Bijlagen bij de toelichting MFA en woningbouw Looveltlaan Oss – 2023
Tekst van het document
Deze zijn niet aangetroffen en daarmee zijn verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen uit te sluiten.
Rapport 18349.001 versie D1
Pagina 11 van 24
Figuur 17. Ruimte onder de loodflap.
Figuur 18. Open stootvoegen.
In het verpleeghuis is een zolder aanwezig (figuur 19). Deze is intern geïnspecteerd tijdens het veldbezoek en hierbij zijn geen sporen waargenomen, waarmee een winterverblijfplaats van vleermuizen op de zolder kan worden uitgesloten. Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie De bebouwing grenzend aan het verpleeghuis ten zuidoosten (zorgwoningen) is geschikt voor vleermuizen vanwege de aanwezigheid van open stootvoegen, ruimtes langs de regenpijpen, dilatatievoegen, openingen langs de betimmering en ruimtes onder de dakpannen (figuur 20). Gezien Figuur 19. Zolder van het verpleeghuis. deze bebouwing vastzit aan het te slopen verpleeghuis, kunnen eventuele verblijfplaatsen in de deze aangrenzende bebouwing verstoord worden als gevolg van trillingen die ontstaan bij de sloop van het verpleeghuis. Hierdoor verdwijnt mogelijk de functionaliteit als verblijfplaats en vindt overtreding van de Wet natuurbescherming plaats (paragraaf 6.2). In een van de bomen in de bomenlaan ten zuiden van de onderzoekslocatie is een holte aangetroffen welke mogelijk geschikt is als verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen (figuur 21). Daarnaast is de bebouwing ten oosten van de onderzoekslocatie geschikt voor vleermuizen.
Potentiële verblijfplaatsen ondervinden geen negatieve effecten door de voorgenomen ingreep, mits geen additionele (bouw)verlichting plaatsvindt richting deze boom en de bebouwing ten oosten, zowel tijdens de werkzaamheden als in de eindfase (paragraaf 6.2).
Rapport 18349.001 versie D1
Pagina 12 van 24
Figuur 20. Ruimtes voor vleermuizen in de aangrenzende bebouwing.
Figuur 21. Boomholte.
Foerageerhabitat De onderzoekslocatie bestaat voornamelijk uit bebouwing en verharding en is daarom weinig geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen, in de directe omgeving is beter geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig. Het betreft groenstructuren, tuinen en parken. Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Rondom de onderzoekslocatie zijn bomenlanen aanwezig, welke kunnen fungeren als vliegroute voor vleermuizen. Deze vliegroutes ondervinden geen negatieve effecten door de voorgenomen ingreep, mits geen additionele (bouw)verlichting plaatsvindt richting deze bomenlanen, zowel tijdens de werkzaamheden als in de eindfase (paragraaf 6.2). 5.3
Overige zoogdieren
Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en licht beschermde soorten. 5.3.1
Streng beschermde soorten
Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en Broekhuizen et al. (2016) ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren: bever, bunzing, das, eekhoorn, hermelijn, steenmarter, wezel en wolf. Steenmarter Steenmarters gebruiken hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes maar ook stenenstapels of takkenhopen, als verblijfplaats. Een steenmarter heeft binnen zijn territorium verscheidene verblijfplaatsen. Vanwege de beperkte aanwezigheid van schuilmogelijkheden op de onderzoekslocatie en het ontbreken van geschikt foerageergebied in de directe omgeving, is de onderzoekslocatie weinig geschikt voor de steenmarter. Daarnaast zijn geen sporen, zoals uitwerpselen of prooiresten, aangetroffen die duiden op het gebruik van de onderzoekslocatie als vaste rust- of voortplantingsplaats door deze soort. Bij intensief gebruik van een locatie door deze soort zijn dergelijke sporen vrij eenvoudig aan te treffen. Gelet op het ontbreken ervan kan worden gesteld dat de onderzoekslocatie niet in gebruik is door de steenmarter.
Rapport 18349.001 versie D1
Pagina 13 van 24
Bunzing, hermelijn en wezel De kleine marterachtigen als bunzing, hermelijn en wezel zijn sterk gebonden aan landschapselementen zoals houtwallen en bosschages die dekking bieden gedurende het foerageren en migreren tussen de vaste rust- of voortplantingsplaatsen en de foerageergebieden. Gezien het ontbreken hiervan en gezien de onderzoekslocatie grotendeels bestaat uit verharding en bebouwing, zijn negatieve effecten ten aanzien van kleine marterachtigen uit te sluiten als gevolg van de voorgenomen ingreep. Eekhoorn De (hoge) bomen op en binnen de invloedssfeer van de onderzoekslocatie konden door het ontbreken van bladerdek goed worden onderzocht op de aanwezigheid van nesten. Er zijn geen nesten van eekhoorns aangetroffen, zodat de aanwezigheid van een vaste rust- of voortplantingsplaats van de eekhoorn kan worden uitgesloten. Das De onderzoekslocatie is door het stedelijk karakter met weinig groen en het ontbreken van reliëf en schuilmogelijkheden ongeschikt als vaste rust- of voortplantingsplaats of als foerageergebied voor dassen. Tijdens het veldbezoek zijn op de onderzoekslocatie en de directe omgeving eveneens geen loop- of eetsporen, latrines en/of wissels aangetroffen die duiden op de aanwezigheid en/of het gebruik van de onderzoekslocatie door de das.
Dassen zullen eerder hun leefgebied hebben in het nabijgelegen natuurgebied Herperduin en de aansluitende weilanden. Verstoring ten aanzien van de das als gevolg van de voorgenomen ingreep is niet aan de orde. Overige soorten Het voorkomen van overige grondgebonden zoogdieren waarvoor geen vrijstelling geldt, zoals de bever en de wolf, is tijdens het veldbezoek niet vastgesteld. Vanwege het ontbreken van geschikt habitat kan het voorkomen ervan redelijkerwijs worden uitgesloten. 5.3.2
Licht beschermde soorten
De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als egel en diverse muizensoorten. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat deze soorten verstoord worden en kunnen holen en/of schuilplaatsen vernietigd worden (paragraaf 6.3). 5.4
Reptielen
Volgens gegevens van de NDFF en RAVON (Van Delft et al., 2015) is in de omgeving van de onderzoekslocatie de levendbarende hagedis waargenomen. Reptielen stellen specifieke eisen aan het habitat die betrekking hebben op verschillende factoren, waaronder de aanwezigheid van verschillende microklimaten. Het voorkeurshabitat van de levendbarende hagedis bestaat uit droge heide en hoogveen, bossen, bosranden en structuurrijke weg- en spoorbermen. De onderzoekslocatie bestaat grotendeels uit verharding en bebouwing en bevat geen geschikt habitat voor de levendbarende hagedis. De waarnemingen van levendbarende hagedis zullen eerder betrekking hebben op het nabijgelegen natuurgebied Herperduin. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de levendbarende hagedis kan op basis van de quickscan worden uitgesloten.
