CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlagen bij toelichting Bijlage 24 Nota beantwoording zienswijzen.PDF

Gemeenteraad 16 december 2021, gemeente OssBij agendapunt: A Bestemmingsplan Windmolenpark Elzenburg-De Geer 2021 (Deel 1 & 2 samen)39.697 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Dat neemt niet weg dat wij in het kader van een goede ruimtelijke ordening wel dienen te beoordelen of er ter plaatse van niet gevoelige objecten sprake is van een aanvaardbare mate van hinder door geluid. We hanteren in de planregels strengere normen, dan de wettelijke geluidsnorm van Lden 47 dB. Deze strengere normen zijn gebaseerd op de streefwaarde van 42 dB Lden. Hierdoor is de waarde op bijna alle woninggevels, dus buitenshuis, maximaal 42 dB Lden. Het hanteren van de streefwaarde van 42 dB Lden op de gevel, zorgt impliciet ook voor mitigerende maatregelen buitenshuis ten opzichte van de wettelijke norm. Alleen daarom al concluderen wij dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het woongenot. 8. Jaargemiddelde geluidnorm De nieuwe geluidnormen vanaf 2011 gaan over de gemiddelde geluidsbelasting over een jaar. Dit is voor de burger niet te volgen en niet te controleren. De nieuwe normen houden geen rekening met het pulserende geluid van windturbines. In het onderzoek van TNO 4 dat ter onderbouwing van de geldende wettelijke geluidnorm (2011) is uitgevoerd, is reeds rekening gehouden met het pulserende karakter van het geluid van windturbines.

Bij uitspraak van 6 mei 2015 5, heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak overwogen dat gelet op het feit dat kan worden voldaan aan de norm uit artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer die specifiek voor windturbines is opgesteld, het betrokken bestuursorgaan zich in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat voldoende rekening was gehouden met het pulserende karakter van het geluid van windturbines. 4

‘Hinder door geluid van windturbines, dosis - effectrelaties op basis van Nederlandse en Zweedse gegevens’, TNO, 2008-D-R1051/B 5 ECLI:NL:RVS:2015:1470 23

Na het in gebruik nemen van het nieuwe windpark, zal de gemeente Oss toezicht houden op het naleven van de geluidsnormen door de initiatiefnemers. Een belanghebbende die meent dat één (of meer) windturbine(s) uit het windpark niet voldoen aan de geldende normen, kan een verzoek tot handhaving indienen bij de gemeente. De gemeente (en/of Omgevingsdienst) controleert of de klacht terecht is en indien dat het geval is, kan de exploitant van het windpark tot bestuursrechtelijke naleving worden gedwongen. Wij wijzen op de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 februari 2012 6, waarin de Afdeling overwogen heeft dat er geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat artikel 3:14a van het Activiteitenbesluit, waarin de relevante geluidnormen zijn opgenomen, onverbindend is voor wat betreft de meetbaarheid en handhaafbaarheid van deze normen. Aanvullend is voor windmolenpark Elzenburg-De Geer, vanwege de handhaafbaarheid van de geluidregels, in bijlage 2 van de planregels van het bestemmingsplan een reken- en handhavingsmethodiek opgenomen, op basis van de Activiteitenregeling milieubeheer. Deze schrijft voor hoe controle en handhaving van de immissienormen uit artikel 8.1.4 b van het bestemmingsplan ‘Windmolenpark Elzenburg-De Geer” plaatsvindt.

Vanwege het verplicht overleggen van de emissietermen van de windturbines aan het bevoegd gezag (gemeente Oss) op een aantal momenten per jaar is de geluidbelasting van de windturbines controleerbaar en handhaafbaar. 9. Wat is de geluidsbelasting bij 210 meter hoogte? Wat is de windsnelheid bij een hoogte van 210 meter en de daarbij behorende geluidsbelasting? Voor geluidonderzoek wordt gerekend met windsnelheden op ashoogte (conform de Activiteitenregeling milieubeheer Bijlage 4, Reken- en meetvoorschrift windturbines) en niet op tiphoogte. Geluidbelasting van windturbines wordt vervolgens berekend op de gevel van een geluidgevoelig object en niet op tiphoogte. 10. Laag frequent en infrasoon geluid Laag frequent en infrasoon geluid blijven ook buiten beschouwing. Hoewel infrasoon geluid onhoorbaar is voor het menselijk oor, neemt het lichaam de lage frequenties wel degelijk waar en leidt dit tot gezondheidsklachten en -schade. De normen uit het Activiteitenbesluit hebben alleen betrekking op hoorbaar geluid in de dag en in de nacht. Indiener beschrijft verschillende mogelijke effecten en risico’s van laagfrequent en infrasoon geluid. Indiener beschrijft ook hoe dit geluid zich verplaatst en/of zich openbaart (o.a. infrasoon geluid horen we niet, maar voelen we, laagfrequent en infrasoon geluid zijn niet tegen te houden door isolatie, het gaat overal dwars doorheen).

Ook haalt indiener verschillende onderzoeken aan ter onderbouwing van de stelling dat de afstand van windturbines tot

6

ECLI:NL:RVS:2012:BV3215 24

woningen tenminste 2, 3 of meer kilometer moet zijn om laagfrequent en infrasoon geluid zo veel mogelijk te voorkomen. De bijdrage van het laagfrequente deel van het geluid op de hinderbeleving is al verdisconteerd bij het vaststellen van de Nederlandse norm voor windturbinegeluid, zoals ook in paragraaf 5.2 van de toelichting bij het bestemmingsplan wordt aangegeven. Ten eerste wordt namelijk in de metingen en de berekeningen van de Nederlandse norm het laagfrequent geluid deels expliciet betrokken vanaf een frequentie van 32 Hz. Daarnaast is de norm is gebaseerd op praktijkonderzoeken op duizenden adressen waarbij middels enquêtes is vastgesteld of mensen hinder ondervonden door het geluid van de windturbines. Daarbij zijn dus automatisch alle karakteristieke eigenschappen van windturbinegeluid betrokken, inclusief het mogelijk soms hoorbare en onhoorbare laagfrequente deel. Dit wordt bevestigd in de brief uit 2014 aan de Tweede kamer van de Staatsecretaris van Infrastructuur en Milieu, mede namens de minister van Economische Zaken en de minister van Infrastructuur en Milieu met betrekking tot laagfrequent geluid 7. Deze brief is gebaseerd op uitgebreid literatuuronderzoek door experts.

Op grond van de brief van de Staatssecretaris kan dus worden gesteld dat toetsing aan de standaard Nederlandse geluidnormen tevens voldoende bescherming biedt tegen hinder door laagfrequent geluid. Extra onderzoek naar de mogelijke hoorbaarheid van of hinder door laagfrequent geluid is daarom niet nodig. Deze conclusie werd nu ook specifiek onderschreven in onder meer de uitspraak van de Raad van State in het kader van het Windpark De Drentse Monden en Oostermoer (ECLI:NL:RVS:2018:616). Voor gezondheidseffecten door laagfrequent en infrasoon (niet hoorbaar) geluid door windturbines is, ondanks veel onderzoek, geen enkele wetenschappelijk onderbouwde aanwijzing. De geluidniveaus zijn daarvoor, ook direct ter plaatse van de windturbines, veel te laag. 11. Vergelijking Nederlandse geluidsnormen met de normen in de rest van Europa De Nederlandse geluidsnormen zijn de slechtste van heel Europa. Andere landen hanteren ruimere afstanden. Waarom wordt hier geen rekening mee gehouden? De Nederlandse geluidsnormen zijn voor ons een gegeven. In juli 2015 is door het Kennisplatform Windenergie (onder begeleiding van het RIVM) een kennisbericht opgesteld ten aanzien van geluid van windturbines. Uit dit bericht blijkt dat de grenswaarde voor het geluid van windturbines verschilt in diverse Europese landen.

Uit de Kamerbrief van 14 maart 2016 en onderliggende onderzoeken 8 blijkt dat de Nederlandse norm niet substantieel afwijkt van de normen in andere Europese landen. Daarnaast komt de norm vrijwel overeen met de aanbevelingen van de World Health Organisation (WHO) voor beperkingen van het geluidniveau in de nacht. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de Nederlandse regelgeving verouderd of ontoereikend zou zijn.

