CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage_9e_Archeologisch_BO_IVO_Amsteleind_zuid_en_Kleinussen__BAAC__februari_2025_

Gemeenteraad 11 december 2025, gemeente OssBij agendapunt: Agenda gerelateerd25.427 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Gemeente Oss Plangebied Amsteleind Zuid en Kleinussen te Oss Archeologisch bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek (verkennende fase) BAAC-rapport V-24.0740

VERSIE 2.1 Februari 2025

■ Colofon ISSN: Auteur(s): Veldmedewerkers:

Cartografie: Inhoudelijke controle: Redactie:

1873-9350

..

© BAAC, ’s-Hertogenbosch (2024) BAAC aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.

■ BAAC – Archeologie en Bouwhistorie Graaf van Solmsweg 103 5222 BS ‘s-Hertogenbosch Tel.: (073) 61 36 219 E-mail: denbosch@baac.nl

Popovstraat 54 8013 RK Zwolle Tel.: (038) 30 36 650 E-mail: zwolle@baac.nl

Inhoudsopgave n Samenvatting

5

n 1

Inleiding

7

n 2

Bureauonderzoek

11

n 3

Inventariserend veldonderzoek

27

1.1

Onderzoekskader 1.1.1 Aanleiding 1.1.2 Beleidskader 1.1.3 Kwaliteitsborging 1.2 Doel- en vraagstelling 1.3 Situering van het plan- en onderzoeksgebied 1.4 Toekomstige ontwikkeling 1.5 Administratieve gegevens 2.1 2.2

Werkwijze Landschap 2.2.1 Algemene ontwikkeling 2.2.2 Gebiedsspecifieke beschrijving 2.3 Bewoningsgeschiedenis 2.3.1 Inleiding 2.3.2 Historie 2.4 Archeologische gegevens 2.4.1 Gemeentelijke verwachtingskaart 2.4.2 Bekende vondsten en eerder onderzoek 2.5 Archeologische verwachting 3.1 3.2 3.3

Werkwijze Veldwaarnemingen Verkennend booronderzoek 3.3.1 Lithologie en bodemopbouw 3.3.2 Archeologische indicatoren 3.4 Archeologische interpretatie

7 7 7 7 7 8 10 10 11 11 11 13 17 17 18 21 21 22 25

27 28 29 29 33 34

n 4 Conclusie en aanbevelingen

36

n 5

Geraadpleegde bronnen

39

■ 6

Bijlagen

41

Bijlage 1 Bijlage 2

Geologische en archeologische tijdvakken Boorbeschrijvingen

Amsteleind Zuid en Kleinussen te Oss. Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

4

Samenvatting BAAC heeft een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek) uitgevoerd in het plangebied Amsteleind Zuid en Kleinussen te Oss, gemeente Oss. Aanleiding voor het onderzoek is het plan om binnen het gebied op grote schaal woningbouw te ontwikkelen.

Uit het bureauonderzoek is gebleken dat het plangebied zich in een terrassenlandschap bevindt, waar in de ondiepe ondergrond grove rivierzanden en -grinden van de Formatie van Kreftenheye voorkomen. De grove rivierzanden en grinden zijn in het plangebied en omgeving naar verwachting afgedekt met een relatief dun pakket dekzand. Het landschap loopt van noordwest naar zuidoost op. In het noordwesten bevinden zich de wat lagergelegen dekzandvlakten, in het zuidoosten bevinden zich de wat hoger gelegen dekzandwelvingen. Ter plaatse van het plangebied worden vier bodemtypes verwacht. In het uiterste, laaggelegen noordelijke deel betreft het een vlakvaagrond. In het centrale deel worden beekeerdgronden verwacht terwijl in het wat hoger gelegen zuidoostelijke deel, op de dekzandwelvingen een laarpodzolgrond en een gooreerdgrond worden verwacht. De verwachting is dat het landschap grotendeels is afgetopt. Naast dergelijke verstoringen als gevolg van agrarisch grondgebruik worden binnen het plangebied geen grootschalige verstoringen verwacht. Uit historisch kaartmateriaal blijkt dat begin 19e eeuw drie clusters met boerenerven aanwezig waren binnen het plangebied. Rondom het plangebied zijn in het recente verleden al veel sporen van bewoning in kaart gebracht.

