Bijlage_9e_Archeologisch_BO_IVO_Amsteleind_zuid_en_Kleinussen__BAAC__februari_2025_
Tekst van het document
Ter plaatse van het plangebied worden vier bodemtypes verwacht. In het uiterste, laaggelegen noordelijke deel betreft het een vlakvaaggrond. In het centrale deel worden beekeerdgronden verwacht terwijl in het wat hoger gelegen zuidoostelijke deel, op de dekzandwelvingen een laarpodzolgrond en een gooreerdgrond worden verwacht. Uit onderzoek pal naast het plangebied blijkt dat de bodem als gevolg van agrarische werkzaamheden grotendeels is afgetopt. De kans is groot dat dit ook binnen het plangebied deels het geval zal zijn. Naast dergelijke verstoringen als gevolg van agrarisch grondgebruik worden binnen het plangebied geen grootschalige verstoringen verwacht. Wel zijn enkele kleine lokale verstoringen zichtbaar. Het gaat hierbij om enkele vijvers. Ook lijkt het perceel pal ten oosten van de Oostenakkerstraat 9 in het zuiden van het plangebied mogelijk deels afgegraven te zijn. Verder zijn er nog enkele onnatuurlijke begrenzingen zichtbaar. Dit betreft echter geen afgravingen maar ophogingen ter plekke van de bebouwde erven. Uit historisch kaartmateriaal blijkt dat begin 19e eeuw al drie clusters met boerenerven aanwezig waren binnen het plangebied. Het noordelijkste cluster bestond uit drie boerenerven, het middelste cluster bestond uit vier boerenerven en ook het zuidelijke cluster bestond uit vier boerenerven.
Deze erven zijn momenteel allemaal nog bebouwd, maar niet meer allemaal met de oorspronkelijke 19e-eeuwse gebouwen. Rondom het plangebied zijn in het recente verleden al veel sporen van bewoning in kaart gebracht. Zo zijn in de nabijgelegen wijk Ussen tijdens diverse onderzoeken in het vierde kwart van de vorige eeuw sporen van nederzettingsterreinen uit de ijzertijd en de Romeinse tijd aangetroffen. Ook op terreinen pal naast het plangebied zijn sporen uit deze perioden aangetroffen. De kans bestaat dat deze nederzettingsterreinen (deels) doorlopen tot binnen het plangebied. Het kan hierbij gaan om erven of off-site structuren. Tabel 2.2 Overzicht van de specifieke archeologische verwachting van het plangebied. periode verwachting complex omvang kenmerken
diepte
gaafheid
Laatpaleolithicummesolithicum
Dekzandwelvingen: laag tot middelhoog Dekzandvlakte; laag
jachtkamp
<200 >1000 m2
Vuursteenconcentraties, haardkuilen
Vanaf top natuurlijke bodem
Matig tot slecht
Neolithicumvolle middeleeuwen
Dekzandwelvingen: hoog Dekzandvlakte; laag
nederzetting, akker/tuin, begraving e.d.
500 2000 m2
Paalsporen, waterputten, greppels, crematiegraven, inhumatiegraven,
Vanaf top natuurlijke bodem
Matig tot goed
Late middeleeuwennieuwe tijd
Hoog ter plaatse van de historische erven. Laag voor de rest van het plangebied.
Boeren erven/akker/ tuin
200 500 m2
Waterputten, greppels, poerenfunderingen strookfunderingen, muurwerk
Direct onder de bouwvoor/ver stoorde top
Matig tot goed
Archeologische verwachting (incl. datering, complextype en omvang) Het laat-paleolithicum werd evenals het daaropvolgende mesolithicum gekenmerkt door rondtrekkende jagerverzamelaars, die gebruikmaakten van stenen en benen werktuigen. De mensen woonden in tijdelijke kampen, die zich over het algemeen op landschappelijke gradiënten bevonden. Vindplaatsen van jager-verzamelaars worden overwegend gekenmerkt door een spreiding van vuurstenen werktuigen en afval en zijn meestal (zeer) klein (<200 m 2). Op basis van de landschappelijke ligging (dekzandwelvingen) kunnen binnen het plangebied wel degelijk vindplaatsen uit deze perioden voorkomen. Echter, de kans bestaat dat de top van het dekzandlandschap als gevolg van agrarisch gebruik is afgetopt. Er wordt derhalve een lage tot middelhoge verwachting toegekend voor vindplaatsen van jager■
Amsteleind Zuid en Kleinussen te Oss. Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek
25
verzamelaars uit het laat-paleolithicum tot neolithicum aan het wat hoger gelegen deel van het plangebied (dekzandwelvingen) en een lage verwachting voor het lagergelegen deel van het plangebied. Vanaf 4900 voor Chr. (neolithicum) verruilde men geleidelijk het jagen en verzamelen voor een voedselvoorziening gebaseerd op akkerbouw en veeteelt. Door het verbouwen van voedsel werd men gebonden aan een bepaalde plek, werden stevigere onderkomens gebouwd en ging men aardewerk produceren en gebruiken. De locatiekeuze van de mensen werd in belangrijke mate bepaald door de mate waarin gronden geschikt waren voor beakkering (vruchtbaarheid en ontwatering). Dergelijke vindplaatsen (omvang 500-2000 m2) worden gekenmerkt door een spreiding van vondsten (met name aardewerk, maar ook andere gebruiksvoorwerpen) en sporen (kuilen, paalgaten, waterputten e.d.). Vaak is de vondstenlaag (het oude maaiveld) opgenomen in de bovengelegen akkerlaag, waardoor de vondstdichtheid relatief laag is. Voor landbouwers uit het neolithicum tot en met de volle middeleeuwen, en dan met name voor de periode ijzertijd – Romeinse tijd, geldt voor de hogere delen van het plangebied een hoge verwachting. Omstreeks de 13e eeuw werden de nederzettingen verplaatst naar de overgang van de hogere naar de lagere delen, langs of in de beekdalen.
In het plangebied zijn ter plaatse van drie clusters aanwijzingen voor de aanwezigheid van in totaal elf historische erven in de periode vanaf de 19e eeuw. Gezien de continuïteit van de bewoning is de kans op de aanwezigheid van nederzettingssporen uit de late middeleeuwen-nieuwe tijd ter plaatse van deze historische erven derhalve hoog. Buiten deze historische erven is de verwachting op vindplaatsen uit deze periode laag. Uiteraard kunnen hier uit deze periode wel sporen van ontginning (percelering e.d.) aanwezig zijn. Diepteligging en stratigrafische ligging De vindplaatsen bevinden zich overwegend in de top van de natuurlijke bodem (dekzand), direct onder de bouwvoor, of indien aanwezig, onder het wat dikkere humeuze dek van beek- of gooreerdgronden of de laarpodzolbodems. In het zuidoostelijk deel van het plangebied, daar waar laarpodzolen worden verwacht, kan het humeuze dek als gevolg van het gebruik als akker en de daarmee gerelateerde plaggenbemesting dikker zijn. Sporen uit de nieuwe tijd kunnen ook in dit cultuurdek aanwezig zijn. ■
Gaafheid, conservering en mogelijke verstoringen Als gevolg van het agrarisch gebruik, egalisatie e.d. zal de natuurlijke bodem naar verwachting deels zijn verstoord en/of opgenomen in het cultuurdek. Dit is naar verwachting voornamelijk het geval in het wat lager gelegen westelijke deel van het plangebied. Als gevolg van het gebruik als bouwland en de daarmee gerelateerde plaggenbemesting zal naar verwachting in het zuidoostelijke deel (dekzandwelvingen) sprake zijn van een matig dik humeus cultuurdek, waardoor een eventuele vindplaats wel beschermd is tegen diepe (sub)recente bodemverstoringen. ■
De verwachte verstoring van de natuurlijke bodem heeft met name gevolgen voor vuursteenvindplaatsen aangezien in situ vindplaatsen zich in de top van de natuurlijke bodem (voornamelijk Ah-, E-, en B-horizont) bevinden. Eventuele latere vindplaatsen worden voornamelijk gekenmerkt door sporen, die dieper (tot in de C-horizont van de natuurlijke bodem) zijn ingegraven, waardoor ze minder gevoelig zijn voor verstoring. Hoewel het westelijke deel van het plangebied een relatief nat gebied betreft, worden vanwege de huidige sterk wisselende grondwaterstanden, met uitzondering van in water- en beerputten, geen (onverkoolde) organische resten verwacht. Als gevolg van bouwwerkzaamheden ter plaatse van de talrijke erven binnen het plangebied zal lokaal grondverzet hebben plaatsgevonden. Door de aanleg van kabels en leidingen en egalisatie kunnen lokaal verstoringen tot diep in de bodem voorkomen. Deze verstoringen zijn echter lokaal.
