CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

toelichting

Gemeenteraad 12 september 2024, gemeente OssBij agendapunt: B Activering grondexploitatie en vaststelling bestemmingsplan en besluit hogere waarden 'Raadhuislaan - Noord- Oss - 2024'27.640 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Tevens wordt op alle momenten voldaan aan de TNO-norm. Wij zien daarom vanuit het oogpunt van bezonning geen belemmering voor dit plan. 5.2.7

Windhinder

In Nederland bestaat geen wetgeving ter voorkoming van windhinder of windgevaar. Maar op grond van de zorg voor “een goede ruimtelijke ordening” dient windhinder toch meegenomen te worden in de afweging. Voor dit plan is daarom een windhinderonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 19). Uit dit onderzoek blijkt dat het te verwachten windklimaat: - in en rond het plangebied vrijwel overal goed is voor doorlopen en op de meeste plaatsen zelfs goed voor slenteren; - in de doorgangen lokaal sprake is van een matig windklimaat voor slenteren, zeer lokaal matig voor doorlopen. Zolang op deze plaatsen geen windgevoelige functies (entrees) worden gerealiseerd, is dat geen enkel probleem; - naar verwachting op basis van de berekeningen voor de geplande nieuwbouw niet zal leiden tot een overschrijding van het gevaarcriterium. Er worden geen entrees gerealiseerd op locaties waar het windklimaat matig is. Het aspect windhinder is dus geen belemmering voor deze ontwikkeling. 5.2.8

Duurzaamheid

In het nieuwbouwproject Linck worden duurzame en gasloze nieuwbouwappartementen ontwikkeld in een gebouw dat een positieve impact heeft op het klimaat, biodiversiteit en de bewoners. Zo worden bijvoorbeeld de verschillende gebouwen met elkaar verbonden via loopbruggen, waardoor bewoners elkaar ontmoeten. Ook komen er collectieve dakterrassen om het sociale aspect te stimuleren. Op basis van een klimaatscan blijken wateroverlast en hittestress belangrijke aandachtspunten te zijn. Daarom komen er maatregelen voor waterberging en hittestressreductie. Dit betekent dat er waar mogelijk groene natuurinclusieve daken komen waarmee water kan worden vastgehouden en vertraagd

Raadhuislaan-Noord-Oss – 2024, pag. 48 van 71 Vastgesteld september 2024

afgevoerd. Daarnaast zal Linck een significante bijdrage leveren aan biodiversiteit. Dit door doelsoorten (veelal bedreigde, achteruitgaande of zeldzame soorten) te faciliteren om zich aan en om het gebouw te vestigen. En door toepassing van gevarieerde beplanting gaat dat leiden tot verkoeling, luchtzuivering, gezonde levensstijl en meer soorten dieren in de omgeving. Om de milieu-impact te reduceren worden er in Linck zoveel mogelijk circulaire en duurzame materialen toegepast. Ook wordt gekeken naar reductie van de bouwmaterialen in gebouwen (MilieuPrestatieGebouwen) met een onderhoudsarme gevelafwerking. Linck wordt klimaatneutraal door het toepassen van hernieuwbare energiebronnen voor warmte, koeling en elektriciteit met zonnepanelen. De warmte en koude worden met hernieuwbare WKO-bronnen ingevuld in combinatie met een warmtepompinstallatie. Door het nemen van deze maatregelen ontstaat er een energiezuinig gebouw dat duurzaam én toekomstbestendig is. 5.2.9

Defensie

Uit oogpunt van defensie kunnen er beperkingen gesteld worden aan ruimtelijke ontwikkelingen in een gebied. Belangrijke aandachtspunten met betrekking tot het defensiebelang zijn: - Radarverstoringsgebieden; - Obstakelbeheergebieden; - Laagvliegroutes voor jachtvliegtuigen; - Geluidszones voor militaire luchtvaartterreinen. Het gehele plangebied is gelegen binnen het radarverstoringsgebied van een radar van de vliegbasis Volkel. Binnen dit gebied is het in beginsel niet toegestaan om hogere bebouwing op te richten dan 114 meter boven NAP. Indien er initiatieven zijn voor het oprichten van hogere bouwwerken of gebouwen, dan kan dit toegestaan worden als blijkt dat de radar niet onevenredig wordt verstoord. Dit kan door TNO worden berekend. Dit bestemmingsplan voorziet echter nergens in bouwmogelijkheden tot een dergelijke hoogte. Daarmee is het belang van het radarverstoringsgebied binnen dit bestemmingsplan voldoende gewaarborgd. Bij een eventueel toekomstig initiatief voor een bouwwerk met een hoogte tot 114 meter boven NAP of hoger dient het defensiebelang nadrukkelijk betrokken te worden bij de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling. Voor het overige geldt dat het plangebied niet gelegen is binnen een obstakelbeheergebied, een laagvliegroute voor jachtvliegtuigen of een geluidszone voor militaire luchtvaartterreinen.

Aan deze aspecten hoeft dan ook geen verdere aandacht besteed te worden. Voor dit plan zijn de randvoorwaarden vanuit defensie derhalve niet relevant.

Raadhuislaan-Noord-Oss – 2024, pag. 49 van 71 Vastgesteld september 2024

5.3

Milieuaspecten

In deze paragraaf wordt ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten die verband houden met, of betrekking hebben op de ruimtelijke ontwikkeling. Het gaat daarbij meestal om de wisselwerking met de omgeving. Welke gevolgen heeft het initiatief voor de omgeving en omwonenden? Maar ook, welke gevolgen hebben activiteiten in de omgeving voor de mogelijkheden op de projectlocatie? Achtereenvolgens komen de volgende aspecten aan bod: - Bedrijven en milieuzonering - Weg-, spoor- en industrielawaai - Externe Veiligheid - Trillingen - Bodem - Luchtkwaliteit - Stikstof - Straling - Geurhinder: industrieel - Geurhinder: agrarisch - Gezondheid en Veehouderij - Spuitzones - MER - Spuitzones 5.3.1 Bedrijven en milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten van bedrijven en gevoelige functies, zoals woningen. Het doel van milieuzonering is om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast kan milieuzonering bedrijven voldoende zekerheid bieden om hun activiteiten duurzaam uit te voeren. De handreiking Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft richtafstanden om de milieuzonering van bedrijven te kunnen bepalen.

Indien de richtafstand niet wordt gehaald kan aan de hand van aanvullend (concreet) maatwerk nader inzicht worden verkregen in de feitelijke en uiteindelijk maatgevende situatie. Op voorhand en in algemene zin gaat het daarbij om de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. In de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering wordt onderscheid gemaakt tussen de verschillende omgevingstypen waarbinnen een plangebied gelegen kan zijn: rustige woonwijk/rustig buitengebied of gemengd gebied. Een eerste stap in de beoordeling of in het kader van het aspect bedrijven en milieuzonering sprake is van een goede ruimtelijke ordening is het vaststellen van het omgevingstype waarin het plangebied is gelegen, zodat bepaald kan worden van welke richtafstanden tussen gevoelige functies en bedrijvigheid kan worden uitgegaan. In de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering is voor beide type gebieden een omschrijving gemaakt: - Rustige woonwijk/rustig buitengebied: een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer.

Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied. - Gemengd gebied: een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen,

Raadhuislaan-Noord-Oss – 2024, pag. 50 van 71 Vastgesteld september 2024

behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Het plangebied ligt in de schil van het centrum van Oss. In de nabijheid van het plangebieden liggen functies als een bioscoop, een politiebureau, een theater, kantoren en diverse andere commerciële functies. Daarnaast wordt gewoond. Op basis hiervan is het duidelijk dat sprake is van functiemenging. Gezien het feit dat er meer andere functies voorkomen dan alleen wijkgebonden voorzieningen kan de omgeving waarin het plangebied is gelegen, getypeerd worden als ‘gemengd gebied’. Hiervoor gelden de navolgende in de tabel opgenomen in acht te nemen richtafstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

Richtafstand in omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

De rondom het plangebied gelegen andere functies dan wonen liggen buiten de indicatieve richtafstanden zoals opgenomen in de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering en hoeven daarom niet verder beschouwd of onderzocht te worden. In het plangebied zelf worden echter zowel gevoelige als milieubelastende functies toegelaten. In het plan wordt naast de woonfunctie een commerciële plint met diverse functies ontwikkeld. In verband met de toetsing of deze naast elkaar kunnen functioneren is gezien de aard van de functies het aspect ‘geluid’ relevant. Voor dit plan is daarom een ‘Haalbaarheidsstudie geluid’ uitgevoerd die als bijlage 20 bij deze toelichting zit. Uit de ‘haalbaarheidsstudie geluid’ blijkt dat deze functies goed te verenigen zijn. Alleen wanneer horecaactiviteiten in de avond op terrassen plaatsvinden, zijn maatregelen nodig. In dit bestemmingsplan wordt dergelijke horeca niet rechtstreeks toegestaan. In het bestemmingsplan is wel een afwijkingsmogelijkheid opgenomen om andere horeca toe te staan. Aan deze afwijkingsmogelijkheid is de voorwaarde verbonden dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd en eventuele maatregelen moeten worden getroffen. Gelet op het bovenstaande zijn er geen belemmeringen vanuit Bedrijven en Milieuzonering voor het plan. 5.3.2.

Weg-, spoor- en industrielawaai De Wet geluidhinder (Wgh) biedt bescherming tegen (spoor)weglawaai en tegen industrielawaai van inrichtingen voor zover gelegen op een gezoneerd industrieterrein. In de Wgh wordt een beperkt aantal typen objecten beschermd, de zogenoemde geluidgevoelige objecten. De Wet geluidhinder kent een stelsel van normen ter voorkoming van geluidhinder. Ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen zijn grenswaarden opgenomen. Hierbij is een ondergrens (voorkeursgrenswaarde) en een bovengrens (maximaal toelaatbare grenswaarde)

Raadhuislaan-Noord-Oss – 2024, pag. 51 van 71 Vastgesteld september 2024

opgenomen. De Wgh biedt gemeenten de mogelijkheid om gericht in te spelen op de lokale situatie door maatwerk te leveren. Burgemeester en wethouders kunnen een hogere waarde vaststellen dan de ondergrens, maar mogen daarbij de bovengrens niet overschrijden. In 2010 heeft de gemeenteraad van Oss de geluidsnota “Geluidskwaliteit in de leefomgeving” vastgesteld. De gemeente Oss maakt hierbij gebruik van gebiedsgericht geluidbeleid. Per gebied wordt een geluidskwaliteit nagestreefd. Zo zijn er ‘rustige gebieden’, ‘dynamische gebieden’ en er zijn gebieden die ten aanzien van geluid onder druk staan. De geluidsnota gaat ook in op de realistische inzet van onderzoek, het stellen van eigen criteria voor het toestaan van een hogere waarde en bedrijfswoningen op industrieterreinen. De gemeente Oss streeft naar een leefbare woonsituatie, ook op locaties met een hoge geluidsbelasting. Deze leefbaarheid wordt bereikt door terughoudend te zijn met hogere grenswaarden en door hieraan voorwaarden te verbinden. Deze voorwaarden leggen de initiatiefnemer of de beheerder een inspanning op voor een leefbare woonomgeving als compensatie voor het bouwen en het veroorzaken van een lawaaiige situatie.

Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. Ook in Oss is er een aantal gezoneerde industrieterreinen. Met zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel bedrijven als aan bewoners/gebruikers van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Bedrijven kunnen aan de ene kant hun geluid producerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen te veel oprukken naar de bedrijven toe. Toetsing aan het plan: Weg- en spoorweglawaai De planlocatie bevindt zich binnen de geluidszones van de Raadhuislaan en Lievekamplaan en binnen de geluidszone van de spoorlijn ’s Hertogenbosch-Njjmegen. Daarom is een onderzoek naar wegverkeers- en spoorweglawaai uitgevoerd dat als bijlage 21 bij deze toelichting is gevoegd. Hoewel de overige wegen in de nabijheid van het plangebied 30 km/uur-wegen zijn, is het effect van deze wegen – in het kader van ‘een goede ruimtelijke ordening’ wel meegenomen in de afweging.

Uit het onderzoek blijkt dat vanuit verschillende bronnen de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden: - Ten gevolge van het railverkeer bedraagt de ten hoogste berekende geluidsbelasting 59 dB; - Ten gevolge van het wegverkeer op de Lievekamplaan bedraagt de ten hoogst berekende geluidsbelasting 54 dB; - Ten gevolge van het wegverkeer op de Raadhuislaan bedraagt de ten hoogst berekende geluidsbelasting 61 dB. De maximale waarde wordt nergens overschreden. Verder blijkt uit het onderzoek dat: - Ten gevolge van het wegverkeer op de Maasvallei sprake is van een verhoogde geluidsbelasting (>53 dB), waardoor extra aandacht nodig is voor de geluidwering van de gevel; - De gecumuleerde geluidsbelasting (weg- en railverkeer gezamenlijk) ten hoogste 66 dB bedraagt. Omdat de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden, kan alleen medewerking aan het plan worden verleend als een zogenaamde hogere grenswaardenprocedure wordt gevolgd. Voor het doorlopen van een hogere grenswaardeprocedure moet een afweging worden gemaakt. De Wet Geluidhinder stelt daartoe verplicht dat eerst wordt gekeken of maatregelen mogelijk zijn. Bij het bepalen van die maatregelen wordt onderscheid gemaakt tussen:

Raadhuislaan-Noord-Oss – 2024, pag. 52 van 71 Vastgesteld september 2024

- maatregelen aan de bron; - maatregelen in het overdrachtsgebied; - maatregelen aan de ontvangstzijde De afweging rondom de maatregelen en hogere grenswaardenprocedure is uitgebreid opgenomen in het akoestisch onderzoek. De besluitvorming hierover loopt gelijk op met de besluitvorming over dit bestemmingsplan. Voor dit plan geldt: - Dat maatregelen aan de bron niet doelmatig zijn of stuiten op verkeerskundige en financiële bezwaren. Voor de wegen geldt de volgende afweging. Het toepassen van geluidsreducerend asfalt zal er niet toe leiden dat alsnog aan de voorkeursgrenswaarde wordt voldaan. Bovendien is stil asfalt kwetsbaar en om die reden niet geschikt voor deze wegen in het stedelijk gebied. Het beperken van de snelheid of het terugdringen van de verkeersintensiteiten leidt er evenmin toe dat alsnog kan worden voldaan aan de voorkeursgrenswaarde en is op dit moment ook ongewenst. Mogelijk komt hier in de toekomst – met de uitvoering van de maatregelen uit de onlangs vastgestelde Koersnota Mobiliteit – verandering in. Deze maatregelen zijn echter nog onvoldoende uitgewerkt: in het kader van dit bestemmingsplan kan hier derhalve geen rekening mee worden gehouden. Voor het spoor geldt dat het toepassen van raildempers onvoldoende effect heeft om de geluidsbelasting terug te brengen tot aan de voorkeursgrenswaarde.