7

Brief d.d. 31 maart 2014, betreft laagfrequent geluid van windturbines, kenmerk IenM/bsk2014/44564, staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu Wilma J. Mansveld. 8 IENM/BSK-2016/55583 25

De geluidnorm gaat overigens niet uit van afstanden maar van maximale geluidbelasting op de gevel. Verder wijzen we hier opnieuw op het feit dat wij strengere regels voor geluid hanteren voor dit project. 12. Windpark Maastricht afgeblazen Een windpark in Maastricht is in 2012 afgeblazen na een second opinion van een Deense Universiteit. Het voldeed wel aan de Nederlandse norm, maar het schoot ernstig tekort voor bescherming van omwonenden. Deze uitleg van indiener is niet juist. Gedoeld wordt op Windpark Lanakerveld te Maastricht. Een onderzoeksgroep van professor Møller (Universiteit van Aalborg) heeft in 2012 kritiek geuit op de Deense norm voor laagfrequent geluid. Deze kritiek kwam ook naar voren in de second opinion voor het windpark Lanakerveld Maastricht van prof. Møller e.a. Volgens de auteurs geeft de Deense rekenmethode een onderschatting van het laagfrequent geluid. Volgens het Deense ministerie van Milieu was deze kritiek echter geen reden om de regelgeving aan te passen, omdat de onderliggende reken- en meetmethoden van de norm wel juist zijn. De Deense norm voor laagfrequent geluid is (ongewijzigd) van kracht sinds 1 januari 2012. Ook de Nederlandse Commissie voor de m.e.r. zag in het rapport van Møller geen aanleiding het positieve advies over het MER voor windpark Lanakerveld aan te passen.

Dat de gemeenteraad in april 2012 een motie heeft aangenomen om het bestemmingsplan voor het windpark niet verder in procedure te brengen heeft andere redenen: een gebrek aan draagvlak in de gemeenteraad en de behoefte om de burgers van Maastricht op diezelfde dag duidelijkheid te geven over de eventuele komst van windturbines. De second opinion (in 2012) had dus betrekking op specifiek laagfrequent geluid voor een project dat niet in procedure is genomen en ter toetsing bij de Raad van State heeft gelegen. Dat de Nederlandse norm voldoende bescherming biedt tegen laagfrequent geluid wordt steeds weer onderschreven door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2018:616 inzake windpark De Drentse Monden - Oostermoer). 13. Maatwerkvoorschriften geluid ontbreken ten onrechte Indiener verzoekt om in verband met bijzondere lokale omstandigheden maatwerkvoorschriften op te leggen om geluidhinder te beperken. De locatie is omringd door infrastructuur waardoor de geluidsbelasting al hoog is. In de nacht is de geluidbelasting minder, daar komt nu verandering in. De geluidsemissie zal goed over het open landschap geleiden en in de nacht voor een veel hoger geluidsniveau dan het overige omgevingsgeluid zorgen. Maatwerkvoorschriften met een lagere geluidsnorm zijn nodig ter voorkoming van slaapverstoring maar ook voor flora en fauna.

De zienswijze is ongegrond. Het bevoegd gezag kan op grond van artikel 3.14a lid 3 Activiteitenbesluit milieubeheer een andere waarde voorschrijven (maatwerkvoorschriften in de omgevingsvergunning), als bijzondere lokale omstandigheden daartoe aanleiding geven. Uit de 26

nota van toelichting op het Activiteitenbesluit blijkt echter dat de wetgever hier bijvoorbeeld wettelijk aangewezen stiltegebieden bedoelt. Aanwezigheid van rondom aanwezige infrastructuur bij een open landschap waardoor de geluidsbelasting overdag al hoog is, is op zichzelf geen omstandigheid die aanleiding geeft tot het stellen van maatwerkvoorschriften voor een afwijkende (milieu)norm ter plaatse van een geluidgevoelig object. Het is in dit kader ook van belang dat de normen zijn gebaseerd op een dosis-effectrelatie. Daarmee zijn ze onafhankelijk van het achtergrondgeluidniveau. Bij een lager achtergrondgeluidniveau ’s-nachts is er in de huidige situatie geen juridische grondslag om een andere norm te hanteren door middel van maatwerkvoorschriften in de omgevingsvergunning. Er zijn terecht geen maatwerkvoorschriften opgenomen. Echter, vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening heeft de gemeente wel besloten strengere normen voor geluid vast te leggen in de regels van het bestemmingsplan (zie ook paragraaf 5.2 van de toelichting bij het bestemmingsplan). Omdat er al sprake is van een belasting van de omgeving door wegverkeer en industrie (geur, horizonvervuiling, et cetera) en er ook sprake is van nabijgelegen Natuurnetwerk Brabant is er voor gekozen om de toename van eventuele hinder door de realisatie van windturbines zo veel mogelijk te voorkomen.

Op basis van jurisprudentie 9 is het mogelijk om in het ruimtelijk spoor (zoals een bestemmingsplan) in aanvulling op of in afwijking van het Activiteitenbesluit regels te stellen voor windturbines. Uit de uitspraken kan worden afgeleid dat de Raad van State van oordeel is dat de in het Activiteitenbesluit vastgelegde (geluid)regels voor windturbines niet tevens uitputtend zijn in het ruimtelijk spoor. Het Activiteitenbesluit, zo overweegt de Raad van State in de hiervoor aangehaalde uitspraken, geeft regels die nodig zijn ter bescherming van het milieu tegen de nadelige gevolgen die inrichtingen, in dit geval windturbines, kunnen veroorzaken. Het gaat om normen waaraan een windturbine dient te voldoen. 14. Geluidsreducerende maatregelen Indiener vraagt of de investering van het gedane aanbod voor geluidreducerende maatregelen door partijen wordt terugbetaald. Verder geeft indiener aan onder voorwaarden te hebben ingestemd met het aanbod. Voor de gemeente is dit niet acceptabel. Indiener vindt dit onfatsoenlijk. De gemeente wil niet voor een fatsoenlijke afwerking zorgen en geen overlast compenseren. Indiener geeft ook aan dat de rapporten van geluidbureau M+P behorende bij het gedane aanbod onvolledig zijn op een aantal nader genoemde aspecten.

Indiener heeft een aanbod ontvangen om op kosten van de initiatiefnemers van het windpark geluidmaatregelen toe te staan zoals voorgesteld in het deelrapport 'Gevelonderzoek windpark Elzenburg-De Geer te Oss, Maatregelen en kostenraming (…)' dat indiener heeft ontvangen. Het aanbod biedt geen ruimte om het onder de door indiener gestelde voorwaarden te aanvaarden. Dit

9

zie ECLI:NL:RVS:2017:2316, ECLI:NL:RVS:2017:2318, ECLI:NL:RVS:2017:2333, ECLI:NL:RVS:2017:2332, ECLI:NL:RVS:2017:2331 27

zien wij als een weigering. Het aanbod was eenmalig en niet onderhandelbaar. Hierover hebben wij eerder apart gecorrespondeerd. De gemeente Oss heeft op het gebied van geluid extra maatregelen genomen, boven op de wettelijke norm, om hinder voor de omgeving zoveel mogelijk te beperken door de windturbines en een goed woon- en leefklimaat voor omwonenden te kunnen garanderen: 1. een bovenwettelijke streefwaarde van 42 dB Lden is vertaald in het bestemmingsplan, 5 dB onder de wettelijke norm voor geluid van windturbines van 47 dB Lden; 2. aanvullend is voor die woningen die niet aan de streefwaarde 42 dB Lden voldoen gevelonderzoek uitgevoerd en onderzoek naar de binnenwaarden van die woningen; 3. daar waar in geluidgevoelige ruimtes de geprognotiseerde binnenwaarde van 18 dB Lnight niet wordt gehaald zijn maatregelen voorgesteld, resulterend in het aanbod, om alsnog de geprognotiseerde binnenwaarde van 18 dB Lnight te bereiken. De gemeente Oss heeft zodanig veel extra gedaan voor omwonenden dat er sprake is van een meer dan redelijk aanbod. Er zijn grenzen aan wat indiener van de gemeente mag verwachten. Tot slot hebben wij geluidbureau M+P gevraagd om ook nog te kijken of het gevelonderzoek correct is op alle onderdelen, omdat indiener een aantal zaken opsomt die volgens hem niet juist zijn in het onderzoek.