Amsteleind Zuid en Kleinussen te Oss. Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek
26
3
Inventariserend veldonderzoek
3.1 Werkwijze Tijdens het inventariserend veldonderzoek is de archeologische verwachting uit het bureauonderzoek in het veld getoetst. Het inventariserend veldonderzoek, verkennende fase, is uitgevoerd vanwege de middelhoge tot hoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten uit alle perioden. Bij het inventariserend veldonderzoek (verkennende fase) is het plangebied onderzocht op de geomorfologische, geologische en bodemkundige karakteristieken. Ook geeft het booronderzoek informatie over de intactheid van de bodem en geeft daarmee inzicht in de gaafheid van een eventuele archeologische vindplaats.
Afb. 3.1 Boorpuntenkaart op recente luchtfoto. Amsteleind Zuid en Kleinussen te Oss. Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek
27
In het plangebied zijn conform het PvA 371 boringen gepland (afb. 3.1). Een deel van de boringen (37 in totaal) is echter komen te vervallen aangezien de eigenaren van de percelen waarop de boringen stonden gepland geen toestemming hebben verleend voor de uitvoering van het veldwerk.45 Daarnaast bleken zes boringen niet te kunnen worden geplaatst omdat deze niet toegankelijk waren, aangezien de boringen op erven zijn gepland en de betreffende bewoners niet thuiswaren op het moment dat de boringen gezet zouden moeten worden. 46 Tot slot zijn tien boringen niet geplaatst omdat het terrein ter plaatse was verhard.47 Er is geboord in een 40 bij 50 m verspringend grid met een Edelmanboor met een diameter van 7 cm (zes boringen/hectare). De boringen zijn uitgevoerd tot circa 25 cm in de schone C-horizont met een maximale diepte van 2 m -mv. De locaties van de boringen zijn ingemeten met een GPS. Ook de hoogteligging ten opzichte van NAP is ingemeten met een GPS. Hoewel het verkennende onderzoek niet specifiek is gericht op het opsporen van archeologische indicatoren is wel op de aanwezigheid daarvan gelet. De bodemlagen zijn met de hand en op het oog onderzocht op de aanwezigheid van archeologische indicatoren. Archeologische indicatoren (bv.
aardewerk, huttenleem, vuursteen, metaal, houtskool en al dan niet verbrand bot) kunnen een aanwijzing zijn voor de aanwezigheid van een archeologische vindplaats ter plaatse of in de nabijheid van de boring met indicator. De bodemlagen zijn lithologisch48 en bodemkundig49 beschreven. Het veldonderzoek heeft plaatsgevonden in de periode 7 januari tot 14 januari 2025. In navolgende paragrafen worden de resultaten van het veldonderzoek beschreven. De locaties van de boringen staan weergegeven op de boorpuntenkaart (afb. 3.1). De maaiveldhoogte (in meters t.o.v. NAP) is per boring vermeld in de boorstaten (bijlage 2). De resultaten van het veldonderzoek staan visueel weergegeven op de verwachtingskaart (afb. 3.6).
3.2
Veldwaarnemingen
Gezien de grootte van het plangebied en de vele verschillende eigenaars, is het landgebruik divers. Een groot deel van het plangebied bestaat echter uit weide, dan wel in de vorm van een (kleine) paardenweide dan wel in de vorm van een weidegebied voor vee. Een deel van het plangebied was ten tijde van de uitvoering van het veldwerk echter in gebruik als akkerland. Zoals in hoofdstuk 2 al uiteen is gezet, zijn binnen het plangebied echter ook veel woon- en bedrijfserven aanwezig. Als gevolg daarvan bestaat een deel van het plangebied uit tuin of bedrijfsterrein.
Afb. 3.2 Zicht op een deel van het noordwestelijke deel van het plangebied. Het betreft een paardenweide ter hoogte van de boringen 13 t/m 20. Op de achtergrond is de bebouwing aan de Brandstraat zichtbaar. De foto is in noordelijke richting genomen vanaf boring 13 (d.d. 13 januari 2025).
Het betreft de boringen 1 t/m 12, 111, 197, 237, 244, 245, 253, 260, 274, 281, 282, 289, 290, 298, 321, 322, 329, 330, 350, 351, 354, 355, 362, 363, 367 en 368. 46 Het betreft de boringen 287, 295, 324, 325, 338, en 348. 47 Dit betreft de boringen 25, 31 t/m 34, 82, 185, 186, 276 en 331. 48 naar Bosch 2008. 49 naar De Bakker & Schelling 1989. 45
Amsteleind Zuid en Kleinussen te Oss. Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek
28
Met name ter plaatse van de grotere bedrijfsterreinen was een deel van het plangebied verhard. Hier zijn de boring ofwel verplaatst, ofwel niet uitgevoerd. De percelen van de woonerven en de bedrijfsterreinen zijn opgehoogd. Dit was in het veld goed zichtbaar. Over het algemeen loopt het terrein binnen het plangebied in zuidoostelijke richting op. Gezien de grootte van het plangebied was dit in het veld echter niet goed zichtbaar. Wel was in het veld merkbaar dat het lager gelegen noordwestelijke deel beduidend natter was dan het hoger gelegen zuidoostelijke deel van het plangebied. In het noordwestelijke deel van het plangebied waren plassen aan het maaiveld aanwezig en waren de akkers lokaal dermate drassig dat ze moeilijk begaanbaar waren.
Afb. 3.3 De foto linksboven toont een overzicht op het meest westelijke deel van het plangebied, in oostelijke richting gefotografeerd vanaf boring. De foto rechtsboven betreft het leegstaande pand aan de Oostenakkerstraat 9a, gefotografeerd in zuidoostelijke richting. De foto linksonder betreft het pand op het historische erf aan de Heihoekstraat nabij de boringen 369 en 349. De foto rechtsonder toont een overzicht van het plangebied vanaf boring 343, gefotografeerd in westelijke richting.
3.3 Verkennend booronderzoek 3.3.1 Lithologie en bodemopbouw Op grond van de resultaten van het booronderzoek zijn binnen het plangebied vier lithogenetische eenheden onderscheiden. Het onderscheid tussen de verschillende lithogenetische eenheden is gebaseerd op het type sediment (zand, klei, leem) en, in het geval van zand, op basis van korrelgrootte, sortering en afronding. Binnen het plangebied bestaat enige variatie binnen de afzonderlijke eenheden. Voor het overzicht is echter besloten om de gemeenschappelijke deler van de eenheden hier als een soort standaard te beschrijven, zonder al te diep in te gaan op de verschillen. In deze paragraaf zal de bodemopbouw binnen het plangebied derhalve aan de hand van de lithogenetische eenheden worden beschreven. Het betreft oude beddingafzettingen (terrasafzettingen), (verspoeld) dekzand, fluvioperiglaciale afzettingen en komafzettingen. Beddingafzettingen Conform de verwachting bestaat de diepere ondergrond ter plaatse van het plangebied uit grofkorrelige rivierafzettingen van de Formatie van Kreftenheye (zie hoofdstuk 2). Deze afzettingen zijn afgedekt met een dun pakket dekzand. Het onderzoek heeft zich conform het PvA gericht op eventuele vindplaatsen in (de top van) het dekzand. De boringen zijn over het algemeen derhalve gestaakt zodra circa 25 cm van de C-horizont van het dekzand is aangeboord.
Desalniettemin zijn in 38 boringen de grofkorrelige beddingafzettingen van de Formatie van
Amsteleind Zuid en Kleinussen te Oss. Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek
29
Kreftenheye aangeboord.50 Het sediment bestaat over het algemeen uit zwak siltig, matig grof, geel tot lichtgeelgrijs, kalkloos zand (korrelgrootte 210-300 µm) en is al dan niet zwak grindhoudend. Het sediment is slecht gesorteerd en matig tot slecht afgerond. De top van dit sediment bevindt zich ter plaatse van deze 38 boringen gemiddeld op een hoogte van 3,8 m +NAP. Het matig tot slecht afgeronde en dus scherp aanvoelende zand geeft aan dat het om fluviatiel afgezet zand gaat. Het grove karakter en de slechte sortering duiden op afzetting in een hoogenergetisch milieu (bedding) en zijn kenmerkend voor afzettingen van een vlechtend riviersysteem.51 Vlechtende rivieren kenmerken zich door de aanwezigheid van vele, relatief ondiepe geulen die regelmatig van richting en ligging veranderen. De beddingen doorsnijden elkaar, met als gevolg dat er een geheel van kriskras door elkaar lopende stroomdraden ontstaat, een zogenaamd 'vlechtend riviersysteem'. De aanvoer van water fluctueert periodiek sterk en de aanvoer van grof sediment is groot en onregelmatig. Het sediment wordt in de vorm van zand- en grindbanken afgezet, die zich regelmatig verplaatsen.