Verder is de geluidsbelasting vanuit de andere wegen maatgevend. Bovendien zijn maatregelen aan het spoor erg duur. Maatregelen aan het spoor stuiten dus op doelmatige en financiële afwegingen; - Ten aanzien van de maatregelen in het overdrachtsgebied geldt dat het plaatsen van hoge schermen langs het spoor op financiële bezwaren stuit en onvoldoende doelmatig is, omdat de geluidsbelasting vanuit de weg maatgevend is. De plaatsing van geluidsschermen langs de wegen is stedenbouwkundig en vanuit het oogpunt van sociale veiligheid ongewenst; - Tot slot zijn ook maatregelen aan de ontvangstzijde onwenselijk. Het toepassen van geluidsschermen aan de gevels of dove gevels heeft dusdanig veel consequenties voor de ventilatie- en veiligheidscondities dat de ontwerpvrijheden van de woningen sterk wordt ingeperkt. Bovendien brengt een gebouwgebonden geluidsscherm ook relatief veel kosten met zich mee. Nu maatregelen om doelmatige, financiële, verkeerskundige of stedenbouwkundige redenen niet mogelijk zijn, kan op basis van de Wet Geluidhinder een hogere grenswaardenprocedure doorlopen worden. Bij de bouwvergunningaanvraag dient aangetoond te worden of voldaan kan worden aan de eisen van het Bouwbesluit.

Naast het wettelijke afwegingskader, heeft de gemeente een eigen geluidsnota opgesteld waarin aanvullende voorwaarden aan het verlenen van een hogere grenswaarde worden gesteld: de geluidsnota ‘Geluidskwaliteit in de leefomgeving’. In het kader van dit bestemmingsplan dient ook getoetst te worden aan dit gemeentelijke beleid. De toets leidt tot de volgende conclusie: • Het plan voldoet aan de geluidsnormen die in de geluidsnota staan. Het geluidsniveau betreft voor het hier van toepassing zijnde type ‘stedelijk centrum’ een streefwaarde voor elk van de te onderscheiden geluidsbronnen van maximaal 55 dB(A)/53 dB. • Het plan voldoet aan de ontheffingscriteria die in de Geluidsnota zijn opgenomen: - Het nieuwbouwplan vervangt deels bestaande bebouwing en vult daarmee een plaats op tussen aanwezige bebouwing;

Raadhuislaan-Noord-Oss – 2024, pag. 53 van 71 Vastgesteld september 2024

-

•

-

Er is sprake van een positieve functieverandering. Op een herstructureringslocatie wordt een bestaand gebouw met een functie die niet meer aansluit bij de huidige behoeften vervangen door nieuwe bebouwing met functies die hier wel op aansluiten. Het ontwerp en de plattegronden van de appartementen moeten nog definitief worden gemaakt. Pas dan kan definitief getoetst worden aan de voorwaarden uit de geluidsnota. Er is een mogelijkheid dat op drie punten niet (geheel) voldaan wordt aan de gemeentelijke geluidsnota: De woning heeft ten minste één lager (luw) geluidsniveau. Het geluidsniveau op de gevel is niet hoger dan de streefwaarde voor elk van de te onderscheiden geluidsbronnen; De woning bevat voldoende verblijfsruimte aan de zijde van de geluidluwe gevel. Dit geldt voor ten minste 50% van het aantal verblijfsruimten of het oppervlakgebied; Indien een woning beschikt over een buitenruimte, dan is deze bij voorkeur gelegen aan de geluidsluwe zijde. Het geluidsniveau mag in ieder geval niet méér dan 5 dB hoger zijn dan bij de geluidluwe gevel.

Indien niet wordt voldaan aan de voorwaarden, dient afgewogen te worden of maatregelen getroffen moeten worden of dat er wellicht aanleiding is om af te wijken van het gemeentelijk beleid. In dit geval kan op voorhand worden gezegd dat een afwijking van het gemeentelijk beleid op onderdelen om de volgende redenen gerechtvaardigd is: - Er wordt voldaan aan de geluidsnormen en ontheffingscriteria uit de Geluidsnota; - De opzet van het gebouw en de daardoor noodzakelijke indeling van de appartementen maakt het realiseren van 50% van de verblijfsruimte aan de geluidluwe gevel lastig; - In het kader van het Bouwbesluit zal ten alle tijden moeten worden voldaan aan de binnenwaarde, zodat in de appartementen een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd is. Om dit nog extra juridisch te borgen, is in de regels van dit bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen; - De ontwikkelaar zal aanvullende maatregelen nemen om een goed woon- en leefklimaat te garanderen, ook ter plaatse van de buitenruimtes. Op basis van het huidige ontwerp worden de geluidsbelaste woningen (woningen zonder een geluidluwe gevel) allemaal voorzien van een inpandig balkon met een gesloten borstwering en een geluidsabsorberend plafond. Bij hoge geluidsbelastingen wordt aanvullend boven de borstwering een gesloten pui met openschuifbare beglazing aangebracht.

In het glas zullen spleten aanwezig zijn zodat sprake is van een buitenklimaat en in de buitenruimte. De geluidsbelaste woningen vanaf de 7e verdieping zijn zoveel mogelijk voorzien van ten minste één gevel en buitenruimte aan de geluidluwe achterzijde van het blok. Wanneer dit niet mogelijk is, wordt het balkon voorzien van een gesloten borstwering en een geluidsabsorberend plafond. Bij hoge geluidsbelastingen wordt aanvullend het balkon volledig verglaasd uitgevoerd en voorzien van een akoestisch plafond. Akoestisch gelijkwaardige oplossingen zijn toegestaan, mits afgestemd op ontwerp en gemeentelijk geluidbeleid; - Naast de individuele buitenruimtes zal aan de binnenzijde (de geluidsluwe kant van het pand) voldoende buitenruimte met een hoogwaardige kwaliteitsbeleving beschikbaar zijn. Alle vier de blokken zijn gelegen aan deze gemeenschappelijke en geluidluwe (binnen)tuin; - Dit plan ligt in de spoorzone/centrumgebied. Het is voorstelbaar dat we in deze zone met gemengde functies - waarbinnen we verstedelijking/verdichting mogelijk willen maken - een hogere geluidsbelasting toelaten. Gelet op het bovenstaande zijn wij bereid om op onderdelen af te wijken van ons gemeentelijk geluidsbeleid. Wij zien daarom op voorhand geen belemmeringen vanuit het gemeentelijk geluidbeleid.

Toetsing aan het plan: Onderzoek Industrielawaai In het plan worden geluidsgevoelige functies gecombineerd met geluidsbelastende activiteiten. Ook vinden in de omgeving van het plangebied activiteiten plaats die effecten kunnen hebben op de geluidsgevoelige woningen die in het plan mogelijk worden gemaakt. Voor het plan is daarom een ‘haalbaarheidsstudie geluid ‘ gevoerd dat als bijlage 19 bij deze toelichting is gevoegd. Uit dit onderzoek blijkt dat de beoogde invulling van het plangebied inpasbaar is.

Raadhuislaan-Noord-Oss – 2024, pag. 54 van 71 Vastgesteld september 2024

Een aandachtspunt zijn de terrassen ten behoeve van de horeca. Indien deze terrassen ook ’s avonds in gebruik zijn, zijn maatregelen nodig. In het bestemmingsplan wordt bij recht alleen horeca toegestaan die beperkt is in omvang en vorm. Het betreft alleen daghoreca en afhaalhoreca; vormen die geen terras in de avond zullen hebben. In de exploitatievergunningen van de horecagelegenheden kunnen de openingstijden vastgelegd worden. Het is daarom niet nodig om op voorhand in het kader van dit bestemmingsplan maatregelen te treffen. Voor het overige worden er ten aanzien van de maximale geluidsniveaus ook nog aandachtspunten genoemd die meegenomen kunnen worden in de exploitatievergunning, zoals restricties voor parkeren en/of laden en lossen. 5.3.3

Externe veiligheid

Rijkskader Externe veiligheid behandelt de risico's die ontstaan als gevolg van opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico’s kunnen hun weerslag hebben op de omgeving. Het wettelijke kader voor externe veiligheid bestaat onder meer uit: - het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) - het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) - het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Enerzijds gaat het over de risicobronnen (bedrijven of transportroutes). Anderzijds gaat het over de risicoontvangers (omstanders die niets met de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen te maken hebben). Wat betreft de risico-ontvangers maakt de wetgeving onderscheid in kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbare objecten zijn gebouwen, waarin (of waarbij) groepen van circa 50 personen of groter, gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. Ook sommige gebouwen waarin/waarbij kleinere groepen verblijven, worden als kwetsbaar object gezien, wanneer die personen beperkt zelfredzaam zijn (zoals zieken, bejaarden of gehandicapten). Beperkt kwetsbare objecten zijn verspreid liggende woningen en bedrijven waarin/waarbij groepen van minder dan 50 personen gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. In de landelijke wetgeving wordt meer gedetailleerd beschreven wat er onder kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten wordt verstaan.

Belangrijk is hierbij dat de opsomming in de wetgeving niet limitatief is, zodat er in de verdere uitwerking van het beleid nog enige vrijheid rest. Verder maakt de wetgever onderscheid tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen.

Gemeentelijk kader Ook in de gemeente Oss zijn risicobronnen aanwezig in de vorm van transportassen en stationaire activiteiten. Dit vraagt om een gemeentelijke visie. Op 19 mei 2011 heeft de gemeenteraad de Beleidsvisie Externe veiligheid vastgesteld. Deze beleidsvisie beschrijft op welke manier de gemeente Oss externe veiligheid in haar afwegingen betrekt.

Raadhuislaan-Noord-Oss – 2024, pag. 55 van 71 Vastgesteld september 2024

Toets aan het plan Met dit plan worden kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten mogelijk gemaakt. Voor dit plan is daarom een onderzoek naar externe veiligheid uitgevoerd dat als bijlage 22 bij deze toelichting zit. Uit het onderzoek blijkt dat er geen plaatsgebonden risicocontour is en ook geen plasbrandaandachtsgebied. Het groepsrisico ligt onder de oriëntatiewaarde en neemt in de toekomst niet significant toe ten opzichte van de huidige situatie. Voor dit plan geldt een standaardverantwoordingsplicht. De zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid moeten worden beoordeeld. Het plan en de onderzoeken zijn daartoe ook voorgelegd aan de Veiligheidsregio. Er zijn geen belemmeringen op het gebied van zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Wel worden enkele aanbevelingen gedaan en aandachtspunten meegegeven. Zo is het is wenselijk om voor toekomstige bewoners een instructie op te hangen die betrekking heeft op het handelingsperspectief bij een incident met gevaarlijke stoffen. Verder moet het gebouw bescherming bieden ingeval van calamiteiten met toxische stoffen door middel van een ventilatiesysteem dat centraal afgesloten kan worden. Onder de Omgevingswet dient een mechanisch ventilatiesysteem standaard te beschikken over een ventilatiesysteem waarmee het systeem handmatig kan worden uitgeschakeld. Alle aandachtspunten zijn meegegeven aan de ontwikkelaar.

In het bestemmingsplan worden geen functies mogelijk gemaakt die de aanwezigheid van groepen van zeer kwetsbare personen faciliteren. 5.3.4

Trillingen

In Nederland bestaat geen wet-of regelgeving over het trillingshinder. Het aspect is echter wel een aandachtspunt in het kader van ‘een goede ruimtelijke ordening’ in de zin van artikel 3.1 lid 1 Wet Ruimtelijke Ordening. Voor de afweging wordt in de praktijk een aantal richtlijnen en beleidsregels gebruikt. Voor dit plan is de richtlijn deel B van de Stichting Bouwresearch (SBR) van augustus 2006 van belang. Deze richtlijn is ook de basis voor de toets zoals voorgesteld in de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen van het Ministerie van I&W van mei 2019. In de Richtlijn zijn streef-en grenswaarden opgenomen waaraan het plan getoetst moet worden. Dit plan ligt op wat grotere afstand van het spoor (circa 150 meter). Toch is volledigheidshalve een onderzoek gedaan naar trillingshinder als gevolg van treinverkeer. Dit onderzoek zit als bijlage 23 in de bijlage bij deze toelichting. Uit het onderzoek blijkt dat kan worden geconcludeerd dat inzake spoortrillingen kan worden voldaan aan de waarden zoals aangegeven in de Richtlijn B deel B waardoor sprake zal zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Een randvoorwaarde daarbij is dat de vloeren voldoende stijf worden uitgevoerd. Daarmee wordt in ieder voldaan aan de streefwaarden uit de SBR-richtlijn voor nieuwe situaties. Verder wordt aanbevolen om bij de uiteindelijke constructieve opzet de situatie nogmaals te berekenen.

Er is vanuit trillingshinder dus geen belemmering om het bestemmingsplan vast te stellen. Om te borgen dat geen trillingshinder optreedt in de definitieve situatie, is in het bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen die inhoudt dat voldaan moet worden aan de streefwaarden voor nieuwe situaties. 5.3.5 Bodem Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht, moet in planvorming rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste

Raadhuislaan-Noord-Oss – 2024, pag. 56 van 71 Vastgesteld september 2024

functies. In de Bouwverordening van de gemeente Oss is geregeld dat onder bepaalde omstandigheden het oprichten van gebouwen pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij iedere nieuwbouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld. Voor dit plan is een vooronderzoek en een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 24 bij deze toelichting gevoegd. Uit dit onderzoek blijkt dat er geen belemmeringen zijn voor de voorgenomen herinrichting en dat er ook geen aanleiding is om aanvullend onderzoek uit te voeren. Op het moment dat de aanwezige bebouwing gesloopt wordt, moet een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 (indien nodig aangevuld met een asbestonderzoek conform NEN 5707) uitgevoerd worden. 5.3.6

Luchtkwaliteit

Het beleid en de regelgeving over luchtkwaliteit heeft tot doel om mensen te beschermen tegen de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging. Ze bevatten luchtkwaliteitsnormen voor verschillende stoffen. Ruimtelijke plannen of projecten die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, zoals bestemmingsplannen, dienen getoetst te worden aan de Wet milieubeheer (afdeling 5.2.). Deze wet bevat grenswaarden voor de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijn stof, lood, benzeen en koolmonoxide in de buitenlucht. In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Overschrijding van de grenswaarden van andere stoffen komt bijna niet voor. De wet maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Kleine projecten zijn projecten die de luchtkwaliteit niet ‘in betekende mate’ (NIBM) verslechteren. Deze projecten hoeven niet meer beoordeeld te worden op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Er is geen belemmering als een klein project niet of nauwelijks bij draagt aan luchtverontreiniging, óók niet in overschrijdingsgebieden (gebieden met te veel luchtvervuiling). De ministeriële Regeling NIBM geeft aan in welke gevallen een nieuw project in ieder geval een NIBMproject is.

Dit is bijvoorbeeld het geval als er minder dan 500 woningen worden gebouwd bij minimaal één ontsluitingsweg, of minder dan 1.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Het Besluit gevoelige bestemmingen beperkt de vestiging van zogeheten ‘gevoelige bestemmingen’, zoals een school, in de nabijheid van provinciale en rijkswegen. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. Waar in zo’n onderzoekszone de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming’ niet toenemen. Dit wordt bereikt door op zo’n plek de vestiging van bijvoorbeeld een school niet toe te staan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.

Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de

Raadhuislaan-Noord-Oss – 2024, pag. 57 van 71 Vastgesteld september 2024

context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien. De gemeente heeft geen eigen regelgeving en beleid over luchtkwaliteit. Grenswaarden luchtkwaliteit Voor de meest voorkomende stoffen zijn de luchtkwaliteitsnormen als volgt:

In de tabel hieronder zijn de waarden weergegeven van NO2, PM10 en PM2,5 van het dichtstbijzijnde meetpunt (zie meetpunt (rood omcirkeld) op de afbeelding eronder). Hieruit blijkt dat de grenswaarden van NO2, PM10 en PM2,5 niet worden overschreden en de luchtkwaliteit in het plangebied aanvaardbaar is. De totale concentratie is als volgt: Stof NO2 PM10 PM2,5

Waarde ter plaatse 18,8483 ug/m3 18,575 ug/m3 11,0225 ug/m3

Raadhuislaan-Noord-Oss – 2024, pag. 58 van 71 Vastgesteld september 2024

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; • woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; • kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Het planvoornemen bestaat uit de realisatie van 198 appartementen en 1.000 m2 aan commerciële ruimte. Voor de bijdrage die het planvoornemen heeft aan de kwaliteit van de lucht is de verkeersaantrekkende werking relevant. Geen sprake is namelijk van andere activiteiten die effect hebben op de kwaliteit van de lucht. Door Antea Group is de verkeersaantrekkende werking van het planvoornemen in beeld gebracht, zie de afbeelding hieronder.

Raadhuislaan-Noord-Oss – 2024, pag. 59 van 71 Vastgesteld september 2024

1.

De 10 friendswoningen zijn beschouwd als ‘huur. appartement. duur’. Het effect op de berekening van het meenemen van de friendswoningen ’20 appartementen, categorie goedkoop’ is nihil.

Om te bezien of de verkeersaantrekkende werking invloed heeft op de kwaliteit van de lucht is door Infomil de NIBM-tool ontwikkeld. Deze is voor het planvoornemen op basis van voorgaande ingevuld, waarbij rekening is gehouden met een aandeel vrachtverkeer van 10%. Hieruit blijkt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekenende mate is. Hieronder is een afbeelding van de ingevulde NIBM-tool opgenomen.

Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleegen bejaardentehuizen. Woningen, kantoren en ziekenhuizen zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij

Raadhuislaan-Noord-Oss – 2024, pag. 60 van 71 Vastgesteld september 2024

provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Het planvoornemen betreft niet het mogelijk maken van een gevoelige bestemming zoals in het kader ‘luchtkwaliteit’ is bedoeld. Het besluit gevoelige bestemmingen is in onderhavige situatie niet aan de orde. Bedrijven Binnen de directe nabijheid van de locatie liggen geen veehouderijen of andere bedrijven die van invloed zijn op de luchtkwaliteit. Conclusie Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het planvoornemen draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het planvoornemen. 5.3.7

Straling

Het beleid voor elektromagnetische velden is opgenomen in het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4), de Toekomstagenda Milieu en de beleidsnota Nuchter Omgaan met Risico's, beslissen met gevoel voor onzekerheden (2004). Het ministerie van Infrastructuur en milieu heeft het beleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen uitgewerkt in een advies van oktober 2005. Dit advies is verder toegelicht in een brief van november 2008. De gemeente Oss heeft in het Milieubeleidsplan 2010-2014 het rijksadvies vastgelegd als beleidsuitgangspunt. Dit houdt in dat er bij nieuwbouwplannen of het realiseren van nieuwe hoogspanningslijnen voorkomen dient te worden dat er gevoelige bestemmingen terecht komen in een zone waar het magnetische veld gemiddeld over een jaar hoger is dan de norm van 0,4 microtesla. De planlocatie ligt niet in de nabijheid van een bovengrondse hoogspanningslijn. Straling van bovengrondse hoogspanningslijnen is derhalve geen beperkende factor voor deze ontwikkeling. 5.3.8

Geur: industrieel

Het nationale industriële geurbeleid is vastgelegd in de Nederlandse emissierichtlijn (NeR). De brief van het ministerie van Infrastructuur en Milieu van 30 juni 2005 stelt het rijksbeleid in grote lijnen vast. Het algemene uitgangspunt is het voorkomen van (nieuwe) hinder. Dit uitgangspunt vormt samen met het toepassen van de Beste Beschikbare Techniek (BBT) de kern van het geurbeleid. Uitgangspunten van het rijksbeleid zijn: - als er geen hinder is, zijn maatregelen niet nodig; - als er wel hinder is, worden maatregelen getroffen op basis van het Beste Beschikbare Techniekprincipe; - de gemeente stelt vast welke mate van hinder acceptabel is. Gemeenten en provincies hebben de bevoegdheid om een eigen geurbeleid vast te stellen. De provincie Noord-Brabant heeft een eigen geurbeleid voor provinciale bedrijven, de Beleidsregel beoordeling geurhinder omgevingsvergunningen industriële bedrijven Noord-Brabant. De gemeente Oss heeft geen eigen industrieel geurbeleid. Per situatie stelt de gemeente Oss vast of sprake is van een acceptabel geurniveau. Er zijn verschillen in het niveau van bescherming mogelijk. Voor een bedrijfswoning kan bijvoorbeeld een hogere geurbelasting gehanteerd worden dan voor aaneengesloten woonbebouwing. De planlocatie ligt niet binnen de geurcontour van een industrieterrein of bedrijven.

Industriële geurhinder is daarom geen beperkende factor voor deze ontwikkeling. 5.3.9 Geurhinder: agrarisch De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is het beoordelingskader voor geur bij milieuvergunningen, bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Het gaat uitdrukkelijk om agrarische geur van

Raadhuislaan-Noord-Oss – 2024, pag. 61 van 71 Vastgesteld september 2024

landbouwhuisdieren uit dierstallen. De wet maakt onderscheid tussen geurnormen voor intensieve en extensieve veehouderijen. De geurbelasting van intensieve veehouderijen wordt berekend en uitgedrukt in de vorm van een geurcontour. De geurbelasting van extensieve veehouderijen wordt uitgedrukt in vaste afstanden. De gemeente Oss heeft op basis van de wet een eigen geurbeleid opgesteld. Het geurbeleid bestaat uit twee delen: de “Geurgebiedsvisie 2013” en de “Agrarische geurverordening gemeente Oss 2017”. Het hanteert per soort gebied een eigen geurnorm en streeft de volgende doelen na: - de burger beschermen tegen geurhinder; - de veehouderijen niet onnodig beperken; - ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken, onder de voorwaarde dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is. De gemeentelijke “Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder” is van belang voor de vraag of een ruimtelijke ontwikkeling kan plaatsvinden. De beleidsregel geeft aan wanneer sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oss 2017 wordt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object binnen de gemeente Oss vastgelegd. Conform Artikel 3 Waarden voor de geurbelasting van de verordening zijn de volgende waarden vastgelegd: Lid 1.

Op grond van artikel 6, lid 1 van de wet en in afwijking van artikel 3, lid 1 van de wet bedraagt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in het gebied als genoemd in artikel 2, lid 1 van deze verordening: A. Stad Oss

1,0 Ou

B. Woonkern met geen/enige intensieve veehouderij

2,0 Ou

C. Plangebied (bij kern A en B)

3,0 Ou

D. Woonkern met intensieve veehouderij

6,0 Ou

E. Zoekgebied + plangebied Maren-Kessel West en Liesdaal

6,0 Ou

F. Recreatiegebieden

8,0 Ou

G. Extensiveringsgebieden

8,0 Ou

H. Bedrijventerreinen

8,0 Ou

I. Bedrijventerrein Vorstengrafdonk

12,0 Ou

J. Verwevingsgebied

14,0 Ou

K. Landbouwontwikkelingsgebied

14,0 Ou

De planlocatie ligt niet in de nabijheid van een agrarisch bedrijf. Agrarische geur is derhalve geen belemmering voor dit initiatief. 5.3.10 Gezondheid en Veehouderij Gezondheid is in de ruimtelijke ordening steeds meer een thema. Er is echter geen specifieke wet- en regelgeving dan wel beleidskader voor het meenemen van het aspect gezondheid in bestemmingsplannen of andere ruimtelijke besluiten. Van belang is dat een ruimtelijk besluit voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Hiervoor is het belangrijk dat ter plaatse van de ruimtelijke ontwikkeling sprake is van een goed woon- en leefklimaat en bedrijven en dergelijke door een ruimtelijke ontwikkeling niet in hun belangen/ bedrijfsvoering geschaad worden. In deze paragraaf wordt ingegaan op de aspecten die van invloed zijn op de gezondheid van mens, dier en natuur.

Raadhuislaan-Noord-Oss – 2024, pag. 62 van 71 Vastgesteld september 2024

Geitenhouderijen Uit de VGO-rapporten die afgelopen jaren zijn gepubliceerd door het RIVM komt duidelijk naar voren dat er een relatie wordt gevonden tussen veehouderijen en de gezondheid van omwonenden. Deze relatie is door de onderzoeker op verschillende manieren vastgesteld. Daarbij komt dichtheid van veehouderijbedrijven en afstand tot bepaalde type individuele veehouderijen concreet naar voren als factoren die van invloed zijn op de gezondheid van omwonenden. Verder blijkt uit VGO-onderzoek dat er in een straal van twee kilometer rond geitenhouderijen een verhoogde incidentie van longontstekingen (ca. 25-30% hoger) voorkomt. De oorzaak van het verhoogde risico op longontsteking rond geitenbedrijven is vooralsnog onbekend en onderwerp van vervolgonderzoek. Op dit moment kan er geen enkele bron-effect relatie worden beschreven tussen de verhoogde longontsteking incidentie en de uitstoot vanuit geitenhouderijen. Wel is er een causaal verband geconstateerd waarbij de associatie sterker is naarmate de afstand tot een geitenhouderij kleiner is. Tot er meer duidelijkheid is over de bron van de verhoogde incidentie longontstekingen kan niet worden geadviseerd over beschermde maatregelen. Afstand houden en goed informeren is de enige maatregel die de GGD op dit moment adviseert.

In afwachting van het vervolgonderzoek heeft de provincie besloten dat geitenstallen uitbreiden of in gebruik nemen niet meer is toegestaan. Het moratorium is in beginsel tijdelijk. Als de uitkomsten van het vervolgonderzoek bekend worden, wordt er gekeken of er redenen zijn het besluit in te trekken of aan te passen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het bevoegd gezag verplicht om alle bekende risico's bij een nieuwe ontwikkeling af te wegen. Er is geen sprake van een omgekeerde werking van het moratorium (met andere woorden de 'stop' op uitbreidingen van geitenbedrijven zorgt niet voor een stop op ontwikkelingen binnen de 2 km straal van een geitenhouderij), maar wel van een risico dat beoordeeld en meegewogen moet worden bij nieuwe ontwikkelingen. Het verantwoorden van dit verhoogde risico is aan het bevoegd gezag, in casu de gemeente. Deze geeft een oordeel over en maakt een afweging of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (m.b.t. onder andere gezondheid & geitenhouderijen). Het college van B&W besloot op 5 december 2017 dat wenselijke ontwikkelingen na een zorgvuldige afweging met betrekking tot volksgezondheid kunnen worden toegestaan binnen een straal van twee kilometer rondom een geitenhouderij.

Het beleid voor geitenhouderijen in Oss houdt in dat bij de realisering van een ruimtelijke ontwikkeling binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij rekening moet worden gehouden met de volgende criteria: a. het informeren van de aanvragers over het risico b. terughoudend omgaan met ontwikkelingen betreffende het huisvest of opvangen van kinderen, kwetsbare mensen en ouderen c. na een zorgvuldige afweging en eventueel maatwerk kunnen wenselijke ontwikkelingen binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij worden toegestaan. ‘De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’ (versie mei 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De zeven stappen dienen allen te worden doorlopen en beantwoord om na te gaan of er aandachtspunten worden gevonden. Toetsing aan het stappenplan moet plaatsvinden, zodat kan worden bepaald of een advies van de GGD nodig is voor de beoogde ontwikkeling.