In een nieuwe rapportage die indiener apart heeft ontvangen, gaat M+P hier uitgebreid op in. Dit leidt tot enkele kleine aanpassingen in het rapport, maar dat is voor de onderhavige procedure niet meer van belang. Ook voor indiener zelf heeft dit verder geen gevolgen, behalve dan dat hij op deze wijze in staat wordt gesteld om, indien hij dit wenst, zelf de geadviseerde aanpassingen, op eigen kosten, goed te laten uitvoeren. Indiener heeft het eerder gedane aanbod voor te nemen maatregelen op kosten van exploitanten geweigerd. Daar laten we het bij. Wij hebben ons maximaal ingespannen om een goed woon- en leefklimaat te borgen voor geluid. We hebben hiermee ruimschoots aan onze zorgplicht voldaan. De planregel over de binnenwaarde van 18 dB Lnight wordt uit het bestemmingplan gehaald. Wij achten deze niet meer doelmatig. Dit vanwege de onderzoeksresultaten van gevelonderzoeken bij 7 woningen en het feit dat straks bij slechts één woning (in enkele verblijfsruimten) de 18 dB Lnight binnenwaarde niet wordt gehaald, omdat het aanbod niet is geaccepteerd. Het bestemmingsplan wordt op dit punt gewijzigd vastgesteld. Er wordt geen binnenwaarde meer opgenomen voor woningen met een hogere geluidsbelasting dan 42 dB Lden. 15. Uilenveren Uilenveren op de rotorbladen zorgen voor significant lagere geluidsproductie zonder aantasting van de energieproductie en met beperkte meerkosten.

Er dient duidelijkheid te worden gegeven over mogelijke mitigerende maatregelen. Bepaalde windturbinefabrikanten leveren windturbines met een optie tot het aanbrengen van zogenoemde uilenveren aan de rotorbladen (een kartelrand die het geluid reduceert). Bij de uiteindelijke windturbinekeuze wordt een afweging gemaakt over type windturbines, bijbehorende geluidbelasting en al dan niet beschikbaarheid en wenselijkheid van uilenveren bij dat type. De 28

windturbines dienen hoe dan ook te voldoen aan de immissienorm in het bestemmingsplan. Een passende windturbine daarvoor, al dan niet voorzien van uilenveren, of een andere mitigerende maatregel, wordt gekozen in een later stadium. De te nemen maatregelen worden dus afgewogen in het licht van de uiteindelijke turbinekeuze en het voldoen aan de immissienorm. 16. Laag achtergrondniveau Bij cliënten is er sprake van een laag achtergrond geluidsniveau nabij de woning, mede vanwege lage windsnelheden op grondniveau, terwijl op hogere hoogte sprake kan zijn van behoorlijke windsnelheiden (inversie-effect). Het geluid kan hierdoor in bepaalde frequent optredende omstandigheden (met name in de wintertijd) alsnog storend zijn. Geostrofe wind is een benaming voor een sterk met de hoogte toenemende windsnelheid. De windsnelheid neemt toe met de hoogte, omdat de lucht nabij het aardoppervlak wordt afgeremd door obstakels zoals bomen, gebouwen, gewassen en door de ruwheid van het aardoppervlak zelf. Onder bepaalde weersomstandigheden, en met name in de nacht, kan de toename met de hoogte veel sterker verlopen dan onder gemiddelde omstandigheden. Een sterker verloop van de windsnelheid over het vlak van het rotorblad kan een andere geluidemissie veroorzaken.

Omdat de normering voor windturbinegeluid onder andere is gebaseerd op praktijkonderzoeken onder omwonenden van windturbines en het karakteristieke geluid van windturbines, is met het effect van nachtelijke geostrofe wind ook impliciet rekening gehouden. De geluidnormen voor windturbines zijn overigens gebaseerd op een dosis effectrelatie, onafhankelijk van het heersende achtergrondgeluidniveau. Geluidberekeningen worden uitgevoerd zonder medeneming van een achtergrondniveau, dat betekent dat elk aanwezig achtergrond geluidniveau in meer of mindere mate een maskerend effect kan betekenen voor het windturbinegeluid. Besluit over zienswijzen binnen thema C •

Geen van deze zienswijzen zijn gegrond.

•

De zienswijzen nrs. 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15 en 16 zijn ongegrond of hebben wij voor kennis aangenomen.

•

Geen van deze zienswijzen zijn deels gegrond en deels ongegrond.

Wijzigingen in bestemmingsplan n.a.v. zienswijzen binnen thema C Geen. Wijzigingen in omgevingsvergunningen n.a.v. zienswijzen binnen thema C Geen. Gevolgen voor milieueffectrapport n.a.v. zienswijzen binnen thema C Geen.

29

D. Slagschaduw en lichtschittering 1. Aangehouden is 6 uur slagschaduw op jaarbasis, bij voorkeur moet 0 uur worden aangehouden. Als dit niet kan, dan willen bewoners de turbine kunnen uitschakelen als er overlast is in huis of tuin. Met deze beschikbare technische mogelijkheid worden in andere gemeenten goede resultaten geboekt. Het levert voordeel op voor de exploitant, want de grens van 6 uur slagschaduw kan op deze manier, zo gunstig mogelijk over het jaar, worden ingezet. Enkele indieners verzoeken hier om vanwege gezondheidsredenen, in één geval vanwege migraine die in het gezin voorkomt. De gemeente hanteert een strengere norm voor slagschaduw dan in het Activiteitenbesluit milieubeheer is geregeld. In de ontwerp-omgevingsvergunningen is een maatwerkvoorschrift opgenomen voor onder andere slagschaduw. Dit maatwerkvoorschrift schrijft voor dat de vier windturbines samen niet meer dan zes uur in totaal, op jaarbasis slagschaduw mogen veroorzaken op de maatgevende woningen, die zijn genoemd in de omgevingsvergunningen. Dit heeft als gevolg dat de totale slagschaduwduur op alle woningen niet meer dan 6 uur per jaar bedraagt. Dit maatwerkvoorschrift geldt dus voor de beide deelparken (cumulatief) samen.

Om aan dit maatwerkvoorschrift te kunnen voldoen, moeten de windmolens een automatische stilstandsvoorziening hebben die afschakelt als er meer slagschaduw wordt veroorzaakt op de woningen dan is aangegeven in het maatwerkvoorschrift. Een stilstandsvoorziening is verplicht op grond van Activiteitenbesluit milieubeheer en de Activiteitenregeling milieubeheer. Wij vinden deze regeling afdoende, ook omdat mensen niet altijd thuis zullen zijn als de slagschaduw zich voordoet. De zienswijze is ongegrond, maar wij vermelden hier nog het volgende: Van de toekomstige exploitanten hebben wij begrepen dat de gevraagde voorziening, om als omwonenden de windturbine zelfstandig stil te kunnen zetten, voor dit kleine windpark onevenredig kostbaar is. Zij geven bovendien aan dat uit de uitgevoerde onderzoeken voor slagschaduw blijkt dat de turbines op relatief weinig momenten hoeven te worden stilgezet, vanwege de beperkte overschrijding van de slagschaduwnorm. Zij hebben daarom het volgende toegezegd: ‘Voorafgaand aan de exploitatie van het windpark zal er een zogenoemde ‘slagschaduwkalender’ worden opgesteld. Hieruit blijkt hoeveel en op welke mogelijke momenten er stilstand getroffen dient te worden. Wij gaan graag met de toekomstige omgevingsraad 10 en omwonenden in overleg over de meest wenselijke momenten van de verschillende stilstandsvoorzieningen.

Indien haalbaar, kan het wenselijk zijn om op bepaalde specifieke momenten in het jaar juist wel en op andere momenten wellicht geen stilstand te treffen.’

