Drukwerk toelichting+regels Stationskwartier
Tekst van het document
5.8.7 Straling Het beleid voor elektromagnetische velden is opgenomen in het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4), de Toekomstagenda Milieu en de beleidsnota Nuchter Omgaan met Risico's, beslissen met gevoel voor onzekerheden (2004). Het ministerie van Infrastructuur en milieu heeft het beleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen uitgewerkt in een advies van oktober 2005. Dit advies is verder toegelicht in een brief van november 2008. De gemeente Oss heeft in het Milieubeleidsplan 2010-2014 het rijksadvies vastgelegd als beleidsuitgangspunt. Dit houdt in dat er bij nieuwbouwplannen of het realiseren van nieuwe hoogspanningslijnen voorkomen dient te worden dat er gevoelige bestemmingen terecht komen in een zone waar het magnetische veld gemiddeld over een jaar hoger is dan de norm van 0,4 microtesla. Planspecifiek Binnen een straal van 80 meter rondom het plangebied zijn geen hoogspanningslijnen aanwezig. De straling van bovengrondse hoogspanningslijnen vormt geen belemmering van voorliggend initiatief. Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect straling.
5.8.8 Weg-, spoor- en industrielawaai De Wet geluidhinder (Wgh) biedt bescherming tegen (spoor)weglawaai en tegen industrielawaai van inrichtingen voor zover gelegen op een gezoneerd industrieterrein. In de Wgh wordt een beperkt aantal typen objecten beschermd, de zogenoemde geluidgevoelige objecten. De Wet geluidhinder kent een stelsel van normen ter voorkoming van geluidhinder. Ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen zijn grenswaarden opgenomen. Hierbij is een
Stationskwartier Ravenstein – 2023, pag. 82 van 94 Ontwerp december 2023
ondergrens (voorkeursgrenswaarde) en een bovengrens (maximaal toelaatbare grenswaarde) opgenomen. De Wgh biedt gemeenten de mogelijkheid om gericht in te spelen op de lokale situatie door maatwerk te leveren. Burgemeester en wethouders kunnen een hogere waarde vaststellen dan de ondergrens, maar mogen daarbij de bovengrens niet overschrijden. In 2010 heeft de gemeenteraad van Oss de geluidsnota “Geluidskwaliteit in de leefomgeving” vastgesteld. De gemeente Oss maakt hierbij gebruik van gebiedsgericht geluidbeleid. Per gebied wordt een geluidskwaliteit nagestreefd. Zo zijn er ‘rustige gebieden’, ‘dynamische gebieden’ en er zijn gebieden die ten aanzien van geluid onder druk staan. De geluidsnota gaat ook in op de realistische inzet van onderzoek, het stellen van eigen criteria voor het toestaan van een hogere waarde en bedrijfswoningen op industrieterreinen. De gemeente Oss streeft naar een leefbare woonsituatie, ook op locaties met een hoge geluidsbelasting. Deze leefbaarheid wordt bereikt door terughoudend te zijn met hogere grenswaarden en door hieraan voorwaarden te verbinden. Deze voorwaarden leggen de initiatiefnemer of de beheerder een inspanning op voor een leefbare woonomgeving als compensatie voor het bouwen en het veroorzaken van een lawaaiige situatie.
Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. Ook in Oss is er een aantal gezoneerde industrieterreinen. Met zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel bedrijven als aan bewoners/gebruikers van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Bedrijven kunnen aan de ene kant hun geluid producerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen te veel oprukken naar de bedrijven toe. Planspecifiek Een deel van Stationskwartier Ravenstein ligt binnen de geluidzone van de wegen: Dorpenweg, De Rijt, Stationssingel en de Schaafdries. Ook wordt het plangebied doorsneden door de spoorlijn 'Nijmegen - 'SHertogenbosch'. Om de gevolgen voor het initiatief vanuit wegverkeerlawaai en spoorweglawaai te kunnen bepalen, is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het rapport is toegevoegd als bijlage 18. De belangrijkste conclusies zijn in het vervolg van voorliggende paragraaf opgenomen. Wegverkeerlawaai De 48 dB contour vanaf de Dorpenweg ligt na aftrek op 71 m vanaf de wegas.