Zo zijn in de nabijgelegen wijk Ussen tijdens diverse onderzoeken in het vierde kwart van de vorige eeuw sporen van nederzettingsterreinen uit de ijzertijd en de Romeinse tijd aangetroffen. Ook op terreinen pal naast het plangebied zijn sporen uit deze perioden aangetroffen. De kans bestaat dat deze nederzettingsterreinen (deels) doorlopen tot binnen het plangebied. Het kan hierbij gaan om erven of off-site structuren. Op basis van de landschappelijke ligging en de verwachte bodemopbouw wordt aan de laaggelegen dekzandvlakte in het noordwestelijke deel van het plangebied een lage verwachting toegekend op vindplaatsen uit alle perioden. Aan de dekzandwelvingen, dus de wat hoger gelegen zuidoostelijke helft van het plangebied wordt, conform de gemeentelijke verwachtingskaart, een middelhoge tot hoge verwachting toegekend op sporen van bewoning vanaf het laat-paleolithicum tot en met de volle middeleeuwen. Voor de late middeleeuwen en de nieuwe tijd geldt voor het plangebied een lage verwachting, met uitzondering van de binnen het plangebied aanwezige historische erven. Deze krijgen een hoge verwachting toegekend voor erf gerelateerde resten uit de late middeleeuwen-nieuwe tijd.

Uit het veldonderzoek blijkt dat het plangebied daadwerkelijk uit een terrassenlandschap bestaat, opgebouwd uit grove rivierzanden en -grinden van de Formatie van Kreftenheye. Deze afzettingen zijn afgedekt met een in dikte variërend pakket dekzand. Conform de verwachting loopt het landschap in zuidoostelijke richting op. In het noordelijke deel van het plangebied bevindt zich een laaggelegen dekzandvlakte. De bodem bestaat hier uit een vaaggrond, is nat met roestvlekken tot in de bouwvoor en is bedekt geweest met een dun pakket komklei. De dekzandvlakte sterkt zich verder in zuidwestelijke richting uit. De bodem bestaat uit slecht ontwikkelde beekeerdgronden, wat duidt op natte omstandigheden. Ten zuidoosten van de dekzandvlakte bevindt zich een dekzandwelving. Het landschap was (en is) hier van wege de hogere ligging wat droger en daarmee ook wat gunstiger voor menselijk gebruik. De bodem bestaat hier uit slechtontwikkelde gooreerdgronden. Het zuidoostelijk deel van het plangebied betreft het conform de verwachting hoogste gelegen deel van het plangebied. Het is hier ook relatief droog met een wat lagere grondwaterstand. De top van het bodemprofiel is relatief goed ontwaterd. In dit deel van het plangebied zijn ook enkele restanten van podzolen aangetroffen in de top van het dekzand.

Het plangebied is op basis van het veldonderzoek opgedeeld in drie min of meer noordoost-zuidwest lopende zones. De noordwestelijke zone betreft een laaggelegen dekzandvlakte waaraan een lage verwachting is toegekend op het voorkomen van sporen uit alle perioden. Vervolgens is een zone ingetekend bestaande uit dekzandwelvingen. Aan deze zone is een middelhoge verwachting toegekend op het voorkomen van zowel nederzettingssporen als off-site sporen uit de periode laat-paleolithicum – volle middeleeuwen, maar met de nadruk op de ijzertijd en de Romeinse tijd. Het hoogste gelegen zuidoostelijke deel van het plangebied heeft een hoge verwachting toegekend gekregen op het voorkomen van sporen van zowel nederzettingsterreinen als off-site sporen uit de periode laat-paleolithicum – volle middeleeuwen, met de nadruk op de ijzertijd en de Romeinse tijd. Amsteleind Zuid en Kleinussen te Oss. Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

