CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlagen bij toelichting Bijlage 24 Nota beantwoording zienswijzen.PDF

Gemeenteraad 16 december 2021, gemeente OssBij agendapunt: A Bestemmingsplan Windmolenpark Elzenburg-De Geer 2021 (Deel 1 & 2 samen)39.697 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 5

BIJLAGE 24

Nota van zienswijzen en wijzigingen ontwerpbestemmingsplan, ontwerp omgevingsvergunningen en milieueffectrapport Windmolenpark Elzenburg-De Geer I. INLEIDING Deze nota bevat de volgende onderdelen: •

een weergave van de gevolgde procedure

•

een leeswijzer voor de zienswijzenbeoordeling

•

een beoordeling van alle ingekomen zienswijzen, gerubriceerd per thema (de zienswijzen zijn per thema samengevat en beoordeeld)

•

ons besluit over alle zienswijzen binnen ieder thema

•

een beschrijving van de gevolgen van ons besluit over de zienswijzen (binnen ieder thema) voor de inhoud van het bestemmingsplan, de omgevingsvergunningen en het milieueffectrapport

•

een overzicht van de wijzigingen c.q. aanvullingen die wij ambtshalve aanbrengen (dat wil zeggen: die niet het gevolg zijn van zienswijzen) in het bestemmingsplan, de omgevingsvergunningen en het MER.

Deze nota behoort bij: •

het voorstel van burgemeester en wethouders aan de gemeenteraad, en bij het besluit van de gemeenteraad over de vaststelling van het bestemmingsplan.

•

het voorgenomen besluit van burgemeester en wethouders (21 mei 2019) en het definitieve besluit (naar verwachting begin juli 2019) over het verlenen van de omgevingsvergunningen (definitieve besluit wordt in mandaat genomen).

Volgens de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) mogen wij naw-gegevens (naam, adres en woonplaats) en enkele andere persoonsgegevens niet aanbieden. Een uitzondering geldt voor gegevens van: •

ondernemingen die behoren tot een rechtspersoon (zoals een B.V. of een v.o.f.)

•

personen die beroepsmatig betrokken zijn bij de procedure, bijvoorbeeld advocaten en gemachtigden

Als het voor de uitoefening van een publieke taak moet, mogen wij persoonsgegevens wel digitaal aanbieden. Wij bieden deze nota digitaal aan. Daarom noemen wij geen naw-gegevens, behalve waar de wet dat toelaat en dit van meerwaarde is voor de lezer van deze Nota. II. PROCEDURE Op 1 juni 2017 heeft de gemeenteraad een coördinatiebesluit genomen. Dit besluit betekent dat de procedure van het bestemmingsplan tegelijkertijd loopt met de procedure van de vergunningen. Wij bereiden de besluiten tegelijk voor en maken de besluiten tegelijk bekend.

1

Iedereen kon het ontwerpbestemmingsplan, de ontwerp omgevingsvergunningen en het (aangevulde) milieueffectrapport met bijbehorende stukken van 7 maart 2019 tot en met 17 april 2019 in het gemeentehuis bekijken. Ook stonden alle stukken in deze periode op het internet. Dit hebben burgemeester en wethouders bekendgemaakt in Oss Actueel en de Staatscourant van 6 maart 2019 en op www.oss.nl. Van 7 maart 2019 tot en met 17 april 2019 kon iedereen schriftelijk en mondeling op het ontwerpbestemmingsplan, de ontwerp omgevingsvergunningen en het (aangevulde) milieueffectrapport reageren. De gemeente heeft 18 reacties (‘zienswijzen’) ontvangen, waarvan 17 ontvankelijke zienswijzen. Alle indieners konden hun zienswijze mondeling toelichten bij de Hoorcommissie Bestemmingsplannen. Dit hebben 6 indieners gedaan. Op 26 maart 2019 en op 2 april 2019 heeft de gemeente inloopbijeenkomsten gehouden over het ontwerpbestemmingsplan, de ontwerp omgevingsvergunningen en het MER. Iedereen kon daar informatie over de stukken krijgen. Het was niet mogelijk om op de bijeenkomsten een zienswijze in te dienen. Advies dorpsraad De dorpsraad Megen, Haren Macharen heeft een schriftelijk advies uitgebracht over het ontwerpbestemmingsplan, de ontwerp-omgevingsvergunningen en het MER. Wij gaan hier in deze Nota ook op in (hoofdstuk V).

We geven in deze Nota aan hoe we met het advies van de dorpsraad omgaan en welke gevolgen dit heeft voor de besluitvorming. Ontvankelijkheid zienswijzen Wij vinden alle zienswijzen op één zienswijze na ontvankelijk. ‘Ontvankelijk’ betekent dat de indieners aan alle eisen hebben voldaan om een zienswijze in te dienen. Wij vinden zienswijze nr. 18 (zie tabel hierna) niet ontvankelijk, omdat indiener zijn zienswijze online heeft ingediend via de gemeentelijke website. Volgens de Algemene wet bestuursrecht mag een zienswijze alleen online worden ingediend, als het bevoegd gezag de elektronische weg openstelt in de desbetreffende procedure. Dat is in dit geval niet gedaan en dit is ook niet gebruikelijk. In de publicatietekst is omschreven op welke manieren men een zienswijze kon indienen. Wij hebben indiener direct gebeld na het ontvangen van zijn zienswijze en de situatie uitgelegd. Indiener heeft de mogelijkheid gekregen om zijn zienswijze alsnog per post op te sturen aan of af te geven bij de gemeente. Indiener heeft dit niet gedaan. Bij de griffie ligt een lijst ter inzage waarop de NAWgegevens zijn gekoppeld aan de genummerde zienswijzen. Voor de niet-ontvankelijke zienswijze geldt dat de inhoud gelijk is aan die van enkele andere zienswijzen. De indiener van deze zienswijze kan in deze Nota dus toch een inhoudelijke reactie lezen op de door hem ingebrachte zienswijze.

We informeren de indiener van deze zienswijze in een aparte brief over de niet-ontvankelijkheid en de gevolgen hiervan.

2

Inhoudelijke beoordeling zienswijzen Als wij vinden dat de indiener van een (ontvankelijke) zienswijze gelijk heeft, verklaren wij de zienswijze gegrond. Als wij vinden dat de indiener geen gelijk heeft, verklaren wij de zienswijze ongegrond. Wij kunnen een zienswijze ook gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaren. III LEESWIJZER VOOR BEOORDELING ZIENSWIJZEN Indieners geven bijna allemaal aan zich te richten tegen het ontwerpbestemmingsplan en de ontwerp-omgevingsvergunningen, soms geven indieners aan zich ook te richten tegen het aangevulde milieueffectrapport. Vervolgens gaan indieners meestal per thema in op hun zienswijzen. Men behandelt bijvoorbeeld achtereenvolgens de thema’s geluid, slagschaduw, gezondheid en landschap. Wij sluiten in deze zienswijzennota hier zo veel mogelijk op aan. Wij behandelen alle zienswijzen in deze Nota ook per thema. Per thema vatten we de ingekomen zienswijzen samen. Het kan zijn dat wij een deel van een zienswijze niet of niet helemaal beschrijven. Dan hebben wij bij de beoordeling toch rekening gehouden met dat deel. We beoordelen alle zienswijzen binnen ieder thema en geven bij iedere beoordeling een toelichting. Voor alle zienswijzen binnen ieder thema geven we vervolgens aan welke zienswijzen we gegrond, ongegrond of deels gegrond en deels ongegrond achten.

En wat de eventuele gevolgen zijn voor het bestemmingsplan, de omgevingsvergunningen en het MER. We behandelen de zienswijzen in deze Nota niet individueel, omdat er veel overlappen zijn. Wij sturen de volledige zienswijzennota aan alle indieners van zienswijzen. In de individuele beantwoordingsbrieven aan indieners vermelden wij dat wij: •

de zienswijzen per thema behandelen

•

welk nummer aan hun zienswijze is toegekend

•

dat zij in onderstaande tabel met hun zienswijze-nummer kunnen zien onder welke thema’s de beantwoording van hun zienswijze is te vinden.

