Drukwerk toelichting+regels Stationskwartier
Tekst van het document
Als gevolg van inspraakreacties waarin is gewezen op aanwezigheid van dassen in het plangebied is nader onderzoek uitgevoerd. Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kan bevoegd gezag onder voorwaarden een ontheffing verlenen. Aanvullend onderzoek Ecologie Stationskwartier In het rapport Aanvullend onderzoek Ecologie Stationskwartier van Blom ecologie d.d. 16 november 2023 (Bijlage 2) is in de periode oktober 2022 – oktober 2023 onderzoek gedaan naar diverse diersoorten in het plangebied. De conclusie hiervan is: Voor meerdere vogelsoorten (sperwer, buizerd) leidt de beoogde ruimtelijke ontwikkeling tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming art. 3.1, lid 2 (wegnemen nesten). Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming voor deze soorten is derhalve benodigd. Voor meerdere diersoorten (das, kleine marterachtigen, steenmarter en rode eekhoorn) leidt de beoogde ruimtelijke ontwikkeling tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming art. 3.10, lid 1 (wegnemen vaste rust- en verblijfplaats). Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is benodigd voor de das. In het westelijk deel van het plangebied dat ten zuiden van het spoor ligt, is de das aanwezig.
De aanwezigheid van een dassenburcht op deze plek betekent dat hier een essentieel leefgebied voor de das aanwezig is. Ook het deel ten noorden van het spoor behoort tot dit leefgebied. Het bebouwen van het braakliggende terrein leidt tot verstoring van de das wat niet is toegestaan. Het bebouwen van het noordelijk deel leidt tot vernietiging van primair foerageergebied. Dit is ook niet toegestaan. Dit kan mogelijk gecompenseerd worden op een andere plek die bereikbaar is voor deze dassenpopulatie. Opties zijn: De burcht blijft ongestoord en kan blijven functioneren Compensatie voor het wegnemen van primair leefgebied kan worden geboden Een zorgvuldige inpassing van beschermde soorten vindt plaats De gemeente gaat in het aangrenzende agrarische gebied verkennen welke mogelijkheden er zijn om tot een natuurinclusief agrarisch landschap te komen waar de natuurcompensatie, recreatieve uitloop, ontwikkelen van cultuurhistorie en landschap en agrarische ontwikkeling gecombineerd kunnen worden.
Stationskwartier Ravenstein – 2023, pag. 63 van 94 Ontwerp december 2023
Voor vleermuizen in het plangebied (Dorskamp 40) leidt de beoogde ingreep tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming art. 3.5, lid 2 (verstoren vleermuizen) en lid 4 (wegnemen 2 verblijfplaatsen, paar/zomer en paarverblijfplaats gewone dwergvleermuis). Er dient ten aanzien van gewone dwergvleermuis een ontheffing van de Wet natuurbescherming voorhanden te zijn. Er van uitgaande dat de benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen, verkregen kunnen worden, is het initiatief uitvoerbaar vanuit het deelaspect soortenbescherming. Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Het initiatief is daarmee uitvoerbaar vanuit het deelaspect houtopstanden. Conclusie De uitvoerbaarheid van het plan voor ecologie is hiermee aangetoond.
5.3
Archeologie en Cultuurhistorie
5.3.1 Erfgoedwet en overgangsregeling omgevingswet De Erfgoedwet beschermt het cultureel erfgoed in Nederland. In deze wet staan regels om belangrijk cultureel erfgoed beter te beschermen en behouden. In de Erfgoedwet staat wat cultureel erfgoed is, hoe de overheid omgaat met roerend cultureel erfgoed (zoals schilderijen), wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe de overheid daar toezicht op houdt. Het beschermingsregime voor de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (lees archeologische resten) net als de bescherming van gebouwde rijksmonumenten wordt opgenomen in de Omgevingswet. Vooruitlopend op de ingang van de Omgevingswet is het deel van de Monumentenwet 1988 dat gaat over de fysieke leefomgeving geregeld in het overgangsrecht van de Erfgoedwet. Het gaat om: • vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten. • verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. • bescherming van stads- en dorpsgezichten. Het erfgoed in de ruimtelijke ordening wordt nu nog voor een belangrijk deel geregeld via de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Ruimtelijke plannen die toepassing hebben op cultureel erfgoed moeten passen binnen wettelijke kaders van de Erfgoedwet en ook de regelingen die in andere wetten en regelgeving is opgenomen, zoals de Wabo en het Bro.
5.3.2 Archeologiebeleid Het provinciale archeologisch beleid is neergelegd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant van 25 oktober 2019 en op de provinciale Cultuurhistorische waardenkaart 2010, herzien 2016. Hierin is de bescherming van aardkundig waardevolle gebieden en archeologische landschappen geregeld. Het gemeentelijk archeologisch beleid is veel gedetailleerder dan het algemene provinciale beleid op dit punt en prevaleert daarom ook boven het provinciale archeologisch beleid. Op 14 oktober 2010 heeft de gemeente Oss haar ‘archeologiebeleid’ vastgesteld. In 2015 heeft de gemeenteraad het archeologiebeleid opnieuw vastgesteld. Dit was nodig vanwege de gemeentelijke
Stationskwartier Ravenstein – 2023, pag. 64 van 94 Ontwerp december 2023
herindeling met Maasdonk. Onderdeel van de vaststelling in 2015 is het rapport 'Actualisatie archeologiebeleid gemeente Oss, een herziene archeologische beleidskaart voor het nieuwe grondgebied van de gemeente Oss' (Goddijn, 2012). Aan de hand van onderzoeken, inzichten en boringen in het veld zijn de eerdere archeologische kaarten gedeeltelijk bijgesteld. Op de beleidskaart is sprake van meerdere beleidscategorieën (zie onderstaande tabel). In het beleid is per beleidscategorie vastgelegd wanneer sprake is van een onderzoeksplicht en wanneer ontwikkelingen hiervan zijn vrijgesteld. Verwachting/waarde Archeologisch beschermd rijksmonument
Vrijstellingsgrenzen 0 m2 / 30 cm -Mv
Archeologisch (AMK-) monument Beschermde stadsgezichten
35 m2 / 30 cm -Mv
Historische stads-/dorpskern
50 m2 / 30 cm -Mv
Hoge verwachtingswaarde
100 m 2 / 30 cm -Mv
Hoge verwachtingswaarde – bedrijventerrein
1000 m2 / 30 cm -Mv
Middelhoge verwachtingswaarde Lage verwachtingswaarde
5 hectare / 30 cm -Mv
Reeds onderzocht
Afhankelijk van de resultaten van het reeds uitgevoerde onderzoek.
Verstoord
Geen onderzoeksplicht
Locatie Sportvelden In het vigerende bestemmingsplan 'Kom Ravenstein - 2013' geldt voor een gedeelte van de gronden van de Sportvelden de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie verwachtingswaarde hoog'. Ter plaatse van deze gronden dient een archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden bij bodemingrepen met een oppervlakte van 100 m² of meer en dieper dan 0,3 m ten opzichte van het maaiveld. Locatie Bendelaar In het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied Oss – 2020' geldt voor het grootste gedeelte van de gronden van de Bendelaar de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie verwachtingswaarde hoog'. Ter plaatse van deze gronden dient een archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden bij bodemingrepen met een oppervlakte van 100 m² of meer en dieper dan 0,3 m ten opzichte van het maaiveld. De meest westelijke punt van het plangebied geldt de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie verwachtingswaarde middelhoog'. Ter plaatse van deze gronden dient een archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden bij bodemingrepen met een oppervlakte van 1.000 m² of meer en dieper dan 0,3 m ten opzichte van het maaiveld. Voor de percelen ten noorden van de De Rijt gelden de eerder genoemde dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie verwachtingswaarde hoog' en de dubbelbestemming 'Waarde - Arcehologie historische kern'.
