CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Concept Raadsbesluit APV Oss 2025

Gemeenteraad 19 juni 2025, gemeente OssBij agendapunt: A Technische aanpassing Algemene plaatselijke verordening Oss aan Omgevingswet20.791 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

7. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen: a.

b. c.

in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten;

als het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;

als de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

d.

als redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met het in de

e.

als er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met

f.

g.

h.

vergunning vermelde in overeenstemming is;

het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; als de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend omgevingsplan;

als de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij

activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf danwel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; als er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden;

i.

als door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast;

k.

als de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd.

j.

als de voorschriften uit de vergunning niet worden nageleefd en/of

8. De burgemeester kan de sluiting van een gebouw of gedeelte van een gebouw bevelen als het

daarin gevestigde bedrijf zonder de vereiste vergunning van dit artikel wordt geëxploiteerd of als één van de situaties als bedoeld in het zevende lid van toepassing is.

9. Het is een ieder verboden een overeenkomstig het achtste lid van deze bepaling gesloten bedrijf of gebouw te betreden of daarin te verblijven.

10. De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven als uit later bekend geworden feiten en

omstandigheden moet worden afgeleid dat de bescherming van de belangen in verband waarmee deze regeling van kracht is, geen langere sluiting vergen.

11. De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijf waardoor deze niet

langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen één maand, aan de burgemeester te melden en een wijziging van zijn

vergunning aan te vragen. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als het bedrijf aan de vereisten voldoet. Als niet binnen een maand na de verandering van omstandigheden een aanvraag wordt ingediend, kan de burgemeester de verleende vergunning intrekken. Een

bestaande vergunning vervalt, zodra de vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, in werking treedt.

12. Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat een op de vergunning vermelde beheerder in het bedrijf aanwezig is.

13. Het aanwijzingsbesluit geldt voor het aangewezen gebouw, het aangewezen gebied en de

aangewezen bedrijfsmatige activiteiten direct na de inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit.

Voor bedrijven die vóór de inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit in het aangewezen gebouw

of gebied gevestigd waren en/of zich bezig hielden met de aangewezen bedrijfsmatige activiteiten, moet in het aanwijzingsbesluit een redelijke overgangstermijn geboden worden, na het verstrijken waarvan het verbod uit het derde lid van toepassing wordt. De overgangstermijn bedraagt minimaal 6 maanden en maximaal 1 jaar.

14. Op de vergunning van dit artikel is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:91 Sluiting voor publiek toegankelijke gebouwen en/of erven

1. De burgemeester kan een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet voor een bepaalde duur geheel of gedeeltelijk sluiten, als daar: a.

wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie aanwezig zijn waarvoor geen

b.

is gehandeld in strijd met artikel 1 van de Wet op de kansspelen; of

c.

d.

ontheffing, vergunning of verlof is verleend; of

door misdrijf verkregen zaken voorhanden, bewaard of verborgen zijn dan wel zijn verworven of overgedragen; of

zich andere feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die naar het oordeel van de

burgemeester de vrees wettigen dat het geopend blijven van het voor publiek toegankelijk

gebouw of het bij dat gebouw behorende erf als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid.

2. Onverminderd het bepaalde in artikel 5:24 van de Algemene wet bestuursrecht over de

bekendmaking, wordt het bevel tot sluiting tevens bekend gemaakt door een schrijven waaruit van dat bevel tot sluiting blijkt, aan te brengen op of nabij de toegang tot het gebouw of het erf.

3. De rechthebbende laat toe dat een afschrift van het sluitingsbevel wordt aangebracht.

4. Het is de rechthebbende op het gebouw en/of erf verboden om, nadat het bevel tot sluiting

bekend is gemaakt op de in het tweede lid aangegeven wijze, daarin bezoekers toe te laten of te verblijven.

5. Het is eenieder verboden om, nadat het bevel tot sluiting openbaar bekend is gemaakt op de in het tweede lid aangegeven wijze, in een bij dit bevel gesloten gebouw en/of erf als bezoeker te verblijven.

6. De burgemeester trekt het sluitingsbevel in als naar zijn oordeel de in het eerste lid genoemde belangen voortzetting van de sluiting niet langer vereisen.

7. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het onderwerp van de regeling van het eerste lid elders wordt voorzien in deze verordening of in artikel 13b van de Opiumwet.

Hoofdstuk 3. Regulering prostitutie, seksbranche en aanverwante onderwerpen

Afdeling 1. Algemene bepalingen

Artikel 3:1 Afbakening De artikelen 1:2 en 1:5 tot en met 1:8 zijn niet van toepassing op het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde.

Artikel 3:2 Definities In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: -

advertentie: elke commerciële uiting in een medium, die een seksbedrijf of een prostituee onder de aandacht van het publiek brengt;

-

beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding van een seksbedrijf;

-

bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester;

-

escortbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie in de vorm van bemiddeling tussen klant en prostituee;

-

exploitant: de natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, voor zover van

toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijk persoon, voor wiens rekening en risico een seksbedrijf wordt uitgeoefend; -

klant: degene die gebruik maakt van de door een exploitant van een prostitutiebedrijf of een prostituee aangeboden seksuele diensten;

-

prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling;

-

prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling;

-

prostitutiebedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie; raamprostitutiebedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot

prostitutie, waarbij het werven van klanten gebeurt door een prostituee die zichtbaar is vanuit een voor publiek toegankelijke plaats;

-

seksbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie of tot het verrichten van seksuele handelingen voor een ander tegen betaling of uit het bedrijfsmatig

aanbieden van vertoningen van erotisch-pornografische aard in een seksinrichting tegen betaling; -

seksinrichting: voor het publiek toegankelijke besloten ruimte, onderdeel van een seksbedrijf;

werkruimte: als zelfstandig aan te merken onderdeel van een seksinrichting waarin de seksuele handelingen met een ander tegen betaling worden verricht.

Afdeling 2. Vergunning seksbedrijf

Artikel 3:3 Vergunning 1.

Het is verboden een seksbedrijf uit te oefenen zonder vergunning van het bevoegde

2.

Op een aanvraag om een vergunning wordt binnen twaalf weken beslist. Deze termijn kan met ten

3. 4. 5. 6.

bestuursorgaan.

hoogste twaalf weken worden verlengd.

Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing.

Een vergunning kan mede voor een seksinrichting worden verleend.

De vergunning wordt verleend aan de exploitant en op diens naam gesteld. De vergunning kan worden verlengd.

Artikel 3:4 Concentratie seksinrichtingen Het college kan delen van de gemeente aanwijzen waarbuiten voor het vestigen van een seksinrichting geen vergunning wordt verleend

Artikel 3:5 Maximum aantal vergunningen voor seksinrichtingen Voor het uitoefenen van een raamprostitutiebedrijf wordt geen vergunning verleend. Het college kan een maximum stellen aan het totaal aantal seksinrichtingen, niet zijnde raamprostitutiebedrijven, waarvoor vergunning kan worden verleend.

Artikel 3:6 Aanvraag 1.

Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door de

2.

Bij de aanvraag om een vergunning wordt vermeld voor welke activiteit vergunning wordt

burgemeester vastgesteld formulier.

gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd: a.

b. c.

de persoonsgegevens van de exploitant;

het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;

of in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag de exploitant een vergunning voor een

seksbedrijf is geweigerd of een aan de exploitant verleende vergunning voor een seksbedrijf is ingetrokken;

d.

het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend;

f.

het vaste telefoonnummer dat in advertenties voor het seksbedrijf zal worden gebruikt;

e.

het adres van een onder het seksbedrijf vallende seksinrichting;

g. h.

een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht van de exploitant;

indien van toepassing, de verblijfstitel van de exploitant;

i.

een actuele verklaring betalingsgedrag nakoming fiscale verplichtingen, verstrekt door de

j.

bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het gebruik van de ruimtes bestemd

k.

indien van toepassing, de plaatselijke ligging van de seksinrichting waarvoor vergunning

l.

Belastingdienst;

voor de uitoefening van het seksbedrijf;

wordt aangevraagd, door middel van een situatieschets met een noordpijl en schaalaanduiding;

indien van toepassing, de plattegrond van de seksinrichting waarvoor vergunning wordt aangevraagd, door middel van een tekening met een schaalaanduiding.

3.

Als er een beheerder is aangesteld, is het tweede lid, onder a, b, c, g en h, van overeenkomstige

4.

Als de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag, kan hij verlangen dat

toepassing op de beheerder.

aanvullende gegevens worden overgelegd.

Artikel 3:7 Weigeringsgronden 1.

Een vergunning wordt geweigerd als: a.

de exploitant of de beheerder onder curatele staat;

b. c.

de exploitant of de beheerder onherroepelijk is veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict

d.

de exploitant of de beheerder de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt;

e. f.

g.

de exploitant of de beheerder is ontzet uit het ouderlijk gezag of de voogdij;

of voor mensenhandel, of in enig ander opzicht van slecht levensgedrag is;

redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;

redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager in strijd zal handelen met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften;

er aanwijzingen zijn dat voor of bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn of zullen zijn

die, als het prostituees betreft, nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, als het overige personen betreft, nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, slachtoffer zijn van mensenhandel of verblijven of werken in strijd met het bepaalde bij of krachtens de

h.

i.

Vreemdelingenwet 2000;

de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan zes maanden;

de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning

wordt aangevraagd, bij meer dan één rechterlijke uitspraak of strafbeschikking onherroepelijk veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500 of meer of tot een andere

hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van:

1º. bepalingen, gesteld bij of krachtens de Alcoholwet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000, de Wet arbeid vreemdelingen en hoofdstuk 3 van deze verordening;

2º. de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 416, 417, 417bis, 420bis tot en met 420quinquies, 426 en 429quater van het Wetboek van Strafrecht;

3º. artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;

4º. de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede de artikelen 6 juncto 8 en 163 van de Wegenverkeerswet 1994;

5º. de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; of

6º. de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. j.

k.

2.

een maximum als bedoeld in artikel 3:5 is vastgesteld en dit maximum al is bereikt

de voorgenomen uitoefening van het seksbedrijf strijd zal opleveren met het omgevingsplan of een bekendgemaakte ontwerpwijziging daarvan of een aanwijzing als bedoeld in artikel 3:4.

Met een veroordeling als bedoeld in het eerste lid, onder h, wordt gelijkgesteld: a.

b.

een bevel tot tenuitvoerlegging van een zodanige voorwaardelijke straf;

betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht of een onherroepelijk geworden strafbeschikking als bedoeld in artikel 76, tweede

lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom of geldboete minder dan € 375 bedraagt.

3. De periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder g en h, wordt bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning.

4. Voor de berekening van de periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder h en i, telt de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan, niet mee.

5. Een vergunning kan in ieder geval worden geweigerd: a.

voor een seksbedrijf waarvoor de vergunning op grond van artikel 3:9, eerste lid, aanhef en

onder a tot en met f, of tweede lid, aanhef onder a tot en met g, of in het geval en onder de

voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het b.

c.

d.

e. f.

openbaar bestuur is ingetrokken, gedurende een periode van vijf jaar na de intrekking;

als niet is voldaan aan een bij of krachtens artikel 3:6 gestelde eis met betrekking tot de

aanvraag, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bevoegde bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen;

als de vergunning geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op het uitoefenen van een

prostitutiebedrijf in een seksinrichting waarvoor eerder een vergunning is ingetrokken, of in die seksinrichting eerder zonder vergunning een prostitutiebedrijf is uitgeoefend;

als de openbare orde, de woon- en leefomgeving of de veiligheid en de gezondheid van

prostituees of klanten nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de seksinrichting waarvoor de vergunning is aangevraagd;

als het bedrijfsplan niet voldoet aan artikel 3:15, eerste en tweede lid;

als onvoldoende aannemelijk is dat de exploitant de bij artikel 3:17 gestelde verplichtingen zal naleven

Artikel 3:8 Eisen met betrekking tot vergunning

1. De vergunning vermeldt in ieder geval: a.

de exploitant;

b.

indien van toepassing, die van de beheerder;

d.

het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend;

f.

indien van toepassing, het adres van de onder dat seksbedrijf vallende seksinrichting

c.

e.

voor welke activiteit de vergunning is verleend;

het vaste telefoonnummer dat in advertenties voor het seksbedrijf zal worden gebruikt; waarvoor de vergunning mede is verleend;

g.

de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden;

i.

het nummer van de vergunning.

h.

voor zover van toepassing, de geldigheidsduur van de vergunning;

2. De exploitant draagt er zorg voor dat de vergunning of een afschrift daarvan zichtbaar aanwezig is in de seksinrichting waarvoor de vergunning mede is verleend, en tevens dat aan de buitenzijde van de seksinrichting zichtbaar is dat hij over een vergunning voor die seksinrichting beschikt.

Artikel 3:9 Intrekkingsgronden 1.

De vergunning wordt ingetrokken als: a.

andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling daarvan de juiste gegevens bekend waren geweest;

b.

de vergunning in strijd met een wettelijk voorschrift is gegeven;

d.

zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3:7, eerste lid, onder a tot en met i;

f.

de vergunninghouder dat verzoekt;

c.

e.

g. 2.

de verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn dat op de aanvraag een

is gehandeld in strijd met de artikelen 3:10, 3:13, aanhef en onder a, 3:14, 3:15 en 3:17, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onderdeel b, aanhef en onder 1°;

zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3:7, eerste lid, onder a tot en met h;

de uitoefening van het seksbedrijf strijd oplevert met het omgevingsplan of een aanwijzing als bedoeld in artikel 3:4.

De vergunning kan worden geschorst of ingetrokken als: a.

b.

is gehandeld in strijd met aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen;

in verband met gewijzigde wettelijke voorschriften, gewijzigde omstandigheden of gewijzigde inzichten de bescherming van de belangen met het oog waarop het vergunningsvereiste is gesteld, zwaarder wegen dan het belang van de vergunninghouder bij behoud van de

c.

vergunning;

een niet in de vergunning vermelde persoon exploitant of beheerder is geworden;

d.

is gehandeld in strijd met een of meer van de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde

e.

is gehandeld in strijd met de in het bedrijfsplan beschreven maatregelen;

f.

bepalingen, onverminderd het eerste lid, aanhef en onder c;

zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de woon- en leefomgeving of de gezondheid van prostituees of klanten;

g.

de exploitant of de beheerder het toezicht op de naleving van het in dit hoofdstuk bepaalde

h.

er bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn die onherroepelijk zijn veroordeeld voor een

i.

belemmert of bemoeilijkt;

gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel;

gedurende ten minste zes maanden geen gebruik is gemaakt van de vergunning.

Artikel 3:10 Melding gewijzigde omstandigheden De vergunninghouder meldt elke verandering waardoor zijn seksbedrijf niet langer in

overeenstemming is met de op grond van artikel 3:8, eerste lid, in de vergunning opgenomen

gegevens, zo spoedig mogelijk aan het bevoegde bestuursorgaan. Deze verleent een gewijzigde vergunning, als het seksbedrijf aan de vereisten voldoet.

Artikel 3:11 Verlenging vergunning 1.

Op een aanvraag om verlenging van een vergunning zijn de artikelen 3:3, [3:5,] 3:6 tot en met 3:8 en 3:15, derde lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat actuele gegevens en

bescheiden waarover het bevoegde bestuursorgaan al beschikking heeft niet nogmaals overgelegd dienen te worden.

2.

Als ten minste twaalf weken voorafgaand aan de vervaltermijn van de vergunning verlenging van de vergunning is aangevraagd, blijft de vergunning van kracht totdat op de aanvraag om verlenging is besloten.

Afdeling 3. Uitoefenen seksbedrijf

Paragraaf 3.1 Regels voor alle seksbedrijven

Artikel 3:12 Sluitingstijden seksinrichtingen; aanwezigheid; toegang 1.

Het is de exploitant en de beheerder verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven op maandag tot en met vrijdag

tussen 02.00 uur en 06.30 uur en op zaterdag en zondag tussen 03.00 uur en 06.30 uur, tenzij bij 2. 3.

4.

vergunning anders is bepaald.

Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die inrichting gesloten dient te zijn voor bezoekers.

Het is een prostituee verboden zich te bevinden in een seksinrichting op maandag tot en met

vrijdag tussen 02.00 uur en 06.30 uur en op zaterdag en zondag tussen 03.00 uur en 06.30 uur, tenzij bij vergunning anders is bepaald.

Het is de exploitant en de beheerder verboden personen die nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt toe te laten of te laten verblijven in een seksinrichting.

Artikel 3:13 Adverteren Het is verboden in advertenties voor een seksbedrijf: a.

geen vermelding op te nemen van het telefoonnummer, bedoeld in artikel 3:8, eerste lid, onder e,

b.

vermelding op te nemen van een ander telefoonnummer dan bedoeld onder a; en

c.

van het nummer, bedoeld in artikel 3:8, eerste lid, onder i, en van de bedrijfsnaam;

als het een prostitutiebedrijf betreft, onveilige seks aan te bieden of te garanderen dat prostituees die voor of bij het betreffende bedrijf werken vrij zijn van seksueel overdraagbare aandoeningen.

Paragraaf 3.2 Regels voor alle prostitutiebedrijven en prostituees

Artikel 3:14 Leeftijd en verblijfstitel prostituees; verbod werken voor onvergund prostitutiebedrijf 1.

Het is een exploitant verboden een prostituee voor of bij zich te laten werken die a.

b. 2.

nog niet de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt;

in Nederland verblijft of werkt in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000.

Het is een prostituee verboden werkzaam te zijn voor of bij een exploitant aan wie geen vergunning voor een prostitutiebedrijf is verleend.

Artikel 3:15 Bedrijfsplan

1.

Een prostitutiebedrijf beschikt over een bedrijfsplan, waarin in ieder geval wordt beschreven welke maatregelen de exploitant treft: a.

b. c. 2.

d.

op het gebied van hygiëne;

ter bescherming van de gezondheid, de veiligheid en het zelfbeschikkingsrecht van de prostituees;

ter bescherming van de gezondheid van de klanten;

ter voorkoming van strafbare feiten.

De door de exploitant te treffen maatregelen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, waarborgen dat: a.

de hygiëne in een seksinrichting voldoet aan de algemene eisen die hiervoor in de branche

b.

inzichtelijk en controleerbaar is welke maatregelen een exploitant in zijn bedrijfsvoering en

c.

gelden en dat dit controleerbaar is;

inrichting van de werkruimten treft voor gezonde en veilige werkomstandigheden voor prostituees;

in de werkruimten te allen tijde voldoende condooms met een CE-markering voor gebruik beschikbaar zijn;

d.

in de werkruimten voor de prostituees een goed functionerende alarmvoorziening aanwezig

e.

de prostituee zich regelmatig kan laten onderzoeken op seksueel overdraagbare

f.

is;

aandoeningen en door de exploitant voldoende geïnformeerd is over de mogelijkheden van een dergelijk onderzoek;

de prostituee niet gedwongen wordt zich geneeskundig te laten onderzoeken;

g.

de prostituee vrij is in de keuze van de arts(en) die zij wil bezoeken;

i.

de prostituee kan weigeren alcohol of drugs te gebruiken zonder dat dat voor haar

j.

aan de voor de exploitant werkzame beheerder voldoende professionele eisen op het gebied

h.

k.

l.

de prostituee klanten en diensten kan weigeren zonder dat dat voor haar andere werkzaamheden gevolgen heeft; werkzaamheden gevolgen heeft;

van agressiebeheersing en bedrijfshulpverlening worden gesteld en waar nodig wordt gezorgd voor scholing hierin;

de exploitant zich een oordeel vormt over de mate van zelfredzaamheid van de prostituee

voordat deze voor of bij hem gaat werken, teneinde vast te stellen of zij voldoet aan de eisen die hij hiervoor in zijn bedrijfsplan heeft opgenomen;

de exploitant voor elke voor of bij hem werkzame prostituee kan aantonen onder welke verhuur- of arbeidsvoorwaarden zij haar diensten aanbiedt;

m. de exploitant of beheerder zich er regelmatig van vergewist dat de prostituee niet door derden gedwongen wordt tot prostitutie en dat hij in dit kader informatie van

n.

o. 3. 4.

hulpverleningsinstanties ter beschikking stelt;

de exploitant aan de voor of bij hem werkzame prostituees informatie ter beschikking stelt

over de mogelijkheden om hulp te krijgen als een prostituee wil stoppen met haar werk in de prostitutie;

de overlast aan de omgeving van de onder het seksbedrijf vallende seksinrichtingen beperkt wordt.

Het bedrijfsplan wordt overgelegd bij de aanvraag om een vergunning.

De exploitant meldt een voorgenomen wijziging van het bedrijfsplan onverwijld aan het bevoegde bestuursorgaan. De wijziging wordt na goedkeuring van het bevoegde bestuursorgaan als

onderdeel van het bedrijfsplan aangemerkt, als deze voldoet aan de eisen die overeenkomstig het eerste en tweede lid aan een bedrijfsplan worden gesteld.

5.

6.

De rechten voor prostituees, die worden gewaarborgd op grond van het tweede lid, worden op

schrift gesteld en in een voor haar begrijpelijke taal uitgereikt aan elke prostituee die werkzaam is voor of bij de exploitant.

In de seksinrichting wordt in ten minste twee talen en voor de klant goed zichtbaar bekend

gemaakt dat een prostituee klanten en diensten mag weigeren en mag weigeren alcohol of drugs te gebruiken.

Artikel 3:16 Minimale verhuurperiode werkruimte Een werkruimte wordt bij aanvang van het huren voor ten minste 4 aaneengesloten weken verhuurd.

Artikel 3:17 Verdere verplichtingen van de exploitant en beheerder prostitutiebedrijf 1.

De exploitant of de beheerder is aanwezig gedurende de uren dat het prostitutiebedrijf

2.

De exploitant van een prostitutiebedrijf draagt er zorg voor dat:

daadwerkelijk wordt uitgeoefend. 1.

de voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame prostituees redelijkerwijs hun eigen werktijden

2.

er een deugdelijke bedrijfsadministratie wordt gevoerd waarin de actuele gegevens zijn

kunnen bepalen;

opgenomen van in ieder geval;

1º. de voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame prostituees; 2º. de verhuuradministratie;

3º. met betrekking tot alle voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame prostituees, de

documentatie die ten grondslag ligt aan de vorming van het oordeel over de mate van zelfredzaamheid, bedoeld in artikel 3:15, tweede lid, onder k;

4º. de werkroosters van de beheerders; 3.

de bedrijfsadministratie met inachtneming van de wettelijke termijnen wordt bewaard en te

4.

medewerkers van de gemeentelijke gezondheidsdienst en van andere door de burgemeester

allen tijde beschikbaar is voor toezichthouders;

of het college aangewezen instellingen worden toegelaten tot seksinrichtingen als ze

voornemens zijn voorlichtings- en preventieactiviteiten uit te voeren of voorlichtingsmateriaal 5. 6.

7.

te verspreiden;

onverwijld bij de politie wordt gemeld ieder signaal van mensenhandel of andere vormen van dwang en uitbuiting;

onverwijld aan de burgemeester wordt gemeld als gedurende ten minste één maand geen gebruik gemaakt zal worden van de vergunning. Deze melding vermeldt de reden en de verwachte duur;

gedaan wordt wat nodig is voor een goede gang van zaken binnen het prostitutiebedrijf.

Paragraaf 3.3 Raam- en straatprostitutie

Artikel 3:18 Raamprostitutie Het is een prostituee verboden: a.

zich vanuit een gebouw of vanuit de toegang naar een gebouw aan klanten die zich op of aan de weg bevinden beschikbaar te stellen; en

b.

passanten hinderlijk te bejegenen of zich aan passanten op te dringen dan wel zich ongekleed of

vrijwel ongekleed achter het raam van een seksinrichting of in de toegang tot een seksinrichting op te houden.

Artikel 3:19 Straatprostitutie Het is verboden op of aan de weg of op, aan of in een andere vanaf de weg zichtbare plaats, niet zijnde een seksinrichting waarvoor een vergunning is verleend, zich op te houden met het kennelijke doel prostitutie of het verrichten van seksuele handelingen in het kader van prostitutie.

Artikel 3:20 Handhaving straatprostitutie 1.

2.

Met het oog op de naleving van het verbod, bedoeld in artikel 3:19, eerste lid, kan door een

politieambtenaar of toezichthouder het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.

Een politieambtenaar of toezichthouder kan een persoon die zich op een krachtens artikel 3:19, tweede lid, aangewezen weg bevindt, in het belang van de openbare orde, de woon- en

leefomgeving, het voorkomen of beperken van overlast, de veiligheid, de zedelijkheid of de

gezondheid van prostituees of klanten bevelen zich onmiddellijk in een door hem aangegeven richting te verwijderen.

Afdeling 4. Overige bepalingen

Artikel 3:21 Verbodsbepalingen klanten 1.

2. 3.

Het is een klant verboden seksuele handelingen te verrichten met een prostituee van wie hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat zij werkzaam is voor of bij een exploitant aan wie geen vergunning voor een prostitutiebedrijf is verleend.

Het is verboden op of aan de weg of op, aan of in een andere voor publiek toegankelijke plaats gebruik te maken van de diensten van een prostituee.

Het verbod, bedoeld in het tweede lid, geldt niet in een seksinrichting waarvoor een vergunning is verleend

Artikel 3:22 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke 1.

Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen,

opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotischpornografische aard openlijk tentoon te stellen, aan te bieden of aan te brengen als de

burgemeester aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen,

aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar 2.

brengt.

Het eerste lid is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.

Hoofdstuk 4. Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente

Afdeling 1. Voorkomen of beperken geluidhinder en hinder door verlichting

Artikel 4:1 Definities In deze afdeling wordt verstaan onder: a.

Activiteitenbesluit milieubeheer: Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct

b.

inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet

voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, met dien verstande dat

de artikelen 4:2 tot en met 4:5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als c.

bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer;

houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;

d.

collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is

e.

incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal

f.

g.

verbonden;

inrichtingen;

centrum van Oss: zie bijlage 2;

privé feest: een feest dat geen evenement is als bedoeld in artikel 2:24 van deze verordening en dat plaats vindt buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of het Besluit.

Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten 1.

2. 3.

De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit gelden niet voor

door het college aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen voor zover naleving redelijkerwijs niet gevergd kan worden.

Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een festiviteit bekend.

Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.

Artikel 4:3 Melding incidentele festiviteiten 1.

Het is de houder van een inrichting, gelegen in het centrum van Oss, toegestaan maximaal 1

incidentele festiviteit per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit niet van toepassing zijn, mits de houder van de

2.

inrichting dit ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit meldt bij het college.

Het is de houder van een inrichting, gelegen buiten het centrum van Oss, toegestaan maximaal 4 incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit niet van toepassing zijn, mits de houder van de

inrichting dit ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit meldt bij het college.

3. 4. 5. 6.

Het college stelt een formulier vast voor het doen van een melding.

De melding wordt geacht te zijn gedaan wanneer het formulier, volledig, tijdig en naar waarheid is ingevuld.

De melding wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. De muziek van de festiviteit mag alleen binnen een gebouw ten gehore worden gebracht. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behalve voor het

onmiddellijk doorlaten van personen of goederen. Omwonenden moeten tenminste 4 dagen vóór de festiviteit schriftelijk worden geïnformeerd.

Artikel 4:4 Verboden incidentele festiviteiten Het is verboden een incidentele festiviteit te organiseren, toe te laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen indien de burgemeester het organiseren van een festiviteit verboden heeft wanneer naar zijn oordeel de woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting of openbare orde op ontoelaatbare wijze wordt beïnvloed.

Artikel 4:5 (vervallen)

Artikel 4:6 (vervallen)

Artikel 4.6A Geluidhinder privéfeest 1.

Het is verboden in verband met een privéfeest in de openlucht een muziekinstallatie in werking te

2.

Het geluidsniveau van de muziek van een privéfeest dient zodanig te zijn dat omwonenden geen

3.

hebben of muziek te maken tussen 00.00 uur en 08.00 uur. overlast ondervinden.

Het college kan nadere regels stellen.

Artikel 4:6B Overige geluidhinder 1.

2. 3.

4.

Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of van het Besluit op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.

Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de

Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale omgevingsverordening.

Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing

Afdeling 2. Bodem-, weg- en milieuverontreiniging

Artikel 4:7 (Vervallen)

Artikel 4:8 Natuurlijke behoefte doen Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.

Artikel 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet

bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.

Afdeling 3. Het bewaren van houtopstanden Artikel 4:10A Definities 1.

In deze afdeling wordt verstaan onder: a.

bijzondere bomen: bijzondere beschermingswaardige individuele houtopstanden die staan op

b.

Bomeneffect analyse: een beoordeling van de gevolgen van voorgenomen bouw of aanleg voor

c.

Boom: een levend houtig opgaand gewas;

de Lijst Bijzondere Bomen (LBB). een houtopstand;

d.

Dunning: een velling uitsluitend bedoeld als verzorgingsmaatregel ter bevordering van groei

e.

Houtopstand: één of meer bomen of boomvormers of houtwal, houtsingel of hakhout. Of

f.

van overblijvende houtopstanden; ander houtachtig gewas

Houtsingel: lijnvormige bosaanplant hoofdzakelijk bestaande uit inheemse heesters, struiken en boomvormers of één of meer rijen bomen;

g.

Houtwal: lijnvormige bosaanplant hoofdzakelijk bestaande uit inheemse heesters, struiken en

h.

Vellen: betreft vellen, doen vellen of laten vellen. Dit is rooien, kappen, of verplanten of het

boomvormers of één of meer rijen bomen staande op een kunstmatige aarden wal;

snoeien van meer dan 20 procent van de kroon of het wortelgestel, met inbegrip van

kandelaberen; betreft het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood, ernstige beschadiging of ernstige ontsiering van de houtopstand ten gevolge kunnen i.

hebben;

Boomwaarde: de waarde van een boom, zoals berekend op basis van de actuele richtlijn van de Nederlandse vereniging van taxateurs van bomen (NVTB).

Artikel 4:10B Bomenlijst 1. 2.

Het college stelt een Lijst Bijzondere Bomen vast.

Deze lijst omvat in ieder geval een voor eenieder goed herkenbare omschrijving, de locatie, de eigenaar en/of zakelijk gerechtigde en de reden van registratie van iedere houtopstand.

Artikel 4:10C Kapverbod bijzondere bomen 1.

Het is verboden de houtopstanden te vellen of te doen vellen die staan vermeld op de Lijst

2.

Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

3.

Bijzondere Bomen.

Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor: a.

houtopstanden die moeten worden geveld krachtens de plantgezondheidswetof krachtens een

b.

het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van het reguliere onderhoud;

c.

d. 4. 5.

e.

aanschrijving van het bevoegd gezag;

het periodiek scheren, knotten of kandelaberen als noodzakelijke beheermaatregel bij vormbomen ter uitvoering van het reguliere onderhoud;

het verrichten van snoeiwerkzaamheden aan bomen met achterstallig onderhoud; dunning van de houtopstanden.

Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor houtopstanden als bedoeld in de Wet natuurbescherming.

Het eerste lid is niet van toepassing als de burgemeester toestemming verleent voor het vellen in

verband met een spoedeisend belang voor de openbare orde of een direct gevaar voor personen of goederen.

Artikel 4:10D Criteria ontheffing bijzondere bomen 1. 2.

Het bevoegd gezag kan ontheffing om een Bijzondere Boom te vellen verlenen.

De ontheffing voor het vellen van Bijzondere Boom kan, mits alternatieven voor behoud uitputtend zijn onderzocht, slechts bij uitzondering worden verleend indien: a.

b.

sprake is van een zwaarwegend algemeen maatschappelijk belang van niet-tijdelijke aard of zeer zwaarwegend individueel belang, van niet-tijdelijke aard dat opweegt tegen duurzaam behoud van de houtopstand;

naar boomdeskundige maatstaven instandhouding niet langer verantwoord is ter voorkoming van letsel of schade.

Artikel 4:10E kapverbod overig 1.

Het is verboden, onverminderd het gestelde in artikel 4:10C eerste lid, zonder vergunning van het bevoegd gezag houtopstanden te vellen die: a.

2.

eigendom zijn van de gemeente Oss en onderdeel zijn van een houtwal of houtsingel;

b.

eigendom zijn van de gemeente Oss en op een hoogte van 1,30 meter boven het maaiveld een

c.

zijn aangelegd op basis van een herplant- en instandhoudingsplicht op grond van de artikelen

stamdiameter van meer dan 40 cm hebben; 4:10I en 4:10J van deze verordening.

Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor: a.

houtopstanden die moeten worden geveld krachtens de Plantgezondheidswet of krachtens

b.

het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van het reguliere onderhoud;

c.

een aanschrijving van het bevoegd gezag;

het periodiek scheren, knotten of kandelaberen als noodzakelijke beheermaatregel bij vormbomen ter uitvoering van het reguliere onderhoud;

d.

het verrichten van snoeiwerkzaamheden aan bomen met achterstallig onderhoud;

f.

het kappen van dode of afgestorven bomen.

e.

dunning van de houtopstand;

3.

Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor houtopstanden als bedoeld in de Wet

4.

Het eerste lid is niet van toepassing als de burgemeester toestemming verleent voor het vellen in

natuurbescherming.

verband met een spoedeisend belang voor de openbare orde of een direct gevaar voor personen of goederen.

Artikel 4:10F Criteria vergunning overig 1. 2.

Het bevoegd gezag kan vergunning om te vellen als bedoeld in artikel 4:10E weigeren of verlenen. In afwijking van artikel 1:8 kan de vergunning voor het vellen van een houtopstand als bedoeld in

artikel 4:10E worden geweigerd, indien de belangen van verlening niet opwegen tegen de belangen van behoud van de houtopstand op basis van één of meer van de volgende waarden: a.

de natuurwaarde van de houtopstand;

b.

de landschappelijke waarde van de houtopstand;

d.

de beeldbepalende waarde van de houtopstand;

f.

de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand.

c.

e.

de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon; de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;

Artikel 4:10G Aanvraag 1.

De ontheffing of vergunning moet schriftelijk en gemotiveerd worden aangevraagd, onder

overlegging van een overzicht van de overige vergunningen, ontheffingen of toestemmingen die nodig zijn voor de realisatie van een project door diegene: a.

b. 2.

met een zakelijk recht op de houtopstand of namens of met toestemming van diegene;

die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de houtopstand te beschikken.

Het bevoegd gezag kan eisen dat bij de aanvraag een Bomeneffect-analyse, compensatieplan of een deskundigenadvies wordt overgelegd

Artikel 4:10H Beperking geldigheidsduur 1.

2.

De ontheffing of vergunning tot vellen als bedoeld in deze verordening vervalt, indien daarvan niet binnen maximaal één jaar na het onherroepelijk zijn van de omgevingsvergunning gebruik is gemaakt.

In het geval het een ontheffing of vergunning voor het vellen van meer dan één houtopstand

betreft, is de omgevingsvergunning voor alle te vellen houtopstanden slechts één jaar geldig, ook als in fasen geveld wordt of één of enkele houtopstand al geveld is.

Artikel 4:10I Bijzondere voorschriften

1.

2. 3. 4.

Tot de aan de omgevingsvergunning te verbinden voorschriften, kan behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door bevoegd gezag te geven aanwijzingen moet worden herplant.

In het voorschrift wordt telkens bepaald binnen welke termijn na de herplant en op welke wijze niet aangeslagen herplant moet worden vervangen.

In het voorschrift kunnen tevens andere voorwaarden worden gesteld ten aanzien van het vellen van de houtopstand.

Degene aan wie de verplichting als bedoeld in het eerste tot het derde lid is opgelegd, alsmede zijn rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.

Artikel 4:10J Herplant- / instandhoudingsplicht 1.

Indien een houtopstand waarop het verbod tot vellen van toepassing is, zonder ontheffing of

vergunning van het bevoegd gezag is geveld, dan wel op andere wijze teniet is gegaan, kan het

bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de houtopstand bevond dan

wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting 2.

3.

opleggen te herplanten volgens aanwijzingen.

Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na herplant en op welke wijze niet aangeslagen herplant moet worden vervangen

Indien een houtopstand waarop het verbod tot vellen van toepassing is in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de

houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om:

4.

a.

overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn

b.

een bomeneffect-analyse op te stellen en aan te bieden aan het bevoegd gezag.

voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen;

Degene aan wie de verplichting als bedoeld in het eerste tot het derde lid is opgelegd, alsmede zijn rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.

Artikel 4:10K Schadevergoeding Het college beslist op een verzoek om schadevergoeding bij weigering van een ontheffing of vergunning tot vellen op grond van de Wet natuurbescherming.

Artikel 4:10L Afstand tot de erfgrenslijn De afstand als bedoeld in artikel 5:42 Burgerlijk Wetboek is vastgesteld op nihil voor bomen, heesters en heggen die eigendom zijn van de gemeente Oss.

Artikel 4:10M Bestrijding van boomziekten

1.

Indien zich op een terrein één of meer houtopstanden bevinden die naar het oordeel van het

college gevaar opleveren van verspreiding van een boomziekte of voor vermeerdering van de ziekteverspreiders zoals insecten, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het college is aangeschreven, verplicht binnen de bij aanschrijving vast te stellen termijn: a.

b. 2.

3.

de houtopstanden te vellen;

conform richtlijnen van de gemeente de gevelde houtopstanden direct zodanig te behandelen dat verspreiding van de boomziekte wordt voorkomen.

Het is verboden zonder vergunning van het college gevelde houtopstanden of delen daarvan voor handen of in voorraad te hebben of te vervoeren, indien het een boomsoort betreft die de desbetreffende boomziekte kan verspreiden.

Het niet voldoen aan de in het eerste lid bedoelde aanschrijving biedt een basis voor de toepassing van bestuursdwang, waarbij de noodzakelijke werkzaamheden, voor risico en voor rekening van aangeschrevene, door of namens de gemeente kunnen worden verricht.

Artikel 4:11 (vervallen)

Artikel 4:12 (vervallen)

Afdeling 4. Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast

Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke 1.

Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of beëindiging van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare

gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals

die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: a.

onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of

b.

bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;

c.

d. 2. 3.

onderdelen daarvan;

kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of

mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.

Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen.

Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 4:14 (Vervallen)

Artikel 4:15 Handelsreclame

1.

Het is verboden op een niet toelaatbare wijze op of aan een onroerende zaak handelsreclame te

2.

Handelsreclame is niet toelaatbaar als deze naar het oordeel van het college:

maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding. a.

b. 3.

c.

ontsierend is voor het stadsbeeld of afbreuk doet aan de kwaliteit van de openbare ruimte;

de veiligheid van het verkeer in gevaar kan brengen;

onevenredige hinder kan veroorzaken voor de omgeving.

Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer

Artikel 4:16 (Vervallen)

Afdeling 5. Kamperen buiten kampeerterreinen

Artikel 4:17 Definitie In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan een niet-grondgebonden onderkomen of

voertuig, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.

Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 1.

2. 3. 4.

Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd.

Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.

Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van: a.

b. 5.

natuur en landschap; of

een stadsgezicht.

Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 4:19 Aanwijzing kampeerplaatsen 1. 2.

Het college kan plaatsen aanwijzen waarop het verbod van artikel 4:18, eerste lid niet geldt. Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen genoemd in artikel 4:18, vierde lid.

Hoofdstuk 5. Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente

Afdeling 1. Parkeerexcessen en stopverbod

Artikel 5:1 Definitie In deze afdeling wordt verstaan onder: a.

voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder al, van het Reglement verkeersregels en

b.

parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1, onder ac, van het Reglement verkeersregels en

verkeerstekens (RVV 1990) met uitzondering van kleine wagens zoals: kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen;

verkeerstekens ( RVV 1990).

Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf en dergelijke 1.

Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan:

2.

Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend:

3.

4. 5.

a.

het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; of

b.

het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.

a.

voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet

b.

meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; of

voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon.

Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: a.

drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren

b.

de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.

binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een van deze voertuigen;

Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:3 (Vervallen)

Artikel 5:4 (Vervallen)

Artikel 5:5 (Vervallen)

Artikel 5:6 Kampeermiddelen en andere voertuigen 1.

Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: a.

langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te hebben op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente;

b. 2. 3. 4.

op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

Het college kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a.

Het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening.

Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 5:7 Reclamevoertuigen 1.

Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame op de weg te

2.

Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

3.

parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.

Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 5:8 Grote voertuigen 1.

2.

3. 4. 5.

Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6

meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte.

Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod geldt niet van maandag tot en met zaterdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur.

Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod geldt niet voor voertuigen als bedoeld in artikel 5:6.

Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden ontheffing verlenen.

Artikel 5:9 Uitzichtbelemmerende voertuigen 1.

Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander

dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of

gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of 2.

overlast wordt aangedaan.

Het verbod is niet van toepassing gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor het

uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.

Artikel 5:10 (Vervallen)

Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen 1. 2.

Het is verboden met een voertuig te rijden door of deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook. Dit verbod is niet van toepassing op:

3. 4.

a.

de weg;

b. c.

op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden door of vanwege de overheid; voertuigen waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.

Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:12 Overlast van fietsen of bromfietsen 1.

Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter

voorkoming of opheffing van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of

2. 3.

plaatsen te laten staan.

Het is verboden fietsen of bromfietsen die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en in een verwaarloosde toestand verkeren, op de weg te laten staan.

Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen langer dan een door het college vastgestelde periode onafgebroken te laten staan.

Afdeling 2. (vervallen)

Artikel 5:13 (Vervallen)

Afdeling 3. Venten

Artikel 5:14 Definitie 1.

2.

In deze afdeling wordt onder venten verstaan het in de uitoefening van de ambulante handel te

koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis. Onder venten wordt niet verstaan: a.

het aan huis afleveren van goederen in het kader van de exploitatie van een winkel als

b.

het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van

c.

bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet;

diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet of artikel 5:22;

het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 5:17.

Artikel 5:15 Ventverbod 1.

Het is verboden te venten indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de

2.

Het is verboden te venten op of in de nabijheid van scholen en het kermis- of marktterrein tijdens

volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. de kermis of markt.

3.

Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet.

Artikel 5:16 Vrijheid van meningsuiting 1.

2.

Het verbod als bedoeld in artikel 5:15, eerste lid geldt niet voor venten met gedrukte of

geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.

Het college kan de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in het eerste lid beperken door een verbod in te stellen: a.

3.

b.

op door het college aangewezen openbare plaatsen, of

voor bepaalde dagen en uren.

Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het tweede lid.

Afdeling 4. Standplaatsen

Artikel 5:17 Definitie 1.

In deze afdeling wordt verstaan onder; a.

b. 2.

standplaats: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.

incidentele standplaats: een standplaats die niet met regelmaat of vaste frequentie wordt ingenomen en slechts voor een of enkele dagen per jaar wordt ingenomen.

Onder standplaats wordt niet verstaan: a.

een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en

b.

een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24.

onder g, van de Gemeentewet;

Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden 1.

Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.

3.

Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd als:

2.

Het college weigert de vergunning wegens strijd met het omgevingsplan. a.

de standplaats hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke

b.

indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de

eisen van welstand; of

gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de

4.

consument ter plaatse in gevaar komt.

In afwijking van het in het eerste lid bepaalde is geen vergunning vereist voor het innemen van een incidentele standplaats indien: a.

ten minste 3 weken voorafgaand aan het innemen van de standplaats daarvan melding is

b.

de door het college gestelde algemene regels worden nageleefd.

gedaan aan het college;

5.

Het college kan in bijzondere omstandigheden de in het vierde lid, onder a genoemde termijn

6.

Het college kan binnen 10 werkdagen na ontvangst van de melding als bedoeld in het vierde lid

7.

verkorten.

besluiten het innemen van een incidentele standplaats verbieden, indien; a.

onvoldoende informatie is verstrekt om te kunnen beoordelen of daadwerkelijk sprake is van

b.

er sprake is van gronden als bedoeld in artikel 1:8 of het bepaalde in het derde lid.

een incidentele standplaats;

Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing

Artikel 5:19 Toestemming rechthebbende 1.

Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van

2.

Het bepaalde onder het eerste lid is ook van toepassing indien het college krachtens het bepaalde

het college of ingediende melding standplaats wordt of is ingenomen.

in artikel 5:18, lid 6 het innemen van een incidentele standplaats heeft verboden.

Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen 1.

2.

Artikel 5:18, eerste lid, is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.

De weigeringsgrond van artikel 5:18, derde lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken.

Artikel 5:21 (Vervallen)

Afdeling 5. Snuffelmarkten

Artikel 5:22 Definitie 1.

2.

In deze afdeling wordt onder snuffelmarkt verstaan een markt in een voor het publiek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten worden aangeboden vanaf een standplaats. Onder snuffelmarkt wordt niet verstaan: a.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=be9007b2-f494-48b6-afb9-ccc4ce463db8