Zienswijzen (genummerd)

Beantwoording te vinden onder de volgende thema’s:

Zienswijze 1

A, C, D, E, F, G, I, L, R, T

Zienswijze 2

B, N, O, T, X

Zienswijze 3

G en L

Zienswijze 4

A, C, D, F, J, L, P, R

Zienswijze 5

A, B, C, D, E, F, J, K, L, M, R, X

Zienswijze 6

A, B, C, D, E, F, G, J, K, L, M, N, O, P, R, T, U, V, X

Zienswijze 7

A, C, D, G, H, J, L, M, O, P, Q

Zienswijze 8

A, C, D, F, G, J, L, P, R

Zienswijze 9

A, C, D, F, G, J, L, P, R

Zienswijze 10

C, R, U

3

Zienswijze 11

C, D, F, G, H, M, Q, R, S, W

Zienswijze 12

C, D, F, G, H, M, Q, R, W

Zienswijze 13

C, D, F, G, H, M, Q, R, S, W

Zienswijze 14

C, J, L, R, S, T

Zienswijze 15

S, R

Zienswijze 16

A, C, F, M, P, R

Zienswijze 17

C, D, E, F, J, L, R, P

Zienswijze 18 (niet-ontvankelijk, indiener

A, C, D, F, J, L, P, R

ontvangt deze Nota ter informatie)

Op deze manier is de beantwoording beter leesbaar voor iedereen, terwijl het voor indieners zelf ook duidelijk is waar we in de Nota concreet ingaan op de door henzelf ingebrachte zienswijzen. Bovendien is het voordeel voor de indieners van zienswijzen dat zij ook inzicht krijgen in het totaalpakket van ingebrachte zienswijzen en een compleet overzicht ontvangen van de beoordeling van alle zienswijzen. Burgemeester en wethouders en de gemeenteraad van Oss

4

IV. BEANTWOORDING VAN DE ZIENSWIJZEN PER THEMA A Procedure en (juridische) aspecten van algemene aard 1. Drie indieners herhalen standpunten volledig, ongewijzigd of nagenoeg ongewijzigd, die ze, naar aanleiding van het voorontwerpbestemmingsplan, naar voren hebben gebracht, of stellen dat hetgeen zij naar voren hebben gebracht onverkort van toepassing blijft. Het gaat om de inspraakreacties 1, 3 en 4 die nu (nagenoeg) volledig herhaald worden. Wij gaan op deze herhaalde inspraakreacties (nu als zienswijzen ingediend) niet opnieuw in als we hier niets aan hebben toe te voegen. We gaan in deze Nota alleen in op inhoudelijke aanvullingen op de eerder gegeven inspraakreacties. Voor het overige moeten onze eerdere antwoorden op de inspraakreacties nrs. 1, 3 en 4 uit de Nota inspraak- en vooroverleg hier als herhaald en ingelast worden beschouwd. We hebben de beoordeling van deze inspraakreacties daarom integraal aan deze zienswijzennota toegevoegd (bijlage 1 bij deze Nota). Deze beoordeling maakt dus onderdeel uit van de beoordeling van de nu ingediende zienswijzen. Hierbij hebben wij wel één belangrijke toevoeging. De beoordeling van de drie eerdere inspraakreacties was dat deze ongegrond waren (op één onderdeel na) en géén gevolgen hadden voor het bestemmingsplan en het MER.

Wij voegen hier in het kader van deze zienswijzenprocedure aan toe dat deze inspraakreacties (nu als zienswijzen ingediend) ook geen gevolgen hebben voor de omgevingsvergunningen. N.b.: In onze antwoordbrief aan de drie betreffende indieners geven we ook tekst en uitleg over het bovenstaande. 2. Dekken het MER en de onderliggende onderzoeken de nieuwe lading van het ontwerpplan wel volledig nu windturbine 5 niet doorgaat? De alternatieven uit het MER zijn hierdoor mogelijk totaal anders. De gevolgen van de wijziging zijn in het MER niet voldoende in beeld gebracht. Deze zienswijze achten wij ongegrond. Het niet doorgaan van windturbine 5 betekent dat de milieueffecten van het windpark per saldo minder zijn. Het MER dekt daarom ook de nieuwe lading van het ontwerpplan. Na de besluitvorming van de gemeenteraad op 14 december 2017 over het MER en de op te starten bestemmingsplanprocedure zijn we gestart met de voorbereiding van een bestemmingsplan voor 5 rechtstreeks te bestemmen windmolens en 2 windmolens in een wijzigingsbevoegdheid. Gedurende het traject bleek dat de beoogde windturbine op het bedrijventerrein (WT 5) toch niet haalbaar was, omdat we geen medewerking van de erfpachters kregen. Deze omstandigheid maakt op zichzelf niet dat er een nieuw MER of een aanvullend MER nodig is.

Het ontwerpbestemmingsplan is nog steeds gebaseerd op de MER-alternatieven en de onderzoeksuitkomsten voor deze alternatieven. In de toelichting van het ontwerpbestemmingsplan zijn hier en daar passages toegevoegd ten opzichte van de toelichting bij het voorontwerp bestemmingsplan met extra uitleg en onderbouwing. Belangrijk om vast te houden aan VKA 2a (gekozen voorkeursalternatief uit het MER) minus één windmolen, is de uitbreidbaarheid van het 5

windpark. Het gekozen voorkeursalternatief (minus één windmolen) biedt de beste mogelijkheden hiertoe in verband met de minimale afstand tussen de windmolens, zo staat in het MER (zie vergelijking van de geoptimaliseerde onderzoeksalternatieven). 3. De windmolens worden niet gerealiseerd in bestaand stedelijk gebied. Een toets aan artikel 4.9 Verordening Ruimte is dan ook niet noodzakelijk. Wij nemen deze opmerking voor kennisgeving aan. Een klein gedeelte van het bestemmingsplan voor het windpark ziet op gronden gelegen in bestaand stedelijk gebied. Het is juist dat de windturbines zelf niet worden gerealiseerd in bestaand stedelijk gebied. Daarom is op blz. 21 van de toelichting bij het ontwerpbestemmingsplan opgenomen dat een verdere toetsing aan artikel 4.9 van de Verordening Ruimte niet noodzakelijk is. De zienswijze leidt niet tot aanpassingen in het bestemmingsplan of de omgevingsvergunningen. 4. Hoe kan het dat er al een ontwerp-omgevingsvergunning (bouwen en milieu) is verleend terwijl het bestemmingsplan nog in procedure is? Deze zienswijze zien wij als een vraag. Op het project is de gemeentelijke coördinatieregeling van toepassing. Dit brengt met zich mee dat het (ontwerp)bestemmingsplan en de (ontwerp)besluiten over de omgevingsvergunningen gelijktijdig worden voorbereid en ter inzage worden gelegd.

De omgevingsvergunning bouwen moet wel passen binnen het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan. Hieraan wordt ook getoetst. 5. Het proces in de klankbordgroep is in openheid verlopen. Het Bewonersplatform is gehoord en betrokken en moet vertrouwen op gepresenteerde uitkomsten en resultaten, omdat de materie uitgebreid en theoretisch is. Het merendeel van de bewoners is afgehaakt omdat het proces lang heeft geduurd en voor velen niet te volgen is. Ondanks de goede informatie leeft bij bewoners al snel de gedachte: Ze komen er toch. Het proces om te komen tot een windmolenpark is inderdaad ingewikkeld. Openheid was ons uitgangspunt. We zijn uiterst zorgvuldig te werk gegaan en hebben voortdurend informatie gedeeld. Dat heeft heel veel tijd en energie van alle betrokkenen gevraagd. Juist om omwonenden te helpen in hun meningsvorming hebben wij gezorgd dat de Nederlandse Vereniging van Omwonenden van Windturbines (NLVOW) hen met raad en daad heeft bijgestaan. 6. Het Bewonersplatform wil zitting nemen in de op te richten omgevingsraad (na opheffing van de klankbordgroep). Het Bewonersplatform wil de belangen van de omwonenden blijven behartigen. Het is aan de bewoners om te bepalen hoe zij vertegenwoordigd willen zijn. Dat willen wij bij de vorming van de omgevingsraad aan hen vragen.