Ter plaatse van deze laatst genoemde gronden dient een archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden bij bodemingrepen met een oppervlakte van 50 m² of meer en dieper dan 0,3 m ten opzichte van het maaiveld.
5.3.3 Archeologietoets In voorgaande paragraaf 5.3.2 is per deelgebied aangegeven welke archeologische verwachtingen en dubbelbestemmingen er gelden. Daarbij is aangegeven wanneer er een archeologisch onderzoek dient plaats te vinden. In het kader van voorliggend initiatief is voor een gedeelte van het plangebied een verkennend archeologisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoeksrapport is opgenomen in bijlage 4. Toetsing van de plannen In het onderzoeksrapport wordt geconcludeerd dat in deelgebied Bendelaar archeologische resten
Stationskwartier Ravenstein – 2023, pag. 65 van 94 Ontwerp december 2023
kunnen worden verwacht. Op basis van de onderzoeksresultaten is hierom in dit deelgebied nader archeologisch onderzoek uitgevoerd conform protocol 4003 IVO (landbodems). Dit vervolgonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een proefsleuvenonderzoek conform de KNA Leidraad Inventariserend Veldonderzoek Deel: Proefsleuvenonderzoek (IVO-P), zie bijlage 4. Uit dit onderzoek komt naar voren dat er 4 behoudenswaardige vindplaatsen in het gebied gevonden, betreffende vindplaats 4, 5 en 7 (vindplaatsen uit het Neolithicum. Diepteligging: v.a. 90 cm –Mv) en vindplaats 6 (bronstijdvindplaats met nu al een huisplattegrond en spieker. Diepteligging: v.a. 50 cm –Mv). De resultaten van vindplaats 1 t/m 3 zijn niet behoudenswaardig. Deelgebied Sportvelden is nog niet voldoende onderzocht en het proefsleuvenonderzoek volgt in een latere fase. Geconcludeerd wordt dat het wenselijk is het archeologisch vervolgonderzoek zo vroeg mogelijk en als één integraal onderzoek voor het gehele gebied uit te voeren. De onderzoeken t/m het proefsleuvenonderzoek (opgraving) dienen voorafgaand aan de vergunningsaanvraag te worden uitgevoerd op basis van een Programma van Eisen (PvE) wat goedgekeurd dient te zijn door de gemeentelijk archeoloog. Sectiebesluit gemeente Oss De gemeente heeft naar aanleiding van de uitgevoerde archeologische onderzoeken selectiebesluiten genomen, zie bijlage 6 en 7.
Ten eerste wordt de conclusie onderschreven dat deelgebied Sportvelden nog niet voldoende zijn onderzocht. Dit onderzoek dient te worden uitgevoerd zodra de gronden beschikbaar zijn. Voor het deelgebied Bendelaar is een karterend/waarderend proefsleuvenonderzoek uitgevoerd (bijlage 5). In het onderzoek wordt geconcludeerd dat voor de vindplaatsen 4 t/m 7 archeologisch vervolgonderzoek in de vorm van een opgraving noodzakelijk is indien hier geen behoud in situ mogelijk is. Onder strikte voorwaarden kunnen de vindplaatsen 4 t/m 7 beschermd blijven door een minimale buffer van 50 cm –mv tussen verstoring (grondwerkzaamheden) en archeologisch vlak aan te houden. Dit betekent dat daar tot maximaal 40 c –mv mag worden ontgraven. Voor vindplaats 6 geldt dat daar niet gegraven mag worden. De gemeente neemt dit advies over. Daarbij wil de gemeente dat het Stationspad en de zone hier omheen eveneens nader onderzocht wordt. Bestemmingsplanregels De gemeente Oss vertaalt de wet en het archeologisch beleid ook door in standaard bestemmingsplanregels. Zo heeft de gemeente bestemmingsplanregels (dubbelbestemmingen: dat wil zeggen dat deze naast de hoofdbestemming gelden) voor bescherming van historische kernen, beschermde monumenten, monumenten en voor gebieden met een middelhoge of hoge archeologische verwachtingswaarde.
Met deze regels kan, ter bescherming van archeologische waarden, worden bepaald wanneer er een omgevingsvergunning voor bepaalde werkzaamheden nodig is, wanneer dat niet het geval is en onder welke omstandigheden en met welke nadere eisen en voorwaarden een omgevingsvergunning kan worden verleend. In voorliggend bestemmingsplan zijn naar aanleiding van de resultaten de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie Monument 2’ opgenomen ter plaatse van de vindplaatsen 4,5 en 7 en ‘Waarde – Archeologie Monument 1’ ter plaatse van vindplaats 6. Ter plaatse van deze dubbelbestemmingen betreft de vrijstellingsgrens het uitvoeren van werkzaamheden dieper dan 30 cm resp. 0 cm. Op basis van de resultaten van vindplaats 1 t/m 3 wordt dit gedeelte van deelgebied De Bendelaar vrijgegeven ten aanzien van het aspect archeologie. Het opnemen van een dubbelbestemming is niet nodig. Aan de gronden in deelgebied Sportvelden is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie verwachtingswaarde hoog’ toegekend. Hiermee is het gebruiken van deze gronden uitsluitend toegestaan
Stationskwartier Ravenstein – 2023, pag. 66 van 94 Ontwerp december 2023
indien uit één integraal archeologisch onderzoek blijkt dat de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.
5.3.4
Cultuurhistorie
Wettelijk kader Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Dat wordt veranderd in: met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. De regering wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. Doordat plannen nu nog pas na afloop van het planproces worden getoetst aan de regelgeving van de monumentenzorg, wordt monumentenzorg dikwijls ervaren als hindernis. Dit is door de regering erkend en daarbij is de ambitie uitgesproken om de positie van cultuurhistorie aan het begin van het ruimtelijk ordeningsproces juridisch te versterken. Door de verankering van cultuurhistorische waarden in de bestemmingsplannen vermindert tegelijkertijd de noodzaak tot het aanwijzen van nieuwe beschermde monumenten, omdat het belang van de cultuurhistorie wordt geborgd via het proces van de ruimtelijke ordening.