10

Na de besluitvorming van de gemeenteraad over het bestemmingsplan zal de klankbordgroep ophouden te bestaan en zal er een omgevingsraad worden opgericht. Deze omgevingsraad bestaat uit de exploitanten en de omgeving. In de omgevingsraad worden afspraken gemaakt als ‘goede buren’. Bijvoorbeeld over klachtafhandeling of de inrichting van het omgevingsfonds en het beheer daarvan. 30

2. Een voorwaardelijke verplichting om lichtschittering tegen te gaan ontbreekt. De verplichting om lichtschittering te voorkomen moet worden opgenomen in het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning. De op de windturbines aan te brengen coating is niet ruimtelijke relevant en kan daardoor ook niet in het bestemmingsplan geregeld worden door middel van een voorwaardelijke verplichting. Op grond van de rechtstreekse werking van artikel 3.14 lid 4 Activiteitenbesluit en art. 3.13 lid 1 Activiteitenregeling milieubeheer wordt lichtschittering bij het in werking hebben van een windturbine zoveel mogelijk voorkomen of beperkt door toepassing van niet-reflecterende materialen of coatinglagen op de betreffende onderdelen. Volgens de aanvragen worden de windturbines voorzien van een anti-reflecterende coating. 3. Indiener vindt het onderzoek voor slagschaduw onvolledig, omdat bij de meting wordt uitgegaan van één punt op de woning, terwijl indiener volop ramen heeft. En de geveloppervlakte is groter, dan waarvan in het rapport wordt uitgegaan. De zienswijze is ongegrond.

In bijlage 19 ‘Slagschaduwonderzoeken omgevingsvergunning’ bij de toelichting van het ontwerpbestemmingsplan staat vermeld op welke manier de slagschaduw op de gevel van de omliggende woningen is berekend: “Bij de beoordeling van slagschaduwhinder wordt uitgegaan van de ‘worst case’ aanname dat de gehele gevel van een woning boven een hoogte van 0,5 m boven het maaiveld uit raam bestaat. Daarbij is aangenomen dat de gevelhoogte bij woningen 5 m bedraagt en voor de geprojecteerde breedte van het gevelvlak is 8 m aangehouden.” Dit vinden wij voldoende. 4. De gemeente vindt 6 uur slagschaduw per jaar verantwoord. Waarop baseert de gemeente dit? Wij hanteren al strengere voorschriften dan de wettelijke norm (zie ons antwoord onder D.1). Wij zijn van mening dat 6 uur slagschaduw in totaal op jaarbasis geen onevenredige hinder veroorzaakt. Zeker nu mensen ook niet altijd thuis zijn als er sprake is van slagschaduw. Desondanks zijn de exploitanten bereid om met omwonenden in gesprek te gaan over de meest wenselijke momenten van het treffen van de stilstandsvoorzieningen (zie de beantwoording onder D.1). 5. Er wordt geen rekening gehouden met slagschaduw voor het verkeer. Een weg is geen gevoelig object ten aanzien van slagschaduw. Verkeerswegen zijn niet aan te merken als een gevoelig object als bedoeld in artikel 3.12, eerste lid, van de Activiteitenregeling.

Onder gevoelige objecten vallen gevoelige gebouwen en gevoelige terreinen. Uit artikel 1.1, eerste lid, van het Activiteitenbesluit blijkt dat onder een gevoelig gebouw wordt verstaan: “woningen en gebouwen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder zijn aangemerkt als andere geluidsgevoelige gebouwen…”. In artikel 1 van de Wet geluidhinder wordt voor de andere 31

geluidsgevoelige gebouwen verwezen naar het Besluit geluidhinder. ‘Andere geluidsgevoelige gebouwen’ betreffen gebouwen die een met wonen gelijk te stellen functie hebben. In artikel 1.2, eerste lid, van het Besluit geluidhinder zijn bijvoorbeeld een onderwijsgebouw en een ziekenhuis als ‘ander geluidsgevoelig gebouw’ aangewezen. Uit artikel 1.1, eerste lid, van het Activiteitenbesluit blijkt dat onder een gevoelig terrein wordt verstaan: “terreinen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige terreinen..”. Daarnaast; voor het windpark Deil (op het kruispunt van de snelwegen A2 en A15) is onlangs het aspect van slagschaduw op (snel) wegen bekeken door adviesbureau Goudappel Coffeng. De conclusie voor windturbines bij dit kruispunt van snelwegen is als volgt: “Schrikreacties door de slagschaduw zijn enkel te verwachten wanneer men de windturbines niet op tijd ziet. Aangezien de turbines vanuit alle richtingen van ver te zien zijn, worden hiermee geen problemen verwacht.” De windturbines van Windpark Elzenburg – De Geer zijn van afstand te zien voor het verkeer op de N329. Ook voldoen de windturbines aan de afstandseis ten aanzien van Rijkswegen zoals deze is opgenomen in de Beleidsregel van Rijkswaterstaat voor het plaatsen van windturbines op, in of over rijkswaterstaatswerken. Besluit over zienswijzen binnen thema D •

Geen van deze zienswijzen zijn gegrond.

•

De zienswijzen nrs. 1, 2, 3, 4 en 5 zijn ongegrond of hebben wij voor kennis aangenomen.

•

Geen van deze zienswijzen zijn deels gegrond en deels ongegrond.

Wijzigingen in bestemmingsplan n.a.v. zienswijzen binnen thema D Geen. Wijzigingen in omgevingsvergunningen n.a.v. zienswijzen binnen thema D Geen. Gevolgen voor milieueffectrapport n.a.v. zienswijzen binnen thema D Geen. E. Obstakelverlichting 1. De vormgeving van obstakelverlichting had moeten worden geborgd in het bestemmingsplan. Sinds 2015 zijn nieuwe richtlijnen van kracht. Deze zijn niet in het ontwerpplan uitgewerkt. Een goed woon-en leefklimaat is niet geborgd. En ook belangen van natuur en milieu worden geraakt. De windturbines moeten op basis van de regels uit het Informatieblad van de Inspectie Leefomgeving en Transport worden voorzien van obstakelverlichting. Volgens de regels in het ontwerpbestemmingsplan moet vóór de ingebruikname van het windpark een verlichtingsvoorstel worden uitgewerkt dat is gericht op het zo veel mogelijk beperken van hinder. Dit voorstel dient voorafgaand aan de realisatie van het windpark ter instemming te worden voorgelegd aan de Inspectie Leefomgeving en Transport (eis bestemmingsplan) en de gemeente (maatwerkvoorschrift 32

in ontwerp-omgevingsvergunningen in het kader van de zorgplicht). De geldende planregels en het genoemde maatwerkvoorschrift bieden enerzijds voldoende waarborgen voor veiligheid van de burgerluchtvaart en voorkomen anderzijds onaanvaardbare lichthinder voor de omwonenden. Er zal sowieso geen sprake zijn van (hinder van) uitstralend licht, vanwege de omstandigheid dat de lichtbron primair is gericht op het luchtruim, de afstand tot de woningen en de beperkte lichtsterkte. 2. In het bestemmingsplan is opgenomen dat er voor de aanvang van de bouw een verlichtingsvoorstel moet komen, waarvan de uitwerking zo veel mogelijk is gericht op het beperken van lichthinder. Voorwaarden over lichthinder dienen opgenomen te worden in het bestemmingsplan, zodat het voor iedereen controleerbaar is. Wij verwijzen naar de beantwoording onder E.1. Aanvullend vermelden wij dat wij met de systematiek in de planregels en het genoemde maatwerkvoorschrift juist ruimte hebben willen laten voor nieuwe technische ontwikkelingen om lichthinder te voorkomen. De beoordeling van het in te dienen verlichtingsplan ligt onder andere bij ons. Wij zullen, voor zover die ruimte er is, bij de beoordeling ook meenemen of nieuwe technische mogelijkheden (om hinder te voorkomen), voldoende benut worden door exploitanten en in redelijkheid kunnen worden gevergd. 3. De aanbevelingen van de Commissie voor de m.e.r.

zijn slechts gedeeltelijk opgevolgd. Er is niets gedaan met de aanbeveling over vastbrandende verlichting. Vastbrandende obstakelverlichting is één van de mogelijke opties uit het Informatieblad van de Inspectie Leefomgeving en Transport. Wij wachten het verlichtingsvoorstel van initiatiefnemers af en beoordelen dan wat er voorligt en wat in redelijkheid kan worden gevergd van exploitanten om hinder zo veel mogelijk te voorkomen. Besluit over zienswijzen binnen thema E •

Geen van deze zienswijzen zijn gegrond.