6

7. Het is moeilijk om als burger in te gaan tegen een grote gemeente met allerlei juristen in dienst en specialisten die grote rapporten schrijven van meer dan 1000 pagina’s die onleesbaar zijn voor de gewone burger. Toch willen we vanuit ons als burger onze argumenten tegen dit windpark met u delen. Wij hebben geprobeerd om zoveel mogelijk in klare taal te communiceren. De ingewikkelde en veelzijdige materie brengt echter met zich mee dat het, willen we recht doen aan belangrijke details, nodig is om veel informatie in rapportages te zetten. Verder verwijzen wij naar onze beantwoording onder A.5. 8. Het voornemen voor een windpark splijt de gemeenschap: initiatiefnemers worden gewantrouwd en tegenstanders voelen zich niet gehoord. Het geringe maatschappelijke draagvlak komt door de eenzijdige communicatie in het traject. Grootschalige energieopwekking roept overal in Nederland verschillende reacties van omwonenden en de gemeenschap op. Wij hebben ons uiterste best gedaan om tot zo veel mogelijk acceptatie te komen. Zie hiervoor onze beantwoording onder A.5. Uiteindelijk besluit de gemeenteraad als vertegenwoordiger van onze lokale bevolking over de uitkomst. 9. Er is informatie verstrekt over een overeenkomst tussen de provincie en de gemeente Oss van 20 december 2016. Hieruit zou blijken dat de bevoegdheden op grond van de Elektriciteitswet zijn overgedragen aan de gemeente.

Deze overeenkomst is niet te vinden en moet alsnog ter inzage worden gelegd. De wet voorziet niet in de mogelijkheid om een overeenkomst te sluiten voor overdracht van de bevoegdheden. Het document van 20 december 2016 betreft het besluit van Gedeputeerde Staten dat artikel 9f, eerste en tweede lid Elektriciteitswet 1998 niet van toepassing is op windpark Elzenburg-De Geer, waardoor de bevoegdheid voor het afgeven van de omgevingsvergunningen voor het windpark bij burgemeester en wethouders van Oss ligt. Er is dus geen sprake van een overeenkomst. Voor de volledigheid zullen wij de brief van Gedeputeerde Staten als bijlage bij deze zienswijzenota voegen waarmee deze brief deel uitmaakt van de besluiten over de vaststelling van het bestemmingsplan en de verlening van de omgevingsvergunningen voor het windpark (bijlage 2 bij deze Nota). 10. Artikel 9f lid 6 van de Elektriciteitswet verzet zich tegen delegatie. Want dit is niet toegestaan als ‘redelijkerwijze niet valt te verwachten dat toepassing van het eerste lid de besluitvorming in betekenende mate zal versnellen of dat daaraan anderszins aanmerkelijke voordelen zijn verbonden’. Niet kan worden volgehouden dat delegatie hier tot enige versnelling heeft geleid. Er zijn ook geen andere voordelen aan wijziging van de bevoegdheidsverdeling. PS zijn dus bevoegd gezag.

Het in de zienswijze genoemde artikel uit de Elektriciteitswet 1998 luidt versimpeld als volgt:

7

GS kunnen bepalen dat de bevoegdheid wordt overgedragen aan de gemeente indien redelijkerwijze niet valt te verwachten dat toepassing van de provinciale coördinatieregeling de besluitvorming in betekende mate zal versnellen of dat aan de toepassing van de provinciale coördinatieregeling andere aanmerkelijke voordelen zijn verbonden. Gedeputeerde Staten heeft in de brief waarin zij aangeeft dat de bevoegdheid wordt overgedragen aan de gemeente de volgende motivering opgenomen:

11. Er had een ontwerp-inpassingsplan door PS en geen ontwerpbestemmingsplan ter inzage moeten worden gelegd. Een bevoegdheid om de beslissingsbevoegdheid van een inpassingsplan over te dragen volgt niet uit artikel 9e en 9f. Deze artikelen gaan alleen over delegatie van voorbereiding en bekendmaking van besluitvorming. Artikel 9f gaat alleen over delegatie van bevoegdheden van GS en niet over bevoegdheden van PS. De gemeente is primair bevoegd om een bestemmingsplan voor het windpark vast te stellen. Dit volgt uit artikel 3.1 van de Wet op de ruimtelijke ordening. Uit artikel 9e Elektriciteitswet 1998 blijkt dat de provincie bevoegd is om een provinciaal inpassingsplan vast te stellen voor een windpark met een capaciteit tussen 5 en 100 MW. Dat deze bevoegdheid van de provincie niet betekent dat de gemeente geen bestemmingsplan meer mag vaststellen voor het windpark blijkt bijvoorbeeld uit het tweede lid van artikel 9e Elektriciteitswet. Hier staat kort gezegd (en voor zover hier van belang) dat Provinciale Staten in elk geval toepassing geven aan hun bevoegdheid om een provinciaal inpassingsplan voor het windpark vast te stellen, indien de betrokken gemeente een aanvraag tot wijziging van een bestemmingsplan voor het windpark heeft afgewezen.

De bevoegdheid om het ruimtelijk plan voor het windpark vast te stellen hoeft dus niet overgedragen te worden van de provincie naar de gemeente. De gemeente is bevoegd om een bestemmingsplan voor het windpark vast te stellen.

8

12. Ten onrechte kent het ontwerpbestemmingsplan geen adequate stilstandvoorziening ter verzekering van een goed woon-en leefklimaat. Het ‘doorschuiven’ van deze verplichting naar de omgevingsvergunningen is niet toegestaan? Dit verbod op doorschuiven geldt ook bij toepassing van de coördinatieregeling. Wij hebben in het bestemmingsplan regels gesteld voor een goed woon- en leefklimaat voor zover wij dat noodzakelijk achten. Zo hebben we voor geluid strengere normen in het bestemmingsplan opgenomen dan op grond van het Activiteitenbesluit worden opgelegd. Wij verwijzen naar artikel 8.1.4 onder b en artikel 15.1 onder b van het bestemmingsplan. Of dit geluidniveau al dan niet door het treffen van mitigerende maatregelen wordt bereikt, doet niet ter zake. Ook voor slagschaduw gelden strengere eisen dan de eisen in de Activiteitenregeling. In de ontwerpvergunningen hebben we, aanvullend ten opzichte van de eisen in de Activiteitenregeling, bepaald dat de twee deelparken (met ieder twee molens) gezamenlijk niet meer slagschaduw mogen produceren dan de wettelijke norm die de Activiteitenregeling aangeeft. Deze norm voor slagschaduw hebben wij concreet vertaald naar maximaal 6 uur slagschaduw in totaal op jaarbasis voor beide deelparken.

Deze interpretatie is feitelijk strenger dan de wettelijke norm: Wij staan in totaal 6 uur slagschaduw gedurende het hele jaar toe, in plaats van maximaal 17 dagen per jaar meer dan 20 minuten per dag per kalenderjaar en op overige dagen minder dan 20 minuten per dag. En dit dus voor beide deelparken samen en niet voor ieder deelpark apart. Van ‘doorschuiven’ van verplichtingen vanuit het bestemmingsplan naar de omgevingsvergunningen is geen sprake. Het Activiteitenbesluit werkt rechtstreeks ten aanzien van de norm voor slagschaduw. Het Activiteitenbesluit staat daarnaast het opnemen van de hierboven beschreven ‘maatwerkvoorschriften’ in de vergunningen gewoon toe. Door de voorschriften in de omgevingsvergunning is geborgd dat de windmolens worden stilgezet, als dit nodig is om te kunnen voldoen aan de vergunningvoorschriften. Aanvullend vermelden wij over slagschaduw nog het volgende: Voor de eventuele 2 extra windmolens, die alleen na het toepassen van een wijzigingsbevoegdheid o.g.v. het bestemmingsplan kunnen worden gerealiseerd, hebben we een vergelijkbare voorwaarde in de wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Deze voorwaarde regelt dat, ook na toepassing van de wijzigingsbevoegdheid (en realisatie van 6 windmolens in totaal) op alle woningen maximaal 6 uur slagschaduw wordt veroorzaakt.