In de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in verband met modernisering van de monumentenzorg is daarom al de mogelijkheid voor burgers en belangengroepen om een aanvraag in te dienen om een monument aan te wijzen als beschermd monument, geschrapt. Dit instrument werd door belangengroepen nogal eens ingezet om afgifte van bouwvergunningen te frustreren of te vertragen. Met de wijziging van het Bro wordt tevens de adviesrol van Gedeputeerde Staten beperkt. Tot nu toe moet bij alle ingrepen aan een beschermd monument buiten de bebouwde kom advies aan Gedeputeerde Staten worden gevraagd. Met de wijziging van het besluit hoeft dat alleen nog, als het gaat om monumenten die door de minister op grond van de Monumentenwet 1988 zijn aangewezen. Daarnaast voorziet het besluit in een aantal versoepelingen van vergunningvrij wijzigen of bouwen in, aan of bij beschermde monumenten. Samengevat komen die versoepelingen er op neer, dat voor gewoon onderhoud of voor inpandige veranderingen aan beschermde monumenten geen monumentenvergunning meer nodig is, als de betreffende onderdelen geen monumentale waarde hebben. Bij twijfelgevallen zal men het bevoegd gezag moeten raadplegen.
De bedoeling van het wijzigingsbesluit is om enerzijds cultuurhistorische waarden een duidelijke plaats te geven aan het begin van het planproces en anderzijds onnodige regeldruk, vooral wanneer het gaat om ondergeschikte wijzigingen aan een monument, weg te nemen. Cultuurhistorie: gemeentelijk en provinciaal beleid Het beleid van de gemeente Oss voor wat betreft cultuurhistorie is onder meer neergelegd in het Erfgoedplan Oss 2006 “Op gemengde bodem”. Hierin zijn onder andere opgenomen: historisch bebouwde gebieden, oude verkavelingspatronen, de invloed van de Maas en Rijksmonumenten. Deze nota heeft (nog) geen betrekking op het grondgebied van de voormalige gemeente Lith. Daarnaast heeft de gemeente Oss een Monumentenlijst 2009. Hierin zijn de Rijks- en gemeentelijke monumenten opgenomen. Het provinciale cultuurhistorische beleid is verankerd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant en op de Cultuurhistorische waardenkaart 2010. Hierin zijn onder andere opgenomen: cultuurhistorische vlakken en complexen van cultuurhistorisch belang. Cultuurhistorie: bestemmingsplanregels en regels in de provinciale Interim omgevingsverordening NoordBrabant
Stationskwartier Ravenstein – 2023, pag. 67 van 94 Ontwerp december 2023
Met de onder het kopje ‘archeologie’ genoemde bestemmingsplanregels, is het ook mogelijk om cultuurhistorische waarden in bestemmingsplannen te beschermen. Een en ander voor zo ver het terreinen betreft (inbouwen sloopvergunningstelsel voor bebouwing). Kortheidshalve wordt naar het kopje ‘archeologie: bestemmingsplanregels’ verwezen. De provincie Noord-Brabant heeft in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant bindende regels opgenomen ter bescherming van cultuurhistorische waarden. Planspecifiek Het plangebied ligt niet in een gebied dat vanuit cultuurhistorisch oogpunt via nadere regels bescherming geniet. Binnen en in de directe omgeving zijn geen cultuurhistorisch waardevolle objecten gelegen zoals (rijks)monumenten. In voorgaande paragraaf 5.3.3 is reeds ingegaan op de vanuit het aspect archeologie opgenomen beschermingsregels uit het vigerende bestemmingsplan. Voorliggend initiatief heeft geen negatief effect op het aspect cultuurhistorie.
5.4
Mobiliteit en parkeren
5.4.1
Verkeer
De Mobiliteitsvisie Oss uit 2009 heeft als doel het in balans brengen van bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid. De mobiliteitsvisie is uitgewerkt in het Mobiliteitsplan 2020 Oss. Het deelplan Wegen werkt het gewenste netwerk voor het autoverkeer uit. Per weg is de gewenste functie vastgelegd. Van belang is de vraag of een initiatief leidt tot extra verkeersbewegingen en of de toename van verkeersbewegingen passen binnen de normen die voor ontsluitingswegen gelden. In het kader van voorliggend initiatief is een verkeerskundig onderzoek uitgevoerd, zie bijlage 8. In het onderzoek is uitgegaan van de ontwikkeling van 395 woningen. Gezien voorliggend bestemmingsplan minder woningen mogelijk maakt (maximaal 330) is in het onderzoek sprake van een overschatting van de effecten van de ontwikkeling die voorliggend bestemmingsplan mogelijk maakt. Verkeer: extra verkeersbewegingen De verkeersgeneratie van de ontwikkeling van het Stationskwartier is berekend op circa 3.842 verplaatsingen per dag. Het grootste gedeelte van de verplaatsingen zal per auto plaatsvinden (2.823 ritten per etmaal (73%)). Een kleiner gedeelte van de verplaatsingen vindt plaats per fiets of OV. Verkeer: ontsluitingswegen De meeste wegen rondom het plangebied kunnen het toenemende verkeersaanbod goed verwerken. Enkel de huidige functie en inrichting van de weg De Rijt is een aandachtspunt.
De huidige rijbaan is te smal voor het verwerken van het hogere verkeersaanbod als gevolg van de ontwikkeling van het Stationskwartier. Om een goede ontsluiting van het plangebied te borgen wordt de weg De Rijt tussen de aansluiting van de nieuwe woonwijk en de Dorpenweg te gecategoriseerd als erftoegangsweg type I en verbreed naar circa 5,35 meter. Geconcludeerd wordt dat de ontsluitingswegen (De Rijt en de Schaafdries) rond het plangebied in de toekomstige situatie geschikt zijn voor het verwerken van de toegenomen verkeersintensiteit als gevolg van de ontwikkeling van het Stationskwartier. 5.4.2 Parkeren De gemeente Oss heeft een gemeentelijk parkeerbeleidsplan vastgesteld. De nota ‘Parkeernormen 2017’ geeft aan welke parkeernormen voor welke gebieden gelden.
Stationskwartier Ravenstein – 2023, pag. 68 van 94 Ontwerp december 2023
Op basis van de nota 'Parkeernormen 2017' is bij het maken van het stedenbouwkundig plan onderzocht of er voldoende parkeergelegenheid gerealiseerd kan worden. Daarvan is sprake. Binnen het plangebied is voldoende ruimte beschikbaar om aan de gemeentelijke parkeernormen te voldoen. Op een later moment van de ontwikkeling van Stationskwartier Ravenstein wordt een inrichtingstekening inclusief parkeerplaatsen gemaakt. In de regels van voorliggend plan is in de regels geborgd dat het aantal parkeerplaatsen van Stationskwartier Ravenstein in lijn dient te zijn met de actuele parkeernormen uit het gemeentelijke parkeerbeleid van de gemeente Oss. Het initiatief is uitvoerbaar vanuit de aspecten verkeer en parkeren.
5.5
Water
5.5.1 Wetgeving en beleid De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de Waterwet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets verplicht voor ruimtelijke plannen waarin waterbelangen spelen. De watertoets bewaakt de waterkwaliteit en waterkwantiteit. Een watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten zijn onder meer veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verzilting en verdroging. De watertoets heeft betrekking op alle wateren: rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. De gemeente Oss heeft in 2013 een integraal plan Watertaken vastgesteld. Het plan bestaat uit twee delen. Het “verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan” (vGRP) regelt de zorg voor inzameling en transport van afvalwater. Ook regelt het vGPR een doelmatige verwerking van afvloeiend hemelwater en overtollig grondwater. Daarnaast biedt het plan Watertaken een kader voor de andere watertaken van de gemeente. De gemeente is verantwoordelijk voor de openbare ruimte. Het gaat vooral om de zorg voor oppervlaktewater in bebouwd gebied. De gemeente is ook verantwoordelijk voor een goede ruimtelijke ordening. Het gaat om voldoende ruimte voor water in ruimtelijke plannen.