Fluvioperiglaciale afzettingen Ter plaatse van 22 boringen, redelijk verspreid over het plangebied, is soms direct onder de bouwvoor of soms in het dekzandpakket een laag zwak tot sterk siltig, matig fijn zand aangetroffen (korrelgrootte 150-210 µm).52 Opvallend aan dit pakket is de aanwezigheid van enkele dunne leemlagen en af en toe een geringe hoeveelheid grind. In een enkel geval betreft het een wat dikkere leemlaag van enkele decimeters dik. Dit sediment is geïnterpreteerd als fluvioperiglaciale afzettingen. Het betreft gedurende de laatste ijstijd door sneeuwsmeltwater afgezet sediment. Dit type sediment is aangetroffen in de lager gelegen delen en de overgang naar de hoger gelegen delen. In het hoger gelegen zuidoostelijke deel van het plangebied is dit type sediment niet waargenomen. (Verspoelde) dekzandafzettingen Zoals vermeld zijn de pleistocene beddingafzettingen afgedekt met een dun pakket dekzand. Dit dekzand bestaat uit zwak siltig, matig fijn, kalkloos zand (korrelgrootte 150-210 µm). Het zand is goed gesorteerd en goed afgerond, wat duidt op afzetting door de wind. In de oxidatie- en reductiezone, de zone waar het grondwater sterk fluctueert, is de kleur van het sediment overwegend (licht)geelgrijs. Hier zijn ook roestvlekken aanwezig. In de volledig gereduceerde zone is de kleur grijswit tot grijs en zijn geen roestvlekken meer aanwezig.
De grens met de onderliggende beddingafzettingen is scherp. De dikte van het dekzandpakket varieert sterk. Ter plaatse van enkele boringen is het pakket niet dikker dan 20 cm, terwijl het elders minstens 90 cm dik is. In 46 boringen is de sortering van het dekzand wat minder goed. Hier zijn enkele zeer kleine grindjes (tot 1 mm groot) aangetroffen. Dit duidt erop dat het dekzand hier is verspoeld als gevolg van oppervlakkige sneeuwsmeltwaterstromen tijdens de korte zomers gedurende de Late Dryas. Het verspoelde dekzand is aangetroffen in de lager gelegen noordelijke en westelijke delen van het plangebied.53 Ter plaatse van nagenoeg alle boringen waar dekzand is aangetroffen, is de top van het dekzand in min of meerdere mate verstoord. Alleen ter plaatse van negen boringen zijn nog restanten van de oorspronkelijke podzol aangetroffen in de vorm van ofwel een Bhs-horizont54 ofwel een BC-horizont.55 Deze deels intacte bodems zijn aangetroffen in het relatief hoog gelegen zuidoostelijke deel van het plangebied. De top van het dekzand bevindt zich hier op een hoogte van 4,5 tot 5,1 m +NAP (ten opzichte van gemiddeld 3,8 m +NAP in het lager gelegen (noord)westelijke deel van het plangebied). Voor het overige deel van het plangebied geldt dat een zogenaamde A/C profiel is aangetroffen, waarbij de humeuze A-horizont direct op de C-horizont is gelegen.
Er kan derhalve worden geconcludeerd dat de oorspronkelijke bodem in verreweg het grootste deel van het plangebied is afgetopt waarbij de top van het bodemprofiel verstoord is geraakt. Het onverstoorde, natuurlijke sediment wordt over het algemeen bedekt door een in dikte variërend pakket matig tot sterk siltig, matig fijn, kalkloos, overwegend matig humeus zand (korrelgrootte 150-210 µm). Deze bouwvoor heeft een dikte van gemiddeld 36 cm. Gemiddeld 37 % van de boringen heeft echter een humeuze bovengrond met een dikte van minder dan 30 cm. Dit komt overeen met een vlakvaaggrond of een matig ontwikkelde beekeerdgrond. Dit type Het betreft de boringen 20, 22, 28, 37, 40, 47, 55 t/m 59, 61, 64, 68, 74, 76, 80, 81, 89, 95, 97, 98, 103 t/m 106, 118, 138, 159, 169, 171, 172, 180, 190, 194, 230, 238 en 304. 51 Huisink 1998, Kasse 1995. 52 43, 44, 48, 90, 108, 115, 130, 134, 142, 147, 148, 150, 158, 178, 193, 200, 202, 218, 263, 269, 311, 313. 53 Boringen 14, 20, 26, 41, 42, 47, 49, 50, 54, 63, 72, 73, 77, 80, 85, 86, 88, 89, 96, 100, 103, 105, 113, 118, 124, 125, 137, 139, 162, 163, 164, 166, 167, 183, 191, 193, 199, 213, 215, 226, 228, 231, 266, 267, 268 en 283. 54 Boring 310. 55 Boringen 193, 194, 220, 249 en 285. 50
Amsteleind Zuid en Kleinussen te Oss. Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek
30
bodem is conform de verwachting aangetroffen in het lager gelegen noordelijke en westelijke deel van het plangebied. Circa 22 % van de boringen heeft een humeus dek met een dikte van 30 tot 50 cm. Dit betreft de beekeerd- en gooreerdgronden. Circa 14 % van de bodems heeft een humeus dek van 50 cm of dikker en valt daarmee bodemkundig tot de enkeerdgronden. Het overgrote deel van deze boringen bevindt zich conform verwachting in het hoger gelegen oostelijke en zuidelijke deel van het plangebied. Er is echter niet ter plaatse van al deze boringen sprake van een klassiek ‘esdek’ in de zin van een oude landbouwgrond. Veel van de bodems met een dergelijk dikke humeuze bovengrond zijn aangetroffen in en rond de (moderne) erven. Hier heeft de ophoging met humeuze grond pas enkele tientallen jaren geleden plaatsgevonden, niet als het gevolg van eeuwenlange ophoging met mest. Komafzettingen In hoofdstuk 2 is uiteengezet dat het lager gelegen noordwestelijke deel van het plangebied tot in de vorige eeuw met enige regelmaat last heeft gehad van hoogwater vanuit de Maas. Hierbij is mogelijk een dunne kleilaag afgezet welke in de loop der tijd als gevolg van ploegwerkzaamheden in de 20e eeuw als kleibrokken in of direct onder de bouwvoor nog aanwezig kan zijn.
In 35 boringen in het lager gelegen noordelijke deel van het plangebied zijn in de bouwvoor daadwerkelijk (kleine) brokken klei aangetroffen.56 Het betreft geen intacte kleilaag, maar kleibrokken. Dit duidt er inderdaad op dat er wel een kleilaagje aanwezig is geweest maar dat deze als gevolg van ploegwerkzaamheden is gereduceerd tot enkele kleibrokken in de bouwvoor. De kleibrokken zijn niet zuidelijker dan ter hoogte van de Kleinussenstraat 14 aangetroffen. Bodemverstoringen Verspreid over het plangebied is de bodem ter plaatse van 65 boringen tot in de C-horizont verstoord. Dit betreft een verstoring van enkele decimeters tot soms wel 2 meter. Verreweg de meeste verstoringen zijn gerelateerd aan de aanwezigheid van kabels en leidingen nabij de wegen of de locatie van de boring op een erf. De verstoringen uiten zich over het algemeen in een vlekkerig karakter van het sediment, waarbij bijvoorbeeld brokken humeus materiaal in het dekzand aanwezig zijn. Het komt ook voor dat recent antropogeen materiaal als plastic is aangetroffen. Een andere vorm van verstoring is de aanwezigheid van afwijkend bodemmateriaal tot op dieptes waar onverstoord dekzand mocht worden verwacht. Het gaat hierbij veelal om humeus sediment dat als slootvulling is geïnterpreteerd.
De meeste verstoringen moeten op basis van onderhavig onderzoek worden geïnterpreteerd als lokale verstoringen, zonder dat (grote) gebieden als geheel verstoord mogen worden beschouwd. Dit is het gevolg van het gebruikte 40 bij 50 m grid, waarbij het mogelijk is dat tussen twee boringen nog een intacte bodem aanwezig is. Alleen ter plaatse van boring 176 mag met behulp van het AHN worden geconcludeerd dat een groter terrein is verstoord. Uit het booronderzoek blijkt overigens dat het dekzandlandschap ook op die plekken waar podzolen werden verwacht grotendeels is afgetopt als gevolg van ploegwerkzaamheden. Slechts in een heel beperkt aantal boringen zijn nog restanten van de oorspronkelijke podzolbodem aangetroffen. Ter plaatse van de erven zijn de terreinen veelal opgehoogd. Onder het ophoogpakket is echter vaak nog het intact bodemprofiel aangetroffen.