Rapport 18349.001 versie D1
Pagina 14 van 24
5.5
Amfibieën
Volgens gegevens van de NDFF en RAVON (Van Delft et al., 2015) zijn in de omgeving van de onderzoekslocatie de volgende soorten waargenomen: Alpenwatersalamander, heikikker, kamsalamander, poelkikker, rugstreeppad, vinpootsalamander, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander. 5.5.1
Streng beschermde soorten
Doordat wateroppervlakten als poelen, sloten en plassen op de onderzoekslocatie ontbreken zijn voortplantingsmogelijkheden voor de streng beschermde Alpenwatersalamander, heikikker, kamsalamander, poelkikker, rugstreeppad en vinpootsalamander uitgesloten. Daarnaast bevat de onderzoekslocatie geen geschikt landhabitat vanwege het stedelijk karakter en gezien de onderzoekslocatie grotendeels bestaat uit verharding. De waarnemingen van de streng beschermde amfibieënsoorten hebben eerder betrekking op het natuurgebied Herperduin. Negatieve effecten ten aanzien van deze soorten kunnen worden uitgesloten. 5.5.2
Licht beschermde soorten
De onderzoekslocatie vormt weinig geschikt habitat voor algemene amfibieënsoorten, gezien water ontbreekt en de onderzoekslocatie grotendeels bestaat uit bebouwing en verharding. Ook in de directe omgeving van de onderzoekslocatie is geen water aanwezig. Algemene soorten als bastaardkikker, bruine kikker, kleine watersalamander en gewone pad kunnen echter incidenteel beschutting vinden tussen de begroeiing op de onderzoekslocatie. Door de voorgenomen werkzaamheden kunnen negatieve gevolgen ontstaan voor algemene amfibieënsoorten (paragraaf 6.3). 5.5.3
Vissen
Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater op de onderzoekslocatie kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten. 5.6
Ongewervelden
Libellen Er zijn slechts enkele libellensoorten die binnen de Wet natuurbescherming een strenge bescherming genieten. Deze zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen, die veelal alleen in natuurgebieden zijn te vinden. Daarnaast zijn libellen voor de voortplanting afhankelijk van water, wat niet op de onderzoekslocatie aanwezig is. Beschermde soorten zijn op de onderzoekslocatie niet te verwachten. Daarnaast zijn er geen waarnemingen bekend van beschermde libellen in de omgeving van de onderzoekslocatie. Negatieve effecten zijn uitgesloten. Vlinders Volgens de NDFF zijn in de omgeving van de onderzoekslocatie de streng beschermde grote vos en teunisbloempijlstaart waargenomen. Beschermde vlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Geschikte waardplanten voor beschermde vlindersoorten als grote vos (iep, zoete kers en sommige wilgensoorten) en teunisbloempijlstaart (teunisbloem, basterdwederik, wilgenroosje en kattenstaart) zijn niet op de onderzoekslocatie waargenomen tijdens het veldbezoek. Daarnaast bestaat het voorkeurshabitat van bovengenoemde vlinders uit vochtige bossen en bosranden. Dit habitat is niet aanwezig op of in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. Het is uitgesloten dat er binnen
Rapport 18349.001 versie D1
Pagina 15 van 24
de onderzoekslocatie geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van een beschermde vlindersoort. Overige soorten Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. 5.7
Planten
In de omgeving van de onderzoekslocatie zijn volgens de NDFF de kartuizer anjer, kluwenklokje en brave hendrik aangetroffen. De meeste beschermde soorten stellen specifieke eisen aan de groeiomstandigheden. De aanwezigheid van water, de zuurgraad van de bodem, de beschikbare hoeveelheid voedingsstoffen, de hoeveelheid zonlicht en de antropogene beïnvloeding bepalen in hoeverre een groeiplaats voor een bepaalde plant geschikt is. De kartuizer anjer en het kluwenklokje komen voornamelijk voor in kalkgraslanden. De biotoopvoorkeur van brave hendrik bestaat uit humueze ruigten. Aangezien de onderzoekslocatie grotendeels bestaat uit bebouwing en verharding zijn beschermde vaatplanten niet te verwachten. Tijdens het veldbezoek zijn daarnaast geen beschermde plantensoorten waargenomen. Een negatief effect ten aanzien van beschermde plantensoorten als gevolg van de voorgenomen ingreep kan dan ook worden uitgesloten.
Rapport 18349.001 versie D1
Pagina 16 van 24
6
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING
Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen. 6.1 6.1.1
Broedvogels Huismus en gierzwaluw
De nesten van huismussen en gierzwaluwen zijn het gehele jaar beschermd en vallen onder de beschermingscategorie 2 van vogelnesten. Dit zijn nesten van koloniebroeders die elk seizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. Volgens artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming is het verboden nesten van huismussen of gierzwaluwen te storen, beschadigen, te vernielen of weg te nemen. Om vast te stellen of er broedgevallen van de gierzwaluw en/of huismus op de onderzoekslocatie aanwezig zijn, dient nader onderzoek uitgevoerd te worden tijdens het broedseizoen van deze soorten. Bij het aantreffen van nestlocaties van huismussen en/of gierzwaluwen is bij de voorgenomen werkzaamheden overtreding van de Wet natuurbescherming naar verwachting niet te vermijden en is daarom een ontheffingsaanvraag aan de orde. Door het treffen van maatregelen zal de functionaliteit van een rust- of voortplantingsplaats behouden moeten worden en zal schade aan individuen moeten worden voorkomen. Deze maatregelen, omschreven in een activiteitenplan, dienen vervolgens ter goedkeuring te worden voorgelegd aan de provincie Noord-Brabant, middels een ontheffingsaanvraag. 6.1.2
Algemene broedvogels
Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien de werkzaamheden buiten het broedseizoen worden uitgevoerd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen en/of vogels te storen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Indien binnen het broedseizoen gewerkt wordt, dient een broedvogelinspectie uitgevoerd te worden door een ter zake kundige op het gebied van vogels. Met betrekking tot het verwijderen van groen buiten het broedseizoen wordt geadviseerd om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen. Een grote stapel snoeiafval vormt namelijk een ideale broedlocatie voor kleine vogelsoorten als de winterkoning. Indien onverhoopt een dergelijke soort hierin tot broeden komt, mag het snoeiafval niet eerder worden verwijderd dan wanneer de jongen definitief zijn uitgevlogen.
