CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage WSD 3 1-22-014 323-ProjectMER-2e-fase.PDF

Adviescommissie Ruimte 9 februari 2023, gemeente OssBij agendapunt: Ontwerpbestemmingsplan Meanderende Maas 202230.041 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

NAP+5,9 m

3.4.6

Lelyzone en meander De Waarden

De Waarden heeft de volgende primaire doelen (zie onderstaande afbeelding): − bijdragen aan waterveiligheid via rivierverruiming; − bijdragen aan KRW-doelen. De ruimtelijke inrichting van het gebied is weergegeven in de rechter onderstaande afbeelding. De volledige inrichtingskaart is opgenomen in bijlage V.

Afbeelding 3.57 Uitsnede plankaart (links) en Uitsnede inrichtingskaart (rechts)

De maatregelen voor dit deelgebied zijn weergegeven in de afbeelding op de volgende pagina’s.

71 | 264

Meanderende Maas | WSD.3.1/22-014.323 | Definitief | 1.0

Afbeelding 3.58 Situering maatregelen Meander De Waarden

PM14: overige maaiveldverlaging (aansluiting maaiveld Meander op dijk) PM12: Maaiveldverlaging tot 5,4 NAP en rietmoeras, in en rond de geulen O8: Faciliteren peilfluctuatie en erosiebeschermende maatregelen (kades en monding)

PM3: Bevaarbare aangetakte recreatiegeul met rivierhout en rietmoeras (KRW: 1,35 km)

PM4: Geïsoleerde geulen met rivierhout en rietmoeras (KRW: 1,1 km)

72 | 264

Meanderende Maas | WSD.3.1/22-014.323 | Definitief | 1.0

Afbeelding 3.59 Situering maatregelen Lelyzone De Waarden

PM5: 1,1 km geïsoleerde KRW-geulen met rivierhout en erosiebescherming

PM13: Maaiveldverlaging tot NAP +5,4m

De rivierverruimingsmaatregelen voor dit deelgebied zijn toegelicht in tabel 7.

Tabel 3.6 Rivierverruimingsmaatregelen De Waarden id.

maatregel

uitvoering

PM3

Geïsoleerde geulen

−

opmerkingen

De historische contour van de meanderboog wordt hersteld

Plaatsen van

(PM3 en PM4 eveneens

middels open water (recreatiegeul) en rietmoeras. De recre-

waarschuwingsborde

KRW-maatregelen) -

atiegeul is een aangetakte KRW geul met lengte van 1,35

n bij monding en

(Terugbrengen van

km;

verbodsborden met

De recreatiegeul krijgt een breedte van circa 50-70m. Cen-

verboden voor

oorspronkelijke

−

traal heeft de geul een diepe zone van circa 20m breed met

boogmeander, door

een maximale waterdiepte van 1,5m (NAP +3,4m). Dit ver-

middel van

flauwt tot een ondiepe zone van circa 20m breed (NAP

aaneenschakeling

+3,4m tot +4,9m). De recreatiegeul is eenzijdig aangetakt

rietmoeras, nieuwe

op de Maas ter hoogte van rkm 192.35. De monding van de

geïsoleerde geulen en

geul wordt zo recht mogelijk aangelegd, confom de histori-

één nieuwe aan de

sche loop richting het noorden. De oever bij de monding

Maas aangetakte geul (recreatief bevaarbaar) (Meander)

krijgt een talud van 1:3 met steenbestorting; −

In de recreatiegeul worden vier clusters (5-tal per cluster) van rivierhout aangebracht. Eén direct benedenstrooms van de brug. Het rivierhout wordt verankerd aan de bodem.

waterscooters en snelle motorboten en beperkte doorvaarthoogte bij de autobrug. Voor het rivierhout kunnen de te verwijderen bomen (essen) langs de Maasakkerstraat (DU) worden gebruikt (O1).

73 | 264

Meanderende Maas | WSD.3.1/22-014.323 | Definitief | 1.0

PM4

Rondom de bevaarbare recreatiegeul liggen drie geïsoleerde

Oevers zijn flauw

KRW geulen met een gezamenlijke lengte van 1,1km. Het open

vormgegeven, zodat

water van deze geulen heeft een breedte van circa 30m, en de

afwisseling in

maximale waterdiepte bij stuwpeil is 1,75m (refugia). De bodem

waterdiepte ontstaat.

van de geulen bestaat voornamelijk uit zand. In de geïsoleerde geulen ontstaat rietmoeras (delen >NAP+4.5m – 5,0 m) en open water (delen <NAP+4,5 m). PM5

Geïsoleerde geulen

−

Uitgraven van twee smalle geïsoleerde KRW-geulen, met

1,1km (Lelyzone)

een totale lengte van 1,1km. De geulen hebben een breedte

(eveneens KRW-

van circa 50 tot 75m en de diepste delen liggen op NAP

maatregel)

+3,0m (met een waterdiepte van circa 2m). De bodem van de geulen bestaat voornamelijk uit zand; −

De geulen zijn voorzien van flauwe natuurvriendelijke oevers, met vanaf de waterlijn een 5m brede zone voor eventuele ontwikkeling van oeverruigte (beheerruimte);

−

De afstand tussen oever en zomerbed van de Maas bedraagt ten minste 50m. Alleen ter hoogte van de instroomdrempels is een afstand van 28m aangehouden. Op het horizontale deel van de drempel tussen het zomerbed en de geulen (NAP +5,4m) en op het aansluitende talud met een niveau boven NAP +5,0m bestaat de grasbekleding uit een leeflaag en een onderlaag van klei (categorie 2) met een dikte van 0,8m. Het aansluitende onderwatertalud aan de achterzijde van de drempel tot een niveau van NAP +4,5m bestaat uit een erosiebestendige kleibekleding (categorie 2) met een laagdikte van 0,5m met oevervegetatie.

PM12

−

Maaiveldverlaging

Verlagen van het maaiveld aan weerszijden van de recreatiegeul binnen de breedte van de historische loop van de Maas

(eveneens KRW-

tot NAP +5,4m;

maatregel) (Meander) −

Er ontstaat een groot aaneengesloten rietmoeras van circa 12ha aan weerszijden langs de gehele lengte van de recreatiegeul. De drie geïsoleerde KRW-geulen liggen binnen dit rietmoeras (PM4).

PM13

−

Maaiveldverlaging

Het verlagen van het gehele maaiveld in de Lelyzone tot NAP +5,4m (rondom de geulen). Het maaiveld beneden-

(Lelyzone)

strooms van de geulen wordt verlaagd tot NAP +5,2m, zodat de geulen via benedenstroomse zijde vollopen bij hoogwater; −

Het afgegraven maaiveld rondom de geulen blijft met een hoogte van NAP+5,4 voornamelijk een kleiige ondergrond. Vanwege erosiebestendigheid van het maaiveld wordt het maaiveld na verlaging ingezaaid met een B5 grasmengsel.

PM14

Maaiveldverlaging -

Voor de verbinding tussen het maaiveld van de Meander en het

tussen dijk en meander

maaiveld van de dijk wordt de nutriëntrijke toplaag verwijderd

(Meander)

(30-50cm). Deze maaiveldverlaging levert een (kleine) bijdrage aan de rivierverruiming.

Maatregelen PM3, PM4, PM5 en PM12 betreffen eveneens een KRW-maatregelen. Overige (ondersteunende) maatregelen voor dit deelgebied staan in tabel 3.7.

Tabel 3.7 Overige (ondersteunende) maatregelen De Waarden id.

maatregel

uitvoering

Opmerkingen

O7

greppels

In de tijdelijke situatie blijven de greppels langs de Tienmorgenstraat

Na oplevering van het Werk

afwatering -

en Hoogduinsestraat behouden. In de zone tussen de

moet er voor gezorgd worden

74 | 264

Meanderende Maas | WSD.3.1/22-014.323 | Definitief | 1.0

tijdelijke situatie

landbouwpercelen en het gerealiseerde rietmoeras wordt een

dat de landbouwpercelen op

(Meander)

(tijdelijke) greppel (zaksloot) gegraven van waaruit de oost- en

Eiland De Waarden

zuidzijde van de landbouwpercelen kunnen afwateren.

(zelfrealisatie) niet uitwateren op het rietmoeras aan de westelijke zijde van de recreatiegeul.

O8

Eens per vijf jaar zal het waterpeil in de rietmoerassen in de zo-

Wanneer natuurlijke peilfluctu-

waterbeheer en

merperiode met circa 0,4 à 0,5m verlaagd moeten worden voor

atie onvoldoende blijkt kan als

afgeschermde

ontwikkeling rietmoeras. Hier worden geen permanente pomp-

alternatief een tijdelijke pomp-

ligging

systemen voor gerealiseerd.

voorziening gebruikt worden.

