CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Motivering Functiewijziging Post-Telegraaf-Telefoonlocatie_BOPA

Gemeenteraad 5 maart 2026, gemeente OssBij agendapunt: B Bindend adviesrecht gemeenteraad KPN-gebouw30.789 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

In deze nota is aangegeven welke parkeernormen gelden voor de verschillende functies. Het berekende aantal fietsparkeerplaatsen moet binnen het projectgebied worden gerealiseerd. Er moet inzichtelijk worden gemaakt waar deze fietsparkeerplaatsen zijn voorzien. De eisen die zijn genoemd in de Nota Parkeernormen zijn van toepassing.

5.4.6.1 Toets In deze motivering is een verantwoording voor verkeer, auto- en fietsparkeren opgenomen in paragraaf 3.3. Volledigheidshalve wordt naar die paragraaf verwezen.

Motivering Molenstraat 32-34 Oss

53

CRI250040.003/BGO

6

Omgevingsaspecten en milieu (omgevingswaarden)

6.1

Veiligheid

6.1.1

Externe veiligheid Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met risico’s van branden, rampen en crises (paragraaf 5.1.2 Bkl). Bij omgevingsveiligheid gaat het om de risico’s van het gebruik en transport van gevaarlijke stoffen over weg, spoor, water of via buisleidingen, de veiligheid van bedrijven en de veiligheid van nieuwe, zich snel ontwikkelende technologieën. Daarbij gaat het om de ‘feitelijke’ risico’s (met soms grote onzekerheden), maar ook om hoe risico’s worden ervaren. Ten behoeve van deze wijziging van het omgevingsplan zijn de relevante risico’s geïnventariseerd en is de aanvaardbaarheid van deze afwijking van het omgevingsplan beoordeeld. De resultaten daarvan worden hierna beschreven. Daarbij wordt ook aangegeven op welke wijze rekening is gehouden met het voorkomen en bestrijden van branden, rampen en crisis, het beperken en vertragen van de gevolgen van incidenten, de mogelijkheden van personen om zich in veiligheid te brengen in geval van een incident en de gevolgen voor de (continuïteit) van de geneeskundige hulpverlening.

6.1.1.1 Toets Activiteiten Het projectgebied is op de risicokaart niet aangewezen als gelegen in een aandachtsgebied van een bedrijf met betrekking tot de externe veiligheid vanuit activiteiten. In de omgeving van het projectgebied bevindt zich geen risicobron. Binnen bedrijventerrein Moleneind zijn bedrijven met bedrijvencontouren gelegen. Deze contouren reiken niet tot over het projectgebied. Navolgend is een uitsnede weergegeven van de risicokaart. Het projectgebied is hierop aangeduid.

Motivering Molenstraat 32-34 Oss

54

CRI250040.003/BGO

Projectgebied

Risico-contouren bedrijventerrein reiken niet tot het projectgebied

Bedrijventerrein Moleneind

Figuur 26: Uitsnede kaart met de ligging van activiteiten in het kader van omgevingsveiligheid, waarop de ligging van het projectgebied is aangeduid

Transport Het projectgebied is gelegen op een afstand van circa 260 meter ten noorden van het spoor (Route 64) en op een afstand van circa 540 meter tot een aardgasleiding ( 5.1.2e ). Over het spoor en door deze leiding vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats.

Projectgebied

Figuur 27: Uitsnede kaart met de ligging van risico-contouren omgevingsveiligheid in relatie tot het vervoer van gevaarlijke stoffen

Het brandaandachtsgebied van de ondergrondse aardgasleiding ligt op circa 420 meter afstand. Op deze afstand is er geen sprake van een risico binnen het projectgebied. Het transport van gevaarlijke

Motivering Molenstraat 32-34 Oss

55

CRI250040.003/BGO

stoffen over het spoor, als onderdeel van het Basisnet, resulteert in een brandaandachtsgebied op circa 230 meter en een explosieaandachtsgebied op bijna 70 meter van het aandachtsgebied. De ontwikkeling dient in het kader van de ligging binnen dit gebied in relatie tot het plan nader te worden onderbouwd. Derhalve is een onderzoek Omgevingsveiligheid uitgevoerd. Dit onderzoek met datum 24 juni 2025 en rapportnummer R2501071A0 behoort als bijlage bij deze motivering. De conclusies uit dit onderzoek zijn hierna opgenomen. Voorwaarden EV beleid Het projectgebied is gevestigd in het centrum van Oss nabij het spoor dat deel uitmaakt van het Basisnet spoor. Het projectgebied ligt binnen het gifwolkaandachtsgebied, waardoor volgens de Beleidsvisie Externe Veiligheid van de gemeente Oss een zwaarte 2 verantwoording groepsrisico nodig is. Het groepsrisico is onder de Omgevingswet vervangen door aandachtsgebieden. De verantwoordingsplicht blijft onveranderd. Aandachtspunten voorwaarden verantwoording op basis van Beleidsvisie Externe Veiligheid - De gebouwen worden voorzien van eenvoudige afschakelbare en afsluitbare luchtbehandelingsinstallaties; - Er is aandacht voor risicocommunicatie met de bewoners en aanwezigen en de overheid en hulpdiensten.

In geval van een incident op het spoor zal gehoor worden gegeven aan de alarmeringen via WAS en NL-Alert om de deuren en ramen te sluiten en zullen de luchtbehandelingsinstallaties worden uitgeschakeld en afgesloten. Vervolgens dienen de personen binnen te blijven totdat de melding situatie veilig wordt gegeven. Planvorming en realisatie Bij de planvorming en realisatie van het projectgebied is rekening gehouden en aansluiting gezocht met de gestelde voorwaarden uit de beleidsvisie EV van de Gemeente en handboek Omgevingsveiligheid. Een aantal maatregelen zullen worden getroffen zoals hierboven aangegeven. De Gemeente Oss zal advies aanvragen bij de Veiligheidsregio Brabant-Noord met betrekking tot dit initiatief. Indien nodig zal de initiatiefnemer nader met de overheid in overleg treden om het een en ander ten aanzien van de planvorming en de bescherming van de personen die in de gebouwen aanwezig zullen zijn te optimaliseren. Dit plan is uitvoerbaar in relatie tot activiteiten en transport in relatie tot omgevingsveiligheid 6.1.2

Niet-gesprongen explosieven Op een onbekend aantal plaatsen in Nederland liggen nog bommen, granaten en andere munitie uit de Tweede Wereldoorlog. Tot op heden worden bij grond- en waterwerkzaamheden nog nagenoeg dagelijks niet-gesprongen conventionele explosieven gevonden. Een kans om de risico’s door nietgesprongen explosieven te beperken, is het opstellen en actueel houden van een risicokaart. Die kan burgers en bedrijven ondersteunen bij het voorbereiden van grond- en graafwerkzaamheden. Een groot risico is het onverwachts aantreffen van niet-gesprongen explosieven tijdens graaf- of andere grondwerkzaamheden.