Bij een afstand van 71 m of meer uit de wegas wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet overschreden. De woningen die via het directe recht van voorliggend bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, liggen op een afstand verder dan 71 m vanaf de Dorpenweg. Voor deze woningen geldt dat de geluidbelasting van wegverkeerlawaai over de Dorpenweg onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB blijft. Nader akoestisch onderzoek is voor deze woningen niet nodig. De geluidbelasting door wegverkeer over De Rijt bedraagt op het meest noordelijke deel van de woningbouwlocatie meer dan 48 dB na aftrek van 5 dB ex art 110-g Wgh. De 48 dB contour na aftrek ligt op 21 m vanaf de wegas. Vanwege de overschrijding van de voorkeursgrenswaarde wordt een hogere waarde procedure gevoerd. De geluidbelasting van de overige gezoneerde wegen leidt niet tot een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde binnen het plangebied. Spoorweglawaai De geluidbelasting door railverkeer bedraagt op nagenoeg de hele locatie meer dan 55 dB. De 55 dB contour ligt op 300 meter uit het spoor. Bij een afstand van 300 m of meer wordt de voorkeursgrenswaarde van 55 dB niet overschreden. De grenswaarde van 68 dB van de maximale
Stationskwartier Ravenstein – 2023, pag. 83 van 94 Ontwerp december 2023
planologische mogelijkheden wordt op de locatie overschreden bij een afstand van minder dan 34 resp. 49 meter nabij het station respectievelijk nabij de westgrens van de locatie. Het bestemmingsplan maakt het mogelijk in zowel deelgebied De Bendelaar als de sportvelden om via direct recht ook woningen op een afstand korter dan 34 respectievelijk 49 meter van het spoor te realiseren. De haalbaarheid van maatregelen om de geluidbelasting door railverkeer terug te brengen dient nader te worden onderzocht. Doel daarbij is een groter deel van het gebied voor woningbouw geschikt te maken dan wel de geluidbelasting op de woningen terug te brengen. Maatregelen aan de bron of in de overdracht om de geluidbelasting door railverkeer terug te brengen zijn financieel en stedenbouwkundig echter vermoedelijk niet haalbaar. Naast de geluidsbelasting door railverkeer is ook onderzocht of de aanwezigheid van het station akoestische gevolgen heeft voor de nieuw te bouwen woonwijk. Dan gaat het met name over het aan- en afrijden van auto's ten behoeve van de bestaande P&R. Na contact met ProRail is hiervoor een akoestische verkenning uitgevoerd welke als bijlage 19 is toegevoegd aan dit bestemmingsplan.
Hieruit komt naar voren dat met betrekking tot verkeer op de P&R van het station Ravenstein op/bij de nieuw te bouwen woningen voldaan wordt aan een goed woon- en leefklimaat Conclusie De voorziene woningen buiten de 48dB contour kunnen zonder voorwaarden worden gebouwd ten aanzien van de Wet geluidhinder. Voor een gedeelte van de te realiseren woningen is sprake van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 48dB, maar niet hoger dan de maximale waarde van 68dB op de gevels. Voor deze woningen wordt een hogere waarde procedure gevoerd. Om de woningen gelegen op korte afstand tot het station en de spoorlijnen mogelijk te maken is nader onderzoek nodig waarin wordt aangetoond dat de maximale ontheffingswaarde niet wordt overschreden en hogere waarden verkregen kunnen worden. Het uitvoeren van dit nadere onderzoek is als voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels en op de verbeelding van voorliggend bestemmingsplan. Geconcludeerd wordt dat het plan uitvoerbaar is ten aanzien van het aspect geluid. 5.8.9
Gezondheid
Uit de VGO-rapporten die afgelopen jaren zijn gepubliceerd door het RIVM komt duidelijk naar voren dat er een relatie wordt gevonden tussen veehouderijen en de gezondheid van omwonenden. Deze relatie is door de onderzoeker op verschillende manieren vastgesteld. Daarbij komt dichtheid van veehouderijbedrijven en afstand tot bepaalde type individuele veehouderijen concreet naar voren als factoren die van invloed zijn op de gezondheid van omwonenden. Verder blijkt uit VGO-onderzoek dat er in een straal van twee kilometer rond geitenhouderijen een verhoogde incidentie van longontstekingen (ca. 25-30% hoger) voorkomt. De oorzaak van het verhoogde risico op longontsteking rond geitenbedrijven is vooralsnog onbekend en onderwerp van vervolgonderzoek. Op dit moment kan er geen enkele bron-effect relatie worden beschreven tussen de verhoogde longontsteking incidentie en de uitstoot vanuit geitenhouderijen. Wel is er een causaal verband geconstateerd waarbij de associatie sterker is naarmate de afstand tot een geitenhouderij kleiner is. Tot er meer duidelijkheid is over de bron van de verhoogde incidentie longontstekingen kan niet worden geadviseerd over beschermde maatregelen. Afstand houden en goed informeren is de enige maatregel die de GGD op dit moment adviseert.