Aanleggen lage kades langs recreatiegeul (PM3) om periodieke

Er wordt een opstelplaats voor

peilfluctuatie van rietmoerassen mogelijk te maken en negatieve

een tijdelijke voorziening inge-

invloed van recreatievaart (toegankelijkheid en golfinloop) op

richt.

Peilfluctuatie,

−

−

rietmoeras (Meander)

rietmoerassen te voorkomen. In de kade komen 4 duikers met een klep om enig peilbeheer in rietmoerassen mogelijk te maken (water aflaten of inlaten indien nodig); −

De hoogteligging van de kade is circa NAP +5,5m. De breedte van de kade is 8m en de kade bestaat uit een grondlichaam met een deklaag van klei.

O9

O10

Ecologische

Aanbrengen van één cluster rivierhout (vijf bomen) per geul in

Voor het rivierhout kunnen de

maatregelen -

Lelyzone De Waarden. De clusters liggen aan de zuidelijke oever, zo

te verwijderen bomen (essen)

rivierhout

veel mogelijk in het stromingsluwere deel van de Lelyzones. Het

langs de Maasakkerstraat (DU)

(Lelyzone)

rivierhout wordt verankerd.

worden gebruikt (O1).

Haventoegang

Haventoegang Oss betreft de ingreep bij de monding van het

Oss (Lelyzone en

Burgemeester Delenkanaal langs de Maas bij rkm 193,2. De

Meander

uitstroomopening wordt gelijk gemaakt aan de kanaalbreedte. De bestorting ter plaatse van de bochten wordt weggehaald en opnieuw aangebracht na verwijdering van de landtong bovenstrooms en de uitstulping benedenstrooms. De taluds krijgen een helling van 1:3 met de kruinhoogte op NAP +5,4m. De nieuwe oevers van de monding worden beschermd met steenbestorting.

O11

Dempen

De watergang aan de oostzijde van de Waarden langs het dijklichaam

watergang De

wordt gedempt t.b.v. de dijkversterking. Daarmee kan ook het deel

Waarden

van de watergang door de Lelyzone worden gedempt. De watergang

(Lelyzone en

heeft geen functie meer te vervullen.

Meander) O12

HWVP en terpen

−

Realiseren HWVP langs de bandijk ten zuiden van de dijkopgang van de Maasbommelse veerweg. De hoogte van de HWVP is

(Lelyzone en

NAP +9,0m met een oppervlak van 0,65ha;

Meander) −

In De Waarden komt een bever- en dassenterp. De terp krijgt een oppervlak van 20 bij 30m (bovenzijde) op dijkhoogte en zijn vormgegeven met steile taluds (helling 1:3). In De Waarden ligt de terp in het te ontwikkelen bosperceel ten zuiden van de te herstellen watergang naar de oude haven Megen.

O13

Aanbrengen van een struweelhaag aan uiteinde recreatiegeul

Takkenrillen dienen in periode

maatregelen

t.b.v. voorkomen nadelige effecten foerageergebied aanwezige

na aanleg als schuilplaats voor

(Meander)

dassen

marterachtigen. Na verloop

Realiseren van 6 takkenrillen voor marterachtigen. De takkenril-

van tijd kunnen deze

len hebben een omvang van 10 bij 2 meter (1 meter hoog) of

takkenrillen worden verwijderd

−

Ecologische

−

bestaan uit takkenhopen van minimaal 20 m2.

als er voldoende natuurlijke begroeiing in gebied aanwezig is.

75 | 264

Meanderende Maas | WSD.3.1/22-014.323 | Definitief | 1.0

3.4.7

Lelyzone Maasbommel Oost

De Lelyzone Maasbommel Oost heeft als primair doel (zie onderstaande afbeelding): − bijdragen aan waterveiligheid via rivierverruiming. De ruimtelijke inrichting van het gebied is weergegeven in de rechter onderstaande afbeelding. De volledige inrichtingskaart is opgenomen in bijlage V.

Afbeelding 3.60 Uitsnede plankaart (links) en Uitsnede inrichtingskaart (rechts)

De rivierverruimingsmaatregel voor dit deelgebied is toegelicht in tabel 3.8.

Tabel 3.8 Rivierverruimingsmaatregelen Maasbommel Oost id.

maatregel

uitvoering

PM15

Maaiveldverlaging

−

(zie figuur 17)

Rondom de huidige geïsoleerde KRW-geul in Maasbommel

De maaiveldverlaging rond

Oost wordt het maaiveld ontgraven tot 0,5m boven stuwpeil

de veerweg zorgt ervoor dat

(NAP +5,4m). De geul zelf blijft ongeroerd. Het maaiveld tussen

een aantal bestaande

de noordoever van de te behouden geul Maasbommel Oost en

functies opnieuw ruimtelijk

de bebouwing (en tuinen) langs de dijk blijft vanwege de stro-

ingepast is. Het betreft het

mingsluwe ligging ongeroerd; −

Het terrein rondom de Maasbommelse veerweg, in de oosthoek van het deelgebied wordt eveneens verlaagd. Aan de westzijde van de veerweg wordt maaiveld verlaagd naar NAP +5,4m, aan de oostzijde (het bestaande camperterrein) wordt verlaagd tot NAP+5,7 m. De veerweg (deel buiten bebouwde kom) wordt verlaagd naar NAP+ 6,0 m.

76 | 264

opmerkingen

Meanderende Maas | WSD.3.1/22-014.323 | Definitief | 1.0

camperterrein met voorzieningen, de aanleglocatie cruiseschip en de parkeerplaats van het restaurant.

Afbeelding 3.61 Hoogtekaart Maasbommel Oost

Er zijn geen overige (ondersteunende) maatregelen voor dit deelgebied.

3.4.8

Lelyzone Ossekamp

Lelyzone Ossekamp heeft de volgende primaire doelen (zie onderstaande afbeelding): − bijdragen aan waterveiligheid via rivierverruiming; − bijdragen aan KRW-doelen. De ruimtelijke inrichting van het gebied is weergegeven in de rechter onderstaande afbeelding. De volledige inrichtingskaart is opgenomen in bijlage V.

Afbeelding 3.62 Uitsnede plankaart (links) en Uitsnede inrichtingskaart (rechts)

77 | 264

Meanderende Maas | WSD.3.1/22-014.323 | Definitief | 1.0

Afbeelding 3.63 Situering maatregelen Lelyzone Ossekamp op hoogtekaart

PM6 + O13: Activeren bestaande aangetakte geul, met oeverbescherming en compensatie NVO

PM7: geïsoleerde geulen met rivierhout en rietmoeras (KRW: 1,2 km)

Monding burgemeester Delenkanaal (zie O10)

De rivierverruimingsmaatregelen voor dit gebied zijn toegelicht in tabel 3.9.

Tabel 3.9 Rivierverruimingsmaatregelen Lelyzone Ossekamp id.

maatregel

uitvoering

PM6

aangetakte geul

−

−

opmerkingen

In de Lelyzone Ossekamp liggen reeds twee aangetakte KRW-geulen.

De beide bestaande

De bestaande westelijke geul (0,4km) wordt geheractiveerd als KRW-

geulen worden niet

geul. De andere huidige eenzijdig aangetakte geul blijft ongeroerd.

meegerekend voor de

Bij de uitstroomopening van de aangetakte KRW geul aan de west-

KRW-doelstellingen van

zijde van Ossekamp wordt een oeverbescherming aangebracht in de

dit gebied.

vorm van steenbestorting. PM7

Er worden twee nieuwe geïsoleerde geulen gerealiseerd, met een

Vanwege

geïsoleerde

breedte van circa 50 tot 75m op de waterlijn (NAP +4,9m). De diepste

erosiebestendigheid van

geulen 1,2km

delen van deze geulen liggen op NAP +3,0m (refugia), daarmee is de

het maaiveld dient het

(eveneens KRW-

waterdiepte circa 2m. De oevers zijn flauw vormgegeven, zodat varia-

maaiveld na verlaging te

maatregel)

tie in waterdiepte ontstaat. De geulen zijn voorzien van een flauwe

worden ingezaaid met

−

Twee

natuurvriendelijke oever met rond de waterlijn een 5m brede zone met ruimte voor ontwikkeling van oeverruigte (beheerruimte); −

een B5 grasmengsel.

Er wordt één cluster (vijf bomen) rivierhout in de centrale KRW-geul aangebracht. Het rivierhout wordt verankerd;

−

De bodem van de geul zal grotendeels uit zand bestaan. De scheiding van zand en klei ligt rond NAP +3,5 tot +4,5m. Het afgegraven maaiveld rondom de geulen ligt op NAP +5,4m (tot NAP +5,2m aan benedenstroomse zijde van de geulen zodat geul via benedenstroomse zijde instroomt).

PM16

Maaiveld-

Ter hoogte van rkm 193-194,5 wordt het maaiveld ontgraven tot een

De oeverzone

verlaging

halve meter boven stuwpeil (NAP +5,4m) (tot NAP +5,2m aan

(schiereiland) langs de

benedenstroomse zijde van de geulen zodat geul via benedenstroomse

huidige geul (parallel

zijde instroomt).

naast het zomerbed) wordt niet verlaagd. Wel worden bakenbomen herplant.