5

Uit historisch kaartmateriaal blijkt dat begin 19e eeuw al drie clusters met boerenerven aanwezig waren binnen het plangebied. Aan deze erven is, conform de gemeentelijke beleidskaart, een hoge verwachting toegekend op het voorkomen van sporen gerelateerd aan deze historische erven. BAAC adviseert om bij bodemverstorende activiteiten die dieper reiken dan 30 cm -mv een vervolgonderzoek te laten uitvoeren in de gebieden met een (middel)hoge verwachting. BAAC adviseert om dit vervolgonderzoek in eerste instantie uit een karterend booronderzoek te laten bestaan (onderzoeksmethode C1). Middels een dergelijk karterend booronderzoek, dat geschikt wordt geacht om vindplaatsen met een omvang van 500 tot 2000 m 2 te kunnen traceren waarbij voornamelijk een strooiing van aardewerk wordt verwacht, kan worden nagegaan of daadwerkelijk archeologische resten aanwezig zijn. BAAC adviseert tevens om de locaties waaraan een hoge verwachting is toegekend op het voorkomen van sporen gerelateerd aan de historische erven te ontzien bij de plannen voor het gebied. Mocht dit niet mogelijk blijken te zijn, dan dient op deze locaties een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd in de vorm van een proefsleuvenonderzoek.

Amsteleind Zuid en Kleinussen te Oss. Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

6

1 1.1

Inleiding

Onderzoekskader

1.1.1 Aanleiding In opdracht van de gemeente Oss heeft het onderzoeks- en adviesbureau BAAC een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek) uitgevoerd in het plangebied Amsteleind Zuid en Kleinussen te Oss (gemeente Oss). Aanleiding voor het onderzoek is het plan om binnen het gebied op grote schaal woningbouw te ontwikkelen. Ten behoeve van deze ontwikkeling is een archeologisch onderzoek vereist. Het plangebied omvat een gebied van circa 66 ha. De toekomstige bodemverstoringen zijn vooralsnog niet bekend, maar het ligt voor de hand dat de bodem bij het bouwrijp maken van het gebied (lokaal) tot in de archeologisch relevante bodemlaag zal worden verstoord. De realisatie van de plannen kan derhalve leiden tot aantasting of vernietiging van mogelijk aanwezige archeologische waarden.

1.1.2 Beleidskader Het archeologisch beleid van de gemeente Oss voor toepassing van de Wet op de archeologische monumentenzorg (WAMZ) was vastgelegd in het bestemmingsplan. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. De gemeente Oss beschikt nog niet over een definitief omgevingsplan zoals voorzien in de Omgevingswet. Tot die tijd worden alle bestemmingsplannen samengebracht in een tijdelijk omgevingsplan, een zogenaamd ‘omgevingsplan-vanrechtswege’.1 Voor het plangebied en omgeving wordt momenteel een nieuw omgevingsplan opgesteld. Dit omgevingsplan is gebaseerd op de in 2024 geactualiseerde gemeentelijke archeologische verwachtingskaart.2 Volgens de bijbehorende beleidskaart geldt voor het plangebied zowel een lage verwachting (categorie 8) als een middelhoge verwachting (categorie 7) en een hoge verwachting op een historische huisplaats (categorie 4). Voor categorie 4 geldt dat bij bodemingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 30 cm –mv een archeologisch onderzoek dient te worden uitgevoerd. Voor categorie 7 ligt de grens bij bodemingrepen groter dan 1000 m2 en bij categorie 8 bij bodemingrepen groter dan 5 ha.

1.1.3 Kwaliteitsborging Het onderzoek is uitgevoerd conform protocol 4002 (bureauonderzoek) en protocol 4003 (inventariserend veldonderzoek) van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.13, de richtlijnen van de gemeente Oss en het onderzoeksspecifieke Plan van Aanpak.4 Het Plan van Aanpak is op 17 december 2024 goedgekeurd door M. Peeters. BAAC is gecertificeerd voor de protocollen 4001 Programma van Eisen, 4002 Bureauonderzoek, 4003 Inventariserend veldonderzoek (landbodems), onderdelen proefsleuven en overig, alsmede 4004 Opgraven (landbodems).