Motivering Molenstraat 32-34 Oss

56

CRI250040.003/BGO

6.1.2.1 Toets Het projectgebied is gelegen binnen een gebied dat gedeeltelijk verdacht is voor voorkomen van niet gesprongen explosieven. Daarom is nader onderzoek noodzakelijk. Dit onderzoek, uitgevoerd door Saricon, met datum 12 juli 2025 en rapportnummer Kenmerk 25S058-VONCP-01 behoort als bijlage bij deze motivering. De conclusie en het advies uit dit onderzoek zijn opgenomen in deze motivering. ‘Conclusie Voor het onderzoeksgebied is een door AVG opgesteld historisch vooronderzoek ontplofbare oorlogsresten conflictperiode beschikbaar. In dit onderzoek is een deel van het onderzoeksgebied als verdacht aangemerkt. Omdat de door AVG gespecificeerde gegevens niet bij Saricon beschikbaar zijn, gaat Saricon op basis van een aanname uit van de aanwezigheid van Duitse en/of Geallieerde geschutmunitie van 2 cm t/m 155 mm, die in verschoten toestand kan worden aangetroffen. De verticale afbakening (diepteligging) van het verdacht gebied is vastgesteld op 1,50 meter onder het maaiveld ten tijde van de Tweede Wereldoorlog. Vastgesteld is dat het maaiveld ten opzichte van de Tweede Wereldoorlog niet significant is gewijzigd. Ten tijde van de Tweede wereldoorlog was het verdachte deel van het onderzoeksgebied grotendeels bebouwd. Dit is relevant omdat het CS-VROO hiervoor een specifieke richtlijn geeft. Hier was een postkantoor aanwezig.

Gezien de functie van het gebouw lijkt het aannemelijk dat schade aan het gebouw als gevolg van mogelijke inslag van geschutmunitie onderzocht zou worden, en dat eventuele blindgangers daarbij aan het licht zouden komen. De kans dat zich onder het bestaande postkantoor nog blindgangers bevinden wordt daarmee als zeer klein ingeschat. In de periode 1969-1972 werd dit gebouw gesloopt, waarna het huidige pand werd gebouwd. Saricon neemt aan dat hierbij grondroering heeft plaatsgevonden tot de maximale diepteligging van 1,50 meter onder het maaiveld. Eventueel aanwezige blindgangers zouden hierbij moeten zijn opgemerkt en verwijderd. Het geroerde gebied geldt daarom als onverdacht. Er blijven minimale oppervlakten over die buiten de bouwcontouren vielen. Hoewel grondroering hier strikt genomen niet aantoonbaar is, lijkt de kans op het aantreffen van een explosief naar oordeel van Saricon zo klein, dat geadviseerd wordt de voorgenomen werkzaamheden op reguliere wijze uit te voeren. Advies vervolgtraject Binnen het onderzoeksgebied kunnen werkzaamheden zonder aanvullende onderzoeken en/of beheersmaatregelen uitgevoerd worden. Mochten bij werkzaamheden toch onvoorzien ontplofbare oorlogsresten worden aangetroffen, dan is het zaak dat een werkprotocol in werking wordt gesteld om het risico tot een minimum te beperken.

De politie moet worden gewaarschuwd, die indien noodzakelijk de EOD van een eventuele vondst in kennis kan stellen. Het projectgebied kan worden vrijgegeven in relatie tot het aspect niet gesprongen explosieven.

Motivering Molenstraat 32-34 Oss

57

CRI250040.003/BGO

6.2

Water Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden regels van provincie en het waterschap betrokken. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregels met betrekking tot het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de bruidsschat zijn opgenomen voldoende. Met de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften kan de gemeente voor specifieke bedrijven zo nodige aanvullende eisen stellen die passen bij de bedrijfssituatie.

6.2.1

Nationaal Water Programma 2022-2027 In Nederland zijn er grote opgaven voor het waterdomein. Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering en moet blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en aan een klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte. Ook de zorg voor een goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht. Om aan te geven hoe om te gaan met de uitdagingen van water heeft de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 vastgesteld. Het programma geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. De Rijksoverheid werkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater & waterverdeling, waterkwaliteit & natuur, scheepvaart, en de functies van de Rijkswateren. Dit plan wordt door de waterschappen op gebiedsniveau vormgegeven.

6.2.2

Waterschapsbeleid Waterschap Aa en Maas Het waterschapsbeleid van Aa en Maas is reeds nader toegelicht in paragraaf 5.3 van deze motivering.

6.2.3

Gemeentelijk waterbeleid De gemeente Oss heeft in december 2022 een Water- en Rioleringsprogramma vastgesteld (WRP 2023-2029). Het programma biedt een kader voor de gemeentelijke watertaken en regelt de zorg voor inzameling en transport van afvalwater, doelmatige verwerking van afvloeiend (overtollig) hemelwater en overtollig grondwater.

Motivering Molenstraat 32-34 Oss

58

CRI250040.003/BGO

6.2.4

Toets

6.2.4.1 Beschermingsregime Het projectgebied is niet gelegen binnen het beschermingsgebied of in de directe nabijheid hiervan. Dit is nader toegelicht in paragraaf 5.3.4 van deze motivering. 6.2.4.2 Bodem en grondwater De bodemopbouw van het projectgebied is verkregen uit de TNO grondwaterkaarten en opgenomen in het voor het projectgebied uitgevoerd bodemonderzoek. Deze opbouw is in navolgende tabel opgenomen.

Tabel 7: Bodemopbouw binnen het projectgebied, TNO grondwaterkaart

De gemiddelde maaiveldhoogte binnen de gemeente Oss varieert van circa 2,2 meter +NAP (polder bij Lith) tot circa 15 meter (Herperduin). De algemene stromingsrichting van het grondwater is noordwestelijk. Dit stromingspatroon wordt bepaald door de ondergrondse afstroming van de hoger gelegen gebieden in Noord-Brabant. De stromingsrichting van het freatisch grondwater wordt hoogstwaarschijnlijk beïnvloed door de stand van de nabijgelegen Maas. De bovengrond binnen het projectgebied bestaat uit zwak siltig, matig fijn zand. De ondergrond bestaat uit zwak siltig, zeer fijn zand. 6.2.4.3 Huidig en toekomstig verhard oppervlak Het projectgebied is in de huidige situatie vrijwel geheel verhard. De omvang van de verharding vermindert substantieel met dit plan. Dit wordt nader uitgewerkt. 6.2.4.4 Hemelwaterinfiltratievoorziening Met een bergingsopgave van 24 mm per m² verhard oppervlak en omvang aan verhard oppervlak van PM geldt ter plaatse een bergingsopgave van PM m³. Realisatie voorziening PM.

Motivering Molenstraat 32-34 Oss

59

CRI250040.003/BGO

6.3

Luchtkwaliteit Het beleid en de regelgeving over luchtkwaliteit heeft tot doel om mensen te beschermen tegen de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging. Ze bevatten luchtkwaliteitsnormen voor verschillende stoffen. Ruimtelijke plannen of projecten die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, zoals omgevingsplannen, dienen getoetst te worden aan de Omgevingswet. De wet bevat grenswaarden voor de stoffen zoals zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijn stof, lood, benzeen in de buitenlucht. In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM5). Overschrijding van de grenswaarden van andere stoffen komt bijna niet voor. Met name in aandachtsgebieden moeten overheden toetsen aan de Rijksomgevingswaarden ten aanzien van PM10. Oss ligt echter niet een aandachtsgebied als hiervoor bedoeld. Ook is Oss geen agglomeratie als bedoeld in artikel 2.38 Omgevingsregeling. In de volgende gevallen toetst de gemeente Oss wél aan luchtkwaliteit als ze de activiteit wil toelaten (art 5.51 Bkl): - de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter; - een wijziging van een tunnel waarbij de lengte minimaal 100 meter toeneemt; - de aanleg van een autoweg of een autosnelweg.

