Bijlage WSD 1 6-22-014 322-Projectplan-Waterwet-Rivier-Meanderende-Maas.PDF
Tekst van het document
Met waterveiligheid bedoelen we de veiligheidsomstandigheden waarop de dijk bestand moet zijn: de hoogwatersituatie op de Maas die Waterstand Bij Norm wordt genoemd. Daarom is besloten dat na aanleg van de geul bij Maasbommel een extra kleilaag wordt aangebracht die 30 tot 50 dagen weerstand levert. Dat is voldoende om de negatieve effecten van de geul bij Maasbommel op de waterveiligheid te voorkomen. Uit dezelfde analyse bleek het effect van de geplande geul bij Maasbommel op het regionale watersysteem zeer klein is. Rondom de diepere geulstructuren die niet zijn afgedicht met een kleilaag neemt de freatische grondwaterdynamiek af waardoor de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand afneemt en de Gemiddeld Laagste Grondwaterstand toeneemt. De afname van de grondwaterdynamiek wordt veroorzaakt door de afname in deklaagweerstand, waardoor de freatische grondwaterstand hier meer het oppervlaktewaterpeil zal volgen. In het buitendijkse gedeelte van het plangebied is sprake van lokale verschillen in de grondwaterstand tussen de 5 en 30 centimeter en welke over het algemeen een verlaging van de grondwaterstand betreffen.
Pagina 32 van 86
Op grond van monitoringsplan worden effecten gemonitord en, indien nodig, bijgestuurd met maatregelen.
Datum 14 oktober 2022
Conclusie Op de schaal van het projectgebied kan de volgende conclusie getrokken worden: Op basis van de effectberekeningen blijkt dat het effect van de rivierverruimende maatregelen in het binnendijkse gebied nul is. De veranderingen van de gemiddeld hoogste en laagste grondwaterstanden en van de kwel en wegzijging beperken zich tot het voorland, op plaatsen waar diepere geulstructuren worden aangebracht. Het gaat daarbij om enkele buitendijks gelegen gebiedjes met beperkte effecten (ordegrootte 5-30 cm) op de grondwaterstand. Doordat de grondwatereffecten zo klein zijn, worden geen effecten op de buiten- en binnendijkse functies verwacht. 2.1.3.
Rivierkunde
De aanleg van nevengeulen en uiterwaardverlaging in de uiterwaarden is beoordeeld aan de hand van het Rivierkundig beoordelingskader (RBK). De rivierkundige effecten zijn uitvoerig beschreven en gerapporteerd in de rivierkundige onderbouwing (zie bijlage VIII). De conclusies zijn samengevat in de volgende tabel weergegeven. Tabel 14 Samenvatting conclusies rivierkundige beoordeling Te beoordelen effect
Criterium
Effect van de ingreep
Voldoet ja/nee
Hoogwaterreferentie in de as van de rivier
Stroomvoerend: geen waterstandsverhoging op de as van de rivier bij de afvoer uit de hoogwaterreferentie (waterstandsverhoging < 1 mm).
Project, in samenhang met diverse maatregelen die al in uitvoering zijn, of die zijn geborgd in het bestemmingsplan, leidt tot waterstandsdaling van 14 cm op rkm 184 bij maatgevende conditie. In de RBK studie wordt voor de werken in dit Ontwerp-Projectplan waterwet, in samenhang met de maatregelen in de corresponderende waterwetvergunning, een waterstandsdaling op rkm189,7 van 12,6 cm gerealiseerd. Benedenstrooms vindt er een korte opstuwingspiek plaats van 2,7 cm. Aan alle drie voorwaarden ‘zaagtand’ methode is voldaan, waarmee deze opstuwing toelaatbaar is.
Ja
Hoogwaterreferentie buiten de as van de rivier
Geen waterstandverhoging langs de hoge grondenlijn of primaire waterkering bij de afvoer(en) uit de Hoogwaterreferentie.
Lokale opstuwing aan Gelderse kering is na optimalisatie afgenomen van 52mm (VO) tot 38mm (DO) over afstand van circa 200 m rond rkm 195-196.
Ja
Pagina 33 van 86
Te beoordelen effect
Criterium
Effect van de ingreep
Datum
Voldoet 14 oktober 2022 ja/nee
Opstuwing aan Brabantse kering is 30mm. Dit wordt opgevangen binnen de dijkversterking van dit project. IJsafvoer
Een goede geleiding van water en ijs dient gewaarborgd te blijven.
Er worden geen nadelige effecten op de ijsafvoer verwacht.
Ja
Waterstanden en/of inundatiefrequentie van de uiterwaard
Verandering waterstanden en/of inundatiefrequentie bij Maas afvoeren te Borgharen van 1.230, 1.500, 2.000 en 2.300m³/s.
In de meeste gebieden vinden geen ongewenste wijzigingen van de inundatiefrequenties plaats. Aandachtspunt is het camperterrein rond de veerweg bij Maasbommel.
Ja
Stroombeeld in de uiterwaard
Verandering grootte en richting stroomsnelheden bij Maas afvoeren te Borgharen van 4.118m3/s.
De stromingsdynamiek in lelyzones en meanders neemt toe. Dit past bij de natuurlijke inrichting. Bodemen oeverbescherming voorkomen negatieve effecten op locaties met hoge stroomsnelheden.
Ja
Stroombeeld in vaarweg bij de aanen aftakking van nevengeul
Bij afvoer nevengeul <50m³/s: dwarsstroming vaarweg ≤0,3m/s; Bij afvoer nevengeul >50m³/s: dwarsstroming vaarweg ≤0,15m/s.
De dwarsstroming op rand vaarweg neemt toe op 3 locaties, met name bij drempel Appeltern. Deze dwarsstromingspieken aan de rand van het zomerbed hebben geen negatieve gevolgen voor de navigatie van scheepvaart omdat deze niet direct langs rand zomerbed varen.
Ja
Instroom retentiegebieden Maas
Verandering waterstand ter hoogte van inlaat retentiegebieden Maas, waaronder LateraalkanaalWest en Lob van Gennep
De instroomeffecten ter hoogte van de inlaat van retentiegebieden is minimaal.
Ja
Sedimentatie en erosie van het zomerbed (+ oevers): 1 door ingrepen zomerbed 2 door ingrepen winterbed
Bij erosie: − geen verlaging gemiddelde bodemligging en geen oevererosie, beperkte ontgronding bij constructies per hoogwater. Bij sedimentatie: − geen vermindering vaargeulafmetingen bij lage tot gemiddelde rivierafvoeren; geen verhoging MHW op lange termijn.
Er treden geen noemenswaardige erosie effecten op in zomerbed.
Ja
In het algemeen: − beperkte hinder door baggeren en/of terugstorten en
Er treden wel aanzandingseffecten op waardoor het baggerbezwaar toe zal nemen. Door optimalisatie is baggerbezwaar 20% afgenomen ten opzichte van VO. De locaties waar het baggerbezwaar toeneemt t.o.v. de huidige situatie zijn ook de locaties waar in de huidige situatie van tijd tot tijd baggeronderhoud noodzakelijk is. Baggeractiviteiten zullen naar verwachting niet vaker dan eens per 10 jaar nodig zijn.
Pagina 34 van 86
Te beoordelen effect
Criterium
Datum
Effect van de ingreep
Voldoet 14 oktober 2022 ja/nee
De meanders en geulen zijn zo ontworpen dat binnen 25 tot 50 jaar de beoogde functionaliteit niet verloren gaat door sedimentatie. Tot die tijd is grootschalig onderhoud niet nodig. Eventuele erosie effecten zijn ondervangen door geulen vast te leggen op locaties waar dat tot problemen kan leiden. Op plekken waar erosie en verplaatsing van geulen niet direct tot problemen leiden wordt ruimte gegeven voor natuurlijke processen.
Ja
behouden veiligheid scheepvaartverkeer.
Sedimentatie en erosie van uiterwaard en nevengeulen: 1. sedimentatie winterbed 2. erosie winterbed
2.1.4.
Bij sedimentatie: − beperkte sedimentatie ten opzichte van beheerskosten. Bij erosie: − geen bodemerosie langs waterkering; stroomsnelheid nevengeul bankfull <0,3 m/s; geen bodemerosie langs waterkering.