Rapport 18349.001 versie D1
Pagina 17 van 24
6.2
Vleermuizen
Alle vleermuissoorten zijn opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn, dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd. Vleermuizen worden ook benoemd in Bijlage II van de conventie van Bonn. Protocollair onderzoek De bebouwing op de onderzoekslocatie is geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. De sloop van de bebouwing zou in geval van aanwezigheid van een verblijfsfunctie van vleermuizen kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Aanvullend onderzoek is benodigd om de daadwerkelijke functie van het gebied voor vleermuizen te kunnen vaststellen. Aan de hand hiervan kan worden vastgesteld of overtredingen van de Wet natuurbescherming aan de orde zijn. De vleermuissoorten die onderzocht dienen te worden zijn de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en laatvlieger. Een dergelijk aanvullend onderzoek dient te worden uitgevoerd conform het protocol voor vleermuisonderzoek (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, 2021). Dit houdt in dat afhankelijk van de potentiële functies (zomer-, kraam-, paar en milde winterverblijfplaats en voor het verpleeghuis ook massa winterverblijfplaats) er in de periode mei tot en met september een aantal veldbezoeken uitgevoerd dient te worden.
Vervolgens kan aan de hand van de onderzoeksresultaten worden vastgesteld of er overtredingen plaats zullen vinden bij de uitvoering van het project. Bij het aantreffen van verblijfplaatsen van vleermuizen is bij de voorgenomen werkzaamheden overtreding van de Wet natuurbescherming naar verwachting niet te vermijden en is daarom een ontheffingsaanvraag aan de orde. Door het treffen van maatregelen zal de functionaliteit van een rust- of voortplantingsplaats behouden moeten worden en zal schade aan individuen moeten worden voorkomen. Deze maatregelen, omschreven in een activiteitenplan, dienen vervolgens ter goedkeuring te worden voorgelegd aan de provincie Noord-Brabant, middels een ontheffingsaanvraag. De bebouwing ten zuidoosten van de onderzoekslocatie is mede geschikt voor vleermuizen. Gezien deze bebouwing vastzit aan het te slopen verpleeghuis, kunnen eventuele verblijfplaatsen in deze aangrenzende bebouwing verstoord worden als gevolg van trillingen die ontstaan bij de sloop van het verpleeghuis. Om overtredingen van de Wet natuurbescherming te voorkomen, dient de bebouwing ten zuidoosten van de onderzoekslocatie meegenomen te worden in het aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van vleermuizen. Verlichting De woningen ten oosten van de onderzoekslocatie en een van de bomen in de bomenlaan ten zuiden bevatten potentiële verblijfplaatsen voor vleermuizen.
Daarnaast kunnen de bomenlanen rondom de onderzoekslocatie dienen als vliegroute voor vleermuizen. Potentiële verblijfplaatsen en vliegroutes ondervinden geen negatieve effecten door de voorgenomen ingreep, mits geen additionele (bouw)verlichting plaatsvindt richting deze elementen, zowel tijdens de werkzaamheden als in de eindfase. Indien een verlichtingstoename niet te voorkomen is, dienen maatregelen genomen te worden om de toename tot een minimum te beperken door gebruik te maken van aangepaste armaturen, waaronder een aangepaste lampenkap, amberkleurig licht en een naar beneden gerichte lichtpunt.
Rapport 18349.001 versie D1
Pagina 18 van 24
6.3
Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën
Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van werkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Dieren die gedurende de werkzaamheden worden aangetroffen dienen de gelegenheid te krijgen om veilig weg te komen. 6.4
Overige soort(groep)en
Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.
Rapport 18349.001 versie D1
Pagina 19 van 24
7
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING
In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen, op vanuit de Wet natuurbescherming aangewezen beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen. 7.1
Natura 2000
De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Rijntakken, bevindt zich op circa 9,8 kilometer afstand ten noordwesten van de onderzoekslocatie (figuur 22).
Figuur 22. Ligging onderzoekslocatie (wit omlijnd bij gele pijl) ten opzichte van Natura 2000.
De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toenamen van geluid, trilling, licht of depositie van stikstof. Externe effecten als gevolg van de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand (± 9,8 km) tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden in combinatie met de aard van de plannen (sloop en nieuwbouw) niet te verwachten. Vervolgonderzoek met betrekking tot Natura 2000 gebieden wordt niet noodzakelijk geacht.
Rapport 18349.001 versie D1
Pagina 20 van 24
7.2
Natuurnetwerk Nederland
De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie ligt ook niet in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 1 kilometer ten noordwesten van de onderzoekslocatie. In figuur 23 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.
Figuur 23. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland.
Initiatiefnemers van ingrepen binnen of in de directe nabijheid van het Natuurnetwerk Nederland dienen in Noord-Brabant de effecten van de ingreep op de wezenlijke waarden en kenmerken van het Natuurnetwerk te onderzoeken. Gezien de afstand van de onderzoekslocatie tot het dichtstbijzijnde deel van het Natuurnetwerk (± 1 km) en gezien de aard van de voorgenomen ingreep (sloop en nieuwbouw) zullen de wezenlijke waarden en kenmerken ten opzichte van de oorspronkelijke situatie niet veranderen. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Nederland wordt niet noodzakelijk geacht.
Rapport 18349.001 versie D1
Pagina 21 van 24
8
HOUTOPSTANDEN
De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.2 en artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. Op de onderzoekslocatie zijn enkele bomen aanwezig. Gezien de ligging van de onderzoekslocatie binnen de bebouwde kom vallen deze bomen niet onder de definitie houtopstanden, als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming. Er geldt geen meldingsplicht en herplantplicht.
Rapport 18349.001 versie D1
Pagina 22 van 24
9
SAMENVATTING EN CONCLUSIES
Econsultancy heeft in opdracht van Stichting BrabantWonen een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd aan de Looveltlaan 25 / Saturnusstraat 280 te Oss. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging en heeft tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten, gebieden of houtopstanden aanwezig zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. De initiatiefnemer is voornemens om de huidige bebouwing te slopen en vervolgens één nieuw gebouw te ontwikkelen waarin zowel het verpleeghuis als het wijkcentrum een plek krijgen. Hierbij wordt de begroeiing op de onderzoekslocatie zelf verwijderd, de bomenlanen rondom blijven wel behouden. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel I. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel I.
Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen Soortgroep
Geschikt habitat
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Ontheffingsaanvraag
Bijzonderheden / opmerkingen**
algemeen
ja
mogelijk
nee
nee
werkzaamheden buiten het broedseizoen uitvoeren of broedvogelinspectie uitvoeren
jaarrond beschermd
ja
mogelijk
ja
mogelijk
aanvullend onderzoek naar huismus en gierzwaluw
verblijfplaatsen
ja
mogelijk
ja
mogelijk
- aanvullend onderzoek naar gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en laatvlieger - aandacht voor verlichting richting bebouwing ten oosten en boom ten zuiden
foerageergebied
minimaal
nee
nee
nee
vliegroutes
in directe omgeving
nee, mits*
nee, mits*
nee, mits*
*aandacht voor verlichting richting omliggende bomenlanen
ja
mogelijk
nee
nee
aandacht voor zorgplicht ten aanzien van soorten als egel en diverse muizensoorten
Amfibieën
minimaal
mogelijk
nee
nee
aandacht voor zorgplicht ten aanzien van mogelijk sporadisch voorkomende bruine kikker, bastaardkikker, gewone pad en kleine watersalamander
Reptielen
nee
nee
nee
nee
-
Vissen
nee
nee
nee
nee
-
Libellen en vlinders
nee
nee
nee
nee
-
Overige ongewervelden
nee
nee
nee
nee
-
Vaatplanten
nee
nee
nee
nee
-
Broedvogels
Vleermuizen
Grondgebonden zoogdieren
Rapport 18349.001 versie D1
-
Pagina 23 van 24
Gebiedsbescherming
Gebied aanwezig
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Vergunningplicht
Natura 2000
9,8 km
nee
nee
nee
-
Natuurnetwerk Nederland
1 km
nee
nee
nee
-
Houtopstanden
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
-
** Wijzigingen in het planvoornemen kunnen van invloed zijn op de uitkomst van het onderzoek.
Conclusie Op basis van de onderhavige quickscan Wet natuurbescherming dient voorafgaand aan de werkzaamheden middels aanvullend ecologisch onderzoek duidelijkheid te worden verkregen omtrent de functie van de onderzoekslocatie voor huismus, gierzwaluw en vleermuizen. Wat betreft vleermuizen dient de bebouwing grenzend ten zuidoosten van de onderzoekslocatie mee te worden genomen in het onderzoek. Gelet op de bebouwing ten oosten en de bomenlanen rondom de onderzoekslocatie, zijn overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van vleermuizen te vermijden als mogelijke verblijfplaatsen en vliegroutes functioneel en duurzaam behouden blijven. Additionele (bouw)verlichting richting deze elementen tijdens de werkzaamheden en eindfase dient te worden voorkomen. Indien een verlichtingstoename niet te voorkomen is, dienen maatregelen genomen te worden om de toename tot een minimum te beperken. Overtredingen ten aanzien van algemene broedvogels kunnen worden voorkomen door te werken buiten het broedseizoen (globaal van maart tot half augustus). Indien binnen het broedseizoen gewerkt wordt, kan dit enkel nadat tijdens een broedvogelinspectie is bevestigd dat er geen broedgevallen aanwezig zijn. Daarnaast wordt geadviseerd het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen.
Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van de verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden, het Natuurnetwerk Nederland en beschermde houtopstanden worden geen bezwaren voorzien in de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden op de onderzoekslocatie.
Econsultancy Boxmeer, 15 maart 2022
Rapport 18349.001 versie D1
Pagina 24 van 24
GERAADPLEEGDE BRONNEN Broekhuizen, S., Spoelstra, K., Thissen, J., Canters, K. & Buys, J. (2016). Atlas van de Nederlandse zoogdieren Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. BIJ12 (2017a). Kennisdocument huismus. Opgehaald van https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-009Kennisdocument-Huismus-1.0.pdf. BIJ12 (2017b). Kennisdocument gierzwaluw. Opgehaald van https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-006Kennisdocument-Gierzwaluw-1.0.pdf. BIJ12 (2017c). Kennisdocument gewone dwergvleermuis. Opgehaald van https://www.bij12.nl/assets/BIJ122017-004-Kennisdocument-Gewone-dwergvleermuis-1.0.pdf. EIS-kenniscentrum insecten (z.d.). Soortenbeleid. Geraadpleegd op 30 december van https://www.eisnederland.nl/soortenbeleid/habitatrichtlijn. Limpens H. & Regelink J. (2017). Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Ministerie van Economische Zaken (2016). Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (z.d.). Natura 2000 gebieden. Geraadpleegd op 15 maart 2022 van https://www.natura2000.nl/gebieden. Nationale Database Flora en Fauna (z.d.). Uitvoerportaal; zoekgebied Oss, periode 2012-2022. NDFF.
Geraadpleegd op 15 maart 2022 van https://ndff-ecogrid.nl. Sovon (z.d.). Soortenoverzicht. Geraadpleegd op 15 maart 2022 van https://stats.sovon.nl/stats/soorten. Van Delft, J., J. Kranenbarg, A. de Bruin & P. Frigge (2015). Waarnemingenoverzicht 2014. Bijlage bij RAVON 59 Jaargang 17 (4). Verspreidingsatlas (z.d.). NDFF Verspreidingsatlas. Geraadpleegd op 15 maart 2022 van https://www.verspreidingsatlas.nl/. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus (2021). Vleermuisprotocol 2021. Opgehaald van https://netwerkgroenebureaus.nl/vleermuisprotocol. Wet natuurbescherming (2022, 9 maart). Opgehaald van: https://wetten.overheid.nl/BWBR0037552.
Provinciale bronnen Noord-Brabant www.brabant.nl (NNN en beschermde gebieden in Noord-Brabant)
Rapport 18349.001 versie D1
Bijlage 1 toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming Zorgplicht Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd (zie tabel II). Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. Tabel II. Zorgplicht Artikel 1.11. Zorgplicht 1.
Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorg houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a) dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b) indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c) voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.
2.
Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; “de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”. Deze formulering van de zorgplicht brengt met zich mee dat wanneer men een bepaalde handeling wilt verrichten die gevolgen voor natuurwaarden zou kunnen hebben, men zich daaraan voorafgaand op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvoor van het voorgenomen handelen. De zorgplicht is te allen tijde van toepassing, ook al vindt er geen overtreding van een verbodsbepaling plaats. Indien er aanleiding is maatregelen te nemen ten aanzien van de zorgplicht, zal dat voor het betreffende beschermde natuurgebied en de betreffende soortgroep in deze rapportage worden aangegeven. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • • •
soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).
In tabel III t/m V worden deze artikelen nader toegelicht.
Rapport 18349.001 versie D1
Tabel III. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.1 Wet natuurbescherming Artikel 3.1. Soorten van de Vogelrichtlijn 1.
Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
2. 3. 4. 5.
Toelichting Alle inheemse vogelsoorten in Nederland vallen onder de Vogelrichtlijn. De Vogelrichtlijn is een richtlijn vanuit de Europese Unie uit 1979 en heeft betrekking op de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de Lidstaten waarop het Verdrag van toepassing is. De lijst met soorten is niet limitatief.
Tabel IV. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.5 Wet natuurbescherming Artikel 3.5. In het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn
1. 2. 3. 4. 5.