1.2

Doel- en vraagstelling

Het doel van het bureauonderzoek is om de geologische, bodemkundige en landschappelijke kenmerken, alsmede de bekende en verwachte archeologische waarden in het onderzoeksgebied te inventariseren teneinde een gespecificeerde archeologische verwachting op te stellen. Het inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden en om de verstoringsgraad van het bodemprofiel te bepalen. Op basis van de resultaten van het veldonderzoek wordt de archeologische verwachting getoetst en indien nodig gespecificeerd. Het bureauonderzoek dient de volgende vragen te beantwoorden: ■ Zijn binnen het plangebied bekende archeologische waarden aanwezig? Zo ja, welke gegevens zijn bekend over

de omvang, ligging, aard en datering hiervan? Informatiepunt Leefomgeving 2024. Boshoven & Keunen 2024. 3 CCvD 2018. 4 Van Putten 2024. 1 2

Amsteleind Zuid en Kleinussen te Oss. Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

7

■ Wat is de verwachte bodemopbouw in het gebied en welke gegevens zijn bekend over bodemverstorende

ingrepen in het verleden binnen het plangebied? ■ Wat is de specifieke archeologische verwachting voor het gebied?

Het veldonderzoek dient de volgende vragen, vastgelegd in het Plan van Aanpak5, te beantwoorden: ■ Hoe is de bodemopbouw en zijn (begraven) bodems met potentiële archeologische niveaus (cultuurlagen) aanwezig? Zo ja, waar en op welke diepte? ■ In hoeverre worden archeologische resten/niveaus bedreigd en is vervolgonderzoek nodig en zo ja, in welke vorm? Op basis van de onderzoeksresultaten en de voorgenomen bodemingrepen wordt vervolgens een advies gegeven over de omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden en mogelijk vervolgonderzoek. De bevoegde overheid (de gemeente Oss) neemt op basis van het door BAAC opgestelde advies een selectiebesluit.

1.3 Situering van het plan- en onderzoeksgebied Er wordt onderscheid gemaakt tussen de termen plangebied en onderzoeksgebied. Het plangebied is het gebied waarbinnen de geplande bodemingrepen zullen gaan plaatsvinden. Het onderzoeksgebied beslaat het plangebied inclusief het omringende gebied binnen een straal van circa 500 m. Het onderzoeksgebied wordt in het bureauonderzoek als zoekgebied gehanteerd om tot een beter inzicht te komen in de archeologische, (cultuur)historische en bodemkundige situatie van het plangebied.

Afb. 1.1 Ligging van het plangebied op Opentopo-kaart (PDOK 2024).

5

Van Putten 2024.

Amsteleind Zuid en Kleinussen te Oss. Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

8

Het plangebied bevindt zich in het buitengebied van de gemeente Oss, pal ten westen van de bebouwde kom van Oss. De Kleinussenstraat en de Heihoekstraat vormen de oostgrens van het plangebied en tevens de grens tussen de bebouwde kom en het buitengebied. De spoorlijn tussen ’s-Hertogenbosch en Oss vormt de zuidgrens van het plangebied. In het zuidwesten van het plangebied vormen delen van de Beekschehoevestraat en de Amsteleindstraat de grens. De (noord)westgrens is minder duidelijke begrenst en grillig en loopt door het akkerland. In het noorden wordt het plangebied begrenst door de Brandstraat (Afb. 1.1). De oppervlakte bedraagt circa 65,6 ha.

Afb. 1.2 Ligging van het plangebied op een recente luchtfoto (PDOK 2024).

Amsteleind Zuid en Kleinussen te Oss. Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

9

Het overgrote deel van het plangebied is in gebruik voor agrarische doeleinden (weide en akkerland). Binnen het plangebied zijn echter ook 28 bewoonde erven aanwezig. Vier hiervan betreffen (agrarische) bedrijven met schuren en stallen.

1.4 Toekomstige ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een groot aantal nieuwbouwwoningen. Het project bevindt zich echter in de voorbereidingsfase. Er zijn tot op heden derhalve geen concrete plannen voorhanden. Ook is nog niet bekend welke bestaande bebouwing (boerenerven) wel of niet zal worden gesloopt. Het voornemen is om de bestaande woningen zoveel mogelijk te behouden. Er zullen echter enkele woningen moeten wijken voor bijv. infrastructuur. Daarnaast zullen de stallen en schuren in het gebied ook gesloopt moeten worden. De exacte inrichting van de plannen is zoals gezegd, nog niet bekend.