3.3.2 Geomorfologie Om tot een geomorfologische kaart van het plangebied te kunnen komen, zijn alle boorbeschrijvingen geanalyseerd. Een goed hulpmiddel om tot een geomorfologische kaart te kunnen komen is het maken van een kaart waarbij de hoogteligging van het pleistocene oppervlak in beeld is gebracht. De afdekkende bouwvoor en ophooglagen zijn als het ware van het dekzandlandschap gehaald (afbeelding 3.4). Het kaartbeeld is enigszins verstoord als gevolg van de boringen waar het bodemprofiel tot grotere diepte is verstoord of waar geen data voorhanden is omdat er niet mocht worden geboord. Dit levert ‘gaten’ op in het kaartbeeld. Desondanks is met behulp van deze kaart een redelijk goed beeld verkregen van de hoogteligging van het dekzand. Hierbij is goed zichtbaar dat het dekzandlandschap, evenals het huidige oppervlak, van noordwest naar zuidoost oploopt. De donkerblauwe tinten zijn de laaggelegen dekzanden, de gele en bruine tinten de relatief hooggelegen dekzanden. Het hoogteverschil van het paleo-reliëf loopt op tot een kleine 2 meter (van 3,5 m +NAP tot 5,3 m +NAP). Dit betekent dat het landschap voorafgaand aan de ingebruikname voor landbouwkundige doeleinden duidelijk geaccidenteerder was dan tegenwoordig. Bij het huidige beeld blijft het hoogteverschil ‘beperkt’ tot circa 1,3 m.
56
Boringen 14, 15, 17, 19 t/m 23, 26, 27, 30, 38, 41 t/m 45, 48, 50, 54 t/m 59, 64, 66 t/m 68, 232, 267, 269, 303, 304 en 306.
Amsteleind Zuid en Kleinussen te Oss. Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek
31
Met behulp van het paleo-reliëf kaartje van het dekzandlandschap en de boordata is een geomorfologische kaart gemaakt (afb. 3.5). Hierbij zijn vier geomorfologische eenheden onderscheiden. Het betreft de laaggelegen
Afb. 3.4 Dekzanddieptekaart voor het plangebied met de hoogteligging van het dekzand. De oranjebruine tinten betreffen de hoogstgelegen delen, de donkerblauwe tinten de laaggelegen delen).
dekzandvlakte in het noordelijke deel van het plangebied waarbij in de basis van de bouwvoor (soms in de top van het dekzand) brokjes klei zijn waargenomen. Dit duidt erop dat dit gedeelte van het plangebied regelmatig onder water heeft gestaan waarbij een dun pakket komklei is afgezet dat als gevolg van ploegwerkzaamheden ‘kapot ’is geploegd. De dekzandvlakte strekt zich in zuidwestelijke richting verder uit, zonder dat hier klei is aangetroffen. In het centrale deel van het plangebied bevindt zich een noordoost-zuidwest lopende strook waarbij het dekzandlandschap langzamerhand wat begint op te lopen. Dit is geduid als een dekzandwelving, overeenkomstig met de landschappelijke eenhedenkaart van de gemeente Oss. Het landschap loopt in zuidoostelijke richting steeds verder op. Dit is in afbeelding 3.5 aangeduid als een dekzandkop. Dit is in vergelijking met het hoger gelegen landschap
Amsteleind Zuid en Kleinussen te Oss. Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek
32
verder in oostelijke richting mogelijk wat overdreven, maar het geeft de verhoudingen binnen het plangebied duidelijk weer.
Afb. 3.5. Geomorfologische kaart van het plangebied.
3.3.3 Archeologische indicatoren Bij controle van het opgeboorde materiaal zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. Een verkennend booronderzoek is er echter niet op gericht om indicatoren te vinden. De afwezigheid van indicatoren zegt dus niets over de aan- of afwezigheid van een vindplaats.
Amsteleind Zuid en Kleinussen te Oss. Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek
33
3.4 Archeologische interpretatie Op basis van de resultaten van het verkennende booronderzoek kan worden geconcludeerd dat de bodemopbouw binnen het plangebied goed overeenkomt met de verwachting zoals uit het bureauonderzoek naar voren is gekomen. Het betreft daadwerkelijk een terrassenlandschap opgebouwd uit grove rivierzanden en -grinden van de Formatie van Kreftenheye. Deze afzettingen zijn afgedekt met een dikte variërend pakket dekzand. Conform de verwachting loopt het landschap in zuidoostelijke richting op. In het noordelijke deel van het plangebied bevindt zich een laaggelegen dekzandvlakte. De bodem bestaat hier uit een vaaggrond, is nat met roestvlekken tot in de bouwvoor en is bedekt geweest met een dun pakket komklei. Dit pakket komklei is als gevolg van ploegwerkzaamheden aangetroffen als kleibrokjes in de basis van de bouwvoor.
Afb. 3.6 Verwachtingskaart naar aanleiding van de resultaten van het veldonderzoek.
De dekzandvlakte strekt zich verder in zuidwestelijke richting uit, maar dan zonder dat hier een kleidek aanwezig is geweest. Het dekzand bevond zich hier buiten bereik van de rivier. Desalniettemin betreft het ook hier een nat terrein. Amsteleind Zuid en Kleinussen te Oss. Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek
34
Er zijn roestvlekken tot in de bouwvoor aangetroffen, wat erop duidt dat het grondwater regelmatig tot aan het maaiveld staat. De bodem bestaat uit slecht ontwikkelde beekeerdgronden, wat eveneens duidt op natte omstandigheden. Ten tijde van de uitvoering van het veldwerk was het terrein hier erg nat. Al met al zijn dit geen gunstige locaties voor bewoning. De verwachting blijft in dit deel van het plangebied conform de verwachting derhalve laag. In afbeelding 3.6 is dit visueel weergegeven middels de lichtgele kleur. Het deel van het plangebied met een lage verwachting beslaat circa 25,4 ha. Door middel van het in kaart brengen van de hoogteligging van de top van het dekzand is een goed beeld ontstaan van de morfologie van het dekzandlandschap. Zo blijkt de dekzandwelving zich ten opzichte van de landschappelijke eenhedenkaart met name in het zuidelijke deel van het plangebied iets verder naar het westen te lopen. Het landschap was (en is) hier van wege de hogere ligging wat droger en daarmee ook wat gunstiger voor menselijk gebruik. De bodem bestaat hier uit slechtontwikkelde gooreerdgronden. Deze zone krijgt op basis van de wat hogere en drogere condities conform de verwachting een middelhoge verwachting toegekend. Op afbeelding 3.6 is dit middels een oranje kleur weergegeven. Het deel van het plangebied met een middelhoge verwachting beslaat circa 22,4 ha.
Het zuidoostelijk deel van het plangebied betreft het conform de verwachting hoogste gelegen deel van het plangebied. Het is hier ook relatief droog met een wat lagere grondwaterstand. De top van het bodemprofiel is relatief goed ontwaterd, met een smalle, volledig geoxideerde zone. In dit deel van het plangebied zijn ook enkele restanten van podzolen aangetroffen in de top van het dekzand. Aangezien het bodemprofiel ook hier echter grotendeels is afgetopt, is het niet meer te achterhalen of het de verwachte laarpodzolen betreft. Desalniettemin betreft dit deel vanwege de relatief hoge ligging de meest gunstige locatie voor menselijke activiteiten in het verleden. Deze zone krijgt om die reden een hoge verwachting toegekend. Dit is op afbeelding 3.6 middels een oranjerode kleur weergegeven. Het deel van het plangebied met een hoge verwachting beslaat circa 14,5 ha. Ten oosten van het plangebied zijn in het recente verleden veel sporen van bewoning in kaart gebracht. In de nabijgelegen wijk Ussen zijn diverse sporen van nederzettingsterreinen uit de ijzertijd en de Romeinse tijd aangetroffen. Ook op terreinen pal naast het plangebied zijn sporen uit deze perioden aangetroffen. De kans bestaat dat deze nederzettingsterreinen (deels) doorlopen tot binnen het plangebied. De kans hierop wordt in het zuidoostelijke deel van het plangebied het grootst geacht (hoge verwachting).
In het gebied met een middelhoge verwachting kunnen het bewoningssporen dan wel off-site structuren betreffen. Uit historisch kaartmateriaal blijkt dat begin 19e eeuw al drie clusters met boerenerven aanwezig waren binnen het plangebied. Het noordelijkste cluster bestond uit drie boerenerven, het middelste cluster bestond uit vier boerenerven en ook het zuidelijke cluster bestond uit vier boerenerven. Deze erven zijn momenteel allemaal nog bebouwd, maar niet meer allemaal met de oorspronkelijke 19e-eeuwse gebouwen. Desalniettemin wordt aan deze erven, conform de gemeentelijke beleidskaart, een hoge verwachting toegekend op het voorkomen van sporen gerelateerd aan deze historische erven. Op de verwachtingskaart in afbeelding 3.6 is dit middels een rode kleur weergegeven. Het gebied met een hoge verwachting op historische erven beslaat in totaal circa 3,1 ha.