Het is verboden in het wild levende dieren van deze soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze dieren te beschadigen of te vernielen. Het is verboden planten van soorten uit de Habitatrichtlijn of het Verdrag van Bern in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Toelichting Het gaat bij artikel 3.5 over in het wild levende dieren van verschillende soortgroepen. In de wet wordt voor vogelsoorten uit bijlage II van het verdrag van Bern geen uitzondering gemaakt. Van de vogelsoorten die in Nederland voorkomen is hieronder een selectie gemaakt. Van de overige soortengroepen zijn alle soorten genoemd. Soorten Planten
drijvende waterweegbree, groenknolorchis, kruipend moerasscherm, zomerschroeforchis
Zoogdieren
bever, hamster, hazelmuis, lynx, Noordse woelmuis, otter, wolf, wilde kat
Walvisachtigen
bruinvis, bultrug, butskop (hille), dwergpotvis, dwergvinvis, gestreepte dolfijn, gewone dolfijn, gewone spitsdolfijn, gewone vinvis, griend, grijze dolfijn, kleine zwaardwalvis, narwal, Noordse vinvis, orka, potvis, spitsdolfijn van Gray, tuimelaar, walrus witflankdolfijn, witsnuitdolfijn, witte dolfijn
Vleermuizen
Bechsteins vleermuis, bosvleermuis, Brandts vleermuis, franjestaart, gewone baardvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, grote hoefijzerneus, grote rosse vleermuis, ingekorven vleermuis, kleine dwergvleermuis, kleine hoefijzerneus, laatvlieger, meervleermuis, mopsvleermuis, Noordse vleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleuri ge vleermuis, vale vleermuis, watervleermuis
Amfibieën
boomkikker, geelbuikvuurpad, heikikker, kamsalamander, knoflookpad, poelkikker, rugstreeppad, vroedmeesterpad
Reptielen
dikkopschildpad, gladde slang, Kemps’ zeeschildpad, lederschildpad, muurhagedis, soepschildpad, zandhagedis
Vissen
houting, steur
Vlinders
apollovlinder, boszandoog, donker pimpernelblauwtje, grote vuurvlinder, moerasparelmoervlinder, monarchvlinder, pimpernelblauwtje, teunisbloempijlstaart, tijmblauwtje, zilverstreephooibeestje
Libellen
bronslibel, gaffellibel, gevlekte witsnuitlibel, groene glazenmaker, mercuurwaterjuffer, Noordse winterjuffer, oostelijke witsnuitlibel, rivierrombout, sierlijke witsnuitlibel
Insecten
brede geelrandwaterroofkever, gestreepte waterroofkever, heldenbok, juchtleerkever, oeveraas, vermiljoenkever
Overig
Bataafse stroommossel, platte schijfhoren
Rapport 18349.001 versie D1
Artikel 3.5. In het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn Vogels
appelvink, baardman, beflijster, bergeend, bergfluiter, bijeneter, blauwborst, blauwe kiekendief, boerenzwaluw, bontbekplevier, bonte strandloper, bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, boompieper, boomvalk, bosrietzanger bosruiter, bosuil, braamsluiper, brandgans, bruine kiekendief, buizerd, casarca, Cetti’s zanger, draaihals, duinpieper, dwergmeeuw, dwergstern, Engelse kwikstaart, Europese kanarie, fitis, fluiter, geelgors, gekraagde roodstaart, gele kwikstaart, geoorde fuut, glanskop, goudhaan, grasmus, graspieper, graszanger, grauwe kiekendief, grauwe klauwier, grauwe vliegenvanger, griel, groene specht, groenling, grote bonte specht, grote gele kwikstaart, grote karekiet, grote stern, grote zilverreiger, havik, heggenmus, hop, huiszwaluw, ijsvogel, kerkuil, klapekster, klein waterhoen, kleine barmsijs, kleine bonte specht, kleine karekiet, kleine plevier, kleine zilverreiger, kleinst waterhoen, kluut, kneu, koolmees, koereiger, kraanvogel, krekelzanger, kortsnavelboomkruiper, kruisbek, kuifmees, kwak, kwartelkoning, lepelaar, matkop, middelste bonte specht, nachtegaal, Noordse stern, oehoe, oeverloper, oeverpieper, oeverzwaluw, ooievaar, orpheusspotvogel, paapje, pestvogel, pimpelmees, poelruiter, porseleinhoen, purperreiger, putter, ransuil, rietgors, rietzanger, rode wouw, roerdomp, roodborst, roodborsttapuit, roodhalsfuut, rouwkwikstaart, sijs, slangenarend,
slechtvalk, smelleken, snor, sperwer, spotvogel, sprinkhaanzanger, steenuil, steltkluut, strandplevier, taigaboomkruiper, tapuit, tjiftjaf, torenvalk, tuinfluiter, velduil, visarend, visdief, vuurgoudhaan, wespendief, wielewaal, winterkoning, witbandkruisbek, witte kwikstaart, witwangstern, nachtzwaluw, woudaap, zeearend, zwarte mees, zwarte ooievaar, zwarte roodstaart, zwarte specht, zwarte stern, zwarte wouw, zwartkop, zwartkopmeeuw
Tabel V. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.10 Wet natuurbescherming Artikel 3.10. Andere soorten Het is verboden om: 1. 2. 3.