78 | 264

Meanderende Maas | WSD.3.1/22-014.323 | Definitief | 1.0

Maatregel PM7 betreft eveneens een KRW-maatregel. Overige (ondersteunende) maatregelen voor dit deelgebied staan in tabel 3.10.

Tabel 3.10 Overige (ondersteunende) maatregelen Lelyzone Ossekamp id.

maatregel

uitvoering

O14

compensatie

Langs de drempel Appeltern ligt een NVO van circa 450m, aangelegd

Natuurvriendelijk

vanuit KRW-programma. Deze gaat door de aanbreng van

e Oever (NVO)

steenbestorting op de oever verloren en wordt gecompenseerd door

Opmerkingen

de heractivering van de geul beschreven onder PM6. O15

−

Ecologische maatregelen

−

Realiseren van 6 takkenrillen voor marterachtigen. De takkenril-

Takkenrillen dienen ter in

len hebben een omvang van 10 bij 2 meter (1 meter hoog) of

periode na aanleg als

bestaan uit takkenhopen van minimaal 20 m2.

schuilplaats voor

Het deel van de huidige watergang binnen de lelyzone wordt

marterachtigen. Na verloop

over lengte van circa 75 m verbreed met een poel met flauwe ta-

van tijd kunnen deze

luds. De poel geldt als compensatiemaatregel voor de grote modderkruiper.

takkenrillen worden verwijderd als er voldoende natuurlijke begroeiing in gebied aanwezig is.

3.4.9

Lelyzone Maasbommel West

Lelyzone Maasbommel West heeft de volgende primaire doelen (zie onderstaande afbeelding): − bijdragen aan waterveiligheid via rivierverruiming; − bijdragen aan KRW-doelen. De ruimtelijke inrichting van het gebied is weergegeven in de rechter onderstaande afbeelding. De volledige inrichtingskaart is opgenomen in bijlage V. Afbeelding 3.64 Uitsnede plankaart (links) en Uitsnede inrichtingskaart (rechts)

De rivierverruimingsmaatregel voor dit deelgebied is toegelicht in tabel 12.

79 | 264

Meanderende Maas | WSD.3.1/22-014.323 | Definitief | 1.0

Tabel 3.11 Rivierverruimingsmaatregelen Maasbommel West id.

maatregel

uitvoering van maatregel

PM8

nieuwe geul (1,5km)

−

In de Lelyzone wordt één geul ge-

Opmerking −

Om de oever tussen zomerbed en geul

(eveneens KRW-

graven met een lengte van 1,5km. De

te beschermen worden erosiebescher-

maatregel)

as van de geul bovenstrooms heeft

mende maatregelen getroffen middels

een bodemniveau van NAP +3,0m en benedenstrooms van NAP +2,8m.

aanbrengen van een kleilaag; −

in geulbodem middels een kleilaag van

gia met bodemniveau op NAP

minimaal 0,5 m dikte onder de geulbo-

+2,5m; −

−

Aanbrengen van kwel beperkende laag

Daartussen liggen drie diepere refu-

Langs de flauwe oevers van de geul

dem; −

In de geul ligt aan benedenstroomse

is ruimte voor de ontwikkeling van

zijde een drempel op NAP +5,1m welke

oeverruigte in een 5m brede strook

passeerbaar moet blijven. De drempel

(beheerruimte).

bestaat uit een taludbescherming met

In de geul worden 8 bomen als ri-

steenbestorting met colloïdaal beton op-

vierhout geplaatst met een onderlinge afstand van 100 à 150 m. Door

vulling; −

Aan het benedenstroomse einde van de

het rivierhout aan langere kettingen

geul ligt het fietspad direct langs de

te verankeren, blijft het rivierhout

geul. Een steenbestorting langs dit deel

drijven en heeft het minder opstu-

van de geul moet schade door erosie

wing tot gevolg.

voorkomen. −

Het toepassen van rivierhout aan langere kettingen is voor zover bekend niet eerder toegepast. Het is daarom bestempeld als pilot om kennis op te doen over 1) de ecologische waarde van drijvend rivierhout en 2) van de duurzaamheid (levensduur) van drijvend rivierhout. De kettingen dienen dus ca 5 à 6m lang te zijn zodat de boom kan drijven, ook bij een hoogwater. Door de bomen 10 m uit de rechter oever te leggen, liggen de bomen voldoende ver uit de vaargeul (zomerbed) en voldoende ver van de oever, zodat scheepvaart en gebruikers van de uiterwaard er geen hinder van ondervinden.

PM17

Maaiveldverlaging

−

−

Het maaiveld wordt ontgraven tot

−

In de oever van de geul Maasbommel

een 0,5m boven stuwpeil (nieuwe

West is bij veldonderzoek een oud sluisje

maaiveld op NAP +5,40m);

gevonden. Dit sluisje dient ongeroerd te

In de eindafwerking van het maai-

blijven. Ter plaatse van het sluisje vindt

veld wordt invulling gegeven aan het gewenste ecotooptype

geen maaiveldverlaging plaats. −

In de geul is bij veldonderzoek een archeologische vindplaats (fortlocatie) aangetroffen midden in de geul. Het behouden / niet afgraven van deze fortlocatie geeft een forse reductie van de waterstandsverlaging van circa een halve centimeter en leidt tot verlies aan KRW lengte geul. Consequentie is dat de fortlocatie onder archeologische begeleiding afgegraven zal moeten worden.

80 | 264

Meanderende Maas | WSD.3.1/22-014.323 | Definitief | 1.0

Maatregel PM8 betreft eveneens een KRW-maatregel. Overige (ondersteunende) maatregelen voor dit deelgebied staan in tabel 3.12.

Tabel 3.12 Rivierverruimingsmaatregelen Maasbommel West id.

maatregel

uitvoering van maatregel

O14

Afwatering

Langs de geul Maasbommel liggen landbouwpercelen op

landbouw-percelen

hoger gelegen grond tussen fietspad en dijklichaam. Mogelijk

Opmerking

dat langs de rand van de landbouwpercelen nog een inpassing gezocht moet worden voor voorkomen van run-off vanuit deze percelen naar fietspad en geul. Hiervoor wordt ruimte gereserveerd voor een ondiepe greppel.

3.4.10 Haven Megen Het is de wens van de gemeente Oss om naast de huidige jachthaven Megen ruimte te creëren voor een passantenhaven. De opgave voor dit gebied is echter groter dan enkel de wens voor een passantenhaven. Door de stuurgroep is gevraagd om een integraal inrichtingsplan op te stellen voor dit gebied begrensd door Rulstraat, provinciale weg en de Vliet (waarbij de Vliet nog oostwaarts verlegd kan worden). Het integrale ontwerp geeft invulling aan de verschillende wensen voor dit deelgebied. Een deel van de inrichting gaat mee binnen de realisatie van het Werk en een deel wordt te zijner tijd binnen de zelfrealisatie gerealiseerd. Het deel van het Werk bevat het deel ten westen van watergang De Vliet en ten zuiden van de jachthaven; de realisatie van het fietspad en het parkeerterrein. De overige inrichting valt onder de zelfrealisatie. Voor de inrichting van dit gebied zijn de volgende eisen geformuleerd: − uitbreiding aantal ligplaatsen bij watersportvereniging De Vliet met 20 ligplaatsen; − realisatie van 5 passanten-aanlegplekken; − ontwerpen van de meanderopening met natuurvriendelijke oevers aan de oostzijde van de Vliet, tot maximaal 50 m uit de oever.