De watertoets is opgenomen in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). Beleid van gemeente, provincie en rijk is van toepassing bij een watertoets. Toetsing van uw waterparagraaf gebeurt op kwaliteit en kwantiteit. De verwerking van hemelwater, afvalwater en planologische ‘waterbestemmingen’ komen aan bod. Waterschap Aa en Maas is verantwoordelijk voor het waterbeheer in haar beheersgebied. Het gaat om het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer, de waterkeringszorg, waterzuivering, grondwaterbeheer en waterbodembeheer. De regels zijn vastgelegd in de Keur (met Algemene- en Beleidsregels) in de vorm van een aantal gebods- en verbodsbepalingen. Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven.
Sinds 1 maart 2015 hanteert waterschap Aa en Maas onderstaande (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn opgenomen in ‘Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater,
Stationskwartier Ravenstein – 2023, pag. 69 van 94 Ontwerp december 2023
Brabantse waterschappen’. Voor een toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m2 en 10.000 m2 kan de vereiste compensatie berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm. De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn: Gescheiden houden van vuil (afval)water en schoon hemelwater; Voorkomen van vervuiling van water; Schoon hemelwater kan volgens de voorkeursvolgorde worden verwerkt: 1. Hergebruik 2. Infiltratie/bergen 3. Afvoer Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO), zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang, zowel in als buiten het plangebied. Ook mogen geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruik functies. Dit betekent dat: 1. De afvoer uit het gebied niet groter wordt dan in de referentiesituatie; 2. De grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt; 3. Grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties; 4. De (grond)waterstanden in het plangebied aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied; 5. Het plangebied zo wordt ingericht dat de hydrologische gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving niet leiden tot knelpunten in het plangebied.
5.5.2 Watertoets In het kader van voorliggend initiatief is een watertoets uitgevoerd, bestaande uit een geohydrologisch onderzoek en de toekomstige waterstructuur. De rapportage is opgenomen in bijlage 9. Uit de digitale watertoets volgt dat er een primaire watergang in het gebied ligt. Voor primaire watergangen in het beheer van het waterschap geldt aan weerszijden van de watergang een 5 m obstakelvrije zone. Bij de te nemen maatregelen en bouwen in het plangebied gelden de volgende aandachtspunten: - Bij het bergen en afvoeren van hemelwater naar een watergang of oppervlaktewater dient het water vertraagd afgevoerd te worden volgens de lokaal geldende afvoernorm - Bij een uitstroomvoorziening in het talud van een primaire watergang dient een omgevingsvergunning te worden aangevraagd - Bij de bouw dienen geen uitlogende bouwmaterialen te worden gebruikt, ter voorkoming van verontreiniging van het grondwater- en oppervlaktewater Hemelwaterafvoer Om de waterbergingsopgave te bepalen voor het plan, is een inventarisatie uitgevoerd van het toekomstig verhard oppervlak (gebaseerd op de concepttekeningen van de gemeente Oss). Voor het initiatief wordt een centrale bergingsvoorziening gerealiseerd die is uitgelegd op de maatgevende bui van 60 mm en waarop alle verharding wordt aangesloten (inclusief verharding op particulier terrein).
Dit is een robuuste oplossing die het risico op (grond)wateroverlast op particulier terrein minimaliseert. In navolgende tabel is de benodigde bergingsopgave per deelgebied gepresenteerd, uitgaande van het geïnventariseerde verhard oppervlak en de statische bergingseis van 60 mm.
Stationskwartier Ravenstein – 2023, pag. 70 van 94 Ontwerp december 2023
Tabel: Inventarisatie verhard oppervlak en bergingsopgave
In navolgende tabel zijn de benodigde bergingsvoorzieningen uiteengezet. Er zijn twee varianten uitgewerkt, waarbij de eerste variant uitgaat van het huidige maaiveldniveau (zonder ophoging) en de tweede variant met een minimale ontwateringsdiepte van 70 cm in een RHG-situatie, wat betekent dat het maaiveldniveau met 20 à 30 cm opgehoogd moet worden.
Tabel: te realiseren bergingsopgave
In het huidige plan is voor het zuidelijk deelgebied 3.327 m² ruimte voor waterberging gepland. Wanneer het plangebied wordt opgehoogd wordt voldaan aan de bergingsopgave van minimaal 2.948 m² (379 m² overcapaciteit). Voor het noordelijk deelgebied is momenteel 7.131 m² ruimte voor waterberging gepland. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de opgave van minimaal 3.883 m² in de situatie dat het maaiveldniveau wordt opgehoogd (3.248 m² overcapaciteit). Afvalwaterstructuur In het te ontwikkelen plangebied ten noorden van het spoor is in de huidige situatie geen riolering aanwezig. Het afvalwater van de nieuwe woningen in het deelgebied Bendelaar zal worden afgevoerd naar een rioolgemaal, welke het afvalwater verder verpompt naar het bestaande rioolstelsel of inprikt op een nabijgelegen persleiding. In het deelgebied Sportvelden is in de huidige situatie een drukriolering aanwezig (ø63 mm), welke aansluit op het bestaande gemengde stelsel. De nieuwe woningen kunnen hierop aangesloten worden, mogelijk met een rioolgemaal. De definitieve uitwerking van de afvalstructuur wordt in een later stadium nader uitgewerkt. Weg- en vloerpeilen De gemeente hanteert als minimale ontwateringsdiepte 70 cm -mv ter hoogte ten opzichte van het vloerpeil van de woning (in een RHG-situatie).
Afhankelijk van de lokale situatie en gekozen bouwwijze is een afstand van 50 cm in sommige gevallen ook mogelijk (bijvoorbeeld bij kruipruimteloos bouwen). Voor de wegen in het plangebied geldt een ontwateringsdiepte van 50 cm. Voor het vloerpeil van de woningen wordt geadviseerd om een peil van 30 cm boven het wegpeil te hanteren, maar 20 cm is ook nog acceptabel.
Stationskwartier Ravenstein – 2023, pag. 71 van 94 Ontwerp december 2023
Op basis van de watertoets in de bijlage wordt voor beide deelgebieden een planpeil van circa +6,6 à +6,9 m NAP gehanteerd. De vloerpeilen van de woningen komen vervolgens op een niveau van +6,8 à +7,1 m NAP te liggen. Het zuidelijke deelgebied kent iets hogere peilen dan het noordelijke deelgebied. Hiermee wordt voldoende ontwatering gerealiseerd en sluit het plan goed aan op de bestaande infrastructuur. Klimaateffecten Op basis van de Oss Klimaatatlas zijn de klimaateffecten in beeld gebracht voor voorliggend plangebied. Hittestress Om een toename aan hittestress in de toekomstige situatie (met meer verharding door nieuwbouw en wegen) te voorkomen/verminderen wordt voldoende groen en minimale verharding gerealiseerd in het plangebied. In het plangebied is voldoende ruimte om koele plekken in te richten. Droogte Bij de inrichting van het stedenbouwkundige plan is getracht zoveel mogelijk mogelijkheden te creëren om water in het plangebied te laten infiltreren in de ondergrond. Dit is van belang voor de aanvulling van het grondwater en de toestroom van water voor het groen, en zo droogte tegen te gaan. Overstromingen Op basis van de overstromingskanskaart van eens in de 1000 jaar is er een maximale waterdiepte van 1 tot 2 m in het plangebied. Deze overstroming vindt alleen plaats als er een dijkdoorbraak plaatsvindt.