In het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, vlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A1, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen. De vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B2, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Toelichting Het gaat bij artikel 10 om in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, vlinders, libellen en kevers. Dieren zijn opgenomen in bijlage onderdeel A1. Planten zijn opgenomen in bijlage onderdeel B2 van de Wet natuurbescherming. Voor een aantal zoogdieren, amfibieen en reptielen geldt per provincie een vrijstelling onder bepaalde voorwaarden. Dit verschilt per provincie. De betreffende soorten zijn aangegeven met een sterretje. Daarnaast is het mogelijk dat sommige provincies ook ‘eigen’ beschermde soorten hanteren, als aanvulling op het landelijke. Soorten Dieren
Planten
Zoogdieren
aardmuis*, boommarter, bosmuis*, bunzing*, damhert, das, dwergmuis*, dwergspitsmuis*, edelhert, eekhoorn*, egel*, eikelmuis, gewone bosspitsmuis*, gewone zeehond, grote bosmuis, grijze zeehond, haas*, hermelijn*, huisspitsmuis*, konijn*, molmuis, ondergrondse woelmuis*, ree*, rosse woelmuis*, steenmarter*, tweekleurige bosspitsmuis*, veldmuis*, veldspitsmuis, vos*, waterspitsmuis, wezel*, wild zwijn, woelrat*
Amfibieën
Alpenwatersalamander, bruine kikker*, gewone pad*, kleine watersalamander*, meerkikker*, middelste groene kikker*, vinpootsalamander, vuursalamander
Reptielen
adder, hazelworm*, levendbarende hagedis*, ringslang
Vissen
beekdonderpad, beekprik, elrits, gestippelde alver, grote modderkruiper, kwabaal
vlinders
aardbeivlinder, bosparelmoervlinder, bruin dikkopje, bruine eikenpage, donker pimpernelblauwtje, duinparelmoervlinder, gentiaanblauwtje, grote parelmoervlinder, grote vos, grote vuurvlinder, grote weerschijnvlinder, iepenpage, kleine heivlinder, kleine ijsvogelvlinder, kommavlinder, pimpernelblauwtje, sleedoornpage, spiegeldikkopje, veenbesblauwtje, veenbesparelmoervlinder, veenhooibeestje, veldparelmoervlinder, zilveren maan
Libellen
beekrombout, bosbeekjuffer, donkere waterjuffer, gevlekte glanslibel, gewone bronlibel, hoogveenglanslibel, Kempense heidelibel, speerwaterjuffer
Overige soorten
Europese rivierkreeft, vliegend hert
akkerboterbloem, akkerdoornzaad, akkerogentroost, beklierde ogentroost, berggamander, bergnachtorchis, blaasvaren, blauw guichelheil, bokkenorchis, bosboterbloem, bosdravik, brave hendrik, brede wolfsmelk, breed wollegras, bruinrode wespenorchis, dennenorchis, dreps, echte gamander, franjegentiaan, geelgroene wespenorchis, geplooide vrouwenmantel, getande veldsla, gevlekt zonneroosje, glad biggenkruid, gladde zegge, groene nachtorchis, groensteel, groot spiegelklokje, grote bosaardbei, grote leeuwenklauw, honingorchis, kalkboterbloem, kalketrip, karthuizeranjer, karwijselie, kleine ereprijs, kleine schorseneer, stijve wolfsmelk, kleine wolfsmelk, kluwenklokje, knollathyrus, knolspirea, korensla, kranskarwij, kruiptijm, lange zonnedauw, liggende ereprijs, moerasgamander, muurbloem, naakte lathyrus, naaldenkervel, pijlscheefkalk, roggelelie, rood peperboompje, rozenkransje, ruw parelzaad, scherpkruid, schubvaren, schubzegge, smalle raai, spits havikskruid, steenbraam
Rapport 18349.001 versie D1
Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Houtopstanden De bescherming van houtopstanden onder conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. Binnen de Wet natuurbescherming zijn op houtopstanden de artikelen van toepassing die zijn opgenomen in tabel VI. Tabel VI. Bescherming houtopstanden in de Wet natuurbescherming Artikel 4.1
De artikelen uitgezonderd artikel 4.6 zijn niet van toepassing op: a) Houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) Houtopstanden op erven of in tuinen; c) Fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) Naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) Kweekgoed; f) Wegbeplantingen, beplantingen langs waterwagen en eenrijige beplantingen langs landbouwgronden bestaande uit wilgen en populieren; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: 1. ten minste eens per tien jaar worden geoogst; 2. bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en 3. zijn aangelegd na 1 januari 2013.
Artikel 4.2
1. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaande melding daarvan bij gedeputeerde staten. 3. Gedeputeerde staten kunnen het vellen van houtopstanden telkens voor ten hoogste vijf jaar verbieden ter bescherming van bijzondere natuur- of landschapswaarden.
Artikel 4.3 lid 1 en 2
Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, of anderszins teniet is gegaan, draagt de rechthebbende zorg voor het op bosbouwkundig verantwoorde wijze herbeplanten van dezelfde grond binnen drie jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand. De rechthebbende vervangt binnen drie jaar na de herbeplanting, bedoeld in het eerste lid, herbeplanting die niet is aangeslagen.
Artikel 4.4 lid 1
De artikelen 4.2, eerste en derde lid, en 4.3, eerste en tweede lid, zijn niet van toepassing op: het vellen van houtopstanden en herbeplanten op een wijze die is beschreven in en aantoonbaar wordt gerealiseerd overeenkomstig een door Onze Minister goedgekeurde gedragscode. het vellen van houtopstanden ter uitvoering van een instandhoudingsmaatregel of een passende maatregel in het kader van natuurontwikkeling en -beheer
Artikel 4.5
Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van artikel 4.3, eerste en tweede lid, ten behoeve van herbeplanting op andere grond, indien de herbeplanting voldoet aan bij provinciale verordening gestelde regels.
Rapport 18349.001 versie D1
Bijlage 2
Verklarende woordenlijst
Activiteitenplan Een activiteitenplan dient als begeleidend document voor een ontheffingsaanvraag. In het activiteitenplan zijn maatregelen verwoord waarmee de functionaliteit van een rust- of voortplantingsplaats van een beschermde soort behouden blijft en schade aan individuen wordt voorkomen. Broedseizoen Voor het broedseizoen staat in de wet geen vaste periode. De looptijd verschilt per soort en varieert per jaar. Veel vogelsoorten broeden ongeveer tussen 15 maart en 15 augustus. Expert Judgement Inschatting van een deskundige op grond van zijn kennis en ervaring. Externe werking Niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied/NNN hebben invloed op de staat van instandhouding van het gebied, ook activiteiten buiten het gebied kunnen de natuurwaarden in een gebied beïnvloeden. Dit wordt "externe werking" genoemd. Er bestaat geen ruimtelijke grens voor externe werking: bepalend zijn de effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de soorten en habitattypen in het Natura 2000-gebied/NNN, ongeacht de afstand tot het beschermde gebied. Foerageerhabitat Het gebied waarbinnen een soort voedsel zoekt. Foerageren Zoeken en vinden van voedsel door dieren (jachtgebied). Functioneel leefgebied Hiermee wordt het gebied dat is benodigd om de functionaliteit van een voortplantingsplaats of van een vaste- rust of voortplantingsplaats te behouden.
Een nestlocatie of voortplantingsplaats kan bijvoorbeeld alleen succesvol functioneren, wanneer er voldoende habitat (schuilgelegenheid, voedsel etc.) van voldoende kwaliteit aanwezig is om te kunnen paren, eieren te leggen en jongen groot te brengen. Gunstige staat van instandhouding Er is sprake van een gunstige staat van instandhouding van een soort of habitattype als de omstandigheden waarin de soort of het habitattype voorkomt perspectief bieden op een duurzaam voortbestaan van die soort of dat habitattype. Habitat Omvat de plaatsen waar een bepaald organisme voorkomt doordat de abiotische en biotische factoren (niet levende en levende natuur) van die plaatsen voldoen aan de eisen en toleranties die het organisme stelt om te kunnen overleven, groeien en zich voortplanten. Kraamverblijfplaats Voortplantingsplaats van vleermuizen. Het gaat hierbij vaak om de vrouwelijke exemplaren van een kolonie (ook wel kraamgroep genoemd) die gezamenlijk hun jongen grootbrengen. De aantallen vleermuizen in een kraamgroep kan oplopen tot meerdere honderden exemplaren. Landhabitat Amfibieën zijn voor de voortplanting afhankelijk van water. Buiten de voortplantingsperiode maakt de soortgroep gebruik van landhabitat als onderdeel van het leefgebied.
