Toelichting BP zwaluwstraat spoorlaan
Tekst van het document
5.7
Milieuaspecten
In deze paragraaf wordt ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten die verband houden met, of betrekking hebben op de ruimtelijke ontwikkeling. Het gaat daarbij meestal om de wisselwerking met de omgeving. Welke gevolgen heeft het initiatief voor de omgeving en omwonenden? Maar ook, welke gevolgen hebben activiteiten in de omgeving voor de mogelijkheden op de projectlocatie? Achtereenvolgens komen de volgende aspecten aan bod: Bedrijven en milieuzonering Bodem Externe veiligheid Geurhinder: agrarisch Geur: industrieel Luchtkwaliteit Straling Weg-, spoor-, en industrielawaai Gezondheid Spuitzones 5.7.1
Bedrijven en milieuzonering
Een goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten van bedrijven en gevoelige functies, zoals woningen. Het doel van milieuzonering is om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast kan milieuzonering bedrijven voldoende zekerheid bieden om hun activiteiten duurzaam uit te voeren. De handreiking Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft richtafstanden om de milieuzonering van bedrijven te kunnen bepalen. Twee omgevingstypen De toelaatbaarheid van milieubelastende functies die volgens de VNG worden gehanteerd zijn afhankelijk van het type gebied. Er bestaan twee type gebieden, te weten: 1. een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied) of; 2. een gebied met functiemenging. Binnen de gebieden met functiemenging heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden
Spoorlaan/Zwaluwstraat Oss - 2024, pag. 57 van 85 juni 2024
van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid en gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies. Doorwerking plangebied Voor herontwikkeling heeft milieuadviesbureau De Roever een onderzoek bedrijven en milieuzonering uitgevoerd. Het gehele onderzoek is opgenomen in de bijlagen. Het plangebied is onderdeel van een woonwijk met enige lichte bedrijvigheid en maatschappelijke functies iets ten noorden van het plan. Echter is er wel duidelijk sprake van een ligging direct aan de hoofdinfrastructuur in de vorm van de spoorlijn Den Bosch – Nijmegen. In het akoestisch onderzoek zijn er ook aanzienlijke geluidsniveaus van deze spoorlijn berekend. Het plangebied kan daarom worden aangemerkt als gelegen in het omgevingstype ‘gemengd gebied’. In het onderzoek zijn de richtafstanden van de milieubelastende functies rondom het plangebied onderzocht. Er zijn drie mogelijke milieubelastende functies: Tabel 5.9: Richtafstanden milieubelastende functies omgeving gemengd gebied
De richtafstanden liggen niet over het plangebied. Hierdoor kan uitgesloten worden dat de ontwikkeling leidt tot een belemmering van omliggende bedrijven. Ook kan er hierdoor gesteld worden dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. 5.7.2
Bodem
Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht, moet in planvorming rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. In de Bouwverordening van de gemeente Oss is geregeld dat onder bepaalde omstandigheden het oprichten van gebouwen pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij iedere nieuwbouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld.
Spoorlaan/Zwaluwstraat Oss - 2024, pag. 58 van 85 juni 2024
Doorwerking plangebied In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is door Milon een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd. Onderstaand zijn de belangrijkste conclusies opgenomen. De gehele rapportage is opgenomen in de bijlagen. Op basis van het vooronderzoek is bovengrond op de locatie verdacht op het voorkomen van verontreiniging met DDT en asbest. Ter plaatse van twee locaties met asbestverdachte daken, waar op onverhard maaiveld afwatering plaatsvindt, is de toplaag van de bodem verdacht op asbest en PCB. Er is tijdens de maaiveldinspectie geen asbestverdacht materiaal waargenomen. In de bovengrond zijn in het opgeboorde materiaal bodemvreemde bijmengingen waargenomen van resten en sporen puin, baksteen, beton en aardewerk. In het opgegraven materiaal in het asbestonderzoek zijn twee stukjes asbestverdacht materiaal aangetroffen. Verder zijn in het opgeboorde materiaal geen bodemvreemde bijmengingen waargenomen of waarnemingen gedaan die kunnen duiden op een bodemverontreiniging. In de bovengrond zijn plaatselijk en na aanvullend analytisch onderzoek gehaltes PCB, lood, organochloorbestrijdingsmiddelen (som), drins (aldrin+dieldrin+endrin) en DDD gemeten boven de achtergrondwaarde.
De gemeten gehalten komen overeen met de zintuiglijke waarnemingen en de verwachting op basis van het vooronderzoek en zijn vermoedelijk veroorzaakt door de waargenomen bodemvreemde bijmengingen en door ophoging in het verleden. De hier aangetroffen gehaltes zijn gering en vormen geen aanleiding tot vervolgonderzoek. Tijdens de bemonstering zijn geen bijzonderheden waargenomen die duiden op een mogelijke verontreiniging van het grondwater. In het grondwater zijn plaatselijk concentraties cadmium, zink en barium boven de streefwaarde gemeten. De gemeten concentraties komen overeen met de verwachting op basis van het vooronderzoek en betreffen waarschijnlijk verhoogde achtergrondconcentraties. De hier aangetroffen concentraties zijn gering en vormen geen aanleiding tot vervolgonderzoek. Uit laboratoriumonderzoek blijkt dat de twee stukjes asbestverdacht materiaal daadwerkelijk asbesthoudend zijn (hechtgebonden, chrysotiel). In de fijne fractie (<20 mm) is alleen in mengmonster mmH een zeer licht verhoogd gehalte aangetroffen (0,26 mg/kg ds). In alle andere grondmengmonsters is geen gehalte boven de detectielimiet aangetoond. Op basis van de gewogen gehalten asbest wordt in geen van de monsters de grens voor nader asbest in grondonderzoek overschreden. Er is geen sprake van asbestverontreiniging en nader asbestonderzoek is niet noodzakelijk.
Ter plaatse van de afwateringszones is geen verhoogd gehalte PCB gemeten. Het onderzoek heeft geleid tot een goed beeld van de bodemkwaliteit. Er zijn ten hoogste licht verhoogde gehaltes in de grond en licht verhoogde concentraties in het grondwater aanwezig. Vervolgonderzoek is niet noodzakelijk. De bodemkwaliteit levert geen belemmering op voor het gebruik als wonen met siertuin en de voorgenomen herontwikkeling. Het bodemonderzoek is uitgevoerd voordat alle sloopwerkzaamheden binnen het plangebied zijn afgerond. Hierdoor zijn verschillende delen van het plangebied niet geïnspecteerd of onderzocht (woningen en diverse tuinen). Bodemonderzoek (waaronder naar asbest) is ter plaatse van deze delen van het plangebied wel noodzakelijk. Om deze reden is een voorwaardelijke planregel voor aanvullend bodemonderzoek ter plaatse van de nu nog niet onderzochte delen van het plangebied opgenomen.