Dit deel vindt plaats binnen de zelfrealisatie en is afhankelijk van de beschikbaarheid van deze gronden; − ontwerpen van een strandje met een lengte van maximaal 100 m en een breedte van maximaal 30 m aan de westzijde van de Vliet. Het strandje dient op enige afstand van de ligplaatsen van de jachthaven te liggen, zodat zwemmers en recreatievaart van elkaar zijn gescheiden; − realiseren van 30 tot 50 parkeerplaatsen, eventueel te realiseren aan de westzijde van de Noord-Zuid; − ontwerpen van 5 camperplaatsen voor dagrecreatie, geen voorzieningen voor elektra/water; − herpositioneren fietspad en auto-ontsluiting Rulstraat, zodanig dat fietsers de provinciale weg op een meer veilige wijze kunnen oversteken op weg naar de veerweg; − bij de inrichting van de jachthaven dient rekening te zijn gehouden met bescherming tegen diefstal, ofwel het terrein dient ontoegankelijk te zijn voor derden; − een goede landschappelijke inpassing en samenhang; voorkomen dat parkeer- en camperplaats het beeld vanaf de dijk overheersen; − de inrichting mag geen negatieve effecten hebben op de dijk en maatgevende waterstanden;

Afbeelding 3.65 Schets Haven Megen

81 | 264

Meanderende Maas | WSD.3.1/22-014.323 | Definitief | 1.0

82 | 264

Meanderende Maas | WSD.3.1/22-014.323 | Definitief | 1.0

3.4.11 Recreatieve voorzieningen en routes De inrichting van de uiterwaarden dient een bijdragen te leveren aan recreatieve mogelijkheden en beleving van het gebied. In het Beeldkwaliteitsplan zijn diverse objecttypen benoemd welke invulling geven aan dit doel: − een fijnmazig routenetwerk van fietspaden, wandelpaden en struinroutes; − uitzichtspunt(en) en vogelkijkhut(ten); − extensieve waterrecreatie in Meander De Waarden; − gebiedsentrees (incl. parkeren); − kleinschalige, extensieve zonneweides en/of strandjes; − recreatieve voorzieningen zoals aanlegsteigers, zitbanken, routeaanduidingen, vislocatie. In het gebied worden diverse recreatieve voorzieningen en routenetwerken gerealiseerd: gebiedsentrees (hoofd- en nevenentrees), uitkijktoren en vogelkijkhutten, zandstrandjes, een afmeerplek voor boten, visstekken, struinpaden, wandelpaden, fietspaden en rolstoelpaden (zie grotere kaart bijlage IV).

Afbeelding 3.66 Kaart recreatieve voorzieningen en routestructuren (zie grotere kaart bijlage IV)

Gebiedsentrees Op en aan de dijk zijn zogenaamde gebiedsentrees gelokaliseerd. Dit zijn plekken waar je je auto of fiets achter kan laten om het gebied per voet te ontdekken. Er zijn twee soorten entrees: 7 hoofd- en 26 nevengebiedsentrees. Beide typen entrees zijn binnendijks gelegen tenzij dit niet anders kan (in 1 geval, namelijk bij haven Megen), hebben parkeerplaatsen, een groen, sober en terughoudend karakter en inheemse streekeigen beplanting, fietsenrek-/steun, informatievoorziening en een klaphek. Voor de parkeerplaatsen geldt dat de hoofdgebiedsentrees circa 10-15 parkeerplaatsen krijgen, behalve bij de Haven Megen betreft het bestaande parkeerplaatsen en de nevengebiedsentrees ongeveer 5 parkeerplaatsen. Er zijn ook nevengebiedsentrees zonder parkeerplaats. Deze bevatten alleen fietsensteunen, een sobere informatievoorziening en een klaphek. Uitkijktoren en vogelkijkhutten Er worden twee vogelkijkhutten (In Meander De Waarden, en aan de rand van de oeverzone Diedensche Uiterdijk) en één uitkijktoren gebouwd (in het hart van de Diedensche Uiterdijk, nabij de voormalige Maasakkerhoeve). Deze plekken zijn gekozen omdat hier wat te zien is en ze redelijk goed bereikbaar zijn. Dat laatste geldt zeker voor de uitkijktoren die in een knooppunt van routes is gelegen.

De eisen die aan deze bouwwerken worden gesteld zijn enigszins vergelijkbaar: − het zijn iconisch objecten, passend in de beeldtaal van MeMa; − materiaal is hout of (corten)staal, vandalisme-bestendig; − Ze zijn veilig gebruik en ook onderhoudsarm.

83 | 264

Meanderende Maas | WSD.3.1/22-014.323 | Definitief | 1.0

Zandstrandjes Op één plek is een zandstrandje voorzien, en dat is langs de nieuwe geul nabij de haven Megen. Er was in VO ook een zandstrandje langs Meander De Waarden opgenomen, maar de betrokkenen stakeholders konden geen geschikte plek vinden die zowel goed bereikbaar is, als ook goed onderhoudbaar en overzichtelijk (sociale veiligheid). Daarom is dit strandje vervallen. Ook was in VO een strandje opgenomen in de meander in de Diedensche Uiterdijk, dit is echter niet passend met de KRW en natuurdoelstelling van de meander. Afmeerplek boten Er wordt één grote geul gegraven die per boot toegankelijk is en dat is Meander De Waarden. Sloepen en kano’s mogen langs de geul aan de oever afmeren. Mogelijk worden er ook enkele grote palen in het water geslagen waar men aan kan afmeren zonder dat de boot verlaten kan worden. Er worden langs de geul geen aparte steigers gemaakt. Steigers worden exclusief aangelegd op bijzondere plekken. Dat zijn vooralsnog in de havenkom van het oude haventje van Megen aan de oostzijde van de Waarden en (afhankelijk van honoreringsbesluit klantwens) ook bij de oude havenkom in De Ossekamp bij kasteel Oijen. Deze locaties zijn met een kano bereikbaar. In De Waarden worden mogelijk enkele oude kribben van voor de Maaswerken blootgelegd. Mogelijk zijn deze plekken als afmeerlocatie van bootjes te gebruiken.

Visstekken In principe behouden de visverenigingen de visrechten aan de Maas en de looprechten naar de Maas. Deze plekken dienen (te voet) toegankelijk te blijven, al is het niet de bedoeling dat men met auto’s naar de Maas kan rijden. Voor toegankelijkheid kan het nodig zijn bredere klaphekken te plaatsen. Bezienswaardigheden Er zijn enkele plekken in het gebied benoemd als ‘bezienswaardigheid’. Zoals de locatie van de voormalig hoeve Maasakker, de Diedensche sluis en het monument van de slachtoffers van de blikseminslag. De plekken worden gekoesterd en in het ontwerp op een doeltreffende, sobere manier bereikbaar en herkenbaar gemaakt. Routestructuren Wandelpaden Vanuit de gebiedsentrees zal een fijnmazig netwerk van vooral wandelpaden worden aangelegd richting het nieuwe natuurlandschap. De wandelpaden zijn struinpaden of vrij toegankelijke beheerpaden en sluiten aan op het netwerk van bestaande routeknooppunten en lange afstandspaden. Om het avontuurlijke karakter te benadrukken hebben de paden in de uiterwaard geen bewegwijzering, tenzij ze deel uit maken van een langere bestaande route. De struinpaden zijn 2 m brede gemaaide grasbanen. Ook zijn er beheerpaden getraceerd. Het verschil tussen beiden zit in de breedte (een beheerpad is 4-5 m breed) en de maaifrequentie (een beheerpad wordt minstens 1x per jaar gemaaid).

In en over natte plekken ligt er in een struinroute een vlonderpad (composietrooster). Een beheerpad kruist met een betonnen brugdek een watergang. De beheerpaden komen 10-20 cm hoger te liggen (zandbed) dan het omringende maaiveld om iets meer drooglegging te hebben. Alle nieuwe paden zijn zoveel mogelijk getraceerd op de historische grenzen in het landschap. Vaak zijn dat steilranden. Op deze plekken is de diversiteit van het landschap goed te beleven en zijn er ook mooi doorzichten of vergezichten. Bijzondere en kwetsbare locaties met hoge natuurwaarden worden ontzien bij het traceren van de paden. Paden lopen niet te dicht langs plekken waar mensen wonen. In de buurt van woonkernen zijn ommetjes getraceerd. Fietspaden Het ontwerp voorziet in de realisatie van twee nieuwe fietspaden in het gebied. In de Diedensche Uiterdijk wordt de Rulstraat en een deel van de Maasakkerstraat als fietspad en voor gemotoriseerd bestemmingsverkeer bestemd. Het bestaande wegdek blijft gehandhaafd. Het fietspad dat bij het uiteinde van de Rulstraat bij Megen de provinciale weg kruist, krijgt een nieuwe oversteek aan de noordzijde van de Rulstraat. Dit om ruimte te maken voor de iets bredere dijk die op de huidige oversteek aangelegd wordt. Het fietspad wordt in asfalt uitgevoerd, gelijk aan het bestaande fietspad.

84 | 264

Meanderende Maas | WSD.3.1/22-014.323 | Definitief | 1.0

In Maasbommel West komt in de uiterwaard vanaf de veerstoep bij Alphen tot aan de westzijde van Maasbommel een nieuw fietspad (3,5 m breed, gietbeton) te liggen. Dit fietspad ligt tussen het dijklichaam en de geul Maasbommel West, grotendeels langs de perceelgrens van particuliere percelen. De noordelijke rand van fietspad ligt op ca 1,5 m uit de perceelgrens. Om aan het oostelijke uiteinde van het fietspad (de laatste 300 m tot de dijkopgang) voldoende afstand (50 m) tussen het fietspad en een aanwezige dassenburcht te houden, maakt het fietspad deze laatste 300 m een knik richting de dijk. Met de huidige ligging van fietspad blijft het fietspad buiten het verstoringsgebied van de das en buiten het profiel van vrije ruimte van het dijklichaam. Wel loopt het fietspad deze laatste 300m over een particulier perceel. Het fietspad gaat de dijk op ter plaatse van de huidige beheerweg t.p.v adres Berghuizen 3. Hier wordt de huidige onverharde beheerweg verhard aangelegd en verflauwd. Aan de westzijde van het tracé kruist het fietspad een watergang, hier dient een duiker te worden gerealiseerd. De watergang is geen leefgebied van de grote modderkruiper, er is dus geen compensatie opgave vanwege de duiker. Rolstoelpaden Bijzondere routes zijn de rolstoelroutes die op 3 plekken zijn opgenomen (Ossekamp, De Waarden en bij Dieden).

