toelichting en regels Oijense Bovendijk 19 ontwerp
Tekst van het document
Kwaliteitsverbetering van het landschap
Regeling ‘kwaliteitsverbetering van het landschap’ De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant eist, bij een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in het landelijk gebied, een fysieke kwaliteitsverbetering van de landschappelijke kwaliteit. Dit staat in artikel 3.9 van de Interim omgevingsverordening. In januari 2013 is het afsprakenkader over de toepassing en uitwerking van deze regeling vastgesteld. Dit regionale afsprakenkader is oorspronkelijk bedoeld als uitwerking van regeling ‘Kwaliteitsverbetering van het landschap’ uit de Verordening ruimte. Het afsprakenkader geldt nog steeds. Toepassingsbereik De notitie toepassingsbereik vormt het basisdocument voor het afsprakenkader van de provincie met de gemeenten in de regio Noordoost. Deze notitie bevat de categorie-indeling voor de niet-planmatige ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied en de bijbehorende tegenprestatie.
Oijense Bovendijk 19 Oijen – 2023, pag. 28 van 71 Ontwerp september 2023
Deze notitie geeft de minimale inspanning aan die de gemeente Oss regionaal heeft afgesproken. Gemeenten hebben alle vrijheid om meer kwaliteitsverbetering te verlangen als ze dat nodig vinden op basis van beleids- of gebiedsambities. Het afsprakenkader is nadrukkelijk geen ruimtelijk afwegingskader. Gemeenten moeten zelf beoordelen of een ontwikkeling ruimtelijk gewenst is. Vervolgens kan aan de hand van het afsprakenkader beoordeeld worden waar de kwaliteitsverbetering minimaal aan moet voldoen. Afspraken toepassingsbereik 1. de notitie Toepassingsbereik en met name de verdeling van ruimtelijke ontwikkelingen over de verschillende categorieën is de basis voor het afsprakenkader over toepassingsbereik. 2. bij planmatige (stedelijke) ontwikkelingen is kwaliteitsverbetering altijd van toepassing; 3. bij niet-planmatige ontwikkelingen: tegenprestatie gerelateerd aan impact: • cat. 1 geen impact: geen tegenprestatie • cat. 2 beperkte impact: landschappelijke inpassing • cat. 3 grote impact: berekende kwaliteitsverbetering van het landschap Afspraken kwaliteitsverbetering 1. Bij planmatige (stedelijke) ontwikkelingen: storting in een landschapsfonds of bijdrage in natura in landschapsversterkend project. 2.
Bij niet-planmatige ontwikkelingen zijn gemeenten zelf verantwoordelijk voor de toepassing: in natura (op of nabij de projectlocatie), financiële bijdrage in landschapsfonds of een combinatie van beide. 3. Bij kwaliteitsverbetering in natura (op of nabij de projectlocatie) bevat het ruimtelijk plan de verantwoording van de kwaliteitsverbetering. 4. De regio kiest niet voor een (sub)regionaal landschapsfonds. Indien gemeenten een grensoverschrijdend landschapsproject willen realiseren, weten zij elkaar te vinden. In de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is uitdrukkelijk bepaald dat bij Ruimte voor Ruimte ontwikkelingen geen toepassing gegeven behoeft te worden aan het principe van kwaliteitsverbetering van het landschap zoals bedoeld in artikel 3.9. Binnen het plangebied wordt kwaliteitswinst behaald doormiddel van het saneren van de veehouderij, het afbreken van stallen, het intrekken van de milieuvergunning, het doorhalen van de dierrechten, de realisatie van nieuwe natuur en de landschappelijke inpassing van het plangebied. De bestaande bedrijfswoning wordt herbestemd in een reguliere burgerwoning waarbij het perceel voor wonen circa 1.300 m² bedraagt. Dit betreft een categorie 1 ontwikkeling en er geldt derhalve geen aanvullende tegenprestatie. 5.2
Natuur
5.2.1 Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming beschermt Nederlandse natuurgebieden en planten- en diersoorten. Het is belangrijk voor de natuur dat er veel verschillende planten- en diersoorten zijn. Wanneer het met de natuur goed gaat, is er ook meer ruimte voor economische en andere maatschappelijke activiteiten. Maar sommige soorten zijn kwetsbaar, zoals vleermuizen en mussen. Een goede natuurbescherming is dan ook belangrijk. Rolverdeling tussen provincies en Rijk Sinds 1 januari 2017 bepalen de provincies wat wel en niet mag in de natuur binnen de provincie. De provincies zorgen voor de vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor het beleid van grote wateren en internationaal beleid (zoals Natura2000). Ruimtelijke plannen en omgevingsvergunningen die invloed hebben op beschermde natuur moeten passen binnen de Wet natuurbescherming. Daarnaast gelden ook provinciale regelingen voor natuurbescherming.
Oijense Bovendijk 19 Oijen – 2023, pag. 29 van 71 Ontwerp september 2023
5.2.2
Groen en natuur/biodiversiteit
Natuurinclusief bouwen De gemeente streeft er naar om bij (ver)bouwen zoveel als mogelijk rekening te houden met de natuur en de biodiversiteit ofwel ‘natuurinclusief’ te bouwen. Aan initiatiefnemers wordt gevraagd om dit ook te doen. Bijzonder waardevolle bomen In 1998 is de beleidsnota “Bijzonder waardevolle bomen” opgesteld, waarin bomen zijn opgenomen die vanwege specifieke waarden bescherming verdienen. De lijst met waardevolle bomen wordt periodiek geactualiseerd. De laatste actualisatie is opgenomen in de nota “Bijzondere bomen in Oss 2018”. De lijst is in 2022 voor het laatst geactualiseerd. In deze nota is vastgelegd dat de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de aangewezen waardevolle bomen altijd geweigerd moet worden tenzij het kappen van deze bomen vanuit het algemene belang noodzakelijk is. Dit is verder vertaald in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Op grond van de APV is voor het kappen van bomen die op de Beschermde bomenlijst staan een vergunning vereist. De vergunning kan op grond van verschillende criteria door het college van burgemeester en wethouders worden geweigerd. 5.2.3 Natuurtoets Bij de bescherming van natuurwaarden gaat het enerzijds om soortenbescherming en anderzijds om gebiedsbescherming. Gebiedsbescherming is gericht op de bescherming van kwetsbare natuurgebieden.
Soortenbescherming moet er toe leiden dat het voortbestaan van soorten niet in gevaar komt. Binnen Nederland zijn 166 Natura 2000-gebieden aangewezen. Dit zijn gebieden met een Europese beschermingsstatus. Veel van deze gebieden zijn (ook) gevoelig voor stikstofdepositie. Een verdere toename van de stikstofdepositie kan leiden tot ‘significante negatieve effecten’ op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden. Programma Aanpak Stikstof (PAS) Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan in enkele beroepszaken tegen Natura 2000-vergunningen die zijn gebaseerd op het Programma Aanpak Stikstof (PAS) 2015-2021 (Kamerstuk 32 670, nr. 146). Het is een stevige uitspraak die per direct forse consequenties heeft voor individuele ondernemers, maar ook voor ambities van gemeenten, provincies en Rijksoverheid op het terrein van onder meer waterveiligheid, infrastructuur, woningbouw en klimaat. De uitspraak komt er op neer dat de PAS ‘gesneuveld’ is als aanpak en systeem voor vergunningverlening van stikstofvergunningen op basis van de Wet natuurbescherming. Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) Sinds 1 juli 2021 is de Wsn samen met het bijbehorende Besluit stikstofreductie en natuurverbetering van kracht.