Amsteleind Zuid en Kleinussen te Oss. Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek
35
4
Conclusie en aanbevelingen
Hieronder volgt de beantwoording van de onderzoeksvragen zoals gesteld in het Plan van Aanpak. De eerste drie vragen hebben betrekking op het bureauonderzoek. De overige op het veldonderzoek 57: Bureauonderzoek: ■ Zijn binnen het plangebied bekende archeologische waarden aanwezig? Zo ja, welke gegevens zijn bekend over de omvang, ligging, aard en datering hiervan? In het plangebied zijn tot op heden geen archeologische waarden aangetroffen. In het plangebied zijn wel enkele historische erven aanwezig waar begin 19e eeuw, maar vermoedelijk eerder, bebouwing aanwezig was. Rondom het plangebied zijn in het recente verleden al veel sporen van bewoning in kaart gebracht. Zo zijn in de nabijgelegen wijk Ussen tijdens diverse onderzoeken in het vierde kwart van de vorige eeuw sporen van nederzettingsterreinen uit de ijzertijd en de Romeinse tijd aangetroffen. Ook op terreinen pal naast het plangebied zijn sporen uit deze perioden aangetroffen. De kans bestaat dat deze nederzettingsterreinen (deels) doorlopen tot binnen het plangebied. Het kan hierbij gaan om erven of off-site structuren. ■ Wat is de verwachte bodemopbouw in het gebied en welke gegevens zijn bekend over bodemverstorende
ingrepen in het verleden binnen het plangebied? Het plangebied bevindt zich in een zogenaamd terrassenlandschap, waar in de ondiepe ondergrond grove rivierzanden en -grinden van de Formatie van Kreftenheye voorkomen. De grove rivierzanden en -grinden zijn in het plangebied en omgeving naar verwachting afgedekt met een relatief dun pakket dekzand. Uit het AHN, de landschappelijke eenhedenkaart van de gemeente Oss en de resultaten van eerder onderzoek blijkt dat het landschap van noordwest naar zuidoost oploopt. In het noordwesten bevinden zich de wat lagergelegen dekzandvlakten, in het zuidoosten bevinden zich de wat hoger gelegen dekzandwelvingen. Uit het booronderzoek van RAAP in het naastgelegen gebied blijkt dat het noordelijke deel van onderhavig plangebied in het verleden mogelijk ook met een zeer dun pakket klei bedekt is geweest. Ter plaatse van het plangebied worden vier bodemtypes verwacht. In het uiterste, laaggelegen noordelijke deel betreft het een vlakvaaggrond. In het centrale deel worden beekeerdgronden verwacht terwijl in het wat hoger gelegen zuidoostelijke deel, op de dekzandwelvingen een laarpodzolgrond en een gooreerdgrond worden verwacht. Uit onderzoek pal naast het plangebied blijkt dat de bodem als gevolg van agrarische werkzaamheden grotendeels is afgetopt. De kans is groot dat dit ook binnen het plangebied deels het geval zal zijn.
Naast dergelijke verstoringen als gevolg van agrarisch grondgebruik worden binnen het plangebied geen grootschalige verstoringen verwacht. ■ Wat is de specifieke archeologische verwachting voor het gebied?
Op basis van de landschappelijke ligging en de verwachte bodemopbouw wordt aan de laaggelegen dekzandvlakte in het noordwestelijke deel van het plangebied een lage verwachting toegekend op vindplaatsen uit alle perioden. Aan de dekzandwelvingen, dus de wat hoger gelegen zuidoostelijke helft van het plangebied wordt, conform de gemeentelijke verwachtingskaart, een middelhoge tot hoge verwachting toegekend op sporen van bewoning vanaf het laat-paleolithicum tot en met de volle middeleeuwen. Voor de late middeleeuwen en de nieuwe tijd geldt voor het plangebied een lage verwachting, met uitzondering van de binnen het plangebied aanwezige historische erven. Deze krijgen een hoge verwachting toegekend voor erf gerelateerde resten uit de late middeleeuwen-nieuwe tijd. Veldonderzoek: ■ Hoe is de bodemopbouw en zijn (begraven) bodems met potentiële archeologische niveaus (cultuurlagen) aanwezig? Zo ja, waar en op welke diepte? Het betreft een terrassenlandschap opgebouwd uit grove rivierzanden en -grinden van de Formatie van Kreftenheye. Deze afzettingen zijn afgedekt met een dikte variërend pakket dekzand. Conform de verwachting loopt het landschap in zuidoostelijke richting op. In het noordelijke deel van het plangebied bevindt zich een laaggelegen dekzandvlakte.
De bodem bestaat hier uit een vaaggrond, is nat met roestvlekken tot in de bouwvoor en is bedekt geweest met een dun pakket komklei. De dekzandvlakte sterkt zich verder in zuidwestelijke richting 57
Van Putten 2024.
Amsteleind Zuid en Kleinussen te Oss. Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek
36
uit, maar dan zonder dat hier een kleidek aanwezig is geweest. De bodem bestaat uit slecht ontwikkelde beekeerdgronden, wat duidt op natte omstandigheden. Ten zuidoosten van de dekzandvlakte bevindt zich een dekzandwelving. Deze dekzandwelving zich blijkt ten opzichte van de landschappelijke eenhedenkaart van de gemeente Oss met name in het zuidelijke deel van het plangebied iets verder naar het westen te lopen. Het landschap was (en is) hier van wege de hogere ligging wat droger en daarmee ook wat gunstiger voor menselijk gebruik. De bodem bestaat hier uit slechtontwikkelde gooreerdgronden. Het zuidoostelijk deel van het plangebied betreft het conform de verwachting hoogste gelegen deel van het plangebied. Het is hier ook relatief droog met een wat lagere grondwaterstand. De top van het bodemprofiel is relatief goed ontwaterd, met een smalle, volledig geoxideerde zone. In dit deel van het plangebied zijn ook enkele restanten van podzolen aangetroffen in de top van het dekzand. Aangezien het bodemprofiel ook hier echter grotendeels is afgetopt, is het niet meer te achterhalen of het de verwachte laarpodzolen betreft. Vanwege het feit dat nagenoeg het gehele plangebied in meer of mindere mate is afgetopt en de oorspronkelijke bodemtypes moeilijk zijn te achterhalen, is de verwachting voornamelijk gebaseerd op de morfologie van het dekzandlandschap.
Het plangebied is op basis van het veldonderzoek opgedeeld in drie min of meer noordoostzuidwest lopende zones. De noordwestelijke zone betreft een laaggelegen dekzandvlakte waaraan een lage verwachting is toegekend op het voorkomen van sporen uit alle perioden. Vervolgens is een zone ingetekend bestaande uit dekzandwelvingen. Aan deze zone is een middelhoge verwachting toegekend op het voorkomen van zowel nederzettingssporen als off-site sporen uit de periode laat-paleolithicum – volle middeleeuwen, maar met de nadruk op de ijzertijd en de Romeinse tijd. Het hoogste gelegen zuidoostelijke deel van het plangebied heeft een hoge verwachting toegekend gekregen op het voorkomen van sporen van zowel nederzettingsterreinen als off-site sporen uit de periode laat-paleolithicum – volle middeleeuwen, met de nadruk op de ijzertijd en de Romeinse tijd. Uit historisch kaartmateriaal blijkt dat begin 19e eeuw al drie clusters met boerenerven aanwezig waren binnen het plangebied. Aan deze erven is, conform de gemeentelijke beleidskaart, een hoge verwachting toegekend op het voorkomen van sporen gerelateerd aan deze historische erven. ■ In hoeverre worden archeologische resten/niveaus bedreigd en is vervolgonderzoek nodig en zo ja, in welke
vorm? De toekomstige bodemverstoringen zijn vooralsnog niet bekend, maar het ligt voor de hand dat de bodem bij het bouwrijp maken van het gebied (lokaal) tot in de archeologisch relevante bodemlaag zal worden verstoord. De realisatie van de plannen kan derhalve leiden tot aantasting of vernietiging van mogelijk aanwezige archeologische waarden. Derhalve wordt aanbevolen om bij bodemingrepen dieper dan 30 cm -mv in de gebieden met een (middel)hoge verwachting een vervolgonderzoek uit te laten voeren. Gezien de grootte van dit deel van het plangebied (circa 37 ha), het feit dat het om een gebied gaat met een hoge archeologisch potentie maar waar tot op heden nog geen archeologische waarden zijn aangetroffen, adviseert BAAC om dit vervolgonderzoek in eerste instantie uit een karterend booronderzoek te laten bestaan (onderzoeksmethode C1). Middels een dergelijk karterend booronderzoek, dat geschikt wordt geacht om vindplaatsen met een omvang van 500 tot 2000 m 2 te kunnen traceren waarbij voornamelijk een strooiing van aardewerk wordt verwacht, kan worden nagegaan of daadwerkelijk archeologische resten aanwezig zijn. Voorafgaand aan het booronderzoek dienen de eisen waaraan het onderzoek dient te voldoen, te worden vastgelegd in een door de bevoegde overheid goed te keuren Plan van Aanpak (PvA).