Ook voor slagschaduw moeten ontwikkelaars feitelijk aan strengere eisen voldoen dan aan de wettelijke normen. Hiermee zijn wij van mening dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 13. Het ontwerpbestemmingsplan en de ontwerp omgevingsvergunningen zijn onvoldoende objectief begrensd. Volstrekt onduidelijk is wat voor soort turbines uiteindelijk worden gerealiseerd vanwege de opgenomen bandbreedten in het ontwerpbestemmingsplan en de ontwerpvergunningen (ashoogte tussen 100 en 145 m, rotordiameter tussen 100 en 136 m

9

en maximale hoogte van 210 m). De bandbreedten moeten worden beperkt. De effecten op de omgeving zijn zo niet duidelijk. Dit geeft rechtsonzekerheid. Zowel in het bestemmingsplan als de omgevingsvergunningen zijn regels voor geluid en/of slagschaduw opgenomen. Duidelijk is dus aan welke ‘prestatie-eisen’ de windmolens moeten voldoen, binnen de opgenomen bandbreedten qua afmetingen. In het bestemmingsplan en de vergunningen zijn verder ook regels in verband met veiligheid en het voorkomen van hinder door obstakelverlichting opgenomen. Verder zijn de milieueffecten van windmolens binnen de bandbreedten (voorkeursalternatief) uitvoerig onderzocht in het MER en vervolgens ook nog voor het plan, zoals dat in het bestemmingsplan is vastgelegd. Er is geen sprake van rechtsonzekerheid. 14. Na het verlenen van de omgevingsvergunningen wordt pas besloten welke windturbine men gaat plaatsen. Indieners vinden dat vooraf bekend gemaakt moet worden welke windmolen men gaat plaatsen en dat indieners hierover iets te zeggen hebben. De keuze van het daadwerkelijk te realiseren type windturbine is aan de initiatiefnemers. Deze keuze hoeft niet bekend te worden gemaakt voordat de omgevingsvergunning wordt verleend. Wel dient het uiteindelijk te realiseren type windturbine te voldoen aan de voorwaarden zoals opgenomen in de te verlenen omgevingsvergunningen en het vast te stellen bestemmingsplan.

15. De milieueffecten in het MER (voor o.a. geluid en slagschaduw) zijn onderzocht voor windturbines met een tiphoogte van 198 m (voorkeursalternatief). Dit is ontoereikend nu het ontwerpbestemmingsplan een tiphoogte van 210 m toelaat. Deze zienswijze is ongegrond. Ten behoeve van het effectenonderzoek in het MER is wel degelijk uit gegaan van een tiphoogte van 210 meter voor de b alternatieven, maar is ook een keuze gemaakt uit de op dat moment in de markt beschikbare windturbines. Voor het voorkeursalternatief zijn vier representatief geachte windturbinetypen geselecteerd als referentiewindturbines ('shortlist'). De selectie van concrete windturbines is ingegeven vanuit het aspect geluid en de keuze is zo gemaakt dat een spreiding in geluid/opbrengst onderzocht kan worden. Voor alle omgevingsaspecten zijn in het MER berekeningen of beschrijvingen uitgevoerd voor een worst- case windturbinetype op basis van de shortlist. Daarbij geldt, uitgezonderd voor geluid, dat de windturbine uit de shortlist met maximale afmetingen de worst-case situatie is. Dat betekent bijvoorbeeld voor het aspect slagschaduw dat de windturbine met maximale afmetingen uit de shortlist is gepakt. Dit is de Nordex N131 windturbines uit de shortlist, rekening houdend met de bandbreedte van afmetingen uit het MER, (rotordiameter = 135 meter, NB.

de rotordiameter van 136 meter is in het kader van het bestemmingsplan toegevoegd en nader onderbouwd) de windturbine met de grootste rotordiameter, maar dan wel met een gemaximeerde ashoogte van 144 meter om tot een maximale tiphoogte van 210 meter te komen. Zo heeft elke te onderzoeken aspect zijn eigen (en soms verschillende) referentieturbine. In paragraaf 5.1 van de toelichting van het bestemmingsplan en in de verschillende onderzoeksparagrafen van hoofdstuk 5 wordt dit ook 10

nader toegelicht. De onderzoeksconclusies zijn dan ook geldig voor kleinere en lagere windturbinetypes dan de referentiewindturbine, ongeacht hun afmetingen. De onderzoeksresultaten uit het MER zijn dus toepasbaar voor het windpark zoals dat in dit bestemmingsplan wordt vastgelegd van 4 windturbines met 2 windturbines in de wijzigingsbevoegdheid met een maximale tiphoogte van 210 meter, een maximale rotordiameter van 136 meter en een maximale ashoogte van 145 meter. De maximale effecten die in het MER zijn beschreven van de referentieturbines, zijn uitgangspunt geweest voor het bestemmingsplan en de omgevingsvergunningen. Met andere woorden: Er moet aan de prestatie-eisen uit het MER worden voldaan. Dit wordt volledig geborgd in het bestemmingsplan en met de omgevingsvergunningen. De onderzoeken behorende bij de omgevingsvergunningen tonen dit ook aan. We zullen de toelichting bij het bestemmingsplan nog verder verduidelijken op dit punt. 16. GS zijn het bevoegd gezag voor de ontwerp-omgevingsvergunningen. Op 20 december 2016 hebben GS een besluit genomen wat met zich meebrengt dat de bevoegdheid voor het afgeven van de omgevingsvergunningen voor het windpark bij het college van burgemeester en wethouders van Oss ligt. Hiermee zijn burgemeester en wethouders ook bevoegd gezag voor de ontwerp-omgevingsvergunningen. Zie ook onze reactie hiervoor op punt 9. 17.

In de planregels is bepaald dat de windturbines alleen gebouwd en gebruikt kunnen worden als het compensatieplan wordt uitgevoerd. Het compensatieplan moet als bijlage bij het ontwerpbestemmingsplan worden opgenomen. Er ligt geen compensatieovereenkomst ter inzage. Niet duidelijk is of de uitvoering van het compensatieplan voldoende is geborgd. De wijze van compensatie is onvoldoende duidelijk. In de plantoelichting staat alleen dat schade gecompenseerd wordt en er wordt slechts verwezen naar het compensatieplan. Dit bevat slechts een kader en geen concrete compensatiemaatregelen. In het plan staat dat het randvoorwaarden bevat en geen concrete uitwerking van maatregelen en dat kosten op hoofdlijnen zijn begroot. Indiener behoudt zich het recht voor alsnog een zienswijze in te dienen bij ter inzagelegging van stukken. Niet duidelijk is of indiener het heeft over compensatie vanwege de geluidsbelasting op Natuurnetwerk Brabant (NNB) of over het Inrichtingsplan kwaliteitsverbetering landschap. We gaan hier daarom op beide in: Compensatie vanwege geluidsbelasting op NNB In hoofdstuk 5.2.2 van de toelichting bij het ontwerpbestemmingsplan hebben wij aangegeven dat we kiezen voor financiële compensatie in de provinciale compensatievoorziening. Hiermee voldoen we aan de regels uit de Verordening Ruimte.

Landschappelijke maatregelen in het ‘Inrichtingsplan kwaliteitsverbetering landschap’ Hier spreken we niet van compensatie. We hebben een Inrichtingsplan gemaakt met landschappelijke maatregelen om te voldoen aan de regels uit de Verordening ruimte over 11

‘kwaliteitsverbetering van het landschap’ (bijlage 3 bij de toelichting van het bestemmingsplan). Paragraaf 4.4. Landschappelijk beeld’ van de toelichting bij het ontwerpbestemmingsplan verwijst hier ook naar. Het Inrichtingsplan bevat concrete maatregelen (met een bijbehorende kostenbegroting), die ook daadwerkelijk worden uitgevoerd vóór de ingebruikname van het windpark. Ter meerdere zekerheid hiervoor is ook een extra gebruiksregel opgenomen in de planregels. In verband hiermee achten wij de zienswijze gedeeltelijk gegrond. 18. In het compensatieplan staat dat afspraken over natuurcompensatie mede moeten zijn vastgelegd in de exploitatieovereenkomst. Welke afspraken zijn er over natuurcompensatie? Burgemeester en wethouders hebben op 26 februari 2019 besloten om € 5860,- te storten in de provinciale compensatievoorziening voor compensatiemaatregelen vanwege geluideffecten op Natuurnetwerk Brabant na vaststelling van het bestemmingsplan (dit is het bedrag voor de eerste vier windmolens). Verhaal van deze kosten vindt plaats via de gesloten anterieure overeenkomst met Raedthuys en de nog te sluiten opstalovereenkomst met ESCOSS (beoogde exploitant voor de twee gemeentelijke windmolens). 19. De afspraak dat de ontwikkelaar de kosten voor ontwikkeling en realisatie van het bouwplan op zich neemt ontbreekt. Indiener verzoekt deze ter inzage te leggen.