Door het realiseren van een goede ontsluiting van het gebied is evacuatie mogelijk. Wateroverlast Op basis van de toename verhard oppervlak moet voldoende waterberging worden gecreëerd om extreme buien (60 mm) te kunnen verwerken en klimaatbestendig te zijn. Het stedenbouwkundig ontwerp voorziet hier in. Met betrekking tot het aspect water is het plan uitvoerbaar.
5.6
Defensie
Uit oogpunt van defensie kunnen er beperkingen gesteld worden aan ruimtelijke ontwikkelingen in een gebied. Belangrijke aandachtspunten met betrekking tot het defensiebelang zijn: - Radarverstoringsgebieden; - Obstakelbeheergebieden; - Laagvliegroutes voor jachtvliegtuigen; - Geluidszones voor militaire luchtvaartterreinen. Het gehele plangebied is gelegen binnen het radarverstoringsgebied van een radar van de vliegbasis Volkel. Binnen dit gebied is het in beginsel niet toegestaan om hogere bebouwing op te richten dan 114 meter boven NAP. Indien er initiatieven zijn voor het oprichten van hogere bouwwerken of gebouwen, dan kan dit toegestaan worden als blijkt dat de radar niet onevenredig wordt verstoord. Dit kan door TNO worden berekend. Dit bestemmingsplan voorziet echter nergens in bouwmogelijkheden tot een dergelijke hoogte. Daarmee is het belang van het radarverstoringsgebied binnen dit bestemmingsplan voldoende gewaarborgd. Bij een eventueel toekomstig initiatief voor een bouwwerk met een hoogte tot 114 meter boven NAP of hoger dient het defensiebelang nadrukkelijk betrokken te worden bij de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling.
Stationskwartier Ravenstein – 2023, pag. 72 van 94 Ontwerp december 2023
Voor het overige geldt dat het plangebied niet gelegen is binnen een obstakelbeheergebied, een laagvliegroute voor jachtvliegtuigen of een geluidszone voor militaire luchtvaartterreinen. Aan deze aspecten hoeft dan ook geen verdere aandacht besteed te worden.
5.7
Duurzaamheid
Een duurzame woonwijk Stationskwartier voor Ravenstein is een woonwijk waarbij in ontwerp, realisatie en gebruik toekomstgericht denken en handelen voorop staat. Toekomstgericht denken en handelen is rekening houden met het flexibel kunnen aanpassen aan veranderende omstandigheden en aandacht hebben voor het niet onnodig beperken van de mogelijkheden voor toekomstige generaties 3. Dat betekent dat er met maatregelen aandacht is voor: 1. Veranderingen in de gebruiksperiode (50 á 100 jaar) zo goed mogelijk opvangen. Dus bij ontwerp en realisatie het flexibel en meervoudig gebruik van ruimte, gebouwen en materiaal in de gebruiksfase mogelijk maken. 2. Efficiënt gebruik maken van de schaarse middelen Ruimte, Energie en Materialen, zodat niet meer wordt gebruikt dan nodig is en verspilling wordt vermeden. Dat kan bijvoorbeeld door hergebruik of circulair gebruik van materiaal. Een voorbeeld is ook een energieneutrale woning met eigen opwek van energie voor het verbruik van installaties in de woning (warmte-koude) en gebruikers (apparaten, ook elektrische auto). 3. Milieukwaliteit van bodem, water en lucht, geluid en trillingen voldoen aan de wettelijke eisen en de huidige opvattingen voor een woonwijk. Deze aspecten zijn namelijk aantoonbaar van invloed op de kwaliteit van leven en op de gezondheid van de bewoners van de woonwijk. 4. De toenemende effecten van Klimaatverandering.
Het veranderende klimaat betekent dat er vaker periodes van hitte, droogte en extreme neerslag zullen zijn. Dat vereist een flexibel ontwerp waarmee ook in de verdere toekomst (2030-2050) opvang, berging en zo nodig afvoer van neerslag mogelijk is. Zo wordt overlast en schade aan openbare ruimte en gebouwen zoveel als mogelijk beperkt. 5. Biodiversiteit die ondanks klimaatverandering voldoende blijft voor de woonwijk en ook een goede verbinding is tussen omliggende gebieden. Aanwezigheid van 'groen’ (flora en fauna) in de wijk draagt ook bij aan het welbevinden van inwoners van de wijk. 6. Een belangrijk gebruik van de ruimte en van energie in een woonwijk zijn de vervoersmiddelen, zoals een auto. Duurzaam gebruik van vervoersmiddelen, bij voorkeur te voet en per fiets, betekent dat er speciaal aandacht nodig is voor efficiënt gebruik van auto en andere gemotoriseerde voertuigen. Dat kan naast stimuleren van te voet, per fiets en openbaar vervoer (nabijheid van station Ravenstein), ook door het deelgebruik van auto's zijn. Hiervoor worden steeds meer mogelijkheden geboden. Vanzelfsprekend is het om het gebruik van elektrische voertuigen als vervanging van voertuigen met brandstofmotor te stimuleren, bijvoorbeeld door laadpalen. 7. De openbare ruimte neemt een belangrijke plaats in een woonwijk, letterlijk en figuurlijk.
Het is de ruimte voor transport, groen, beweging en ontmoeten, voor alle bewoners en voor bezoekers. De inrichting moet met al deze gebruiksmogelijkheden rekening houden en flexibel zijn om noodzakelijke aanpassingen op te vangen. Duurzaam gebruik van materiaal, bij voorkeur circulair, is daarbij belangrijk. Duurzaam ontwerpen en realiseren gaat verder dan toepassen van wettelijke normen Voor al deze onderdelen voor een duurzame woonwijk zijn naast wettelijke maatregelen ook aanbevelingen met nieuwe inzichten en zicht op toekomstige veranderingen in wetgeving beschikbaar. Advies is die toekomstige maatregelen zoveel als mogelijk in de eisen voor duurzame ontwikkeling en realisatie van de wijk op te nemen.
3 https://nl.wikipedia.org/wiki/Brundtland-rapport
Stationskwartier Ravenstein – 2023, pag. 73 van 94 Ontwerp december 2023
Maatwerk en combinatie van maatregelen nodig Voor een woonwijk als Stationskwartier is het belangrijk om vooraf aan ontwerp en realisatie door 'maatwerk’ een duidelijk profiel van de eisen aan een duurzame woonwijk op te stellen. Door een goede keuze kunnen de maatregelen van afzonderlijke onderdelen elkaar versterken, bijvoorbeeld voor waterberging, waterkwaliteit en biodiversiteit. Of door 'groen’ in de wijk dat het effect van hitte in de openbare ruimte en het energieverbruik van woningen voor koeling beperkt. Of door opslag van warmtekoude en opgewekte elektra uitwisselbaar te maken, respectievelijk in de bodem onder woningen en de accu van een elektrische auto of 'buurtaccu’.