Deze regelgeving wijzigt de Wet en het Besluit natuurbescherming en moet voorzien in een nieuwe, structurele aanpak van de stikstofproblematiek. De Wsn regelt ook een aanpassing van het Besluit natuurbescherming, waardoor nu een vrijstelling geldt voor bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten. Deze vrijstelling geldt alleen voor stikstofdepositie en niet voor de overige storingsfactoren. Er hoeft ten behoeve van een natuurvergunningaanvraag (gebiedsbescherming) voor een project dus geen berekeningen en daarbij behorende beoordeling van de stikstofdepositie voor de realisatiefase meer plaats te vinden. De vrijstelling geldt niet voor de gebruiksfase van wat wordt gebouwd of aangelegd. Hiervoor moet dus wel een berekening worden gemaakt.
Oijense Bovendijk 19 Oijen – 2023, pag. 30 van 71 Ontwerp september 2023
5.2.3.1. Gebiedsbescherming Voor de Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld. Activiteiten en ontwikkelingen die een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen hebben, zijn verboden. Voor een plan geldt op grond van artikel 2.7 lid 1 van de Wet natuurbescherming dat bepalend is of het significante gevolgen kan hebben voor een (of meer) Natura 2000-gebied(en). Is dat het geval, dan dient het bestuursorgaan, onderscheidenlijk de aanvrager van de vergunning, bij de vaststelling van een plan met toepassing van artikel 2.7 Wnb, een passende beoordeling te maken, zoals bedoeld in artikel 2.8 Wnb. In een toetsing wordt bepaald of er negatieve effecten kunnen optreden. Een eerste toetsing (voortoets) geeft aan of er negatieve effecten kunnen optreden en zo ja of deze van dien aard kunnen zijn dat de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar kunnen komen. Indien dat het geval is, wordt een tweede toetsing verricht welke dieper ingaat op de mate van effect (passende beoordeling). Middels onderhavige ontwikkeling wordt een agrarisch bouwvlak gesaneerd. Deze sanering draagt bij aan een extensivering van het grondgebruik ter plaatse en de milieuvergunning wordt doorgehaald. Per saldo wordt 1.922 kg ammoniak uit de markt genomen. Het intensieve agrarische gebruik waaronder de vervoersbewegingen van zware landbouwvoertuigen wordt beëindigd.
Deze herontwikkeling een positief effect in het kader van de stikstofdepositie. 5.2.3.2. Soortenbescherming De Wnb geeft kaders voor de bescherming van planten en dieren. Zo is het verboden om dieren te vangen of verwonden en om vaste rust- en verblijfplaatsen te vernielen. Ook verstoring van broedende vogels niet is toegestaan. Dit is vastgelegd in drie vergelijkbare beschermingsregimes voor soorten. Indien deze verbodsbepalingen overtreden worden, of er een overtreding van de verbodsbepaling dreigt, is er een ontheffing nodig. Voor ieder ruimtelijk plan is het verplicht om te toetsen of deze leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen. Ten behoeve van de herontwikkeling is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Dit onderzoek behoort als bijlage bij deze toelichting. Navolgend wordt de conclusie uit het onderzoek weergegeven. “Eindconclusie: •
Met de beoogde herbestemming wordt geen overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming verwacht.
•
Nader onderzoek of een ontheffingsaanvraag is niet aan de orde.
•
De aanbevelingen voor ‘Vogels algemeen’ en ‘Toepassing algemene zorgplicht’ blz. 22 dienen te worden opgevolgd.
Vogels algemeen Gedurende de werkzaamheden moet rekening gehouden worden met broedende vogels. Het broedseizoen loopt globaal van half maart tot half juli. Echter voor het broedseizoen wordt geen standaardperiode gehanteerd in het kader van de Wnb. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Het is verboden om nesten van broedende vogels te beschadigen of te vernietigen. Als werkzaamheden niet buiten het broedseizoen gepland kunnen worden, dan geldt de aanbeveling om de locatie voorafgaande aan het broedseizoen ongeschikt te maken. Ook bestaat de mogelijkheid om voorafgaande aan de werkzaamheden door een ter zake deskundige te laten controleren op
Oijense Bovendijk 19 Oijen – 2023, pag. 31 van 71 Ontwerp september 2023
broedende vogels. Hierbij bestaat het risico dat de werkzaamheden uitgesteld moeten worden als een broedgeval geconstateerd wordt. Als aanbeveling geldt om met zekerheid schade aan broedgevallen uit te sluiten, de werkzaamheden geheel buiten de broedtijd van vogels uit te voeren. Toepassing Algemene zorgplicht voor vrijgestelde soorten Het plangebied vormt leefgebied voor een aantal landzoogdieren en amfibieën waarvoor een vrijstelling geldt bij ruimtelijke ontwikkeling. Echter de zorgplicht is wel altijd van kracht. Voor toepassing van de zorgplicht zijn onderstaande maatrgelen van belang; Voorafgaand aan het bouwrijp maken van de agrarische percelen dient het gras kort gemaaid te worden. Als het gras hoog staat, dan eerst maaien in één richting van binnen naar buiten in een laag tempo zodat kleine zoogdieren of amfibieën de kans krijgen om te kunnen vluchten.” De beoogde ontwikkeling vormt geen bezwaar in het kader van de Wet natuurbescherming. 5.3
Archeologie en Cultuurhistorie
5.3.1 Erfgoedwet en overgangsregeling omgevingswet De Erfgoedwet beschermt het cultureel erfgoed in Nederland. In deze wet staan regels om belangrijk cultureel erfgoed beter te beschermen en behouden. In de Erfgoedwet staat wat cultureel erfgoed is, hoe de overheid omgaat met roerend cultureel erfgoed (zoals schilderijen), wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe de overheid daar toezicht op houdt. Het beschermingsregime voor de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (lees archeologische resten) net als de bescherming van gebouwde rijksmonumenten wordt opgenomen in de Omgevingswet. Vooruitlopend op de ingang van de Omgevingswet is het deel van de Monumentenwet 1988 dat gaat over de fysieke leefomgeving geregeld in het overgangsrecht van de Erfgoedwet. Het gaat om: • vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten. • verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. • bescherming van stads- en dorpsgezichten. Het erfgoed in de ruimtelijke ordening wordt nu nog voor een belangrijk deel geregeld via de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Ruimtelijke plannen die toepassing hebben op cultureel erfgoed moeten passen binnen wettelijke kaders van de Erfgoedwet en ook de regelingen die in andere wetten en regelgeving is opgenomen, zoals de Wabo en het Bro.