Afspraken hierover zijn vastgelegd in de anterieure overeenkomst met Raedthuys voor twee van de vier windmolens. Dit is gepubliceerd in Oss Actueel op 7 maart 2019. Een samenvatting van de zakelijke inhoud van deze overeenkomst heeft toen vervolgens zes weken ter inzage gelegen. Voor de gemeentelijke windmolens wordt nog een opstalovereenkomst gesloten, waarin de plankosten verdisconteerd worden. 20. Artikel 5 van de Gemeentelijke coördinatieverordening 2013 van 6 april 2013 sluit coördinatie uit voor die gevallen waarin een MER verplicht is. Dat is hier het geval. De procedure is onrechtmatig. Ons is de aangehaalde Gemeentelijke coördinatieverordening 2013 niet bekend. De gemeenteraad heeft op 1 juni 2017 een apart coördinatiebesluit voor het windpark genomen. 21. Het is het voornemen om de ontwikkeling van 2 windmolens uit handen te geven. Is dit al concreet? De intentie is om de exploitatie van de twee gemeentelijke windturbines aan ESCOSS over te laten. Het college bereidt op dit moment, na haar voorgenomen besluit over dit onderwerp van 26 februari 2019 en na raadpleging van de Adviescommissie Ruimte op 4 april 2019, een opstalovereenkomst voor met ESCOSS.

12

22. Volgens het EVRM en de Grondwet dient ‘De zorg van de overheid mede gericht te zijn op de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu. Hieraan voldoet het plan niet. Het leefmilieu verslechtert. In de zienswijze wordt gedoeld op het bepaalde in artikel 21 Grondwet. Uit de Grondwetsgeschiedenis valt op te maken dat de enige betekenis van artikel 21 Grondwet is gelegen in de bescherming tegen de intrekking van bestaande (milieu)wetgeving en tegen verlaging van het bestaande beschermingsniveau. Het bestaande beschermingsniveau tegen de effecten van windturbines is neergelegd in het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling. Met de vaststelling van het bestemmingsplan en de omgevingsvergunningen voor het windpark wordt geen bestaande (milieu)wetgeving ingetrokken. Ook wordt (ruimschoots) voldaan aan de normen zoals neergelegd in het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling. Het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan en het verlenen van de omgevingsvergunningen voor het windpark zijn niet in strijd met het EVRM en artikel 21 Grondwet . 23. Het gebruik van woorden zoals ‘wij achten’, ‘wij vinden’, ‘zo veel mogelijk’, ‘verwachten’ etc. vindt indiener geen onderbouwing van het gestelde. Indiener vindt ook dat de gemeente als antwoord op de eerdere inspraakreactie regelmatig niet of maar deels ingaat op het gestelde.

Als we kiezen voor bewoordingen als ‘wij achten’ en ‘wij vinden’ doen we dat om aan te geven wat onze afweging is. Wij maken als bevoegd gezag in een aantal gevallen een eigen zelfstandige belangenafweging. Bewoordingen als ‘wij verwachten’ vinden wij gepast als het bijvoorbeeld gaat om verwachtingen op basis van uitgevoerde onderzoeken. Met ‘zo veel mogelijk’ geven wij een eerlijk beeld als het bijvoorbeeld gaat om het uitsluiten van alle gevolgen. Dat gaat niet altijd. Wij zijn zeer uitgebreid ingegaan op de 60 punten uit de eerdere inspraakreactie van indiener en herkennen ons niet in het gegeven beeld. 24. Waar kunnen indieners met klachten over het windmolenpark terecht? En bij wie ligt de bewijslast? Er wordt in het najaar van 2019 een omgevingsraad opgericht, waarin omgeving en exploitanten in gesprek gaan over het windmolenpark. Dan zal ook worden gesproken over dit onderwerp: Hoe willen exploitanten de klachtenafhandeling regelen voor de omgeving? Daarnaast is de gemeente voornemens een handhavingsprotocol op te stellen voor het windpark. Hierin zal het onderwerp ‘afhandeling klachten’ ook aan bod komen. Verder kan indiener altijd een verzoek om handhaving indienen als hij van mening is dat er in strijd met de regels van het bestemmingplan of de omgevingsvergunningen wordt gehandeld. Dit verzoek moet wel voldoende concreet zijn.

Het verzoek moet voldoende aanknopingspunten bieden voor onderzoek naar de vraag of de derde tegen wie handhavend optreden gevraagd wordt een

13

overtreding begaat of heeft begaan. Het is dan aan het bevoegd gezag om te onderzoeken of er sprake is van een overtreding. 25. In de ontwerp-omgevingsvergunningaanvraag zijn datasheets in het Engels opgenomen. Kan de gemeente Nederlandse versies verstrekken? Deze datasheets worden in het Engels beschikbaar gesteld door windturbinefabrikanten gezien de internationale markt voor windturbines. Deze zijn niet in het Nederlands beschikbaar. Besluit over zienswijzen binnen thema A •

De zienswijzen nrs. 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 24 en 25 zijn ongegrond of hebben wij voor kennis aangenomen.

•

Zienswijze nr. 17 is deels gegrond en deels ongegrond.

Wijzigingen in bestemmingsplan n.a.v. zienswijzen binnen thema A -

Wij verduidelijken de toelichting op het punt dat de onderzoeksresultaten uit het MER toepasbaar zijn voor het windpark zoals dat in dit bestemmingsplan wordt vastgelegd (zienswijze A.15).

-

In de planregels nemen wij een extra gebruiksregel op om uitvoering van het ‘Inrichtingsplan Kwaliteitsverbetering Landschap’ te verzekeren vóór de ingebruikname van het windpark (zienswijze A.17).

Wijzigingen in omgevingsvergunningen n.a.v. zienswijzen binnen thema A Geen. Gevolgen voor milieueffectrapport n.a.v. zienswijzen binnen thema A Geen. B Windmolens en effecten op klimaat, werkgelegenheid e.d. 1. Het Europese emissiehandelssysteem en het Nederlandse klimaatbeleid heffen elkaar op. De CO2-uitstoot die in Nederland wordt voorkomen gaat elders in Europa alsnog de lucht in. Dit is een blinde vlek volgens verschillende onderzoekers. Het Nederlandse klimaatbeleid is voor ons het uitgangspunt. Dit beleid staat in deze procedure niet ter discussie. Op basis van de berekeningen in het MER kan worden gesteld dat de CO2 uitstoot na ingebruikname van dit windmolenpark met circa 27 tot 46 duizend ton per jaar zal afnemen. Dit is een behoorlijke milieuwinst die behaald kan worden. Dat de mondiale CO2 uitstoot hierdoor wellicht niet meteen afneemt, is geen reden om niet aan de slag te gaan met de transitie naar duurzame energiebronnen. Naarmate er meer duurzame energieparken worden gebouwd zal ook het aandeel van schone energie toenemen, hetgeen op lange termijn tot een grotere afname van CO2 uitstoot zal leiden. Dat is ook de essentie van bijvoorbeeld het klimaatakkoord van Parijs: elk land moet zijn bijdrage aan CO2-reductie leveren om te zorgen dat het mondiale doel van CO2reductie wordt behaald. 14

In het Europese emissiehandelssysteem zit ingebouwd dat de beschikbare emissierechten in de loop der jaren dalen. Dat betekent dat er per jaar steeds minder CO2 mag worden uitgestoten in Europa. In 2020 moet de uitstoot van sectoren die vallen onder EU ETS 21% lager zijn dan in 2005. De Europese Commissie heeft voorgesteld dat de uitstoot in 2030 met 43% gedaald moet zijn 1. 2. De investeringen in hernieuwbare energie hebben per saldo zeer beperkt effect op werkgelegenheid. Eventuele gevolgen van het beleid voor wind- c.q. duurzame energie van de rijksoverheid voor de Nederlandse belastingbetaler, de werkgelegenheid, de koopkracht en de economie vallen buiten het onderzoekskader voor dit (lokale) bestemmingsplan en het MER. Bij een ruimtelijke procedure dient de gemeenteraad in de eerste plaats te onderzoeken of een ruimtelijk plan voldoet aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening. In relatie daarmee is ook beoordeeld of dit bestemmingsplan economisch uitvoerbaar is. Dit laatste is het geval. Wel wordt op landelijk niveau gemonitord en onderzoek gedaan naar het effect van de investeringen in hernieuwbare energie op de werkgelegenheid. De trend is dat de werkgelegenheid in conventionele energie afneemt en die in hernieuwbare energie (fors) groeit 2 . 3. De oplopende energiebelasting leidt tot koopkrachtverlies. Zie de beantwoording van de reactie hiervoor.