In afwachting van het vervolgonderzoek heeft de provincie besloten dat geitenstallen uitbreiden of in gebruik nemen niet meer is toegestaan. Het moratorium is in beginsel tijdelijk. Als de uitkomsten van het
Stationskwartier Ravenstein – 2023, pag. 84 van 94 Ontwerp december 2023
vervolgonderzoek bekend worden, wordt er gekeken of er redenen zijn het besluit in te trekken of aan te passen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het bevoegd gezag verplicht om alle bekende risico's bij een nieuwe ontwikkeling af te wegen. Er is geen sprake van een omgekeerde werking van het moratorium (met andere woorden de 'stop' op uitbreidingen van geitenbedrijven zorgt niet voor een stop op ontwikkelingen binnen de 2 km straal van een geitenhouderij), maar wel van een risico dat beoordeeld en meegewogen moet worden bij nieuwe ontwikkelingen. Het verantwoorden van dit verhoogde risico is aan het bevoegd gezag, in casu de gemeente. Deze geeft een oordeel over en maakt een afweging of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (m.b.t. onder andere gezondheid & geitenhouderijen). Het college van B&W besloot op 5 december 2017 dat wenselijke ontwikkelingen na een zorgvuldige afweging met betrekking tot volksgezondheid kunnen worden toegestaan binnen een straal van twee kilometer rondom een geitenhouderij. Het beleid voor geitenhouderijen in Oss houdt in dat bij de realisering van een ruimtelijke ontwikkeling binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij rekening moet worden gehouden met de volgende criteria: a. het infomeren van de aanvragers over het risico b.
terughoudend omgaan met ontwikkelingen betreffende het huisvest of opvangen van kinderen, kwetsbare mensen en ouderen c. na een zorgvuldige afweging en eventueel maatwerk kunnen wenselijke ontwikkelingen binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij worden toegestaan. ‘De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’ (versie mei 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De zeven stappen dienen allen te worden doorlopen en beantwoord om na te gaan of er aandachtspunten worden gevonden. Toetsing aan het stappenplan moet plaatsvinden, zodat kan worden bepaald of een advies van de GGD nodig is voor de beoogde ontwikkeling. Planspecifiek Onderstaand zijn de stappen van het Stappenplan 2.0 doorlopen: 1. In de VGO-onderzoeken werd aangetoond dat omwonenden gezondheidsrisico's lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stofemissie afkomstig van veehouderijen. Aan de hand van het endotoxine toetsingskader 1.0 is beoordeeld in hoeverre het planvoornemen voldoet aan de endotoxine 'richtafstand' tussen een veehouderij en een gevoelige bestemming. Voor pluimveehouderijen is deze richtafstand 500 meter. Voor varkenshouderijen is de richtafstand 200 meter. Binnen deze afstanden zijn de genoemde veehouderijtypen niet aanwezig. 2.
Het plan betreft het realiseren van woningen. De ontwikkeling leidt niet tot een toename in de emissie voor geur en/of fijnstof en/of ammoniak. 3. Qua geur wordt aan de geldende wet- en regelgeving voldaan, waarbij er geen sprake is van een overbelaste situatie voor geur (voorgrond en achtergrond). Er is een geuronderzoek uitgevoerd (zie bijlage 17). Hieruit blijkt dat er binnen het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (zie paragraaf 5.7.4). 4. Binnen de omliggende veehouderijen is geen sprake van het bedrijfsmatig houden van meerdere diersoorten.
Stationskwartier Ravenstein – 2023, pag. 85 van 94 Ontwerp december 2023
5. Er is met dit plan geen sprake van het realiseren van een nieuwe veehouderij. Binnen een afstand van 2 kilometer rondom het plangebied liggen geen geitenhouderijen en binnen een afstand van 1 kilometer geen pluimveehouderijen. 6. Er is geen sprake van realisatie mestbe- of verwerking als nevenactiviteit of als zelfstandige activiteit. 7. Bij omwonenden is geen sprake van ongerustheid over de volksgezondheid. Het stappenplan is hiermee doorlopen en aan alle stappen wordt voldaan. Er zijn vanuit het aspect gezondheid geen belemmeringen voor het plan.
5.8.10 Spuitzones Binnen een afstand van 50 meter van het plangebied zijn in de huidige situatie geen (fruit)boomgaarden aanwezig waar bedrijfsmatige gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast. Het oprichten van dergelijke boomgaarden is zonder omgevingsvergunning niet mogelijk, nieuwe boom/fruitgaarden zijn niet toegestaan binnen een straal van 50 meter tot gevoelige objecten (zoals woningen) zonder een locatiespecifiek onderzoek. 5.8.11 Trillingen Bij het aspect trillingen gaat het in de afweging meestal om bescherming van personen tegen trillingshinder. Er kan echter ook sprake zijn van verstoring van activiteiten door trillingen (bijvoorbeeld laboratoria of computercentra). In Nederland bestaat tot op heden geen wetgeving voor het voorkomen van hinder of schade door trillingen. In de praktijk wordt veelal aangesloten bij de SBR-richtlijn "Meet- en beoordelingsrichtlijnen voor trillingen". Deze richtlijn bestaat uit drie delen: 8. Deel A, Schade aan gebouwen; 9. Deel B, Hinder voor personen in gebouwen; 10. Deel C, Storing aan apparatuur. Planspecifiek In de nabijheid van het plangebied ligt een spoorlijn. Trillinghinder als gevolg van spoorwegverkeer op de nieuwe woningen binnen het plangebied kan op voorhand niet worden uitgesloten. Daarom is een trillingshinderonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 20.