5.3.2 Archeologiebeleid Het provinciale archeologisch beleid is neergelegd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant van 25 oktober 2019 en op de provinciale Cultuurhistorische waardenkaart 2010, herzien 2016. Hierin is de bescherming van aardkundig waardevolle gebieden en archeologische landschappen geregeld. Het gemeentelijk archeologisch beleid is veel gedetailleerder dan het algemene provinciale beleid op dit punt en prevaleert daarom ook boven het provinciale archeologisch beleid.
Oijense Bovendijk 19 Oijen – 2023, pag. 32 van 71 Ontwerp september 2023
Op 14 oktober 2010 heeft de gemeente Oss haar ‘archeologiebeleid’ vastgesteld. In 2015 heeft de gemeenteraad het archeologiebeleid opnieuw vastgesteld. Dit was nodig vanwege de gemeentelijke herindeling met Maasdonk. Onderdeel van de vaststelling in 2015 is het rapport 'Actualisatie archeologiebeleid gemeente Oss, een herziene archeologische beleidskaart voor het nieuwe grondgebied van de gemeente Oss' (Goddijn, 2012). Aan de hand van onderzoeken, inzichten en boringen in het veld zijn de eerdere archeologische kaarten gedeeltelijk bijgesteld. Op de beleidskaart is sprake van meerdere beleidscategorieën (zie onderstaande tabel). In het beleid is per beleidscategorie vastgelegd wanneer sprake is van een onderzoeksplicht en wanneer ontwikkelingen hiervan zijn vrijgesteld. Verwachting/waarde Archeologisch beschermd rijksmonument
Vrijstellingsgrenzen 0 m2 / 30 cm -Mv
Archeologisch (AMK-) monument Beschermde stadsgezichten
35 m2 / 30 cm -Mv
Historische stads-/dorpskern
50 m2 / 30 cm -Mv
Hoge verwachtingswaarde
100 m 2 / 30 cm -Mv
Hoge verwachtingswaarde – bedrijventerrein
1000 m2 / 30 cm -Mv
Middelhoge verwachtingswaarde Lage verwachtingswaarde
5 hectare / 30 cm -Mv
Reeds onderzocht
Afhankelijk van de resultaten van het reeds uitgevoerde onderzoek.
Verstoord
Geen onderzoeksplicht
5.3.3 Archeologietoets Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente is aan het bestemmingsplangebied een middelhoge verwachtingswaarde toegekend. Concreet betekent dit dat er een archeologische onderzoeksplicht geldt indien de bodemingrepen dieper reiken dan 30 cm beneden huidig maaiveld én de omvang van het gebied groter is dan 1.000 m². Toetsing van de plannen Middels onderhavige ontwikkelingen wordt deze verstoringsgrens niet overschreden. De ontwikkeling wordt grotendeels gerealiseerd ter hoogte van de (voormalige) stallen en erfverharding en het bouwplan is veel kleiner dan de verstoringsgrens. Er vindt derhalve geen nieuwe bodemroering plaats die de verstoringsgrens overschrijdt. Een archeologisch onderzoek is ter plaatse dan ook niet noodzakelijk. Bestemmingsplanregels De gemeente Oss vertaalt de wet en het archeologisch beleid ook door in standaard bestemmingsplanregels. Zo heeft de gemeente bestemmingsplanregels (dubbelbestemmingen: dat wil zeggen dat deze naast de hoofdbestemming gelden) voor bescherming van historische kernen, beschermde monumenten, monumenten en voor gebieden met een middelhoge of hoge archeologische verwachtingswaarde.
Met deze regels kan, ter bescherming van archeologische waarden, worden bepaald wanneer er een omgevingsvergunning voor bepaalde werkzaamheden nodig is, wanneer dat niet het geval is en onder welke omstandigheden en met welke nadere eisen en voorwaarden een omgevingsvergunning kan worden verleend. De reeds bestaande dubbelbestemming voor archeologische verwachtingswaarde blijft niettemin behouden, waarmee ook eventuele archeologische waarden in de toekomst gewaarborgd blijven.
Oijense Bovendijk 19 Oijen – 2023, pag. 33 van 71 Ontwerp september 2023
5.3.4 Cultuurhistorie Wettelijk kader Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Dat wordt veranderd in: met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. De regering wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. Doordat plannen nu nog pas na afloop van het planproces worden getoetst aan de regelgeving van de monumentenzorg, wordt monumentenzorg dikwijls ervaren als hindernis. Dit is door de regering erkend en daarbij is de ambitie uitgesproken om de positie van cultuurhistorie aan het begin van het ruimtelijk ordeningsproces juridisch te versterken. Door de verankering van cultuurhistorische waarden in de bestemmingsplannen vermindert tegelijkertijd de noodzaak tot het aanwijzen van nieuwe beschermde monumenten, omdat het belang van de cultuurhistorie wordt geborgd via het proces van de ruimtelijke ordening.
In de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in verband met modernisering van de monumentenzorg is daarom al de mogelijkheid voor burgers en belangengroepen om een aanvraag in te dienen om een monument aan te wijzen als beschermd monument, geschrapt. Dit instrument werd door belangengroepen nogal eens ingezet om afgifte van bouwvergunningen te frustreren of te vertragen. Met de wijziging van het Bro wordt tevens de adviesrol van Gedeputeerde Staten beperkt. Tot nu toe moet bij alle ingrepen aan een beschermd monument buiten de bebouwde kom advies aan Gedeputeerde Staten worden gevraagd. Met de wijziging van het besluit hoeft dat alleen nog, als het gaat om monumenten die door de minister op grond van de Monumentenwet 1988 zijn aangewezen. Daarnaast voorziet het besluit in een aantal versoepelingen van vergunningvrij wijzigen of bouwen in, aan of bij beschermde monumenten. Samengevat komen die versoepelingen er op neer, dat voor gewoon onderhoud of voor inpandige veranderingen aan beschermde monumenten geen monumentenvergunning meer nodig is, als de betreffende onderdelen geen monumentale waarde hebben. Bij twijfelgevallen zal men het bevoegd gezag moeten raadplegen.
De bedoeling van het wijzigingsbesluit is om enerzijds cultuurhistorische waarden een duidelijke plaats te geven aan het begin van het planproces en anderzijds onnodige regeldruk, vooral wanneer het gaat om ondergeschikte wijzigingen aan een monument, weg te nemen. Cultuurhistorie: gemeentelijk en provinciaal beleid Het beleid van de gemeente Oss voor wat betreft cultuurhistorie is onder meer neergelegd in het Erfgoedplan Oss 2006 “Op gemengde bodem”. Hierin zijn onder andere opgenomen: historisch bebouwde gebieden, oude verkavelingspatronen, de invloed van de Maas en Rijksmonumenten. Deze nota heeft (nog) geen betrekking op het grondgebied van de voormalige gemeente Lith. Daarnaast heeft de gemeente Oss een Monumentenlijst 2019. Hierin zijn de Rijks- en gemeentelijke monumenten opgenomen. Het provinciale cultuurhistorische beleid is verankerd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant en op de Cultuurhistorische waardenkaart 2010. Hierin zijn onder andere opgenomen: cultuurhistorische vlakken en complexen van cultuurhistorisch belang. Cultuurhistorie: bestemmingsplanregels en regels in de provinciale Interim omgevingsverordening NoordBrabant Met de onder het kopje ‘archeologie’ genoemde bestemmingsplanregels, is het ook mogelijk om cultuurhistorische waarden in bestemmingsplannen te beschermen.