Spoorlaan/Zwaluwstraat Oss - 2024, pag. 59 van 85 juni 2024
5.7.3
Externe veiligheid
Rijkskader Externe veiligheid behandelt de risico's die ontstaan als gevolg van opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico’s kunnen hun weerslag hebben op de omgeving. Het wettelijke kader voor externe veiligheid bestaat onder meer uit: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Enerzijds gaat het over de risicobronnen (bedrijven of transportroutes). Anderzijds gaat het over de risicoontvangers (omstanders die niets met de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen te maken hebben). Wat betreft de risico-ontvangers maakt de wetgeving onderscheid in kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbare objecten zijn gebouwen, waarin (of waarbij) groepen van circa 50 personen of groter, gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. Ook sommige gebouwen waarin/waarbij kleinere groepen verblijven, worden als kwetsbaar object gezien, wanneer die personen beperkt zelfredzaam zijn (zoals zieken, bejaarden of gehandicapten). Beperkt kwetsbare objecten zijn verspreid liggende woningen en bedrijven waarin/waarbij groepen van minder dan 50 personen gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. In de landelijke wetgeving wordt meer gedetailleerd beschreven wat er onder kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten wordt verstaan.
Belangrijk is hierbij dat de opsomming in de wetgeving niet limitatief is, zodat er in de verdere uitwerking van het beleid nog enige vrijheid rest. Verder maakt de wetgever onderscheid tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen.
Gemeentelijk kader Ook in de gemeente Oss zijn risicobronnen aanwezig in de vorm van transportassen en stationaire activiteiten. Dit vraagt om een gemeentelijke visie. Op 19 mei 2011 heeft de gemeenteraad de Beleidsvisie Externe veiligheid vastgesteld. Deze beleidsvisie beschrijft op welke manier de gemeente Oss externe veiligheid in haar afwegingen betrekt. Doorwerking plangebied Er is door Adviesgroep AVIV een onderzoek naar externe veiligheid uitgevoerd. De belangrijkste onderzoeksconclusies worden hieronder weergegeven. Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Het plangebied ligt gedeeltelijk binnen 200 meter van de spoorlijn 64C, Den Bosch – Nijmegen, die deel uitmaakt van het Basisnet spoor [4, 10]. Onderstaande afbeelding toont de ligging van het plangebied ten opzichte van het spoor.
Spoorlaan/Zwaluwstraat Oss - 2024, pag. 60 van 85 juni 2024
Figuur 5.8 Ligging plangebied t.o.v. het spoor
Spoorroute In het onderzoek zijn risicoberekeningen uitgevoerd met betrekking tot spoorlijn Den Bosch - Nijmegen in het kader van de ontwikkeling van woningbouw in de Vogelbuurt te Oss. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan. Groepsrisico Het groepsrisico is kleiner dan 10% van de oriëntatiewaarde. Dit betekent dat de verdere verantwoording van het groepsrisico achterwege kan blijven. Wel dient de veiligheidsregio in de gelegenheid te worden gesteld om advies uit te brengen. In de toelichting bij het besluit dient in elk geval in te worden gegaan op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien een ramp zich voordoet. Plasbrandaandachtsgebied Voor de beschouwde spoorlijn geldt geen plasbrandaandachtsgebied. Er hoeft geen rekening te worden gehouden met de effecten van een plasbrand. Advies Veiligheidsregio Het concept ontwerpbestemmingsplan is voorgelegd aan de Veiligheidsregio Brabant Noord. De reactie van de Veiligheidsregio is hieronder opgenomen. Omdat de ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt in het invloedsgebied van de spoorlijn ’s-Hertogenbosch – Nijmegen dient conform artikel 8 BEVT het groepsrisico te worden verantwoord. Door adviesbureau AVIV is een extern veiligheidsonderzoek uitgevoerd.
Uit dit onderzoek blijkt dat de oriënterende waarde niet
Spoorlaan/Zwaluwstraat Oss - 2024, pag. 61 van 85 juni 2024
wordt overschreden en de stijging van het berekend groepsrisico <10% bedraagt. Hieruit volgt dat t.b.v. het ruimtelijk besluit met een beperkte verantwoording over het groepsrisico kan worden volstaan. Dit advies biedt de bouwstenen hiervoor. Scenario's De relevante scenario’s i.r.t het plangebied zijn een BLEVE en een toxische wolk. Het invloedsgebied van beide scenario’s reiken over het hele plangebied. De afstand tussen de spoorlijn en de dichtstbijzijnde woningen bedraagt ca. 60 meter. Na voltooiing van het hele programma zijn kunnen er 613 personen in het gebied aanwezig3. Het slachtoffer- en schadebeeld is afhankelijk van de afstand tussen de incident locatie en de locatie waar personen zich bevinden. E.e.a. wordt zichtbaar gemaakt in onderstaande figuren. Uit de tabel BLEVE blijkt dat een substantieel aantal slachtoffers te verwachten is. De meeste slachtoffers zijn te verwachten in woningen aan de Spoorlaan en op de hoek Spoorlaan-Zwaluwstraat. Uit de tabel toxisch blijkt dat op het moment mensen binnen schuilen de kans op letaal en ernstig letsel sterk afneemt.
Figuur 5.9: slachtoffer- en schadebeeld scenario BLEVE (explosie)
Figuur 5.10: slachtoffer- en schadebeeld scenario toxisch
3
in de huidige situatie 218 personen
Spoorlaan/Zwaluwstraat Oss - 2024, pag. 62 van 85 juni 2024
Beoordeling zelfredzaamheid De zelfredzaamheid is afhankelijk van verschillende factoren. Het programma is geschikt voor verschillende inkomens en verschillende gezinssamenstellingen. Er zullen geen groepen met een laag mate van zelfredzaamheid in het gebied gehuisvest worden. Er mag worden aangenomen dat de toekomstige bewoners in staat zijn om zelfstandig op een waarschuwing of instructies kunnen reageren. Een incident zal als gevolg van de beperkte afstand tussen de spoorlijn en het plangebied snel opgemerkt worden. Het gebied kan via de langzaam verkeersontsluitingen naar de Leeuwerikstraat en vanuit daar verder van het spoor ontvlucht worden Bovenstaande leidt tot de conclusie dat de zelfredzaamheid als voldoende wordt beoordeeld. Beoordeling bestrijdbaarheid De spoorlijn is ter hoogte van het plangebied bereikbaar. Aan de Spoorlaan liggen brandkranen. Om een ketelwagon effectief te kunnen koelen zijn grote hoeveelheden bluswater nodig. Een BLEVE kan na 15 minuten plaats vinden. Het is twijfelachtig of binnen dit tijdsbestek in een effectieve koeling kan worden voorzien. Voor het scenario toxisch geldt dat een uitstomende stof direct zal verdampen en meegevoerd worden met de wind. De brandweer zal de wolk trachten met water neer te slaan. De bestrijdbaarheid wordt om deze redenen als matig beoordeeld.
Advies Uit de beoordeling blijkt dat het beste ingezet kan worden om de zelfredzaamheid in het plangebied te verhogen. Wij adviseren om in de verdere planvorming bouwen zo veel als mogelijk rekening te houden met een aantal veiligheidsprincipes met als belangrijkste doelen: het risico en de gevolgen van een incident voor de toekomstige bewoners te verminderen te beperken en de hulpdiensten in staat te stellen om het risico zo goed mogelijk te beheersen en z.s.m. effectief hulp te verlenen.