Erosie
Om te analyseren of erosie tot ongewenste schade leidt is de methodiek van de Legger Rijkswaterstaatswerken 2021 gehanteerd. Hierin staat dat beperkte erosie van de bodem of oevers van geulen, strangen en natuurvriendelijke oevers is toegestaan binnen het Vlak van Vrije Ruimte (VVR). Uitgangspunt voor project Meanderende Maas is dan ook dat beperkte erosie binnen deze VVR is toegestaan. Erosie (tot) buiten het VVR is niet toegestaan en dient te worden voorkomen middels erosie beschermende maatregelen. In onderstaande lijst staat een overzicht van de 11 locaties waar erosie beschermende maatregelen worden genomen. Verdere onderbouwing hierbij is te vinden in bijlage XIII (Deelrapport erosie-beschermende maatregelen). Locaties waar erosie beschermende maatregelen worden genomen: 1. Instroomdrempel Appeltern (O5); 2. Instroomdrempel Diedensche Uiterdijk oost (O3); 3. Instroomdrempel en duiker Diedensche Uiterdijk West (O3); 4. Instroom meander De Waarden (PM5); 5. Kades recreatiegeul meander De Waarden (O8); 6. Aansluiting Burgemeester Delenkanaal (O10); 7. Geulen in Lelyzone Ossekamp en De Waarden (PM6 resp. PM5); 8. Uitstroom westelijke geul Ossekamp (PM6); 9. Instroom geul Maasbommel West (PM8); 10. Uitstroom geul Maasbommel West (PM8); 11. Fietspad geul Maasbommel West (PM8).
Pagina 35 van 86
2.1.5.
Conclusie
Datum 14 oktober 2022
Het project draagt bij aan de voorkoming en -waar nodig- beperking van overstromingen. Wat betreft wateroverlast en waterschaarste treden er door het Ontwerp-Projectplan geen veranderingen op. 2.2.Bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen 2.2.1.
Ecologische kwaliteit
De toetsing van de effecten van de ingreep op de ecologische kwaliteit gebeurt aan de hand van de ‘Beleidsregel toetsingskader waterkwaliteit’. Het deel van de Maas waar voorliggend projectplan op ziet, valt onder het watersysteem Bedijkte Maas: Eerst wordt hiervan de huidige toestand van het watersysteem beschreven en daarna volgt een toetsing aan de Beleidsregel toetsingskader waterkwaliteit. 2.2.1.1. Huidige toestand Bedijkte Maas De voorgenomen ingrepen vinden plaats in het KRW-waterlichaam ‘Bedijkte Maas’. Het watertype van het waterlichaam is een langzaam stromende rivier/nevengeul op zand/klei (R7) en de status is ‘sterk veranderd’. Voor dit waterlichaam gelden doelen voor de biologische KRW kwaliteitselementen: macrofauna, overige waterflora (macrofyten) en vis. De toestand is beoordeeld als ‘ontoereikend’ voor zowel macrofauna als vis, en ‘matig’ voor overige waterflora. Het waterlichaam voldoet in de huidige situatie nog niet aan het Goed Ecologisch Potentieel (GEP). 2.2.1.2. Toetsing Uit de BPRW-toets (zie bijlage XIV notitie BPRW Toetsingskader Waterkwaliteit - Meanderende Maas) komt naar voren dat de herinrichting, waaronder met name de aanleg van (neven)geulen, bijdraagt aan de ecologische kwaliteit van de Bedijkte Maas. Met de herinrichting ontstaat ecologisch relevant areaal voor vissen, macrofauna en overige waterflora.
In de uitvoering zijn er mogelijk negatieve effecten als gevolg van het plaatsen van een laadconstructie (met spudpalen in de Maas) voor de afvoer van keramische klei per schip. Deze effecten zijn zeer lokaal en bovendien tijdelijk. Met de herinrichting, waaronder de aanleg van (neven)geulen, worden deze effecten meteen vereffend. In feite worden de effecten met de aanleg van nevengeulen zelfs fors overgecompenseerd. De KRW-maatregelen zijn opgenomen in het Beheer- en Ontwikkelplan Rijkswateren. De totale lengte aan KRW-geul in het ontwerp is 9,55 km. Hiermee voldoet het aan de bestuurlijke doelstelling van 9,1 km. In onderstaande tabel staat een onderbouwing van de te realiseren lengten aan KRW-geulen en waar deze in het ontwerp te vinden zijn.
Pagina 36 van 86
Tabel 15 KRW maatregelen (geullengte) KRW-geul
Datum 14 oktober 2022
Lengte in definitief ontwerp (realisatie 2028, met uitloop 2029)
Diedensche Uiterdijk
3,3 km
Meander De Waarden aangetakt
1,35 km
Meander De Waarden geïsoleerd
1,1 km
Lelyzone De Waarden geïsoleerd
1,1 km
Geul Maasbommel-West Lelyzone Ossekamp geïsoleerd Lelyzone Ossekamp aangetakt Totaal meetellend voor KRW
1,5 km 1,2 km 0,40 km (telt niet mee voor KRW) 9,55 km
Langs de geulen wordt rietmoeras ontwikkeld, het gaat om de volgende oppervlaktes. Deze hebben een kwaliteitsverhogend effect op de KRWwaarden. Tabel 16 KRW maatregelen (te ontwikkelen rietmoeras) Maatregel
Oppervlakte rietmoeras Onderdeel van ‘het werk’ (gerealiseerd voor 2028)
Diedensche Uiterdijk/Boogmeander De Vliet (geïsoleerd) Meander De Waarden (geïsoleerd) Totaal
2.2.2.
24,5 ha
9 ha 33,5 ha
Chemische kwaliteit en waterbodemkwaliteitskaart
De chemische waterkwaliteit wordt beïnvloed door lozingen in het gebied, het landgebruik en de bodemkwaliteit. Binnen het project is geen sprake van lozingen. Op dit punt is er effect op de chemische kwaliteit. Het landgebruik in de uiterwaarden verandert grotendeels van landbouw naar natuur. Bij landbouwkundig gebruik is er sprake van de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen en van bemesting. Dit heeft nadelige effecten op de chemische kwaliteit. Door de omvorming van landbouw naar natuur wordt de belasting met gewasbeschermingsmiddelen en bemesting in het gebied sterk gereduceerd. De bodem in het gebied beïnvloedt de waterkwaliteit, omdat er sprake is van perioden waarin de uiterwaarden onder water staan en er uitwisseling mogelijk is tussen bodem en water. Door vergravingen in de uiterwaarden komt een nieuwe bodemlaag aan maaiveld. Daarom is gekeken naar de bodemkwaliteit in het gebied. Er heeft milieuhygiënisch onderzoek (zie bijlage VII van het MER) plaatsgevonden. Uit dit onderzoek blijkt dat in de Maas voornamelijk Vrij Toepasbaar zand en grind aanwezig is. Ter plaatse van de jachthaven te Ravenstein is bekend dat de sliblaag beoordeeld is als ‘klasse B’ (toepasbaar in waterbodem). In aanvullend onderzoek is geconstateerd dat op diverse
Pagina 37 van 86
boorlocaties sterk verhoogde gehalten aanwezig zijn in de waterbodem op het traject van 0-0,5m-mv en deze grond als ‘Niet toepasbaar’ is geclassificeerd.
Datum 14 oktober 2022
‘Niet toepasbare’ grond wordt afgevoerd naar een erkend verwerker. In andere diepere trajecten is geen grond als ‘Niet toepasbaar’ geclassificeerd. Met het milieuhygiënisch onderzoek is aangetoond dat de onderliggende bodem niet slechter is dan de kwaliteit van de bovengrond. ‘Niet toepasbare’ grond wordt niet hergebruikt en wordt afgevoerd. Daarmee verslechtert de chemische kwaliteit niet. Hiermee wordt voldaan aan het ‘geen achteruitgangsprincipe’ van de Kaderrichtlijn Water (KRW). Veldonderzoek naar de waterbodemkwaliteit heeft geleid tot bijgaande omschrijving in de vorm van een concept-waterbodemkwaliteitskaart (figuur 24) met ook een verticale zonering (tabel 17).
Figuur 24 Concept-bodemkwaliteitskaart
Pagina 38 van 86
Tabel 17 Classificering waterbodem projectgebied op diepte (cm-mv)
Datum 14 oktober 2022
Figuur 25 Verticale zonering In deze kaart zijn alle eerder beschreven NT-locaties uitgezonderd. Deze worden apart ontgraven en onder passende condities in een depot geborgen. Uit het kaartbeeld en de tabel blijkt dat de oppervlakkige lagen vaak als klasse B geclassificeerd zijn. Ook is bekend dat deze kleiig zijn, met een relatief hoog organische stof- gehalte en nutriëntengehalte (door het landbouw-verleden). Dit materiaal is daarmee geschikt om te gebruiken als grootschalige bodemtoepassing (GBT) in klei-inkassingen langs de dijk (een anti-piping maatregel), maar voor weinig andere toepassingen. Er wordt daarom middels winning van keramische klei ruimte gemaakt in aangegeven deelgebieden (Diedensche Uiterdijk en Ossekamp) om dit materiaal geconcentreerd te verwerken binnen het projectgebied. Door de geconcentreerde toepassing in een dik pakket tot enkele meters (2,5 à 3,5 m) onder maaiveld, wordt de verspreiding van verontreinigingen minder dan in de huidige situatie het geval is. Bij een klei-inkassing komt een deel van het materiaal echter in permanent waterverzadigde toestand (onder het grondwaterpeil). Dat kan leiden tot verandering van uitloging van verontreinigingen. Er moet nog worden bepaald of dit hier, bij dit bodem materiaal, deze locatie en met dit type verontreiniging zal optreden.