BAAC adviseert tevens om de locaties waaraan een hoge verwachting is toegekend op het voorkomen van sporen gerelateerd aan de historische erven te ontzien bij de plannen voor het gebied. Mocht dit niet mogelijk blijken te zijn, dan dient op deze locaties een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. Voorafgaand aan het gravend onderzoek dienen de eisen waaraan het onderzoek dient te voldoen, te worden vastgelegd in een door de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen (PvE). Voor de zones met een lage verwachting wordt geen vervolgonderzoek aanbevolen. Bovenstaand advies is voorgelegd aan de bevoegde overheid (gemeente Oss) in het kader van de vergunningsaanvraag. De bevoegde overheid heeft het rapport na aanpassing van enkele opmerkingen goedgekeurd. Over de vorm waarin het vervolgonderzoek (karterend booronderzoek) zal worden uitgevoerd, dient voorafgaand eerst en overleg te worden gevoerd.58 Hoewel getracht is een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethoden, kan de aanwezigheid van archeologische sporen of resten nooit volledig worden uitgesloten in de gebieden waarvoor geen vervolgonderzoek wordt aanbevolen. BAAC wil er daarom op wijzen dat men bij bodemverstorende activiteiten alert dient te zijn op de aanwezigheid van archeologische waarden (zoals vondstmateriaal en grondsporen).
Bij het aantreffen van deze waarden dient men hiervan, volgens artikel 5.10 van de Erfgoedwet en afdeling 19.2 58
E-mail d.d. 04-02-2025.
Amsteleind Zuid en Kleinussen te Oss. Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek
37
Omgevingswet, zo spoedig mogelijk melding te maken bij de minister van OC&W (in de praktijk de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed) en bij de gemeente.
Amsteleind Zuid en Kleinussen te Oss. Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek
38
5
Geraadpleegde bronnen
Literatuur Bakker, H. de & J. Schelling, 1989: Systeem van bodemclassificatie voor Nederland. De hogere niveaus, Wageningen. Berendsen, H.J.A., E. Stouthamer, K.M. Cohen & W.Z. Hoek, 2021: Landschap in delen. De fysischgeografische regio’s, Utrecht. Bosch, J.H.A., 2008: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode versie 1.1. Op basis van de Standaard Boor Beschrijvingsmethode versie 5.2, Utrecht (Deltares-rapport 2008-U-R0881/A). Boshoven, E.H. & L.J. Keunen, 2024: Archeologie in de gemeente Oss: Actualisatie archeologische verwachtings- en beleidskaart. RAAP-rapport 5923, Weesp. CCvD, 2018: Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1, Gouda. Ellenkamp, G.R., 2020: Plangebied Het Brand te OssWest, gemeente Oss: archeologisch vooronderzoek: een bureau- en verkennend booronderzoek. RAAPrapport 4376, Weesp. Fokkens, H., 1990: Oss, Ussen. In: Archeologische Kroniek van Noord-Brabant 1985-1987, p. 41-44. Fokkens, H., S. van As & R. Jansen, 2019: The OssNoord Project. The Second Decade of Excavations at Oss 1986-1996. Analecta Praehistorica Leidensia 48, Leiden. Helm, P. van den, 2022: Inventariserend veldonderzoek (IVO-P) Oss-Het Brand. Archol Rapport 672, Leiden. Huisink, M., 1998: Changing river styles in response to climate change. Examples from the Maas and Vecht during the Weichselian Pleni- and Late glacial, Wageningen.
Kasse, C., 1995: Younger Dryas cooling and fluvial response (Maas River, the Netherlands), Geologie en Mijnbouw 74, 251-256. Mulder, E.F.J. de, M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhoff & T.E. Wong, 2003: De ondergrond van Nederland, Groningen/Houten.
Oude Rengerink, J.A.M., 2005: Inventariserend archeologisch onderzoek RVK Lage Maaskant in de gemeente Oss. Oranjewoud projectnr. 151650. Putten, M.J. van, 2024: Plan van Aanpak, versie 1. Gemeente Oss, Amsteleind Zuid en Kleinussen te Oss, ’s-Hertogenbosch (BAAC-project V-24.0740). Stichting voor Bodemkartering, 1976b: Bodemkaart van Nederland schaal 1:50.000. Toelichting bij de kaartbladen 45 Oost ’s-Hertogenbosch en 46 West – 46 Oost Vierlingsbeek, Wageningen. Verwers, G.J., 1978: Oss, Ussen. In: Archeologische Kroniek van Noord-Brabant 1974-1976, p. 32-33. Verwers, G.J., 1981: Oss, Ussen. In: Archeologische Kroniek van Noord-Brabant 1977-1979, p. 35-39. Eindhoven. Verwers, G.J., 1983: Oss, Ussen. In: Archeologische Kroniek van Noord-Brabant 1979-1980, p. 29-31. Eindhoven. Wesselingh, D.A., 2000: Native neighbours. Local settlement system and social structure in the Roman period at Oss (the Netherlands). Analecta Praehistorica Leidensia 32, Leiden.
Geraadpleegde kaarten en websites AHN 4, Actueel Hoogtebestand Nederland, http://www.ahn.nl, 2024. Archis 3, Archeologisch Informatiesysteem, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed RCE), https://archis.cultureelerfgoed.nl/, december 2024. DINOloket, Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond, http://www.dinoloket.nl, 2024. IKME, Indicatieve Kaart Militair Erfgoed, http://www.ikme.nl/, december 2024. Informatiepunt Leefomgeving, https://iplo.nl/, december 2024. Kadasterkaart (minuutplan en OAT), 1811-1832, http://beeldbank.cultureelerfgoed.nl, december 2024.
Amsteleind Zuid en Kleinussen te Oss. Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek
39
NAZCA, https://noord-brabant.nazca4u.nl, december 2024. PDOK, Publieke Dienstverlening Op de Kaart, https://www.pdok.nl/, december 2024. Topotijdreis, https://www.topotijdreis.nl, december 2024.
Overige bronnen E-mail van de heer Van Nistelrooij, 17-12-2024.
Amsteleind Zuid en Kleinussen te Oss. Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek
40
6 Bijlage 1 Bijlage 2
Bijlagen
Geologische en archeologische tijdvakken Boorbeschrijvingen
Amsteleind Zuid en Kleinussen te Oss. Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek
41
Amsteleind Zuid en Kleinussen te Oss. Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek
42
Bijlage 1: Geologische en archeologische tijdvakken Chronostratigrafie
MIS
Holoceen (warme periode)
1
11.650
14.030
Laat
Laat
30.000
60.000
Weichselien (ijstijd)
14.640
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
75.000
Formatie van Kreftenheye (Rijn) 2
MiddenPleniglaciaal (koud)
3
VroegPleniglaciaal (zeer koud)
4
VroegWeichselien (gematigd koud)
Pleistoceen
117.000
Kwartair
5a 5b 5c 5d
Eemien (warme periode)
5e
Saalien (ijstijd)
6-10
Holsteinien (warme periode)
11
Elsterien (ijstijd)
12
Cromerien (warme periode)
1322
Pre-Cromerien
23104
Eem Formatie (marien, lagunair en lacustrien) Formatie van Drente (Glaciaal)
130.000
Midden
410.000
Midden
370.000
475.000
2.600.000
Vroeg
Vroeg
850.000
Formatie van Urk (Rijn) Formatie van Peelo (Glaciaal) Formatie van Sterksel (Rijn)
Chrono-, zuurstofisotopen- en lithostratigrafie voor Noordwest-Europa naar De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Berendsen (2008) en Cohen et al. (2009). Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor Cultuurhistorisch Erfgoed (RCE). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2008). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).
Formatie van Beegden (Maas)
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
13.900
Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm) LaatPleniglaciaal (zeer koud)
Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel)
Formatie van Boxtel (eolisch en lokaal terrestrisch)
12.850
Lithostratigrafie
Formatie van Stamproy (eolisch en lokaal terrestrisch)
Ouderdom (jr) 0 = 1950 n. Chr.