Het pad van deze route is gelijk aan die van voorgenoemde struinpaden en beheerpaden. Wat extra is dat er geen steile hellingen en drempels in het tracé zijn opgenomen. Verder zal er contact met horecagelegenheden worden opgenomen met als doel om in de nabijheid van de route comfort en geschikte rolstoelen (met brede banden en/of elektrisch) beschikbaar te hebben. Een en ander zal ook nog afgestemd worden met de belangenvereniging ‘Natuur zonder drempels’.

85 | 264

Meanderende Maas | WSD.3.1/22-014.323 | Definitief | 1.0

4 NADERE ONDERBOUWING VAN GEMAAKTE ONTWERPKEUZES 4.1

Inleiding

Bij het ontwerpen is gewerkt van grof naar fijn. In paragraaf 2.2 van de interprovinciale structuurvisie Meanderende Maas is omschreven hoe het voorkeursalternatief (VKA) tot stand is gekomen. In die fase zijn de milieueffecten van de alternatieven (Alternatief X en Z) en het VKA beschreven in het MER 1e fase. In de volgende alinea’s is beschreven hoe van het VKA is gekomen tot het definitieve ontwerp en hoe milieuoverwegingen daarbij zijn meegewogen. Bij de nadere uitwerking van het VKA tot het definitief ontwerp is in het bijzonder bekeken hoe het ontwerp beter kan: meer doelbereik, duurzamer, goedkoper en met minder hinder voor de omgeving. Daarnaast is ook gekeken naar de lokale inpassing van het ontwerp rekening houdend met de aandachtspunten die onder andere bewoners en bedrijven naar voren hebben gebracht. Maar denk ook aan het aanpassen van op-/afritten die moeten aansluiten op een hogere dijk. Tevens zijn tussentijds de effecten op doelbereik en milieu van het voorlopig ontwerp (VO) beoordeeld (zie Bijlage XIV).

4.2

Totstandkoming van het dijkontwerp

In paragraaf 3.2 en 3.3 zijn de doelen van Meanderende Maas en de versterkingsopgave van de dijk beschreven. Er zijn verschillende mogelijke redenen waarom een dijk versterkt moet worden (faalmechanismen): − hoogte: bij hoogwater kan er water over de dijk slaan; − stabiliteit binnenwaarts: bij hoogwater kan de dijk afschuiven of in elkaar zakken aan landzijde; − stabiliteit buitenwaarts: bij hoogwater kan de dijk afschuiven of in elkaar zakken aan rivierzijde; − piping: als gevolg van de hoge waterdruk kunnen zandlagen onder de dijk uitspoelen en zo de fundering van de dijk aantasten. Hieronder wordt eerst uitgelegd wat de redeneerlijn is geweest bij de keuze voor dijkversterkingsoplossingen. Daarna gaan de subparagrafen in op enkele oplossingen en locaties waarvoor tussen VKA en het voorliggend ontwerp andere keuzes zijn gemaakt en welke milieueffecten daarbij een rol hebben gespeeld. Voor meer verduidelijking en nadere uitleg over het dijkontwerp van Meanderende Maas en de totstandkoming ervan zie: https://www.meanderendemaas.nl/dijk/. Redeneerlijn en onderbouwing versterkingsopgaven De combinatie van faalmechanismen en de beoogde levensduur van 50 jaar bepalen samen de versterkingsopgave en mogelijke oplossingen om de dijk te versterken.

Denk hierbij bijvoorbeeld aan het verhogen van de dijk met grond (bij faalmechanisme hoogte), het aanleggen van een grondberm aan de binnenzijde van de dijk (bij faalmechanisme stabiliteit binnenwaarts) en het aanleggen van een stabiliteitsconstructie aan de buitenzijde van de dijk (bij faalmechanisme buitenwaarts). De versterkingsopgave is daarom per dijkvak verschillend: soms zijn meerdere faalmechanismen van toepassing. Dan is er bijvoorbeeld een hoogte tekort en is er een risico op het afschuiven van de dijk aan de rivierzijde (stabiliteit buitenwaarts). Ook zijn er voor elk faalmechanisme verschillende mogelijke oplossingen, maar met verschillende effecten op de omgeving. Om te voorkomen dat de dijk aan de landzijde afschuift of in elkaar

86 | 264

Meanderende Maas | WSD.3.1/22-014.323 | Definitief | 1.0

zakt is het bijvoorbeeld mogelijk om een grondberm aan de binnenzijde van de dijk aan te leggen, een buitendijkse herprofilering te realiseren óf om een stabiliteitsconstructie in de kruin of binnenzijde van de dijk aan te brengen. Bij de stappen in de planvorming is daarom een redeneerlijn aangehouden die voor de dijk uitgaat van een voorkeur voor grondoplossingen boven constructies en een voorkeur voor het aanbrengen van grond aan de landzijde van de dijk (binnenwaarts) boven het aanbrengen van grond aan de rivierzijde van de dijk (buitenwaarts). Als onderdeel van de redeneerlijn is ook expliciet gekeken naar belangrijke waarden, die zo min mogelijk aantast mogen worden (denk aan bebouwing, natuurwaarden, cultuurhistorische en landschappelijke waarden, gebruiksfuncties zoals campings, ruimtelijke kwaliteit en het waterbergend vermogen van de rivier). Op deze wijze is het milieubelang ook betrokken bij het maken van goede afwegingen over de wijze om de dijk te versterken. Ter onderbouwing van de redeneerlijn zijn er daarnaast voor diverse dijkvakken Trade-Off-Matrices opgesteld gedurende het optimaliseren van het ontwerp richting een definitief ontwerp. In de matrices werden effecten van optimalisaties op de milieuthema’s landschap en cultuurhistorie, archeologie, woon- en leefmilieu in de aanlegfase, ruimtegebruik en duurzaamheid, alsmede doelbereik in beeld gebracht.

Zie Bijlage VI Trade-Off-Matrices. Ook zijn specialisten op het gebied van bijvoorbeeld ecologie en archeologie continue betrokken geweest bij het verder optimaliseren van het ontwerp. Aan de hand van de redeneerlijn is per dijkvak tot de best passende oplossing voor de dijkversterking gekomen, zie het stroomschema in onderstaande afbeelding.

Afbeelding 4.1 Stroomschema Redeneerlijn oplossingsrichtingen

4.2.2

Versterkingshiërarchie

Elke versterkingsoplossing betreft een wijziging van de kering met mogelijke gevolgen voor de fysieke leefomgeving: - impact op maatschappelijke waarden (waardevolle bomen, bebouwing, en andere); - impact op het waterbergend en afvoerend vermogen van rivier/uiterwaard. Daarom is onderstaande voorkeursvolgorde van oplossingsrichtingen als redeneerlijn bij het dijkontwerp gehanteerd: - binnenwaarts in grond waar ruimte is;

87 | 264

Meanderende Maas | WSD.3.1/22-014.323 | Definitief | 1.0

- buitenwaarts in grond bij belemmeringen aan de binnenzijde, zoals bebouwing of andere maatschappelijke waarden*, beperkte invloed op rivier/uiterwaard** of de mogelijkheid tot een kleiinkassing***; - constructies of innovaties bij belemmeringen aan de buitenzijde, zoals bebouwing of (grote) invloed op rivier/uiterwaard**. Na onderstaande duiding wordt de voorkeursvolgorde van versterkingsoplossingen verder toegelicht. * Onder maatschappelijke waarden vallen: bebouwing, karakteristieke bomenrijen (essentiële waarde voor de ruimtelijke kwaliteit van dijktrajecten binnen Meanderende Maas), cultuurhistorische of beeldbepalende elementen (zoals een waterpartij, kloostermuur), bijzondere natuurwaarden (zoals rabatten), gebruiksfuncties die wezenlijk worden aangetast (zoals ruimtebeslag bij een camping) of ruimtelijke kwaliteit zoals een eenduidig dijkprofiel (geen plotselinge uitstulpingen in het dijktraject). Hieronder valt niet: ruimtebeslag op voortuinen bij woningen, of op agrarische gronden (omdat de functies wonen/agrarisch kunnen blijven bestaan).