Pagina 39 van 86
In principe is het conform artikel 6.2 Waterwet niet toegestaan deze grond in of op bodems beter dan klasse B weer toe te passen, tenzij dit specifiek vergund/besloten wordt in een vergunning of projectplan. Dat is alleen toelaatbaar als daar een goede onderbouwing voor is. In dit geval gaat het om gebiedseigen materiaal, bevordert het de waterveiligheid en is het een duurzame oplossing. Omdat hoogwaardig bodemmateriaal nu vrij komt en gebruikt kan worden, terwijl laagwaardig materiaal niet over grote afstand naar een verwerkingslocatie hoeft te worden gebracht. Bovendien wordt het klasse B materiaal in dikkere lagen verwerkt, waardoor het meer geconcentreerd is. Op grond van het voorgaande wordt hergebruik van klasse B grond uit hetzelfde beheergebied in klei-inkassingen en in de omwissellocaties toelaatbaar geacht.
Datum 14 oktober 2022
2.3. Vervulling van de maatschappelijke functies van het watersysteem In het Nationaal Water Programma 2022-2027 zijn de volgende maatschappelijke gebruiksfuncties gedefinieerd: scheepvaart, natuur, drinkwater, recreatie, visserij en zwemwater. Hieronder wordt het effect op de gebruiksfuncties beschreven. 2.3.1.
Scheepvaart
Het project heeft geen (significant) negatieve effecten op de scheepvaart (zie bijlage VIII voor de rivierkundige onderbouwing). De optredende toename in dwarsstroming bij hoogwater (<2 dagen/jaar) op een drietal locaties op de oeverrand vormt geen belemmering voor de scheepvaart. Er is geconcludeerd dat op de rand van de vaarweg er geen hinder of onveilige situaties ontstaan doordat vanaf de rand van het zomerbed gezien de dwarsstromingseffecten erg snel afnemen. Schepen varen niet direct langs de verharde oever van de Maas, maar meer in de as van de vaarweg. Op het Burgemeester Delenkanaal neemt de dwarsstroming tijdens hoogwater (<2 dagen/jaar) ook toe ter plaatse van de Lelyzones. De morfologische effecten van het project zijn zeer beperkt en hinderen de scheepvaart niet meer of minder dan in de huidige situaties. De huidige knelpunten qua minimale vaardiepte blijven op zelfde locatie en vergen baggeronderhoud. De aanpassing van de monding van het Burgemeester Delenkanaal verbetert de nautisch veiligheid ter plaatse. De toename van recreatievaart richting met name de recreatiegeul in De Waarden vermindert de nautische veiligheid vanwege kruisend verkeer. Middels het plaatsen van waarschuwingstekens moet het risico op (bijna) aanvaringen worden gereduceerd.
De verruiming van de monding van het Burgemeester Delenkanaal heeft de grootste interactie met de scheepvaart gedurende de realisatiefase door bijvoorbeeld een tijdelijke versmalling van vaarweg. Tijdens de uitvoering is er overall slechts beperkt hinder voor de vaarweggebruikers.
Pagina 40 van 86
2.3.2.
Natuur
Datum 14 oktober 2022
Voor het onderdeel natuur zijn verschillende aspecten getoetst. Het gaat om effecten op Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk, soorten en houtopstanden. De volledig beoordeling is te vinden in paragraaf 7.5 en 8.8 van het MER. De samenvatting is hieronder toegelicht. 2.3.2.1. Gebruiksfase: Natura 2000-gebieden Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Rijntakken dat op enige afstand (circa 5 km of meer) van het plangebied van Meanderende Maas ligt (zie figuur 26).
Figuur 26 De ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000gebieden Voor het integrale project Meanderende Maas is door de afstand (van minimaal 6 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied (Rijntakken) geen sprake is van directe effecten. Ook externe effecten, door bijvoorbeeld licht of geluid, zijn niet aan de orde. Alleen stikstofdepositie in de gebruiksfase kan op deze afstand een relevant effect veroorzaken. De stikstofemissie/-depositie ná realisatie van het project Meanderende Maas (in de ‘gebruiksfase’) neemt als gevolg van project Meanderende Maas af. Het gebied transformeert voor een groot deel van een agrarisch naar een natuuren waterrijkgebied, met een versterkte dijk en verhoogde bescherming tegen hoogwater. Er worden geulen gegraven, fiets- en wandelpaden en parkeerplaatsen aangelegd, maar geen voorzieningen gerealiseerd die een relevante verkeersaantrekkende werking hebben. Er worden geen wegen verbreed of opnieuw aangelegd.
Pagina 41 van 86
Recentelijk zijn voor de aanlegfase berekeningen uitgevoerd op basis van de meest actuele inzichten met de meest recente versie van de Aerius-calculator. Daarbij is ook gekeken wat de afname is van stikstofdepositie vanwege het uit productie nemen van (bemeste) landbouwgronden (interne saldering). De uitgevoerde berekeningen hebben aangetoond dat er per saldo sprake is van een afname van de stikstofdepositie (zie berekeningen bijlage IX van het MER).
Datum 14 oktober 2022
2.3.2.2. Aanlegfase: Natura 2000-gebieden Door de afstand (van minimaal 5 kilometer) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (Rijntakken) is geen sprake van directe effecten en zijn ook externe effecten, door bijvoorbeeld licht of geluid, niet aan de orde. Alleen stikstofdepositie kan op deze afstand een relevant effect veroorzaken. De tijdelijke stikstofdeposities als gevolg van werkzaamheden in de aanlegfase zijn conform de Wet stikstofreductie en natuurverbetering vrijgesteld van de vergunningplicht. Het project Meanderende Maas is een grond- en waterbouwactiviteit waardoor deze vrijstellingsregeling van toepassing is. 2.3.2.3. Natuurnetwerk Nederland De uiterwaarden van de Maas zijn binnen het plangebied aan de Brabantse zijde geheel onderdeel van het Natuurnetwerk Brabant (NNB)10. Langs het dijktraject liggen met name bij Ravenstein (ten oosten van de spoorlijn) en bij Lithoijen ook enkele uiterwaarden die niet tot het NNB maar tot de Groenblauwe mantel11 worden gerekend. Aan de Gelderse zijde is sprake van een meer gedifferentieerd beeld, met delen die tot het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en Groene ontwikkelingszone (GO) worden gerekend en uiterwaarden zonder een ‘groene’ status. Zowel in Gelderland als Noord-Brabant is sprake van reeds gerealiseerde natuur als van nog te ontwikkelen natuurgebieden op (nu nog) intensief gebruikte landbouwgrond.
Aangezien realisatie van het Natuurnetwerk is voorzien in 2027, is de NNN in de referentiesituatie gerealiseerd. Aan de Brabantse zijde is verder sprake van enkele ecologische verbindingszones langs de dijk en de Maasoevers en van een al gerealiseerde verbindingszone (Groenedijk) tussen de uiterwaarden en de even zuidelijker gelegen Hertogswetering. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Rijntakken dat op enige afstand (circa 5 km of meer) van het plangebied van Meanderende Maas ligt.
10
Het Natuurnetwerk Brabant is onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland. Het is een netwerk van deels bestaande en deels nieuwe natuurgebieden die door ecologische verbindingszones met elkaar verbonden zijn. Hierdoor kunnen dieren zich makkelijker verplaatsen tussen verschillende natuurgebieden. Zo wordt de biodiversiteit (het totaal aan planten en dieren) bevorderd. 11 De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met belangrijke nevenfuncties voor (de ontwikkeling van) natuur, water en landschap in verwevenheid met grondgebonden landbouw.