Een en ander voor zo ver het terreinen betreft (inbouwen sloopvergunningstelsel voor bebouwing). Kortheidshalve wordt naar het kopje ‘archeologie: bestemmingsplanregels’ verwezen. De provincie Noord-Brabant heeft in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant bindende regels opgenomen ter bescherming van cultuurhistorische waarden.
Oijense Bovendijk 19 Oijen – 2023, pag. 34 van 71 Ontwerp september 2023
Binnen het plangebied is geen sprake van cultuurhistorisch waardevolle objecten of structuren. Met de sanering van het agrarisch bedrijf gaan dan ook geen cultuurhistorische waarden verloren. 5.4
Mobiliteit en parkeren
5.4.1 Verkeer De Mobiliteitsvisie Oss uit 2009 heeft als doel het in balans brengen van bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid. De mobiliteitsvisie is uitgewerkt in het Mobiliteitsplan 2020 Oss. Het deelplan Wegen werkt het gewenste netwerk voor het autoverkeer uit. Per weg is de gewenste functie vastgelegd. Van belang is de vraag of een initiatief leidt tot extra verkeersbewegingen en of de toename van verkeersbewegingen passen binnen de normen die voor ontsluitingswegen gelden. Verkeer: extra verkeersbewegingen Onderhavig planvoornemen ziet toe op het saneren van een varkenshouderij en het gelijktijdig realiseren van een vijftal wooneenheden. Voor een extra woning in het ‘Landelijk wonen’ wordt gerekend met 7,8 bewegingen per etmaal. Als gevolg van de beoogde herontwikkeling kan dan ook sprake zijn van een toename van in totaal circa 39 verkeersbewegingen per etmaal. Daar staat tegenover dat vervoersbewegingen ten behoeve van de varkenshouderij komen te vervallen. Het betreft hierbij veelal zwaar transport van vrachtwagen voor diermest- en voertransport. Per saldo zal er sprake zijn van een verbetering ten opzichte van de vigerende situatie. Deze toename aan lichtverkeer leidt niet tot problemen over de weg. Verkeer: ontsluitingswegen De Oijense Bovendijk betreft een Erftoegangswegen type II.
De minimale toename van vervoersbewegingen van lichtverkeer als gevolg van de beoogde herontwikkeling vormt geen belemmering voor de wegenstructuur in de directe omgeving. Ook de afwikkeling vanuit de straat op het plangebied zal niet leiden tot problemen. 5.4.2 Parkeren De gemeente Oss heeft een gemeentelijk parkeerbeleidsplan vastgesteld. De nota ‘Parkeernormen 2017’ geeft aan welke parkeernormen voor welke gebieden gelden. Binnen het plangebied worden vijf extra wooneenheden gerealiseerd. Het betreft hierbij een twee-ondereen-kap woning en drie tussen/hoek woningen. Voor de twee-onder-een-kap woning geldt een parkeernorm van 2,2 per wooneenheid in het buitengebied, voor de hoek/tussen woningen geldt een norm van 2,0. Per saldo dient er op het erf ruimte te worden gevonden voor 10,4 (11) parkeerplaatsen. Het plangebied biedt hiertoe voldoende ruimte. Het parkeren wordt grotendeels ingevuld middels parkeren in de parkeerschuur. 5.5
Water
5.5.1 Wetgeving en beleid De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de Waterwet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets verplicht voor ruimtelijke plannen waarin waterbelangen spelen. De watertoets bewaakt de waterkwaliteit en waterkwantiteit. Een watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten zijn onder meer veiligheid, wateroverlast,
Oijense Bovendijk 19 Oijen – 2023, pag. 35 van 71 Ontwerp september 2023
waterkwaliteit, verzilting en verdroging. De watertoets heeft betrekking op alle wateren: rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. De gemeente Oss heeft in december 2022 een Water- en Rioleringsprogramma vastgesteld (WRP 20232029). Het programma biedt een kader voor de gemeentelijke watertaken en regelt de zorg voor inzameling en transport van afvalwater, doelmatige verwerking van afvloeiend (overtollig) hemelwater. De gemeente is verantwoordelijk voor de openbare ruimte. In bebouwd gebied vraagt de zorg voor oppervlaktewater extra aandacht. De gemeente is ook verantwoordelijk voor een goede ruimtelijke ordening. Het gaat om voldoende ruimte voor water in ruimtelijke plannen. De watertoets is opgenomen in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). Beleid van gemeente, provincie en rijk is van toepassing bij een watertoets. Toetsing van uw waterparagraaf gebeurt op kwaliteit en kwantiteit. De verwerking van hemelwater, afvalwater en planologische ‘waterbestemmingen’ komen aan bod. Waterbeheerplan Op 19 november 2021 is het nieuwe waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027.
Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma’s: 1. Waterveiligheid; Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. 2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem; Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). 3. Schoon Water; In het programma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd. In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin: • schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt; • de waterkwaliteit geen risico’s geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen; • de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is; • de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen.
Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. ‘ Waterschap Aa en Maas is verantwoordelijk voor het waterbeheer in haar beheersgebied. Het gaat om het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer, de waterkeringszorg, waterzuivering, grondwaterbeheer en waterbodembeheer. De regels zijn vastgelegd in de Keur (met Algemene- en Beleidsregels) in de vorm van een aantal gebods- en verbodsbepalingen. Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt beleids- en algemene regels.
Oijense Bovendijk 19 Oijen – 2023, pag. 36 van 71 Ontwerp september 2023
Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. Sinds 1 maart 2015 hanteert waterschap Aa en Maas onderstaande (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn opgenomen in ‘Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Voor een toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m2 en 10.000 m2 kan de vereiste compensatie berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm. De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn: Gescheiden houden van vuil (afval)water en schoon hemelwater; Voorkomen van vervuiling van water; Schoon hemelwater kan volgens de voorkeursvolgorde worden verwerkt: 1. Hergebruik 2. Infiltratie/bergen 3. Afvoer Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO), zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang, zowel in als buiten het plangebied. Ook mogen geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruik functies. Dit betekent dat: 1.