Door het beperken van het glasoppervlak per kozijn en hierin dikker glas te plaatsen of het toepassen van beglazing met een kleinere kans op scherfwerking verminderd de kans op letsels. Dikker glas heeft ook een positief effect op de geluidsbelasting in de woningen. Dit advies heeft betrekking op de raampartijen in de gevels gericht naar het spoor. Het vluchten uit grondgebonden woningen is geen probleem. Voor appartementen- gebouwen geldt dat men via een trappenhuis of een galerij de begane grond moet bereiken. Geadviseerd wordt om in het ontwerp van de appartementen liggend aan de Spoorlaan de vluchtwegen aan de risicoluwe zijde te situeren Ventilatie: uit artikel 4.124 BBl volgt een verplichting dat een mechanische ventilatie handmatig moet kunnen worden afgeschakeld. Indien iedere woning individueel geventileerd wordt zal dit per woning mogelijk moeten zijn. Houdt bij het ontwerp van de installatie er rekening mee dat de bewoners eenvoudig de ventilatie kunnen stoppen. Risicocommunicatie: de Gemeente Oss is een van deelnemers aan de campagne “op t juiste spoor” Door de beschikbare informatie actief te (laten) delen zijn mensen zich bewust van het risico en handelingsperspectief, en kunnen deze informatie mee nemen in het besluit om hier te gaan wonen. De Zwaluwstraat zal worden opgeheven.
Dit heeft mogelijk consequenties voor de reguliere hulpverlening m.b.t de bereikbaarheid van de appartemetengebouwen aan deze weg. Deze panden worden vanuit het binnenterrein ontsloten. Op basis van de schetsen in het plan is niet vast te stellen of er sprake is van voldoende bereikbaarheid t.b.v. de hulpverlening. Geadviseerd wordt om in het definitief ontwerp van het plan rekening te houden met de richtlijnen. Onder de appartementengebouwen aan de Zwaluwstraat zijn stallinggarages voorzien voor resp. 53 en 56 auto’s. Voor deze functie geldt een hogere bluswaterbehoefte dan voor de andere gebouwen binnen het plan. Deze bedraagt 60m³/uur beschikbaar binnen 3 minuten na aankomst van de brandweer. Dit vertaald zich in een maximale afstand van 40 meter tussen de bluswatervoorziening
Spoorlaan/Zwaluwstraat Oss - 2024, pag. 63 van 85 juni 2024
en de toegang tot de parkeerstallingen. Geadviseerd wordt om te onderzoeken of d.m.v. de aanwezige bluswatervoorzieningen in de bluswaterbehoefte kan worden voorzien. Overige risicobronnen Aardgasleidingen Op afstand van 105 meter ten zuiden van het plangebied ligt een aardgasleiding van Gasunie met een diameter van 9 inch en een werkdruk van 33 bar. De maximale effectafstand (invloedsgebied) van deze buisleiding is 90 meter. Het plangebied ligt buiten dit invloedsgebied: de risicobron kan daarom verder buiten beschouwing worden gelaten. Inrichtingen Het plangebied ligt buiten de invloedsgebieden van inrichtingen in de omgeving. Rijksweg N329 Het plangebied ligt op circa 550 meter ten westen van de N329 (Megensebaan) waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Het ligt buiten het invloedsgebied van het vervoer van LPG over de weg van 355 meter. Deze risicobron kan daarom buiten beschouwing worden gelaten. 5.7.4
Geurhinder: agrarisch
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is het beoordelingskader voor geur bij milieuvergunningen, bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Het gaat uitdrukkelijk om agrarische geur van landbouwhuisdieren uit dierstallen. De wet maakt onderscheid tussen geurnormen voor intensieve en extensieve veehouderijen. De geurbelasting van intensieve veehouderijen wordt berekend en uitgedrukt in de vorm van een geurcontour. De geurbelasting van extensieve veehouderijen wordt uitgedrukt in vaste afstanden. De gemeente Oss heeft op basis van de wet een eigen geurbeleid opgesteld. Het geurbeleid bestaat uit twee delen: de “Geurgebiedsvisie 2013” en de “Agrarische geurverordening gemeente Oss 2017”. Het hanteert per soort gebied een eigen geurnorm en streeft de volgende doelen na: de burger beschermen tegen geurhinder; de veehouderijen niet onnodig beperken; ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken, onder de voorwaarde dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is. De gemeentelijke “Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder” is van belang voor de vraag of een ruimtelijke ontwikkeling kan plaatsvinden. De beleidsregel geeft aan wanneer sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
In de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oss 2017 wordt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object binnen de gemeente Oss vastgelegd. Conform Artikel 3 Waarden voor de geurbelasting van de verordening zijn de volgende waarden vastgelegd: Lid 1. Op grond van artikel 6, lid 1 van de wet en in afwijking van artikel 3, lid 1 van de wet bedraagt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in het gebied als genoemd in artikel 2, lid 1 van deze verordening: A. Stad Oss
1,0 Ou
B. Woonkern met geen/enige intensieve veehouderij
2,0 Ou
C. Plangebied (bij kern A en B)
3,0 Ou
D. Woonkern met intensieve veehouderij
6,0 Ou
E. Zoekgebied + plangebied Maren-Kessel West en Liesdaal
6,0 Ou
Spoorlaan/Zwaluwstraat Oss - 2024, pag. 64 van 85 juni 2024
F. Recreatiegebieden
8,0 Ou
G. Extensiveringsgebieden
8,0 Ou
H. Bedrijventerreinen
8,0 Ou
I. Bedrijventerrein Vorstengrafdonk
12,0 Ou
J. Verwevingsgebied
14,0 Ou
K. Landbouwontwikkelingsgebied
14,0 Ou
Doorwerking plangebied Woningen worden aangemerkt als geurgevoelige objecten in het kader van de Wgh. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen veehouderijen gelegen die geurhinder zouden kunnen veroorzaken. Dit blijkt ook uit gegevens van de Omgevingsdienst Zuidoost Brabant. In onderstaande figuur is een uitsnede van de kaart ‘Achtergrondbelasting geur’ van de omgevingsdienst weergegeven. Uit de kaart blijkt dat de kwaliteit van de leefomgeving, wat betreft geur, als ‘zeer goed’ wordt aangemerkt.