Landhabitat voor amfibieën omvat onder andere structuurrijke of opgaande vegetatie zoals (loof)bos, houtwallen, struikgewas, heide, ruigtekruiden, vegetaties en moeras. Landschappelijk inpassingsplan Het inpassen van ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied middels een ontwerp van de groenvoorziening, dat voldoet aan het beleid ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit. Hierdoor wordt zorg gedragen dat een ruimtelijke ontwikkeling past in het landschap. Mitigerende maatregelen Maatregelen die negatieve effecten bij een ingreep voorkomen of reduceren. Omgevingscheck Een omgevingscheck wordt uitgevoerd bij verlies van leefgebied van een jaarrond beschermde functie van een soort die door een ingreep (tijdelijk) verloren gaat. De omgeving van de ingreep wordt door een ter zake deskundige beoordeeld op aanwezigheid van voldoende alternatief leefgebied en/of potentiële verblijfplaatsen.
Rapport 18349.001 versie D1
Ontheffing De Wet natuurbescherming is bedoeld om planten- en diersoorten die vrij in het wild leven te beschermen. Om deze kwetsbare soorten te beschermen bevat de Wet natuurbescherming een aantal verbodsbepalingen. Onder bepaalde voorwaarden mogen de activiteiten wel doorgaan, daarvoor kan een ontheffing benodigd zijn. Een ontheffing is een besluit waarbij in een individueel concreet geval een uitzondering op een wettelijk verbod wordt gemaakt. Paarverblijfplaats Dit is een verblijfplaats die hoofdzakelijk in het najaar (september/oktober) door vleermuizen worden gebruikt om te paren. Eén mannetje kan een dergelijke verblijfplaats met meerdere vrouwtjes delen. In de omgeving van de paarverblijfplaats wordt veelal door het territoriale mannetje middels baltsvluchten getracht vrouwtjes aan te lokken. Populatie Een biologische populatie is een groep individuen van dezelfde soort die zich onderling voortplant en als zodanig geïsoleerd is van andere zulke groepen. Rode Lijst Rode Lijsten laten zien welke soorten zijn verdwenen en welke soorten in een gebied sterk zijn achteruitgegaan of zeldzaam zijn. Er bestaan verschillende Rode Lijsten. Voor vogels, voor zoogdieren, planten, paddenstoelen, insecten en voor allerlei andere soortgroepen. Rode Lijsten hebben geen officiële juridische status.
Plaatsing op de lijst maakt een dier dus nog geen 'beschermde diersoort' in de zin van de Wet natuurbescherming. De Rode Lijsten hebben in de praktijk wel een belangrijke signaleringfunctie. Door de Rode Lijst te raadplegen, kunnen alle instellingen die met natuurbehoud te maken hebben rekening houden met bedreigde soorten. Significant negatief effect Een effect is in het kader van de Wet natuurbescherming significant als de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000gebied dreigen te worden aangetast. Het begrip 'significant' staat centraal in de toepassing van het beschermingsregime voor Natura 2000-gebieden bij zowel vaststelling van beheerplannen als de vergunningverlening. Het bepaalt of een uitvoerige toetsing, een zogenaamde passende beoordeling, moet worden uitgevoerd. Indien als gevolg van een ingreep de toekomstige oppervlakte habitat of leefgebied, aantal van een soort of kwaliteit van een habitat lager zal worden dan zoals bedoeld in de instandhoudingsdoelstelling, dan kan sprake zijn van significante gevolgen. Voor het goede begrip, de soorten hoeven er niet te zitten, het gebied moet geschikt zijn voor de soorten. Voortplantingsplaats of rustplaats Een plek binnen het leefgebied van een soort die essentieel is voor de levenscyclus van een individu. De Wet natuurbescherming omschrijft niet exact wat een vaste rust- of voortplantingsplaats is.
Dit is soortafhankelijk. Vliegroute Een vaste route die door vleermuizen wordt gebruikt tussen de verblijfplaatsen naar foerageergebieden. Winterverblijfplaats Verblijfplaats die gebruikt wordt om de periode van winterrust te overbruggen. Voor vleermuizen zijn dit vorstvrije, maar koele en vochtige plekken. Er kans sprake zijn van massaverblijfplaatsen, verblijfplaatsen van kleine groepen of één of enkele individuen. Zomerverblijfplaats Buiten de kraamperiode worden deze door groepjes vrouwtjes en jongen gebruikt, in de kraamperiode door individuele mannetjes.
Rapport 18349.001 versie D1
Bijlage 1:
Stikstofberekening
Bijlage 2:
Quickscan flora en fauna
Bijlage 3: Archeologisch advies Bijlage 4:
Parkeeronderzoek
Bijlage 5:
Akoestisch onderzoek geluid door activiteiten
Bijlage 6:
Verkennend bodemonderzoek
Bijlage 7:
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai
Bijlage 8:
Bezonningsstudie
Bijlage 9:
Verslag omgevingsdialoog
Bijlage 10:
Nota Zienswijzen
Archeologisch advies nr. Datum Plangebied Intern nummer gemeente Op verzoek van Betreft Huidig gebruik Geplande bodemingreep Omvang plangebied Initiatiefnemer Samenvatting intern advies Mijke Peeters (Archeoloog / beleidsadviseur erfgoed)
MP22a41 8-6-2022 Oss, Looveltlaan 25 , gemeente Oss Archeologische toets intern gemeentelijk project Wijkcentrum en verpleeghuis Sloop wijkcentrum en verpleeghuis en nieuwbouw MFA 3059 m² Gemeente Oss Archeologisch onderzoek is niet nodig. Er geldt wel een meldingsplicht (zie uitgebreid advies achterin dit document).