De afvoer uit het gebied niet groter wordt dan in de referentiesituatie; 2. De grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt; 3. Grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties; 4. De (grond)waterstanden in het plangebied aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied; 5. Het plangebied zo wordt ingericht dat de hydrologische gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving niet leiden tot knelpunten in het plangebied. Beschermingszones Vanwege de ligging nabij de Maas gelden op delen van het plangebied beschermingszones. Dit is geregeld in de Keur. De Keur is uitgewerkt in beleidsregels en algemene regels. De aan een waterstaatswerk grenzende zone zoals vastgelegd in de legger gelden ter bescherming van dat werk voorschriften en beperkingen. Het betreft hierbij beschermingszone A en beschermingszone B. Op navolgende figuur is dit inzichtelijk gemaakt.
Oijense Bovendijk 19 Oijen – 2023, pag. 37 van 71 Ontwerp september 2023
Figuur 10: Beschermingszones
Daarnaast zijn er ook een aantal belangrijke aandachtspunten met betrekking de beoogde objecten in de beschermingszone. Bij alle bouwwerken, aanplant van beplanting moet de onderkant van de fundering en het plantgat boven het profiel van de vrij ruimte liggen, oftewel boven 6 m +NAP. Indien er beplanting wordt geplaatst in het profiel van beschermingszone A moet hier naar verwachting een ophoging moet plaatsvinden van ca 2 meter om de onderkant plantgaten boven 6 m +NAP te krijgen. Voor de woning(en) in beschermingszone B) dient de onderkant fundering boven 5m +NAP te blijven. Buiten deze beschermingszone is voor de waterkering verder geen eis. Uit onderstaande uitsnede van de ahn viewer valt op te maken dat dit geen belemmering vormt.
Oijense Bovendijk 19 Oijen – 2023, pag. 38 van 71 Ontwerp september 2023
Figuur 11: Uitsnede AHN viewer
5.5.2
Watertoets
De beoogde herontwikkeling voorziet in de sanering van een intensieve veehouderij. Binnen het plangebied wordt 3.139 m² aan bebouwing gesloopt met bijbehorende erfverharding. Na de beoogde herontwikkeling worden binnen het plangebied vijf nieuwe woningen gerealiseerd in twee bouwmassa’s. Voor de nieuwe woningen is nog geen definitief bouwplan gereed, maar er wordt maximaal 500 m² aan nieuw verhard oppervlak verwacht voor de hoofdgebouwen. Binnen het plangebied wordt de bestaande loods hergebruikt als bijgebouw/parkeerschuur. Per saldo zal de verharding binnen het plangebied significant afnemen. Op basis van artikel 15 van de ‘Algemene regels Keur waterschap De Dommel 2015’ geldt voor een dergelijke ontwikkeling met een toename van verhard oppervlakte < 500 m² een vrijstelling van het verbod, zoals bedoeld in artikel 3.6 van de Keur, voor het afvoeren van hemelwater via toename verhard oppervlak of door afkoppelen van verhard oppervlak, naar een oppervlaktewaterlichaam. Op basis van de Keur en de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’ wordt geen compensatie vereist voor plannen met een toename van verhard oppervlak van minder dan 500 m². Het hemelwater afkomstig van het toegenomen verhard oppervlak mag naar bestaand oppervlaktewater worden afgevoerd.
Op vrijwillige basis is de aanleg van een infiltratievoorziening toegestaan, mits daarbij in voldoende mate met de omgeving rekening gehouden wordt en geen wateroverlast op eigen terrein of bij derden ontstaat.
Oijense Bovendijk 19 Oijen – 2023, pag. 39 van 71 Ontwerp september 2023
Figuur 12: GHG ter plaatse van het plangebied
De gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) ter plaatse van het plangebied bedraagt globaal 60-100 cm beneden maaiveld. Het wenselijk om het hemelwater zoveel mogelijk op eigen terrein vast te houden door bijvoorbeeld hemelwater in de tuin te laten infiltreren. Voor het totaal aan verhard oppervlak kan de vereiste bergingsopgave berekend worden door het verhard oppervlak (m²) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm (0,06 m). In de regels van onderhavig bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor voldoende hemelwaterberging op eigen terrein. Al het hemelwater dient op eigen terrein verwerkt te worden, met eventueel een overloop naar aangrenzende watergangen, dit in overleg met aangrenzende/mede eigenaren van de watergang. De waterberging kan bijvoorbeeld gerealiseerd worden door een groen mosdak, een verlaging in het maaiveld, een natuurlijke vijver, grindkoffers, of combinaties hiervan. De voorziening dient binnen 48 uren weer beschikbaar te zijn voor een herhalingsbui. Bij het aanleggen van de infiltratievoorzieningen dient rekening te worden gehouden met een GHG van 60-100 cm-mv. Voorbeelden van deze manieren van infiltreren zijn weergeven navolgende figuur.
Oijense Bovendijk 19 Oijen – 2023, pag. 40 van 71 Ontwerp september 2023
Figuur 13: Voorbeelden infiltratievoorzieningen
Voorgesteld wordt hemelwater middels een infiltratieriool richting een infiltratieveld of laagte te brengen. Een mogelijkheid is dit te combineren met de natuurlijke poel op het zuidelijke deel van het plangebied. Een infiltratieriool moet boven de GHG liggen zodat het in natte perioden geen drainerende functie krijgt. Een bovengrondse voorziening is goedkoper, minder onderhoudsgevoelig en minder fout gevoelig dan een ondergrondse voorziening. Uiteraard dient de infiltratievoorziening over voldoende capaciteit te beschikken. In het uiteindelijke bouwplan zal de hemelwaterinfiltratie nader worden uitgewerkt met inachtname van deze paragraaf. Bij verkoop van de percelen dient initiatiefnemer de verplichting tot het realiseren van adequate infiltratievoorzieningen, zoals hierboven beschreven, te vermelden aan de kopers. 5.5.3
Afvalwater
De toename van afvalwater zal met de toevoeging van vijf wooneenheden beperkt zijn. Door de gemeente Oss wordt aangegeven dat in de buitengebied (veelal) gebruik wordt gemaakt van mechanische riolering. Deze wordt aangelegd voor het inzamelen en transport van afvalwater (of wat daar naar aard en omvang gelijk aan is) en geen afvoer van afstromend hemelwater. De woningen die binnen het plangebied worden gerealiseerd kunnen worden aangesloten op het bestaande vrij-verval stelsel. Hoe de woningen hierop worden aangesloten moet nader uitgewerkt worden bij de bouwaanvraag. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de beperkte diepteligging van de riolering. De onderkant van de riolering ligt hier ongeveer 70-80 cm onder het maaiveld. De vrije ruimte tussen bebouwing en de riolering moet minimaal 2 meter bedragen. Gesteld kan worden dat de beoogde herontwikkeling met verwachte toename lozing van afvalwater geen negatief effect zal hebben op de bestaande riolering ter plaatse.
Oijense Bovendijk 19 Oijen – 2023, pag. 41 van 71 Ontwerp september 2023
5.6
Defensie
Uit oogpunt van defensie kunnen er beperkingen gesteld worden aan ruimtelijke ontwikkelingen in een gebied. Belangrijke aandachtspunten met betrekking tot het defensiebelang zijn: - Radarverstoringsgebieden; - Obstakelbeheergebieden; - Laagvliegroutes voor jachtvliegtuigen; - Geluidszones voor militaire luchtvaartterreinen. Het gehele plangebied is gelegen binnen het radarverstoringsgebied van een radar van de vliegbasis Volkel. Binnen dit gebied is het in beginsel niet toegestaan om hogere bebouwing op te richten dan 114 meter boven NAP. Indien er initiatieven zijn voor het oprichten van hogere bouwwerken of gebouwen, dan kan dit toegestaan worden als blijkt dat de radar niet onevenredig wordt verstoord. Dit kan door TNO worden berekend. Dit bestemmingsplan voorziet echter nergens in bouwmogelijkheden tot een dergelijke hoogte. Daarmee is het belang van het radarverstoringsgebied binnen dit bestemmingsplan voldoende gewaarborgd. Bij een eventueel toekomstig initiatief voor een bouwwerk met een hoogte tot 114 meter boven NAP of hoger dient het defensiebelang nadrukkelijk betrokken te worden bij de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling. Voor het overige geldt dat het plangebied niet gelegen is binnen een obstakelbeheergebied, een laagvliegroute voor jachtvliegtuigen of een geluidszone voor militaire luchtvaartterreinen.
Aan deze aspecten hoeft dan ook geen verdere aandacht besteed te worden. 5.7
Milieuaspecten
In deze paragraaf wordt ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten die verband houden met, of betrekking hebben op de ruimtelijke ontwikkeling. Het gaat daarbij meestal om de wisselwerking met de omgeving. Welke gevolgen heeft het initiatief voor de omgeving en omwonenden? Maar ook, welke gevolgen hebben activiteiten in de omgeving voor de mogelijkheden op de projectlocatie? Achtereenvolgens komen de volgende aspecten aan bod: - Bedrijven en milieuzonering - Bodem - Externe veiligheid - Geurhinder: agrarisch - Geur: industrieel - Luchtkwaliteit - Straling - Weg-, spoor-, en industrielawaai - Gezondheid - Spuitzones 5.7.1 Bedrijven en milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten van bedrijven en gevoelige functies, zoals woningen. Het doel van milieuzonering is om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast kan milieuzonering bedrijven voldoende zekerheid bieden om hun activiteiten duurzaam uit te voeren. De handreiking Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft richtafstanden om de milieuzonering van bedrijven te kunnen bepalen. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’.
Oijense Bovendijk 19 Oijen – 2023, pag. 42 van 71 Ontwerp september 2023
De VNG-brochure geeft navolgende omschrijving voor het omgevingstype ‘rustige woonwijk of rustig buitengebied’: “Een rustige woonwijk is een woonwijk die is gericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied.” De VNG-brochure geeft navolgende omschrijving voor het omgevingstype ‘gemengd gebied’: “Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.” De omgeving van het plangebied kan worden gezien als een ‘gemengd gebied’.
Richtafstanden zoals aangegeven in de VNG-brochure kunnen dan ook met één afstandsstap verlaagd worden. In de omgeving van het plangebied is één niet-agrarisch bedrijf gesitueerd, het betreft een bedrijfsbestemming ten behoeve van niet-agrarisch-technische hulpbedrijven en niet-agrarisch verwante bedrijven. Ter plaatse zijn bedrijven in milieucategorie 3.1 toegestaan waarvoor een richtafstand geldt van 50 meter. Het plangebied is gelegen op een afstand van minimaal 75 meter. De beoogde ontwikkeling is in het kader van bedrijven en milieuzonering dan ook geen bezwaar. Ten oosten van het plangebied is een melkveebedrijf aanwezig. Voor dergelijke bedrijven geldt in gemengd gebied een richtafstand van 10 meter voor de factoren ‘stof’ en ‘geluid’ en 50 meter voor ‘geur’. Het bestemmingsvlak van het melkveebedrijf ligt tegen het plangebied. Voor te nieuw toe te voegen woningen zijn bouwvlakken opgenomen. Deze liggen op een afstand van minimaal 50 meter tot het agrarisch bouwvlak en op een afstand van ten minste 55 meter tot de dierenverblijven. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstanden voor stof en geluid. Daarbij dient ook in ogenschouw te worden genomen dat tussen de nieuwe woningen en het agrarisch bedrijf een parkeerschuur/opslagfunctie wordt gebouwd. Deze heeft een afschermde functie voor geluid.
De grond tussen dit bijgebouw en het agrarisch bedrijf is bestemd voor een groene inpassing. Daarmee kan worden gesteld dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Voor de factor geur is de Wet geurhinder en veehouderij leidend. Uit paragraaf 5.7.4 geurhinder blijkt dat dit onderdeel geen belemmering volgt. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen bezwaar. 5.7.2 Bodem Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht, moet in planvorming rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. In de Bouwverordening van de gemeente Oss is geregeld dat onder bepaalde omstandigheden het oprichten van gebouwen pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij iedere nieuwbouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld. Ter plaatse van het plangebied zijn een tweetal bodemonderzoeken uitgevoerd. Navolgende conclusies en aanbevelingen komen voort uit het uitgevoerde onderzoek. Rapport B2694 Oijense Bovendijk 19 te Oijen
Oijense Bovendijk 19 Oijen – 2023, pag. 43 van 71 Ontwerp september 2023
“In opdracht van Mani Varkenshouderij te Oijen heeft Bodeminzicht een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op het perceel Oijense Bovendijk 19 te Oijen. Aanleiding voor het verkennend bodemonderzoek is de voorgenomen aanvraag van een bestemmingswijziging op de onderzoekslocatie en beëindiging van de agrarische activiteiten (varkenshouderij). Op basis van het vooronderzoek wordt de voormalige spoelplaats als verdachte deellocatie met duidelijke verontreinigingskern beschouwd. De locatie met beoogde bestemming wonen wordt als onverdachte nietlijnvormige locatie beschouwd. Resultaten Tijdens het veldwerk is plaatselijk een bijmenging aangetroffen van baksteen in boven- en ondergrond. In een enkel geval is een bijmenging van houtskool vastgesteld. De aangetroffen bijzonderheden zoals baksteen en houtskool worden als bodemvreemd beschouwd, maar hebben niet geleid tot aanpassing van de onderzoeksstrategie. Het aanwezige menggranulaat is onder certificaat geleverd en valt derhalve buiten de scope van het onderzoek. Inspectie van het maaiveld en het beoordelen van opgeboorde grond vormden geen aanleiding voor het verrichten van asbestonderzoek. In het mengmonster BG1 van resten baksteenhoudende bovengrond zijn gehaltes aan zink en PAK gemeten boven de achtergrondwaarden.