Aanvullend merken wij nog het volgende op: In het algemeen kan worden gesteld dat er met name op landelijk niveau veel aandacht is voor de betaalbaarheid van de energietransitie. Rondom het opstellen van het Klimaatakkoord is dit een belangrijk thema, zowel bij de opstellers van het Klimaatakkoord, kabinet en Tweede Kamer als in de publieke opinie. Het kabinet en de Tweede Kamer hebben zich eerder al bereid getoond maatregelen te nemen om koopkrachtverlies te voorkomen of te beperken. Daarnaast gaat het in de energietransitie voor een belangrijk deel om investeringen die zich terugbetalen (bijvoorbeeld in de vorm van werkgelegenheid of lagere kosten als gevolg van energiebesparing). 4. Slechts een zeer beperkt aandeel van het totale energiegebruik komt van windenergie op land. Weegt dit wel op tegen de vele nadelen van windenergie? Windenergie op land is onderdeel van het Nederlandse klimaatbeleid. Dit beleid staat in deze procedure niet ter discussie. De omschakeling naar duurzame energie is een proces dat vele jaren en waarschijnlijk zelfs decennia in beslag zal nemen. Het klopt dat op dit moment de bijdrage van wind en andere duurzame energiebronnen aan de totale Nederlandse energieproductie relatief beperkt is. Wel is de trend al meerdere jaren dat de bijdrage van duurzame energie – waaronder

1

https://www.emissieautoriteit.nl/onderwerpen/wat-is-emissiehandel https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2018/50/meer-banen-in-hernieuwbare-energie-enenergiebesparing 2

15

wind – aan de totale energieproductie groeit 3 . Dat geldt voor windenergie op zee en op land, voor zonne-energie en biomassa. Deze mix van duurzame energiebronnen is nodig. Bijvoorbeeld in het landelijke Klimaatakkoord worden harde afspraken gemaakt om de productie van windenergie en andere duurzame energiebronnen tot 2030 fors te laten toenemen. Dit zal ertoe leiden dat de bijdrage van windenergie en andere duurzame energiebronnen aan de totale energieproductie in de komende jaren steeds groter wordt. Ook in de gemeente Oss zal windenergie een belangrijke rol spelen in de lokale energieproductie, naast andere vormen van duurzame energie en energiebesparing. Het belang hiervan is onderbouwd door onderzoeken van CE Delft en Antea Group die in beeld brachten wat de opgave is voor de gemeente Oss om energieneutraal te worden en wat de mogelijkheden voor energieopwekking in Oss zijn. 5. Eén van de opvallendste aspecten van het rijksbeleid is de afwezigheid van objectieve en gefundeerde analyses over nu en noodzaak van windenergie. Het beleid is vooral gefundeerd op politieke overwegingen van ideologische aard. Het beleid van de Rijksoverheid en de totstandkoming daarvan vallen buiten het onderzoekskader van dit (lokale) bestemmingsplan en het MER. Wel heeft de gemeente Oss nadrukkelijk onderzoek gedaan naar het nut en de noodzaak van windenergie in de gemeente Oss.

Het rapport ‘Oss energieneutraal in 2050’ van CE Delft van januari 2017 toont nut en noodzaak op basis van objectieve en gefundeerde analyses aan. Ook op landelijk niveau, bijvoorbeeld bij de totstandkoming van het Klimaatakkoord, is deze onderbouwing aanwezig. Zo constateerde het Planbureau voor de Leefomgeving bij de doorrekening van het concept-Klimaatakkoord in maart 2019 dat het behalen van de beoogde CO2-reductie in 2030 waarschijnlijk niet wordt gehaald, ondanks een forse toename van onder andere duurzame energie zoals windenergie (zowel op land als op zee). Het Planbureau kijkt daarbij naar wat er nodig is voor de doelstellingen en wat de maatregelen in het concept-Klimaatakkoord leveren, en aan de hand van dergelijke berekeningen wordt het beleid bepaald. 6. De gemeente geeft aan dat de CO2 uitstoot bij ingebruikname van het windpark afneemt met circa 27 tot 46 duizend ton per jaar. Dit is wel een erg ruime marge, de gemeente slaat er maar een slag naar. Indiener wil concreet onderbouwd hebben wat de CO2 reductie is, inclusief mitigerende maatregelen. In het MER worden mitigerende maatregelen niet meegenomen, zodat maatregelen positiever lijken dan ze zijn. In het MER zijn meerdere opstellingsvarianten onderzocht.

De besparing op CO2-uitstoot verschilt per alternatief, omdat deze varianten onder andere verschillende afmetingen, aantallen en locaties van windturbines bevatten. De hoeveelheid energie die windturbines opwekken en de beperking van CO2-uitstoot als gevolg daarvan, is sterk afhankelijk van deze factoren. Dat is in het MER inzichtelijk gemaakt. Er is nu gekozen voor een voorkeursopstelling, maar de exacte afmetingen van de windturbines worden op een later moment pas duidelijk, bij aanschaf van de uiteindelijke

3

https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2019/09/vooral-meer-groene-stroom-uit-zon 16

windturbine. Op dat moment zal duidelijker zijn wat de exacte verwachte elektriciteitsopbrengst per jaar zal zijn en de CO2-besparing als gevolg daarvan. In het MER is onderkend dat in de berekeningen in het MER nog geen rekening is gehouden met mitigerende maatregelen, maar zijn er wel aannames meegenomen over het te verwachten opbrengstverlies als gevolg van mitigerende maatregelen. In het gekozen voorkeursalternatief is er, zo blijkt uit het slagschaduw- en akoestisch onderzoek, ten behoeve van de omgevingsvergunningen, relatief weinig noodzaak tot mitigerende maatregelen om te voldoen aan de normen voor slagschaduw en geluid. Dat heeft een gunstig effect op het beperken van de CO2uitstoot. Bij de uiteindelijke turbinekeuze kan de te verwachten CO2-uitstoot dus concreter worden bepaald. Toch kan op basis van de informatie uit het MER worden geconcludeerd dat het windpark er hoe dan ook fors aan zal bijdragen dat er minder CO2 wordt uitgestoten, ongeacht het uiteindelijke windturbinetype en eventuele mitigerende maatregelen. 7. Windmolens hebben een groot opwarmend effect. Als alle door fossiele opgewekte elektriciteit met windmolens opgewekt zou worden, heeft dit even veel effect als een verdubbeling van de CO2 in de atmosfeer. Windturbines stoten geen CO2 uit.

Ook wordt de energie die benodigd is om een grote windturbine te maken, binnen circa 6 maanden door de windturbine geproduceerd. Vanaf dat moment heeft de windturbine de uitstoot die nodig was voor de bouw van de windturbine gecompenseerd. In de jaren daarna voorkomt de winturbine de uitstoot van CO2 door bijvoorbeeld gas- en kolencentrales en draagt daarmee bij aan het afremmen van de opwarming van de aarde. Hoewel niet duidelijk wordt uit de zienswijze naar welk onderzoek wordt verwezen, zijn er publicaties bekend die stellen dat windmolens bijdragen aan opwarming van de aarde. Doordat de draaiende wieken koudere en warmere luchtlagen mengen, zou de temperatuur rond windmolens stijgen. Daarbij zijn veel kanttekeningen te plaatsen. Ten eerste voegen windmolens geen extra warmte toe (geen uitstoot van CO2), maar verspreiden hooguit bestaande warmte. Ten tweede gaat dit om zeer lokale effecten, in de directe nabijheid van windmolens. Ten derde wordt er in die publicaties van uitgegaan dat alle door fossiele brandstoffen opgewekte elektriciteit wordt vervangen door elektriciteit opgewekt door windmolens. Dat is geen reëel scenario. In alle internationale, nationale, provinciale, regionale en lokale plannen voor de energietransitie wordt uitgegaan van een mix van duurzame energiebronnen (waaronder wind, zon, biomassa, aardwarmte) en energiebesparing.

Daardoor is het vermeende effect uit de publicaties per definitie al (veel) kleiner dan wordt gesteld.

17

Ten vierde voegen de publicisten van deze publicaties er veelal zelf aan toe dat hun bevindingen geen reden zijn om geen windmolens te plaatsen. Zeker op de langere termijn dragen windmolens bij aan het afremmen van de opwarming, omdat deze geen CO2 uitstoten, zo zeggen de publicisten zelf. 8. Voor windmolens wordt neodymium gebruikt. Winning en verwerking is erg vervuilend en giftig. Heel veel mensen, planten en dieren worden hierdoor dodelijk ziek in China. Neodymium is een metaal dat vooral in China wordt gewonnen. Het wordt vooral gebruikt in de glasindustrie, in industriële magneten en bij de productie van legeringen. Het is in veel producten te vinden, zoals in batterijen of mobiele telefoons. In bepaalde gebieden waar neodymium wordt gewonnen, wordt gerapporteerd over gezondheidseffecten ter plaatse als gevolg van de verwerking van de radioactieve materialen die bij de winning van neodymium vrijkomen. Er is echter geen bewijs voor een relatie tussen de aanwezigheid van neodymium in windturbines en gezondheidseffecten op omwonenden. Met neodymium kunnen zeer sterke magneten gemaakt worden die in sommige typen windturbines worden toegepast. Helaas zijn de werkomstandigheden van de neodymium mijnwerkers in China niet altijd goed.