Stationskwartier Ravenstein – 2023, pag. 74 van 94 Ontwerp december 2023
5.8
Milieuaspecten
In deze paragraaf wordt ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten die verband houden met, of betrekking hebben op de ruimtelijke ontwikkeling. Het gaat daarbij meestal om de wisselwerking met de omgeving. Welke gevolgen heeft het initiatief voor de omgeving en omwonenden? Maar ook, welke gevolgen hebben activiteiten in de omgeving voor de mogelijkheden op de projectlocatie? Achtereenvolgens komen de volgende aspecten aan bod: - Bedrijven en milieuzonering - Bodem - Externe veiligheid - Geurhinder: agrarisch - Geur: industrieel - Luchtkwaliteit - Straling - Weg-, spoor-, en industrielawaai - Gezondheid - Spuitzones 5.8.1 Bedrijven en milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten van bedrijven en gevoelige functies, zoals woningen. Het doel van milieuzonering is om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast kan milieuzonering bedrijven voldoende zekerheid bieden om hun activiteiten duurzaam uitvoeren. De handreiking Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft richtafstanden om de milieuzonering van bedrijven te kunnen bepalen. Planspecifiek Direct ten zuiden van het plangebied ligt een woonwijk.
Ten oosten van het zuidelijke deel van het plangebied ligt een bedrijventerrein (De Kolk) en een enkele burgerwoning. Ook ligt het station van Ravenstein aan de oostzijde van het plangebied. Aan de westzijde van het plangebied en aan de oostzijde van het noordelijke deel van het plangebied liggen weilanden. Aan de noordkant liggen enkele woningen en (agrarische) bedrijven. De menging van functies in de omgeving in combinatie met de drukte op de Schaafdries en het treinstation, zorgt ervoor dat het gebied nabij de Schaafdries aan te merken is als het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Het deel van het plangebied op grotere afstand van de Schaafdries is in de beoogde situatie aan te merken als omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Zie als toelichting hierop ook de memo in bijlage 10. Voor het gemengd gebied kunnen de richtafstanden op grond van de Staat van bedrijfsactiviteiten uit de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' van de VNG met 1 stap/categorie worden verkleind. Bedrijventerrein De Kolk Op het bedrijventerrein De Kolk ten oosten van het plangebied zijn bedrijven tot en met milieucategorie 3.2 toegestaan, waarvoor een richtafstand van 100 meter geldt voor het omgevingstype van een rustige woonwijk en een gereduceerde richtafstand van 50 meter voor het omgevingstype gemengd gebied.
Geluidzoneringsplichtige inrichtingen, risicovolle inrichtingen en vuurwerkbedrijven zijn op dit bedrijventerrein niet toegestaan. Plaatselijk is ook horeca en een bedrijfsverzamelgebouw toegestaan. De richtafstand voor een gemengd gebied van 50 meter reikt over het plangebied. Binnen dit deel van het plangebied worden woningen mogelijk gemaakt. Gelet op de werkelijke situatie ter plaatse op het bedrijventerrein, zal het woon- en leefklimaat binnen deze woningen echter aanvaardbaar zijn. Aan de Schaafdries zijn op het bedrijventerrein meerdere bedrijfswoningen (Stationssingel 120, Schaafdries 44, 50, 54, 60) en een burgerwoning (Schaafdries 58) gelegen. De bedrijfspanden staan achter de woningen. Geen van de bedrijfspanden staat op een afstand van minder dan 50 meter tot het plangebied. Het is niet realistisch dat in de zone langs de Schaafdries nog bedrijfsactiviteiten van de hoogst toegestane
Stationskwartier Ravenstein – 2023, pag. 75 van 94 Ontwerp december 2023
milieucategorie uitgevoerd gaan worden, aangezien de bedrijven rekening moeten houden met woningen van derden (burgerwoningen en bedrijfswoningen van derden). Hoewel voor de mogelijke woningen in deze hoek van het plangebied niet aan de richtafstand wordt voldaan, is er op basis van de feitelijke situatie in combinatie met het feit dat bedrijven op basis van het Activiteitenbesluit al rekening moeten houden met bestaande naderbij gelegen woningen, te concluderen dat het woon- en leefklimaat in de nieuwe woningen aanvaardbaar zal zijn. Hiermee kan worden geconcludeerd dat er sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat in de nieuwe woningen. Om te bepalen of de bedrijven op het bedrijventerrein niet in hun bedrijfsvoering worden belemmerd, is bekeken of er al woningen aanwezig zijn die maatgevend zijn voor de bedrijfsvoering van de aanwezige bedrijven. Bedrijfswoningen aan de Stationssingel 120, Schaafdries 44, 50, 54 en 60 en de burgerwoning aan de Schaafdries 58 zijn bepalend voor de uit te voeren bedrijfsactiviteiten van de bedrijven op het bedrijventerrein. Navolgende afbeelding toont de woningen waar de bedrijven al rekening mee moeten houden. Iedere pijl staat voor een relatie met een woning van derden waar door het bedrijf al rekening mee gehouden moet worden.
(bedrijfs)woningen (paars) en bedrijfsbebouwing (blauw gearceerd) op Bedrijventerrein De Kolk.
Overige milieubelastende functies
Stationskwartier Ravenstein – 2023, pag. 76 van 94 Ontwerp december 2023
Verder liggen er aan de noord(oost)zijde van het plangebied enkele milieubelastende functies. In navolgende paragraaf is per bedrijf aangegeven welke richtafstand erbij hoort. Hierbij is het aspect geur buiten beschouwing gelaten, omdat hierop specifiek wordt ingegaan in paragraaf 5.7.4. Adres
Bedrijf
Categorie VNG
Milieucategorie
De Rijt 2
Melkrundveehouderij
Fokken en houden van rundvee
3.2
Elleboogstraat 3
Melkrundveehouderij
Fokken en houden van rundvee
3.2
Dorpenweg 25
Studiecentrum
1
Bendelaar 1
Hondenkennel
Hotels en pensions met keuken, conferentie-oorden en congrescentra Dierenasiels en pensions
3.2
Richtafstand rustige woonwijk (maatgevend aspect) 30 m (stof, geluid), 100 m (geur, zie nadere uitwerking in paragraaf 5.7.4) 30 m (stof, geluid), 100 m (geur, zie nadere uitwerking in paragraaf 5.7.4) 10 m (geluid, gevaar)
100 m (geluid) en 30 m (geur)
De richtafstand van de bedrijven Elleboogstraat 3 (stof en geluid) en Dorpenweg 25 (geluid en gevaar) reikt niet tot in het plangebied. De richtafstand van De Rijt 2 en de Bendelaar 1 wel. Ten aanzien van De Rijt 2 is echter de aan te houden afstand voor het aspect geur (zie paragraaf 5.7.4) groter (50 meter) en daarmee maatgevend. Binnen deze afstand van 50 meter worden geen woningen gerealiseerd. Daarmee worden ook binnen de richtafstand van 30 meter voor stof en geluid geen woningen gerealiseerd. De richtafstand van het bedrijf aan de Bendelaar 1 reikt niet tot de locatie waar woningen met direct recht worden gerealiseerd. Er zal in de nieuwe woningen sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat en er worden geen bedrijven belemmerd in de bedrijfsvoering als gevolg van voorliggend plan. Het plan is uitvoerbaar wat betreft het aspect milieuzonering.
