwerpbestemmingsplan. Door de gemeente Oss is naar aanleiding van de zienswijze de ontwikkelrichting bepaald. In paragraaf 4.4.7. is een nadere beschrijving opgenomen van deze ontwikkelvisie. Hiermee wordt invulling gegeven aan de vooroverlegreactie. 9.3 Inspraak De gemeente is wettelijk niet verplicht om een voorontwerpbestemmingsplan te maken en daar een inspraakprocedure voor te volgen. Het gemeentelijke beleid voor de toepassing van inspraak bij ruimtelijke plannen biedt de mogelijkheid om bij kleine plannen af te zien van inspraak. Dit is aan de orde bij plannen die een beperkte impact hebben. De gemeente heeft in dit geval geen voorontwerpbestemmingsplan gepubliceerd. Er is wel een omgevingsdialoog gevoerd met de omwonenden. Er is geen inspraakprocedure gevolgd. 9.4

Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan wordt op grond van de Wet ruimtelijke ordening en de Algemene wet bestuursrecht voor iedereen gedurende 6 weken ter inzage gelegd.

Oijense Bovendijk 19 Oijen - 2023

bestemmingsplan Oijense Bovendijk 19 Oijen - 2023

Inhoudsopgave

Regels

3

Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2

Inleidende regels Begrippen Wijze van meten

4 4 12

Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7

Bestemmingsregels Agrarisch met waarden - Landschap Groen Wonen Waarde - Archeologie verwachtingswaarde middelhoog Waterstaat - Waterkering

14 14 16 17 21 23

Hoofdstuk 3 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12 Artikel 13 Artikel 14

Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene aanduidingsregels Afwijken van de bouw- en gebruiksregels algemeen Wijzigingsregels Overige regels

25 25 26 28 29 32 33 34

Hoofdstuk 4 Artikel 15 Artikel 16

Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel

35 35 36

Bijlagen bij de regels

37

Bijlage 1

Lijst van rechtstreeks toelaatbare aan-huis-gebonden activiteiten

38

Bijlage 2

Bedrijvenlijst

40

Bijlage 3

Inrichtingsplan

51

2

Inhoudsopgave (ontwerp)

bestemmingsplan Oijense Bovendijk 19 Oijen - 2023

Regels

Regels (ontwerp)

3

bestemmingsplan Oijense Bovendijk 19 Oijen - 2023

Hoofdstuk 1 Artikel 1 1.1

Inleidende regels

Begrippen

aan-huis-gebonden activiteit:

een beroeps- of bedrijfsmatige activiteit die in of bij een woning door de bewoner wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en die een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is.

1.2

aanbouw:

een aan een hoofdgebouw toegevoegde, afzonderlijke ruimte die qua afmetingen en/of visueel opzicht (onder meer voor wat betreft goothoogte, dakhelling en/of dakvorm), ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

1.3

aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld over het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

1.4

aanduidingsgrens:

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

1.5

achtergevel:

de denkbeeldige lijn die wordt getrokken langs de achtergevel van het gebouw - zonder aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen - alsmede het verlengde daarvan. In hoeksituaties is sprake van slechts één achtergevel, waarbij de oriëntering van de woning bepalend is.

1.6

bebouwing:

één of meer gebouwen en/of bouwwerken die geen gebouw zijn.

1.7

bed and breakfast:

een kleinschalige overnachtingsaccommodatie, gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een toeristisch en veelal kortdurend verblijf met het serveren van ontbijt, gevestigd in een woonhuis en/of bijbehorende aan- of uitbouw en/of aangebouwd bijgebouw, en volledig gedreven door de bewoner van het betreffende woonhuis.

1.8

bedrijvenlijst:

de lijst van handels- en bedrijfsactiviteiten die als Bedrijvenlijst onderdeel uitmaakt van de regels, waarin deze activiteiten naar milieucategorie zijn onderscheiden.

4

Regels (ontwerp)

bestemmingsplan Oijense Bovendijk 19 Oijen - 2023

1.9

bestaand:

a. voor bouwwerken: bouwwerken die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan legaal bestonden of in uitvoering waren, dan wel gebouwd zijn of gebouwd kunnen worden overeenkomstig de Woningwet of Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of krachtens die wetten gegeven voorschriften; b. voor gebruik: gebruik van gronden en opstallen zoals dat legaal aanwezig is op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan. 1.10

bestemmingsgrens:

de grens van een bestemmingsvlak.

1.11

bestemmingsplan:

de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0828.BPoijensebvndijk19-ON01 met de bijbehorende regels en bijlagen.

1.12

bestemmingsvlak:

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming, met dien verstande dat geometrisch bepaalde bestemmingsvlakken die aan elkaar zijn gekoppeld met de figuur 'relatie' als één bestemmingsvlak gelden.

1.13

bijgebouw:

een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw dat door de vorm onderscheiden kan worden van het op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

1.14

bouwen:

het plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten van een bouwwerk.

1.15

bouwgrens:

de grens van een bouwvlak.

1.16

bouwlaag:

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of nagenoeg gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van zolders.

1.17

bouwmassa:

een verzameling gebouwen bestaande uit een vrijstaand hoofdgebouw dan wel twee of meer aaneengebouwde hoofdgebouwen inclusief aan- en uitbouwen.

Regels (ontwerp)

5

bestemmingsplan Oijense Bovendijk 19 Oijen - 2023

1.18

bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

1.19

bouwperceelgrens:

de grens van een bouwperceel.

1.20

bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak waarmee gronden zijn aangeduid waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken die geen gebouw zijn, zijn toegelaten. Geometrisch bepaalde bouwvlakken die aan elkaar zijn gekoppeld met de figuur 'relatie' gelden als één bouwvlak.

1.21

bouwwerk:

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct, hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct, hetzij indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren.

1.22

bouwwerk voor recreatief nachtverblijf:

een bouwwerk dat dient als tijdelijk verblijf voor recreanten die hun hoofdverblijf elders hebben, inclusief aan- en uitbouwen.

1.23

cultuurhistorische waarde:

De aan een bouwwerk of een gebied toegekende waarde die wordt gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis heeft gemaakt van dat bouwwerk of dat gebied.

1.24

detailhandel:

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

1.25

dienstverlening:

een bedrijfsmatige activiteit met een uitsluitend of in hoofdzaak dienstverlenende of verzorgende taak al dan niet met een baliefunctie, zoals: uitzendbureaus, reisbureaus, wasserettes, kapsalons, bijkantoren van banken en van sociaal-culturele instellingen, postagentschappen, telefoon-, internet-, telegraaf- en telexdiensten, snelfoto-ontwikkel- en copy-shops, videotheken en autorijscholen.

1.26

eerste bouwlaag:

de bouwlaag op de begane grond.

6

Regels (ontwerp)

bestemmingsplan Oijense Bovendijk 19 Oijen - 2023

1.27

escortbedrijf:

de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend.

1.28

extensieve dagrecreatie:

recreatief medegebruik waarbij de recreatie geen specifiek beslag legt op de ruimte, zoals wandel-, ruiter- en fietspaden, vis- en picknickplaatsen en naar de aard, omvang en schaal daarmee gelijk te stellen voorzieningen.

1.29

functie:

activiteiten waarvoor gebruik van gebouwen en/of gronden of aangewezen delen daarvan is toegestaan.

1.30

gebouw:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

1.31

gebruiksoppervlakte:

de bruikbare vloeroppervlakte, geschikt voor het beoogde gebruik, bepaald volgens NEN2580.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=b26c4d48-7b25-4e45-aace-33ace6f18674