•

De zienswijzen nrs. 1, 2 en 3 zijn ongegrond of hebben wij voor kennis aangenomen.

•

Geen van deze zienswijzen zijn deels gegrond en deels ongegrond.

Wijzigingen in bestemmingsplan n.a.v. zienswijzen binnen thema E Geen. Wijzigingen in omgevingsvergunningen n.a.v. zienswijzen binnen thema E Geen. Gevolgen voor milieueffectrapport n.a.v. zienswijzen binnen thema E Geen. F. Gezondheidsaspecten

33

1. Verschillende indieners maken zich ernstige zorgen over hun gezondheid. Indieners hebben artikelen gelezen over (ernstige) gezondheidsklachten door slagschaduw, geluid, knipperende lichten, geluidsoverlast en laagfrequent geluid. Naar de effecten van windturbines op de gezondheid door omwonenden, is door het Rijks Instituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) in 2013 onderzoek gedaan (Van Kamp e.a. RIVM Rapport 200000001, 2013). In 2017 heeft de GGD Amsterdam in samenwerking met het RIVM nog een literatuurstudie uitgevoerd naar de relatie tussen blootstelling aan windturbinegeluid en gezondheid. 32 (collegiaal getoetste) wetenschappelijke onderzoeken tussen 2009 en 2017 zijn onderzocht in de literatuurstudie. Beide studies concluderen dat een windturbine geen directe effecten heeft op de gezondheid van omwonenden. Wel kunnen er indirecte effecten optreden. Mensen die in de nabijheid bij windturbines wonen, kunnen hinder door geluid ondervinden. Slagschaduw, zichtbaarheid en knipperende lichten kunnen eveneens bijdragen aan de mate van hinder die wordt ondervonden. Het geluidniveau van windturbines is minder hoog dan van andere bronnen (verkeer en dergelijke), maar het karakter zorgt ervoor dat het windturbinegeluid bij lagere niveaus als hinderlijk wordt ervaren. Hinder kan zich uiten in irritatie, boosheid en onbehagen.

Er zijn weinig data beschikbaar om de invloed van windturbines op slaapverstoring te kunnen evalueren. In de onderzoeken is gevonden dat gezondheidseffecten door slaapverstoring en andere gezondheidseffecten gerelateerd kunnen zijn aan het ervaren van hinder, en niet het directe gevolg zijn van blootstelling. Naar gezondheidseffecten van de windturbines is ook onderzoek gedaan in het MER (zie bijlage 8 Gezondheid bij MER). Wij hebben de GGD, Bureau Gezondheid Milieu en Veiligheid gevraagd de gezondheidseffecten voor wat betreft geluid, laagfrequent geluid, slagschaduw en verspreiding van stoffen (geur, fijnstof en N02) in beeld te brengen en te beoordelen voor de verschillende opstellingsalternatieven uit het MER. Hiermee hebben wij rekening gehouden bij de keuze voor het voorkeursalternatief dat nu in het bestemmingsplan is uitgewerkt. De GGD gaat in haar rapport ook in op een aantal andere gezondheidskundige aspecten (epileptische aanvallen, gehoorproblemen en verstoring van gehoorapparaten, migraine en slaapapneu in relatie tot windmolens). Hieruit blijkt dat op basis van de huidige wetenschappelijke inzichten en uitgevoerde onderzoeken geen directe relatie kan worden aangetoond tussen het wonen bij een windmolenpark en bepaalde gezondheidsklachten.

In aanvulling op het bovenstaande merken wij nog op dat in 2018 het rapport ‘Environmental Noise Guidelines for the European Region’ van de Wereldgezondheidsorganisatie (WGO) is verschenen. De WGO adviseert in dit rapport om de geluidsbelasting van de windmolens op de omgeving te beperken tot maximaal 45 dB Lden. Volgens de WGO kan een hogere geluidsbelasting tot negatieve gezondheidseffecten leiden bij mensen, al concludeert de WGO daarbij zelf dat het bewijs hiervoor van lage kwaliteit is. De WHO vat op pagina 84 van het rapport voor wat betreft geluid van windturbines samen: “very little evidence is available about the adverse health effects of continuous exposure to wind turbine noise.” Vrij vertaald: er is heel weinig bewijs beschikbaar voor de nadelige effecten van windturbinegeluid op de gezondheid. De door ons gehanteerde streefwaarde voor geluid van windturbines van 42 dB Lden in het bestemmingsplan (de planregels 34

zorgen dat deze waarde overal gehaald wordt, m.u.v. bij maximaal 7 woningen) ligt ruimschoots onder de aanbeveling van de WGO. Gezien al het bovenstaande, zien wij geen redenen om aan te nemen dat insprekers nadelige gezondheidseffecten zullen ervaren vanwege het windmolenpark. Voor wat betreft laagfrequent geluid merken wij op dat hiernaar uitgebreid onderzoek is gedaan (o.a. worstcase alternatief 1a uit het MER is onderzocht met 11 windmolens). Wij verwijzen naar bijlage 3 bij het MER (akoestisch onderzoek d.d. 4-9-2017, paragraaf 3.10 en 6.9). Hieruit blijkt dat als het geluidsniveau op de gevel lager is dan 47 dB Lden, de zgn. ’Vercammencurve’, (één van de rekenmethodieken om laagfrequent geluid te berekenen) niet zal worden overschreden. We blijven voor dit windpark qua gevelbelasting ruimschoots onder de 47 dB Lden. Indien het laagfrequent geluidsniveau binnenshuis lager is dan de niveaus in de Vercammencurve, dan heeft de Raad van State (2006) geoordeeld dat onaanvaardbare hinder kan worden uitgesloten. De Afdeling heeft meermaals geoordeeld dat de geluidnormen uit het Activiteitenbesluit voldoende bescherming bieden tegen laagfrequent geluid. Wij hanteren voor dit specifieke project strengere regels dan het Activiteitenbesluit.

De GGD geeft in haar onderzoeksrapport aan dat zij geen hinder verwacht door laagfrequent geluid op basis van de uitgevoerde berekeningen (bijlage 8 bij het MER). 2. De gemeente heeft als taak om voor het belang van de inwoners op te komen. Indiener kan zich niet voorstellen dat de gemeente het risico wil nemen om in te stemmen met het bestemmingsplan, omdat de gezondheid van inwoners en hun kinderen in gevaar komt. Voor informatie over uitgevoerde onderzoeken en de afwegingen over gezondheid, verwijzen wij naar de beantwoording onder F.1. De gemeente heeft als taak om het algemeen belang te behartigen. In dat kader hebben wij het belang van duurzame energieopwekking afgewogen tegen allerlei andere belangen, waaronder het gezondheidsbelang van onze inwoners. De gemeente wil niet het risico lopen dat met de vaststelling van het bestemmingsplan de gezondheid van haar inwoners in gevaar komt. Daarom is voor het aspect gezondheid in het kader van het MER uitgebreid onderzoek gedaan door de GGD Brabant (Bureau Gezondheid Milieu en Veiligheid). Verder zijn onderzoeken van andere gezaghebbende instanties bekeken en betrokken bij de belangenafweging, zoals aangegeven onder antwoord F.1. 3.

Er kunnen slaapstoornissen en slaapgebrek ontstaan met gevolgen als vermoeidheid, hoofdpijn, hoge bloeddruk, oorsuizen, concentratiestoornissen, slaperigheid, hersentrombose en hartinfarct, psychische stoornissen. Windturbines kunnen bij individuen tot het ervaren van hinder leiden, en daardoor indirect tot gezondheidseffecten leiden. Er is echter geen rechtstreeks verband tussen windturbines en gezondheidseffecten aangetoond. Voor de onderbouwing van de onderzoeken naar gezondheid verwijzen wij indiener naar het antwoord onder F.1.