5.8.2 Bodem Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht, moet in planvorming rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. In de Bouwverordening van de gemeente Oss is geregeld dat onder bepaalde omstandigheden het oprichten van gebouwen pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij iedere nieuwbouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld. Planspecifiek In het kader van voorliggende ontwikkeling is een historisch bodemonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 11. Voor de toekomstige woningen en de bewoners is het van belang om vast te stellen of de kwaliteit van de bodem in lijn is met het beoogde gebruik. Hiertoe zijn verkennende bodemonderzoeken uitgevoerd. De
Stationskwartier Ravenstein – 2023, pag. 77 van 94 Ontwerp december 2023
rapportages is opgenomen in bijlagen 12 en 13. In de onderzoeksresultaten wordt het volgende geconcludeerd: Locatie Sportvelden In het bodemonderzoek wordt gesteld dat er ter plaatse de verhardingen sprake is van lichte verontreinigingen met zware metalen in de grond. Voor het overige terrein is sprake van licht verhoogde gehalten met enkele zware metalen, PAK en PCB in de grond. Voor beiden geldt echter dat de aangetoonde verhoogde gehalten zodanig licht verhoogd zijn dat aanvullend onderzoek of nadere maatregelen niet noodzakelijk worden geacht. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt is het terrein geschikt voor de huidige en de toekomstige bestemming. Daarnaast volgt uit het verkennend asbestonderzoek dat er zowel visueel als analytisch geen asbest is aangetoond binnen de locatie. Tevens blijkt uit het uitgevoerde asfaltonderzoek dat het asfalt niet-teerhoudend is en derhalve geschikt is voor recycling. Locatie Bendelaar In het bodemonderzoek wordt gesteld dat er ter plaatse van het moeras en slootdempingen sprake is van lichte verontreinigingen met zware metalen in de grond. Voor het overige terrein is sprake van licht verhoogde gehalten met enkele zware metalen. Voor beiden geldt echter dat de aangetoonde verhoogde gehalten zodanig licht verhoogd zijn dat aanvullend onderzoek of nadere maatregelen niet noodzakelijk worden geacht.
Vanuit milieuhygiënisch oogpunt is het terrein geschikt voor de huidige en de toekomstige bestemming. Conclusie
Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect bodem.
5.8.3 Externe veiligheid Rijkskader Externe veiligheid behandelt de risico's die ontstaan als gevolg van opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico’s kunnen hun weerslag hebben op de omgeving. Het wettelijke kader voor externe veiligheid bestaat onder meer uit: - het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) - het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) - het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Enerzijds gaat het over de risicobronnen (bedrijven of transportroutes). Anderzijds gaat het over de risicoontvangers (omstanders die niets met de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen te maken hebben). Wat betreft de risico-ontvangers maakt de wetgeving onderscheid in kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbare objecten zijn gebouwen, waarin (of waarbij) groepen van circa 50 personen of groter, gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. Ook sommige gebouwen waarin/waarbij kleinere groepen verblijven, worden als kwetsbaar object gezien, wanneer die personen beperkt zelfredzaam zijn (zoals zieken, bejaarden of gehandicapten). Beperkt kwetsbare objecten zijn verspreid liggende woningen en bedrijven waarin/waarbij groepen van minder dan 50 personen gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven.
In de landelijke wetgeving wordt meer gedetailleerd beschreven wat er onder kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten wordt verstaan. Belangrijk is hierbij dat de opsomming in de wetgeving niet limitatief is, zodat er in de verdere uitwerking van het beleid nog enige vrijheid rest. Verder maakt de wetgever onderscheid tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR
Stationskwartier Ravenstein – 2023, pag. 78 van 94 Ontwerp december 2023
10-6/jaar. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Gemeentelijk kader Ook in de gemeente Oss zijn risicobronnen aanwezig in de vorm van transportassen en stationaire activiteiten. Dit vraagt om een gemeentelijke visie. Op 19 mei 2011 heeft de gemeenteraad de Beleidsvisie Externe veiligheid vastgesteld. Deze beleidsvisie beschrijft op welke manier de gemeente Oss externe veiligheid in haar afwegingen betrekt. Planspecifiek Om de risicovolle inrichtingen, buisleidingen en transportroutes in de omgeving van het plangebied vast te stellen en te kunnen beoordelen of deze potentiele risicobronnen een risico vormen voor de woningen uit voorliggend plan, is een quickscan Externe Veiligheid uitgevoerd. Het rapport is toegevoegd als bijlage 14.
In de quickscan wordt geconcludeerd dat vanwege transport over een waterweg of weg, buisleidingen en inrichtingen geen risico's bestaan voor de nieuwe woningen binnen Stationskwartier Ravenstein. Vanwege de spoorlijn Den Bosch – Diezebrug aansluiting – Nijmegen (route 64) die het plangebied doorsnijdt is een nader onderzoek Externe veiligheid spoor (rapportage is opgenomen in bijlage 15) en een Verantwoording hoogte groepsrisico uitgevoerd (rapportage is opgenomen in bijlage 16). Externe veiligheid spoor In het onderzoek wordt geconcludeerd dat zowel in de huidige als in de toekomstige situatie sprake is van een groepsrisico dat lager is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Er vindt geen rekenkundige toename plaats van de hoogte van het groepsrisico. De risico’s als gevolg van het transport gevaarlijke stoffen over het spoor zijn overeenkomstig de beleidsvisie externe veiligheid van de gemeente Oss meegenomen in een verantwoording van de hoogte van het groepsrisico. Verantwoording hoogte groepsrisico In de rapportage in bijlage 15 is de verantwoording van de hoogte groepsrisico uiteengezet. In deze notitie zijn elementen aangedragen die de gemeenteraad kan gebruiken bij de oordeelsvorming inzake de verantwoording van het groepsrisico.