Figuur 5.11 Uitsnede kaart ‘Achtergrondbelasting geur’ (bron: ODZOB), plangebied rood omlijnd
5.7.5
Geur: industrieel
Het nationale industriële geurbeleid is vastgelegd in de Nederlandse emissierichtlijn (NeR). De brief van het ministerie van Infrastructuur en Milieu van 30 juni 2005 stelt het rijksbeleid in grote lijnen vast. Het algemene uitgangspunt is het voorkomen van (nieuwe) hinder. Dit uitgangspunt vormt samen met het toepassen van de Beste Beschikbare Techniek (BBT) de kern van het geurbeleid. Uitgangspunten van het rijksbeleid zijn: als er geen hinder is, zijn maatregelen niet nodig; als er wel hinder is, worden maatregelen getroffen op basis van het Beste Beschikbare Techniekprincipe; de gemeente stelt vast welke mate van hinder acceptabel is. Gemeenten en provincies hebben de bevoegdheid om een eigen geurbeleid vast te stellen. De provincie Noord-Brabant heeft een eigen geurbeleid voor provinciale bedrijven, de Beleidsregel beoordeling geurhinder omgevingsvergunningen industriële bedrijven Noord-Brabant. De gemeente Oss heeft geen
Spoorlaan/Zwaluwstraat Oss - 2024, pag. 65 van 85 juni 2024
eigen industrieel geurbeleid. Per situatie stelt de gemeente Oss vast of sprake is van een acceptabel geurniveau. Er zijn verschillen in het niveau van bescherming mogelijk. Voor een bedrijfswoning kan bijvoorbeeld een hogere geurbelasting gehanteerd worden dan voor aaneengesloten woonbebouwing. Doorwerking plangebied Het plangebied bevindt zich in de omgeving van bedrijventerrein “Moleneind, Landweer en Danenhoef”. Uit het onderzoek bedrijven en milieuzonering blijkt dat de richtafstanden (inclusief de richtafstand voor geur) van dit bedrijventerrein niet over het plangebied liggen. Hierdoor kan uitgesloten worden dat de ontwikkeling leidt tot een belemmering van omliggende bedrijven. Ook kan er hierdoor gesteld worden dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Het aspect geur vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. 5.7.6
Luchtkwaliteit
Het beleid en de regelgeving over luchtkwaliteit heeft tot doel om mensen te beschermen tegen de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging. Ze bevatten luchtkwaliteitsnormen voor verschillende stoffen. Ruimtelijke plannen of projecten die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, zoals bestemmingsplannen, dienen getoetst te worden aan de Wet milieubeheer (afdeling 5.2.). Deze wet bevat grenswaarden voor de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijn stof, lood, benzeen en koolmonoxide in de buitenlucht. In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Overschrijding van de grenswaarden van andere stoffen komt bijna niet voor. De wet maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Kleine projecten zijn projecten die de luchtkwaliteit niet ‘in betekende mate’ (NIBM) verslechteren. Deze projecten hoeven niet meer beoordeeld te worden op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Er is geen belemmering als een klein project niet of nauwelijks bij draagt aan luchtverontreiniging, óók niet in overschrijdingsgebieden (gebieden met te veel luchtvervuiling). De ministeriële Regeling NIBM geeft aan in welke gevallen een nieuw project in ieder geval een NIBMproject is.
Dit is bijvoorbeeld het geval als er minder dan 500 woningen worden gebouwd bij minimaal één ontsluitingsweg, of minder dan 1.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Het Besluit gevoelige bestemmingen beperkt de vestiging van zogeheten ‘gevoelige bestemmingen’, zoals een school, in de nabijheid van provinciale en rijkswegen. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. Waar in zo’n onderzoekszone de grenswaarden voor PM 10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming’ niet toenemen. Dit wordt bereikt door op zo’n plek de vestiging van bijvoorbeeld een school niet toe te staan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.
Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien. De gemeente heeft geen eigen regelgeving en beleid over luchtkwaliteit.
Spoorlaan/Zwaluwstraat Oss - 2024, pag. 66 van 85 juni 2024
Doorwerking plangebied Invloed van het plan op de luchtkwaliteit In het Besluit niet in betekenende mate (NIBM) is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Dit is bijvoorbeeld het geval indien een project een effect heeft van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 μg/m³). Op grond van de categorieën van gevallen kan worden gemotiveerd dat er niet in betekende mate wordt bijgedragen luchtkwaliteit. De wijziging is dermate kleinschalig ten opzichte van vergelijkbare ontwikkelingen die onder de NIBM vallen, dat mag worden aangenomen dat het realiseren van 268 woningen niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Desalniettemin is de NIBM tool uitgevoerd (zie hieronder). Hiervan is uitgegaan van 1.155 motorvoertuigbewegingen per etmaal (en niet de saldering met het huidige verkeer), waardoor de berekening worst case is. Hieruit blijkt dat het initiatief niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Tabel 5.10: NIBM tool
Invloed van de luchtkwaliteit op het plan Wel moet worden aangetoond of sprake is van een goed leef- en verblijfsklimaat ter plaatse van de beoogde woningen. Hiervoor moeten de achtergrondwaarden m.b.t. de luchtkwaliteit bekend zijn. Deze waarden kunnen achterhaald worden middels de CIMLK-monitoringstool. De achtergrondwaarden van de dichtstbijzijnde meetpunten zijn in onderstaande tabel weergegeven. Geconcludeerd wordt dat de achtergrondwaarden aan stikstof en fijnstof ruim onder de norm liggen. Er is dan ook sprake van een goed leef- en verblijfsklimaat in het kader van de luchtkwaliteit. Tabel 5.11: CIMLK-monitoringstool Receptor wegverkeer
NO2 μg/m3
PM10 μg/m3
PM10 overschrijdingsdagen
PM2.5 μg/m3
Jaar
50616641_36402
15,8
18,1
6,4
10,9
2021
50616641_36403
15,4
17,6
6,2
10,4
2021
50616641_36404
15,4
17,6
6,2
10,4
2021
50616641_36391
16,8
17,8
6,2
10,4
2021
Norm
40
40
35
25
Spoorlaan/Zwaluwstraat Oss - 2024, pag. 67 van 85 juni 2024
5.7.7
Straling
Het beleid voor elektromagnetische velden is opgenomen in het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4), de Toekomstagenda Milieu en de beleidsnota Nuchter Omgaan met Risico's, beslissen met gevoel voor onzekerheden (2004). Het ministerie van Infrastructuur en milieu heeft het beleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen uitgewerkt in een advies van oktober 2005. Dit advies is verder toegelicht in een brief van november 2008. De gemeente Oss heeft in het Milieubeleidsplan 2010-2014 het rijksadvies vastgelegd als beleidsuitgangspunt. Dit houdt in dat er bij nieuwbouwplannen of het realiseren van nieuwe hoogspanningslijnen voorkomen dient te worden dat er gevoelige bestemmingen terecht komen in een zone waar het magnetische veld gemiddeld over een jaar hoger is dan de norm van 0,4 microtesla. Doorwerking plangebied Het initiatief is niet gelegen binnen een zone van 80 meter van een bovengrondse hoogspanningslijn. Straling van bovengrondse hoogspanningslijnen is dan ook geen beperkende factor voor het initiatief. 5.7.8
Weg-, spoor- en industrielawaai
De Wet geluidhinder (Wgh) biedt bescherming tegen (spoor)weglawaai en tegen industrielawaai van inrichtingen voor zover gelegen op een gezoneerd industrieterrein. In de Wgh wordt een beperkt aantal typen objecten beschermd, de zogenoemde geluidgevoelige objecten. De Wet geluidhinder kent een stelsel van normen ter voorkoming van geluidhinder. Ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen zijn grenswaarden opgenomen. Hierbij is een ondergrens (voorkeursgrenswaarde) en een bovengrens (maximaal toelaatbare grenswaarde) opgenomen. De Wgh biedt gemeenten de mogelijkheid om gericht in te spelen op de lokale situatie door maatwerk te leveren. Burgemeester en wethouders kunnen een hogere waarde vaststellen dan de ondergrens, maar mogen daarbij de bovengrens niet overschrijden. In 2010 heeft de gemeenteraad van Oss de geluidsnota “Geluidskwaliteit in de leefomgeving” vastgesteld. De gemeente Oss maakt hierbij gebruik van gebiedsgericht geluidbeleid. Per gebied wordt een geluidskwaliteit nagestreefd. Zo zijn er ‘rustige gebieden’, ‘dynamische gebieden’ en er zijn gebieden die ten aanzien van geluid onder druk staan. De geluidsnota gaat ook in op de realistische inzet van onderzoek, het stellen van eigen criteria voor het toestaan van een hogere waarde en bedrijfswoningen op industrieterreinen.