35

4. Andere landen hanteren andere afstanden van windmolens tot woningen. Daar is meer ruimte en kunnen windmolens verder van woningen geplaatst worden. De ruimte in Nederland is beperkt. De afstand die het windmolenpark Elzenburg – de Geer aanhoudt ten opzichte van de omliggende woningen is de uitkomst van het MER-proces en vloeit voort uit de gekozen opstellingsvariant. Voor het aspect geluid zijn onderzoeken uitgevoerd met betrekking tot afstanden tot woningen in diverse Europese landen. In juli 2015 is door het Kennisplatform Windenergie (onder begeleiding van het RIVM) een kennisbericht opgesteld ten aanzien van geluid van windturbines. Uit dit bericht blijkt dat de grenswaarde voor het geluid van windturbines verschilt in diverse Europese landen. Uit de Kamerbrief van 14 maart 2016 en onderliggende onderzoeken 11 blijkt dat de Nederlandse norm niet substantieel afwijkt van de normen in andere Europese landen. Daarnaast komt de norm vrijwel overeen met de aanbevelingen van de World Health Organisation (WHO) voor beperkingen van het geluidniveau in de nacht. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de Nederlandse regelgeving verouderd of ontoereikend zou zijn. De geluidnorm gaat overigens niet uit van afstanden maar van maximale geluidbelasting op de gevel.

Verder wijzen wij op het feit dat wij voor dit project strengere regels voor geluid hanteren dan wettelijk voorgeschreven. Voor meer informatie over deze strengere norm verwijzen wij indiener naar de beantwoording onder thema C ‘Geluid’. 5. Indiener vraagt om het gezondheidsaspect zorgvuldig in de afweging te betrekken en niet te volstaan met een milieutoets. Zo is er geen onderzoek gedaan naar ultrasoon geluid dat de windmolens veroorzaken. Voor informatie over uitgevoerde onderzoeken en de afwegingen over gezondheid, verwijzen wij naar de beantwoording onder F.1. Wij hebben niet volstaan met alleen een milieutoets. De milieutoetsen voor geluidhinder en slagschaduw zijn op zichzelf staande onderzoeken. Voor het aspect gezondheid, waar ook geluid en slagschaduw een onderdeel van zijn, is apart een onderzoek verricht. Indiener wijst op het feit dat windmolens ultrasoon geluid zouden veroorzaken. Laag frequent geluid en ultrasoon geluid worden niet afzonderlijk gehoord van geluid van andere frequenties, maar in samenhang. Het heeft dus dezelfde mogelijke indirecte (gezondheids)effecten als ander geluid: hinder, slaapverstoring, moeheid, concentratieproblemen. Er zijn echter geen aanwijzingen dat windturbinegeluid leidt tot directe gezondheidsklachten en/of stress.

TNO heeft beoordeeld dat het bewijs dat windturbinegeluid een zwak verband heeft met slaapverstoring, slechts van lage kwaliteit is. De rechtspraak heeft geoordeeld dat er geen wetenschappelijk bewijs beschikbaar is dat de gestelde gezondheidsrisico’s van laagfrequent geluid en infrageluid van windturbines

11

IENM/BSK-2016/55583 36

ondersteunt. Op het huidige niveau van windturbinegeluid is het optreden daarvan onbewezen en onwaarschijnlijk, aldus het GGD/RIVM rapport uit 2017. Voor de beantwoording van deze zienswijze verwijzen wij indiener verder naar de beantwoording onder thema ‘C. Geluid’, onder punt 10, ‘Laag frequent en infrasoon geluid’. 6. Er zijn verschillende onderzoeken waarin verschillende afstanden als ‘gezonde afstand’ tussen huis en windmolen worden genoemd Indiener spreekt van verschillende onderzoeken waarin verschillende afstanden als ‘gezonde afstand’ worden gezien. Indiener geeft in zijn zienswijze niet aan om welke onderzoeken het gaat. Inhoudelijk kunnen wij daarom niet reageren op wat indiener als ‘gezonde afstand’ ziet. De toelichting bij het bestemmingsplan, het onderliggende MER en alle uitgevoerde onderzoeken tonen aan dat, na de bouw van de windmolens, nog steeds sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Daarom achten wij de afstand die in dit bestemmingsplan wordt gehanteerd als aanvaardbaar. 7. Wat gaat de gemeente doen als de effecten groter zijn dan geschat? De maximale effecten zijn vastgelegd in het bestemmingsplan en de omgevingsvergunningen. Bovendien is in het bestemmingsplan een handhavingsmethodiek opgenomen voor geluid.

Op het moment dat de exploitanten van het windmolenpark de in het bestemmingsplan gestelde normen of de voorschriften uit de omgevingsvergunningen overschrijden, dan zullen de turbines moeten worden stilgezet of andere (mitigerende) maatregelen moeten worden getroffen. De effecten van het windmolenpark kunnen dus nooit groter worden dan toegestaan volgens het bestemmingsplan en vergund. 8. Wordt er vervolgonderzoek gedaan waarbij wordt gekeken naar bovengenoemde onderzoeken? Het bestemmingsplan, het MER en alle uitgevoerde onderzoeken tonen aan dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor omwonenden. Daarom is vervolgonderzoek niet nodig. Wel dienen de initiatiefnemers na concrete windturbinekeuze en voor start van de bouw een specifiek geluid- en slagschaduwonderzoek te overleggen van het gekozen type om aan te tonen dat met de concreet te bouwen windturbines aan de omgevingsvergunning (en daarmee ook het bestemmingsplan) kan worden voldaan. 9. De plannen hebben nu al een enorme impact op het woongenot. En dit heeft ook invloed op slaap en psychische gesteldheid. Wij hebben het uiterste gedaan om zo zorgvuldig mogelijk om te gaan met de onrust en zorgen van omwonenden. Wij hebben vanaf het begin van de planvorming een zeer zorgvuldig communicatietraject rondom het plan georganiseerd (procesparticipatie).

Wij hebben de omwonenden en andere belanghebbenden bij iedere stap meegenomen en geïnformeerd. De 37

zorgen die zijn geuit hebben wij onderzocht met behulp van deskundigen en de uitkomsten hiervan hebben wij steeds teruggekoppeld. Waar nodig en mogelijk hebben wij de uitkomsten vertaald in planregels of vergunningvoorschriften. Wij kunnen de zorgen niet verder wegnemen. 10. Volgens het MER en het GGD-rapport zou op basis van huidige wetenschappelijke inzichten en uitgevoerde onderzoeken blijken dat geen directe relatie kan worden aangetoond tussen het wonen bij een windmolenpark en bepaalde gezondheidsklachten. Indieners betwijfelen dit. Indieners onderbouwen hun zienswijze niet met onderzoeken, met algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten, die wel een directe relatie aantonen tussen het wonen bij een windmolenpark en bepaalde gezondheidsklachten. Wij nemen hun standpunt daarom voor kennisgeving aan en verwijzen indieners voor informatie over uitgevoerde onderzoeken en de afwegingen over gezondheid naar de beantwoording onder F.1. 11. De GGD geeft aan ‘dat het niet mogelijk is om exact te voorspellen in welke mate de windmolens in Oss zullen zorgen voor een toename in ernstige hinder en dat de resultaten in de tabel met een slag om de arm geïnterpreteerd worden’. Zo is er geen enkele zekerheid over de gezondheid.

Indieners willen een volledige en onderbouwde reactie op het rapport van de WHO ‘Environmental noise guidelines for the European Region’ en niet alleen maar voor wat betreft geluid. Uit onderzoeken blijkt dat er mogelijk indirecte effecten zijn op de gezondheid. Er zijn echter geen aanwijzingen dat windturbinegeluid direct leidt tot gezondheidsklachten en/of stress. De rechtspraak heeft geoordeeld dat er geen wetenschappelijk bewijs beschikbaar is dat de gestelde gezondheidsrisico’s door windturbines ondersteunt. 12. De Hoge Gezondheidsraad, het wetenschappelijk adviesorgaan van de Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de voedselketen en Leefmilieu bevestigt dat klachten over de invloed van windturbines op de gezondheid en levenskwaliteit gegrond zijn. De Hoge Gezondheidsraad is in België het wetenschappelijk adviesorgaan van de Federale overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu. Het advies van de Belgische Hoge Gezondheidsraad (HGR, 2013) stelt dat directe effecten op de gezondheid, anders dan hinder en slaapverstoring, onwaarschijnlijk zijn. De raad geeft wel de waarschuwing mee dat zowel hinder als slaapverstoring via stressprocessen kunnen leiden tot negatieve effecten op de gezondheid en het welbevinden van de mensen die in de buurt van windturbines wonen.