Pagina 42 van 86
Datum 14 oktober 2022
Figuur 27 De ligging van het plangebied ten opzichte van het Natuurnetwerk Noord-Brabant Aan de Noord-Brabantse zijde vindt de dijkversterking plaats, wat de grootste ruimtelijke ingreep binnen het NNB betreft. In totaal is er door de dijkversterking ‘een verlies’ van circa 560 m2 aan NNB binnendijks. Het buitendijks verlies betreft circa 3,4 ha. Dit verlies van NNB wordt binnen het ontwerp ruimschoots gecompenseerd. Zo wordt het talud van de Diedense Uiterdijk (overal tot aan de buitenkruinlijn) opgenomen als NNB. Er is daarmee ruimtelijk gezien een toename in oppervlak van het NNB. Daarnaast voorziet het project in een aanzienlijke kwaliteitsimpuls van het bestaande NNB. Gronden welke op dit moment nog in agrarisch gebruik zijn worden omgevormd naar riviergebonden natuur. Een ambitie die reeds is opgenomen in het Natuurbeheerplan van de provincie Noord-Brabant, maar tot op heden nog niet gerealiseerd. Netto is er aan de Brabantse zijde als gevolg van het voornemen dus sprake van een oppervlak- en kwaliteitsverbetering van het NNB. Gelderland In Gelderland is het Natuurnetwerk Nederland geborgd in het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone. Er is aan de Gelderse zijde uitsluitend in het deelgebied Maasbommel sprake van een toename van verharding als gevolg van de realisatie van het fietspad, welke beschouwd kan worden als oppervlakteverlies.
Deze loopt grotendeels door het Gelders Natuurnetwerk en voor een klein deel door de Groene Ontwikkelingszone. Binnen ditzelfde deelgebied wordt ook een nevengeul gerealiseerd op gronden
Pagina 43 van 86
welke op dit moment nog geen onderdeel uitmaken van het Gelders Natuurnetwerk of de Groene Ontwikkelingszone. Deze nevengeul is bedoeld als maatregel ten behoeve van het realiseren van KRW-doelstellingen, maar draagt ook bij aan de kernkwaliteiten van het Gelders Natuurnetwerk, zoals het realiseren van leefgebied voor kamsalamander en het dynamisch rivierlandschap. De geul is grotendeels buiten het Gelders Natuurnetwerk gelegen, maar door de realisatie zal het areaal natuur binnen het deelgebied Maasbommel netto juist toenemen. Door deze nevengeul ook planologisch te bestemmen als Gelders Natuurnetwerk is er netto sprake van een toename van oppervlak van het Gelders Natuurnetwerk. Daarnaast voorziet het voornemen in de realisatie van de kernkwaliteiten van het Gelders Natuurnetwerk, waardoor er ook sprake is van een kwaliteitstoename.
Datum 14 oktober 2022
In het deelgebied Appeltern zijn geen maatregelen beoogd die van negatieve invloed zijn op het oppervlak Gelders Natuurnetwerk. De beoogde maatregelen zijn met name gericht op verbetering van de waterkwaliteit. De beoogde activiteiten hebben in dit deelgebied geen wezenlijke positieve of negatieve invloed op het Gelders Natuurnetwerk, aangezien zowel de huidige als toekomstige natuurdoeltypen bijdragen aan het realiseren van de kernkwaliteiten. In dit deelgebied is dus geen sprake van oppervlakte- of kwaliteitsverlies.
2.3.2.4. Soortenbescherming Hieronder worden de effecten op aanwezige soorten in de gebruiksfase toegelicht voor het gehele integrale project Meanderende Maas. Bever Op lange termijn is er voor de bever meer wateroppervlakte aanwezig en ontstaat bijbehorende water- en oevervegetatie. Dit zorgt voor een uitbreiding van het aantal territoria van bevers. Recreatieve activiteiten zoals wandelpaden, fietspaden en waterrecreatie kunnen wel zorgen voor verstoring van bevers in de toekomstige situatie. Door het nemen van maatregelen in het ontwerp wordt aantasting van verblijfplaatsen en verstoring van bevers voorkomen in de permanente situatie. De beverburchten in de Diedensche Uiterdijk, De Waarden, Lelyzone Ossekamp en Lelyzone Maasbommel blijven grotendeels behouden. In het zuidelijke territorium in de Diedensche Uiterdijk wordt een verblijfplaats waarschijnlijk aangetast. Burchten in steile oevers bij de kleiwinpunt in het noordelijke deel van de Diedensche Uiterdijk vallen buiten het werkgebied van Meanderende Maas. Dit geldt ook voor eventuele burchten in steile oevers bij de kleiwinpunt in het noordelijke deel van de Diedensche Uiterdijk. Bij het territorium aan de Ossekamp gaat een klein deel foerageergebied en één oeverhol verloren.
Bij het territorium aan het Burgemeester Deelenkanaal gaat slechts een klein deel van het foerageergebied verloren, maar de burchten blijven behouden. Het territorium op Appeltern gaat volledig verloren. Doordat geschikt leefgebied in de omgeving al bezet is door andere bevers, is het moeilijk om voor dit territorium alternatief leefgebied te zoeken in de directe omgeving. Een permanente indringing van een andere bever zorgt voor conflict. Ondanks dat er geen compensatie van leefgebied kan
Pagina 44 van 86
plaatsvinden is een negatief effect op de staat van instandhouding, gezien de goede staat van instandhouding van de soort, uitgesloten.
Datum 14 oktober 2022
Maatregelen die in het ontwerp getroffen zijn ten gunste van bevers zijn: 1. beverterpen die verstoringsvrij (geen mensen en honden) zijn; 2. steile wanden buiten dijkzone (minimaal 50 cm waterdiepte ervoor); 3. verstoringsvrije zones om (potentiële) burchten en burchtlocaties. Door de inrichting van de uiterwaarden verdwijnen burchten en oeverholen. Ook bestaat de mogelijkheid dat tijdens de aanleg individuen worden verstoord of gedood. Dit is een overtreding van de Wet natuurbescherming (artikel 3.5 lid 1, 2 en 4). Hiervoor wordt ontheffing aangevraagd. Het doden van individuen wordt zoveel mogelijk voorkomen door de genoemde maatregelen. Das De belangrijkste dassenburchten in de Diedensche Uiterdijk, De Waarden, De Ossekamp en bij Maasbommel blijven in het ontwerp behouden. Wel gaat minimaal één vluchtpijp in de Diedensche uiterdijk verloren tijdens de werkzaamheden. Een deel van het foerageergebied van das is tijdelijk ongeschikt door het afgraven van de uiterwaarden, belangrijke delen worden behouden en er wordt gefaseerd gewerkt zodat er te allen tijde voldoende foerageergebied aanwezig is. Een permanente afname van het foerageergebied bestaat uit de locaties waar waterhoudende geulen worden aangelegd.
Een groot deel van de vegetatie (onder andere meidoorn, sleedoorn, mais), welke onderdeel is van het foerageergebied, gaat tijdelijk verloren in de Diedensche Uiterdijk, De Waarden en Maasbommel. Dit zorgt ook dat beschutting en geleidende elementen verdwijnen, die de das gebruikt bij het foerageren. Op locaties waar waterhoudende geulen worden aangelegd gaat permanent foerageergebied van de das verloren. De verlaging bij Appeltern heeft tot effect dat de belangrijkste burchten en essentieel foerageergebied van het dassenterritorium ter plaatse verloren gaan. Recreatieve activiteiten, zoals wandelpaden en fietspaden, worden niet aangelegd om verstoring van dassen in de permanente situatie te voorkomen. Het verlies van de burcht bij Appeltern wordt gecompenseerd door de aanleg van een kunstburcht. Voor das geldt dat een negatief effect wordt voorkomen door de volgende maatregelen die in het ontwerp zijn opgenomen: • versterken vegetatiestructuur rondom burchten; • gedeeltelijk behoud van foerageergebied; • gedeeltelijk behoud lijnvormige geleiding in landschap; • aanbieden vergraafbare hogere gronden buiten dijkzone (hoogwatervluchtplaatsen); • inrichten verstoringsvrije zones om (potentiële) burchten en burchtlocaties (met name voorkomen verstoring door honden en daarnaast wandelaars).
Pagina 45 van 86
De effecten op het foerageergebied en het verwijderen van de burcht en vluchtpijp vormen een overtreding van artikel 3.10 lid 1b van de Wet natuurbescherming. Hier wordt een ontheffing voor aangevraagd.