De gemeente Oss streeft naar een leefbare woonsituatie, ook op locaties met een hoge geluidsbelasting. Deze leefbaarheid wordt bereikt door terughoudend te zijn met hogere grenswaarden en door hieraan voorwaarden te verbinden. Deze voorwaarden leggen de initiatiefnemer of de beheerder een inspanning op voor een leefbare woonomgeving als compensatie voor het bouwen en het veroorzaken van een lawaaiige situatie. Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. Ook in Oss is er een aantal gezoneerde industrieterreinen. Met zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel bedrijven als aan bewoners/gebruikers van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Bedrijven kunnen aan de ene kant hun geluid producerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen te veel oprukken naar de bedrijven toe.
Spoorlaan/Zwaluwstraat Oss - 2024, pag. 68 van 85 juni 2024
Doorwerking plangebied Voor herontwikkeling heeft milieuadviesbureau De Roever een akoestisch onderzoek uitgevoerd met betrekking tot de optredende geluidbelasting vanwege industrie, rail- en wegverkeerslawaai. Het gehele onderzoek is opgenomen in de bijlagen. Het onderzoek is noodzakelijk omdat de nieuwbouwwoning gelegen is binnen de geluidzones van: de Vijversingel, Parallelweg en Molenweg; de spoorlijn Den Bosch - Nijmegen; gezoneerde industrieterrein “Moleneind, Landweer en Danenhoef” Hogere waarden Een hogere waarde is nodig voor de spoorlijn Den Bosch - Nijmegen. De berekende geluidbelasting bedraagt maximaal 66 dB ter plaatse van de toetspunten op de zuidelijke gevel in het zuidoosten van het plangebied. Een hogere waarde is daarnaast nodig voor het industrielawaai afkomstig van het gezoneerde industrieterrein “Moleneind, Landweer en Danenhoef”, Voor de voor- en zijgevels van de 1e lijnsbebouwing in zuidelijke helft van het plangebied dient er een hogere waarde te worden aangevraagd van respectievelijk 55 dB(A) en 52 dB(A). Maatregelen worden niet doelmatig geacht, zie paragraaf 3.7 van het onderzoek. Het verlenen van hogere waarden wordt mogelijk geacht. Aan de hoofdcriteria van het gemeentelijk geluidbeleid kan nagenoeg aan alle criteria voldaan worden, met uitzondering van de hoogst belaste 1e lijnsbebouwing aan de zuidzijde (Spoorlaan).
De buitenruimte is conform het gemeentelijk beleid bij voorkeur gelegen aan de geluidsluwe zijde. Voor de appartementen in deze bebouwing is er vanwege stedenbouwkundige redenen voor gekozen om de galerij voor de toegang aan de achterzijde te realiseren en de buitenruimtes (balkons) aan de voorzijde. Aan deze wens kan dus voor deze appartementen niet worden voldaan. Een hogere waarde voor wegverkeerslawaai is niet nodig omdat de geluidsbelastingen van de Vijversingel, de Parallelweg en de Molenweg onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB liggen. Gecumuleerde geluidsbelasting De gecumuleerde geluidbelasting van wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai varieert tussen de 38 dB en de 63 dB. Bouwbesluit en woon- en leefklimaat Benodigde gevelwering De gezamelijke geluidbelasting van wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai bedraagt ten hoogste 67 dB ter plaatse van het toetspunt op de zuidoostelijke hoek van het plangebied. De vereiste karakteristieke geluidwering Ga;k bedraagt dan maximaal 67 – 33 = 34 dB. Nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels zal nodig zijn. Woon- en leefklimaat De milieukwaliteit voor de beoogde woningen wordt geclassificeerd als ‘Zeer goed’ tot ‘Slecht’.
Op basis van de toelichting in paragraaf 3.10 en 3.11 van het onderzoek kan gesteld worden dat de cumulatieve geluidbelasting van wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai een aanvaardbaar woonen verblijfsklimaat niet in de weg staat. Conclusie Dit betekent dat de ontwikkeling pas mogelijk kan worden gemaakt indien een hogere grenswaardenprocedure wordt doorlopen. Deze procedure loopt gelijk op met de procedure van het bestemmingsplan. Het ontwerpbesluit hogere grenswaarden is tegelijkertijd met het
Spoorlaan/Zwaluwstraat Oss - 2024, pag. 69 van 85 juni 2024
ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd. In de regels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen dat bij de aanvraag omgevingsvergunning een gevelweringsonderzoek nodig is. Na het verlenen van de hogere waarde en het eventueel treffen van maatregelen naar aanleiding van het nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels zijn er geen belemmeringen vanuit het aspect geluid. 5.7.9
Gezondheid
Uit de VGO-rapporten die afgelopen jaren zijn gepubliceerd door het RIVM komt duidelijk naar voren dat er een relatie wordt gevonden tussen veehouderijen en de gezondheid van omwonenden. Deze relatie is door de onderzoeker op verschillende manieren vastgesteld. Daarbij komt dichtheid van veehouderijbedrijven en afstand tot bepaalde type individuele veehouderijen concreet naar voren als factoren die van invloed zijn op de gezondheid van omwonenden. Verder blijkt uit VGO-onderzoek dat er in een straal van twee kilometer rond geitenhouderijen een verhoogde incidentie van longontstekingen (ca. 25-30% hoger) voorkomt. De oorzaak van het verhoogde risico op longontsteking rond geitenbedrijven is vooralsnog onbekend en onderwerp van vervolgonderzoek. Op dit moment kan er geen enkele bron-effect relatie worden beschreven tussen de verhoogde longontsteking incidentie en de uitstoot vanuit geitenhouderijen. Wel is er een causaal verband geconstateerd waarbij de associatie sterker is naarmate de afstand tot een geitenhouderij kleiner is. Tot er meer duidelijkheid is over de bron van de verhoogde incidentie longontstekingen kan niet worden geadviseerd over beschermde maatregelen. Afstand houden en goed informeren is de enige maatregel die de GGD op dit moment adviseert.
In afwachting van het vervolgonderzoek heeft de provincie besloten dat geitenstallen uitbreiden of in gebruik nemen niet meer is toegestaan. Het moratorium is in beginsel tijdelijk. Als de uitkomsten van het vervolgonderzoek bekend worden, wordt er gekeken of er redenen zijn het besluit in te trekken of aan te passen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het bevoegd gezag verplicht om alle bekende risico's bij een nieuwe ontwikkeling af te wegen. Er is geen sprake van een omgekeerde werking van het moratorium (met andere woorden de 'stop' op uitbreidingen van geitenbedrijven zorgt niet voor een stop op ontwikkelingen binnen de 2 km straal van een geitenhouderij), maar wel van een risico dat beoordeeld en meegewogen moet worden bij nieuwe ontwikkelingen. Het verantwoorden van dit verhoogde risico is aan het bevoegd gezag, in casu de gemeente. Deze geeft een oordeel over en maakt een afweging of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (m.b.t. onder andere gezondheid & geitenhouderijen). Het college van B&W besloot op 5 december 2017 dat wenselijke ontwikkelingen na een zorgvuldige afweging met betrekking tot volksgezondheid kunnen worden toegestaan binnen een straal van twee kilometer rondom een geitenhouderij.