Deze conclusies zijn min of meer vergelijkbaar met die van het Nederlandse RIVM (zie de beantwoording onder F.1). Er zijn dus geen aanwijzingen dat windturbinegeluid leidt tot directe gezondheidsklachten en/of stress. De rechtspraak heeft dan ook geoordeeld dat er geen wetenschappelijk bewijs beschikbaar is dat de gestelde gezondheidsrisico’s van geluid van windturbines ondersteunt. Op het huidige 38

niveau van windturbinegeluid is het optreden daarvan onbewezen en onwaarschijnlijk, aldus het RIVM rapport uit 2017. 13. Het onderzoek van de wetenschappers Nissenbaum, Aramini en Hanning heeft twee bevolkingsgroepen van een gelijke demografische opbouw onderzocht. De helft woonde in de buurt van windmolens en de andere helft niet. Bij de groep die woonde bij de windmolens werden veel meer gezondheidsklachten geregistreerd. Het onderzoek waar indiener op doelt is het artikel “Effects of industrial wind turbine noise on sleep and health” uit 2012. Het artikel geeft aan dat er sprake is van slaapverstoring (niet gezondheidsklachten) tot op afstanden van 1.500 meter van windturbines. In het onderzoek had de vraagstelling naar slaapverstoring betrekking op geluid uit diverse bronnen, en dus niet direct betrekking op geluid van windturbines. Er is dus alleen getoetst of windturbinegeluid bijdraagt aan deze algemene slaapverstoring door geluid. Meer recentelijk, in 2017, heeft de GGD Amsterdam in samenwerking met het RIVM een literatuurstudie uitgevoerd naar de relatie tussen blootstelling aan windturbinegeluid en gezondheid 12. Daarbij zijn 32 (collegiaal getoetste) wetenschappelijke onderzoeken tussen 2009 en 2017 beschouwd in de literatuurstudie. Ook het onderzoek van Nissenbaum c.s. is in deze literatuurstudie afgewogen.

De conclusie uit de literatuurstudie van GGD en RIVM is dat een windturbine geen directe effecten heeft op de gezondheid van omwonenden. Wel kunnen er indirecte effecten optreden. Er is voor ons dan ook geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat het onderzoek van Nissenbaum c.s. andere inzichten geeft ten aanzien van de relatie tussen windturbines en gezondheidsklachten dan wat uit de literatuurstudie van GGD/RIVM blijkt. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 21 februari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:616, Windpark De Drentse Monden en Oostermoer) geoordeeld dat -op basis van verschillende onderzoeken van het RIVM en de GGD uit onder meer 2013, 2015 en 2017verweerders zich in die procedure in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de voorziene windturbines niet zullen leiden tot onaanvaardbare gevolgen voor de gezondheid door het geluid dat door de windturbines wordt veroorzaakt, waaronder laagfrequent geluid. 14. De gemeente moet het voorzorgsprincipe hanteren bij windmolens, ook als gezondheidsklachten niet onomstotelijk bewezen zijn. Het voorzorgsbeginsel kent zijn oorsprong in het internationaal (milieu)recht; In de Declaration of the Second International Conference on the Protection of the North Sea van 25 november 1987.

Sindsdien is het beginsel in een groot aantal internationale verdragen opgenomen, waaronder in artikel 191, tweede lid, van het VWEU. Ook in het Nederlandse recht vindt het voorzorgsbeginsel

12

“Health effects related to wind turbine sound”, F. van den Berg (GGD Amsterdam) en I. van Kamp (RIVM) (2017) 39

doorwerking, bijvoorbeeld in het natuurbeschermingsrecht, onder meer door implementatie van Europese richtlijnen. Voorts speelt het beginsel een rol in de jurisprudentie van het EHRM over de artikelen 2 en 8 van het EVRM. Bij toepassing vanuit deze verschillende bronnen, op zeer uiteenlopende (rechts)gebieden en veelal niet gecodificeerd, kent het voorzorgsbeginsel vele verschijningsvormen. Het beginsel kent geen vastomlijnde definitie. De definitie die het meest aansluit bij de oorsprong van het voorzorgsbeginsel luidt als volgt: "Wanneer er, op basis van de best beschikbare informatie, redelijke gronden zijn om te vrezen voor ernstige en/of onomkeerbare milieuschade, moet effectieve en proportionele actie ondernomen worden om die schade te voorkomen en/of tegen te gaan, mede in situaties van wetenschappelijke onzekerheid aangaande de oorzaak, omvang en/of waarschijnlijkheid van de mogelijke schade. " Wij hebben het voorzorgsbeginsel in de besluitvorming over het windpark op de juiste wijze toegepast. In dat kader wordt opgemerkt dat het bestemmingsplan aan de normen van het Activiteitenbesluit voldoet en dat wij zelfs strengere normen hanteren. De normen uit het Activiteitenbesluit en de strengere normen uit het bestemmingsplan bieden voldoende bescherming tegen onder andere (laagfrequent) geluid.

In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen wordt een afweging gemaakt op basis van best beschikbare kennis op dat moment. Uit de onderzoeken die gedaan zijn door o.a. het RIVM blijkt niet dat er reden is om aan te nemen dat windturbines gezondheidseffecten veroorzaken. Het voorzorgsbeginsel strekt niet zo ver dat op basis van publicaties, waarin slechts een mogelijk verband wordt gelegd tussen windturbines en gezondheidsklachten, van de vaststelling van het bestemmingsplan af moet worden gezien. Dit is ook zo door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwogen (zie o.a. ECLI:NL:RVS:2018:616). 15. Gidslanden zijn tot inkeer gekomen: Denemarken heeft in afwachting van gezondheidsonderzoeken een aantal onshore windprojecten gestopt en de deelstaat Beieren hanteert een minimale afstand van windparken tot bewoning van 10 maal de tiphoogte. Wij merken op dat dit op zichzelf geen reden is om ook de norm in het Nederlands recht aan te passen. Op basis van wetenschappelijke onderzoeken concludeert de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State keer op keer dat de norm uit art. 3.14a Activiteitenbesluit voldoende waarborgen biedt tegen de gevolgen van geluidhinder door windturbines. Inzichten in Denemarken en Duitsland, wat daar verder ook van zij, leiden niet tot een andere conclusie. Wij gaan uit van de Nederlandse regelgeving.

Besluit over zienswijzen binnen thema F •

Geen van deze zienswijzen zijn gegrond.

•

De zienswijzen nrs. 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14 en 15 zijn ongegrond of hebben wij voor kennis aangenomen.

•

Geen van deze zienswijzen zijn deels gegrond deels ongegrond.

40

Wijzigingen in bestemmingsplan n.a.v. zienswijzen binnen thema F Geen. Wijzigingen in omgevingsvergunningen n.a.v. zienswijzen binnen thema F Geen. Gevolgen voor milieueffectrapport n.a.v. zienswijzen binnen thema F Geen. G. Inrichtingsplan/kwaliteitsverbetering van het landschap 1. Tegenover elke ruimtelijke ontwikkeling in het landschap dient een kwaliteitsverbetering van het landschap te staan. Het hiervoor gemaakte inrichtingsplan is wat de provincie betreft akkoord. Maar een voorwaardelijke verplichting voor de uitvoer van de kwaliteitsverbetering is niet opgenomen in het plan. De provincie dringt er op aan om dit alsnog in het bestemmingsplan zelf te doen. Wij achten de zienswijze gegrond. Wij nemen een extra gebruiksregel op in het bestemmingsplan: Het windpark mag alleen in gebruik worden genomen en gehouden als het Inrichtingsplan is uitgevoerd en in stand wordt gehouden. Bij collegebesluit van 26 februari 2019 was al besloten dat de maatregelen uit het Inrichtingsplan moeten worden gerealiseerd door de gemeente vóór de ingebruikname van het windpark. Nu borgen we dit dus ook nog eens in het bestemmingsplan. 2. Indiener bestrijdt de stelling dat het opnemen van een voorwaardelijke verplichting ten behoeve van het nemen van maatregelen voor kwaliteitsverbetering van het landschap, niet doelmatig zou zijn.