De verhoogde gehaltes zijn grotendeels gerelateerd aan de waargenomen bijmenging van baksteen en mogelijk aan het voormalige gebruik van de locatie (PAK bij opslag van kolen) en ligging aan de Maas (zware metalen). De aangetoonde gehaltes aan zink en PAK vormen geen aanleiding voor aanvullend onderzoek. In het mengmonster BG2 van zintuiglijk schone bovengrond zijn gehaltes aan kobalt, zink en cadmium aangetoond boven de achtergrondwaarden. De verhoogde gehaltes zijn gerelateerd aan de ligging aan de Maas (zware metalen). De aangetoonde gehaltes aan zware metalen vormen geen aanleiding voor aanvullend onderzoek. In het mengmonster BG3 van de bovengrond ter plaatse van de spoelplaats zijn geen gehaltes aan onderzochte stoffen gemeten boven de achtergrondwaarden. In het mengmonster OG1 van de baksteen- en houtskoolhoudende ondergrond zijn gehaltes aan minerale olie, zink, cadmium en PAK gemeten boven de achtergrondwaarden. De gehaltes zijn gerelateerd aan de waargenomen bijmengingen van baksteen en houtskool. Het gehalte aan PAK vormde aanleiding voor aanvullend onderzoek. Hierbij is het gehalte aan PAK van de drie deelmonsters bepaald. In de ondergrond ter plaatse van boring 7, op een diepte van 0,60 tot 1,00 m-mv, is een gehalte aan PAK gemeten boven interventiewaarde. De andere deelmonsters bevatten geen gehalte aan PAK boven de achtergrondwaarde.
Het gehalte aan PAK in deelmonster 7-2 vormt aanleiding voor nader onderzoek. In het mengmonster OG2 van visueel schone ondergrond zijn gehaltes aan kobalt en PAK gemeten boven de achtergrondwaarden. De gehaltes zijn marginaal verhoogd en vormen geen aanleiding voor aanvullend onderzoek. In het grondwater ter plaatse van peilbuis 9 zijn gehaltes aan nikkel, cadmium en barium gemeten boven de streefwaarden. In het grondwater ter plaatse van de voormalige spoelplaats (peilbuis 17a) zijn gehaltes aan molybdeen en barium gemeten boven de streefwaarden. Gehaltes aan zware metalen worden vaker verhoogd gemeten in grondwater. Een relatie met het voormalig gebruik van de locaties wordt niet vermoed en de verhoogde gehaltes kunnen als regionaal verhoogd worden beschouwd. De gehaltes zijn marginaal verhoogd en vormen geen aanleiding voor nader onderzoek. Conclusie en advies
Oijense Bovendijk 19 Oijen – 2023, pag. 44 van 71 Ontwerp september 2023
De resultaten van het onderzoek stemmen niet geheel overeen met de hypothese. In de boven- en ondergrond van het onverdachte terrein worden verhoogde gehaltes aan zware metalen en plaatselijk PAK en minerale olie gemeten. Ter plaatse van meetpunt 7 is een gehalte aan PAK gemeten boven de interventiewaarde, op een diepte van 0,60 tot 1,00 mmv. Dit gehalte vormt aanleiding voor nader onderzoek. De overige resultaten vormen geen aanleiding voor aanvullend of nader onderzoek. De bodemkwaliteit ter plaatse van meetpunt 7 vormt mogelijk een belemmering voor de beoogde bestemmingswijziging. Geadviseerd wordt nader onderzoek te verrichten naar de verontreiniging met PAK in de ondergrond ter plaatse van meetpunt 7. Het doel van nader onderzoek is het vaststellen van de ernst en omvang van bodemverontreiniging met PAK.” Nader onderzoek en aanvullend onderzoek Oijense Bovendijk 19 te Oijen “In opdracht van Mani Varkenshouderij te Oijen heeft Bodeminzicht een nader onderzoek en aanvullend onderzoek uitgevoerd op het perceel Oijense Bovendijk 19 te Oijen (gemeente Oss). Aanleiding voor het nader onderzoek zijn de gemeten concentraties PAK in de vaste bodem ter plaatse van meeptunt 7 bij voorgaand verkennend bodemonderzoek ‘B2694 Oijense Bovendijk 19 te Oijen’, bureau Bodeminzicht, 1 juli 2021.
‘Geadviseerd wordt nader onderzoek te verrichten naar de verontreiniging met PAK in de ondergrond ter plaatse van meetpunt 7, op een diepte van 0,60 tot 1,00 m-mv. Het doel van nader onderzoek is het vaststellen van de ernst en omvang van bodemverontreiniging met PAK’ Het doel van dit onderzoek is het vaststellen of sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging ter plaatse van meetpunt 7. Conclusie nader onderzoek Ter plaatse van meetpunt 7 uit voorgaand onderzoek is geen sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging met PAK aangetoond. Er is sprake van een puntverontreiniging, mogelijk als gevolg van een brokje puin of asfalt uit bovenliggende menggranulaat, dan wel van de waargenomen bijmenging van houtskool. Conclusie aanvullend verkennend bodemonderzoek Uit aanvullend verkennend bodemonderzoek van twee deellocaties zijn geen gehaltes aangetoond die aanleiding vormen voor nader onderzoek. Op basis van de onderzoeksresultaten bestaan geen belemmeringen voor de herbestemming van de onderzoekslocaties.” De eventueel bij werkzaamheden vrijkomende grond is op of buiten het onderzoeksterrein herbruikbaar. Indien vrijkomende grond van de locatie afgevoerd dient te worden, dient men rekening te houden met de regels van het vigerende Besluit Bodemkwaliteit. Conclusie en afstemming De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Beide onderzoeken zijn getoetst door de bodemexpert van de gemeente Oss en akkoord bevonden. Ter verduidelijking op beide onderzoeken is aangeven enkele punten nader toe te lichten. Dit behelst het volgende: -
De aangetroffen betonplaat bij meetpunt 208 betrof de betonverharding zoals ook bij de voormalige spoelplaats. De bodem ter plaatse van de spoelplaats (punten 17/17a/17b nabij 207 en 208) is in juli 2021 onderzocht, geen verontreinigingen noch bijmengingen zijn aangetroffen. Inmiddels zijn de putten van de schuur en de betonverharding volledig verwijderd. De verharding zoals nu aanwezig naast en achter de bestaande woning blijf behouden in het nieuwe plan. Hier wordt de ontsluiting voor de nieuwe woningen deels over gerealiseerd.
Oijense Bovendijk 19 Oijen – 2023, pag. 45 van 71 Ontwerp september 2023
-
Boring 207 bevindt zich direct nabij de spoelplaats, deze is in juli 2021 voldoende onderzocht. Boring 207 ligt op 2 meter afstand van boring 17b (spoelplaats). Door sloopwerkzaamheden is wat puin net buiten de contour van de oorspronkelijke stal terecht gekomen. Onder de bestaande loods is een betonvloer aanwezig waarvan de onderliggende laag niet onderzocht is. De loods wordt herbenut (o.a. ten behoeve van parkeren) binnen het plangebied en verplaatst. Loods dateert van 2006, geen asbesthoudende materialen zijn gebruikt, de loods is gebouwd op landbouwgrond op een aangebrachte laag geel zand. De loods blijft behouden, de vloer bij voorkeur intact houden. Omliggende boven- en ondergrond is onderzocht, geen noemenswaardige verhoogde gehalten zijn aangetoond.