Ouderdom (kal. jaren BP1)
14
C jaren
Chronostratigrafie
Pollen zones
Vegetatie
Archeologische perioden (kal. jaren v/n. Chr.) nieuwe tijd (1500-heden)
450 Vb2 1150
1250
1962
Laat
1500
Subatlanticum (koeler Vochtiger)
1950
Holoceen
2900
5700
Subboreaal (koeler Droger)
5000
7250
10.250
9000
10.750 10.150
13.900
11.900
14.030
12.100
14.640
12.450
130.000
300.000 (v. Chr.)
1
14
117.000
C-methode loopt tot 43.000 jaar BP
35.000 (v. Chr.)
75.000
III
Loofbos eik en els overheersen, relatief veel iep en linde. Het percentage den neemt af
Boreaal (warmer)
II
Den overheerst, daarnaast hazelaar, eik, iep, linde, es
Preboreaal (warmer)
I
Eerst berk en later overheerst de den
Late Dryas
LW III
Parklandschap (subarctisch)
Allerød
LW II
LaatWeichselien (Laat-Glaciaal) Weichselien (ijstijd)
10.950
Laat-Pleistoceen
12.850
MiddenPleistoceen
11.650
Loofbos. Eik, els en hazelaar overheersen; beuk vanaf IVb >1% en grotere invloed landbouw (granen)
Atlanticum (warm Vochtig) 8000
Vroeg
8700
IVa
Midden
3950
IVb
Vroege Dryas Bølling
Dennen- en berkenbossen Open parklandschap
LW I
Romeinse tijd (12 v.Chr. – 450 n. Chr.)
bronstijd (2000 – 800 v. Chr.)
neolithicum (5300 – 2000 v. Chr.)
mesolithicum (8800 – 5300 v. Chr.)
laat-paleolithicum (35.000 – 8800 v. Chr.)
Open vegetatie met kruiden (bijvoet) en berkenbomen
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
Perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra
VroegWeichselien (Vroeg-Glaciaal)
Perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap
Eemien (warme periode)
Loofbos
Saalien (ijstijd)
Maximale ijsuitbreiding Scandinavische ijskap tussen 200.000 en 130.000 jaar BP
BP = aantal werkelijke jaren voor 1950 AD.
middeleeuwen (450-1500 n. Chr.)
ijzertijd (800 – 12 v. Chr.)
Va
2750 3050
Vb1
Loofbos, waarbij eik en els overheersen; haagbeuk vanaf Vb1 (>1%); vanaf Vb2 veel cultuurplanten (rogge, boekweit, korenbloem)
midden-paleolithicum (300.000 – 35.000 v. Chr.)
vroeg-paleolithicum (tot 300.000 v. Chr.)
V-24.0740: Oss, Oss, Amsteleind Zuid en Kleinussn (5672036100)
Boring 1 beschrijver: BAAC, datum: 14-1-2025, coördinaat: /, coördinaatsysteem: RD/New (EPSG:28992), locatiebepaling: GPS (precisie 3,0 cm), hoogte maaiveld: cm, referentievlak: NAP (Normaal Amsterdams Peil), hoogtebepaling: GPS (precisie 3,0 cm), boortype: Edelman (7 cm), doel boring: archeologisch prospectief/IVO-vf, landgebruik: overige , vondstzichtbaarheid: slecht, provincie: Noord-Brabant, gemeente: Oss, plaatsnaam: Oss, opdrachtgever: Gemeente Oss, uitvoerder: BAAC
1
Zs1
laag 1 aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm) beschrijving: zand, zwak siltig, grijs interpretatie: bodemhorizont niet bepaald opmerkingen: Boring niet geplaatst, geen toestemming
pag. 1 van 371
V-24.0740: Oss, Oss, Amsteleind Zuid en Kleinussn (5672036100)
Boring 2 beschrijver: BAAC, datum: 14-1-2025, coördinaat: /, coördinaatsysteem: RD/New (EPSG:28992), locatiebepaling: GPS (precisie 3,0 cm), hoogte maaiveld: cm, referentievlak: NAP (Normaal Amsterdams Peil), hoogtebepaling: GPS (precisie 3,0 cm), boortype: Edelman (7 cm), doel boring: archeologisch prospectief/IVO-vf, landgebruik: overige , vondstzichtbaarheid: slecht, provincie: Noord-Brabant, gemeente: Oss, plaatsnaam: Oss, opdrachtgever: Gemeente Oss, uitvoerder: BAAC
1
Zs1
laag 1 aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm) beschrijving: zand, zwak siltig, grijs interpretatie: bodemhorizont niet bepaald opmerkingen: Boring niet geplaatst, geen toestemming
pag. 2 van 371
V-24.0740: Oss, Oss, Amsteleind Zuid en Kleinussn (5672036100)
Boring 3 beschrijver: BAAC, datum: 14-1-2025, coördinaat: /, coördinaatsysteem: RD/New (EPSG:28992), locatiebepaling: GPS (precisie 3,0 cm), hoogte maaiveld: cm, referentievlak: NAP (Normaal Amsterdams Peil), hoogtebepaling: GPS (precisie 3,0 cm), boortype: Edelman (7 cm), doel boring: archeologisch prospectief/IVO-vf, landgebruik: overige , vondstzichtbaarheid: slecht, provincie: Noord-Brabant, gemeente: Oss, plaatsnaam: Oss, opdrachtgever: Gemeente Oss, uitvoerder: BAAC
1
Zs1
laag 1 aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm) beschrijving: zand, zwak siltig, grijs interpretatie: bodemhorizont niet bepaald opmerkingen: Boring niet geplaatst, geen toestemming
pag. 3 van 371
V-24.0740: Oss, Oss, Amsteleind Zuid en Kleinussn (5672036100)
Boring 4 beschrijver: BAAC, datum: 14-1-2025, coördinaat: /, coördinaatsysteem: RD/New (EPSG:28992), locatiebepaling: GPS (precisie 3,0 cm), hoogte maaiveld: cm, referentievlak: NAP (Normaal Amsterdams Peil), hoogtebepaling: GPS (precisie 3,0 cm), boortype: Edelman (7 cm), doel boring: archeologisch prospectief/IVO-vf, landgebruik: overige , vondstzichtbaarheid: slecht, provincie: Noord-Brabant, gemeente: Oss, plaatsnaam: Oss, opdrachtgever: Gemeente Oss, uitvoerder: BAAC
1
Zs1
laag 1 aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm) beschrijving: zand, zwak siltig, grijs interpretatie: bodemhorizont niet bepaald opmerkingen: Boring niet geplaatst, geen toestemming
pag. 4 van 371
V-24.0740: Oss, Oss, Amsteleind Zuid en Kleinussn (5672036100)
Boring 5 beschrijver: BAAC, datum: 14-1-2025, coördinaat: /, coördinaatsysteem: RD/New (EPSG:28992), locatiebepaling: GPS (precisie 3,0 cm), hoogte maaiveld: cm, referentievlak: NAP (Normaal Amsterdams Peil), hoogtebepaling: GPS (precisie 3,0 cm), boortype: Edelman (7 cm), doel boring: archeologisch prospectief/IVO-vf, landgebruik: overige , vondstzichtbaarheid: slecht, provincie: Noord-Brabant, gemeente: Oss, plaatsnaam: Oss, opdrachtgever: Gemeente Oss, uitvoerder: BAAC
1
Zs1
laag 1 aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm) beschrijving: zand, zwak siltig, grijs interpretatie: bodemhorizont niet bepaald opmerkingen: Boring niet geplaatst, geen toestemming
pag. 5 van 371
V-24.0740: Oss, Oss, Amsteleind Zuid en Kleinussn (5672036100)
Boring 6 beschrijver: BAAC, datum: 14-1-2025, coördinaat: /, coördinaatsysteem: RD/New (EPSG:28992), locatiebepaling: GPS (precisie 3,0 cm), hoogte maaiveld: cm, referentievlak: NAP (Normaal Amsterdams Peil), hoogtebepaling: GPS (precisie 3,0 cm), boortype: Edelman (7 cm), doel boring: archeologisch prospectief/IVO-vf, landgebruik: overige , vondstzichtbaarheid: slecht, provincie: Noord-Brabant, gemeente: Oss, plaatsnaam: Oss, opdrachtgever: Gemeente Oss, uitvoerder: BAAC
1
Zs1
laag 1 aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm) beschrijving: zand, zwak siltig, grijs interpretatie: bodemhorizont niet bepaald opmerkingen: Boring niet geplaatst, geen toestemming
pag. 6 van 371
V-24.0740: Oss, Oss, Amsteleind Zuid en Kleinussn (5672036100)