Datum 14 oktober 2022
Kleine marterachtigen Verspreid door het gehele plangebied is geschikt leefgebied aanwezig voor kleine marterachtigen; de bunzing, hermelijn en wezel. In dit geschikte leefgebied wordt aangenomen dat er verblijfplaatsen van deze soorten aanwezig zijn. Het gaat om locaties met dichte bosschages, struiken en takkenhopen/takkenrillen. Door het nemen van de volgende maatregelen kan aantasting van het leefgebied deels worden voorkomen, het gaat dan voornamelijk om gefaseerd werken: • het rooien van struweel/bosschages -wat potentieel onderdeel is van het leefgebied van kleine marterachtigen- vindt plaats buiten de kwetsbare periodes; • ter compensatie van verblijfplaatsen van kleine marterachtigen worden op de locaties waar compensatie nodig is, voorafgaand aan de ontwikkeling takkenrillen gerealiseerd. Dit geldt slechts voor delen die verloren gaan en waar geen alternatief leefgebied in de buurt aanwezig blijft; • takkenrillen worden opgebouwd uit natuurlijk materiaal (stammen, takken, bladeren), door deze op elkaar te stapelen. De onderlaag bestaat uit dikkere stammen (10-15 cm dikte) en (half ingegraven) wortelkluiten; • het compenseren van leefgebied van kleine marterachtigen wordt uitgevoerd door het gefaseerd aanleggen van takkenrillen of hopen voorafgaand aan het verwijderen van potentiële verblijfplaatsen van deze soorten.
Dit wordt leefgebied voor de kleine marters waar verblijfplaatsen kunnen voorkomen. Om deze takkenril of takkenhoop kan spontaan ruige vegetatie ontstaan die voldoende dekking biedt. Op lange termijn zal het foerageergebied van betere kwaliteit zijn, met meer prooidieren en een grotere afwisseling tussen vegetatietypen en mogelijkheden tot verblijfplaatsen. Essentieel leefgebied en verblijfplaatsen verdwijnen door de ontwikkeling. Dit is een overtreding van artikel 3.10 lid1 onder b van de Wet natuurbescherming. Hiervoor wordt ontheffing aangevraagd. Vleermuizen Op termijn zullen de uiterwaarden voor vleermuizen van open terreinen een beter foerageergebied vormen dan de huidige situatie (onder andere voor rosse vleermuis en laatvlieger). Op zeer lange termijn zullen verblijfplaatsen in bomen beschikbaar komen door het ontstaan en ouder worden van ooibos (onder andere wilg en populier) en de nieuwe bakenbomen. Door het nemen van de volgende maatregelen in het ontwerp wordt aantasting van verblijfplaatsen en verstoring van vleermuizen voorkomen of gecompenseerd: • inpassen en behouden bomen met verblijfplaatsen; • aanbieden alternatieve verblijfplaatsen (kasten, faunatoren); • herplanten struweel/bomen als vliegroutes (geldt als compensatie);
Pagina 46 van 86
•
permanent aanleggen van stapstenen ten behoeve van (essentiële) vliegroutes.
Datum 14 oktober 2022
Het vernietigen van paarverblijfplaatsen en essentiële vliegroutes en foerageergebieden is een overtreding van de Wet natuurbescherming artikel 3.5 lid 2 en 4, hiervoor wordt ontheffing aangevraagd. Het doden van dieren wordt door het nemen van maatregelen voorkomen. Ransuil Op verschillende locaties worden bomen gekapt, met daarin nesten van ransuil. Een tijdelijk en permanent effect op het foerageergebied van ransuilen is uitgesloten, omdat er te allen tijde voldoende alternatief foerageergebied aanwezig is. Dit komt omdat de uitvoering van de werkzaamheden gefaseerd is. Hierdoor blijven grote delen van de uiterwaard per fase ongemoeid en krijgen reeds afgegraven delen de tijd om begroeid te raken. De fasering van de werkzaamheden wordt op een later moment, jaarlijks vastgelegd in een ecologisch werkprotocol. Burchten in steile oevers bij de kleiwinpunt in het noordelijke deel van de Diedensche Uiterdijk vallen buiten het werkgebied van Meanderende Maas. De volgende maatregelen worden getroffen ten behoeve van de ransuil: • het kappen van bosschages met nesten vindt plaats buiten het broedseizoen (september t/m januari). Door de kap van bomen worden 5 jaarrond beschermde nesten van ransuil vernietigd. Daarnaast wordt, in worst-case, mogelijk nesten van ransuil verstoord. Dit is een overtreding van de Wnb, artikel 3.1, lid 2 en 4 hiervoor wordt ontheffing aangevraagd.
Door het nemen van bovenstaande maatregelen wordt een overtreding van andere verbodsbepalingen (verstoring door werkzaamheden) tot ransuilen voorkomen. Buizerd Buizerd heeft vijf nesten in en nabij het plangebied. In de Diedensche Uiterdijk blijft in de uiterwaard één nest behouden en gaat één nest verloren. Van de vier te behouden nesten is het worst-case nodig om deze nesten voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt te maken om verstoring gedurende het broedseizoen te voorkomen. Op lange termijn zal het foerageergebied van betere kwaliteit zijn, met meer prooidieren zoals muizen en bieden de ooibossen nestlocaties. Door de kap van bomen worden jaarrond beschermde nesten van buizerd vernietigd. Het ongeschikt maken van nesten geldt als het tijdelijk niet functioneel zijn van een nest. Dit is een overtreding van, artikel 3.1, lid 2 en 4 van de Wet natuurbescherming. Hier wordt ontheffing voor aangevraagd. Door het nemen van bovenstaande maatregelen wordt een overtreding van andere verbodsbepalingen in relatie tot buizerds voorkomen. Ooievaar Ooievaar heeft één nest in en drie nesten naast het plangebied. De ooievaars die in en nabij het plangebied verblijven, maken gebruik van de uiterwaarden
Pagina 47 van 86
om te foerageren. Ooievaars foerageren in een zone tot enkele kilometers rondom de nestlocatie. Door de volgende maatregelen in het ontwerp wordt aantasting en verstoring van nestlocaties voorkomen: • afschermende maatregelen bij verstoringsgevoelige verblijfplaatsen; • buiten kwetsbare periode werken binnen een verstoringsafstand van het nest. Op lange termijn zal het foerageergebied van betere kwaliteit zijn, met meer prooidieren zoals muizen en amfibieën.
Datum 14 oktober 2022
Roek Roek komt voor bij Lithoijen in een metakolonie bestaande uit drie subkolonies. Eén van deze subkolonies blijft behouden, twee van deze kolonies gaan verloren door de kap van de nestbomen. Er blijven in de omgeving voldoende potentiële nestlocaties over voor het voortbestaan van de metakolonie. Op lange termijn zal het foerageergebied van betere kwaliteit zijn en is er voldoende plek voor nestlocaties van roek. Het kappen van de nestbomen vormt een overtreding van artikel 3.1 lid 2 en 4 Wet natuurbescherming. Hiervoor wordt ontheffing aangevraagd. Poelkikker Er worden watergangen vergraven of gedempt, waardoor voortplantingshabitat verloren gaat. Ook worden de uiterwaarden en bosschages vergraven, waarbij individuen gedood kunnen worden. Maatregelen die getroffen worden zijn: • de bestaande watergangen en poelen waar poelkikker in voorkomt worden in eerste instantie buiten het kwetsbare voortplantingsseizoen van poelkikker gedempt. Er kan worden gedempt in de periode van half september tot en met half maart; • voor leefgebied (voortplantingswater) van poelkikkers dat wordt gedempt, wordt minstens één jaar van tevoren nieuw habitat gerealiseerd.
Het nieuwe leefgebied heeft daardoor minstens één geheel groeiseizoen (maart tot en met oktober) om te ontwikkelen; • indien het dempen van een watergang echt nodig is binnen de voortplantingsperiode, zijn aanvullende maatregelen nodig. Rondom het te dempen water wordt tussen 1 november en 28 februari een amfibieënscherm geplaatst om te voorkomen dat amfibieën in het voortplantingswater kunnen komen. Bij werkzaamheden waar poelen, watergangen en hogere delen worden vergraven en werkzaamheden waarbij bosschages worden gerooid, kunnen individuen worden verstoord, gedood en gaat leefgebied verloren. Dit is een overtreding van artikel 3.5 lid 1, 2 en 4 Wet natuurbescherming. Hiervoor wordt ontheffing aangevraagd. Grote modderkruiper Voor grote modderkruiper geldt dat leefgebied (soms tijdelijk) wordt aangetast bij een deel van de oude watergang bij de Benedeneind in Ossenkamp, de poelen in De Waarden en de agrarische watergangen
Pagina 48 van 86
binnendijks aan de teen van de dijk ten zuidoosten van Megen én een teensloot binnendijks ten oosten van huis te Dieden. Hiervoor worden de volgende maatregelen getroffen: • inrichten nieuw water als leefgebied buitendijks en binnendijks. o Indien leefgebied (watergangen) van grote modderkruipers worden gedempt, wordt in principe voorafgaand nieuw habitat gerealiseerd, minstens één jaar van tevoren. Het nieuwe leefgebied heeft daardoor minsten één geheel groeiseizoen (maart tot en met oktober) om te ontwikkelen; • voorafgaand aan werkzaamheden en/of het dempen van (delen) van de watergangen met grote modderkruipers, worden de grote modderkruipers door een ter zake kundige ecoloog afgevangen en verplaatst naar nieuwe (of tijdelijke) leefgebieden. Dit gebeurt door de wateren indien nodig op te delen in compartimenten van 100 à 200m, waarna de waterstand wordt verlaagd tot circa 15-20cm. Hierna kunnen de grote modder kruipers worden afgevangen.