Inleiding/Project Een initiatiefnemer heeft het voornemen om een wijkcentrum en verpleeghuis te slopen en een multifunctionele accommodatie (MFA) te bouwen op de locatie Looveltlaan 25 te Oss. De ingrepen die hiermee gepaard gaan, betreft: - Sloop van de bestaande bebouwing en weghalen bestaande bestrating en inrichting met opp. van circa 3059 m² (bron: gemeten op ontwerptekening) en diepte onbekend (vermoedelijk dieper dan 30 cm-mv). - Bouw van de MFA met zorgwoningen en woongroepen, aanleg nieuwe parkeerplaatsen en inrichting op hetzelfde oppervlak en diepte onbekend (vermoedelijk dieper dan 30 cm-mv). De bodemingrepen gaan dermate diep, dat eventueel aanwezige archeologische resten worden bedreigd. Vandaar dat de gemeente de afweging maakt of archeologisch onderzoek al dan niet aan de orde is. Vraagstelling: Worden er mogelijk aanwezige archeologische resten bedreigd door de plannen, en zo ja; hoe dient daar mee omgegaan te worden?
Figuur 1. Ligging plangebied met links de huidige situatie en rechts de beoogde situatie.
Archeologische/ landschappelijke gegevens plangebied Beleidskaart: hoge verwachtingswaarde, bebouwing Oss en al gedeeltelijk onderzocht voor de wijk Ussen (zie volgende paragraaf). Bestemmingsplan Noord-West-Oss - 2013: Er is voor het plangebied geen dubbelbestemming Waarde – Archeologie opgenomen in het bestemmingsplan. AMK-terrein: Het plangebied ligt niet binnen een AMK terrein of direct aangrenzend. Vondstlocaties: In het plangebied zelf of binnen 100 meter zijn geen aanvullende vondstlocaties in Archis bekend. Historisch kaartmateriaal: volgens het Bonneblad was het plangebied rond 1900 in gebruik als: akkerland Bodem en landschap: hoge bruine enkeerdgrond (bEZ21) vermoedelijk gevormd op een terrasvlakte (M42yoV) op basis van omgeving geomorfologie kaart. Archeologische resten worden dus op enige diepte beneden maaiveld (minimaal 50 cm –Mv) verwacht. Verstoringen: In het gebied zijn de volgende verstoringen bekend: Tussen 1986 en 1988 is de wijk ontwikkeld en vanaf 1988 is het wijkcentrum te zien op de kaart. In 1993 zijn wat kleine veranderingen aan het wijkcentrum te zien en staat het verpleeghuis en zorgwoningen er. In 2018 is nog een verbouwing te zien aan de oost kant van het verpleeghuis. Verontreinigingen/explosieven: Voor dit plangebied zijn nog geen bodemonderzoeken of andere milieukundige gegevens bekend.
Het plangebied is volledig onverdacht van ontplofbare oorlogsresten uit WOII. Reeds uitgevoerd onderzoek (zie: “Van kennis naar beleid’, Jansen en Laan, 2022) De ontwikkeling van een woonwijk rond het voormalige gehucht Ussen vormde in de jaren ’70 van de vorige eeuw een unieke gelegenheid om op grote schaal een laat-prehistorisch landschap door middel van archeologisch onderzoek in kaart te brengen (Van der Sanden 1987). Uiteindelijk is van het totale plangebied van circa 200 ha ruim 30 hectare opgegraven. Daarbij werden de locaties van opgravingen grotendeels bepaald op basis van de aan-of afwezigheid van archeologische indicatoren (sporen) in de wegcunetten. Bij de verschillende opgravingen zijn sporen uit de perioden brons- en ijzertijd, Romeinse tijd en volle/late middeleeuwen aan het licht gekomen. De brons- en ijzertijd worden gekenmerkt door ruim verspreide bewonings- en begravingssporen; in feite is er voor deze perioden – met name de ijzertijd - sprake van één vindplaats bestaande uit een uitgestrekt bewoond en gebruikt ijzertijdlandschap. In de loop van de ijzertijd zien we dat de bewoning zich meer gaat concentreren. Een ontwikkeling die samengaat met de inrichting van het landschap rondom nederzettingen en grafvelden door middel van greppelsystemen.
Voor de resultaten wordt verwezen naar Van der Sanden en Van den Broeke 1987; Schinkel 1998, Wesselingh 2000, Fokkens e.a. 2019 en Jansen 2021. In de publicatie ‘Van kennis naar beleid’ zijn alle gegevens van de opgravingen in Ussen op een rijtje gezet, en is een advies voor de toekomst geformuleerd. Het advies voor het huidige plangebied luidt als volgt (zie figuur 2): - Algemeen: De bebouwde delen, wegen etc. kunnen worden vrijgegeven (zie topografische ondergrond). - Opgegraven en/of archeologisch verkende gebieden kunnen worden vrijgegeven (donkerblauw). - In het resterende deel van het plangebied (lichtgroen) is archeologisch onderzoek mogelijk aan de orde, maar alleen indien het een grootschaligere ontwikkeling betreft die de ondergrens van 1000 m2 overschrijdt. Bij overschrijding van deze ondergrens is een maatwerkadvies door de gemeentelijk archeoloog gewenst. Deze zal op basis van de locatie, de archeologische resultaten in de directe omgeving en de verwachte mate van verstoring bekijken of er sprake kan zijn van voldoende kennismeerwaarde en of een onderzoek (opgraving, eventueel voorafgegaan door een proefsleuvenonderzoek) noodzakelijk wordt geacht.
Figuur 2. Uitsnede kaartlaag ‘Van kennis naar beleid’. Het huidige plangebied is rood omlijnd. Conclusies en advies De nieuwe bebouwing komt nagenoeg op dezelfde locatie als de voormalige bebouwing. Dit gebied is niet onderzoeksplichtig, aangezien de voormalige bebouwingscontouren zijn vrijgegeven (zie ‘Van kennis naar beleid’). De werkzaamheden buiten de bebouwingscontouren zijn beperkt, en blijven (nagenoeg) binnen de 1000 m2 verstoring (herinrichting terrein, aanleg verhardingen). Aanvullend archeologisch onderzoek wordt dan ook niet nodig geacht. Meldingsplicht Er geldt ten alle tijden een meldingsplicht. Hiertoe zullen de volgende teksten worden opgenomen in de omgevingsvergunning: 1. De start van de graafwerkzaamheden dient twee weken voor de werkstart aan de gemeentelijk archeoloog te worden gemeld per email @oss.nl) 2. De mogelijkheid dat er in het plangebied archeologische vondsten worden gedaan, wordt – gezien de hoge archeologische verwachting – niet uitgesloten. Wij wijzen u nadrukkelijk op uw wettelijke verplichting (Erfgoedwet; paragraaf 5.4) om archeologische vondsten te melden. Bij het doen van vondsten waarvan u vermoedt dat het om archeologische vondsten of sporen gaat ben u verplicht deze onmiddellijk te melden bij de bevoegde instantie, in dit geval de gemeente.
U kunt uw vondsten melden bij de gemeentelijk archeoloog en aan de gemeentelijk projectleider of de gemeentelijk contactpersoon van uw project. Beiden zijn bereikbaar via het algemene nummer van de gemeente 14 0412.