Omdat er geen milieuregels zijn is de winning milieuvervuilend en leidt deze tot gezondheidsproblemen bij de mijnwerkers en soms zelfs bij omwonenden. De toekomstig exploitanten van het windpark hebben een grote intentie om geen neodymium af te nemen van deze mijnen. Tijdens de aanbestedingen wordt daar nadrukkelijk aandacht aan besteed. Er bestaan tevens neodymium mijnen in bijvoorbeeld Nieuw-Zeeland en Californië waar de omstandigheden wel in orde zijn. Besluit over zienswijzen binnen thema B •

Geen van deze zienswijzen zijn gegrond.

•

De zienswijzen nrs. 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7 en 8 zijn ongegrond of hebben wij voor kennis aangenomen.

•

Geen van deze zienswijzen zijn deels gegrond of deels ongegrond.

Wijzigingen in bestemmingsplan n.a.v. zienswijzen binnen thema B Geen. Wijzigingen in omgevingsvergunningen n.a.v. zienswijzen binnen thema B Geen. Gevolgen voor milieueffectrapport n.a.v. zienswijzen binnen thema B Geen.

18

C Geluid 1. Geluidsoverlast ’s-nachts Windmolen 1 en 2 bevinden zich op ongeveer 900 meter van de woning van indiener. Indiener vreest vooral geluidsoverlast ’s-nachts als het omgevingsgeluid minder is. Het is algemeen bekend dat windmolens van die hoogte met name in de nacht voor veel geluidsoverlast zorgen. Nachtrust is belangrijk voor een gezinslid met een progressieve vorm van MS. De geluidnorm voor windturbines is opgenomen in artikel 3.14a van het Activiteitenbesluit milieubeheer en bestaat uit een jaargemiddelde (Lden) van 47 dB en een geluidnorm voor de nachtperiode (Lnight) van 41 dB. Lden is, in tegenstelling tot de etmaalwaarde bij industrielawaai, het gewogen jaargemiddelde van het equivalente geluidniveau met een toeslag van 5 dB voor de avondperiode en een toeslag van 10 dB voor de nachtperiode. De geluidbelasting die optreedt gedurende de avond en nacht wordt zodoende zwaarder meegewogen dan de geluidbelasting die overdag optreedt. De beoordelingsmaat Lnight is het gemiddelde equivalente geluidniveau over alle nachtperioden in een jaar zonder toeslag van 10 dB. Met deze extra beoordelingsmaat naast Lden wordt beoogd een extra waarborg te bieden voor bescherming tegen slaapverstoring. De geluidnorm voor windturbines is overigens ook door de wetgever bewust onafhankelijk gemaakt van de omgeving of het achtergrondgeluid.

De berekende maximale cumulatieve geluidbelasting Lnight van windturbine 1 t/m 4 bedraagt op de woning van indiener 32 dB Lnight en met windturbine 5 en 6, 33 dB Lnight. Dit is 8-9 dB minder dan de wettelijke norm van Lnight 41 dB en daardoor ruimschoots aanvaardbaar. Ter vergelijking: •

30 dB is erg stil, bijvoorbeeld vergelijkbaar met een bibliotheek (30-40 dB), zacht gefluister op 5 meter afstand of een opnamestudio.

•

40 dB is erg stil tot rustig, bijvoorbeeld vergelijkbaar met een huiskamer, slaapkamer, rustig kantoor, rustige woonbuurt, vogels bij zonsopkomst of zacht geroezemoes in een klas.

Zowel door de wijze waarop de wettelijke norm is opgebouwd als door het hanteren van een strengere streefwaarde van Lden 42 dB door de gemeente Oss voor dit project zijn omwonenden voldoende beschermd tegen nachtelijk geluid van de windturbines en is nachtelijk geluid als gevolg van de windturbines tot een minimum beperkt. Aanwezig achtergrondgeluid, hoe weinig ook, kan wellicht zelfs het geluid van de windturbines geheel maskeren. 2. Wat als het geluid continue op de achtergrond te horen is? Vooral in de nacht is dit een mega verschil vanwege het wegvallen van het omgevingsgeluid, het vallen van de wind aan de grond, terwijl de wind aanwakkert in de hogere luchtlagen. Zeker op de genoemde hoogtes, voor minimaal 15 jaar, dag en nacht. Zoals onder punt C.1 staat aangegeven is in de norm voor windturbinegeluid al rekening gehouden met extra hinderlijkheid van windturbinegeluid gedurende de nacht door het hanteren van een 19

toeslag voor Lnight binnen de norm Lden en een aparte norm Lnight waaraan getoetst moet worden. In de berekeningen van windturbinegeluid wordt achtergrondgeluid niet meegenomen vanwege de volcontinue aard van het geluid. In de praktijk betekent dit dat elk achtergrondgeluid dat er ‘s-nachts toch eventueel is, het geluid van windturbines al kan maskeren, voor zover het windmolengeluid hoorbaar is. Nogmaals, in de norm en bijbehorende geluidberekeningen is er al nadrukkelijk rekening mee gehouden dat het ’s nachts stil is en dat de hinderlijkheid van het geluid van windturbines dan het grootste is. In de geluidberekeningen wordt uitgegaan van betrouwbare actuele meerjarige windgegevens van het KNMI (van eind 2018) op verschillende hoogtes dus ook met de gedragingen van de wind, windhoogtes en windrichtingen gedurende een jaar. 3. Relatie tussen waarde van 42 dB Lden en gemeentelijk geluidbeleid Indieners krijgen volgens de planregels een geluidbelasting van maximaal 42 dB Lden op de gevel staat in de beantwoording van de inspraakreactie. Hierin staat ook dat uit de aanvraag omgevingsvergunning volgt dat geluidsbelasting op de woning van indiener bij 4 windmolens 38 dB Lden bedraagt. Dit klopt niet als je kijkt naar bijlage 7 bij de toelichting van het ontwerpbestemmingsplan (Notitie toets gemeentelijk geluidbeleid). Hierin staan hogere waarden.

Indieners betwijfelen verder of hun woning valt binnen het gebiedstype ’kernen en bebouwingsclusters’ en dus de daarop gebaseerde geluidsnorm. De gemeente Oss heeft in de Geluidnota Oss een gemeentelijk geluidbeleid vastgesteld als beoordelingskader voor geluid bij ontwikkelingen. Het doel van het gemeentelijk geluidbeleid is het behouden van de goede kwaliteit van de leefomgeving en het benutten van kansen om voor de verschillende gebieden binnen de gemeente de geluidskwaliteit te verbeteren. Het geluidsbeleid van de gemeente Oss bevat géén specifiek beleid ten aanzien van windturbines. Indien een dergelijk beleid zou worden opgenomen zou rekening moeten worden gehouden met het feit dat de wetgever bij de normering van het geluid van windturbines bewust heeft besloten de norm onafhankelijk van het referentieniveau (achtergrondgeluid) te stellen. Dit in tegenstelling tot de andere geluidbronnen zoals industrie en wegverkeer waar dit anders is gedaan. Om toch iets te kunnen zeggen over het geluid van het windpark in het licht van het geluidbeleid is in bijlage 7 van het ontwerpbestemmingsplan een vergelijking gemaakt met de eisen voor het industriegeluid. Bijlage 7 geeft globaal inzicht in hoeverre de windturbines binnen de geest van het gemeentelijk geluidbeleid passen.

Voor indieners staat in de tabel van bijlage 7 aangegeven dat zij, op de gevel van hun woning, rekening moet houden met 39 dB Lden bij 6 windturbines. Bij de beantwoording van de inspraakreactie van indieners (in het kader van het voorontwerp) is gesteld dat de aanvragen omgevingsvergunning uitgaan van 38 dB Lden bij 4 windmolens. De informatie is dus in overeenstemming met elkaar. Verder ligt het perceel van indiener wel degelijk binnen het gebiedstype ’kernen en bebouwingsclusters’ zoals in de tabel van bijlage 7 vermeld.