Als laatste wordt de modder uit de watergang geschept en dun uitgespreid op het land en direct gecontroleerd op nog aanwezige grote modderkruipers; • het afvangen gebeurt buiten de kwetsbare periode van grote modderkruiper, het afvangen kan worden uitgevoerd in de periode van september tot en met maart, mits er geen sprake is van vorst; • als in de toekomst sloten waarin grote modderkruiper voorkomt geschoond moeten worden, dient dit gefaseerd in ruimte en tijd te gebeuren. Werk bijvoorbeeld 1 jaar slechts aan 1 zijde van de watergang, ontzie de laatste 15m bij doodlopende watergangen en ontzie diepere delen met modder die als overwinteringslocatie dienen.
Datum 14 oktober 2022
De in te richten permanente poelen en watergangen moeten aan onderstaande voorwaarden voldoen, voordat de grote modderkruipers worden overgeplaatst. De wateren: • zijn binnendijks minimaal van dezelfde omvang en afmeting (en oeververloop) als in de huidige situatie; • hebben een rijke oever- en onderwatervegetatie, met buitendijks verlandingszones met verlandingsvegetatie; • hebben rijk begroeide, en zonbeschenen delen; • hebben een sliblaag/goede modderbodem. Dit betekent een hardere bodem met een laag stevige modder van 10-30cm dikte. Een deel van het slib uit de huidige locaties met grote modderkruipers wordt mee overgeheveld vanuit wateren die gedempt worden; • hebben in het aansluitende watersysteem diepe delen (>150 cm) die voldoende water houden van goede kwaliteit en niet bevriezen voor winterperiode; • zijn overstromingsarm, van belang is dat grote vissen geen stand kunnen houden in de watergang; • in het beheer van de nieuwe wateren wordt niet grootschalig uniform geschoond of gebaggerd door elk jaar minimaal 1/3de van de wateren ongeschoond te laten. Dit dient te worden opgenomen in het beheerplan. Binnendijks en buitendijks worden geschikte gebieden voor grote modderkruiper ingericht. De soort is daarnaast zeer afhankelijk van
Pagina 49 van 86
verbindingen tussen wateren om zich te kunnen verspreiden. Buitendijks kan dit resulteren in een toename van leefgebied voor deze soort, waarmee de effecten op de lange termijn licht positief zijn.
Datum 14 oktober 2022
Bij werkzaamheden waar poelen en watergangen worden vergraven, kunnen individuen worden gedood en gaat leefgebied van grote modderkruipers verloren. Dit is een overtreding van artikel 3.10 lid 1a en 1b Wet natuurbescherming. Hiervoor wordt ontheffing aangevraagd. 2.3.2.5. Houtopstanden Het beschermingsregime voor houtopstanden uit de Wnb heeft een puur kwantitatief karakter. Voor het integrale project Meanderende Maas geldt dat op beperkte schaal lijnvormige houtopstanden en kleine arealen bos en struweel verdwijnen. Daarnaast neemt het bosareaal met name buitendijks sterk toe in de vorm van natuurlijk ooibos met ook een grote ecologische meerwaarde. De noodzakelijke herplant wordt binnen het project gerealiseerd. Uit populieren bestaande beplantingen langs (water)wegen, zoals de bakenbomen langs de Maas, vallen niet onder de Wnb-bescherming en deze blijven hier verder buiten beschouwing. Op enkele plekken, zoals bij Ravenstein, worden bomen binnen de bebouwde kommen gekapt, waardoor ook sprake is van een gemeentelijke kapvergunning. Hiervoor geldt vanuit de gemeente Oss een herplantplicht. Op grond van de aan te vragen kapvergunningen wordt de herplantplicht bepaald. Deze vergunningen maken onderdeel uit van de gecoördineerde besluitvormingsprocedure voor dit Ontwerp-Projectplan Waterwet en worden tegelijk met dit Ontwerp-Projectplan gepubliceerd en ter inzage gelegd. 2.3.3.
Drinkwater
De herinrichting heeft geen invloed op (de mogelijkheden voor) drinkwaterwinning. 2.3.4.
Recreatie
In de huidige situatie is het gebied overwegend agrarisch in gebruik. Met de herinrichting wordt het projectgebied vrij toegankelijk als struinnatuur. Door de herinrichting ontstaat naar verwachting een gevarieerd gebied met mogelijkheden voor extensieve recreatie (wandelen, struinen en natuurbeleving). De belevingswaarde neemt door het project toe. De meeste geulen zijn niet toegankelijk voor gemotoriseerde (recreatie)vaart. De meander De Waarden is toegankelijk voor recreatievaart (kleine sloepen en kano’s). De overige geulen zijn natuurgebied en ontoegankelijk voor recreatievaart. De geulen zijn geen zwemwater, er worden geen faciliteiten aangelegd voor zwemmen en er worden geen strandjes aangelegd. In bijlage IV is een kaart opgenomen met routestructuren en recreatieve voorzieningen.
Pagina 50 van 86
2.3.5.
Visserij
Bestaande visstekken blijven behouden, al dan niet in aangepaste vorm. De maatregelen binnen het project brengen geen wijzigingen in de visrechten en looprechten langs dit deel van de Maas. Deze plekken dienen (te voet) toegankelijk te blijven, al is het niet de bedoeling dat men met auto’s naar de Maas kan rijden. Voor toegankelijkheid kan het nodig zijn bredere klaphekken te plaatsen. 2.3.6.
Datum 14 oktober 2022
Zwemwater
In de omgeving van het projectgebied is de Gouden Ham aangewezen als zwemwater. Doordat het project bijdraagt aan een verbetering van zowel de ecologische als de chemische toestand van de Bedijkte Maas, zijn negatieve effecten niet aan de orde. De (nieuwe) geulen zijn geen zwemwater, er worden geen faciliteiten aangelegd voor zwemmen en er worden geen strandjes aangelegd. Dit is namelijk strijdig met de ecologische (aquatische) doelstellingen van de geulen. Conclusie toetsing doelstellingen Waterwet De uitvoering van dit Ontwerp-Projectplan is met inachtneming van de maatregelen genoemd in dit hoofdstuk in overeenstemming met de doelstellingen van de Waterwet.
Pagina 51 van 86
3. Wijze van uitvoering
Datum 14 oktober 2022
Bij de uitvoering zal in ieder geval voldaan worden aan de zorgplicht zoals beschreven in artikel 6.15 van het Waterbesluit en de artikelen 6.8 en 6.9 van de Waterregeling. Dit hoofdstuk beschrijft de aanlegfase van de rivierverruiming en KRW-maatregelen en de ruimte die daarvoor tijdelijk nodig is. 3.1.Tijdelijk ruimtebeslag Om de voorgenomen werkzaamheden uit te kunnen voeren is er tijdelijk grond nodig, als werkstrook of indien nodig de aanleg van tijdelijke opslaglocaties. Dit is het tijdelijke ruimtebeslag. Deze tijdelijke maatregelen worden gerealiseerd binnen zones zoals aangeduid op de plankaart tijdelijk ruimtebeslag (in bijlage I). Het tijdelijke ruimtebeslag wordt bepaald door: • Tijdelijke werkstroken • Tijdelijke bouwwegen • Tijdelijke opslaglocaties Waar mogelijk is het tijdelijke ruimtebeslag gesitueerd binnen het permanente ruimtebeslag. Waar het tijdelijk ruimtebeslag over eigendommen van derden loopt, wordt dit ingepast. Rijkswaterstaat streeft ernaar voor het tijdelijk gebruik van de gronden individuele gebruiksregelingen af te sluiten met de betreffende rechthebbenden. 3.2.Aan- en afvoer van materiaal en gebruik materieel Vanuit het gebied zullen veel transporten plaatsvinden. Denk met name aan de grondstromen die het gebied verlaten.
De afvoer van materiaal vindt voornamelijk via het water plaats, waarvoor tijdelijke maatregelen zoals loswallen, werkwegen en tijdelijke grondopslag worden ingericht. In de onderstaande paragrafen wordt hierop een nadere toelichting gegeven. 3.2.1.