Hierin wordt geconcludeerd dat voor de beoogde woningen die binnen een afstand van 80 m ten zuiden van de spoorlijn en 120 m ten noorden van de spoorlijn worden gebouwd, matige trillingshinder op zal treden. In de omgevingsvergunningfase zal aandacht worden besteed aan maatregelen om trillingshinder te verminderen. In het aanvullend onderzoek is dit aspect nader onderzocht, zie bijlage 21. In dit rapport wordt geconcludeerd dat maatregelen in het overdrachtsgebied (water of grondscherm) tussen het spoor en de woning geen oplossing zijn. Wel is het mogelijk om maatregelen te treffen aan de te realiseren woningen. Voor verschillende zones is indicatief aangegeven welke maatregelen nodig zijn om te kunnen voldoen aan de streefwaarden. Om ervoor te zorgen dat ook daadwerkelijk de maatregelen genomen worden, is in de regels een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor woningen die binnen een afstand van 80 meter ten zuiden en 120 meter ten noorden van het spoor worden gerealiseerd dat er ten aanzien van trillingen sprake moet zijn van een goed woon- en leefklimaat en wordt voldaan aan de richtlijn. Daarmee is verzekerd dat aan de streefwaarde wordt voldaan. 5.8.12 Explosieven Tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben binnen de gemeente Oss diverse gevechtshandelingen plaatsgevonden waardoor hoeveelheden Conventionele Explosieven in de bodem kunnen zijn achtergebleven.
Door de geplande werkzaamheden kunnen deze mogelijk ter plaatse aanwezige explosieven een reëel gevaar opleveren voor betrokken medewerkers en de (directe) omgeving. Bij ontwikkelingen die gepaard gaan met bodemingrepen moet dus worden nagegaan of explosieven aanwezig zijn.
Stationskwartier Ravenstein – 2023, pag. 86 van 94 Ontwerp december 2023
Planspecifiek Het plangebied is deels gelegen binnen zones waar de kans op aantreffen van Ontplofbare Oorlogsresten (OO) als verhoogd is aangemerkt. Om mogelijke risico's in kaart te brengen is een explosievenonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 22. De belangrijkste conclusie van het onderzoek is dat er geen aanwezigheid en daarmee geen uitwerking van OO worden verwacht. Er hoeven een passende maatregelen te worden genomen. Uitvoerend personeel zal voorafgaand aan de bouwenwerkzaamheden worden geïnstrueerd geen verdere acties te verrichten in geval er toch onverwacht munitieverdachte objecten worden aangetroffen.
5.9
Milieueffectrapportage (M.e.r.)
Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt de milieugevolgen van een plan in beeld voordat er een besluit over wordt genomen. In een milieueffectrapport worden de gevolgen voor het milieu beschreven. Zo kan de overheid die het besluit neemt de milieugevolgen bij haar afwegingen betrekken. Het doel van m.e.r. is om het milieu een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over plannen en projecten. In een m.e.r.-beoordeling kijkt het bevoegd gezag of een project mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Als dat zo is, moet een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Wanneer speelt een m.e.r.-beoordeling? In het Besluit m.e.r. staat wanneer m.e.r. of een m.e.r.-beoordeling aan de orde is. De activiteit die het project mogelijk maakt en het besluit over de activiteit zijn daarbij bepalend. In de C- en D-lijst in de Bijlage bij het Besluit m.e.r. staat of sprake is van m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht. Per categorie van activiteiten is een drempelwaarde voor de omvang van de activiteit gegeven. Boven de C-drempel geldt een m.e.r.-plicht, tussen de C- en D-drempel geldt een plan-m.e.r.-plicht en onder de D-drempel geldt een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient onderbouwd te worden of de activiteit belangrijke nadelige milieugevolgen heeft.