20

4. Streefwaarde van 42 dB Lden niet vastgelegd Indieners stellen dat de streefwaarde van 42 B Lden niet is vastgelegd in het ontwerpbestemmingsplan. Artikel 8.1.4 onderdeel b regelt niet dat deze waarde op bijna alle woningen wordt gehaald. Dit vanwege het volgende punt. Zie voor beantwoording volgende punt. 5. Planregels over geluid voor windmolens borgen niet dat voldaan wordt aan de immissienormen Artikel 8.1.4 onderdeel b sub b van de planregels geldt slechts voor de windmolens die zijn bestemd als ‘Bedrijf-windturbinepark Voorlopig’ en niet ook voor de twee turbines in de wijzigingsbevoegdheid. Hierdoor geldt niet voor alle 6 turbines samen dat ze moeten voldoen aan de immissienorm voor het totaal (per toetspunt) zoals aangegeven in de tabel van artikel 8.1.4 onder a. Er is hierdoor ook geen handhaving mogelijk op basis van artikel 8.1.4 sub c voor windturbine 6 en 7. Deze zienswijze is ongegrond. Het is juist dat artikel 8.1.4 onderdeel b sub b alleen geldt voor de eerste 4 rechtstreeks bestemde windmolens. Windturbines 6 en 7 hebben op basis van dit bestemmingsplan nog geen directe bouwtitel en kunnen pas na het vaststellen van een wijzigingsplan als bedoeld in artikel 3.6 lid 1 sub a Wro worden gerealiseerd. Dit wijzigingsplan is het bestemmingsplan, waarin de concrete planregels als toetsingskader voor windturbines 6 en 7 worden vastgelegd.

Pas dan kunnen ook handhavingsregels worden opgelegd voor windturbine 6 en 7. Artikel 15 van het bestemmingsplan “Windmolenpark Elzenburg-De Geer” bepaalt de regels en voorwaarden voor toepassing van de wijzigingsbevoegdheid en geeft de immissienormen nu al aan, waaraan het complete windpark, inclusief windturbines 6 en 7, moet voldoen. Na de bouw van de twee extra turbines wordt de streefwaarde van 42 dB Lden nog steeds op bijna alle woningen gehaald (op maximaal 7 woningen na). Artikel 15 bepaalt ook dat voor het wijzigingsplan vergelijkbare regels gelden, zoals opgenomen in artikel 8 en artikel 14.3. Dit betekent dat naast de immissienormen voor windturbines 6 en 7 zoveel mogelijk (voor zover relevant en actueel) de planregels van artikel 8 worden overgenomen, waaronder de handhavingsmethodiek. Er kan straks dus wel degelijk ook bij 6 windmolens handhavend worden opgetreden. 6. Uitgangspunten van maximaal 42 dBLden op de gevel en 18 dB Lnight als binnenniveau (geluid) De gemeente hanteert deze uitgangspunten in het ontwerpbestemmingsplan, bij 2 woningen wordt niet voldaan aan deze uitgangspunten en hiervoor zijn geluidwerende maatregelen aangeboden.

De woningen die tegen de grens van 42 dB Lden zitten (maar net aan deze grens voldoen), zijn niet verder onderzocht, terwijl het een zeer theoretische benadering is en woningen soms ouder zijn en niet zo geluidsdicht als een moderne woning. Alle woningen op de grens moeten een controlemeting krijgen. Zie hiervoor het 21

rapport van M+P van 21 januari 2019. Ook ten aanzien van de bandbreedte van laagfrequent geluid voor woningen op de grens van 42 dB Lden is nader onderzoek nodig. Enkele indieners in de buurt van de 42 dB Lden grens verzoeken ook apart om ook bij hen een binnenmeting te doen om te kijken of 18 dB Lnight gehaald wordt. En om zo nodig passende geluidwerende maatregelen te nemen vóór aanvang van de bouw. De zienswijze is ongegrond. 42 dB Lden is een streefwaarde die de gemeente voor dit specifieke project hanteert voor de geluidbelasting van de windturbines. Deze streefwaarde van 42 dB Lden is 5 dB strenger dan de wettelijke geluidnorm van 47 dB Lden voor windturbines. De gemeente heeft de streefwaarde vertaald in ‘harde’ planregels. Hiermee is de gemeente behoorlijk strenger dan de norm. Er is daarom geen aanleiding om ook nog eens woningen die tegen de grens van 42 dB Lden zitten (maar net aan deze grens voldoen) verder te onderzoeken of maatregelen te treffen. Bovendien voldoen de woningen die net voldoen aan de streefwaarde van 42 dB Lden vrijwel altijd aan de geadviseerde binnenwaarde van 18 dB Lden, ook als de woning slecht geïsoleerd is. Dit stelt het externe geluidsbureau dat ons adviseert. Dit bureau zegt ook dat ze met de advisering van 18 dB in de nacht als binnenwaarde al aan de zeer veilige kant is gaan zitten om slaapverstoring te voorkomen.

Het bureau kan, zonder nader onderzoek, niet met 100% zekerheid garanderen, dat in geen enkele woning met een geluidsbelasting van 42 dB Lden, de binnenwaarde meer is dan 18 dB, maar raadt extra onderzoek vanwege het voorgaande nadrukkelijk af. De gemeente hanteert al een veel strenger geluidregime dan gebruikelijk, zo geeft het bureau aan. Wij willen ook een grens stellen, want omwonenden die te maken krijgen met een gevelbelasting van 41 of 40 dB Lden willen misschien ook wel een onderzoek. De binnenwaarde van 18 dB Lnight is in het ontwerpbestemmingsplan alleen gehanteerd voor woningen waar de streefwaarde van 42 dB Lden werd overschreden en in het daarmee samenhangende onderzoek dat naar het binnenniveau van deze woningen is uitgevoerd. Uit het nadere onderzoek naar de binnenwaarden is gebleken dat bij 2 van de 7 woningen de binnenwaarde 18 dB Lnight niet in alle verblijfsruimten werd gehaald (na de bouw van 6 windmolens). Aan beide bewoners is toen een passend aanbod gedaan om met maatregelen alsnog een binnenwaarde van 18 dB te bereiken voor de situatie met 6 windmolens (op kosten van exploitanten). Eén aanbod is geaccepteerd en zal worden uitgevoerd. Het andere is niet geaccepteerd.

Vanwege de onderzoeksresultaten en het feit dat straks bij slechts één woning (in enkele verblijfsruimten) de 18 dB Lnight binnenwaarde niet wordt gehaald, omdat het aanbod niet is geaccepteerd, wordt de planregel voor de binnenwaarde niet meer zinvol en doelmatig geacht en wordt het bestemmingsplan op dit punt gewijzigd vastgesteld. Er wordt geen binnenwaarde meer opgenomen voor woningen met een hogere geluidsbelasting dan 42 dB Lden. Conclusie: Wij hebben ons maximaal ingespannen om een goed woon- en leefklimaat te borgen voor geluid. We hebben hiermee ruimschoots aan onze zorgplicht voldaan. Er is geen aanleiding om bij woningen waar de bovenwettelijke streefwaarde van 42 dB wordt bereikt een binnenmeting

22

te doen. Indieners worden al extra beschermd door het hanteren van de streefwaarde in de planregels door de gemeente Oss. Bescherming tegen hinder door laagfrequent geluid maakt onderdeel uit van de wettelijke geluidnorm 47 dB Lden en 41 dB Lnight en is altijd een onderdeel van het geluidspectrum van windturbinegeluid. Door het hanteren van een streefwaarde van 42 dB Lden voor het windpark zal het aandeel laagfrequent geluid ook veel lager zijn dan binnen de norm. Er is geen enkele aanleiding om de bandbreedte van laagfrequent geluid voor woningen op de grens van 42 dB Lden nader te onderzoeken. 7. Geluidsniveau buitenshuis Indieners zijn bezorgd over het geluidsniveau buitenshuis. Gezien de ligging van de woning in landelijk buitengebied brengen zij veel tijd buitenshuis door. Kan de gemeente garanderen dat indieners niet onevenredig worden aangetast in hun woongenot en hun gezondheid geen schade oploopt door de windmolens? De gemeente zegt niets over mitigerende maatregelen buitenshuis. Op basis van het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn, onder andere, tuinen, erven en agrarische percelen niet geluidgevoelig, waardoor ook niet aan de wettelijke geluidnormen hoeft te worden voldaan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=fd68f093-9dfa-4215-9249-9a1629af6875