5.7.3 Externe veiligheid Rijkskader Externe veiligheid behandelt de risico's die ontstaan als gevolg van opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico’s kunnen hun weerslag hebben op de omgeving. Het wettelijke kader voor externe veiligheid bestaat onder meer uit: - het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) - het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) - het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Enerzijds gaat het over de risicobronnen (bedrijven of transportroutes). Anderzijds gaat het over de risicoontvangers (omstanders die niets met de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen te maken hebben). Wat betreft de risico-ontvangers maakt de wetgeving onderscheid in kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbare objecten zijn gebouwen, waarin (of waarbij) groepen van circa 50 personen of groter, gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. Ook sommige gebouwen waarin/waarbij kleinere groepen verblijven, worden als kwetsbaar object gezien, wanneer die personen beperkt zelfredzaam zijn (zoals zieken, bejaarden of gehandicapten). Beperkt kwetsbare objecten zijn verspreid liggende woningen en bedrijven waarin/waarbij groepen van minder dan 50 personen gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven.
In de landelijke wetgeving wordt meer gedetailleerd beschreven wat er onder kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten wordt verstaan. Belangrijk is hierbij dat de opsomming in de wetgeving niet limitatief is, zodat er in de verdere uitwerking van het beleid nog enige vrijheid rest. Verder maakt de wetgever onderscheid tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit.
Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen.
Gemeentelijk kader Ook in de gemeente Oss zijn risicobronnen aanwezig in de vorm van transportassen en stationaire activiteiten. Dit vraagt om een gemeentelijke visie. Op 19 mei 2011 heeft de gemeenteraad de Beleidsvisie Externe veiligheid vastgesteld. Deze beleidsvisie beschrijft op welke manier de gemeente Oss externe veiligheid in haar afwegingen betrekt.
Oijense Bovendijk 19 Oijen – 2023, pag. 46 van 71 Ontwerp september 2023
Toets Plangebied Inrichtingen In de omgeving van het plangebied zijn geen inrichtingen gelegen die van belang zijn in het kader van externe veiligheid. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de risicokaart waarop het plangebied is aangeduid met een rode marker.
Figuur 14: Uitsnede risicokaart provincie Noord-Brabant, het plangebied is indicatief aangeduid met een rode marker
Vervoer over weg, water, spoor en door buisleidingen Er vindt in de omgeving van het plangebied geen vervoer van gevaarlijke stoffen per spoor of autowegen plaats. Dit aspect vormt derhalve geen bezwaar. De Maas is gecategoriseerd als zwarte vaarroute (belangrijke binnenvaartroute). Er is geen sprake van plaatsgebonden risico-contouren op de oever. Het invloedsgebied is 1.070 meter, gebaseerd op het vervoer van toxische stoffen. Hoogspanningslijnen In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen hoogspanningslijnen. Dit aspect is dan ook niet van toepassing. Verantwoording groepsrisico Binnen 200 meter van het spoor, de rijksweg of de Maas moet er extra aandacht aan de verantwoording van het groepsrisico moet worden besteedt. De beoogde nieuwe woning aan de Oijense Bovendijk wordt opgericht binnen een afstand van 200 meter tot de Maas. Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario is, biedt schuilen de beste wijze van bescherming. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Van belang is dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding.
Oijense Bovendijk 19 Oijen – 2023, pag. 47 van 71 Ontwerp september 2023
Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote calamiteiten bij een incident te voorkomen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting en zijn afhankelijk van het maatgevende scenario. De mogelijkheden t.a.v. zelfredzaamheid zijn goed. Er zijn geen aanwijzingen dat een groep niet-of verminderd zelfredzame mensen in het plangebied aanwezig (zullen) zijn. De aanwezigen zijn naar verwachting voldoende mobiel om indien noodzakelijk zelfstandig te kunnen vluchten. Gevlucht kan worden in meerdere richtingen en van de risicobron af. Bij een toxische wolk is schuilen echter het beste handelingsperspectief. Als gevolg van de eisen in het Bouwbesluit zijn gebouwen doorgaans goed geïsoleerd. Het schuilen kan hierdoor effectief plaatsvinden. 5.7.4 Explosieven Het plangebied is geheel onverdacht van ontplofbare oorlogsresten uit WOII op basis van de bodembelastingkaart ontplofbare oorlogsresten en het daaraan gekoppelde vooronderzoek uit 2016. Dit wil zeggen dat de kans dat tijdens grondwerkzaamheden binnen het plangebied explosieven of munitie wordt gevonden zeer klein is. Daarnaast is de grond ter plaatse al verstoord door de voormalige bebouwing.
Het is niet nodig om hier onderzoek naar te doen. Echter kan het voorkomen dat bij toeval toch een artikel wordt gevonden wat er uit ziet als een explosief of munitie. In dat geval geldt het protocol toevalsvondsten: stop de werkzaamheden, iedereen verlaat lopend het werkterrein (i.v.m. trillingen door voertuigen en machines) en bel de politie op 0900-8844. De Explosieven Verkenner (EV) of Teamleider Explosieven Veiligheid (TEV) van de politie komt op de locatie beoordelen of het om munitie gaat die moet worden geruimd. Zo ja, schakelt deze de Explosieven Opruimingsdienst van Defensie (EODD) in. Zo nee, dan kunnen werkzaamheden worden hervat. 5.7.5 Geurhinder: agrarisch De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is het beoordelingskader voor geur bij milieuvergunningen, bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Het gaat uitdrukkelijk om agrarische geur van landbouwhuisdieren uit dierstallen. De wet maakt onderscheid tussen geurnormen voor intensieve en extensieve veehouderijen. De geurbelasting van intensieve veehouderijen wordt berekend en uitgedrukt in de vorm van een geurcontour. De geurbelasting van extensieve veehouderijen wordt uitgedrukt in vaste afstanden. De gemeente Oss heeft op basis van de wet een eigen geurbeleid opgesteld. Het geurbeleid bestaat uit twee delen: de “Geurgebiedsvisie 2013” en de “Agrarische geurverordening gemeente Oss 2017”.
Het hanteert per soort gebied een eigen geurnorm en streeft de volgende doelen na: - de burger beschermen tegen geurhinder; - de veehouderijen niet onnodig beperken; - ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken, onder de voorwaarde dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is. De gemeentelijke “Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder” is van belang voor de vraag of een ruimtelijke ontwikkeling kan plaatsvinden. De beleidsregel geeft aan wanneer sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oss 2017 wordt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object binnen de gemeente Oss vastgelegd. Conform Artikel 3 Waarden voor de geurbelasting van de verordening zijn de volgende waarden vastgelegd: Lid 1. Op grond van artikel 6, lid 1 van de wet en in afwijking van artikel 3, lid 1 van de wet bedraagt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in het gebied als genoemd in artikel 2, lid 1 van deze verordening: A. Stad Oss
1,0 Ou
Oijense Bovendijk 19 Oijen – 2023, pag. 48 van 71 Ontwerp september 2023