De gemeente Oss dient in het kader van de ruimtelijke procedure advies in te winnen bij de Veiligheidsregio en een standpunt in te nemen aangaande de verantwoording van het groepsrisico. 5.8.4 Geurhinder: agrarisch De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is het beoordelingskader voor geur bij milieuvergunningen, bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Het gaat uitdrukkelijk om agrarische geur van landbouwhuisdieren uit dierstallen. De wet maakt onderscheid tussen geurnormen voor intensieve en extensieve veehouderijen. De geurbelasting van intensieve veehouderijen wordt berekend en uitgedrukt in de vorm van een geurcontour. De geurbelasting van extensieve veehouderijen wordt uitgedrukt in vaste afstanden. De gemeente Oss heeft op basis van de wet een eigen geurbeleid opgesteld. Het geurbeleid bestaat uit twee delen: de “Geurgebiedsvisie 2013” en de “Agrarische geurverordening gemeente Oss 2017”. Het hanteert per soort gebied een eigen geurnorm en streeft de volgende doelen na: - de burger beschermen tegen geurhinder; - de veehouderijen niet onnodig beperken;
Stationskwartier Ravenstein – 2023, pag. 79 van 94 Ontwerp december 2023
-
ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken, onder de voorwaarde dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is. De gemeentelijke “Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder” is van belang voor de vraag of een ruimtelijke ontwikkeling kan plaatsvinden. De beleidsregel geeft aan wanneer sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oss 2017 wordt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object binnen de gemeente Oss vastgelegd. Conform Artikel 3 Waarden voor de geurbelasting van de verordening zijn de volgende waarden vastgelegd: Lid 1. Op grond van artikel 6, lid 1 van de wet en in afwijking van artikel 3, lid 1 van de wet bedraagt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in het gebied als genoemd in artikel 2, lid 1 van deze verordening: A. Stad Oss
1,0 Ou
B. Woonkern met geen/enige intensieve veehouderij
2,0 Ou
C. Plangebied (bij kern A en B)
3,0 Ou
D. Woonkern met intensieve veehouderij
6,0 Ou
E. Zoekgebied + plangebied Maren-Kessel West en Liesdaal
6,0 Ou
F. Recreatiegebieden
8,0 Ou
G. Extensiveringsgebieden
8,0 Ou
H. Bedrijventerreinen
8,0 Ou
I. Bedrijventerrein Vorstengrafdonk
12,0 Ou
J. Verwevingsgebied
14,0 Ou
K. Landbouwontwikkelingsgebied
14,0 Ou
Planspecifiek De nieuw te ontwikkelen woningen zijn aan te merken als geurgevoelige activiteiten (objecten) zoals bedoeld in de Wet geurhinder. Stationskwartier Ravenstein wordt ontwikkeld aan de rand van Ravenstein. Aan de west- en noordkant ligt het buitengebied van Ravenstein met enkele veehouderijen. Om te kunnen beoordelen of deze veehouderijen mogelijk voor geurhinder zorgen binnen het plangebied is een geuronderzoek veehouderijen uitgevoerd, zie bijlage 17. De belangrijkste conclusie van het onderzoek is dat, als binnen 50 meter van de veehouderij aan De Rijt 2 geen woningen worden gebouwd, er in de nieuwe woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Agrarische bedrijven worden dan ook niet belemmerd in hun ontwikkelingsmogelijkheden. In het plan worden binnen 50 meter van de Rijt 2 geen woningen mogelijk gemaakt. Voorliggend initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect geurhinder: agrarisch.
5.8.5 Geur: industrieel Het nationale industriële geurbeleid is vastgelegd in de Nederlandse emissierichtlijn (NeR). De brief van het ministerie van Infrastructuur en Milieu van 30 juni 2005 stelt het rijksbeleid in grote lijnen vast. Het algemene uitgangspunt is het voorkomen van (nieuwe) hinder. Dit uitgangspunt vormt samen met het toepassen van de Beste Beschikbare Techniek (BBT) de kern van het geurbeleid. Uitgangspunten van het rijksbeleid zijn: - als er geen hinder is, zijn maatregelen niet nodig; - als er wel hinder is, worden maatregelen getroffen op basis van het Beste Beschikbare Techniekprincipe; - de gemeente stelt vast welke mate van hinder acceptabel is.
Stationskwartier Ravenstein – 2023, pag. 80 van 94 Ontwerp december 2023
Gemeenten en provincies hebben de bevoegdheid om een eigen geurbeleid vast te stellen. De provincie Noord-Brabant heeft een eigen geurbeleid voor provinciale bedrijven, de Beleidsregel beoordeling geurhinder omgevingsvergunningen industriële bedrijven Noord-Brabant. De gemeente Oss heeft geen eigen industrieel geurbeleid. Per situatie stelt de gemeente Oss vast of sprake is van een acceptabel geurniveau. Er zijn verschillen in het niveau van bescherming mogelijk. Voor een bedrijfswoning kan bijvoorbeeld een hogere geurbelasting gehanteerd worden dan voor aaneengesloten woonbebouwing. Planspecifiek In de omgeving van het plangebied zijn geen industrieterreinen gelegen. Ten oosten van het plangebied, deelgebied 'sportvelden' ligt bedrijventerrein De Kolk. In paragraaf 5.7.1 onder 'Bedrijven en milieuzonering' is nader onderbouwd dat de bedrijfsactiviteiten die op het bedrijventerrein plaatsvinden geen milieuhinder waaronder geurhinder tot gevolg hebben binnen het plangebied. Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect geur: industrieel.
5.8.6 Luchtkwaliteit Het beleid en de regelgeving over luchtkwaliteit heeft tot doel om mensen te beschermen tegen de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging. Ze bevatten luchtkwaliteitsnormen voor verschillende stoffen. Ruimtelijke plannen of projecten die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, zoals bestemmingsplannen, dienen getoetst te worden aan de Wet milieubeheer (afdeling 5.2.). Deze wet bevat grenswaarden voor de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijn stof, lood, benzeen en koolmonoxide in de buitenlucht. In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Overschrijding van de grenswaarden van andere stoffen komt bijna niet voor. De wet maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Kleine projecten zijn projecten die de luchtkwaliteit niet ‘in betekende mate’ (NIBM) verslechteren. Deze projecten hoeven niet meer beoordeeld te worden op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Er is geen belemmering als een klein project niet of nauwelijks bij draagt aan luchtverontreiniging, óók niet in overschrijdingsgebieden (gebieden met te veel luchtvervuiling). De ministeriële Regeling NIBM geeft aan in welke gevallen een nieuw project in ieder geval een NIBMproject is.
Dit is bijvoorbeeld het geval als er minder dan 500 woningen worden gebouwd bij minimaal één ontsluitingsweg, of minder dan 1.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Het Besluit gevoelige bestemmingen beperkt de vestiging van zogeheten ‘gevoelige bestemmingen’, zoals een school, in de nabijheid van provinciale en rijkswegen. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. Waar in zo’n onderzoekszone de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming’ niet toenemen. Dit wordt bereikt door op zo’n plek de vestiging van bijvoorbeeld een school niet toe te staan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.
Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien. De gemeente heeft geen eigen regelgeving en beleid over luchtkwaliteit.
Stationskwartier Ravenstein – 2023, pag. 81 van 94 Ontwerp december 2023
Planspecifiek Luchtkwaliteit ter plaatse van het initiatief Vanuit een goede ruimtelijke ordening is de huidige luchtkwaliteit ter plaatse getoetst met behulp van de NSL Monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl). Door de metingen ter plaatse te toetsen aan de grenswaarden is gekeken of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Uit metingen van het rekenpunt 43920 (aan de Dorpenweg ter hoogte van plangebied) zijn de volgende concentraties naar voren gekomen: NO2 (stikstofdioxide) Gemeten totale concentratie 17.5 µg/m³ jaargemiddelde 2020 (µg/m³) Grenswaarde concentratie 40 µg/m³ (µg/m³)
PM10 (fijnstof) 16.7 µg/m³
PM2,5 (fijnere fractie van fijnstof) 9.3 µg/m³
40 µg/m³
25 µg/m³
De gemeten concentraties stikstofdioxide, fijn stof en zeer fijn stof liggen ruim onder de gestelde grenswaarden. Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn geen belemmeringen voor onderhavig initiatief. Bijdrage initiatief Ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit is het initiatief (toevoegen 330 woningen) van geringe omvang ten opzichte van de benoemde grenswaarde (3%, toevoegen 1.500 woningen). Op basis van de te verwachten toename aan verkeersbewegingen ten gevolge van het project is te concluderen dat dit project 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit kan daarom achterwege blijven. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit.