Concept Raadsbesluit APV Oss 2025
Tekst van het document
Algemeen plaatselijke verordening Oss 2025 Besluit van de raad van de gemeente Oss tot vaststelling van de Algemene plaatselijke verordening Oss 2025
De raad van de gemeente Oss;
gelezen het voorstel van college van burgemeester en wethouders van 22 april 2025;
gelet op de artikelen 149, 149a, 151a, 151b, 151c, 151d, 154 en 154a van de Gemeentewet, de
artikelen 3 en 4 van de Wet openbare manifestaties, de artikelen 4, 25a, 25b, 25c en 25d van de
Alcoholwet, artikel 5.13 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de artikelen 2.18, eerste lid, onder f en g, en vijfde lid, 2.21 en 3.148, tweede lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, artikel 30c, tweede lid, van de Wet op de kansspelen en artikel 2a van de Wegenverkeerswet 1994; gezien het advies van de commissie sociaal bestuurlijk van 28 mei 2025; besluit vast te stellen de volgende verordening: Algemene plaatselijke verordening Oss 2025
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1:1 Definities In deze verordening wordt verstaan onder: -
bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de
-
beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de
-
-
Wegenverkeerswet 1994; Omgevingswet;
bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet
bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994;
college: het college van burgemeester en wethouders;
gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;
handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;
motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;
openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;
openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties; parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;
rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht;
voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en
verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens en kinderwagens, en rolstoelen;
weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 1:2 Beslistermijn 1.
Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen
2.
Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen.
3.
acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.
Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning.
Artikel 1:3 (Vervallen)
Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen 1.
2. 3.
Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.
Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.
Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing 1.
De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
bepaald.
Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing 1.
De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: a.
b.
c. d.
2.
e.
ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;
op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het
verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;
de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;
van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of
de houder dit verzoekt.
Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
Artikel 1:7 Termijnen 1.
De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing
2.
De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde
anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.
tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft.
Artikel 1:8 Weigeringsgronden 1.
Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: a.
b.
de openbare veiligheid;
d.
de bescherming van het milieu.
c. 2.
de openbare orde;
de volksgezondheid
Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.
Hoofdstuk 2. Openbare Orde Afdeling 1. Bestrijding van ongeregeldheden
Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden 1.
Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te
2.
Degene die op een openbare plaats:
dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden. a.
aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan;
b.
aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor
c.
zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing;
ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of
is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem 3.
4. 5.
aangewezen richting te verwijderen.
Het is verboden zich te begeven naar of zich te bevinden op openbare plaatsen die door het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet.
De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het derde lid.
Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en
levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.
Afdeling 2 Betoging
Artikel 2:2 (vervallen)
Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 1.
Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder
begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 48 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.
2.
De kennisgeving bevat: a.
naam en adres van degene die de betoging houdt;
b.
het doel van de betoging;
d.
de plaats en, voor zover van toepassing, de route;
f.
maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te
c.
e.
de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging;
voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en bevorderen.
3.
Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de
4.
Als het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag,
5.
kennisgeving is vermeld.
een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur.
De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn.
Artikel 2:4 (Vervallen)
Artikel 2:5 (Vervallen)
Afdeling 3 (vervallen)
Artikel 2:6 (Vervallen)
Afdeling 4 (vervallen)
Artikel 2:7 (Vervallen)
Artikel 2:8 (Vervallen)
Artikel 2:9 Straatartiest e.d. 1.
2. 3.
Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu aangewezen openbare plaatsen. De burgemeester kan het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.
Afdeling 5. Bruikbaarheid en aanzien van de weg
Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg 1.
2.
3. 4.
5.
Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik: a.
schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het
b.
niet voldoet aan redelijke eisen van welstand.
7.
8.
doelmatig beheer en onderhoud van de weg;
Het bevoegd bestuursorgaan kan ten aanzien van het gebruik als bedoeld onder lid 1, zoals
uitstallingen of spandoeken, in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen.
Het bevoegd bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod.
Het bevoegde bestuursorgaan kan een omgevingsvergunning verlenen voor het in het eerste lid
bedoelde gebruik, voor zover dit een omgevingsplanactiviteit betreft als bedoeld in artikel 5.1 lid 1 onder a van de Omgevingswet.
Het verbod is niet van toepassing op: a.
b. 6.
doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het
c.
evenementen als bedoeld in artikel 2:24;
standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17;
terrassen als bedoeld in artikel 2:28, lid 4.
Het verbod is voorts niet van toepassing op (driehoeks)reclameborden, met dien verstande, dat: a.
ten minste 3 weken voorafgaand aan het plaatsen van de (driehoeks)reclameborden melding
b.
de door het bevoegde bestuursorgaan gestelde algemene regels worden nageleefd.
is gedaan aan het bevoegd bestuursorgaan;
Het bevoegde bestuursorgaan kan binnen 10 werkdagen na ontvangst van de melding besluiten het plaatsen van (driehoeks)reclameborden als bedoeld in het zesde lid te verbieden, indien; a.
onvoldoende informatie is verstrekt om te kunnen beoordelen of voldaan wordt aan de
b.
de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar komt.
algemene regels als bedoeld in het zesde lid;
Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de
provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt 9.
voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Op de ontheffing bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg
1.
Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een
weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of
breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van 2. 3. 4.
aanleg van een weg.
De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, als de activiteiten zijn verboden bij omgevingsplan.
Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht.
Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de
provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt
voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht 5.
of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.
Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg 1.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de
2.
In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 wordt de vergunning slechts geweigerd:
weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. a.
als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;
d.
als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten,
c.
3.
ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg;
b.
als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of
en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen.
Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening.
Afdeling 6 Veiligheid op de weg
Artikel 2:13 (Vervallen)
Artikel 2:14 (Vervallen)
Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.
Artikel 2:16 Openen straatkolken en dergelijke Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een
andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.
Artikel 2:17 Kelderingangen en dergelijke 1.
Kelderingangen en andere lager dan de aangrenzende weg gelegen betreedbare delen van een
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 427, aanhef en
bouwwerk mogen geen gevaar voor de veiligheid van de weggebruikers opleveren. onder 1˚ of 3˚, van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen
1.
Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan: a.
b.
te roken gedurende een door het college aangewezen periode;
voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.
2.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en
3.
Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is voorts niet van toepassing voor zover het roken
onder 3˚, van het Wetboek van Strafrecht.
plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.
Artikel 2:19 (Vervallen)
Artikel 2:20 (Vervallen)
Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1.
2.
De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk
voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.
Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door hoofdstuk 10 van de Omgevingswet.
Artikel 2:22 (vervallen)
Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs 1.
2.
Het is verboden: a.
voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of
b.
bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde
het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen;
ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de provinciale omgevingsverordening.
Afdeling 7. Evenementen
Artikel 2:24 Definitie 1.
In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a.
bioscoop- en theatervoorstellingen;
b.
markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h van de Gemeentewet en
c.
kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;
artikel 5:22;
d. e. f.
g. 2.
h.
het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen;
betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; activiteiten als bedoeld in de artikelen 2:9 en 2:39;
sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid, onder f. voetbalwedstrijden als bedoeld in artikel 2:78.
Onder evenement wordt mede verstaan: a.
een herdenkingsplechtigheid;
b.
een braderie of rommelmarkt in de buitenlucht;
d.
een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg;
f.
een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s.
c.
e.
een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3; een straatfeest of buurtbarbecue op één dag (klein evenement).
Artikel 2:25 Evenementenvergunning 1.
Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te
2.
Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het
organiseren.
Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor
het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2.1, eerste 3.
lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen. De vergunning kan worden geweigerd in het belang van: a.
b.
het voorkomen of beperken van overlast;
d.
de zedelijkheid of volksgezondheid;
c.
4.
e.
het woon- en leefklimaat.
voldaan: b. c.
d.
e. f.
er op enig moment niet meer dan 250 personen bij aanwezig zijn;
het evenement tussen 07.00 ’s ochtends en 01.00 uur in de aansluitende nacht plaatsvindt; geen muziek ten gehore wordt gebracht vóór 08.00 uur of na 23.00 uur voorafgaande aan
een werkdag en geen muziek ten gehore wordt gebracht vóór 08.00 uur of na 24.00 uur op de overige dagen;
er versterkte live muziek of mechanische versterkte muziek met een geluidinstallatie met een
vermogen dat kleiner is dan 50 Watt r.m.s. uitgangsvermogen bij hoge tonen en kleiner is dan 300 Watt r.m.s. uitgangsvermogen bij lage tonen ten gehore wordt gebracht;
er te allen tijde een doorgang van minimaal 3,5 meter breed en 4,5 meter hoog beschikbaar blijft ten behoeve van de hulpdiensten;
het evenement niet plaatsvindt op een stroomweg of gebiedsontsluitingsweg, zoals aangeduid op bijlage 1;
g.
het evenement niet plaatsvindt op een weg die gebruikt wordt voor openbaar busvervoer;
i.
de organisator ten minste 10 dagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft
j.
de door de burgemeester gestelde algemene regels worden nageleefd.
h.
6.
de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen en goederen;
Geen vergunning is vereist voor een evenement, indien aan alle hierna genoemde criteria wordt a.
5.
de openbare orde en veiligheid;
er een organisator is;
gedaan aan de burgemeester;
Het in lid 4, onder a, genoemde aantal bezoekers geldt niet voor optochten.
De burgemeester kan binnen 5 werkdagen na ontvangst van de melding besluiten het organiseren van een evenement als bedoeld in het vierde lid te verbieden, indien;
a.
door de organisator onvoldoende informatie is verstrekt om te kunnen beoordelen of
b.
een of meerdere van de onder het derde lid genoemde belangen in gevaar komen;
c.
daadwerkelijk sprake is van een evenement als bedoeld in het derde lid;
door de organisator onvoldoende informatie is verstrekt om te kunnen beoordelen of sprake is van een situatie als bedoeld in lid b.
7.
Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties
8.
De burgemeester kan besluiten een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in lid 1 van deze
9.
waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994.
bepaling niet te behandelen, als deze niet 12 weken vóór aanvang van het evenement is aangevraagd.
Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
10. Het vierde lid is niet van toepassing op een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of vechtsportgala’s volgens artikel 2:24.
11. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 en 2:25 lid 3, kan de burgemeester een vergunning voor een vechtsportevenement weigeren als de organisator of de aanvrager van de vergunning van slecht levensgedrag is
Artikel 2:26 (Vervallen)
Afdeling 8. Toezicht op openbare inrichtingen
Artikel 2:27 Definitie 1.
In deze afdeling wordt onder openbare inrichting verstaan een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij
bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen 2.
voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt.
Een buiten de in het eerste lid bedoelde besloten ruimte liggend deel waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen
voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt, waaronder in ieder geval een terras, maakt voor de toepassing van deze afdeling deel uit van die besloten ruimte.
Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting 1. 2.
Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. De burgemeester weigert de vergunning als: a.
b. 3.
4.
de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan.
de aanvrager geen verklaring omtrent gedrag overlegt die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de vergunningaanvraag is ingediend, is afgegeven.
In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat: a.
de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op
b.
de exploitant of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is.
ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; of
Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een:
a.
winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de
b.
zorginstelling;
d.
bedrijfskantine of -restaurant.
c. 5.
openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; museum; of
Op de aanvraag om een vergunning of een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:29 Sluitingstijd 1.
Openbare inrichtingen zijn gesloten op maandag tot en met vrijdag tussen 02.00 uur en 06.30 uur,
2.
Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de
3. 4. 5. 6.
en op zaterdag en zondag tussen 03.00 uur en 06.30 uur (sluitingstijd) inrichting te laten verblijven na sluitingstijd.
De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd.
Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28, vierde lid, aanhef en onder a, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel.
Het eerste en het derde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Omgevingswet is voorzien.
Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting 1.
2.
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.
Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet.
Artikel 2:31 Verboden gedragingen Het is verboden in een openbare inrichting: a.
de orde te verstoren;
b.
zich te bevinden na sluitingstijd of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op
c.
op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van de
grond van een besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid;
zitplaatsen of staplaatsen aan een statafel die aanwezig zijn op het terras.
Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen 1.
2.
In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de
algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in dat bedrijf enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere wijze overdraagt.
Artikel 2:33 Het college als bevoegd bestuursorgaan Als een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin
van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van de artikelen 2:28 tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan.
Artikel 2:34 (Vervallen)
Afdeling 8A Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Alcoholwet
Artikel 2:34A Definities In deze afdeling wordt verstaan onder: - alcoholhoudende drank; - horecabedrijf; - horecalokaliteit; - inrichting; - paracommerciële rechtspersoon; - sterke drank; - slijtersbedrijf; - zwak-alcoholhoudende drank; dat wat daaronder wordt verstaan in de Alcoholwet.
Artikel 2:34B Schenktijden paracommerciële rechtspersonen 1.
Paracommerciële rechtspersonen mogen alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken
gedurende de periode beginnende met één uur voor aanvang en eindigende met twee uur na beëindiging van activiteiten die passen binnen de statutaire doelomschrijving van de
desbetreffende paracommerciële rechtspersoon, maar niet buiten de tijden genoemd in de 2. 3.
exploitatievergunning, niet voor 12:00 uur en niet later dan 1:00 uur;
Paracommerciële rechtspersonen mogen maximaal zes keer per jaar alcoholhoudende drank verstrekken buiten de in lid 1 genoemde schenktijden;
De in het tweede lid benoemde gelegenheden moeten uiterlijk drie weken voor aanvang bij de burgemeester worden gemeld.
Artikel 2:34C Bijeenkomsten bij paracommerciële rechtspersonen 1.
2.
Paracommerciële rechtspersonen verstrekken geen alcoholhoudende drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn.
De burgemeester kan op aanvraag ontheffing verlenen van het in lid 1 gestelde verbod. Aan deze ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.
3.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Afdeling 9. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Artikel 2:35 Definitie In deze afdeling wordt onder inrichting verstaan elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de
uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft.
Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht daarvan binnen drie dagen daarna schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.
Artikel 2:37 (Vervallen)
Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken.
Afdeling 10 Toezicht op speelgelegenheden
Artikel 2:38a Definities 1.
In deze afdeling wordt onder speelgelegenheid verstaan een voor het publiek toegankelijke
gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid
wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen 2.
worden gewonnen of verloren.
In deze afdeling voorkomende begrippen die in de Wet op de kansspelen zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in die wet.
Artikel 2:39 Speelgelegenheden 1.
Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te
2.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de kansspelen
3.
doen exploiteren.
of de verordening Speelautomaten Oss.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning als:
4.
a.
naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van
b.
de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met het omgevingsplan.
c.
de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of
de exploitant of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is.
Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:40 (Vervallen)
Afdeling 11 Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade
Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal 1.
Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor
2.
Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het
3.
publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.
publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.
Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende reden noodzakelijk is.
Artikel 2:42 Plakken en kladden 1.
Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats
2.
Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of
zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.
dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: a.
een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen
b.
met kalk, teer of een kleur of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of
aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen; te doen aanbrengen.
3.
Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens
4.
Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en
5. 6.
7.
wettelijk voorschrift. bekendmakingen.
Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te gebruiken voor bet aanbrengen van handelsreclame.
Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en
bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen.
De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een toezichthouder op diens eerste vordering terstond ter inzage te geven.
Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap en dergelijke
1.
Het is verboden op de weg of openbaar water enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur- of
2.
Het verbod is niet van toepassing als de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn
verfstof of verfgereedschap te vervoeren of bij zich te hebben.
gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42.
Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen 1. 2.
Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben. Het verbod is niet van toepassing als de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn
bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig
sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.
Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen en dergelijke 1.
2.
Het is verboden zonder ontheffing van het college zich te bevinden in of op bij de gemeente in
onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen, plantsoenen, groenstroken, grasperken of buiten de daarin gelegen wegen of paden.
Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht.
Artikel 2:46 Rijden over bermen en dergelijke 1.
Het is verboden met voertuigen die niet voorzien zijn van rubberbanden te rijden over de berm, de
2.
Dit verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of
glooiing of de zijkant van een weg, tenzij dit door de omstandigheden redelijkerwijs wordt vereist. waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening.
Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen 1.
Het is verboden op een openbare plaats: a.
b. 2.
te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair;
zich op te houden op een wijze die voor andere gebruikers of omwonenden onnodig overlast of hinder veroorzaakt.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de artikelen 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2:48 Verboden drankgebruik 1.
Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare
plaats die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te
2.
hebben.
Het verbod is niet van toepassing op: a.
een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet;
b.
een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.
Artikel 2:48a Verboden lachgasgebruik 1.
Het is verboden op een openbare plaats lachgas recreatief als roesmiddel te gebruiken,
voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben, indien dit gepaard gaat met overlast of andere gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- of leefklimaat nadelig beïnvloeden of anderszins hinder
2.
veroorzaken.
Het is verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college ter
bescherming van de openbare orde of het woon- en leefklimaat aangewezen gebied lachgas
recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve 3.
van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben.
Het college kan in het aanwijzingsbesluit het in het tweede lid bedoelde verbod beperken tot bepaalde tijden.
Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen 1.
2.
Het is verboden zonder redelijk doel: a.
b.
zich in een portiek of poort op te houden;
in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.
Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw, appartementsgebouw of een
soortgelijke meergezinswoning of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw.
Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of
op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval verstaan
portalen, telefooncellen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen.
Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen of bromfietsen Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een portiek indien: a.
b.
dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek;
daardoor die ingang versperd wordt.
Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein en dergelijke Het is verboden zich op door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar
een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid wordt gehouden die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.
Artikel 2:53 (Vervallen)
Artikel 2:54 (Vervallen)
Artikel 2:55 (Vervallen)
Artikel 2:56 (Vervallen)
Artikel 2:57 Loslopende honden 1.
Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: a.
op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats,
b.
binnen de bebouwde kom op een openbare plaats als de hond niet is aangelijnd;
zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;
2.
Het verbod van het eerste lid onder b, is niet van toepassing op door het college aangewezen
3.
Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond:
plaatsen. a.
b. c.
die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden; of
die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond
die door een medische verklaring afgegeven door een arts of specialist hiertoe niet in staat is.
Artikel 2:58 Verontreiniging door honden 1.
2.
3.
De eigenaar of houder van een hond is verplicht er voor te zorgen dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet: a.
Binnen de bebouwde kom op een openbare plaats, met uitzondering van de door het college
b.
Buiten de bebouwde kom op een openbare plaats, met uitzondering van de bermen en de
c.
Op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats,
aangewezen plaatsen;
door het college aangewezen plaatsen; zandbak of speelweide.
a. Het eerste lid is niet van toepassing als de eigenaar of houder van een hond er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd.
b.De eigenaar of houder van een hond moet een opruimmiddel bij zich hebben.
Het verbod van het eerste lid geldt niet voor de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een hulphond of geleidehond laat begeleiden of die door een medische verklaring afgegeven door een arts of specialist hiertoe niet in staat is.
Artikel 2:59 Gevaarlijke honden 1.
Indien de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.
2.
3.
De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijngebod is opgelegd, is verplicht de hond kort aangelijnd te houden, met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.
De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijn- en muilkorfgebod is opgelegd, is naast de verplichting bedoeld in het tweede lid verplicht de hond voorzien te houden van een muilkorf die: a.
vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;
b.
door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering
c.
zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een
zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en
geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.
Artikel 2:60 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren 1.
Het college kan buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer plaatsen aanwijzen waar
het ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid verboden is daarbij aangeduide dieren: a.
b.
aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door hen gestelde regels, of
d.
te voeren
c. 2.
aanwezig te hebben, of
aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven of
Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen plaats daarbij aangeduide dieren
aanwezig te hebben, dan wel aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels, dan wel aanwezig te hebben in een groter aantal dan door het college is
3.
aangegeven.
Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het
eerste lid aangewezen gedeelte van de gemeente ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod.
Artikel 2:61(Vervallen)
Artikel 2:62 Loslopend vee De rechthebbende op herkauwende of eenhoevige dieren of varkens die zich bevinden in een weiland of op een terrein dat niet van de weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht
ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken.
Artikel 2:63 (Vervallen)
Artikel 2:64 (Vervallen)
Artikel 2:65 (Vervallen)
Afdeling 12 Bestrijding van heling van goederen
Artikel 2:66 Definitie In deze afdeling wordt onder handelaar verstaan de handelaar aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister 1.
De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en door de burgemeester gewaarmerkt register, en daarin onverwijld op te nemen: a.
b.
de datum van verkoop of overdracht van het goed;
d.
de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; en
c.
2.
het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;
e.
een omschrijving van het goed, voor zover van toepassing daaronder begrepen soort, merk en nummer van het goed;
de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.
De burgemeester is bevoegd vrijstelling te verlenen van deze verplichtingen.
Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht 1.
De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: a.
de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen:
1e. dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging;
2e. van een verandering van de onder 1o bedoelde adressen; 3e. dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent;
4e. dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de b. c.
d.
rechthebbende verloren is gegaan.
de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven;
aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn;
een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.
Artikel 2:69 (Vervallen)
Artikel 2:70 (Vervallen)
Afdeling 13 Carbidschieten op oudejaarsdag
Artikel 2:71 Carbidschieten 1.
Onder carbidschieten wordt verstaan het in een (melk)bus, container, opslagvat of ander daarmee gelijk te stellen voorwerp op explosieve wijze verbranden van acetyleengas afkomstig van een
reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen.
2. 3.
Behoudens het bepaalde in het derde en vierde lid is carbidschieten verboden. Voor het carbidschieten gelden de volgende regels: a.
b. c.
Het carbidschieten mag alleen op oudejaarsdag, 31 december tussen 14:00 uur 18:00 uur.
Carbidschieten vindt enkel plaats buiten de bebouwde kom.
Bij het carbidschieten mag alleen gebruik worden gemaakt van bussen met een maximale
inhoud van 40 liter waarbij geschoten wordt met een zak of een bal en niet met een metalen deksel of andere harde materialen.
d.
Bij het carbidschieten dienen maatregelen te worden genomen, zodat op de schietlocatie geen
e.
Het carbidschieten vindt plaats op een afstand van:
reëel gevaar of schade kan optreden voor mens of milieu. -
tenminste 100 meter van woningen en
-
300 meter van zorginstellingen.
-
300 meter van gebouwen of andere voorzieningen (stallen) waarin dieren verblijven en
f.
Het vrije schootsveld bedraagt tenminste 100 meter en binnen dit schootsveld bevindt zich
g.
Degene die met carbid schiet of daarbij behulpzaam is, mag niet onder invloed van alcohol
geen publiek of andere personen en zijn geen openbare wegen of paden gelegen.
en/of drugs zijn en neemt voorts alle redelijkerwijs mogelijke maatregelen om elk gevaar voor mens en dier te voorkomen.
4.
Het verbod op carbidschieten geldt niet voor situaties waarin de burgemeester een
5.
Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de
evenementenvergunning heeft verleend.
Wet wapens en munitie of het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2:72 (vervallen)
Artikel 2:73 (vervallen)
Afdeling 14 Drugsoverlast
Artikel 2:74 Drugshandel op straat Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om, al dan niet tegen betaling, middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.
Artikel 2:74a Openlijk drugsgebruik Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.
Afdeling 15 Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester
Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding
De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet te besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem
aangewezen plaats als deze personen het bepaalde in de volgende artikelen van de Algemene plaatselijke verordening groepsgewijs niet naleven: - artikel 2:1 (samenscholing en ongeregeldheden)
- artikel 2:47 (hinderlijk gedrag op openbare plaatsen) - artikel 2:48 (verboden drankgebruik)
- artikel 2:49 (verboden gedrag in of bij gebouwen)
- artikel 2:50 (hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten) Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.
Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.
Artikel 2:77a Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet
1. Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt of tegen betaling in gebruik geeft, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de
onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.
2. Als de burgemeester een last onder dwangsom of onder bestuursdwang oplegt naar aanleiding van een schending van deze zorgplicht kan hij daarbij aanwijzingen geven over wat de overtreder dient te doen of na te laten om verdere schending te voorkomen. De burgemeester stelt beleidsregels vast over het gebruik van deze bevoegdheid.
3. De last kan in ieder geval worden opgelegd bij ernstige en herhaaldelijke: a.
geluid- of geurhinder;
b.
hinder van dieren;
d.
overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf;
c.
e.
hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn; intimidatie van derden vanuit een woning of een erf.
Artikel 2:77b Gebiedsontzeggingen 1.
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van
overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten
of openbare orde verstorende handelingen verrichten een bevel geven zich gedurende ten hoogste 24 uur niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.
2.
Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie ten minste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven en die opnieuw strafbare feiten
of openbare orde verstorende handelingen verricht, een bevel geven zich gedurende ten hoogste 8 3.
4.
weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. Een bevel krachtens het tweede lid kan slechts worden gegeven als het strafbare feit of de
openbare orde verstorende handeling binnen 6 maanden na het geven van een eerder bevel, gegeven op grond van het eerste of tweede lid, plaatsvindt.
De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede lid gestelde bevelen, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel.
Afdeling 16 Betaald voetbal
Artikel 2:78 Definities 1.
Organisator: a.
de betaaldvoetbalorganisatie TOP Oss, indien het betreft een voetbalwedstrijd waarbij het
b.
de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond, indien het betreft een voetbalwedstrijd tussen
eerste elftal van de betaaldvoetbalorganisatie TOP Oss als thuisspelende ploeg betrokken is; voetbalorganisaties afkomstig van buiten de gemeente Oss, waarbij tenminste één betaaldvoetbalorganisatie is betrokken, dan wel in geval van wedstrijden tussen
c. 2. 3.
vertegenwoordigende elftallen,
degene die buiten de gevallen genoemd onder 1 en 2 een voetbalwedstrijd organiseert, waarbij tenminste één betaaldvoetbalorganisatie is betrokken.
voetbalwedstrijd: een voetbalwedstrijd georganiseerd door een organisator als bedoeld onder lid 1. stadion: het voetbalstadion gelegen aan de Mondriaanlaan Oss.
Artikel 2:79 Voetbalvergunning
1. Het is de organisator verboden zonder vergunning van de burgemeester een voetbalwedstrijd te houden of te doen houden. a.
b.
een vergunning kan meerdere wedstrijden betreffen;
paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking van rechtswege bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing
2. Een aanvraag om een vergunning moet worden ingediend uiterlijk vier weken voor de datum van
de (eerste) voetbalwedstrijd. De burgemeester kan van de hiervoor vermelde termijn afwijken en de uiterlijke datum van de aanvraag afzonderlijk bepalen.
3. Voor de aanvraag om vergunning moet gebruik worden gemaakt van een door de burgemeester vastgesteld formulier.
4. De aanvraag moet vergezeld gaan van een door de organisator op te stellen veiligheidsplan waaruit blijkt dat aan de hand van het risicoprofiel van de wedstrijd(en) voldoende maatregelen zijn genomen voor een goed verloop van de voetbalwedstrijd.
5. De burgemeester kan een vergunning weigeren in het belang van een van de weigeringsgronden uit artikel 1:8.
6. De burgemeester weigert de vergunning als niet voldaan is aan het bepaalde in lid 2, lid 3 of lid 4. 7. De burgemeester kan het doen spelen van een wedstrijd verbieden: a.
uit vrees uit vrees voor het ontstaan van een ernstige verstoring van de openbare orde;
b. c.
indien de aan de voetbalvergunning verbonden voorschriften niet worden nageleefd; indien niet, of niet tijdig een vergunning is aangevraagd.
8. Het is verboden een voetbalwedstrijd te doen spelen, wanneer een verbod, als bedoeld in het zesde lid is uitgevaardigd.
Artikel 2:80 Ordeverstoring Het is verboden bij een voetbalwedstrijd als bedoeld in artikel 2:78, lid 2 de orde te verstoren.
Artikel 2:81 Opvolgen aanwijzingen Eenieder is verplicht bij een voetbalwedstrijd alle aanwijzingen van ambtenaren van politie en brandweer in het belang van openbare orde of veiligheid terstond en stipt op te volgen.
Artikel 2:82 Onnodig opdringen, uitdagend gedrag en dergelijke bij een betaald voetbalwedstrijd
1. Het is verboden bij een voetbalwedstrijd onnodig op te dringen, door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden of wanordelijkheden te veroorzaken.
2. Vanaf 4 uur voor het vastgestelde begin van een voetbalwedstrijd tot 4 uur na afloop van een
voetbalwedstrijd is het verboden messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen die als
wapen kunnen worden gebruikt, mee te voeren opdat de openbare orde of veiligheid in gevaar komt of kan komen.
Artikel 2:83 Stadionomgevingsverbod De burgemeester kan aan een persoon in het belang van de openbare orde schriftelijk het verbod opleggen zich op te houden in de omgeving van het stadion vanaf 4 uur voor het vastgestelde
aanvangstijdstip tot 4 uur na afloop van voetbalwedstrijden van de organisator. Het verbod geldt voor een bepaalde periode welke niet langer is dan 2 jaar.
Artikel 2:84 Verwijderingsplicht voetbalsupporters Personen, die zich door kleding, uitrusting of gedraging manifesteren als voetbalsupporters, en niet in het bezit zijn van een geldig toegangsbewijs voor de voetbalwedstrijd dan wel tegen wie het
vermoeden bestaat dat zij voornemens zijn de orde te verstoren, zijn verplicht zich op een daartoe
strekkend bevel van een ambtenaar van politie met inachtneming van diens aanwijzingen, naar een in het bevel aangegeven plaats, dan wel buiten de gemeentegrenzen te begeven.
Artikel 2:89 Supportersstromen
1. Al degenen die behoren tot de supportersaanhang van een bezoekende betaald voetbalclub en dat door bijvoorbeeld kleding, uitrusting, gedragingen of anderszins kenbaar maken en in het bezit
zijn van een geldig toegangsbewijs voor de te bezoeken wedstrijd zijn verplicht in omstandigheden als bedoeld in artikel 175 van de Gemeentewet om hun weg naar het stadion te vervolgen zodra ze de gemeente bereiken.
2. Al degenen die behoren tot de supportersaanhang van een bezoekende betaald voetbalclub en dat door bijvoorbeeld kleding, uitrusting, gedragingen of anderszins kenbaar maken zijn verplicht in
omstandigheden als bedoeld in artikel 175 van de Gemeentewet om direct na afloop van de
wedstrijd te vertrekken uit de gemeente. Al degenen die behoren tot de supportersaanhang van
een bezoekende betaald voetbalclub en dat door bijvoorbeeld kleding, uitrusting, gedragingen of anderszins kenbaar maken en niet in het bezit zijn van een geldig toegangsbewijs voor de
wedstrijd alsmede op een of andere wijze de openbare orde verstoren of dreigen te verstoren dan wel racistisch gedrag vertonen of racistische uitlatingen doen zijn verplicht zich in
omstandigheden als bedoeld in artikel 175 van de Gemeentewet op eerste aanzegging van de
politie buiten de gemeentegrenzen te begeven in de door de politie aan te geven route en richting, behalve indien zij woonachtig zijn in de gemeente Oss.
Afdeling 17 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat
Artikel 2:90 Verbod exploiteren bedrijf zonder benodigde vergunning
1. In dit artikel wordt verstaan onder: a.
Exploitant: natuurlijke persoon of personen of de bestuurder(s) van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;
b.
Beheerder: de exploitant alsmede andere natuurlijke personen die de algemene of
c.
Bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een gebouw, of een daarbij behorend
onmiddellijke leiding hebben over de bedrijfsmatige activiteiten; perceel, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.
2. De burgemeester kan gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waar(op) het
verbod uit het derde lid van toepassing is. Een gebouw of gebied wordt uitsluitend aangewezen als naar het oordeel van de burgemeester in of rondom dat gebouw dan wel in dat gebied naar het
oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Een aanwijzing van een gebouw of gebied kan zich tot een of meer bedrijfsmatige activiteiten
beperken. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend aangewezen als naar het oordeel van de
burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit of door de exploitant en/of beheerder onder druk staat. Het aanwijzingsbesluit bepaalt de duur
van de periode dat de aanwijzing geldt. Deze duur bedraagt maximaal vijf jaar en kan – indien dat met het oog op de bovengenoemde belangen naar het oordeel van de burgemeester nodig is – eenmalig worden verlengd met nogmaals een termijn van maximaal vijf jaar.
3. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen: a.
in een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebouw of gebied, of
b.
in een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebouw of gebied voor
c.
in door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen bedrijfsmatige activiteiten.
door de burgemeester genoemde bedrijfsmatige activiteiten, of
4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren: a.
b. c.
in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten;
als de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;
als de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;
d.
als redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met de aanvraag
e.
als niet voldaan is aan de bij of krachtens de in dit artikel gestelde eisen met betrekking tot de
in overeenstemming zal zijn; aanvraag;
f.
als er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met
g.
als de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend omgevingsplan of de Wet
h.
als een of meer beheerders van het bedrijf binnen 3 jaar vóór de indiening van de
het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; milieubeheer en/of
vergunningaanvraag een bedrijf heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, dat wegens het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat
daaronder begrepen, gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken.
5. Naast en in aanvulling op artikel 1:4 lid 1 APV kunnen voorschriften en beperkingen worden
verbonden aan de vergunning die strekken ter bescherming van de belangen, zoals opgenomen in het vierde lid.
6. De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld formulier. Bij de
aanvraag om een vergunning wordt vermeld voor welke bedrijfsmatige activiteiten de vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens overgelegd: a.
de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant of beheerder;
b.
het adres en telefoonnummer waar de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;
d.
indien van toepassing de verblijftitel van de exploitant of beheerder;
c.
e. f.
het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;
een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant of beheerder gerechtigd is om in Nederland arbeid te verrichten;
een verklaring omtrent gedrag (VOG);
g.
een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de ruimte te beschikken
h.
naast de bovengenoemde gegevens kunnen gegevens worden gevraag van de aanvrager die
i.
waarin het bedrijf wordt gevestigd;
verband houden met registraties van het specifieke gebouw of de specifieke bedrijfsmatige activiteit, waarop de aangevraagd vergunning betrekking heeft;
als de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag kan hij verlangen dat aanvullende gegevens worden overgelegd.