Nadere regels en Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Oss 2021.DOCX
Tekst van het document
Hulp bij huishouden op onderstaande resultaten wordt alleen geboden wanneer er geen andere
oplossingen zijn die problemen die inwoner hierbij ondervindt kunnen voorkomen of oplossen. In de dagelijkse praktijk betekent dit dat, waar dat mogelijk is, inwoner, de leefeenheid of het netwerk de huishoudelijke werkzaamheden (blijven) uitvoeren. Aanvullend hierop wordt ondersteuning bij het
huishouden geboden. Van een inwoner wordt medewerking gevraagd om deze ondersteuning zo efficiënt mogelijk te kunnen organiseren. Dit betekent dat van de betrokkene mag worden verwacht dat hiermee
rekening wordt gehouden bij de inrichting van de woning en planning van huishoudelijke werkzaamheden. Te denken valt bijvoorbeeld aan de wijze waarop de woning is ingericht. Uiteraard mag de inwoner de
woning gezellig maken door het plaatsen van snuisterijen of beeldjes. Als de woning hier vol mee staat, belemmert dit de voortgang van de werkzaamheden. Dit kan betekenen dat de inwoner gevraagd wordt
voor de komst van de hulp de spulletjes alvast van het dressoir of de tafel te halen en later weer terug te plaatsen. Of dat er wat spullen worden opgeruimd. Inwoner kan ervoor kiezen dit niet te doen, maar dat kan effect hebben op de wijze waarop bijvoorbeeld wordt gestoft.
3.3.1 Inhoud resultaatgebied Het gaat bij huishoudelijke verzorging om de volgende resultaten: a.
het huis is schoon en leefbaar;
c.
de inwoner beschikt over primaire levensbehoeften en maaltijden;
b. d. e.
de inwoner beschikt over schone en draagbare kleding;
er wordt thuis gezorgd voor de minderjarige kinderen die tot het huishouden behoren; er is sprake van regie over het doen van het huishouden.
Binnen de resultaten onderscheiden we diverse aandachtsgebieden waarop de huishoudelijke verzorging
gericht kan zijn. Per individuele situatie wordt bekeken bij welke huishoudelijke taken ondersteuning nodig is en op welke wijze wordt bijgedragen aan het voeren van een gestructureerd huishouden.
Het huis is schoon en leefbaar
Zwaar huishoudelijk werk; stofzuigen, ramen wassen (binnenzijde), reinigen van vloeren, keuken
Licht huishoudelijk werk; afstoffen, afwassen (als er geen maaltijdbereiding is geïndiceerd),
en sanitair, bed(den) verschonen en opruimen huishoudelijk afval. opruimen en bed opmaken.
De inwoner beschikt over schone en draagbare kleding
De was doen; sorteren en wassen van de kleding en linnengoed, het drogen in de wasdroger,
Strijken van bovenkleding.
opvouwen en opbergen.
23
De inwoner beschikt over primaire levensbehoeften en maaltijden
Het beschikken over de noodzakelijke producten voor levensonderhoud, het schoonhouden van de woning en de persoonlijke verzorging (boodschappen doen); samenstellen boodschappenlijst, inkopen en opruimen van de boodschappen.
Broodmaaltijd bereiden en warme maaltijd bereiden; bereiden van de maaltijd, dekken en afruimen van de tafel, koffie en thee zetten, afwassen of een maaltijd opwarmen.
Er wordt thuis gezorgd voor de minderjarige kinderen die tot het huishouden behoren
Anderen helpen bij de zelfverzorging en de maaltijden; uit bed halen/naar bed brengen, wassen,
douchen, aankleden en eten en drinken. Bij baby’s omvat het ook het verschonen van luiers en het voeden.
Er is sprake van regie over het doen van het huishouden
Dagelijkse organisatie van het huishouden; ondersteuning bij de organisatie van de huishoudelijke activiteiten en het plannen en beheren van middelen met betrekking tot het huishouden, alsook het verkrijgen van structuur hierbij.
Advies, instructie en voorlichting gericht op het huishouden; instructie/aanleren hoe eb wanneer je huishoudelijke activiteiten uitvoert, instructie/aanleren om de huishoudelijke activiteiten te
plannen, instructie/aanleren de middelen te beheren in relatie tot de huishoudelijke activiteiten.
3.3.2 Ondersteuningsplan De gemeente heeft met diverse zorgaanbieders overeenkomsten. De zorgaanbieder van wie de inwoner de zorg wil ontvangen, krijgt van de gemeente de opdracht om samen met de inwoner een
ondersteuningsplan te maken dat is gebaseerd op de aandachtsgebieden waarop de huishoudelijke
verzorging gericht moet zijn. In het ondersteuningsplan staat in ieder geval benoemd welke concrete huishoudelijke activiteiten worden overgenomen en met welke frequentie deze activiteiten worden
uitgevoerd. Een ondersteuningsplan is altijd maatwerk en verschilt per individuele situatie. De gemeente betrekt het ondersteuningsplan bij haar besluit over de aanvraag voor huishoudelijke verzorging.
Als de inwoner de huishoudelijke verzorging wil ontvangen in de vorm van een pgb dan verzoekt de
gemeente de inwoner om samen met de zorgverlener een ondersteuningsplan te maken gebaseerd op de
aandachtsgebieden waarbij ondersteuning nodig is. Hiervoor geldt net als bij zorg van een gecontracteerde aanbieder dat in het ondersteuningsplan in ieder geval benoemd moet staan welke concrete huishoudelijke activiteiten worden overgenomen en met welke frequentie deze activiteiten worden uitgevoerd. Ook hierbij geldt dat de gemeente het ondersteuningsplan betrekt bij haar besluit over de aanvraag voor
huishoudelijke verzorging. De hoogte van het pgb is afgestemd op de kosten van huishoudelijke verzorging in natura. Uitgangspunt hierbij is dat het pgb compenserend moet zijn.
3.3.3 Frequentie uitvoering ondersteuning Het aangeven van een vaste, objectieve frequentie voor de uit te voeren werkzaamheden is niet mogelijk. Enerzijds is er geen vaste objectieve norm voor de frequentie waarmee bijvoorbeeld een huis 24
schoongemaakt moet worden, hooguit van een indicatieve norm. Anderzijds is de frequentie ook sterk
afhankelijk van de individuele omstandigheden van de inwoner. Met andere woorden: ten aanzien van de frequentie van de ondersteuning is maatwerk en flexibiliteit noodzakelijk. De frequentie is bijvoorbeeld afhankelijk van:
wat een inwoner of zijn netwerk zelf nog kan of geleerd kan worden; wat de aard van de beperkingen van de inwoner is;
of er verzwarende omstandigheden zijn bij de persoon (bijvoorbeeld dementie, psychische problemen, bedlegerigheid);
in hoeverre er sprake is van algemene voorzieningen of algemeen gebruikelijke voorzieningen waar de inwoner gebruik van kan maken;
wat de grootte van het huishouden is;
En kan wijzigen of variëren, bijvoorbeeld door:
veranderingen in omstandigheden die betrekking hebben op de belastbaarheid binnen het gezin; huishoudelijke werkzaamheden die incidenteel (bijvoorbeeld tweejaarlijks) worden gedaan naast de reguliere wekelijkse of tweewekelijkse werkzaamheden.
De frequenties die bij elk resultaatgebied staan beschreven, zijn daarom richtlijnen, maar per inwoner zal
bekeken moeten worden of hiervan afgeweken moet of kan worden. Daarbij kan de zorgaanbieder ook de efficiëntie van de inrichting van de ondersteuning betrekken.
3.3.4 Uitwerking resultaatgebied Schoon en leefbaar huis
Kern van het te bereiken resultaat
Een schoon en leefbaar huis wil zeggen dat een inwoner kan beschikken over een schone woonkamer, als slaapvertrek in gebruik zijnde ruimtes, de keuken, sanitaire ruimtes en gang/trap. De genoemde ruimtes dienen met enige regelmaat schoongemaakt te worden. Dat wil niet zeggen dat alle vertrekken wekelijks schoongemaakt moeten worden. Het betekent dat deze vertrekken niet vervuilen en met het oog daarop periodiek schoongemaakt worden om zo een naar algemeen aanvaarde maatstaven verantwoord
basisniveau van ‘schoon en hygiënisch’ te realiseren. Hiermee wordt het te behalen eindresultaat in
afdoende mate kwalitatief genormeerd geacht. Voor een bij de frequentie van de werkzaamheden in acht
te nemen kwantitatieve normering wordt verwezen naar het hierop volgende onderdeel Frequentie van de werkzaamheden.
Het gaat bij dit resultaatgebied overigens alleen om de binnenruimte van de woning. De buitenruimte, waaronder ook het zemen van de ramen aan de buitenzijde of het tuinonderhoud, valt niet onder de
reikwijdte van dit resultaatgebied. Werkzaamheden in huis die niet noodzakelijk zijn om de ruimtes waarin geleefd wordt schoon en hygiënisch te houden, zoals het in de was zetten van vloeren en meubilair, het schoonmaken van vliering of berging of het poetsen van zilver, vallen niet onder de reikwijdte van dit resultaatgebied. Niet onder de reikwijdte van dit resultaatgebied behoren:
de verzorging van huisdieren (niet zijnde hulphonden/dieren);
het schoonhouden van ruimtes die hierboven niet zijn genoemd, zoals een vliering of garage of andere ruimten die niet als leefruimte in gebruik zijn.
25
Frequentie van de werkzaamheden
De werkzaamheden kunnen worden onderscheiden in activiteiten die wekelijks/tweewekelijks of met een lagere frequentie (bijvoorbeeld maandelijks, 1x per kwartaal of jaar) hoeven te worden gedaan. a. Activiteiten die wekelijks of tweewekelijks moeten worden gedaan:
het schoonmaken van de keuken (aanrecht, gootsteen, kookplaat, vloer), badkamer en toilet(ten); het stoffen, opruimen, stofzuigen en eventueel reinigen van de gang, eventuele trap naar de slaapetage, woonkamer en als slaapvertrek in gebruik zijnde ruimtes;
het verschonen van de bedden.
b. Activiteiten die met een lagere frequentie worden gedaan:
het schoonmaken van de keukenkastjes (incl. bovenkant en binnenzijde), oven, afzuigkap en de koelkast/vriezer;
het afnemen van lamellen, radiatoren en deuren/deurposten; het afnemen van tegelwanden in badkamer en toilet; het zemen van de ramen aan de binnenzijde.
Aspecten die bij dit resultaatgebied en de frequentie van werkzaamheden een rol spelen
Samen met de inwoner wordt bekeken of deze nog in staat is om onderdelen van het schoonmaken zelf uit te voeren, zoals het uitvoeren van lichte werkzaamheden (bijvoorbeeld stoffen, afwassen, met vochtige reinigingsdoekjes schoonmaken van het toilet of met statische stofdoeken reinigen van harde
vloerbedekking). Daarbij kan ook een rol spelen of inwoner dat bijvoorbeeld alleen op lichaamshoogte kan doen, of ook laag of hoog. Ook wordt gekeken of aanpassing van de inrichting/stoffering kan bijdragen aan het makkelijker schoonhouden van de woning. Hierbij worden de (financiële) mogelijkheden en individuele situatie van de inwoner meegewogen. Van de inwoner wordt binnen zijn mogelijkheden
gevraagd om werkzaamheden te (blijven) uitvoeren en in ieder geval de woning op te ruimen, zodat het
schoonmaken efficiënter gebeurt. Als inwoner regie kan voeren over het huishouden, mag van hem/haar tevens worden verwacht dat werkzaamheden worden geprioriteerd en er keuzes worden gemaakt. Bij de frequentie van werkzaamheden kunnen, naast bovengenoemde zaken, ook bijvoorbeeld een rol spelen:
of inwoner COPD of allergieën heeft waardoor een hoger niveau van hygiëne nodig is; de gezinssamenstelling, waaronder de aanwezigheid van jonge kinderen;
of inwoner bedlegerig is waardoor het bed eventueel vaker verschoond moet worden, maar andere werkzaamheden eventueel minder frequent kunnen gebeuren.
De aanbieder die de (aanvullende) ondersteuning op dit resultaatgebied levert, kan de uitvoering van de
werkzaamheden laten plaatsvinden door een professionele hulp en/of deze op andere wijze organiseren.
Voorbeelden van dit laatste zijn onder andere inzet van een glazenwasservice of (tussentijds) gebruik van een robotstofzuiger.
3.3.5 Uitwerking resultaatgebied Schone en draagbare kleding
Kern van het te bereiken resultaat
Dit resultaatgebied omvat twee resultaten: a.
b.
inwoner beschikt over gewassen kleding en beddengoed; inwoner beschikt over gestreken bovenkleding.
26
Onder a wordt verstaan:
het wassen van de kleding; het drogen van de was;
het opvouwen van de was;
het in de kast opbergen van de was.
Onderdeel b omvat het strijken van de bovenkleding. Voor het strijken van onderkleding of het bedden- en linnengoed is geen ondersteuning mogelijk.
Frequentie van de werkzaamheden
De frequentie van de werkzaamheden is afhankelijk van diverse factoren:
de grootte van het huishouden;
is er sprake van bedlegerigheid;
is er sprake van extra vervuiling als gevolg van de beperkingen van de inwoner, zoals incontinentie.
Leidend is de hoeveelheid was die de inwoner normaal gesproken heeft.
Aspecten die bij dit resultaatgebied en frequentie van werkzaamheden een rol spelen
Een professionele ondersteuner kan ervoor kiezen de was bij de inwoner thuis te doen of deze te laten
doen bij een wasservice. De kosten van de wasmiddelen en de aanschaf en het gebruik van de apparatuur voor was en strijk komen voor rekening van de inwoner. Niet altijd hoeft voor alle onderdelen (volledig)
ondersteuning geboden te worden. Aangenomen wordt dat in elk huishouden een wasdroger aanwezig is
waardoor het ophangen en afhalen van de was niet of nauwelijks noodzakelijk is. Mocht er geen wasdroger
aanwezig zijn en de financiële situatie leent zich er niet voor een aan te schaffen, dan kan het ophangen en afhalen van de was onderdeel zijn van de ondersteuning. Soms is het mogelijk dat inwoner door de
werkzaamheden anders te organiseren deze (gedeeltelijk) zelf kan blijven doen. Bijvoorbeeld door de
wasmachine of droger op een verhoging te plaatsen of de was zittend op te vouwen of te strijken. Van de
inwoner wordt verwacht dat deze bij aanschaf van kleding zoveel mogelijk erop let dat het strijken hiervan
niet noodzakelijk is. Ook wordt verwacht dat inwoner vermijdt dat kleding via speciale wasprogramma’s of
handwas moet worden gewassen. Ook wordt verwacht dat hij voldoende kleding en ondergoed heeft, zodat er bijvoorbeeld één keer per twee weken in plaats van één keer per week een volle trommel gewassen kan worden.
3.3.6 Uitwerking resultaatgebied Primaire levensbehoeften en maaltijden
Kern het te bereiken resultaat
Het gaat hierbij om twee resultaten: a.
het beschikken over de noodzakelijke producten voor levensonderhoud, het schoonhouden van de
b.
het verzorgen van maaltijden.
woning en zijn persoonlijke verzorging;
Het verzorgen van maaltijden kan gericht zijn op:
het verzorgen van een warme maaltijd; het opwarmen van een maaltijd;
het verzorgen van een broodmaaltijd. 27
Frequentie
Uitgangspunt is het wekelijks in huis halen van de boodschappen. Bij het verzorgen van de maaltijd wordt uitgegaan van 2 broodmaaltijden en 1 warme maaltijd per dag, waarbij 1 of 2 keer per week ook in plaats van een warme maaltijd een broodmaaltijd aan de orde kan zijn. Er wordt alleen ondersteuning geboden
voor het aantal dagen waarop (aanvullend) ondersteuning nodig is bij het verzorgen of opwarmen van de maaltijd. Het maximum is zeven dagen per week.
Aspecten die bij dit resultaatgebied en frequentie van werkzaamheden een rol spelen
Als inwoner in staat wordt geacht om gebruik te maken van een boodschappenservice die de
boodschappen thuisbezorgt, is een indicatie voor dit doel niet aan de orde. Het opbergen van de
boodschappen behoort ook binnen dit resultaatgebied. Voor de maaltijden is van belang of inwoner in
staat is gebruik te maken van een maaltijdservice of “open tafels” in de wijk. Als dit het geval is, dan wordt hiermee rekening gehouden bij de indicatie. Een dergelijke maaltijdservice geldt niet als voorliggende
voorziening als er sprake is van minderjarige kinderen in het gezin. Als een inwoner ondersteuning krijgt bij de verzorging van de warme maaltijd dan hoeft er niet iedere dag gekookt te worden. Koken voor 2
dagen is mogelijk. Ook kan een broodmaaltijd alvast klaargemaakt en klaargezet worden gelijktijdig met het bereiden van een andere maaltijd of het uitvoeren van andere ondersteuning.
3.3.7 Uitwerking resultaat Zorg voor minderjarige kinderen
Kern van het resultaat
Het bij onverwachte noodsituaties in het gezin tijdelijk ondersteunen bij de zorg van kinderen tot 9 jaar.
Het gaat om het ondersteunen van de kinderen bij het naar bed brengen/uit bed halen, wassen, douchen, aankleden en eten. Bij baby’s omvat het ook het verschonen van luiers en het voeden. Het bieden van opvang aan of oppas voor de kinderen valt niet onder dit resultaat.
Frequentie
De zorg voor kinderen dient dagelijks plaats te vinden. De feitelijke frequentie is afhankelijk van de
beschikbaarheid van netwerk, voorliggende voorzieningen etc. De indicatie wordt in principe afgegeven voor een maximale duur van drie maanden zodat ouder(s) de mogelijkheid krijgen een (structurele) oplossing te vinden.
Aspecten die bij dit resultaatgebied en de frequentie van werkzaamheden een rol spelen
Ouders hebben een zorgplicht ten aanzien van hun kinderen, ook als één van de ouders uitvalt of door een beperking niet is staat is voor de kinderen te zorgen. In dat geval mag worden verwacht dat de andere ouder deze zorg of zijn aandeel in de zorg overneemt. Zo nodig kan de inwoner gebruik maken van zorgverlof, kinderopvang, buitenschoolse opvang, hulp van familieleden of netwerk en dergelijke.
(Aanvullende) ondersteuning is alleen bij uitzondering en tijdelijk mogelijk als ouders door een acuut
ontstaan probleem een oplossing nodig hebben. Door tijdelijk ondersteuning te bieden krijgen ouders de mogelijkheid in een (structurele) oplossing te voorzien. Van ouders mag worden verwacht dat zij zich tot het uiterste inspannen om zo snel mogelijk een oplossing te vinden.
28
Gelet op de zorgvuldigheid en transparantie dient er altijd een verzorgende ouder aanwezig te zijn bij de
uitvoering van de zorg voor minderjarige kinderen. Wanneer de verzorgende ouder hiertoe niet in staat is
zal een andere oplossing, bijvoorbeeld via de Jeugdwet, moeten worden overwogen. De zorgaanbieder mag alleen een voor deze activiteiten geschikte medewerker inzetten.
3.3.8 Uitwerking resultaatgebied Het voeren van regie over het doen van het huishouden.
Kern van het resultaat
Ondersteuning voor het voeren van regie over het doen van het huishouden kan gericht zijn op twee doelstellingen: a.
de inwoner pakt de huishoudelijke werkzaamheden zoveel mogelijk weer zelf op. Hij is in staat
b.
een ander lid/andere leden van de leefeenheid is/zijn in staat om het huishouden over te nemen.
deze (zoveel mogelijk) zelf uit te voeren en te regisseren;
Ad a
In de situatie dat de inwoner leerbaar is om huishoudelijke taken (weer) zelf op te pakken, kan de inwoner worden ondersteund bij de organisatie van het huishoudelijk werk. Inwoner wordt geleerd:
hoe en wanneer je huishoudelijke activiteiten uitvoert; om de huishoudelijke activiteiten te plannen;
de middelen te beheren in relatie tot de huishoudelijke activiteiten.
Wanneer een inwoner de huishoudelijke taken wel zelf kan uitvoeren maar iemand anders moet er op toezien/stimuleren dat de werkzaamheden ook daadwerkelijk gebeuren, dan kan ook hiervoor
ondersteuning worden geboden. Dit geldt ook wanneer de inwoner deze huishoudelijke taken soms wel en soms niet, of alleen onder toezicht zelf kan uitvoeren. Ad b
Hierbij is sprake van het tijdelijk instrueren van de leefeenheid in het kader van gebruikelijke zorg: geven
van advies, instructie, voorlichting gericht op het huishouden waarbij de onder a genoemde aspecten aan de orde kunnen komen.
Frequentie
De frequentie is afhankelijk van de vorm van ondersteuning die geboden moet worden. Als er bijvoorbeeld
toezicht moet worden gehouden op het feitelijk uitvoeren van de huishoudelijke werkzaamheden, dan is de ondersteuning gekoppeld aan de noodzakelijke frequentie van de huishoudelijke werkzaamheden zelf. Zoveel mogelijk zal een combinatie plaatsvinden met ondersteuning op andere resultaten binnen het resultaatgebied.
Aspecten die bij dit resultaatgebied en de frequentie van werkzaamheden een rol spelen
De periode van ondersteuning voor het voeren van regie wordt zo kort mogelijk gehouden.
Afbakening met resultaatgebied sociaal en persoonlijk functioneren
De regiefunctie ten aanzien van het voeren van het huishouden kan zowel in het kader van het
resultaatgebied sociaal en persoonlijk functioneren als in het kader van huishoudelijke verzorging worden geïndiceerd, maar kan bij een inwoner slechts vanuit één van beide resultaatgebieden aan de orde zijn. 29
3.3.9 Gebruikelijke hulp De gemeente beoordeelt in samenspraak met de inwoner bij elke hulpvraag of er sprake is van
gebruikelijke hulp. Gebruikelijke hulp is de normale, dagelijkse zorg die partners, ouders, inwonende
kinderen en huisgenoten geacht worden elkaar onderling te bieden. Dat betekent dat van huisgenoten
verwacht wordt dat zij bij uitval van één van de leden van die leefeenheid elkaar ondersteunen en taken van elkaar overnemen.
Gebruikelijke hulp is aan de orde bij alle huisgenoten ouder dan 18 jaar en in beperkte mate bij kinderen
en jongeren onder de 18 jaar. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt op basis van sekse, religie, cultuur, gezinssamenstelling, de wijze van inkomensverwerving, drukke werkzaamheden, lange werkweken of
persoonlijke opvattingen over het verrichten van huishoudelijke taken. Bij het beoordelen of er sprake is
van gebruikelijke hulp is het van belang om toeval en willekeur te voorkomen. Het hangt af van de sociale
relatie welke zorg mensen elkaar moeten bieden. Hoe intiemer de relatie, des te meer hulp gebruikelijk is. Als het gebruikelijk is dat mensen elkaar in een bepaalde situatie zorg bieden, bijvoorbeeld ouders aan hun kinderen, is dat niet vrijblijvend met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning. Per situatie
wordt bekeken of de huisgenoot ook daadwerkelijk in staat is tot het verlenen van gebruikelijke hulp. Als er bijvoorbeeld sprake is van een zeer korte levensverwachting, kan dit een reden zijn om geen gebruikelijke hulp te verlangen.
Gebruikelijke hulp door echtgenoten, ouders of huisgenoten
Van echtgenoten, ouders en volwassen huisgenoten mag in beginsel worden verwacht dat zij gebruikelijke hulp kunnen bieden. Ook naast een fulltime baan of studie. Het kan hierbij gaan om huishoudelijke taken, maar ook om het begeleiden van kinderen binnen het normale patroon van dagelijkse begeleiding van
ouders aan kinderen. Soms is de huisgenoot structureel een aantal dagen of nachten afwezig en kan hij
dus niet de gebruikelijke hulp bieden. In dat geval kan de gemeente ondersteuning inzetten voor taken die niet kunnen blijven liggen tot de huisgenoot weer thuis is.
Gebruikelijke hulp door kinderen
Kinderen bieden maar beperkt gebruikelijke hulp. Er moet zorgvuldig gekeken worden naar de bijdrage die op een bepaalde leeftijd van een kind verwacht mag worden. Hierbij spelen de ontwikkelfase, het psychosociaal functioneren én het feitelijke vermogen van het kind een rol.
Kinderen bieden geen gebruikelijke hulp als het gaat om het begeleiden van hun ouders of broertjes en
zusjes. Bij hulp in het huishouden leveren kinderen wel een beperkte bijdrage afhankelijk van hun leeftijd. Hierbij wordt als richtlijn aangehouden:
Tot 5 jaar leveren kinderen geen bijdrage aan het huishouden.
Kinderen van 5 tot 12 jaar worden naar hun eigen mogelijkheden betrokken bij lichte
huishoudelijke werkzaamheden zoals opruimen, tafeldekken/afruimen, afwassen/afdrogen en kleding in de wasmand doen.
Kinderen van 13 tot en met 17 jaar kunnen naast bovengenoemde werkzaamheden hun eigen kamer op orde houden (bijvoorbeeld opruimen, bed verschonen en stofzuigen).
Van een 18 tot 23-jarige wordt verwacht in verband met studie op kamers te kunnen wonen en een eenpersoonshuishouden te kunnen voeren. Dat wil zeggen: schoonhouden van sanitaire 30
ruimte, keuken en één kamer, de was doen, boodschappen doen, maaltijd verzorgen, afwassen en opruimen.
Inwonende kinderen vanaf 23 jaar worden geacht de huishoudelijke taken volledig over te nemen wanneer de inwoner uitvalt.
3.4 Individuele ondersteuning Individuele ondersteuning wordt geboden aan inwoners met een ondersteuningsvraag op het gebied van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie en vindt plaats op individuele basis. Individuele
ondersteuning is gericht op het verhogen van de kwaliteit van leven en op persoonlijke ontplooiing van de
inwoner waarbij de zelfredzaamheid en de maatschappelijke participatie worden bevorderd, gestabiliseerd of ondersteuning wordt geboden bij achteruitgang. Dit wordt bereikt door het behalen van concrete resultaatafspraken. Hierbij wordt altijd rekening gehouden met individuele omstandigheden en mogelijkheden.
Individuele ondersteuning is gericht op het bereiken van de volgende resultaten:
Grip op het dagelijks leven en persoonlijk functioneren Opbouwen en onderhouden sociaal netwerk Deelnemen aan het maatschappelijk leven
Grip op het dagelijks leven en persoonlijk functioneren
Dit resultaat richt zich op het bieden van ondersteuning bij het uitvoeren en structureren van dagelijkse, praktische vaardigheden op alle voor de inwoner relevante levensgebieden.
Het hebben of het creëren van een stabiele leefsituatie waarbij de administratie en andere zaken op orde zijn, maakt hiervan onderdeel uit. De inwoner wordt, waar nodig, ondersteund bij het uitvoeren van
activiteiten, het aanleren van vaardigheden en het nemen van besluiten. Als de inwoner tijdens het werken aan doelen uit het ondersteuningsplan beperkingen ondervindt door zijn gedrag, kan het verkrijgen van inzicht in het effect van dit gedrag onderdeel uitmaken van de ondersteuning.
Opbouwen en onderhouden sociaal netwerk
Dit resultaat richt zich op het bieden van ondersteuning bij het aangaan en onderhouden van sociale
contacten, om eenzaamheid te voorkomen en het sociaal netwerk te vergroten, zodat het sociaal netwerk
van de inwoner ook zoveel mogelijk steun en een positieve bijdrage aan de zelfredzaamheid en participatie van de inwoner kan leveren. Het verkrijgen van inzicht in het effect van het sociaal netwerk op het persoonlijk functioneren van de inwoner kan onderdeel van de ambulante ondersteuning zijn.
Deelnemen aan het maatschappelijk leven
Dit resultaat betreft het bieden van ondersteuning bij participatie in de samenleving. De inwoner wordt ondersteund bij het realiseren en behouden van wat hij wil en kan bijdragen aan de samenleving. Denk hierbij bijvoorbeeld aan deelnemen aan buurtactiviteiten, groepsactiviteiten, vrijwilligerswerk, betaald werk, dagbesteding, opleiding, etc.
31
De inwoner krijgt ondersteuning bij het vinden en ondernemen van passende activiteiten waarmee hij (zo goed mogelijk) in staat is om deel te nemen aan het maatschappelijke leven.
3.4.1 Voorwaarden voor verstrekking Individuele ondersteuning wordt geboden aan inwoners die beperkingen hebben bij het zelfstandig functioneren of zonder de ondersteuning risico lopen om hun zelfredzaamheid te verliezen.
Bij individuele ondersteuning wordt eerst gekeken naar wat de inwoner zelf kan en welke ondersteuning zijn sociaal netwerk kan bieden. De mate van zelfredzaamheid van de inwoner wordt onderzocht en
gestimuleerd. Op basis daarvan wordt vastgesteld welke ondersteuning vanuit de gemeente aanvullend noodzakelijk is. De geboden ondersteuning wordt niet zwaarder of langer ingezet dan nodig is.
Het inzetten van eigen kracht
Hierbij kan in dit kader gedacht worden aan het handhaven van voorzieningen die al ingezet waren, zoals een belastingadviseur. Denk ook aan praktische oplossingen, zoals het kopen van een agenda en het plakken van briefjes ter herinnering aan taken.
Het vergroten van de inzet van het eigen sociaal netwerk
Onderzocht wordt op welke wijze de inwoner door zijn netwerk ondersteund kan worden, bijvoorbeeld door familieleden, vrienden of buren. Het gaat hier allereerst om de zogenoemde gebruikelijke hulp.
Gebruikelijke hulp is de normale, dagelijkse begeleiding die partners, ouders, inwonende kinderen of
andere huisgenoten geacht worden elkaar onderling te bieden. Hierbij is het noodzakelijk onderscheid te maken tussen kortdurende en langdurige situaties. Hoofdregels:
Als er sprake is van een kortdurende situatie, wordt van de echtgenoot, ouder of inwonende
huisgenoot verwacht dat hij gebruikelijke hulp verleent voor die periode. Het gaat hierbij om een periode van maximaal 3 maanden.
Als er sprake is van een chronische situatie, wordt van de echtgenoot, ouder of inwonende
huisgenoot verwacht dat hij gebruikelijke hulp verleent binnen algemeen aanvaarde maatstaven. Onder algemeen aanvaarde maatstaven valt in ieder geval:
het bieden van begeleiding op het gebied van de maatschappelijke participatie;
het begeleiden bij het normaal maatschappelijk verkeer binnen de persoonlijke levenssfeer zoals het bezoeken van familie, vrienden, huisarts, brengen en halen van school, sport, uitgaansleven etc.
het bieden van hulp bij of het overnemen van taken die bij een gezamenlijke huishouding horen, zoals het doen van de administratie;
het leren omgaan door derden, zoals familie en vrienden, met de persoon met beperkingen (waaronder kinderen).
het aanleren van handelingen op het gebied van persoonlijke verzorging.
het bieden van enig toezicht, de aard en mate hiervan is afhankelijk van de situatie.
32
Daarnaast wordt in het persoonlijke netwerk van de inwoner gezocht naar aanvullende ondersteuning op basis van vrijwilligheid of wederkerigheid. Hierbij kan gedacht worden aan één van de kinderen die de inwoner helpt bij het maken van en begeleiden naar afspraken, een tante die ondersteunt bij de
administratie of buren die telefonisch de ‘vinger aan de pols’ houden. Ook kan gedacht worden aan een maatje die de inwoner ergens heen begeleidt, een telefooncirkel en het inschakelen van een sport-, muziek- of andere vereniging.
Een beroep doen op andere wetgeving
Indien een inwoner een Wlz indicatie heeft of daarvoor in aanmerking komt, vindt de benodigde individuele begeleiding in het kader van de Wlz plaats en niet in het kader van de Wmo.
Tot slot staat hieronder een aantal afbakeningen met betrekking tot individuele ondersteuning.
Afbakening individuele ondersteuning en maatschappelijke dienstverlening. Maatschappelijke dienstverlening is een voorliggende voorziening op individuele ondersteuning. Bij de
maatschappelijke dienstverlening in de wijken kunnen inwoners op een laagdrempelige manier met kortdurende problemen terecht, bijvoorbeeld bij problemen met het omgaan met geld of
omgaan met conflictsituaties. Inwoners worden geholpen deze te ordenen en op te lossen zodat ze het voortaan zelf weer kunnen. Als taken overgenomen moeten worden, onder begeleiding uitgevoerd of thuis getraind moeten worden, dan is individuele ondersteuning passender.
Afbakening individuele ondersteuning en huishoudelijke verzorging. Huishoudelijke verzorging
betreft het overnemen van huishoudelijke activiteiten die de inwoner niet meer zelf kan uitvoeren, al dan niet in combinatie met de regievoering over deze activiteiten. Regievoering over het
huishouden kan inhouden dat de huishoudelijke hulp de inwoner actief stimuleert huishoudelijke activiteiten uit te voeren waarbij toezicht nodig is. Bij de inwoner die uitsluitend beperkingen ervaart ten aanzien van het doen van het huishouden wordt de voorziening huishoudelijke
verzorging ingezet. Als de inwoner alleen regie over huishoudelijke taken nodig heeft en geen
hulp bij het huishouden, wordt individuele ondersteuning ingezet. Hierbij valt te denken aan het
plannen en voorbespreken van huishoudelijke activiteiten waarna de inwoner deze zelfstandig kan uitvoeren. Een individueel ondersteuner voert geen huishoudelijke taken uit.
Afbakening individuele ondersteuning en gespecialiseerde dagbesteding. Of de inwoner is
aangewezen op individuele ondersteuning of in groepsverband (dagbesteding), wordt bepaald
door de afweging wat zorginhoudelijk het meest doelmatig is. Ondersteuning in groepsverband is voorliggend op individuele ondersteuning als hetzelfde doel wordt beoogd. Wanneer de
ondersteuning gericht is op het bieden van een dagstructuur, is ondersteuning in groepsverband
de aangewezen vorm. Wanneer de zorgbehoefte gelegen is in het een of meerdere keren per week
bieden van hulp bij het doornemen van de dag- of weekstructuur en de zorgbehoefte niet gelegen is in het daadwerkelijk bieden van die dagstructuur, dan is ondersteuning in individuele vorm aangewezen.
Afbakening persoonlijke verzorging Wmo en persoonlijke verzorging Zorgverzekeringswet.
Persoonlijke verzorging betreft meestal het overnemen van zelfzorg die de inwoner niet meer zelf kan doen, al dan niet in combinatie met de regievoering over deze activiteiten. Het gaat 33
bijvoorbeeld om in- en uit bed gaan, wassen, lichamelijke verzorging, bewegen, toiletgang,
eten/drinken, aan- en uitkleden. Als er sprake is van het structureren, organiseren of aansporen van persoonlijke verzorging door een regieprobleem kan dit onderdeel uitmaken van de
individuele ondersteuning binnen de Wmo. In dit geval heeft de inwoner naar verwachting ook beperkingen bij de uitvoering en regievoering van andere dagelijkse activiteiten waarvoor
individuele ondersteuning nodig is. In alle andere situaties valt persoonlijke verzorging onder de Zorgverzekeringswet. Inname, attenderen op, aanreiken en toedienen van medicatie zijn altijd
handelingen binnen de persoonlijke verzorging onder de Zorgverzekeringswet. Het toekennen van alléén persoonlijke verzorging is vanuit de Wmo niet mogelijk.
Afbakening individuele ondersteuning Wmo en behandeling Zorgverzekeringswet. Als het gaat om oefenen, ondersteuning bij inslijten van vaardigheden, handelingen, gedrag en ondersteuning bij
het aanbrengen van structuur of het voeren van regie, kan dit ook onder individuele ondersteuning vallen. De vaardigheden, handelingen en gedrag kunnen in een (para)medisch voortraject als
onderdeel van behandeling al aangeleerd zijn. Behandeling en individuele ondersteuning kunnen naast elkaar bestaan en elkaar versterken. Behandeling kan invloed hebben op de intensiteit en duur van de individuele ondersteuning. Van de inwoner wordt verwacht dat hij zo optimaal
mogelijk gebruik maakt van bestaande behandelmogelijkheden. Bij twijfel of er nog behandeling mogelijk is, kan een medisch advies worden opgevraagd.
Afbakening individuele ondersteuning en beschermd wonen Wmo. Als de inwoner gebruik maakt van de voorziening beschermd wonen, geldt dat geen individuele ondersteuning ingezet kan
worden. Beschermd wonen is namelijk een totaalpakket waarbij de ondersteuning (bij beschermd wonen begeleiding genoemd) al 24 uur per dag beschikbaar is.
3.4.2 Categorieën Individuele ondersteuning kent een indeling in vier categorieën:
Waakvlam
Laagintensieve ondersteuning bedoeld om de inwoner te volgen en tijdig problemen te signaleren, meestal na afloop van een intensieve ondersteuningsperiode. Het is bedoeld als een afbouw na een ondersteuningsperiode (nazorg) of als stabilisatie zodat terugval wordt voorkomen.
Basis
Individuele ondersteuning waarbij het accent ligt op het stabiliseren en/of bevorderen van het zo
zelfstandig mogelijk functioneren, het aanleren/behouden van dagstructuur en –ritme, het vergroten van de zelfredzaamheid en het verlichten van sociaal isolement. Het betreft ondersteuning bij de alledaagse bezigheden en, waar nodig, ondersteuning bij het vergroten van het netwerk en het begeleiden naar
activiteiten in de wijk. Ook wordt er gewerkt aan de afbouw van professionele hulp, bijvoorbeeld door het bieden van advies en ondersteuning aan de leefomgeving en/of het (opbouwen van een beter
functionerend) sociaal netwerk van de inwoner. Indien nodig hoort hulp bij de persoonlijke verzorging tot de ondersteuning.
Er is sprake van een hulpvraag voor individuele ondersteuning in het kader van de Wmo op maximaal drie levensdomeinen.
34
Extra
De omschrijving bij ‘basis’ is van toepassing met het verschil dat er sprake is van:
multiproblematiek, d.w.z. problemen op minimaal vier levensdomeinen waarvoor intensieve individuele ondersteuning in het kader van de Wmo nodig is en/of
de veiligheid van de inwoner of zijn omgeving in het geding is en hiervoor geen voorliggende
voorziening beschikbaar is. Onder veiligheid wordt verstaan; afwezigheid van onaanvaardbare risico’s op lichamelijke en/of psychische en/of sociale schade.
Complexe multiproblematiek In zeer precaire situaties, ter beoordeling van de gemeente, vindt maatwerk plaats waarbij op verzoek van de gemeente een plan van aanpak en een offerte door de aanbieder wordt ingediend.
De gemeente beoordeelt welke categorie van ondersteuning nodig is en welke doelen en resultaten met de ondersteuning moeten worden behaald. De zorgverlener bepaalt samen met de inwoner welke activiteiten
worden ingezet om deze doelen en resultaten te bereiken. De afspraken over hoe invulling wordt gegeven aan de ondersteuning worden door de zorgverlener vastgelegd in een ondersteuningsplan. De
geldigheidsduur van een indicatie voor individuele ondersteuning is maximaal twee jaar tenzij er sprake is van handhaven van een ‘status quo’.
De maatwerkvoorziening individuele ondersteuning in natura wordt gefinancierd op basis van een vaste
prijs (all-in lumpsum budget) per inwoner per maand. Wanneer een pgb wordt toegekend, wordt de hoogte van het pgb bepaald aan de hand van de kostprijs van de ondersteuning in natura (zie de tarieven in
Hoofdstuk 7 Pgb-tarieven). Met zorgaanbieders is overeengekomen dat als een inwoner kiest voor een pgb, hij tegen hetzelfde tarief als in de overeenkomst de ondersteuning kan inkopen.
3.4.3 Specialistische begeleiding voor zintuiglijk gehandicapten Gemeenten zijn op grond van de Wmo 2015 ook verantwoordelijk voor de ondersteuning van inwoners met een zintuiglijke beperking (visueel, doofblind, vroegdoof). Een klein deel van deze groep heeft
specialistische begeleiding nodig die slechts door enkele aanbieders in Nederland wordt geleverd. Deze behoefte is er omdat deze mensen vaak, naast de zintuiglijke beperking, te maken hebben met andere
(vaak verstandelijke en/of psychiatrische) beperkingen. Om de continuïteit van zorg te garanderen voor mensen die deze vorm van specialistische begeleiding afhankelijk zijn, is door de VNG met een aantal
specialistische aanbieders landelijke inkoopafspraken gemaakt. Deze afspraken zijn vastgelegd in een
raamovereenkomst. Gemeenten kunnen gebruik maken van de raamovereenkomst door een inwoner van
de betreffende groep naar een van de aanbieders toe te leiden waarmee een raamovereenkomst gesloten is.
35
3.5 Gespecialiseerde dagbesteding Dagbesteding is een Wmo-voorziening die geboden wordt aan inwoners die als gevolg van een beperking
of specifieke omstandigheid onvoldoende zelfredzaam zijn op het gebied van een zinvolle invulling van de dag, het hebben van sociale contacten en maatschappelijke deelname. Dagbesteding begeleidt de inwoner bij het bevorderen en behouden van zelfredzaamheid en biedt begeleiding bij achteruitgang van
zelfredzaamheid. Een inwoner kan ook in aanmerking komen voor dagbesteding als overbelasting van
mantelzorgers daarmee wordt voorkomen. Dagbesteding wordt aangeboden in een groep, of is gericht op het hebben van contacten met meerdere personen. De begeleiding is deskundig in het bieden van
passende activiteiten, structuur, toezicht en/of zorg en richt zich daarnaast ook op een afgewogen samenstelling van de groep en de omgeving waarin de dagbesteding plaatsvindt.
Het gaat bij gespecialiseerde dagbesteding om ondersteuning bij activiteiten voor inwoners met een sterk verminderde zelfregie als gevolg van psychiatrische, psychogeriatrische, verstandelijke of lichamelijke beperkingen. Het aanbod is gericht op:
stimuleren van sociale contacten;
voorkomen van sociaal isolement; ontlasten van mantelzorgers;
aanleren/behouden van dagstructuur en -ritme;
leren omgaan met fysieke en/of cognitieve beperkingen
handhaven en bevorderen van het zo zelfstandig mogelijk functioneren;
voorkomen van achteruitgang in fysieke, cognitieve en sociaal-emotionele vaardigheden;
ontwikkelingsgerichte activiteiten, indien mogelijk gericht op toeleiding naar vrijwilligerswerk,
arbeidsmatige dagbesteding of (begeleid) werk. Hierbij kan de ondersteuning gericht zijn op het geven van handvatten aan de mantelzorger en de (nieuwe) omgeving van de inwoner;
gezondheidsbevorderende activiteiten.
3.5.1 Voorwaarden voor verstrekking Dagbesteding wordt geboden aan inwoners die beperkingen hebben bij een zinvolle tijdsbesteding met
sociale contacten en maatschappelijk verkeer. Als de ondersteuningsvraag op het gebied van dagbesteding niet met voorliggende voorzieningen is op te lossen, kan een aanvraag worden gedaan voor de
maatwerkwerkvoorziening gespecialiseerde dagbesteding. Bij de beoordeling van de aanvraag blijft het versterken van de eigen kracht en het inzetten van voorliggende oplossingen het uitgangspunt. De geboden ondersteuning wordt niet zwaarder of langer ingezet dan nodig is. Als het vervoer naar de dagbesteding vanwege beperkingen niet zelfstandig mogelijk is, moet de inwoner eerst een beroep doen op de inzet van het sociaal netwerk of andere informele oplossingen. Als deze
opties niet voor handen zijn dan bespreekt hij mogelijke vervoersalternatieven met de zorgaanbieder, die vanuit gemaakte afspraken met de gemeente een passende oplossing zal bieden.
Bij dagbesteding wordt eerst gekeken naar wat de inwoner zelf kan en welke ondersteuning zijn sociaal
netwerk kan bieden. De mate van zelfredzaamheid van de inwoner wordt onderzocht en gestimuleerd. Op basis daarvan wordt vastgesteld welke ondersteuning vanuit de gemeente aanvullend noodzakelijk is.
36
Inzetten van eigen kracht
Hierbij kan gedacht worden aan oplossingen die iemand al had ingezet voordat de beperking
optrad, het deelnemen aan activiteiten voor en door bewoners in de buurt, aansluiting vinden bij
verenigingen en sportclubs, het volgen van cursussen, het uitbouwen van hobby’s, het zoeken van vrijwilligerswerk, onderwijs of een reguliere baan.
Het vergroten van de inzet van het eigen sociaal netwerk
Hierbij kan gedacht worden aan familieleden, vrienden of kennissen die een vorm van
dagbesteding organiseren voor de inwoner, zoals iemand die een vast dagdeel op bezoek komt, iemand die de inwoner meeneemt naar een sociale gelegenheid of een vrijwilliger die wekelijks met de inwoner gaat wandelen. Voor zover het gebruikelijk is dat partners, ouders, inwonende
kinderen en/of andere huisgenoten elkaar bepaalde begeleiding bieden, is ondersteuning vanuit de Wmo niet aan de orde.
Een beroep doen op andere wetgeving
De Wet langdurige zorg (Wlz) en de Zorgverzekeringswet (Zvw) kunnen voorliggend zijn op
ondersteuning vanuit de Wmo. De Wlz kan voorliggend zijn als blijvend 24 uur per dag zorg in de nabijheid en/of permanent toezicht nodig is. De Zvw kan voorliggend zijn als behandeling
mogelijk is. Na of tijdens Zvw-behandeling kan de inwoner behoefte hebben aan dagbesteding.
Als de zelfredzaamheid van de inwoner naar verwachting onvoldoende blijft dan is ondersteuning vanuit de Wmo een mogelijkheid.
Wanneer de doelgroep te maken heeft met meervoudige domeinoverstijgende problematiek op het terrein van de Jeugdwet, de Wet maatschappelijke ondersteuning of de Participatiewet wordt voor een goede afstemming van de ondersteuning gezorgd.
Het gebruik maken van basisvoorzieningen
Basisvoorzieningen in de wijk kunnen een oplossing bieden voor de problemen op het gebied van dagbesteding. Hierbij kan gedacht worden aan activiteiten voor en door bewoners zoals eettafels, koffieochtenden en wandelgroepen. Maar ook aan activiteiten gericht op het met elkaar kennis laten maken van mensen uit de buurt of buurtgebonden voorzieningen zoals het ‘huis van de wijk’.
Afbakening dagbesteding met individuele ondersteuning
Individuele ondersteuning en dagbesteding onderscheiden zich in de te behalen resultaten en de
aard van de begeleiding. Daar waar individuele ondersteuning zich richt op de beperkingen bij het zelfstandig functioneren van de inwoner die zonder ondersteuning risico loopt om de
zelfredzaamheid te verliezen, richt dagbesteding zich op het hebben van sociale contacten en
zinvolle activiteiten. Daarbij vindt de begeleiding bij individuele ondersteuning individueel plaats en bij dagbesteding in groepsverband of in ieder geval in contact met anderen.
3.5.2 Categorieën Gespecialiseerde dagbesteding kent een indeling in twee categorieën:
Basis
Dagbesteding met ondersteuning die is gericht op het stabiliseren en/of bevorderen van het zo zelfstandig
mogelijk functioneren, het voorkomen van verergering van klachten en het leren omgaan met beperkingen. De dagbesteding ziet toe op het aanleren/behouden van dagstructuur en –ritme en het vergroten van de 37
zelfredzaamheid. Het dagprogramma zal bijdragen aan verlichting van sociaal isolement van de inwoner en/of aan verlichting van de zorg thuis door de mantelzorger. De ondersteuning wordt indien nodig
aangevuld met assistentie bij persoonlijke zorg. De ondersteuning kan gericht zijn op het versterken van
de mantelzorger en de (nieuwe) omgeving in de omgang met de inwoner om, waar mogelijk, te komen tot een zinvolle dagbesteding en afbouw van professionele hulp.
Extra
Dagbesteding extra is met name gericht op het stabiliseren van het functioneren, het voorkomen van verergering en het leren omgaan met beperkingen. Er is sprake van intensieve ondersteuning voor
inwoners met een matig of slecht ziekte-inzicht dan wel inwoner en met op meerdere leefgebieden
problemen waarbij een achteruitgang te verwachten is én waarbij niet ondersteunen leidt tot crisissituaties. Het gaat om inwoners die niet in staat zijn zelfstandig activiteiten uit te voeren en voortdurend ondersteuning nodig hebben.
De gemeente beoordeelt of gespecialiseerde dagbesteding basis of extra nodig is, welke doelen en
resultaten met de ondersteuning moeten worden behaald en of vervoer nodig is naar de dagbesteding. De zorgverlener bepaalt samen met de inwoner welke activiteiten worden ingezet om deze doelen en
resultaten te bereiken. De afspraken over hoe invulling wordt gegeven aan de ondersteuning worden door de zorgverlener vastgelegd in een ondersteuningsplan.
De maatwerkvoorziening gespecialiseerde dagbesteding in natura wordt gefinancierd op basis van een
vaste prijs (all-in lumpsum budget) per inwoner per maand. Wanneer een pgb wordt toegekend, wordt de hoogte van het pgb bepaald aan de hand van de kostprijs van de ondersteuning in natura (zie de tarieven
in Hoofdstuk 7). Met zorgaanbieders is overeengekomen dat als een inwoner kiest voor een pgb, hij tegen hetzelfde tarief als in de overeenkomst de ondersteuning kan inkopen.
3.5.3 Vervoer Bij een indicatie voor gespecialiseerde dagbesteding wordt onderzocht of de inwoner in staat is om de locatie van de dagbesteding te bereiken. Wanneer een inwoner in staat is met het openbaar vervoer te
reizen (eventueel na oefenen onder begeleiding) of met de fiets of een ander vervoermiddel zelfstandig (of onder begeleiding van mantelzorg of vrijwilliger, indien beschikbaar) de dagbesteding kan bereiken dan is dat voorliggend. Voor vervoer naar de dagbesteding mag geen gebruik worden gemaakt van de Wmo-
regiotaxipas waarmee met gereduceerd tarief kan worden gereisd. Als vervoer naar de dagbesteding nodig is dan maakt het onderdeel uit van het totale arrangement van gespecialiseerde dagbesteding. De aanbieder is dan voor het vervoer verantwoordelijk.
3.6 Kortdurend verblijf Bij kortdurend verblijf verblijft de inwoner bij een professionele aanbieder van kortdurend verblijf,
bijvoorbeeld in een instelling of logeerhuis. Het doel hiervan is het overnemen van de gebruikelijke hulp of de zorg van de mantelzorger die overbelast dreigt te raken. Aanvullend op dit kortdurend verblijf kan ook 38
de overige noodzakelijke zorg en ondersteuning geboden worden. Het gaat dan bijvoorbeeld om
persoonlijke zorg en verpleging vanuit de Zvw en de individuele ondersteuning of dagbesteding vanuit de Wmo.
3.6.1 Voorwaarden voor verstrekking Kortdurend verblijf kan worden ingezet voor inwoners die gezien hun zorgbehoefte aangewezen zijn op
zorg met intensief toezicht, waardoor er gedurende langere tijd mantelzorg of meer dan gebruikelijke hulp nodig is. Ontlasting van personen die gebruikelijke hulp of mantelzorg levert, is noodzakelijk; zonder de inzet van kortdurend verblijf dreigt overbelasting. Kortdurend verblijf is aanvullend op het wonen in de thuissituatie. Het uitgangspunt is dat het kortdurend verblijf niet langer wordt ingezet dan nodig is.
Bij kortdurend verblijf wordt eerst gekeken naar wat de inwoner zelf kan en welke ondersteuning zijn sociaal netwerk kan bieden. De mate van zelfredzaamheid van de inwoner wordt onderzocht en
gestimuleerd. Vervolgend wordt gekeken naar de inzet van basisvoorzieningen, algemene voorzieningen en voorliggende voorzieningen vanuit andere wetgeving. Pas daarna wordt vastgesteld of en zo ja welke ondersteuning vanuit de gemeente aanvullend noodzakelijk is.
Het inzetten van eigen kracht
Hierbij kan in dit kader gedacht worden aan het installeren van domotica hulpmiddelen waardoor
de inwoner gedurende een aantal uren alleen in huis kan blijven. Mogelijk kan alarmering of video op afstand de mantelzorger de gelegenheid bieden om even weg te gaan.
Het vergroten van de inzet van het eigen sociaal netwerk
Iemand uit het eigen netwerk kan de zorg gedurende een aantal uren overnemen. Deze hulp is vrijwillig. Als het gaat om de normale, dagelijkse begeleiding die partners, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten geacht worden elkaar onderling te bieden, is sprake van gebruikelijke hulp.
Een beroep doen op andere wetgeving
Zorgverzekeringswet (Zvw); wanneer een inwoner aangewezen is op verblijf dat medisch
noodzakelijk is in verband met geneeskundige zorg, kan verblijf op grond van de basisverzekering van de Zvw ingezet worden. Dit wordt eerstelijnsverblijf (Elv) genoemd. Hierbij valt te denken aan tijdelijk verblijf na een medische ingreep. Verblijf met geneeskundige zorg valt buiten de
gemeentelijke taken. Ook als er sprake is van palliatief terminale zorg is er sprake van verblijf op
grond van de Zvw. Eerstelijns verblijf vanuit de Zvw is voorliggend op kortdurend verblijf vanuit de Wmo.
Wet langdurige zorg (Wlz); wanneer een inwoner een indicatie heeft in het kader van de Wlz of op basis van de zorgzwaarte daarvoor in aanmerking komt en nog thuis woont, dient kortdurend verblijf op basis van de Wlz aangevraagd te worden. Kortdurend verblijf vanuit de Wlz is voorliggend op kortdurend verblijf vanuit de Wmo.
Het gebruik van maken van basisvoorzieningen en algemene voorzieningen
De inwoner kan mogelijk meedoen aan welzijnsactiviteiten, waardoor de mantelzorger een paar
uur respijt heeft. Ook kan ondersteuning worden geboden om het dagelijks leven van mensen zo zelfstandig mogelijk in te richten of kan een vrijwilliger gevonden worden die een paar uren de zorg voor de inwoner over kan nemen.
39
3.6.2 Categorieën Kortdurend verblijf kent een indeling in twee categorieën; basis en extra.
Basis
Kortdurend verblijf basis is kortdurend verblijf zonder individuele ondersteuning. Wanneer de inwoner in de thuissituatie individuele ondersteuning als maatwerkvoorziening krijgt dan wordt verwacht dat deze ondersteuning wordt gecontinueerd tijdens het kortdurend verblijf.
Extra
Kortdurend verblijf extra is kortdurend verblijf met individuele ondersteuning. Wanneer de inwoner individuele ondersteuning nodig heeft, maar dit in de thuissituatie zelf heeft opgelost zonder
maatwerkvoorziening (door bijvoorbeeld mantelzorg), dan kan hiervoor kortdurend verblijf extra worden toegekend.
De duur van het kortdurend verblijf is afhankelijk van wat noodzakelijk is in de specifieke situatie van de
inwoner. Er kan sprake zijn van incidenteel kortdurend verblijf (bijvoorbeeld een aantal weken tijdens een vakantie) of van structureel kortdurend verblijf (bijvoorbeeld een of twee vaste weekenden per maand).
De maatwerkvoorziening kortdurend verblijf in natura wordt gefinancierd op basis van een vaste prijs (allin lumpsum budget) per inwoner per maand. Wanneer een pgb wordt toegekend, wordt de hoogte van het pgb bepaald aan de hand van de kostprijs van de ondersteuning in natura (zie de tarieven in Hoofdstuk 7 Pgb-tarieven). Met zorgaanbieders is overeengekomen dat als een inwoner kiest voor een pgb, hij tegen hetzelfde tarief als in de overeenkomst de ondersteuning kan inkopen.
3.7 Beschermd wonen Onder beschermd wonen wordt verstaan (artikel 1.1.1 Wmo 2015): ‘wonen in een accommodatie van een
instelling met daarbij behorend toezicht en begeleiding gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld,
het voorkomen van verwaarlozing, maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de inwoner of anderen.’
Oss is centrumgemeente voor de uitvoering van beschermd wonen. Het beleid omtrent beschermd wonen is vastgelegd in de Beleidsregels Beschermd Wonen Oss.
3.8 Woonvoorzieningen Een woonvoorziening kan compensatie bieden in de zelfredzaamheid door de inwoner in staat te stellen
tot het verrichten van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het normale gebruik
van de woning. Onder normaal gebruik wordt verstaan dat de elementaire woonfuncties mogelijk moeten zijn: slapen, lichaamsreiniging, toiletgang, (bereiden van) eten en het zich verplaatsen in de primaire
leefruimten van de woning. Voor kinderen komt daarbij het veilig kunnen spelen in de woning. Er worden 40
geen hobby- of studeerruimtes aangepast of bereikbaar gemaakt, omdat het hier geen elementaire woonfuncties betreft.
Uitgangspunt blijft dat eerst de eigen verantwoordelijkheid wordt onderzocht. Bij de keus voor een woning
moet men binnen de eigen (financiële) mogelijkheden rekening houden met de eigen situatie. Dat betekent dat rekening wordt gehouden met bestaande of te verwachten beperkingen. Ondanks dat hier rekening
mee gehouden is, kan het voorkomen dat door veranderde omstandigheden ondersteuning nodig is in de
vorm van een woonvoorziening. Deze woonvoorziening is dan gericht op het opheffen of verminderen van beperkingen die een persoon bij het normale gebruik van zijn woonruimte ondervindt.
3.8.1 Soorten woonvoorzieningen Wij onderscheiden de volgende woonvoorzieningen:
Een losse woonvoorziening. Dit zijn voorzieningen die niet aard- en nagelvast in de woning
worden bevestigd. (voorbeelden hiervan zijn onder meer een toiletstoel, verrijdbare douchestoel of een tillift).
Een woningaanpassing. Hieronder valt zowel een bouwkundige ingreep (een verbouwing) als een woontechnische ingreep (het aanbrengen van speciale voorzieningen in de woning zonder aantasting van het gebouw) in of aan een woonruimte. Het is een aanpassing die aard- en
nagelvast in of aan de woning wordt verankerd. (voorbeelden hiervan zijn onder meer een traplift, een ophoging van de tegels bij de voordeur, een aanbouw of een woonunit);
Ondersteuning bij verhuizing en inrichting (voorbeelden hiervan zijn onder meer vergoeding van kosten die gemaakt worden bij verhuizing of bij woningsanering).
Losse woonvoorzieningen hebben als voordeel dat ze vaak snel kunnen worden ingezet, meestal
voordeliger zijn en ze kunnen worden meegenomen in geval van verhuizing. Losse woonvoorzieningen zijn daarom veelal voorliggend op een woningaanpassing.
Veel woonvoorzieningen zijn tegenwoordig in de reguliere handel te koop. De gemeente heeft geen
verantwoordelijkheid om algemeen gebruikelijke voorzieningen zoals een centrale verwarmingsinstallatie, verhoogde toiletpotten, eenvoudige douchestoelen en (wand)beugels te verstrekken. Er moet wel
onderzocht worden of de voorziening ook daadwerkelijk als algemeen gebruikelijk beschouwd kan worden.
Het bezoek- of logeerbaar maken van een woning kan een maatwerkvoorziening zijn als dit de inwoner in staat stelt tot participatie, door deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en het ontmoeten van
medemensen en contacten onderhouden. Het betreft situaties waarin de inwoner zijn hoofdverblijf heeft in een Wlz-instelling en de van toepassing zijnde woning in de gemeente Oss staat. Onder bezoek- of logeerbaar maken wordt verstaan dat de inwoner de woonkamer, het toilet en een eenvoudige slaapvoorziening op gelijkvloers niveau kan bereiken en gebruiken.
Een bijzondere woonvoorziening kan worden verstrekt in de vorm van een uitraasruimte. De uitraasruimte kan worden gedefinieerd als: “Een verblijfsruimte waarin een persoon die ten gevolge van een
gedragsstoornis ernstig ontremd gedrag vertoont, zich kan afzonderen of tot rust kan komen.” Voor woonvoorzieningen wordt een bijdrage in de kosten gevraagd. Bij minderjarigen wordt alleen een bijdrage in de kosten (aan ouders of gezaghebbenden) gevraagd bij een woningaanpassing. 41
3.8.2 Hoofdverblijf en permanente bewoning Met een woonvoorziening wordt de zelfredzaamheid van de inwoner ondersteund en/of bevorderd zodat hij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven wonen. Het verstrekken van een
woonvoorziening door de gemeente beperkt zich tot woonruimten bedoeld voor permanente bewoning waar de inwoner zijn hoofdverblijf heeft. Een uitzondering hierop geldt voor het bezoekbaar maken.
Een woning kan zowel een gekochte woning zijn als een huurwoning. Ook bij afwijkende situaties, zoals een woonwagen met vaste standplaats, wordt in principe gesproken van een permanente woonruimte. Daarentegen worden geen woonvoorzieningen verstrekt als het gaat om hotels/pensions,
trekkerswoonwagens, toer- en stacaravans, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen en kamerbewoning.
3.8.3 Doelgroepengebouwen Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt indien sprake is van een maatwerkvoorziening in een
woongebouw dat specifiek gericht is op ouderen of mensen met beperkingen waarvan verwacht mag worden dat al voorzieningen zijn getroffen de gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen bij
nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten kunnen worden meegenomen. Een
voorziening in een gebouw dat specifiek is bedoeld voor ouderen of mensen met beperkingen is in principe algemeen gebruikelijk.
3.8.4 Gemeenschappelijke ruimten Maatwerkvoorzieningen die betrekking hebben op voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten worden
niet verstrekt, tenzij het gaat om automatische deuropeners die niet onder de verantwoordelijkheid van de woningcorporatie vallen, hellingbanen en extra trapleuningen, verbrede toegangsdeuren, vlonders en
opstelplaatsen voor rolstoelen/scootmobielen. Omdat de voorziening in het algemeen ook ten goede komt aan en wordt gebruikt door meerdere bewoners, wordt het niet onredelijk geacht om in die situaties de instandhoudingskosten (gedeeltelijk) voor rekening van de eigenaar/vereniging van eigenaren van het gebouw te laten zijn. Wanneer sprake is van een algemeen karakter van de voorziening wordt geen bijdrage in de kosten gevraagd aan de inwoner.
3.8.5 Voorzienbaarheid Een inwoner komt alleen voor een woonvoorziening in aanmerking als de noodzaak tot ondersteuning
redelijkerwijs niet vermijdbaar was, de voorziening niet voorzienbaar was of van de inwoner niet verwacht kon worden dat hij maatregelen getroffen zou hebben die de hulpvraag overbodig hadden gemaakt.
Het is de eigen verantwoordelijkheid van een ieder om rekening te houden met hun gezondheidssituatie. Zo kan bijvoorbeeld een woonvoorziening worden geweigerd wanneer ten tijde van het betrekken van de woonruimte door de persoon met beperkingen te voorzien was dat in deze woonruimte beperkingen bij het normale gebruik van de woning zouden worden ondervonden.
42
3.8.6 Woningaanpassing versus verhuizen Bij het onderzoek wordt naar de persoonskenmerken gekeken en de mate waarin de inwoner de noodzaak tot hulp of voorzieningen had kunnen voorzien. Als uiteindelijk een maatwerkvoorziening nodig is (dat kunnen woningaanpassingen zijn) wordt de goedkoopst compenserende voorziening verstrekt. Bij met
name grote woningaanpassingen zal dus nog steeds de afweging worden gemaakt of dit de goedkoopst compenserende oplossing is. Verhuizen naar een geschikte woning is vaak goedkoper dan aanpassen. Wanneer de inwoner als gevolg hiervan echter een restschuld overhoudt bij de verkoop van de oude woning, is het per saldo niet de goedkoopst compenserende oplossing.
Bij de afweging of verhuizen leidt tot het wonen in een geschikt huis, moeten de volgende aspecten zorgvuldig worden onderzocht en meegewogen:
financiële consequenties van de verhuizing;
de termijn waarop een woning beschikbaar komt (in verband met de medische verantwoorde termijn);
argumenten pro en contra verhuizing ten aanzien van de inwoner;
argumenten op basis van eventueel aanwezige mantelzorg in de woonomgeving; mogelijke gebruiksduur.
3.8.7 Verhuizing Veel verhuizingen en de kosten daarvan zijn als algemeen gebruikelijk te beschouwen, ook los van de