6.3.1.1 Schone lucht akkoord De Gemeente Oss is deelnemer van het Schone Lucht Akkoord. Het doel van het Schone Lucht Akkoord is het behalen van 50% gezondheidswinst in 2030 ten opzichte van 2016 in heel Nederland. Dit is gebaseerd op specifiek de Nederlandse bronnen. Het Schone Lucht Akkoord richt zich op beleid, activiteiten en maatregelen die een verdere afname van fijnstof en stikstofdioxide beogen en wel zodanig dat wordt voldaan aan de normstelling uit 2015 van de gezondheidsraad. Het uitvoeringsprogramma Schone Lucht Akkoord van gemeente Oss loopt tot 2030 en jaarlijks wordt deze geactualiseerd en wordt er door het rijk een landelijke voortgangsrapportage opgesteld. 6.3.1.2 NIBM projecten De wet maakt namelijk onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Kleine projecten zijn projecten die de luchtkwaliteit niet ‘in betekende mate’ (NIBM) verslechteren. Deze projecten hoeven niet meer beoordeeld te worden op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Er is geen belemmering als een klein project niet of nauwelijks bij draagt aan luchtverontreiniging, óók niet in overschrijdingsgebieden (gebieden met te veel luchtvervuiling). Het gaat dan over woningen, kantoren, combinatie hiervan, telen van gewassen, het aanleggen van een spoorwegemplacement.

Het Bkl geeft aan in welke gevallen een nieuw project in ieder geval een NIBM-project is. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een rekenmodel. Dit is bijvoorbeeld het geval als er minder dan 1.500 woningen worden gebouwd bij minimaal één ontsluitingsweg, of minder dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Voor veehouderijen wordt gebruik gemaakt van een vuistregel om te bepalen of er sprake is van NIBM situatie. Deze gaat uit van afstanden tot stallen, dieraantallen en bijbehorende emissiefactoren voor stof. Gemeente Oss heeft geen aanvullende eisen vastgesteld voor fijn stof of NO2.

Motivering Molenstraat 32-34 Oss

60

CRI250040.003/BGO

6.3.1.3 Toets De ontwikkeling binnen het projectgebied is geen ontwikkeling die toeziet op de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter, een wijziging van een tunnel waarbij de lengte minimaal 100 meter toeneemt of de aanleg van een autoweg of een autosnelweg. De gemeente Oss toetst hiermee niet aan de luchtkwaliteit bij realisatie van de beoogde woningbouw. Er is geen sprake van een project dat In Betekenende Mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Er is sprake van realisatie van 64 woningen en er is hiermee geen sprake van overschrijding van de drempelwaarde van 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg. Navolgende figuren betreffen uitsneden van de kaarten met de waarden voor fijnstof voor het projectgebied en de omgeving hiervan.

Figuur 28: Uitsnede kaart met fijnstof PM10, waarop de ligging van het projectgebied met een blauwe marker is aangeduid (RIVM, 2023)

Figuur 29: Uitsnede kaart met fijnstof PM2,5, waarop de ligging van het projectgebied met een blauwe marker is aangeduid (RIVM, 2023)

Motivering Molenstraat 32-34 Oss

61

CRI250040.003/BGO

Binnen het projectgebied is sprake van jaargemiddelde concentratie PM10 van 16 µg/m³. De jaargemiddelde concentratie PM2,5 bedraagt 9 µg/m³. Hiermee is geen sprake van overschrijding van de wettelijke waarden. De realisatie van dit plan is in het kader van fijnstof in relatie tot ETFAL geen bezwaar. Volgens de Europese richtlijn luchtkwaliteit geldt een grenswaarde voor stikstofdioxide van een jaargemiddelde concentratie van NO2 is 40 µg/m³. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de kaart met de waarden voor stikstofdioxide voor het projectgebied en de omgeving hiervan.

Figuur 30: Uitsnede kaart met Stikstof NO2, waarop de ligging van de besluitlocatie met een blauwe marker is aangeduid (RIVM, 2023)

Binnen het projectgebied is sprake van jaargemiddelde concentratie NO2 van 12 µg/m³. Hiermee is geen sprake van overschrijding van de wettelijke waarde. De realisatie van dit plan is in het kader van stikstof in relatie tot de toetst aan de toets aan een evenwichtige toedeling van de functie aan de locatie geen bezwaar.

6.4

Gezondheid

6.4.1

Spuitzones In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bij het mogelijk maken van een nieuwe gevoelige functie in de nabijheid van agrarische functies aandacht gevraagd voor spuitzones in verband met risico’s voor de volksgezondheid vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift. Met de term drift wordt de hoeveelheid gewasbeschermingsmiddel bedoeld die bij het spuiten buiten het agrarisch perceel op de grond terecht kan komen en/of op hoogte door de lucht passeert. Vooral bij middelen met een hoge toxiciteit en/of voor kwetsbare groepen, zoals jonge kinderen of ouderen, kan drift risico’s voor de gezondheid inhouden.

Motivering Molenstraat 32-34 Oss

62

CRI250040.003/BGO

6.4.1.1 Toets Het projectgebied is gelegen binnen stedelijk gebied en is volledig omsloten door stedelijke functies. Er is geen sprake van (mogelijk) agrarisch gebruik. Er is geen sprake van mogelijke toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. Dit aspect vormt dan ook geen belemmering voor deze aanvraag. 6.4.2

Endotoxinen De intensieve veehouderijen dragen bij aan de emissies van fijnstof (PM10) in Nederland. Dit geëmitteerde fijnstof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit maken. Er zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. In april 2018 is tevens de ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’ uitgebracht. Hierbij wordt een advieswaarde van 30 EU/m³ aangehouden als advieswaarde voor de maximale blootstelling aan endotoxine. Bij deze advieswaarde kan ervan uitgegaan worden dat de gezondheid van omwonenden van veehouderijen wordt beschermd tegen een overmaat aan endotoxine. Het uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden.

6.4.2.1 Toets Het projectgebied is gelegen binnen stedelijk gebied van Oss. Er is geen sprake van de ligging van veehouderijen in de omgeving. Het projectgebied is niet gelegen binnen een endotoxinecontour van een veehouderijbedrijf. 6.4.3

Geitenhouderijen Uit onderzoek blijkt dat mensen die wonen in de nabijheid van een geitenhouderij, meer dan gemiddeld kans hebben op een longontsteking. Totdat er meer duidelijkheid is over de oorzaak van longontstekingen in relatie tot geitenhouderijen en een integrale aanpak voorhanden is, adviseert de GGD het voorzorgsbeginsel toe te passen en terughoudend te zijn met de uitbreiding of nieuwvestiging van geitenhouderijen in de buurt van gevoelige functies. Andersom geldt ook dat geadviseerd wordt om terughoudend te zijn met het plaatsen van gevoelige functies in de buurt van bestaande geitenhouderijen. Dat betekent dat gemeenten wordt geadviseerd om in hun besluitvorming de risico’s op longontsteking mee te wegen. Op basis van onderzoeksresultaten is het risico op longontsteking groter naarmate de afstand tot een geitenbedrijf kleiner is. De GGD-richtlijn hanteert daarom een richtafstand van 2 kilometer tussen geitenhouderijen en gevoelige functies. Het beleid van de gemeente Oss houdt in dat bij de realisering van een ruimtelijke ontwikkeling binnen een straal van twee kilometer van een geitenhouderij rekening moet worden gehouden met de volgende criteria: a. tet informeren van de aanvragers over het risico; b. terughoudend omgaan met ontwikkelingen betreffende het huisvesten en opvangen van kinderen, kwetsbare mensen en ouderen; c.

na een zorgvuldig afweging en eventueel maatwerk kunnen wenselijke ontwikkelingen binnen een straal van twee kilometer van een geitenhouderij worden toegestaan.