Sinds de implementatie van de gewijzigde M.e.r.-richtlijn op 16 mei 2017 is de procedure voor de vormvrije en de formele m.e.r.-beoordeling bijna gelijk. Het enige verschil is dat van het besluit bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling geen kennisgeving wordt gedaan. Het m.e.r.-beoordelingsbesluit De initiatiefnemer stelt een aanmeldnotitie op, waarover het bevoegd gezag binnen zes weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit moet nemen. Het bevoegd gezag motiveert het besluit door in te gaan op de selectiecriteria van Bijlage III van de M.e.r.-richtlijn. Het gaat daarbij om de hoofdcategorieën: 1. kenmerken van het project 2. plaats van het project 3. kenmerken van het potentiële effect. Is het bevoegd gezag zelf initiatiefnemer, dan is het bevoegd gezag, anders dan een derde, niet verplicht een aanmeldnotitie op te stellen. Planspecifiek Onderhavig plan betreft de realisatie van 330 nieuwe woningen en blijft daarmee (ver) onder de drempel van 2.000 woningen uit bijlage D11.2. Dit plan is wel een kaderstellend plan dat de ontwikkeling mogelijk maakt van een stedelijk ontwikkelingsproject dat wordt genoemd in bijlage D van het Besluit m.e.r waardoor in het kader van de Wet milieubeheer dient te worden beoordeeld of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen zijn. Hierom is een plan-m.e.r.-beoordeling opgesteld, zie bijlage 23.
Gelet op de kenmerken van het project, de locatie van het project en de kenmerken van de effecten van het project, wordt geconcludeerd dat het plan niet leidt tot milieueffecten van dusdanige omvang dat sprake kan zijn van ‘belangrijke milieugevolgen’.
Stationskwartier Ravenstein – 2023, pag. 87 van 94 Ontwerp december 2023
Op grond van het ontbreken van belangrijke nadelige milieugevolgen kan geconcludeerd worden dat verder onderzoek in het kader van het Besluit milieueffectrapportage niet nodig is. Een volledige m.e.r.procedure, en daarmee het opstellen van een milieueffectrapport (MER), is niet nodig.
Stationskwartier Ravenstein – 2023, pag. 88 van 94 Ontwerp december 2023
Hoofdstuk 6
6.1
Toelichting op de regels
Algemeen
Het bestemmingsplan bevat regels die het juridisch instrumentarium geven voor het regelen van het gebruik van de gronden en opstallen én bepalingen over de toelaatbaarheid van bebouwing. Het bestemmingsplan kan worden verbeeld op papier, en gaat vergezeld van deze toelichting. De toelichting heeft geen bindende werking en maakt juridisch geen deel uit van het bestemmingsplan. Wel heeft zij een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan. De Wet ruimtelijke ordening biedt zowel de mogelijkheid om een globaal bestemmingsplan te maken als de mogelijkheid van een gedetailleerd bestemmingsplan. In het bestemmingsplan ‘Stationskwartier Ravenstein – 2023’ is gekozen voor een globale regeling. Voor de opzet van de regels is aangesloten bij de “Standaardregels bestemmingsplannen Oss”. De regels bestaan uit vier hoofdstukken. Dit zijn de inleidende regels (artikelen 1 en 2), de bestemmingsregels (artikelen 3 tot en met 7), de algemene regels (artikelen 8 tot en met 13) en de overgangsen slotregels (de artikelen 14 en 15). Bij de regels hoort een bijlage, te weten een milieuzoneringslijst. In de volgende paragraaf worden de diverse artikelen uit de regels en de bijlage toegelicht.
6.2
Regels
Hoofdstuk 1: Inleidende regels Artikel 1: Begrippen In dit artikel worden de in de regels gehanteerde begrippen nader verklaard om verschillen in interpretatie te voorkomen. Artikel 2: Wijze van meten Dit artikel geeft aan op welke manier het meten van in de regels genoemde begrippen moet plaatsvinden. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels De in dit hoofdstuk geregelde bestemmingen zijn achtereenvolgens: Artikel 3: Agrarisch met waarden - Landschap Dit artikel geeft de regels met betrekking tot de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschap’ aan. Binnen deze bestemming is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om nog 50 woningen extra te realiseren. Artikel 4: Verkeer – Railverkeer Dit artikel geeft de regels met betrekking tot de bestemming ‘Verkeer – Railverkeer’ aan. Artikel 5: Verkeer - Verblijf Dit artikel geeft de regels met betrekking tot de bestemming ‘Verkeer – Verblijf’ aan. Artikel 6: Water Dit artikel geeft de regels met betrekking tot de bestemming ‘Water’ aan.