Raadhuislaan-Noord-Oss – 2024, pag. 63 van 71 Vastgesteld september 2024

De planlocatie ligt niet in de nabijheid (binnen 2 kilometer) van een geitenhouderij. Een nadere motivering ten aanzien van de volksgezondheidsrisico’s binnen twee kilometer van een geitenhouderij is niet nodig. Ook worden door het planvoornemen geen geitenhouderijen in hun bedrijfsvoering belemmerd. Pluimvee- en varkenshouderijen Binnen 1 kilometer van een pluimveehouderij of 250 meter van een varkenshouderij kan sprake zijn van effecten op de volksgezondheid. Dat betekent dat een planvoornemen waarbij binnen die afstanden gevoelige functies worden mogelijk gemaakt moet worden afgewogen of sprake is van onaanvaardbare volksgezondheidsrisico’s. Er zijn geen pluimveehouderijen binnen 1 km van het plangebied gelegen. Het plangebied is verder niet binnen 250 meter van overige veehouderijen gelegen. Een nadere motivering ten aanzien van de volksgezondheidsrisico’s binnen 1 kilometer van een pluimveehouderij of 250 meter van een varkenshouderij is niet nodig. Ook worden door het planvoornemen geen pluimvee- of varkenshouderijen in hun bedrijfsvoering belemmerd. Conclusie Er zijn geen belemmeringen of aandachtspunten vanuit Veehouderij en Gezondheid voor deze ontwikkeling. Het aspect gezondheid vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.

5.3.11 Spuitzones In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden beoordeeld of het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen onaanvaardbare gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt als vuistregel dat een richtafstand van 50 meter tussen het perceel waarop de teelt plaatsvindt en te realiseren nieuwe gevoelige functies zoals woningen kan worden gehanteerd. Kleinere afstanden zijn mogelijk mits er een locatiespecifiek onderzoek wordt uitgevoerd. De locatie ligt niet in de nabijheid van agrarische percelen. Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen speelt derhalve niet en is geen belemmering voor dit plan. 5.3.12 Milieueffectrapportage (M.e.r.) Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt de milieugevolgen van een plan in beeld voordat er een besluit over wordt genomen. In een milieueffectrapport worden de gevolgen voor het milieu beschreven. Zo kan de overheid die het besluit neemt de milieugevolgen bij haar afwegingen betrekken. Het doel van m.e.r. is om het milieu een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over plannen en projecten. In een m.e.r.-beoordeling kijkt het bevoegd gezag of een project mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Als dat zo is, moet een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Wanneer speelt een m.e.r.-beoordeling? In het Besluit m.e.r.

staat wanneer m.e.r. of een m.e.r.-beoordeling aan de orde is. De activiteit die het project mogelijk maakt en het besluit over de activiteit zijn daarbij bepalend. In de C- en D-lijst in de Bijlage bij het Besluit m.e.r. staat of sprake is van m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht. Per categorie van activiteiten is een drempelwaarde voor de omvang van de activiteit gegeven. Boven de C-drempel geldt een m.e.r.-plicht, tussen de C- en D-drempel geldt een plan-m.e.r.-plicht en onder de D-drempel geldt een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient onderbouwd te worden of de activiteit belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Sinds de implementatie van de gewijzigde M.e.r.-richtlijn op 16 mei 2017 is de procedure voor de vormvrije en de formele m.e.r.-beoordeling bijna gelijk. Het enige verschil is dat van het besluit bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling geen kennisgeving wordt gedaan.

Raadhuislaan-Noord-Oss – 2024, pag. 64 van 71 Vastgesteld september 2024

Het m.e.r.-beoordelingsbesluit De initiatiefnemer stelt een aanmeldnotitie op, waarover het bevoegd gezag binnen zes weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit moet nemen. Het bevoegd gezag motiveert het besluit door in te gaan op de selectiecriteria van Bijlage III van de M.e.r.-richtlijn. Het gaat daarbij om de hoofdcategorieën: 1. kenmerken van het project 2. plaats van het project 3. kenmerken van het potentiële effect. Is het bevoegd gezag zelf initiatiefnemer, dan is het bevoegd gezag, anders dan een derde, niet verplicht een aanmeldnotitie op te stellen. Verantwoording Het planvoornemen kan gezien worden als de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject en valt onder onderdeel D 11.2 van het Besluit milieueffectrapportage. Dit betekent dat een m.e.r.-aanmeldnotitie aan de orde is. Voor het planvoornemen is een dergelijke notitie opgesteld. Deze is opgenomen in bijlage 25 bij de plantoelichting.

De notitie kent de volgende conclusie: “De potentiële effecten van het project, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het project zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat geen belangrijk nadelige milieugevolgen veroorzaakt worden die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken.” Door het bevoegd gezag is naar aanleiding van de m.e.r.-notitie beoordeeld dat voor onderhavig planvoornemen / ruimtelijk besluit geen milieueffectrapportage is vereist.

Raadhuislaan-Noord-Oss – 2024, pag. 65 van 71 Vastgesteld september 2024

Hoofdstuk 6 6.1

Toelichting op de regels

Algemeen

Het bestemmingsplan bevat regels die het juridisch instrumentarium geven voor het regelen van het gebruik van de gronden en opstallen én bepalingen over de toelaatbaarheid van bebouwing. Het bestemmingsplan kan worden verbeeld op papier, en gaat vergezeld van deze toelichting. De toelichting heeft geen bindende werking en maakt juridisch geen deel uit van het bestemmingsplan. Wel heeft zij een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan. De Wet ruimtelijke ordening biedt zowel de mogelijkheid om een globaal bestemmingsplan te maken als de mogelijkheid van een gedetailleerd bestemmingsplan. In het bestemmingsplan ‘Raadhuislaan-NoordOss-2024’ is gekozen voor een gedetailleerde regeling. Voor de opzet van de regels is aangesloten bij de “Standaardregels bestemmingsplannen Oss”. De regels bestaan uit vier hoofdstukken. Dit zijn de inleidende regels (artikelen 1 en 2), de bestemmingsregels (artikelen 3 tot en met 6), de algemene regels (artikelen 7 tot en met 12) en de overgangsen slotregels (de artikelen 13 en 14). Bij de regels hoort een bijlage, te weten een milieuzoneringslijst. In de volgende paragraaf worden de diverse artikelen uit de regels en de bijlage toegelicht. 6.2

Regels

Hoofdstuk 1: Inleidende regels Artikel 1: Begrippen In dit artikel worden de in de regels gehanteerde begrippen nader verklaard om verschillen in interpretatie te voorkomen. Artikel 2: Wijze van meten Dit artikel geeft aan op welke manier het meten van in de regels genoemde begrippen moet plaatsvinden. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels De in dit hoofdstuk geregelde bestemmingen zijn achtereenvolgens: Artikel 3: Gemengd In dit artikel staan bouw- en gebruiksregels met betrekking tot de gebouwen die gerealiseerd zullen worden voor de woningen en de commerciële functies in de plint. Voor de woningen is in de regels het maximale aantal vastgelegd. Het betreft 198 appartementen, waaronder 10 friendswoningen. Verder wordt in de plint op de begane grond (tot een gezamenlijk oppervlak van maximaal 950 m2) een diversiteit aan commerciële functies toegestaan: kantoren, dienstverlening, maatschappelijke functies (tot maximaal 500 m2), bedrijven in categorie 1 en 2 (tot maximaal 500 m2), functies op het gebied van cultuur en ontspanning (tot maximaal 350 m2) en horeca (tot maximaal 250 m2). In de begripsbepalingen is opgenomen welke activiteiten onder de genoemde functies vallen. Met een afwijkingsbevoegdheid - die is opgenomen in artikel 3.4 zijn – onder voorwaarden – ook activiteiten toegestaan die binnen de genoemde bestemmingen vallen, maar niet in de begripsbepalingen zijn genoemd.