Dat de gemeente zelf bij machte is om de maatregelen te treffen zorgt niet voor afdoende borging. Deze zienswijze achten wij gegrond. We zorgen voor een extra borging in het bestemmingsplan. Zie onder vorige punt G.1. 3. Het windpark is zichtbaar vanuit de omgeving en ligt binnen een afstand van 1000 m van één of meerdere kernen. Deze invloed is nog groter met de windturbines op basis van de wijzigingsbevoegdheid. De provincie verzoekt om hieraan in de toelichting nader aandacht te besteden. De toelichting van het bestemmingsplan is op dit punt niet correct en passen wij aan. In de landschappelijke onderzoeken van Bosch Slabbers van april en juni 2017 wordt aandacht besteed aan de minimaal wenselijke afstanden tot dorpskernen of historische boerderijen in het buitengebied. Aangegeven wordt dat opstellingsvarianten voor hoge windmolens waarbij de afstand tot dorpskernen en historische boerderijen minder is dan 1000 m negatief beoordeeld worden op dit toetsingsaspect. In totaal worden alle alternatieven uit het MER landschappelijk beoordeeld op een zevental aspecten (‘criteria’). 41

Het aanvullende onderzoek van Bosch Slabbers van juni 2017 dat de geoptimaliseerde alternatieven beoordeelt, laat op pagina 20 zien dat voor het gekozen voorkeursalternatief VKA 2a (dat hier nog ‘opbrengstalternatief fase 1’ wordt genoemd), de afstand van 1000 m alleen voor de kern Gement niet helemaal wordt gehaald (950 m). Voor alle andere kernen wel. Hetzelfde geldt voor het gekozen opbrengstalternatief Oa a dat later is uitgewerkt in de wijzigingsbevoegdheid (minus 1 windmolen). Wij verwijzen naar p. 14 van het aanvullende onderzoek (daar heet dit alternatief nog ‘Opbrengstalternatief geoptimaliseerd’). N.b. Ook de alternatieven met respectievelijk 4 en 6 windturbines zijn landschappelijk beoordeeld in het aanvullende onderzoek van Bosch Slabbers van juni 2017 (dus de hiervoor genoemde alternatieven minus een windturbine op Elzenburg-De Geer). Dit maakt geen verschil voor de afstanden tot kernen. De conclusie is dus dat de effecten op de kernen bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid niet groter worden. En dat zowel bij het gekozen VKA 2a (5 molens) als de uitbreiding conform Oa a (7 molens) de gewenste afstand alleen tot Gement niet geheel wordt gehaald. Het vervallen van de bedrijfsmolen heeft geen effect op dit toetsingsaspect, zo blijkt verder uit het onderzoek.

De totale landschappelijke beoordeling van Bosch Slabbers op basis van alle criteria overziende, mede in relatie tot de beperkte plaatsingsmogelijkheden en rekening houdende met andere, onder meer, landschappelijke belangen, vinden wij de gekozen opstelling aanvaardbaar. Wij passen de toelichting aan. 4. Het aanbod om bomen op het erf te plaatsen om het zicht op de windmolens te beperken (erfbeplantingsplan) werd in eerste instantie als positief ervaren. Dit totdat er een contract met verplichtingen en hoge boetes werd voorgelegd wanneer er iets met de bomen zou gebeuren. Dit werkt belemmerend en benauwend en gaat niet uit van de goede intenties van de burger. Wij begrijpen dat een contract met verplichtingen tot instandhouding en mogelijke boetes als ‘hard’ overkomt. Maar wij kunnen dit niet anders regelen dan op deze manier. Wij willen het geld dat beschikbaar is voor kwaliteitsverbetering van het landschap en afkomstig is van de ontwikkelaars goed besteden. Als erfbeplantingsplannen na één of enkele jaren weer ongedaan zouden worden gemaakt, dan is er volgens ons sprake van kapitaalvernietiging. Ook hebben anderen dan de eigenaar van het perceel waarop het erfbeplantingsplan wordt uitgevoerd, dan geen profijt meer van de maatregel (en dit is wel de bedoeling).

Tot slot eist ook de provinciale Verordening Ruimte dat we zorgen voor een goede financiële, juridische en feitelijke borging van de uitvoering en instandhouding van de te realiseren maatregelen in het kader van kwaliteitsverbetering van het landschap. 5. Voor kwaliteitsverbetering van het landschap is een bedrag van ruim € 142.000 opgenomen. Hiervan is € 57.000 opgenomen voor uitvoeringskosten en andere overhead (zoals onvoorzien, adm.). Verder is € 18.000 beschikbaar voor aankleding van de Megensebaan. De aanvullende beplanting bij de Megensebaan verhult de windmolens vanaf die zijde alleen voor verkeer en industrie. In totaal komt hiermee € 75.000 niet ten goede 42

aan de bewoners en de omgeving. De € 75.000 kunnen beter worden ingezet om de Tussenrijtstraat beter te voorzien van kwaliteitsverbetering. Wij achten de zienswijze ongegrond. Realisatie van de landschappelijke maatregelen brengt nu eenmaal kosten met zich mee voor voorbereiding en toezicht, aanpassing van kabels en leidingen, verkeersmaatregelen e.d.. Bij een begroting hoort ook standaard een post onvoorzien, omdat er bij dit soort projecten nu eenmaal regelmatig sprake is van onvoorziene kosten. De post onvoorzien blijft binnen de normale bandbreedte. De landschappelijke maatregelen zijn enkel uit te voeren wanneer we in de begroting vooraf rekening houden met al deze kosten. Het begroten van deze bijkomende kosten is dus wel degelijk in het belang van inwoners en de omgeving. De totale kostenbegroting in het Inrichtingsplan bevat overigens alleen de kosten voor maatregelen voor realisatie. De onderhouds- en beheerkosten gedurende 25 jaar neemt de gemeente voor eigen rekening. Wij zijn van mening dat we hiermee onze verantwoordelijkheid nemen. De ontwikkelaars dragen € 10.000 per opgestelde MegaWatt bij voor realisatie van het Inrichtingsplan, net als bij de afspraken over de windlocaties bij de A16. Wij zorgen als gemeente voor de rest, zijnde het langjarig onderhoud en het beheer.

De laanbeplanting aan de Megensebaan draagt volgens ons wel bij aan een goede landschappelijke inpassing. Deze extra beplanting is van meerwaarde voor passanten en mensen die in het gebied verblijven/werken. Behalve vanuit de dorpsranden van Haren en Macharen, wordt op deze manier ook het zicht vanuit de stad Oss verbeterd. Het Inrichtingsplan is meermaals besproken in de klankbordgroep windenergie. De klankbordgroep heeft geen alternatieve, gelijkwaardige plannen op gemeentegrond kunnen aandragen voor het plan Megensebaan (plannen moesten op gemeentegrond komen vanwege uitvoerbaarheid). Ook extern bureau KruitKok en de landschapsarchitecten van de gemeente konden geen gelijkwaardig, vervangend alternatief vinden. Met het huidige totale inrichtingsplan nemen we veel maatregelen voor omwonenden en andere inwoners om het zicht op de windmolens te ‘verzachten’. Hierbij willen we nog het volgende opmerken: Natuur- en weidevogelmaatregelen worden niet uit het budget voor kwaliteitsverbetering van het landschap betaald. Dit omdat de meerderheid van de klankbordgroep wilde dat de gemeente met het inrichtingsbudget prioriteit zou geven aan landschappelijke maatregelen voor omwonenden en het geld niet zou uitgeven aan maatregelen voor natuur (weidevogels). Voor natuur en weidevogels hebben we daarom als gemeente apart ook nog eens € 50.000 beschikbaar gesteld.

Dit om omwonenden maximaal tegemoet te komen. In totaliteit zet de gemeente dus fors in op een goede landschappelijke inpassing voor omwonenden met inzet van substantiële bedragen. Dit is meer dan wat gebruikelijk is. Voor de bomen aan de Tussenrijtstraat komt een aparte oplossing. Er worden bomen terug geplant. Zie ook het antwoord onder G.6. 6. Bomen aan de Tussenrijtstraat zijn verwijderd en niet meer aangevuld. Dit moet wel gebeuren om het zicht op de windmolens te verminderen, bij voorkeur met oudere bomen. 43

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=fd68f093-9dfa-4215-9249-9a1629af6875