Stationskwartier Ravenstein – 2023, pag. 89 van 94 Ontwerp december 2023
Artikel 7: Woongebied Dit artikel geeft de regels met betrekking tot de bestemming ‘Woongebied’ aan. Artikel 8: Leiding-Water Dit artikel geeft de regels met betrekking tot de dubbelbestemming ‘Leiding-Water’ aan. Artikel 9: Waarde - Archeologie Monument 1 Dit artikel geeft de regels met betrekking tot de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie Monument 1’ aan. Artikel 10: Waarde - Archeologie Monument 2 Dit artikel geeft de regels met betrekking tot de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie Monument 2’ aan. Artikel 11: Waarde - Archeologie verwachtingswaarde hoog Dit artikel geeft de regels met betrekking tot de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie verwachtingswaarde hoog’ aan. Hoofdstuk 3: Algemene regels Dit hoofdstuk geeft een aantal gebruikelijke algemene regels. Het betreft achtereenvolgens: Artikel 12: Anti-dubbeltelregel Dit artikel verhindert dat grond dubbel geteld wordt bij de beoordeling van latere bouwplannen. Artikel 13: Algemene bouwregels Dit artikel regelt algemene regels voor het bouwen binnen het plangebied. Artikel 14: Algemene aanduidingsregels Dit artikel regelt algemene regels voor specifieke aanduidingen binnen het plangebied. Artikel 15: Afwijken van de bouwregels algemeen Dit artikel regelt zaken waarvoor afgeweken kan worden van de geldende bouwregels.
Artikel 16: Algemene wijzigingsregels Dit artikel regelt de mogelijkheden voor het bevoegd gezag om het plan te wijzigen. Artikel 17: Overige regels Dit artikel regelt de overige regels met betrekking tot het plan. Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Artikel 18: Overgangsrecht Dit artikel regelt het overgangsrecht voor bebouwing en gebruik van gronden en bouwwerken. Artikel 19: Slotregel Dit artikel regelt de formele titel waaronder het bestemmingsplan kan worden aangehaald. Bijlage 1: Lijst van rechtstreeks toelaatbare aan huis gebonden activiteiten In deze bijlage zijn de aan huis gebonden activiteiten genoemd die volgens de regels toelaatbaar zijn.
Stationskwartier Ravenstein – 2023, pag. 90 van 94 Ontwerp december 2023
Bijlage 2: milieuzoneringslijst In deze bijlage zijn de bedrijfsactiviteiten genoemd die volgens de regels toelaatbaar zijn. De lijst is opgesteld vanuit de typering van het plangebied als een rustige woonwijk.
Stationskwartier Ravenstein – 2023, pag. 91 van 94 Ontwerp december 2023
Hoofdstuk 7 7.1
Handhaving
Beleidskader
Naar aanleiding van een landelijk traject heeft de gemeente Oss in 2005 de nodige besluiten genomen om de handhaving te professionaliseren. De gemeente wil namelijk een professionele organisatie zijn. Om haar handhavingstaken zo transparant en objectief mogelijk uit te voeren, heeft zij een toezicht-, sanctie- en gedoogstrategie opgesteld. De wijze waarop de gemeente handelt bij overtredingen is daarin vastgelegd. Het uitgangspunt voor handhaving is: elke norm die het verdient te worden gesteld, verdient het ook te worden gehandhaafd. De gemeente is verantwoordelijk voor het algemeen belang, dat concreet wordt in de belangen van veiligheid, volksgezondheid, natuurlijk milieu en ruimtelijke kwaliteit. Deze belangen vragen om een actieve handhaving. Een goede handhaving start echter al bij het opstellen van beleid, regels en voorschriften. Om in dit verband bestemmingsplannen actief te kunnen handhaven moet voldaan zijn aan de volgende criteria: - het opstellen van uitvoerbaar beleid en duidelijke regels; - het verstrekken van duidelijke informatie op basis waarvan burgers en bedrijven hun keuzes kunnen maken; - zorgen voor de naleving van regels door middel van toezicht en de inzet van handhavingsinstrumenten.
Als primaire verantwoordelijkheid van burgers en bedrijven wordt gezien: - het aanvaarden van de consequenties van de eigen keuzes; - nakoming van afspraken en naleving van regels. In het Handhavingsprogramma wordt het concrete belang van handhaving van regels van bestemmingsplannen aangegeven. De negatieve effecten van niet-handhaving kunnen immers groot zijn, zoals schade aan natuur en ruimtelijke kwaliteit, financieel-economische schade en onveiligheid. Maar ook kunnen burgers en bedrijven worden benadeeld door illegale activiteiten van hun buren/omwonenden. De ruimte in Nederland is schaars en iedereen heeft belang bij een goede woon-, werk- en leefomgeving. De kwaliteit hiervan wordt grotendeels in bestemmingsplannen vastgelegd en die kwaliteit verdient het om te worden beschermd, onder meer door toezicht op naleving van de regels en desnoods bestuursrechtelijke handhaving. Het bestuurlijke belang van een adequate handhaving van bestemmingsplannen is dus groot, maar dat geldt ook voor de individuele belangen van burgers en bedrijven.
7.2
Professionele handhaving en handhavingsprogramma
De gemeente Oss voldoet aan de wettelijke kwaliteitscriteria voor een professionele handhavingsorganisatie. Elke vier jaar wordt er een Handhavingsprogramma opgesteld waarin de prioriteiten voor de uitvoering worden vastgelegd. Dit gebeurt na de aantreding van een nieuwe gemeenteraad en de vorming van een nieuw college van burgemeester en wethouders. Elk jaar wordt aan de hand van een probleem- of omgevingsanalyse een voortschrijdend programma gemaakt, waarin rekening wordt gehouden met gewijzigde wetgeving en de op dat moment concrete problematiek. Handhaving van bestemmingsplannen is een vaste prioriteit in het programma.
Stationskwartier Ravenstein – 2023, pag. 92 van 94 Ontwerp december 2023
7.3
Handhaafbaarheid, positief bestemmen, overgangsrecht
De regels van dit bestemmingsplan zijn getoetst op handhaafbaarheid. De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voorziet in een verbod op het (laten) gebruiken van gronden en bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan. Overtreding van dit verbod is een strafbaar feit. In beginsel worden bouwwerken die in overeenstemming zijn met het vorige bestemmingsplan positief bestemd. Hetzelfde geldt voor gebruik in overeenstemming met het vorige bestemmingsplan. Met andere woorden: bestaande rechten worden gerespecteerd. Zij zijn in beginsel alleen onder het algemene overgangsrecht gebracht als te voorzien is dat zij binnen de planperiode van tien jaar zullen verdwijnen. Als sprake is van een naar huidige beleidsinzichten onwenselijke situatie die in het vorige bestemmingsplan al onder het overgangsrecht valt, is bezien of deze onder het persoonsgebonden overgangsrecht kan worden gebracht. Dat wil zeggen dat het overgangsrecht voor de betreffende percelen is beperkt tot degenen die die percelen gebruiken op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Voortgezet gebruik door anderen wordt niet als bestaand gebruik aangemerkt. Wij geven hieraan de voorkeur boven een uitsterfconstructie. Een uitsterfconstructie houdt in feite een positieve bestemming in, die afloopt na beëindiging van het betreffende gebruik. Dit maakt opvolging in de tijd door meerdere gebruikers mogelijk.
Daarmee kan in beginsel het ongewenste gebruik eindeloos lang duren. Persoonsgebonden overgangsrecht heeft als voordeel dat het gekoppeld is aan gebruik door één specifieke gebruiker of een beperkt aantal specifieke gebruikers. Daarmee kan het ongewenste gebruik in de praktijk eerder beëindigd worden, en zeker niet eindeloos lang voort blijven duren, waarmee mee recht wordt gedaan aan de bedoeling van overgangsrecht. Het persoonsgebonden overgangsrecht heeft zeker bij situaties die illegaal zijn ontstaan onze voorkeur boven een uitsterfregeling. Daarnaast kan het voorkomen dat bouwwerken in strijd met het vorige bestemmingsplan zijn opgericht, of dat bestaand gebruik in strijd is met dat plan. Een positieve bestemming ligt dan in de rede als de met het vorige bestemmingsplan strijdige situatie naar huidige beleidsinzichten ruimtelijk aanvaardbaar is. Indien de betreffende situatie ruimtelijk niet aanvaardbaar is, zal hiertegen in beginsel handhavend worden opgetreden. Indien dat in een uitzonderlijk geval niet (meer) mogelijk is, is bezien of de situatie onder het persoonsgebonden overgangsrecht gebracht kan worden. Overigens zijn strijdige situaties op grond van de planregels standaard uitgezonderd van het algemene overgangsrecht. Het Besluit ruimtelijke ordening schrijft dit voor.
Uiteindelijk is altijd maatwerk vereist om te bepalen of een positieve bestemming, algemeen overgangsrecht of persoonsgebonden overgangsrecht mogelijk is.
Stationskwartier Ravenstein – 2023, pag. 93 van 94 Ontwerp december 2023
Hoofdstuk 8
Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien: - Het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzeker is. - Het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoel in artikel 6.13, eerste lid, onder C, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is; - Het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is. Planspecifiek De gemeente heeft alle gronden in het plangebied in eigendom. Het kostenverhaal is verzekerd middels de gronduitgifte van bouwrijpe gronden. Voor de ontwikkeling van de gronden met een directe (woon)bestemming is door de gemeente een grondexploitatie opgesteld op basis waarvan de economische uitvoerbaarheid van het plan is gewaarborgd.
Stationskwartier Ravenstein – 2023, pag. 94 van 94 Ontwerp december 2023
Hoofdstuk 9
Overleg en maatschappelijke uitvoerbaarheid
9.1 Omgevingsdialoog De omgeving van het plangebied is over het initiatief geïnformeerd. Zie verslag van de omgevingsdialoog in bijlage 24. 9.2 Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat ‘het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan daarbij overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn’. Ter uitvoering daarvan zijn genoemde instanties in de gelegenheid gesteld om te reageren op het voorontwerp-bestemmingsplan. Het eindverslag van dit vooroverleg is als bijlage 25 opgenomen bij deze toelichting. 9.3 Inspraak Er wordt geen inspraakprocedure gedaan. Er heeft een uitgebreide omgevingsdialoog plaatsgevonden. Zie paragraaf 9.1. 9.4 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft op grond van de Wet ruimtelijke ordening en de Algemene wet bestuursrecht voor iedereen gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Tegelijkertijd is het plan elektronisch beschikbaar gesteld via de gemeentelijke website en de landelijke website www.ruimtelijkeplannen.nl. Burgemeester en wethouders hebben de terinzagelegging vooraf meegedeeld in het plaatselijke blad Oss Actueel, in het Gemeenteblad en op de gemeentelijke website.
Iedereen kon zijn zienswijze over het ontwerpbestemmingsplan bij de gemeenteraad naar voren brengen tijdens de terinzagelegging. Het eindverslag van deze zienswijzenprocedure maakt onderdeel uit van het raadsbesluit tot vaststelling van dit bestemmingsplan.
Stationskwartier Ravenstein - 2024
Stationskw artier Ravenstein - 2024 pag 2 van 43 ontw erp
Inhoudsopgave
Regels
3
Hoofdstuk 1
Inleidende regels
4
Artikel 1
Begrippen
4
Artikel 2
Wijze van meten
11
Hoofdstuk 2
Bestemmingsregels
13
Artikel 3
Agrarisch met waarden - Landschap
13
Artikel 4
Verkeer - Railverkeer
17
Artikel 5
Verkeer - Verblijf
19
Artikel 6
Water
20
Artikel 7
Woongebied
21
Artikel 8
Leiding - Water
26
Artikel 9
Waarde - Archeologie Monument 1
28
Artikel 10
Waarde - Archeologie Monument 2
30
Artikel 11
Waarde - Archeologie verwachtingswaarde hoog
32
Hoofdstuk 3
Algemene regels
34
Artikel 12
Anti-dubbeltelregel
34
Artikel 13
Algemene bouwregels
35
Artikel 14
Algemene aanduidingsregels
38
Artikel 15
Afwijken van de bouwregels algemeen
39
Artikel 16
Algemene wijzigingsregels
40
Artikel 17
Overige regels
41
Hoofdstuk 4
Overgangs- en slotregels
42
Artikel 18
Overgangsrecht
42
Artikel 19
Slotregel
43
Stationskw artier Ravenstein - 2024 pag 3 van 43 ontw erp
Regels
Stationskw artier Ravenstein - 2024 pag 4 van 43 ontw erp
Hoofdstuk 1 Artikel 1 1.1
Inleidende regels
Begrippen
plan:
het bestemmingsplan Stationskwartier Ravenstein - 2024 met identificatienummer NL.IMRO.0828.BPstationskwrtrrvn-ON01 van de gemeente Oss. 1.2
bestemmingsplan:
de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3
aanbouw:
een aan een hoofdgebouw toegevoegde, afzonderlijke ruimte die qua afmetingen en/of visueel opzicht (onder meer voor wat betreft goothoogte, dakhelling en/of dakvorm), ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. 1.4
aanduiding:
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar volgens de regels regels worden gesteld over het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.5
aan huis gebonden activiteit:
een beroeps- of bedrijfsmatige activiteit die in of bij een woning door de bewoner wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is. 1.6
bebouwing:
gebouwen en bouwwerken die geen gebouw zijn. 1.7
bed en breakfast:
een kleinschalige overnachtingsaccommodatie gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een toeristisch en veelal kortdurend verblijf met het serveren van ontbijt, gevestigd in een woonhuis of bijbehorende aan- of uitbouw of bijgebouw en volledig gedreven door de bewoner van het betreffende woonhuis. 1.8
bedrijf/bedrijfsactiviteit:
de uitoefening van opslag-, handels-, transport- en industriële en ambachtelijke bedrijven, een en ander met uitsluiting van agrarische bedrijven, detailhandel, horeca, dienstverlening, zelfstandige kantoren, maatschappelijke voorzieningen en voorzieningen op het gebied van cultuur en ontspanning. 1.9
bedrijfsgebouw:
een gebouw dat dient voor de uitoefening van een bedrijf of bedrijfsactiviteit. 1.10
bedrijfswoning:
een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein noodzakelijk is.