Motivering Molenstraat 32-34 Oss

63

CRI250040.003/BGO

6.4.3.1 Toets Het projectgebied is gelegen binnen stedelijk gebied van Oss. Er is geen sprake van de ligging van veehouderijen in de omgeving. Binnen een straal van 2 kilometer vanuit het projectgebied is geen sprake van de ligging van een geitenhouderij. Dit aspect vormt dan ook geen belemmering voor deze aanvraag. 6.4.4

Hittestress Steden warmen sneller op dan landelijk gelegen gebieden door het hitte-eiland effect. Dit komt omdat zonlicht meer geabsorbeerd wordt door donkere oppervlakken, zoals asfalt, maar ook langer vastgehouden wordt. Daarnaast is er in steden een lagere windsnelheid door gebouwen en minder natuurlijke evaporatie. Hoge temperaturen hebben nadelige gevolgen voor de gezondheid van de mens. Als de buitentemperatuur boven de 20°C uitkomt en de luchtvochtigheid hoog is, neemt het risico op hittestress toe. Door tijdig de juiste maatregelen te nemen wordt stress en gezondheidsproblemen bij mens en dier voorkomen.

6.4.4.1 Toets Het projectgebied is gelegen binnen het stedelijk gebied van Oss. De locatie is in de huidige situatie geheel verhard. Op warme dagen is sprake van een extreem hittestress niveau (niveau 2). Navolgende figuren betreffen uitsneden van een kaart met de hittestress en het hitte-eiland effect in beeld gebracht in de huidige situatie. Projectgebied

Figuur 31: Uitsnede kaart met gevoelstemperatuur op een warme dag, waarop de ligging van het projectgebied is aangeduid (2022)

Motivering Molenstraat 32-34 Oss

64

CRI250040.003/BGO

Projectgebied

Figuur 32: Uitsnede kaart met stedelijk hitte-eiland effect, waarop de ligging van het projectgebied is aangeduid (2020)

Met dit project wordt de locatie getransformeerd naar een woningbouwlocatie. De omvang van aan verhard oppervlak neemt hierbij af. In samenhang met dit project wordt een tuin en een daktuin aangelegd. Dit plan draagt bij aan de vermindering van hittestress. 6.4.5

Hoogspanningsverbindingen Hoogspanningsverbindingen kunnen van negatieve invloed zijn op de gezondheid van de omgeving, maar dragen tegelijkertijd ook bij aan de Nederlandse infrastructuur en zijn van essentieel belang voor het functioneren van het energienetwerk. Hoogspanningsverbindingen leveren dus zowel een positieve als negatieve bijdrage aan de fysieke leefomgeving. Een negatieve invloed op de gezondheid van de omgeving, kan worden veroorzaakt door magneetvelden en geluid van de hoogspanningsverbindingen. Voor ‘magneetvelden’ geldt op basis van advies van het Rijk dat zoveel als redelijkerwijs mogelijk is vermeden dient te worden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen tot 15 jaar langdurig verblijven in een gebied rond bovengrondse hoogspanningsverbindingen, waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla. Ten aanzien van ‘geluid’ geldt dat rekening moet worden gehouden met geluid in de vorm van windfluiten en knetterend geluid door elektrische ontladingen (coronageluid) veroorzaakt door hoogspanningsverbindingen.

6.4.5.1 Toets Door het stedelijk gebied van Oss is een hoogspanningsverbinding gelegen. Dit betreft een 150 KV hoogspanningslijn die zich op een afstand van 940 meter ten noorden en 1.750 meter ten oosten van het projectgebied bevindt. Op zodanige afstand vindt geen beïnvloeding plaats. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de kaart met de ligging van hoogspanningsverbindingen ten opzichte van het projectgebied.

Motivering Molenstraat 32-34 Oss

65

CRI250040.003/BGO

Projectgebied

Figuur 33: Uitsnede kaart met de ligging van hoogspanningslijnen ten opzichte van het projectgebied

De ligging van de hoogspanningsverbinding heeft geen belemmering voor dit project tot gevolg. 6.4.6

Straling Een antenne zet stroom om in een radiogolf. De natuurkundige term voor radiogolf is elektromagnetisch veld of elektromagnetische straling. Teveel elektromagnetische straling kan de gezondheid schaden. Elektromagnetische straling van antennes kunnen het lichaam opwarmen. Andere effecten op de gezondheid zijn niet aangetoond. Sommige mensen melden wel klachten over de gezondheid zoals hoofdpijn, slapeloosheid en duizeligheid. Daarom moet de straling van antennes voor mobiele communicatie onder een bepaalde grens blijven. Ook 5G-antennes moeten voldoen aan deze internationale grenswaarden voor elektromagnetische straling. Er is en wordt veel onderzoek gedaan naar antennes en gezondheid. De Gezondheidsraad stelt in een advies uit 2020 aan de Tweede Kamer dat een verband tussen blootstelling aan elektromagnetische velden van antennes en negatieve gezondheidseffecten niet is aangetoond en ook niet waarschijnlijk is. Tegelijk zijn negatieve gezondheidseffecten niet uit te sluiten. De Gezondheidsraad adviseert onderzoek te blijven doen, onder andere naar 5G. Op dit moment voert de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) een grootschalige analyse uit naar antennes en gezondheid.

6.4.6.1 Toets In Nederland blijft de gemeten straling van 5G-antennes onder de grenswaarden. Rondom de zendmast is in de huidige situatie al woonbebouwing gelegen. Binnen het projectgebied staan zendmasten voor GSM/LTE/5G/vast/overig. Op 27 maart 2023 is een meting uitgevoerd nabij het projectgebied aan de Molenstraat. Het resultaat van de meting betrof 0,002813 W/m². Ruimschoots onder de blootstellingslimiet (2 W/mm²). Deze meting is echter op grotere afstand van de bron gedaan dan het beoogde plan. Echter is het verschil tussen de meting (0,0002813) en de toegestane omvang (2) zo groot dat aangenomen kan worden dat er geen sprake is van een waarde boven de toegestane norm.

Motivering Molenstraat 32-34 Oss

66

CRI250040.003/BGO

6.5

Geluid

6.5.1

Geluid door activiteiten In een omgevingsplan moet rekening gehouden worden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen (art. 5.59 Bkl). Dat is het geval bij het toelaten van een activiteit op een locatie, anders dan het wonen, die geluid veroorzaakt op een geluidgevoelig gebouw dat is toegestaan. En bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw waarop geluid wordt veroorzaakt door een activiteit op een locatie die is toegestaan, anders dan het wonen. Een omgevingsplan moet erin voorzien dat het geluid door een activiteit op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is (art. 5.59 Bkl). Bij toelaten van een activiteit, gemeenteweg, waterschapsweg, lokale spoorweg of geluidgevoelig gebouw op een locatie houdt het bevoegd gezag in ieder geval rekening met geluid. Deze instructieregel bevat geen concreet kwaliteitsniveau voor geluid. Daarom heeft het bevoegd gezag een grote beoordelingsvrijheid. Voor de volgende activiteiten gelden verschillende specifieke instructieregels: - standaardactiviteiten (paragraaf 5.1.4.2.1 en 5.1.4.2.2 Bkl); - specifieke activiteiten (paragraaf 5.1.4.2.1 en 5.1.4.2.3 Bkl); - activiteiten op industrieterrein met een geluidproductieplafond (gpp); - 'activiteiten in de openbare buitenruimte' en evenementen ((paragraaf 5.1.4.2.1 en artikel 5.73 (uitzonderingen geluidbronnen) Bkl.

De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Het rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels. Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. Ook zijn direct werkende regels in de bruidsschat opgenomen. Dit zijn de regels voor het bepalen en beoordelen van geluid door een toegelaten activiteit. In de bruidsschat is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 Bruidsschat waar waarden gelden).

Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 BS); geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS); geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS).

Motivering Molenstraat 32-34 Oss

67

CRI250040.003/BGO

6.5.1.1 Toets De ontwikkeling grenst aan de bestemming maatschappelijk alwaar in de huidige situatie het Titus Brandsmalyceum gevestigd is. Vanwege de toevoeging van geluidgevoelige gebouwen op korte afstand hiervan wordt een onderzoek industrielawaai noodzakelijk geacht. Door Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V. is een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd. Dit onderzoek met datum 26 augustus 2025 en rapportnummer ROM250040.001.004/JME behoort als bijlage bij deze motivering. De conclusies uit dit onderzoek zijn hierna opgenomen.

Tabel 9: Conclusies geluidniveau

Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat de toekomstige situatie ten aanzien de in dit onderzoek aangegeven randvoorwaarden akoestisch inpasbaar geacht kan worden. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 6.5.2

Geluid door wegverkeer De Wet geluidhinder bepaalde binnen welke zone van een (spoor)weg, onderzoek moet worden gedaan naar de geluidbelasting van die weg op nieuwe geluidgevoelige gebouwen. De geluidzones zijn in het Bkl teruggekeerd onder de naam geluidaandachtsgebieden. Deze gebieden worden als fysiek geografisch gebied vastgelegd in het Digitale Stelsel Omgevingswet (DSO). Voorheen gold in beginsel voor geluidgevoelige objecten een streefwaarde voor het geluid, de voorkeurswaarde. Met een hogere waarde besluit kon het bevoegd gezag een hogere waarde dan de voorkeurswaarde vaststellen. De hogere waarde kende ook een bovengrens, de zogenaamde maximale ontheffingswaarde. In het Bkl zijn nieuwe termen geïntroduceerd: a. Standaardwaarde (voorheen: voorkeurswaarde): een geaccepteerd geluidsniveau waarvan gemotiveerd kan worden afgeweken, en b. Grenswaarde (voorheen: maximale ontheffingswaarde): een grens waarbij alleen bij uitzondering en met geluidbeperkende maatregelen (nieuwe) geluidgevoelige gebouwen kunnen worden toegestaan.

Motivering Molenstraat 32-34 Oss

68

CRI250040.003/BGO

Nieuw is dat de standaardwaarden en de grenswaarden voor gevels van geluidgevoelige gebouwen in geluidaandachtsgebieden bijna allemaal zijn verhoogd ten opzichte van de huidige waarden. In de volgende tabel staan de nieuwe waarden van de verschillende geluidbronsoorten weergegeven:

Tabel 8: Standaardwaarden en grenswaarden geluid

Gemeentebesturen kunnen nu alleen een hogere geluidbelasting dan de standaardwaarde toestaan, tot aan de grenswaarde, als met geluidbeperkende maatregelen niet aan de standaardwaarde voldaan kan worden. 6.5.2.1 Toets Het projectgebied is gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van enkele gemeentewegen (Molenstraat, Raadhuislaan, Oostwal, Carmelietenstraat, Boterstraat) en de spoorlijn ’sHertogenbosch – Nijmegen waardoor een akoestisch onderzoek weg- en railverkeerslawaai uitgevoerd dient te worden. Door K+ Adviesgroep is een akoestisch onderzoek weg- en railverkeer uitgevoerd. Dit onderzoek met datum 4 juni 2025 en rapportnummer Rm250096aaA0.jufo_01 behoort als bijlage bij deze motivering. De conclusies uit dit onderzoek zijn hierna opgenomen. ‘Gemeentewegen - De standaardwaarde wordt wel, maar de grenswaarde wordt niet overschreden. De geluidbelasting ten gevolge van de gemeentewegen is maximaal 58 dB. De standaardwaarde wordt ter plaatse van 18 appartementen overschreden. - De gemeente Oss dient aan de hand van voorliggend onderzoek een afweging te maken om het geluid boven de standaardwaarde toe te staan. - In de voorliggende situatie kan als uitgangspunt worden aangedragen dat de appartementen bestaande bebouwing vervangen. - Het treffen van maatregelen aan de bron in de vorm van een andere wegverharding zou kunnen worden overwogen.

Hiermee is een geluidreductie van maximaal 5 dB te realiseren. - De geluidbelasting kan daarmee mogelijk worden teruggebracht tot de standaardwaarde of lager. De kosten voor deze maatregel voor de Molenstraat worden geraamd op €90.000,- (200 meter x 9 meter x € 50,-) en is daarmee niet financieel doelmatig. Bovendien stuit deze maatregel op overwegende bezwaren van technische aard. Het verder naar achteren verplaatsen van de woningen om de geluidbelasting verder te reduceren kan ertoe leiden dat wordt voldaan aan de standaardwaarde. Zou de afstand tot de weg worden vergroot, van 3 naar 10 meter, dan zal de geluidbelasting op de voorgevel met circa 5 dB afnemen, waarmee wordt voldaan aan de standaardwaarde. Echter uit stedenbouwkundig oogpunt is het verder van de weg plaatsen niet wenselijk: de woningen zijn

Motivering Molenstraat 32-34 Oss

69

CRI250040.003/BGO

-

-

-

in aansluiting op de lintbebouwing gesitueerd. Bovendien biedt het kavel waarop de bebouwing gesitueerd is geen mogelijkheden om de gebouwen in huidige opstelling verder naar achteren te verplaatsten. Het plaatsen van een geluidscherm is akoestisch niet verder onderzocht. Om de geluidbelasting op de gevel te verlagen is een geheel gesloten scherm benodigd. Een geheel gesloten scherm ter plaatse van de voorgevel aan de Molenstraat is niet realistisch, omdat deze gevel grenst aan de openbare weg en er dus geen ruimte is om het plaatsen van een scherm mogelijk te maken. De gemeente Oss is op het moment van schrijven van het rapport bezig met het opstellen van een nieuw geluidbeleid. Vanuit de gemeente is daarom verzocht om te toetsen aan de huidige wetgeving Omgevingswet. In het ontwerp dient sprake te zijn van minimaal een geluidluwe gevel per appartement. Dit is vrijwel overal het geval, behalve op verdieping 5 bij appartement 22. Hier worden twee gevels belast, de geluidbelasting op de voorgevel bedraagt 56 dB en op de zijgevel 55 dB. Beide waardes liggen boven de standaardwaarde. Het huidige ontwerp voldoet dus nog niet aan deze door de gemeente gestelde eis. Bij de verdere planuitwerking moet worden bekeken op welke manier kan worden voldaan.

Spoorweg De geluidbelasting ten gevolge van de spoorweg is maximaal 52 dB waarmee aan de standaardwaarde wordt voldaan. Het Besluit kwaliteit leefomgeving legt ten gevolge van de spoorweg geen restricties op aan het plan. Gecumuleerd geluid - De maximale gecumuleerde geluidbelasting is 58 dB, dit is gelijk aan de maximale geluidbelasting van de bronsoort gemeentewegen. Mede aan de hand van het gecumuleerde geluid kan het bevoegd gezag beoordelen of en in welke mate het verantwoord is de afwegingsruimte boven de standaardwaarde te benutten. - Om een beoordeling van het gecumuleerd geluid te kunnen maken zou gebruik gemaakt kunnen worden van de beoordeling geluidkwaliteit gecumuleerd geluid. Binnen deze methode wordt de optredende geluibelasting ingedeeld in verschillende classificaties. In het rapport is de methode opgenomen. - Ter plaatse van de voorgevel aangrenzend aan de Molenstraat is sprake van een de kwalificatie Matig. Voor de overige gevels geldt de kwalificatie Redelijk tot Zeer goed. Gezamenlijk geluid en Besluit bouwwerken leefomgeving Het gezamenlijk geluid is maximaal 59 dB. Conform het Bbl worden in deze situatie eisen gesteld aan de minimale gevelgeluidwering.

Wanneer de standaardwaarde wordt overschreden, moet voor de nieuwe woningen worden aangetoond welke geluidwerende maatregelen aan de gevel noodzakelijk zijn om te kunnen voldoen aan het gestelde in artikel 4.103 van het Bbl. De minimaal vereiste geluidwering is het verschil tussen het gezamenlijk geluid en 33 dB. In tabel 4.3 in het onderzoeksrapport is de benodigde karakteristieke geluidwering weergegeven.’ Het aspect geluid door wegverkeer vormt geen belemmering voor de beoogde herontwikkeling. Het project is uitvoerbaar mits de vereiste geluidwering wordt gehanteerd.

Motivering Molenstraat 32-34 Oss

70

CRI250040.003/BGO

6.6

Trillingen In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen (paragraaf 5.1.4.4., art. 5.83 Bkl). Dat geldt bij het toelaten van een activiteit op een locatie, anders dan wonen, die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaakt in een trillinggevoelige ruimte van een toegestaan trillinggevoelig gebouw (art. 5.79 Bkl). Dat geldt ook bij het toelaten van een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz worden veroorzaakt door een toegestane activiteit, anders dan het wonen (art. 5.79 Bkl). Een omgevingsplan voorziet erin dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn (art. 5.83 Bkl). Het onderdeel Trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat.

Verkeer over een oneffen wegdek kan ook trilling veroorzaken. Bij het passeren van vooral zware voertuigen, zoals vrachtwagens en bussen, kunnen trillingen ontstaan met een kortdurend karakter. De aard van deze trilling is afhankelijk van het type voertuig en de belading, de rijsnelheid en de vorm van de oneffenheid, zoals bij een brug. Meestal speelt het aspect trillingen geen rol bij de ruimtelijke inpassing.

6.6.1

Toets In de directe nabijheid van het projectgebied is geen sprake van trillingen door activiteiten. Ook zal gezien het wegdek in de omgeving geen trillingshinder worden ondervonden van verkeer.

6.7

Bodem Het aspect bodem(kwaliteit) maakt integraal onderdeel uit van de fysieke leefomgeving. Steeds dient te worden gezocht naar de juiste balans tussen enerzijds het beschermen van de gezondheid en het milieu en anderzijds het benutten van de bodem ten behoeve van maatschappelijke activiteiten. Bij het wijzigen van het omgevingsplan dient te worden aangetoond dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2, eerste lid, Omgevingswet) en uitvoering is gegeven aan de instructieregels vanuit het Rijk (paragraaf 5.1.4.5 Bkl) en de provincie. Als uitgangspunt geldt dat onaanvaardbare risico's voor de gezondheid van de mens vanwege het gebruik van de bodem dienen te worden voorkomen (artikel 2.28, lid 1 Omgevingswet). In dit kader is het van belang om na te gaan wat de kwaliteit van de bodem binnen de besluitlocatie is en of dit nog aanvaardbaar c.q. toelaatbaar wordt geacht voor de beoogde functietoedeling. Bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie moet de kwaliteit van de bodem ten minste voldoen aan daarvoor gestelde interventiewaarden (bijlage IIA Bal). De gemeente kan echter in haar Omgevingsplan ook afwijkende lokale waarden vastleggen, voor zover de maximale grenswaarden als bedoeld in artikel 5.89j, tweede lid, van het Bkl niet worden overschreden.

Motivering Molenstraat 32-34 Oss

71

CRI250040.003/BGO

6.7.1

Toets Door Aelmans Milieu is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, inclusief asbest. Dit onderzoek met datum 8 november 2023 en rapportnummer N230395.009 is als bijlage bij deze motivering gevoegd. Uit dit onderzoek volgt de volgende aanbeveling: ‘De uitvoering van een aanvullend of nader onderzoek is, ons inziens, niet zinvol. Tegen de voorgenomen bestemmingswijziging van de onderzoekslocatie zijn, vooralsnog, geen zwaarwegende milieu-hygiënische bezwaren aan te voeren.’ De tabel met conclusies uit dit onderzoek is hierna opgenomen.

Tabel 9: Tabel met conclusies uit het bodemonderzoek

6.8

Geur Geur kan hinder veroorzaken en de gezondheid schaden. Echter ook geur veroorzakende activiteiten (bedrijven) hebben een plek in de leefomgeving nodig. Eén van de belangrijkste uitgangspunten van de Omgevingswet is realisatie van een goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving (artikel 1.3 Ow: ‘zorg voor de fysieke leefomgeving’). In het Bal zijn in hoofdstuk 3 regels gesteld over milieubelastende activiteiten, waarbij deze activiteiten per bedrijfstak zijn gegroepeerd. Deze regels zijn gesteld ter voorkoming of beperking van onder andere geurhinder. Vervolgens zijn in hoofdstuk 4 van het Bal inhoudelijke regels gesteld aan milieubelastende activiteiten. In paragraaf 5.1.4.6 van het Bkl zijn de instructieregels opgenomen ten aanzien van het aspect geur. In artikel 5.92, tweede lid Bkl, is voorgeschreven dat de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw ‘aanvaardbaar’ moet zijn. Daarbij dient tevens rekening te worden gehouden met cumulatie. Gemeenten hebben de mogelijkheid om in hun

Motivering Molenstraat 32-34 Oss

72

CRI250040.003/BGO

omgevingsplan eigen geurregels te formuleren. Weliswaar dienen de instructieregels uit het Bkl (artikel 5.90 tot en met 5.127 Bkl) wel te worden gevolgd. 6.8.1

Geur door activiteiten Het nationale industriële geurbeleid is vastgelegd in de Nederlandse emissierichtlijn (NeR). De brief van het ministerie van Infrastructuur en Milieu van 30 juni 2005 stelt het rijksbeleid in grote lijnen vast. Het algemene uitgangspunt is het voorkomen van (nieuwe) hinder. Dit uitgangspunt vormt samen met het toepassen van de Beste Beschikbare Techniek (BBT) de kern van het geurbeleid. Uitgangspunten van het rijksbeleid zijn: - als er geen hinder is, zijn maatregelen niet nodig; - als er wel hinder is, worden maatregelen getroffen op basis van het Beste Beschikbare Techniek-principe; - de gemeente stelt vast welke mate van hinder acceptabel is. Gemeenten en provincies hebben de bevoegdheid om een eigen geurbeleid vast te stellen. De provincie Noord-Brabant heeft een eigen geurbeleid voor provinciale bedrijven, de Beleidsregel beoordeling geurhinder omgevingsvergunningen industriële bedrijven Noord-Brabant. De gemeente Oss heeft geen eigen industrieel geurbeleid. Per situatie stelt de gemeente Oss vast of sprake is van een acceptabel geurniveau.

6.8.1.1 Toets Het projectgebied is gelegen in het stedelijk gebied van Oss. Het bedrijventerrein Moleneind is op een afstand van meer dan 500 meter ten zuidoosten van het projectgebied gelegen. De contouren voor geur vanuit activiteiten reiken niet tot over het projectgebied. 6.8.2

Geur door het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf De bruidsschat maakt onderscheid tussen geurnormen voor intensieve en extensieve veehouderijen. De geurbelasting van intensieve veehouderijen wordt berekend en uitgedrukt in de vorm van een geurcontour. De geurbelasting van extensieve veehouderijen wordt uitgedrukt in vaste afstanden. De gemeente Oss heeft een eigen geurbeleid opgesteld. Het geurbeleid bestaat uit twee delen: de ‘Geurgebiedsvisie 2013’ en de ‘Agrarische geurverordening gemeente Oss 2017’. De gemeente hanteert per soort gebied een eigen geurnorm en streeft de volgende doelen na: - de burger beschermen tegen geurhinder; - de veehouderijen niet onnodig beperken; - ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken, onder de voorwaarde dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is. De gemeentelijke “Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder” is van belang voor de vraag of een ruimtelijke ontwikkeling kan plaatsvinden. De beleidsregel geeft aan wanneer sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De geurverordening wordt automatisch onderdeel van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. De gemeente hoeft geen actie te ondernemen (artikel 4.6 Invoeringswet Omgevingswet). Dit betekent dat de normen hiervan zoals deze zijn opgenomen in de ‘Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oss 2017’ nog geldend zijn.

In de Verordening geurhinder en veehouderij

Motivering Molenstraat 32-34 Oss

73

CRI250040.003/BGO

gemeente Oss 2017 wordt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object binnen de gemeente Oss vastgelegd. Conform Artikel 3 Waarden voor de geurbelasting van de verordening zijn de volgende waarden vastgelegd: Lid 1. Op grond van artikel 6, lid 1 van de wet en in afwijking van artikel 3, lid 1 van de wet bedraagt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in het gebied als genoemd in artikel 2, lid 1 van deze verordening: A. Stad Oss

1,0 Ou

B. Woonkern met geen/enige intensieve veehouderij

2,0 Ou

C. Plangebied (bij kern A en B)

3,0 Ou

D. Woonkern met intensieve veehouderij

6,0 Ou

E. Zoekgebied + plangebied Maren-Kessel West en Liesdaal

6,0 Ou

F. Recreatiegebieden

8,0 Ou

G. Extensiveringsgebieden

8,0 Ou

H. Bedrijventerreinen

8,0 Ou

I. Bedrijventerrein Vorstengrafdonk

12,0 Ou

J. Verwevingsgebied

14,0 Ou

K. Landbouwontwikkelingsgebied

14,0 Ou

Tabel 10: Tabel met geurnormen gemeente Oss

6.8.2.1 Toets Het projectgebied is gelegen binnen het stedelijk gebied van Oss. Er geldt hiermee een geurnorm van 1,0 OU voor de voorgrondbelasting. Er zijn in de kern Oss geen veehouderijen gelegen. Hierna is een uitsnede weergegeven van de veehouderijbedrijvenkaart, waarop de ligging van het projectgebied is aangeduid ten opzichte van veehouderijbedrijven. Er zijn, gezien de afstand van het projectgebied tot bedrijven geen geurhindercontouren over het projectgebied gelegen. Projectgebied

Figuur 34: Uitsnede kaart met ligging van veehouderijen in de omgeving van Oss. Het projectgebied is aangeduid

De geurbelasting ten gevolge van meerdere intensieve veehouderijen in de omgeving vormt de achtergrondbelasting. Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant is een kaart met de indicatieve

Motivering Molenstraat 32-34 Oss

74

CRI250040.003/BGO

achtergrondbelasting (peildatum 10 oktober 2024) gepubliceerd. Een uitsnede van deze kaart is hierna opgenomen, waarbij de ligging van het projectgebied is aangeduid met de blauwe marker. Projectgebied

Figuur 35: Uitsnede kaart met achtergrondbelasting en leefklimaat rondom Oss en in de omgeving van het projectgebied

Binnen het projectgebied is sprake van een achtergrondbelasting van minder dan 3 oue/m³, waarmee op basis hiervan sprake is van een zeer goed woon- en leefklimaat in relatie tot geur afkomstig van veehouderijen. Herontwikkeling van het projectgebied mag de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen niet belemmeren. Het projectgebied is gelegen binnen stedelijk gebied. Met dit project is geen sprake van belemmering van ontwikkelingsmogelijkheden voor veehouderijbedrijven.

6.9

Bescherming van Landschappelijke en stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed In de Omgevingswet wordt cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving als volgt afgebakend: ‘monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het Omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet'. Onder 'ander cultureel erfgoed’ gaat het zowel om roerend erfgoed (‘cultuurgoederen’) als om immaterieel cultureel erfgoed, voor zover dat aan een specifieke plek gebonden is.

6.9.1

Archeologie De gemeente moet bij het vaststellen van een omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Dit is geregeld in artikel 5.130 lid 1 van het Bkl. Deze monumenten worden bij voorkeur in situ (ter plekke) behouden (verwijzing naar verdrag van Valletta in artikel 2.28, onder a, van de Omgevingswet). Een archeologisch monument is een terrein dat deel uitmaakt van cultureel erfgoed vanwege de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen (begripsbepaling

Motivering Molenstraat 32-34 Oss

75

CRI250040.003/BGO

Omgevingswet / artikel 1.1 Erfgoedwet). Een aantoonbaar te verwachten archeologisch monument is een op basis van archeologische, bodemkundige of historische informatie op een locatie te verwachten archeologisch monument (artikel 2.28 onder a Omgevingswet / amendement-Ronnes (Kamerstukken II 2014/15, 33 962, nr. 162)). Binnen de gemeente Oss wordt al 50 jaar professioneel archeologisch onderzoek gedaan. Op basis van vele archeologische onderzoeken, bodemverstoringsinformatie, bodemkundige en historische informatiebronnen zijn gedetailleerde archeologische verwachtingskaarten opgesteld. Deze kaarten voldoen daarmee aan de geformuleerde aantoonbaarheid verplichting. In beginsel moeten projecten die kleiner zijn dan 100 m² worden vrijgesteld van een archeologische onderzoeksplicht (artikel 5.130 lid 4 Bkl). Maar de gemeente kan in een omgevingsplan een grotere of kleinere vrijstellingsgrens vastleggen (artikel 5.130 lid 5 Bkl). De gemeente Oss heeft er in haar archeologiebeleid voor gekozen om inderdaad andere oppervlaktes hiervoor vast te stellen. Het archeologiebeleid van de gemeente Oss is in 2015 voor het laatst vastgelegd. Onderdeel van de vaststelling is het rapport 'Actualisatie archeologiebeleid gemeente Oss, een herziene archeologische beleidskaart voor het nieuwe grondgebied van de gemeente Oss' (Goddijn, 2012).

Op de beleidskaart is sprake van meerdere beleidscategorieën (zie onderstaande tabel). In het beleid is per beleidscategorie vastgelegd en gemotiveerd wanneer sprake is van een onderzoeksplicht en wanneer ontwikkelingen hiervan zijn vrijgesteld. Dit is weergegeven in navolgende tabel. Verwachting/waarde

Vrijstellingsgrenzen

Archeologisch beschermd rijksmonument

0 m2 / 0 cm -Mv

Archeologisch (AMK-) monument

0 m2/ 30 cm -Mv

Beschermd stadsgezicht Ravenstein

35 m2 / 30 cm -Mv

Historische stads-/dorpskern

50 m2 / 30 cm -Mv

Hoge verwachtingswaarde

100 m 2 / 30 cm -Mv

Hoge verwachtingswaarde – bedrijventerrein

1000 m2 / 30 cm -Mv

Middelhoge verwachtingswaarde Lage verwachtingswaarde

5 hectare / 30 cm -Mv

Reeds onderzocht

Afhankelijk van de resultaten van het reeds uitgevoerde onderzoek.

Verstoord Geen onderzoeksplicht Tabel 11: Tabel normering archeologisch onderzoek binnen de gemeente Oss

6.9.1.1 Toets Door KSP Archeologie wordt thans een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek met datum 19 december 2025 en rapportnummer 25053 behoort als bijlage bij deze motivering. De conclusies uit dit onderzoek zijn hierna opgenomen. ‘Op de gemeentelijke archeologische beleidskaart ligt het grootste deel van het plangebied binnen de historische stadskern van Oss met uitzondering van het ten noordoosten gelegen toegangspad. Daarnaast geldt voor het plangebied een hoge verwachting voor alle andere archeologische perioden (Paleolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw). Naar aanleiding van de resultaten van het bureauonderzoek is deze verwachting nader gespecificeerd per periode/bijgesteld.

Motivering Molenstraat 32-34 Oss

76

CRI250040.003/BGO

Op basis van de landschappelijke ligging op mogelijk een dekzandrug dan wel binnen een zone met dekzandwelvingen en de archeologische onderzoeksmeldingen en vondstlocaties uit de omgeving is aan het plangebied een middelhoge verwachting toegekend voor vuursteenvindplaatsen uit het LaatPaleolithicum tot en met het Neolithicum en een hoge verwachting voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw). Voor de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd is op basis van de historische ontwikkeling een hoge verwachting toegekend. Vervolgens is deze verwachting getoetst door middel van een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase. Uit het booronderzoek is gebleken dat de onverstoorde natuurlijke ondergrond zich bevindt op een diepte vanaf respectievelijk 205 cm -mv in boring 1, 170 cm -mv in boring 2 en 245 cm -mv in boring 3 (respectievelijk 5,35 m, 6,03 en 5,40 m +NAP), dit is tevens het potentiële archeologische niveau, waar vanaf archeologische resten kunnen worden aangetroffen. De onverstoorde natuurlijke ondergrond bestaat uit dekzand die ten dele is verspoeld. De oorspronkelijk was waarschijnlijk een podzolbodem, die door het gebruik als akkerland voor het grootste deel of zelfs geheel is verploegd en opgenomen in de enkeergrond (boring 3).

Hierbij wordt opgemerkt dat in boring 3 sprake is van een scherpe overgang van de Aapb-horizont naar de C-horizont, waardoor het mogelijk geen echte enkeerdgrond is. Op basis hiervan is de middelhoge verwachting voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum naar laag bijgesteld en blijft de hoge verwachting voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) gehandhaafd. De resultaten van het booronderzoek geven geen aanleiding om de hoge verwachting voor resten uit de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd bij te stellen. Een waardestelling conform protocol 4003, VS06 is niet van toepassing, omdat het onderzoek geen waarderend karakter heeft. Beantwoording van de onderzoeksvragen - Wat is de opbouw van de ondergrond en is het bodemprofiel intact? De onverstoorde natuurlijke ondergrond is aangetroffen vanaf respectievelijk 205 cm -mv in boring 1, 170 cm -mv in boring 2 en 245 cm -mv in boring 3 (respectievelijk 5,35 m, 6,03 en 5,40 m +NAP). In boring 1 is matig fijn zand aangetroffen dat scherp aanvoelde en geïnterpreteerd is als verspoeld dekzand dan wel fluvioperiglaciaal zand behorend tot de Formatie van Boxtel.

In boring 2 is zeer fijn zand aangetroffen dat goed was afgerond en geïnterpreteerd is als dekzand behorend tot het Laagpakket van Wierden van de Formatie van Boxtel. In boring 3 is zeer fijn zand aangetroffen met daarnaast een bijmenging van grovere zandkorrels en is geïnterpreteerd als verspoeld dekzand. In boring 1 is het zand afgedekt door een circa 30 cm dikke bouwvoor met daarboven een 170 cm dik opgebracht pakket grond (mengsel) met een 5 cm dikke stoeptegel. In boring 2 is het zand door een 170 cm dik opgebracht pakket grond (mengsel) met een 5 cm dikke stoeptegel. In boring 3 is het zand afgedekt door een 65 cm dikke bouwvoor met daarboven een 175 cm dik opgebracht pakket grond (mengsel) met een 5 cm dikke stoeptegel. In boring 1 is vanaf 175 cm -m een 20 cm dikke begraven Apb-horizont (begraven bouwvoor) aangetroffen die daaronder over een diepte van 10 cm was verploegd met het zand van de Chorizont, waaronder de C-horizont volgde. In boring 2 is vanaf 170 cm -mv een 20 cm dikke begraven Bsb-horizont van een podzolbodem aangetroffen, die daaronder overging in het zand van de C-

Motivering Molenstraat 32-34 Oss

77

CRI250040.003/BGO

horizont. In boring 3 is vanaf 180 cm een 65 cm dikke begraven Aap-horizont (opgebracht humeus dek/bouwvoor) aangetroffen, die daaronder overging in het zand van de C-horizont. Op grond van boring 3 en boring 2 wordt geconcludeerd dat er oorspronkelijk waarschijnlijk een podzolbodem aanwezig was, die door het gebruik als akkerland voor het grootste deel of zelfs geheel is verploegd en opgenomen in de enkeergrond. - Wat is de specifieke archeologische verwachting van het plangebied op basis van het bureauonderzoek en wordt deze door het veldonderzoek bevestigd? Op basis van het bureauonderzoek was aan het plangebied een middelhoge verwachting toegekend voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum en een hoge verwachting voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw). Voor de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd was op basis van de historische ontwikkeling een hoge verwachting toegekend. Dat de onverstoorde natuurlijke ondergrond zich bevindt op een diepte vanaf respectievelijk 205 cm -mv in boring 1, 170 cm -mv in boring 2 en 245 cm -mv in boring 3 (respectievelijk 5,35 m, 6,03 en 5,40 m +NAP), dit is tevens het potentiële archeologische niveau, waar vanaf archeologische resten kunnen worden aangetroffen.

De onverstoorde natuurlijke ondergrond bestaat uit dekzand die ten dele is verspoeld. De oorspronkelijk was waarschijnlijk een podzolbodem, die door het gebruik als akkerland voor het grootste deel of zelfs geheel is verploegd en opgenomen in de enkeergrond (boring 3). Hierbij wordt opgemerkt dat in boring 3 sprake is van een scherpe overgang van de Aapb-horizont naar de Chorizont, waardoor het mogelijk geen echte enkeerdgrond is. Op basis hiervan is de middelhoge verwachting voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum naar laag bijgesteld en blijft de hoge verwachting voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) gehandhaafd. De resultaten van het booronderzoek geven geen aanleiding om de hoge verwachting voor resten uit de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd bij te stellen. - Is een (deels) intact potentieel niveau aanwezig en zo ja, op welke diepte en wordt deze bedreigd door de voorgenomen bodemingrepen? De onverstoorde natuurlijke ondergrond aangetroffen vanaf respectievelijk 205 cm -mv in boring 1, 170 cm -mv in boring 2 en 245 cm -mv in boring 3 (respectievelijk 5,35 m, 6,03 en 5,40 m +NAP), dit is tevens het potentiële archeologische niveau, waar vanaf archeologische resten kunnen worden aangetroffen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=302a0070-ddf0-494a-962d-539e93503a9a