Grondstromen
Er is per provincie een grondbalans opgesteld met te verzetten grondstromen. Deze zijn opgenomen in onderstaande tabellen. In bijlage XI is de uitvoeringskaart grondstromen en grondbalans te vinden.
Pagina 52 van 86
Datum 14 oktober 2022
Tabel 18 Grondbalans provincie Gelderland Doorsteek Appeltern
Geul Maasbommel West
TOTAAL ONTGRAVING
70.000
406.000
klei hergebruik binnen object zand hergebruikt binnen object (t.b.v. zandbanen) Hergebruik binnen ander object (Rivier) BRABANT hergebruik binnen ander object (Dijk) BRABANT
17.000
124.000
3.000
4.000
27.000 178.000
Storten NT
Geul Maasbommel Oost
TOTAAL
110.000
586.000 141.000
13.000
20.000
55.000
82.000
17.000
195.000
11.000
11.000
Storten Overig (B en alle NG) Storten 'zand hergebruikt binnen object (t.b.v. zandbanen)' zie hierboven voor hoeveelheid Zand voor zandbanen verwerken binnen het werk
-
Verkoop klei
17.000
77.000
25.000
119.000
Waarvan A
17.000
77.000
25.000
Verkoop zand
6.000
12.000
Waarvan A
6.000
12.000
TOTAAL AANVULLING Leverantie vanuit andere rivier/meander object uit BRABANT
34.000
126.000
17.000
2.000
19.000
klei hergebruik binnen object
17.000
124.000
141.000
TOTAAL TIJDELIJK IN GEBRUIK
3.000
12.000
13.000
28.000
Aanbrengen Zand voor zandbanen
3.000
12.000
13.000
28.000
zand hergebruikt binnen object Leverantie vanuit ander rivier object
3.000
4.000 7.500
13.000
Waarvan VT 18.000
-
160.000
Tabel 19 Grondbalans provincie Noord-Brabant
Pagina 53 van 86
Deel Diedensche Uiterdijk (Deel D) (Het Werk)
Leverantie zand voor werkwegen
Leverantie uit tijdelijke grondopslag Demen Dieden
23.000
57.000
Leverantie uit tijdelijke grondopslag Hemelrijkse waard TOTAAL Datum 14 oktober 2022 53.000 3.119.000
Lelyzone De Waarden
Lelyzone Ossenkamp
Oeverzone Megen
Diedensche Uiterdijk (Deel C)
Meander de Waarden (Deel B)
TOTAAL ONTGRAVING
356.000
297.000
103.000
1.840.000
355.000
35.000
klei hergebruik binnen object
14.000
23.000
425.000
72.000
21.000
555.000
zand hergebruikt binnen object (t.b.v. zandbanen)
10.000
14.000
31.000
11.000
2.000
71.000
3.000
Hergebruik binnen ander object (Rivier) GELDERLAND
19.000
8.000
27.000
hergebruik binnen ander object (Dijk) BRABANT
30.000
144.000
4.000
266.000
93.000
Hergebruik binnen ander object (Rivier) BRABANT
179.000
10.000
70.000
45.000
35.000
339.000
Storten NT
20.000
45.000
23.000
88.000
Storten Overig (B en alle NG)
15.000
57.000
53.000
662.000
-
Storten 'zand hergebruikt binnen object (t.b.v. zandbanen)' zie hierboven voor hoeveelheid
Verkoop klei
70.000
Verkoop zand
33.000
TOTAAL AANVULLING Leverantie vanuit andere rivier/meander object uit GELDERLAND
22.000
61.000
23.000
26.000
-
988.000
8.000
4.000
1.157.000
66.000
113.000
8.000
220.000
947.000
72.000
71.000
-
-
82.000
Leverantie vanuit andere rivier/meander object BRABANT
8.000
Hergebruik binnen hetzelfde Object
14.000
282.000
23.000
425.000
1.135.000
82.000
Leverantie vanuit andere dijk object BRABANT
Zand voor zandbanen verwerken
-
72.000
5.000
5.000
45.000
335.000
21.000
555.000
158.000
158.000
Pagina 54 van 86
binnen het werk
Datum 14 oktober 2022
TOTAAL TIJDELIJK IN GEBRUIK
10.000
14.000
7.000
31.000
11.000
2.000
Aanbrengen Zand voor zandbanen
10.000
14.000
7.000
31.000
11.000
2.000
75.000
zand hergebruikt binnen object
10.000
14.000
3.000
31.000
11.000
2.000
71.000
Leverantie vanuit ander rivier object
-
-
-
4.000
3.2.2.
75.000
4.000
Aan- en afvoer materiaal over water
De afzet van de grond gaat per beunschip, waarbij verlading plaats vindt via een drijvende laadbrug. Vanaf de loslocatie wordt het materiaal over werkwegen of lokale wegen naar de uiteindelijke locatie van verwerking getransporteerd. Een voorbeeld van een tijdelijke en laad- en los voorziening is in figuur 29 opgenomen. Er zijn meerdere laad- en losvoorzieningen voorzien (zie figuur 28). Uit financieel en duurzaamheidsprincipe (korte transportafstanden) zijn voor zowel uiterwaard als de dijkversterking verschillende laad- en los voorzieningen voorzien. De losvoorzieningen worden op strategische plekken in het gebied geplaatst, zodat transportafstanden zo beperkt mogelijk blijven. Daarnaast wordt rekening gehouden met veiligheid van de vaarweg, maar ook omwonenden, beschermde gebieden, natuurwaarden, fauna en flora, aanwezige kabels en leidingen, grondeigendom, archeologische verwachtingswaarden en de aanwezigheid van niet gesprongen explosieven in rekening gebracht. Voor de start van de werkzaamheden worden de benodigde vergunningen, toestemmingen en ontheffingen aangevraagd voor de laad-/los voorzieningen. Mocht bij de voorbereiding of uit de wensen van de (vaar)wegbeheerders blijken dat andere of meer locaties wenselijk zijn, dan wordt in overleg afgesproken waar locaties mogelijk zijn en aansluitend de benodigde vergunningen, toestemmingen en/of ontheffingen aangevraagd.
Pagina 55 van 86
Datum 14 oktober 2022
Figuur 28 Laad-/los voorziening locaties (illustratief)
Figuur 29 Tijdelijke laad-/los voorziening 3.2.3.
Aan- en afvoer materiaal en materieel over land
Materialen worden ook per as aangevoerd. Voor de start van de uiterwaardvergraving worden de werkterreinen zo ingericht dat de logistiek ongestoord en met beperkte hinder voor de omgeving plaats kan vinden. Belangrijkste maatregel hiervoor is de aanleg van primaire transportbanen (hoofdrijplatenbaan) in de uiterwaarden. Deze banen worden benut voor het transport van de grondstromen en de damwanden (aan de Brabantse zijde van het project). Er worden ook secundaire banen aangelegd in de vorm van dijkkruisingen en een baan aan de binnenzijde van de dijk. De locaties van de oversteken worden afgewogen op rijafstanden, bomen, bebouwing, verstoring van de ecologie en hinder. Incidenteel, waarbij een beperkte hoeveelheid grond binnen een dijkvak wordt toegepast, kan gebruik gemaakt worden van het openbare wegennet. Figuren 30 tot en met 32 zijn voorbeelden van hoe de bouwlogistiek er uit zou kunnen zien. Blauwe stippellijn staat voor de primaire transportbaan (hoofdrijplatenbaan). De overige lijnen zijn secundaire rijroutes.
Pagina 56 van 86
Datum 14 oktober 2022
Figuur 30 Primaire en secundaire werkwegen in de uiterwaarden nabij de Geulen Maasbommel West en Oost
Figuur 31 Primaire en secundaire werkwegen in de uiterwaarde bij Appeltern
Figuur 32 Primaire en secundaire werkwegen in de uiterwaarden/nabij de dijk gehele project
Pagina 57 van 86
Datum 14 oktober 2022
3.2.4.