Boring 7 beschrijver: BAAC, datum: 14-1-2025, coördinaat: /, coördinaatsysteem: RD/New (EPSG:28992), locatiebepaling: GPS (precisie 3,0 cm), hoogte maaiveld: cm, referentievlak: NAP (Normaal Amsterdams Peil), hoogtebepaling: GPS (precisie 3,0 cm), boortype: Edelman (7 cm), doel boring: archeologisch prospectief/IVO-vf, landgebruik: overige , vondstzichtbaarheid: slecht, provincie: Noord-Brabant, gemeente: Oss, plaatsnaam: Oss, opdrachtgever: Gemeente Oss, uitvoerder: BAAC
1
Zs1
laag 1 aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm) beschrijving: zand, zwak siltig, grijs interpretatie: bodemhorizont niet bepaald opmerkingen: Boring niet geplaatst, geen toestemming
pag. 7 van 371
V-24.0740: Oss, Oss, Amsteleind Zuid en Kleinussn (5672036100)
Boring 8 beschrijver: BAAC, datum: 14-1-2025, coördinaat: /, coördinaatsysteem: RD/New (EPSG:28992), locatiebepaling: GPS (precisie 3,0 cm), hoogte maaiveld: cm, referentievlak: NAP (Normaal Amsterdams Peil), hoogtebepaling: GPS (precisie 3,0 cm), boortype: Edelman (7 cm), doel boring: archeologisch prospectief/IVO-vf, landgebruik: overige , vondstzichtbaarheid: slecht, provincie: Noord-Brabant, gemeente: Oss, plaatsnaam: Oss, opdrachtgever: Gemeente Oss, uitvoerder: BAAC
1
Zs1
laag 1 aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm) beschrijving: zand, zwak siltig, grijs interpretatie: bodemhorizont niet bepaald opmerkingen: Boring niet geplaatst, geen toestemming
pag. 8 van 371
V-24.0740: Oss, Oss, Amsteleind Zuid en Kleinussn (5672036100)
Boring 9 beschrijver: BAAC, datum: 14-1-2025, coördinaat: /, coördinaatsysteem: RD/New (EPSG:28992), locatiebepaling: GPS (precisie 3,0 cm), hoogte maaiveld: cm, referentievlak: NAP (Normaal Amsterdams Peil), hoogtebepaling: GPS (precisie 3,0 cm), boortype: Edelman (7 cm), doel boring: archeologisch prospectief/IVO-vf, landgebruik: overige , vondstzichtbaarheid: slecht, provincie: Noord-Brabant, gemeente: Oss, plaatsnaam: Oss, opdrachtgever: Gemeente Oss, uitvoerder: BAAC
1
Zs1
laag 1 aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm) beschrijving: zand, zwak siltig, grijs interpretatie: bodemhorizont niet bepaald opmerkingen: Boring niet geplaatst, geen toestemming
pag. 9 van 371
V-24.0740: Oss, Oss, Amsteleind Zuid en Kleinussn (5672036100)
Boring 10 beschrijver: BAAC, datum: 14-1-2025, coördinaat: /, coördinaatsysteem: RD/New (EPSG:28992), locatiebepaling: GPS (precisie 3,0 cm), hoogte maaiveld: cm, referentievlak: NAP (Normaal Amsterdams Peil), hoogtebepaling: GPS (precisie 3,0 cm), boortype: Edelman (7 cm), doel boring: archeologisch prospectief/IVO-vf, landgebruik: overige , vondstzichtbaarheid: slecht, provincie: Noord-Brabant, gemeente: Oss, plaatsnaam: Oss, opdrachtgever: Gemeente Oss, uitvoerder: BAAC
1
Zs1
laag 1 aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm) beschrijving: zand, zwak siltig, grijs interpretatie: bodemhorizont niet bepaald opmerkingen: Boring niet geplaatst, geen toestemming
pag. 10 van 371
V-24.0740: Oss, Oss, Amsteleind Zuid en Kleinussn (5672036100)
Boring 11 beschrijver: BAAC, datum: 14-1-2025, coördinaat: /, coördinaatsysteem: RD/New (EPSG:28992), locatiebepaling: GPS (precisie 3,0 cm), hoogte maaiveld: cm, referentievlak: NAP (Normaal Amsterdams Peil), hoogtebepaling: GPS (precisie 3,0 cm), boortype: Edelman (7 cm), doel boring: archeologisch prospectief/IVO-vf, landgebruik: overige , vondstzichtbaarheid: slecht, provincie: Noord-Brabant, gemeente: Oss, plaatsnaam: Oss, opdrachtgever: Gemeente Oss, uitvoerder: BAAC
1
Zs1
laag 1 aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm) beschrijving: zand, zwak siltig, grijs interpretatie: bodemhorizont niet bepaald opmerkingen: Boring niet geplaatst, geen toestemming
pag. 11 van 371
V-24.0740: Oss, Oss, Amsteleind Zuid en Kleinussn (5672036100)
Boring 12 beschrijver: BAAC, datum: 14-1-2025, coördinaat: /, coördinaatsysteem: RD/New (EPSG:28992), locatiebepaling: GPS (precisie 3,0 cm), hoogte maaiveld: cm, referentievlak: NAP (Normaal Amsterdams Peil), hoogtebepaling: GPS (precisie 3,0 cm), boortype: Edelman (7 cm), doel boring: archeologisch prospectief/IVO-vf, landgebruik: overige , vondstzichtbaarheid: slecht, provincie: Noord-Brabant, gemeente: Oss, plaatsnaam: Oss, opdrachtgever: Gemeente Oss, uitvoerder: BAAC
1
Zs1
laag 1 aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm) beschrijving: zand, zwak siltig, grijs interpretatie: bodemhorizont niet bepaald opmerkingen: Boring niet geplaatst, geen toestemming
pag. 12 van 371
V-24.0740: Oss, Oss, Amsteleind Zuid en Kleinussn (5672036100)
Boring 13 beschrijver: BAAC, datum: 13-1-2025, coördinaat: 161608,16/419353,16, coördinaatsysteem: RD/New (EPSG:28992), locatiebepaling: GPS (precisie 3,0 cm), hoogte maaiveld: 4,15 cm, referentievlak: NAP (Normaal Amsterdams Peil), hoogtebepaling: GPS (precisie 3,0 cm), boortype: Edelman (7 cm), doel boring: archeologisch prospectief/IVO-vf, landgebruik: grasland/weiland, vondstzichtbaarheid: slecht, provincie: Noord-Brabant, gemeente: Oss, plaatsnaam: Oss, opdrachtgever: Gemeente Oss, uitvoerder: BAAC
1 2
Zs1
0 cm -mv / 4,15 m +NAP 5 cm -mv / 4,1 m +NAP
Zs1 15 cm -mv / 4 m +NAP
laag 1 aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm) beschrijving: zand, zwak siltig, matig fijn (150-210), donkerbruin, matig humeus, volledig geoxideerd, kalkloos (bruist niet) interpretatie: Ap-horizont, bouwvoor
3
laag 2 aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm) beschrijving: zand, zwak siltig, matig fijn (150-210), grijsbruin, zwak humeus, veel Fe-vlekken, oxidatie- en reductieverschijnselen, kalkloos (bruist niet)
Zs1
interpretatie: Ap-horizont, bouwvoor 60 cm -mv / 3,55 m +NAP
4
Zs1 80 cm -mv / 3,35 m +NAP
laag 3 aard ondergrens: geleidelijk (0,5-3 cm) beschrijving: zand, zwak siltig, matig fijn (150-210), geelgrijs, enkele Fe-vlekken, oxidatie- en reductieverschijnselen, kalkloos (bruist niet) interpretatie: Cg-horizont, dekzand laag 4
beschrijving: zand, zwak siltig, matig fijn (150-210), grijs, volledig gereduceerd, kalkloos (bruist niet) interpretatie: Cr-horizont, dekzand
pag. 13 van 371
V-24.0740: Oss, Oss, Amsteleind Zuid en Kleinussn (5672036100)
Boring 14 beschrijver: BAAC, datum: 13-1-2025, coördinaat: 161589,09/419397,93, coördinaatsysteem: RD/New (EPSG:28992), locatiebepaling: GPS (precisie 3,0 cm), hoogte maaiveld: 4,06 cm, referentievlak: NAP (Normaal Amsterdams Peil), hoogtebepaling: GPS (precisie 3,0 cm), boortype: Edelman (7 cm), doel boring: archeologisch prospectief/IVO-vf, landgebruik: grasland/weiland, vondstzichtbaarheid: slecht, provincie: Noord-Brabant, gemeente: Oss, plaatsnaam: Oss, opdrachtgever: Gemeente Oss, uitvoerder: BAAC