** Invloed op rivier/uiterwaard: op sommige plekken is de invloed van een dijkverbreding buitenwaarts groter dan op andere plekken; dit heeft onder ander te maken met de afstand van de dijk ten opzichte van het zomerbed van de Maas (hoe dichter de dijk bij de rivier, des te groter de invloed), de ruimte van de rivier tussen de dijken aan weerszijden (als die ruimte smaller is, is de invloed groter) en de lokale stroomsnelheid (welke hoger ligt bijv. op plekken waar de rivier van breed naar smal gaat; een ‘flessenhals’ of bijvoorbeeld ter hoogte van een scherpe bocht). Dite effecten zijn in het Projectplan Rivier onderbouwd. *** een klei-inkassing is een mogelijke maatregel tegen piping en betreft het aanbrengen van klei onder het maaiveld om zo te zorgen voor een ondoorlatende laag. Klei-inkassingen zijn in technisch opzicht niet overal mogelijk. Klei-inkassingen worden binnen het project Meanderende Maas toegepast als ‘dijkzate verlengende maatregel’. Dit betekent dat ze voorkomen dat een pipe onder de dijk doorgroeit naar het voorland om zo kortsluiting te maken. Klei-inkassingen kunnen op deze manier voor de dijk worden ontworpen. Voorwaarde is wel dat er in de rest van het voorland voldoende weerstand aanwezig is om het verhang over de dijk te beperken. Deze weerstand wordt onder andere bepaald door de aanwezigheid van klei en of veen en de afstand tot de rivier.

De klei-inkassingen zijn niet ontworpen als weerstandsverhogende maatregel omdat dit een zeer forse ingreep zou kunnen betekenen. (A) Binnenwaarts in grond Een maatregel in grond heeft de voorkeur: - omdat dit het meest duurzaam en het minst kostbaar is; grond die vrijkomt als gevolg van de rivierverruiming kan lokaal worden hergebruikt in de dijk; en - omdat een dijklichaam opgebouwd uit grond eenvoudiger uitbreidbaar en beheerbaar is (in vergelijking met een constructieve oplossing). In beginsel heeft een maatregel in grond aan de binnenzijde van de dijk voorkeur, op die manier is er geen invloed op het waterbergend vermogen van de uiterwaarden. Een dergelijke maatregel is mogelijk als er geen bebouwing of andere relevante maatschappelijke waarden aan de binnenzijde worden geraakt. (B) Buitenwaarts in grond of klei-inkassingen Als er aan de binnenzijde van de dijk geen/onvoldoende ruimte is, is gekeken naar een maatregel in grond aan de buitenzijde van de dijk. Een dergelijke maatregel is alleen te overwegen als de invloed op de rivier en het waterbergend vermogen van de uiterwaard beperkt is. Daarnaast is gekeken of een klei-inkassing (grondverbetering aan de buitenzijde van de dijk) vanuit technisch opzicht een mogelijke maatregel is voor piping.

Omdat een klei-inkassing onder het maaiveld wordt aangebracht heeft deze geen invloed op het waterbergend vermogen van de rivier/uiterwaard. (C) Constructieve oplossingen, innovaties Als er - naast de binnenzijde - ook aan de buitenzijde van de dijk belemmeringen zijn (invloed op de rivier en/of er bebouwing of andere maatschappelijke waarden geraakt worden), is een maatregel met een

88 | 264

Meanderende Maas | WSD.3.1/22-014.323 | Definitief | 1.0

constructie voorgesteld. Een constructie is een maatregel voor dijkvakken met een opgave voor stabiliteit (stabiliteitsscherm) en/of piping (heavescherm).

4.2.3

Klei-inkassingen in plaats van pipingbermen

Het onder de dijk doorstromen van water, het zogenaamde piping, is een belangrijk veiligheidsrisico voor bijna de gehele dijk van Ravenstein tot de sluis bij Lith. In het VKA waren hiervoor constructies in de grond opgenomen en lange pipingbermen aan de bewoonde zijde van de dijk. Uit onderzoek blijkt dat er over een lengte van 9,5 km verspreid over vier dijktrajecten een betere oplossing is om het probleem van piping tegen te gaan, namelijk door aan de rivierzijde van de dijk, onder de bovenste bodemlaag, een circa 1,5 tot 2 m dikke kleilaag aan te brengen. Dit heet een ‘klei-inkassing’. De breedte van de klei-inkassing is op de onderstaande figuur globaal aangegeven. De dikke kleilaag voorkomt het doorsijpelen van water onder de dijk. Hiermee zijn voor deze dijktrajecten de lange pipingbermen en/of constructies aan de bewoonde zijde van de dijk uit het ontwerp gehaald. Deze optimalisatie heeft vooral positieve effecten op het doelbereik en op de milieuthema’s Landschap en Cultuurhistorie, Woon- en leefmilieu in de aanlegfase, Ruimtegebruik en Duurzaamheid. Op één locatie (dijksectie 5) ligt er niet-toepasbare (verontreinigde) grond ter plaatse van de klei-inkassing. Deze zal eerst afgegraven dienen te worden. Op de andere thema’s, zoals Rivier en Scheepvaart, heeft de optimalisatie geen effect.

Voor de milieuafweging van deze optimalisatie zie verder Bijlage VI Trade-Off-Matrices.

Afbeelding 4.2 Visualisatie klei-inkassing

4.2.4

Buitenwaartse herprofilering

In het voorkeursalternatief werd voorgesteld het probleem van stabiliteit binnendijks op te lossen met steunbermen en stabiliteitsschermen. Nadeel is dat deze bermen veelal in de tuinen liggen en daarmee zorgen voor hinder tijdens de uitvoering en een groot effect hebben op eigendommen. Om de hoeveelheid steunbermen en constructies in de dijk terug te dringen is in de planuitwerking voor een aantal dijkvakken een buitenwaartse herprofilering onderzocht. Van belang is daarbij dat deze locaties op stromingsluwe plekken liggen, waardoor het effect op de waterstand minimaal is. Hier is samen met Rijkswaterstaat als beheerder van de rivier nader naar gekeken. Op meerdere locaties is het mogelijk gebleken de constructie te vervangen door een geringe buitenwaartse versterking. Voor alle locaties geldt dat de verschuiving buitenwaarts varieert tussen de 5 m en 10 m. Dit heeft geen gevolgen voor het halen van de doelstelling van de waterstandsdaling. Er is sprake van een reductie van de toe te passen constructies en hiervoor benodigd staal. Dit reduceert de CO2 belasting van het project. Op de stroomluwe delen waar buitenwaartse versterking via herprofilering mogelijk is, vervallen dus de stabiliteitsschermen en -bermen. Dit is gunstig voor de duurzaamheid en kosten.

Ook biedt dit kansen voor een betere ruimtelijke inpassing op locaties en wordt minder hinder verwacht tijdens de realisatiefase (grond aanbrengen grotendeels buitenwaarts geeft minder hinder dan het inbrengen van damwanden). In dijksectie 2 Demen-Dieden is de buitenwaartse herprofilering ingezet om zo de waardevolle

89 | 264

Meanderende Maas | WSD.3.1/22-014.323 | Definitief | 1.0

bomen op de dijk te kunnen behouden. In een aantal gevallen blijft aan de binnenzijde nog een stabiliteitsberm aan de orde, maar verschuift deze mee naar buiten. Op deze locaties is zodoende minder of zelfs geen grondverwerving aan de orde; de noodzaak van particulier ruimtegebruik is beperkt dan wel voorkomen. De locaties waar buitenwaartse versterking met herprofilering aan de orde is, zijn weergegeven in afbeelding 4.3. Afbeelding 4.3 Locaties (boven, rode lijn) en visualisatie buitenwaartse herprofilering

Deze optimalisatie heeft vooral positieve effecten op het doelbereik en op de milieuthema’s Landschap en Cultuurhistorie, Archeologie, Woon- en leefmilieu in de aanlegfase, Ruimtegebruik en Duurzaamheid. Zie Bijlage VI Trade-Off-Matrices. Op één locatie (dijksectie 10) is ter plaatse van de buitendijkse versterking sprake van een afname van de huidige gebruiksfunctie (landbouwkundig gebruik). Ter hoogte van 10_3 kruisen een middenspanningskabel van Enexis en een afvalwaterpersleiding van het waterschap de dijk. Er is in de huidige situatie reeds een vervangende waterkering aanwezig in relatie tot de persleiding. In het ontwerp zijn aanpassingen opgenomen om de functionaliteit van de vervangende waterkering te garanderen (gerelateerd aan een calamiteit met de kruisende persleiding). Op de andere thema’s, zoals Rivier en Scheepvaart, heeft de optimalisatie geen effect.