Tijdelijke opslaglocaties
Wanneer grond ontgraven uit de uiterwaarden voldoet, wordt het materiaal zoveel als mogelijk in het project hergebruikt. Dit kan betekenen dat afhankelijk van de bestemming eerst (gedeeltelijk of volledig) tijdelijk opgeslagen dient te worden in een tijdelijke opslaglocatie). Waarna het naar plaats van verwerking of losvoorziening wordt getransporteerd. Zo kan het ontgravingsproces ongestoord doorgaan. Het streven is om deze opslaglocaties zo dicht mogelijk bij of in het projectgebied te realiseren om de interne transportbewegingen te minimaliseren. Op figuur 33 zijn de tijdelijke opslaglocaties aangegeven. In tabel 19 is een indicatie van volume, en maximale hoogte opgenomen. Deze bieden de noodzakelijke flexibiliteit voor de diverse grondstromen. De tijdelijke grondopslaglocaties zijn minimaal noodzakelijk voor volgende tussenopslag: • vrijgekomen gronden voor hergebruik en uitwisseling binnen rivier- en uiterwaard; • afvoeren grote hoeveelheden roofgrond (klasse B en NG); • levering van gebiedseigen materiaal aan de dijk; • geschikt maken van vrijgekomen klei voor verwerking; • levering materiaal van buiten het projectgebied aan de dijk; • verkoop van zand (VT en A) en klei (VT en A); • levering zand voor rijplatenbanen.
Figuur 33 Tijdelijke opslaglocaties in de uiterwaarden/nabij de dijk
Pagina 58 van 86
Tabel 20 Beoogde tijdelijke grondopslaglocaties Locatie tijdelijke grondopslag
Oppervlakte
Maximale hoogte
Maximale inhoud
Diedensche Uiterdijk
498.000
3m
1.494.000*1
Lelyzone de Waarden
74.000
3m
222.000
Meander de Waarden
135.000
3m
405.000
Drempel Appeltern
8.000
3m
24.000
Lelyzone Ossekamp
90.000
3m
270.000
Geul Maasbommel Oost
52.000
3m
156.000
Geul Maasbommel West
57.000
3m
171.000
Datum 14 oktober 2022
Voor de realisatie en gebruik van de tijdelijke opslaglocaties worden voor start van de werkzaamheden de benodigde , toestemmingen, ontheffingen aangevraagd. Mocht bij de voorbereiding of uit de wensen van de beheerders blijken dat andere of meer locaties wenselijk zijn, dan worden eerst hiervoor de benodigde vergunningen, toestemmingen en/of ontheffingen aangevraagd. De grondopslag zal op zichzelf een opstuwend effect van de waterstand tijdens een hoogwater hebben. De grondopslag komt voort uit de maaiveldverlaging en de aanleg van geulen. Bekend is dat deze ingrepen in de eindsituatie (met ruig vegetatiebeeld) meer dan 10 cm waterstandsdaling tot gevolg hebben. Tijdens de realisatie geven de gegraven geulen en maaiveldverlaging al substantiële waterstandsdaling. De tijdelijke opstuwing van de opslaglocaties valt weg tegen deze reeds in de realisatiefase bereikte waterstandsdaling, waardoor er netto geen opstuwend effect is in de realisatiefase. 3.2.5.
Omwissellocaties en kleiwinning
Grond die vrijkomt als gevolg van ontgravingen wordt zo veel mogelijk binnen het project hoogwaardig hergebruikt. Vrijkomende klei wordt toegepast in de dijkversterking en bij het aanbrengen van kwelbeperkende lagen. Een deel van de vrijkomende grond is grond in de klasse B/Industrie. Deze grondstromen worden, mits wettelijk toegestaan, hoogwaardig/nuttig toepast in de dijkversterking binnen het project. Ook wordt de vrijkomende toplaag en klasse B grond toegepast in hoogwatervluchtplaatsen. Het ontwerp biedt niet voldoende bergingsmogelijkheden voor een nuttige toepassing van de vrijkomende, veelal voedselrijke, toplagen. Omwissellocaties in het projectgebied bieden de mogelijkheid dit overschot aan grond eveneens binnen het project toe te passen, wat een duurzame oplossing biedt. Het alternatief om deze (grote hoeveelheid) grond naar elders af te voeren is niet duurzaam. Als direct hoogwaardig hergebruik van vrijkomende grond niet mogelijk is, wordt overtollige klasse B grond in deze omwissellocaties in het projectgebied geborgen, waarmee tegelijk hoogwaardigere grond (keramische klei) vrijkomt.
Pagina 59 van 86
Het overschot aan dijkenklei wordt zo hoogwaardig mogelijk afgezet; de klei wordt benut voor andere dijkenprojecten (waaronder naastgelegen CuijckRavenstein) . Ook de (gefaseerde) afzet van keramische klei aan de keramische industrie is afgestemd op de marktvraag, zodat het aanbod niet tot verstoring van de markt leidt. Deze afzet is tevens een voorwaarde voor de financiële haalbaarheid (kostendekking) en daarmee uitvoering van het integrale project en het halen van de maatschappelijke doelen. De winning van bouwstoffen in dit project heeft dus geen primair commercieel doel. Het is een multifunctionele ontgraving en draagt bij aan en is nodig voor het realiseren van de project- en daarmee maatschappelijke doelen.
Datum 14 oktober 2022
Het grondstromenplan stelt een centrale omwissellocatie voor in de Diedensche Uiterdijk en nog twee extra omwissellocaties in de Lelyzones van Ossekamp en De Waarden. De locaties zijn weergegeven in figuur 34.
Figuur 34 Omwissellocaties (arcering) Als roerdiepte wordt gedacht aan een ontgraving van enkele meters ten opzichte van het maaiveld, afhankelijk van de beperkingen vanuit archeologie en aardkundige waarden. Na de ontgravingen wordt opnieuw aangevuld tot de ontwerphoogte. Aanvullingen worden uitgevoerd met grond die vrijkomt binnen het project en niet nuttig kan worden toegepast (bijvoorbeeld grond klasse A en B, en materiaal dat niet geschikt is als dijkenklei (NG)). Voor aanvullingen wordt geen bodem materiaal afkomstig van buiten het projectgebied aangevoerd. Uitwisselen van grond klasse B is aan milieuregels gebonden. Met het Bevoegd Gezag (RWS, IL&T, eigenaar van de grond en Gemeente Oss) worden afspraken gemaakt over de voorwaarden die zullen gelden. Reliëfvolgende kleiwinning tot op de onderliggende zandgrond is normaliter het uitgangspunt bij uiterwaardinrichting. In het projectgebied Meanderende Maas is sprake van een hoog kunstmatig stuwpeil (circa NAP+4,90m) en de aanwezigheid van dikke kleilagen boven de zandige ondergrond. In dit project zou kleiwinning tot op de onderliggende zandlaag betekenen dat er, zonder het terugbrengen van een nieuw grondpakket (omwissellocatie), op grote
Pagina 60 van 86
schaal open water gaat ontstaan in plaats van een droog zandig uiterwaard reliëf. Dat is niet conform het eindbeeld van het ontwerp. De ontgravingsdieptes van de omwissellocaties zijn daarmee een optimalisatievraagstuk tussen de diepte van de kleiwinning, de hoeveelheid te bergen overtollige grond en de voor de projectdoelen vereiste eindhoogte (in relatie tot vegetatieontwikkeling). De mogelijkheden om hierin te optimaliseren worden bepaald door de flexibiliteit die de besluitvorming biedt. Grondstromen uit de uiterwaarden kunnen ook verwerkt worden in oeverbeschermende maatregelen langs de instroomdrempels en kades of in de klei-inkassingen en de dijk zelf. 3.2.6.
Datum 14 oktober 2022
Bouw-, werk- en opslagterreinen
Aan Brabantse zijde nabij de Diedensche Uiterdijk wordt (aan het adres Onderweg 2) een opslaglocatie ingericht. Daarnaast gaan de gedachten uit naar een centraal kantoor voor de stafmedewerkers (alleen aan Brabantse zijde) en met het werk meebewegende uitvalsbasissen voor de machinisten en grondwerkers etc. (schaftketen met reguliere bouwmaterialen). Dit wordt nader uitgewerkt en indien nodig worden de benodigde vergunningen, toestemmingen, ontheffingen hiervoor aangevraagd in de voorbereiding van de realisatie. 3.2.7.
Inzet van materieel
Om het project uit te voeren, zal gedurende de uitvoeringsfase divers materieel worden ingezet. Het winnen van zand en ontgraven van klei wordt uitgevoerd met behulp van hydraulische graafmachines. De transporten worden met dumpers of vrachtauto’s uitgevoerd. Beheer van tijdelijke grondopslag wordt door graafmachines/bulldozers gedaan. De shovel wordt ingezet voor het verplaatsen van rijplaten en het schoonhouden ervan. Verdichting van grond gebeurt met de schapenpootwals of bulldozer. De overschotten van zand en klei verlaten per beunschip het projectgebied. Hieronder zijn figuren van het in te zetten materieel opgenomen. Het gebruik van dergelijk materieel zal impact op de omgeving hebben in vorm van geluid, stof en/of trillingen.