Raadhuislaan-Noord-Oss – 2024, pag. 66 van 71 Vastgesteld september 2024

In deze bestemming is verder opgenomen dat binnen het bestemmingsvlak twee logeerkamers mogen worden gerealiseerd. Zoals uit de begripsbepalingen blijkt, is dit een gezamenlijke voorziening voor de bewoners. Ook zijn in dit artikel zogenaamde ‘voorwaardelijke verplichtingen’ opgenomen, waaraan bij de uiteindelijke vergunningverlening getoetst moet worden. Hier is de voorwaardelijke verplichting ten aanzien van het parkeren opgenomen. Deze houdt in dat het gebouw pas in gebruik mag worden genomen zodra de benodigde parkeerplaatsen gerealiseerd zijn. Ook zijn hier voorwaardelijke verplichtingen opgenomen ten behoeve van de milieuaspecten geluid en trillingen. Artikel 4: Groen Dit artikel is van toepassing op het binnengebied van het plan. Deze bestemming doet recht aan het groene karakter dat dit gebied krijgt. In dit gebied zijn in beginsel geen gebouwen toegestaan. Uitzonderingen zijn daarbij gemaakt voor nutsvoorzieningen en de stadskas. In deze bestemming zijn ook de bepalingen ten aanzien van de loopbruggen opgenomen: deze zullen op hoogte gerealiseerd worden. Artikel 5: Verkeer-Verblijf Dit artikel is opgenomen vanwege de terrassen die aan de Raadhuislaan bij de horeca beoogd zijn. In het bestemmingsplan ‘Centrum-Oss-2013’ had het gebied de bestemming ‘Verkeer’. Binnen die bestemming waren terrassen niet toegestaan.

Daarom is in het bestemmingsplan ‘Raadhuislaan-NoordOss-2024’ een strook ‘Verkeer-Verblijf’ opgenomen. Dit is een bestemming die wel terrassen toe laat. Artikel 6: Waarde-Archeologische verwachtingswaarde Hoog De planlocatie ligt binnen een gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde. Er zijn verschillende onderzoeken naar archeologie gedaan in het kader van deze bestemmingsplanprocedure. Het proefsleuvenonderzoek zal in het kader van de vergunningaanvraag worden uitgevoerd. Om archeologie ook in deze latere fase goed te borgen, is een dubbelbestemming met archeologie opgenomen. Omdat de grond onder het huidige belastingkantoor al verstoord is, geldt deze dubbelbestemming niet voor de gronden onder het bestaande pand. Hoofdstuk 3: Algemene regels Dit hoofdstuk geeft een aantal gebruikelijke algemene regels. Het betreft achtereenvolgens: Artikel 7:

Anti-dubbeltelregeling

Artikel 8: Algemene bouwregels In dit artikel staan algemene bepalingen met betrekking tot ondergronds bouwen en parkeervoorzieningen. Dit artikel bevat ook regels ten aanzien van overschrijding van bouwregels. Artikel 9: Algemene gebruiksregels In dit artikel is opgenomen welk gebruik in ieder geval verboden is op grond van het bestemmingsplan. Artikel 10: Afwijken van de bouwregels Dit artikel geeft de mogelijkheid aan het college om in bepaalde gevallen met een omgevingsvergunning af te wijken van de bouwregels. Artikel 11: Algemene wijzigingsregels Dit artikel geeft de mogelijkheid aan het college om in specifieke, bepaalde gevallen het bestemmingsplan te wijzigen.

Raadhuislaan-Noord-Oss – 2024, pag. 67 van 71 Vastgesteld september 2024

Artikel 12: Overige regels In dit artikel is beschreven of en welke andere regels van toepassing blijven, of juist niet. Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Artikel 13: Overgangsrecht Dit artikel regelt het overgangsrecht voor bebouwing en gebruik van gronden en bouwwerken. Artikel 14: Slotregel Dit artikel regelt de formele titel waaronder het bestemmingsplan kan worden aangehaald. Bijlage 1: milieuzoneringslijst In deze bijlage zijn de bedrijfsactiviteiten genoemd die volgens de regels toelaatbaar zijn. De lijst is opgesteld vanuit de typering van het plangebied als een rustige woonwijk. Bijlage 2: Akoestisch onderzoek (spoor)weglawaai Omdat in planregel 3.2.5 lid b verwezen wordt naar het akoestisch onderzoek (spoor)weglawaai is dit onderzoek als bijlage bij de regels gevoegd. Bijlage 3: Geluidsnota Oss Omdat in planregel 3.2.5 lid d verwezen wordt naar de ‘Geluidsnota Oss’ is deze nota als bijlage bij de regels gevoegd. Bijlage 4: Mobiliteitsplan

Raadhuislaan-Noord-Oss – 2024, pag. 68 van 71 Vastgesteld september 2024

Hoofdstuk 7 7.1

Handhaving

Beleidskader

Naar aanleiding van een landelijk traject heeft de gemeente Oss in 2005 de nodige besluiten genomen om de handhaving te professionaliseren. De gemeente wil namelijk een professionele organisatie zijn. Om haar handhavingstaken zo transparant en objectief mogelijk uit te voeren, heeft zij een toezicht-, sanctie- en gedoogstrategie opgesteld. De wijze waarop de gemeente handelt bij overtredingen is daarin vastgelegd. Het uitgangspunt voor handhaving is: elke norm die het verdient te worden gesteld, verdient het ook te worden gehandhaafd. De gemeente is verantwoordelijk voor het algemeen belang, dat concreet wordt in de belangen van veiligheid, volksgezondheid, natuurlijk milieu en ruimtelijke kwaliteit. Deze belangen vragen om een actieve handhaving. Een goede handhaving start echter al bij het opstellen van beleid, regels en voorschriften. Om in dit verband bestemmingsplannen actief te kunnen handhaven moet voldaan zijn aan de volgende criteria: - het opstellen van uitvoerbaar beleid en duidelijke regels; - het verstrekken van duidelijke informatie op basis waarvan burgers en bedrijven hun keuzes kunnen maken; - zorgen voor de naleving van regels door middel van toezicht en de inzet van handhavingsinstrumenten.

Als primaire verantwoordelijkheid van burgers en bedrijven wordt gezien: - het aanvaarden van de consequenties van de eigen keuzes; - nakoming van afspraken en naleving van regels. In het Handhavingsprogramma wordt het concrete belang van handhaving van regels van bestemmingsplannen aangegeven. De negatieve effecten van niet-handhaving kunnen immers groot zijn, zoals schade aan natuur en ruimtelijke kwaliteit, financieel-economische schade en onveiligheid. Maar ook kunnen burgers en bedrijven worden benadeeld door illegale activiteiten van hun buren/omwonenden. De ruimte in Nederland is schaars en iedereen heeft belang bij een goede woon-, werk- en leefomgeving. De kwaliteit hiervan wordt grotendeels in bestemmingsplannen vastgelegd en die kwaliteit verdient het om te worden beschermd, onder meer door toezicht op naleving van de regels en desnoods bestuursrechtelijke handhaving. Het bestuurlijke belang van een adequate handhaving van bestemmingsplannen is dus groot, maar dat geldt ook voor de individuele belangen van burgers en bedrijven. 7.2

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=741b46d0-08d6-408f-9006-87fc0b59b7ca