4.2.5

Kade Ravenstein

De kade bij Ravenstein is onderdeel van het waterfront van het historische stadje. In het voorkeursalternatief was de kademuur opgenomen op een hoogte van NAP+ 12.5 meter. Een deel van de bewoners van Ravenstein hebben bezwaar gemaakt tegen de hoogte van de kademuur. De zorg zat in verlies van uitzicht doordat de muur hoger wordt dan de omringende dijk: 12.5 + NAP ten opzichte van 11,9 + NAP. Er is een studie uitgevoerd naar de het verlies van uitzicht en de extra kosten van een latere versterking. Daarnaast is diverse keren overleg geweest met betrokkenen. Op basis van gesprekken met belanghebbenden,

90 | 264

Meanderende Maas | WSD.3.1/22-014.323 | Definitief | 1.0

feitenanalyse en afstemming met projectpartners is tegemoetgekomen komen aan het verzoek voor een lagere kademuur. De kademuur krijgt nu de hoogte van 11,9 + NAP, die gelijk is de aansluitende gronddijken. Daarmee voldoet de kademuur aan de wettelijke veiligheidseisen en is bezwaar van de bewoners weggenomen. Enkele bewoners hebben aangegeven dat zij een andere hoofdoplossing wilden, een groen dijk in plaats van een kademuur. Hun argumenten waren dat er vanuit de historie op deze exacte plek geen kademuur heeft gestaan. De keuze voor een kademuur is door verschillende facetten ingegeven. Ten eerste is er de lange termijn visie om vanuit Ravenstein om de oude strang ooit weer te herstellen. Vanuit die filosofie is een kade muur noodzakelijk omdat een groene dijk een veel breder ruimtebeslag heeft en de strang nooit meer hersteld zou kunnen worden. Ten tweede heeft dat grotere ruimtebeslag ook gevolgen voor het winterbed van de rivier, op een van de smalste stukken in het gebied. Dit is strijdig met het principe uit de Beleidslijn Grote Rivieren. Ten derde kent Ravenstein heel verschillende ontwikkelingsfases als vestingstad. Hierbij is er ruimte om vanuit verschillende periodes te denken. Om dat te staven, is ook een vergelijking uitgevoerd met Grave. Hier is ook sprake van een kademuur, waar zelfs een poort in zat voor de goederen vanuit de Maas naar de stad.

Hier kan een parallel getrokken worden met de voormalige strang van Ravenstein. Vanuit bovenstaande argumenten, die ook gedeeld is met en onderschreven door bewoners en historische verenigingen, is besloten de kademuur als hoofdkeuze te handhaven. Ten slotte is bewust gekozen om met de waterveiligheidsopgave een hedendaagse interpretatie van de vesting te maken en geen historische reconstructie. Daarbij spelen de twee 16e-eeuwse rondelen (ronde verdedigingswerken op de hoeken van de vesting) aan de rivierzijde van de vesting een hoofdrol, omdat die karakteristiek zijn voor het zogenoemde Italiaanse vestingstelsel, een korte fase binnen de Nederlandse vestingbouw. Dergelijke rondelen zijn zeldzaam in Nederland.

Afbeelding 4.4 Profiel van kade Ravenstein met locatie en hoogte van de constructie (links) met legenda (rechts)

Op 21 oktober heeft het Dagelijks Bestuur van het waterschap Aa en Maas ingestemd met het aangepaste voorstel voor de hoogte 11,9 + NAP. van de kademuur. Op 17 december heeft het Algemeen Bestuur hiermee ingestemd. Vanwege de bebouwing achter de huidige dijk en de smalle uiterwaarden is er in het definitief ontwerp gekozen om de hoogte-, stabiliteits- en pipingopgave op te lossen met een constructie met aan bovenzijde een muur, en een kademuur passend bij het historisch karakter van Ravenstein. De muur ligt op een hoogte van NAP + 11.9 meter met een kleine hoogtemarge voor de inpassing in de openbare ruimte. Hierdoor sluit de hoogte van de kademuur aan bij de hoogte van de omliggende tuimeldijken. Er is bewust gekozen om met de waterveiligheidsopgave een hedendaagse interpretatie van de vesting te maken en geen historische reconstructie.

4.2.6

Hoogteopgave Fietspad Lithoijen

In het voorkeursalternatief was opgenomen dat de hoogteopgave nabij Lithoijen buiten de scope lag en in de toekomst bij de reconstructie van de provinciale weg N625 zou worden opgepakt. In oktober 2021 heeft de gemeenteraad van Oss unaniem een motie aangenomen waarin ze verzoeken om te onderzoeken of de

91 | 264

Meanderende Maas | WSD.3.1/22-014.323 | Definitief | 1.0

situatie langs de Provinciale weg voor fietsers/wandelaars verbeterd kan worden. Na overleg met diverse stakeholders is afgesproken dat een fietspad alsnog in het dijkversterkingsproject wordt ingepast over het deel dat samenvalt met de primaire kering. De oplossing is uitgewerkt in overleg met waterschap Aa en Maas, gemeente Oss, provincie Noord-Brabant en HWBP. In het definitief ontwerp is dus de kans om bij Lithoijen een ontbrekende schakel in het fietsnetwerk te verbeteren opgepakt, samen met het oplossen van een deel van de opgaven voor de dijk. Deze optimalisatie bevindt zich ter hoogte van betonfabriek Bouwoort aan de provinciale weg. Ten behoeve van het fietsverkeer wordt aan de oostelijke zijde van de provinciale weg 200 meter fietspad aangelegd. Aan de noordkant sluit dit pad aan op het beheerpad langs het stuwcomplex van de Máximasluizen. Het opgehoogde pad biedt daarmee een oplossing voor de hoogteopgave voor de dijk. Het ontwerp voor de oversteekplaats in combinatie met de bushaltes en de aanwezige vegetatie zal in een latere fase verder worden uitgewerkt.

4.2.7

Wandelpad Dijk Macharen-Oijen

De bewoners ervaren het verdwijnen van het wandelpad door aanpassing aan de dijk op dit dijkvak, zoals in het voorkeursalternatief voorgesteld, als een verslechtering van de huidige situatie. Het voorgestelde dijktype in het VKA (een moderne gronddijk) is niet gewijzigd omdat een moderne gronddijk vanuit ruimtelijke kwaliteit, techniek en kosten hier de beste oplossing is. Er ligt in de huidige situatie een wandelpad op de tuimeldijk. Om dit wandelpad te behouden, zijn twee varianten uitgewerkt, onderzocht en beoordeeld: − In variant 1 blijft het wandelpad op de kruin behouden, waardoor het wandelpad met uitzicht vanaf de dijk in stand blijft. − In variant 2 komt het wandelpad op de steunberm buitendijks te liggen, waardoor een vrijliggend wandelpad ontstaat, met uitzicht over de uiterwaard. Mede vanuit milieu-omgevingsoptiek is gekozen voor variant 2 omdat deze niet tot extra ruimtebeslag binnendijks leidt, een meer verkeersveilige situatie oplevert en het ontwerp aansluit bij elders toegepaste moderne gronddijken (eenheid). Een wandelpad op de buitendijkse berm van de dijk is opgenomen in het ontwerp. Het behouden van de lichte bocht in de weg beperkt de snelheid van auto’s.

Afbeelding 4.5 Visualisatie van variant 1 (boven) en variant 2 (onder)

92 | 264

Meanderende Maas | WSD.3.1/22-014.323 | Definitief | 1.0

4.3

Totstandkoming rivierontwerp

4.3.1

Oppervlakte ooibos

In het voorkeursalternatief was er in de stroomluwe delen van de Diedensche Uiterdijk en De Waarden dicht bij de dijk ruimte voor bomen en struikgewas in mengklasse 70/30. Dit bestaat uit een mozaïek van grasland, riet, ruigte en struweel en ook ooibos. Dichterbij de Maas liggen meer bloemrijke graslanden. In totaal werd in het voorkeursalternatief 60 hectare ooibos voorgesteld in de uiterwaarden. Een optimalisatie vanuit duurzaamheid en biodiversiteit is het realiseren van extra hardhoutooibos ten opzichte van de hectares in het voorkeursalternatief. De grootste kans hiervoor ligt in de stroomluwe delen en in het bijzonder in de Diedensche Uiterdijk. Door de situering in de stromingsluwe plekken wordt opstuwing voorkomen en blijft de gewenste waterstandsdaling behouden. Door de mengklasse 70/30 uit het voorkeursalternatief te vervangen door de exacte contouren van de vegetatie is de benodigde rivierkundige ruimte gecreëerd. Dit is afgestemd met betrokken beheerders als Rijkswaterstaat en Natuurmonumenten. In het definitief ontwerp is dit areaal ooibos in totaal 90 hectare. Er is bewust gekozen voor grote aaneengesloten eenheden ooibos. Onderzoek toont aan dat een groot bos beter voor de biodiversiteit is dan een versnipperd bos van gelijke omvang.

Versnippering verkleint de omvang van leefgebieden en maakt populaties kwetsbaarder voor externe invloeden en beperkte genetische variatie. De essentiële zichtlijnen zoals voorzien in het voorkeursalternatief blijven wel behouden.