Het beleid voor geitenhouderijen in Oss houdt in dat bij de realisering van een ruimtelijke ontwikkeling binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij rekening moet worden gehouden met de volgende criteria: a) het infomeren van de aanvragers over het risico b) terughoudend omgaan met ontwikkelingen betreffende het huisvest of opvangen van kinderen, kwetsbare mensen en ouderen
Spoorlaan/Zwaluwstraat Oss - 2024, pag. 70 van 85 juni 2024
c) na een zorgvuldige afweging en eventueel maatwerk kunnen wenselijke ontwikkelingen binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij worden toegestaan. ‘De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’ (versie mei 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De zeven stappen dienen allen te worden doorlopen en beantwoord om na te gaan of er aandachtspunten worden gevonden. Toetsing aan het stappenplan moet plaatsvinden, zodat kan worden bepaald of een advies van de GGD nodig is voor de beoogde ontwikkeling. Doorwerking plangebied Om inzicht te verkrijgen in de gezondheidssituatie ter plaatse van het plangebied is het stappenplan uit de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 doorlopen. Stap 1: De endotoxine ‘richtafstand’ tussen een veehouderij en gevoelige bestemming (alleen voor varkens- en pluimveehouderijen Er wordt voldaan aan de endotoxine richtafstanden voor varkenshouderijen (500 m) en aan de endotoxine richtafstand voor pluimveehouderijen (1 kilometer). Stap 2: Toename in de emissie voor geur, fijnstof of ammonia De ontwikkeling leidt niet tot een toename in de emissie voor geur en/of fijnstof en/of ammoniak. Stap 3a-b: Wijze waarop met overbelasting geur wordt omgegaan In onderhavige situatie is geen sprake van een overbelasting voor geur (zie paragraaf 5.7.4).
Het is ook niet aannemelijk dat de gezondheidskundige normen (in de bebouwde kom een voorgrondbelasting van maximaal 3 ouE /m³ en een achtergrondbelasting van 14 ouE /m³) worden overschreden. In paragraaf 5.7.4 is namelijk onderbouwd dat er in de omgeving van het plangebied sprake is van een ‘zeer goed’ woon- en leefklimaat wat betreft geur. Stap 4a-b: De aanwezige diersoort(en) binnen een veehouderij In de toekomstige situatie zal er binnen het plangebied geen sprake zijn van een veehouderij waarbinnen bedrijfsmatig meerdere diersoorten worden gehouden en zal met het planvoornemen niet de afstand tussen een varkensbedrijf en pluimveebedrijf worden verkleind Stap 5a-b-c. Geitenbedrijf: binnen 2 kilometer afstand staan woon- of verblijfsruimten van derden. Pluimveebedrijven: binnen een afstand van 1 kilometer liggen woon- of verblijfsruimten van derden. Overige veehouderijen: binnen afstand van 250 meter ligt een bebouwde kom Er zijn geen geitenhouderijen binnen een afstand van 2 kilometer van het plangebied gelegen. Ook zijn er geen pluimveehouderijen binnen een afstand van 1 kilometer tot het plangebied gelegen en geen veehouderijen binnen een afstand van 250 meter. Stap 6: De aanwezigheid van mestbe- of verwerking (verder mestbewerking) Er is geen sprake van mestbe- of verwerking bij omliggende (agrarische) bedrijven (al dan niet als nevenactiviteit). Stap 7.
Ongerustheid bij omwonenden Vanuit de omgeving is verder niet naar voren gekomen dat er sprake is van ongerustheid over de volksgezondheid. 5.7.10 Spuitzones In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden beoordeeld of het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen onaanvaardbare gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat. Uit
Spoorlaan/Zwaluwstraat Oss - 2024, pag. 71 van 85 juni 2024
jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt als vuistregel dat een richtafstand van 50 meter tussen het perceel waarop de teelt plaatsvindt en te realiseren nieuwe gevoelige functies zoals woningen kan worden gehanteerd. Kleinere afstanden zijn mogelijk mits er een locatie specifiek onderzoek wordt uitgevoerd. Doorwerking plangebied Er zijn in een cirkel van 50 meter rondom het plangebied geen bedrijven gevestigd waar gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Er zijn dan ook geen belemmeringen voor onderhavig planvoornemen vanuit het aspect ‘spuitzones’. 5.7.11 Trillingen Treinpassages kunnen resulteren in trillinghinder voor bewoners van gebouwen nabij een spoorlijn. Op basis van trillingmetingen en berekeningen van de trillingsoverdracht kan worden bepaald of er een noodzaak tot beperkingsmaatregelen van trillingen is. Het onderzoeksgebied voor trillingen als gevolg van spoorwegen ligt vrijwel altijd binnen een afstand van circa 100 meter vanaf de bron. Buiten dit gebied treden vrijwel nooit voelbare trillingen op. In Nederland bestaan geen wettelijke normen voor het voorkomen van trillinghinder. In de praktijk wordt echter veelal gebruik gemaakt van de ‘Meet- en beoordelingsrichtlijn B: hinder voor personen in gebouwen’ van de Stichting Bouwresearch (SBR).
Deze richtlijn bevat een paragraaf die bepalingen bevat ten aanzien van trillingen van spoorverkeer. Zo zijn er specifieke richt- en streefwaarden opgenomen voor de beoordeling van trillinghinder. Doorwerking plangebied De geprojecteerde woningbouwlocatie is gelegen ten noorden van de spoorlijn 's-Hertogenbosch – Nijmegen. De afstand van de buitenste spoorstaaf tot de te realiseren bebouwingslijn bedraagt circa 45 meter. Op het spoortraject rijden zowel reizigers- als goederentreinen. Langs de spoorlijn bevinden zich meerdere (nieuwbouw)woningen en andere gebouwen op kortere afstand van het spoor dan de geprojecteerde woningen in onderhavig plangebied. Het overschrijden van de richt- en streefwaarden is derhalve niet aannemelijk en daarnaast bestaan er mogelijkheden bouwkundige maatregelen te treffen om te kunnen voldoen aan de richt- en streefwaarden. Desalniettemin is in de regels van voorliggend bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting ten aanzien van het aspect trillingen opgenomen. Daarin is geregeld dat een dynamische berekening van de trillinghinder dient te worden uitgevoerd, om aan te tonen dat wordt voldaan aan de streefwaarden, zoals bedoeld in de SBR-richtlijn. Er is door Peutz onderzoek naar trillingshinder uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage bij de toelichting gevoegd.
Uit het onderzoek volgt dat inzake spoortrillingen aan de in het kader van trillinghinder in woningen na te streven waarden zoals aangegeven in de Richtlijn deel B “Hinder voor personen in gebouwen door trillingen, Meet- en beoordelingsrichtlijn” van de Stichting Bouwresearch (SBR) van augustus 2006 kan worden voldaan. Op basis van 8 treinpassages per uur en een maximale trillingsterkte van max. 0,13 in woningen bedraagt de gemiddelde trillingsterkte 0,034. Met deze waarde wordt voldaan aan zowel de streefwaarde A3 van 0,05 (nieuwe situaties) als 0,1 (bestaande situaties), waarmee sprake zal zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Een randvoorwaarde hierbij is toepassing van de in het onderzoek gehanteerde vloeren voor de grondgebonden woningen en de appartementen. 5.7.12 Explosieven De zuidoosthoek van het plangebied in onderstaande figuur is verdacht van afwerpmunitie vanwege bombardement wat staat aangegeven op de bodembelastingkaart ontplofbare oorlogsresten WOII en het
Spoorlaan/Zwaluwstraat Oss - 2024, pag. 72 van 85 juni 2024
daaraan gekoppelde vooronderzoek van AVG uit 2016. Hierdoor is de kans op munitie aanwezig. Voor dit plan wordt er gegraven voor de bouw van woningen en woongebouwen. De zuidoosthoek ligt binnen de geel gearceerde cirkel die verdacht is voor afwerpmunitie uit het gemeente brede vooronderzoek uit 2016. De gele markering is een onverdacht deel van de spoorzone. Deze markering is aangebracht op basis van een vooronderonderzoek voor de spoorzone uit 2012. Omdat de cirkel met afwerpmunitie verdacht gebied uit het onderzoek van 2016 komt en na het onderzoek van 2012 is vastgesteld is verder onderzoek wel aan de orde. Gezien de feiten en jaartallen van onderzoek is een vooronderzoek conflictperiode is aan te raden om voor de zuidoosthoek van het plangebied vast te stellen of er oorlogshandelingen plaats hebben gevonden. Zo nee, dan kan het plangebied worden vrijgegeven. Zo ja, dan is een vooronderzoek na conflictperiode nodig om vast te stellen of naoorlogse werkzaamheden de grond al verstoord hebben en een risicoanalyse om te bekijken of de geplande werkzaamheden veilig uit te voeren zijn of dat het nodig is maatregelen te nemen. Er wordt in een later stadium een aanvullend vooronderzoek conflictperiode uitgevoerd.
Figuur 5.12: Bodembelastingkaart ontplofbare oorlogsresten WOII: plangebied (groen gearceerd) op bodembelastingkaart (gele markering en gele arcering)
5.7.13 Bezonning Er bestaan geen wettelijke normen die zien op een minimum aantal zonuren per dag in een woning of op een balkon. De wetgever heeft ervoor gekozen regulering hiervan over te laten aan bestuursorganen. Dit betekent dat bestuursorganen op dit onderwerp beleidsruimte hebben. De gemeente Oss heeft hierover geen beleid gemaakt. In de praktijk is het gebruikelijk om aan te sluiten bij de zogenaamde TNO
Spoorlaan/Zwaluwstraat Oss - 2024, pag. 73 van 85 juni 2024
(Toegepast natuurwetenschappelijk Onderzoek) - norm. Hierbij worden twee normen onderscheiden: De 'lichte' TNO-norm: ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari – 21 oktober (gedurende 8 maanden ) in midden vensterbank binnenkant raam. De 'strenge' TNO-norm: ten minste 3 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 21 januari – 22 november (gedurende 10 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam. Deze normen worden alleen toegepast op gevels die zon kunnen ontvangen. Noordgevels ontvangen immers - hoogbouw of niet - nooit direct zonlicht. Voor dit bestemmingsplan is een bezonningsstudie uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. In dit onderzoek zijn de bestaande en beoogde planologische situatie vergeleken op 4 dagen binnen 4 verschillende seizoenen en op meerdere relevante tijdstippen Er wordt zowel aan de "lichte" als aan de "strenge" TNO-norm voldaan. Er treedt geen onaanvaardbare schaduwwerking op; er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en een goede ruimtelijke ordening. Vanuit het oogpunt van bezonning zijn er geen belemmeringen voor het plan.
5.8
Milieueffectrapportage (M.e.r.)
Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt de milieugevolgen van een plan in beeld voordat er een besluit over wordt genomen. In een milieueffectrapport worden de gevolgen voor het milieu beschreven. Zo kan de overheid die het besluit neemt de milieugevolgen bij haar afwegingen betrekken. Het doel van m.e.r. is om het milieu een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over plannen en projecten. In een m.e.r.-beoordeling kijkt het bevoegd gezag of een project mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Als dat zo is, moet een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Wanneer speelt een m.e.r.-beoordeling? In het Besluit m.e.r. staat wanneer m.e.r. of een m.e.r.-beoordeling aan de orde is. De activiteit die het project mogelijk maakt en het besluit over de activiteit zijn daarbij bepalend. In de C- en D-lijst in de Bijlage bij het Besluit m.e.r. staat of sprake is van m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht. Per categorie van activiteiten is een drempelwaarde voor de omvang van de activiteit gegeven. Boven de C-drempel geldt een m.e.r.-plicht, tussen de C- en D-drempel geldt een plan-m.e.r.-plicht en onder de D-drempel geldt een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient onderbouwd te worden of de activiteit belangrijke nadelige milieugevolgen heeft.
Sinds de implementatie van de gewijzigde M.e.r.-richtlijn op 16 mei 2017 is de procedure voor de vormvrije en de formele m.e.r.-beoordeling bijna gelijk. Het enige verschil is dat van het besluit bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling geen kennisgeving wordt gedaan. Het m.e.r.-beoordelingsbesluit De initiatiefnemer stelt een aanmeldnotitie op, waarover het bevoegd gezag binnen zes weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit moet nemen. Het bevoegd gezag motiveert het besluit door in te gaan op de selectiecriteria van Bijlage III van de M.e.r.-richtlijn. Het gaat daarbij om de hoofdcategorieën: 1. kenmerken van het project 2. plaats van het project 3. kenmerken van het potentiële effect. Is het bevoegd gezag zelf initiatiefnemer, dan is het bevoegd gezag, anders dan een derde, niet verplicht een aanmeldnotitie op te stellen.
Spoorlaan/Zwaluwstraat Oss - 2024, pag. 74 van 85 juni 2024
Doorwerking plangebied In het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is omschreven in welke gevallen een m.e.r. (beoordelings)procedure gevolgd moet worden. In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. zijn activiteiten opgenomen waarvoor respectievelijk een m.e.r.-procedure of m.e.r.beoordelingsprocedure doorlopen moet worden. Met betrekking tot stedelijke ontwikkelingsprojecten moet op grond van D11.2 bij het ruimtelijk plan een plan-MER opgesteld worden bij de stedelijke ontwikkelingsprojecten als de activiteit betrekking heeft op: een oppervlakte van 100 hectare of meer; een aaneengesloten gebied en 2000 woningen of meer; een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Voor de beoogde ontwikkeling is een aanmeldingsnotitie en vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld. Deze is opgenomen in de bijlage. Het bevoegd gezag beslist of er een m.e.r.-plicht geldt. De conclusie van de m.e.r.-beoordeling is dat het plan geen belangrijke negatieve gevolgen zal hebben voor de kenmerken van het gebied en voor het woon- en leefmilieu in de omgeving. Er worden geen negatieve effecten verwacht vanwege de ligging van het plangebied ten opzichte van gevoelige gebieden. Geconcludeerd wordt dat geen belangrijke nadelige milieugevolgen worden verwacht en dat het opstellen van een MER niet noodzakelijk wordt geacht.
In de notitie wordt het bevoegd gezag geadviseerd te besluiten dat er geen MER behoeft te worden vastgesteld.