4.3.2

Robuust oppervlak rietmoeras

In het voorkeursalternatief was het totale areaal rietmoeras 32 hectare. Naast ooibos is extra rietmoeras een andere optimalisatie vanuit duurzaamheid en biodiversiteit. In voormalige riviergeulen zijn in het ontwerp aanvullende plasdraszones met rietmoeras opgenomen. Deze zones versterken de historische geomorfologische patronen. In het definitief ontwerp is het areaal rietmoeras toegenomen tot een totaal van 47 hectare. Een goede ontwikkeling van rietmoeras gaat het beste vanuit bestaande rietplanten, daarom zullen er 10 meter brede stroken rietplanten worden aangeplant langs de oevers van de rietmoerassen. Verder is peilfluctuatie cruciaal voor ontwikkeling van een robuust areaal rietmoeras. Daarom is voor het definitief ontwerp een strategie ontwikkeld om dit te faciliteren. Eens per vijf jaar wordt het waterpeil in de niet-aangetakte geulen daarom verlaagd om het rietmoeras te behouden en goed te laten ontwikkelen. Peilfluctuatie vindt plaats door het in de zomer natuurlijk laten verdampen, aflaten of wegpompen van het wateroverschot, bijvoorbeeld met kleine windwatermolentjes of elektrische pompen in de rietlanden naar elders. Dit is afgestemd met betrokken beheerders als Rijkswaterstaat en Natuurmonumenten.

93 | 264

Meanderende Maas | WSD.3.1/22-014.323 | Definitief | 1.0

4.3.3

Hoogwatervluchtplaatsen en terpen

In het definitief ontwerp zijn in totaal vier hoogwatervluchtplaatsen ogenomen voor vee of grote grazers, aanliggend aan de dijk het gebied opgenomen. Bij incidenteel hoogwater is er het gevaar dat de in het gebied aanwezige bevers of dassen in de dijk gaan graven. Daarom zijn er vijf terpen ontworpen in het hele gebied die dienen als specifieke vluchtplek tijdens hoogwater. Deze terpen liggen op rustige, afgelegen locaties in het bos, nabij locaties waar de bever zijn voorkeur voor een permanente beverburcht zal hebben. Er is rekening gehouden in de hoogte en afwerking met de voorkeuren van bevers en dassen voor een schuilplek bij hoog water. Op de terp worden stekelig struweel en een permanent raster aangebracht. Dit voorkomt verstoring en het struweel is daarnaast een aanvullende voedselvoorziening.

4.3.4

Geul Maasbommel Oost en West

De geul bij Maasbommel bestaat uit twee delen, die gezamenlijk een belangrijke bijdrage leveren aan de totale waterstandsdaling, de doelen voor KRW en de recreatieve beleving van het gebied. Het voorkeursalternatief omvat een nieuwe geul van Maasbommel naar de Oijensche Middenwaard van ongeveer 1.500 meter lang en 50 meter breed. In het definitief ontwerp voor Geul Maasbommel West is het profiel van de geul geoptimaliseerd voor waterstandsdaling en de doelen voor KRW. De 1,5 km lange geul heeft een aaneengesloten dieper deel met flauw oplopende oevers. Hierdoor ontstaat zoveel mogelijk variatie in dieptes, waarmee de doelen van de KRW worden behaald. Tevens wordt het gebied uitgebreid met maaiveldverlaging benedenstrooms over een lengte van ongeveer 500 meter. Hier en rondom de geul wordt het maaiveld verlaagd tot een hoogte van NAP+ 5,4 m. Hierdoor draagt deze geul optimaal bij aan waterstandsverlaging. De oever van de geul wordt verstevigd met erosiebestendige bekledingen, wat het daarnaast ook mogelijk maakt om aan de noordzijde het fietspad dicht langs de geul te leggen en om de zuidelijke oever bereikbaar te maken voor beheerders en struinende wandelaars.

4.3.5

Ossekamp en De Waarden

In het voorkeursalternatief bevonden zich in de Ossekamp en de Waarden langs de meander kleine delen ooibos. Verder was het landschap opener met bloemrijke graslanden. Het definitief ontwerp voor De Waarden leidt tot een groot aaneengesloten moeras- en rivierlandschap. De Ossekamp is een meer open rivierenlandschap bestaande uit vochtig-, kruiden- en faunarijk en droog grasland met daarbinnen ruimte voor afwisseling met plukken struweel en ruigte. De voormalige meander in De Waarden is over een lengte van ruim 1,5 km hersteld en vanaf de Maas in te varen door kano’s en kleine sloepjes. In het definitieve ontwerp is de meander vanwege onder andere scheepvaartveiligheid in tegenstelling tot het VKA niet aangesloten op het Burgemeester Delenkanaal. Op die locatie is daarmee ook de benodigde brug komen te vervallen en vervangen door een vaste dam. Het strandje aan de recreatiegeul is verplaatst naar het haventje van Megen, zodat het beter beheerbaar is. De toegang tot de meander is voor het definitief ontwerp verder uitgewerkt in een programma van eisen voor de brug. Zo is er gekeken naar hoe de (water)verkeersveiligheid op en onder de brug en in de aansluiting op de Maas zelf kan worden geoptimaliseerd. Voor flora en fauna moet het ook mogelijk zijn de brug te passeren, dus is er aansluiting gezocht op de natuurlijke oevers van de meander.

Rondom de eenzijdig aangetakte meander liggen geïsoleerde geulen met rietmoeras (12 ha). De aangetakte geul in de Waarden is 1,5 m diep en 18 m breed. De autobrug zorgt voor een geringe doorvaarhoogte van 1,75 m en doorvaarbreedte van 5 m. Daarmee is de geul enkel toegankelijk voor kleine bootjes, te weten sloepjes, kano’s en subs. Gebruikers worden gewaarschuwd middels bebording voor ondieptes en het aanhouden van lage vaarsnelheden. Het eiland tussen de Maas, het kanaal en de meander bestaat uit een gevarieerde rivier- en moeraslandschap; een kern hardhoutooibos (14 ha), een deel droog grasland op de hogere rug en een deel met vochtig grasland en plukken ruigte en struweel. Het areaal ooibos is het definitief ontwerp uitgebreid tot 20 hectare op de hoge delen van de Waarden.

94 | 264

Meanderende Maas | WSD.3.1/22-014.323 | Definitief | 1.0

In de stromingsluwe delen van de Ossekamp ligt ongeveer 2 hectare ooibos. In de Lelyzones van De Ossekamp en De Waarden liggen vijf geïsoleerde geulen die bijdragen aan de gewenste waterstandsdoelstelling. Samen met de meander dragen deze twee geulen daarnaast bij aan de KRWdoelstellingen. Bij kasteel Oijen in de Ossekamp wordt een deel van de oude haven hersteld als versterking van de beleving van de cultuurhistorie, en voor het borgen van reeds aanwezige natuurwaarden. De voor rolstoelers toegankelijke vogelkijkhut en paden zijn in het definitief ontwerp verplaatst van de Ossekamp naar de Waarden. Vanwege de ruigere vegetatie en het open landschap is de verwachting dat deze plek geschikter is voor het spotten van vogels dan de Lelyzone van de Ossekamp. Bovendien kan de hut op deze locatie direct mee gerealiseerd tijdens de werkzaamheden voor het dijkversterkingsproject Meanderende Maas, in plaats van op een later moment binnen een zelfrealisatieproject.

4.3.6

Diedensche Uiterdijk

Zoals in paragraaf 4.3.1 en 4.3.2 beschreven, is de oppervlakte ooibos en rietmoeras in het definitief ontwerp groter dan in het voorkeursalternatief. Dit is zorgvuldig afgestemd met de rivierverruimende maatregelen, zodat de ruwere vegetatie zich in stroomluwe zone bevindt en niet bijdraagt aan opstuwing bij hoogwater. Daarnaast zijn, naar aanleiding van aanvullend aardkundig en archeologische onderzoek (RAAP, 2022, zie Bijlage X), de historische kronkelwaarden en geulen in de Diedensche Uiterdijk beter zichtbaar geworden in het ontwerp. Het bijzondere patroon van oude kronkelwaardgeulen en oude oeverwallen in de ondergrond van het centrale deel tussen de meander, worden zichtbaar gemaakt door subtiele verschillen in het maaiveld van de bovengrond en daarmee in het vegetatiebeeld (open vochtig tot droger grasland en gesloten bos). In de oksel van de Rulstraat en Maasakkerstraat en in het gebied rond de Lelyzone is beter in zicht gebracht welke archeologische waarden er aanwezig zijn en is het maaiveldontwerp aangepast om deze niet te verstoren. In de optimalisatie van het ooibos, het rietmoeras en de overige vegetatie is rekening gehouden met de belangrijke zichten op onder andere de bakenbomen en het dorp Megen. De meeste bomen langs de Maasakkerstraat kunnen blijven staan doordat het maaiveld hier niet verder vergraven wordt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=ced0dad2-d28b-4cb4-a2d9-b53287a6bbd0