Spoorlaan/Zwaluwstraat Oss - 2024, pag. 75 van 85 juni 2024
Hoofdstuk 6
6.1
Toelichting op de regels
Algemeen
Het bestemmingsplan bevat regels die het juridisch instrumentarium geven voor het regelen van het gebruik van de gronden en opstallen én bepalingen over de toelaatbaarheid van bebouwing. Het bestemmingsplan kan worden verbeeld op papier, en gaat vergezeld van deze toelichting. De toelichting heeft geen bindende werking en maakt juridisch geen deel uit van het bestemmingsplan. Wel heeft zij een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan. De Wet ruimtelijke ordening biedt zowel de mogelijkheid om een globaal bestemmingsplan te maken als de mogelijkheid van een gedetailleerd bestemmingsplan. In het bestemmingsplan Vogelbuurt te Oss is gekozen voor een standaard regeling voor fase 1 en voor fase 2 voor een globalere regeling (Woongebied bestemming). Voor de opzet van de regels is aangesloten bij de “Standaardregels bestemmingsplannen Oss” en het bestemmingsplan “Oijense Zij Noord – Oss – 2019” voor de Woongebied bestemming van fase 2. De regels bestaan uit vier hoofdstukken. Dit zijn de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels. Bij de regels hoort een bijlage, te weten een milieuzoneringslijst en de lijst van rechtstreeks toelaatbare aan huis gebonden activiteiten. In de volgende paragraaf worden de diverse artikelen uit de regels en de bijlage toegelicht.
6.2
Regels
Hoofdstuk 1: Inleidende regels Artikel 1: Begrippen In dit artikel worden de in de regels gehanteerde begrippen nader verklaard om verschillen in interpretatie te voorkomen. Artikel 2: Wijze van meten Dit artikel geeft aan op welke manier het meten van in de regels genoemde begrippen moet plaatsvinden. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels De in dit hoofdstuk geregelde bestemmingen zijn achtereenvolgens: Gemengd – 2 Deze bestemming geldt voor de bestaande panden aan de Leeuwerikstraat, welke geen bezit zijn van Brabant Wonen. Voor deze bestemming is aangesloten op de standaardregels van de gemeente Oss en het vigerend bestemmingsplan. Binnen deze bestemming is een diversiteit aan functies toegestaan die onderling uitwisselbaar zijn. Detailhandel en horeca categorie 2 en 3 zijn hier ook toegestaan. Het maximale bebouwingspercentage bedraagt 60%. Groen Voor deze bestemming is aangesloten op de standaardregels van gemeente Oss. In beginsel zijn binnen deze bestemming voor openbaar groen geen gebouwen toegestaan. Een uitzondering is gemaakt voor gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen, zend- en ontvangstinstallaties en spel- en verblijfsvoorzieningen.
Spoorlaan/Zwaluwstraat Oss - 2024, pag. 76 van 85 juni 2024
Tuin Deze bestemming is opgenomen op de voor- en zijtuinen bij woningen (fase 1 en gedeelte wat niet gesloopt wordt (geen bezit Brabant Wonen)). In verband met de stedenbouwkundige opzet van het plan heeft het de voorkeur dat deze gronden niet worden bebouwd. Verkeer – Verblijf De bestemming ‘Verkeer-Verblijf’ is opgenomen voor de bestaande wijkontsluitingswegen aan de noordkant. Op deze gronden zijn in beginsel geen gebouwen toegestaan. Een uitzondering is gemaakt voor kleinere nutsgebouwen. Grotere nutsgebouwen zijn toegestaan met een aanduiding. Wonen – Halfvrijstaand De woonbestemming is opgenomen conform de standaardregeling en het vigerend bestemmingsplan. Het betreffen bestaande woningen die geen bezit zijn van Brabant Wonen. De voor 'Wonen Halfvrijstaand' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen in de vorm van aangebouwde woningen en daarbij behorende bouwwerken, activiteiten die genoemd zijn in de 'lijst van rechtstreeks toelaatbare aan huis gebonden activiteiten' met een bedrijfsvloeroppervlakte van niet meer dan 35 m², een bed en breakfast met een overnachtingscapaciteit van niet meer dan 2 kamers en voor niet meer dan 4 personen tegelijk. Daarnaast zijn bijbehorende waterhuishoudkundige voorzieningen, parkeervoorzieningen, paden, erven en tuinen toegestaan. Wonen – Rijen De woonbestemming is opgenomen conform de standaardregeling.
De voor 'Wonen - Rijen' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen in de vorm van aangebouwde woningen en daarbij behorende bouwwerken, activiteiten die genoemd zijn in de 'lijst van rechtstreeks toelaatbare aan huis gebonden activiteiten' met een bedrijfsvloeroppervlakte van niet meer dan 35 m², een bed en breakfast met een overnachtingscapaciteit van niet meer dan 2 kamers en voor niet meer dan 4 personen tegelijk. Daarnaast zijn bijbehorende waterhuishoudkundige voorzieningen, parkeervoorzieningen, paden, erven en tuinen toegestaan. Voor de gewenste woongebouwen zijn bouwvlakken opgenomen. Bijbehorende bouwwerken zijn toegestaan, mits voldaan wordt aan de opgenomen maatvoeringen. Wonen - Woongebouwen De woonbestemming is opgenomen conform de standaardregeling. De voor 'Wonen - Woongebouwen' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen in de vorm van gestapelde woningen en daarbij behorende bouwwerken, activiteiten die genoemd zijn in de 'lijst van rechtstreeks toelaatbare aan huis gebonden activiteiten' met een bedrijfsvloeroppervlakte van niet meer dan 35 m², een bed en breakfast met een overnachtingscapaciteit van niet meer dan 2 kamers en voor niet meer dan 4 personen tegelijk. Daarnaast zijn bijbehorende waterhuishoudkundige voorzieningen, parkeervoorzieningen, paden, erven en tuinen toegestaan. Voor de gewenste woongebouwen zijn bouwvlakken opgenomen.
De bergingen van de woningen aan de Zwaluwstraat liggen binnen het bouwvlak. Woongebied Deze bestemming is bedoeld voor vrijstaande, geschakelde en rijwoningen. Tevens kunnen gestapelde woningen worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding ‘gestapeld’. Het betreft een globale bestemming. De oriëntatie van de woningen is geregeld via de aanduiding ‘gevellijn’. Binnen de bestemming zijn tevens woonstraten mogelijk, deze zijn aangeduid middels de aanduiding ‘ontsluiting’. De plaats waar het woongebied aansluit op het omringende wegennet is op de verbeelding aangeduid. De groenstructuur (inclusief waterberging) in de (nieuwe) wijk is aangeduid middels de aanduiding ‘groen – 1’. Tot slot is een regeling opgenomen voor het realiseren van bergingen voor de woningen aan de Spoorlaan (aanduiding ‘bijgebouwen’).
Spoorlaan/Zwaluwstraat Oss - 2024, pag. 77 van 85 juni 2024
Waarde – Archeologie verwachtingswaarde hoog Voor het gehele plangebied is deze dubbelbestemming opgenomen voor de bescherming van het archeologische bodemarchief, een en ander conform de gemeentelijke archeologische beleidskaart. Deze dubbelbestemming stelt restricties aan het uitvoeren van bepaalde werken en werkzaamheden. Hoofdstuk 3: Algemene regels Dit hoofdstuk geeft een aantal gebruikelijke algemene regels. Het betreft achtereenvolgens: Anti-dubbeltelregel Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels Hier zijn algemene regels ten aanzien van het ondergronds bouwen opgenomen met bijbehorende maatvoering. Daarnaast zijn regels opgenomen ten aanzien van bestaande afstanden en andere maten ingeval van strijdigheid met de nieuwe bestemmingsregels. Ook is hierin geregeld wanneer overschrijding van bouw- en bestemmingsgrenzen door ondergeschikte bouwdelen is toegestaan en vastgelegd dat voldaan dient te worden aan de Nota parkeernorm. Algemene gebruiksregels In deze regels is opgenomen welke vormen van gebruik in ieder geval als strijdig gebruik worden beschouwd.