1.5 Administratieve gegevens Locatiegegevens provincie

Noord-Brabant

gemeente

Oss

plaats

Oss

toponiem

Amsteleind Zuid en Kleinussen

RD-coördinaten

161.432/419.455 162.040/419.693 162.565/418.563 161.402/418.604

kaartblad

45E

oppervlakte plangebied

65,6 ha

Projectgegevens projectnummer

V-24.0740

projectnaam

Woningbouwontwikkelingsgebied Amsteleind Zuid en Kleinussen

type onderzoek

Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennende fase)

Archis-zaakidentificatienr.

5672036100

opdrachtgever

Gemeente Oss contactpersoon: B. Tax

projectleider BAAC

M.J. van Putten

bevoegde overheid

Gemeente Oss contactpersoon: M. Peeters

datum opdracht

11-10-2024

datum veldwerk

07-01 t/m 14-01 2025

versie nummer rapport

2.1 (februari 2025)

voorgelegd aan bevoegde overheid

Ja, goedgekeurd op 4 februari 2025

beheer en plaats documentatie

archief BAAC en (na afronding project) Archis 3 en E-depot (Dans Datastation)

beheer en plaats vondsten

Provinciaal Depot Bodemvondsten Noord-Brabant te ‘s-Hertogenbosch contactpersoon: M. den Hartog

Amsteleind Zuid en Kleinussen te Oss. Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

10

2 2.1

Bureauonderzoek

Werkwijze

Tijdens het bureauonderzoek is literatuur over de geologie, geomorfologie, het hoogteverloop (AHN) en de bodemopbouw van het onderzoeksgebied bestudeerd. Met name voor de recentere archeologische periodes zijn diverse historische bronnen geraadpleegd. Er is gebruik gemaakt van oude kadastrale en topografische kaarten. Tevens is informatie ingewonnen bij de lokale heemkundekring Stichting Archeologie Maasland en de heer P. van Nistelrooij.6 Bij de inventarisatie van de archeologische waarden is gebruik gemaakt van gegevens uit Archis 3 van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart. 7 In navolgende paragrafen staan de resultaten van het bureauonderzoek beschreven. Het hoofdstuk is afgesloten met een synthese in de vorm van een specifieke archeologische verwachting. Een opsomming van de geraadpleegde literatuur en gebruikte kaarten is terug te vinden in de literatuurlijst. Voor een tabel met een overzicht van geologische en archeologische tijdvakken wordt verwezen naar bijlage 1.

2.2

Landschap

2.2.1 Algemene ontwikkeling Het plangebied ligt aan de noordelijke rand van het Zuid-Nederlandse zandgebied, in de nabijheid van de overgang naar het Midden-Nederlands rivierengebied.8 Het onderzoeksgebied bevindt zich in een gebied dat qua geologie in grote mate beïnvloed wordt door de in de ondergrond aanwezige breuken. Het plangebied bevindt zich op de grens van de Peelhorst en de Centrale Slenk. De Peelhorst is door geleidelijke opheffing gedurende duizenden jaren een relatief hooggelegen gebied, terwijl de Centrale Slenk, ook wel de Roerdalslenk genoemd, een dalingsgebied betreft. Het plangebied behoort net tot de Centrale Slenk. De Peelrandbreuk bevindt zich op circa 280 m ten noordoosten van het plangebied. Gedurende het Kwartair (bijlage 1) heeft hier daling plaatsgevonden. Dit proces treedt ook heden ten dage nog op. De bewegingen langs de breuken resulteren zo nu en dan in lichte aardbevingen. Vanwege het feit dat het een dalingsgebied betreft, zijn de geologische formaties in de ondergrond in de Centrale Slenk dikker dan op de Peelhorst, al valt het verschil in het grensgebied tussen de twee tektonische gebieden wel mee. Het plangebied bevindt zich in een zogenaamd terrassenlandschap, waar in de ondiepe ondergrond grove rivierzanden en -grinden van de Formatie van Kreftenheye voorkomen.

De afzettingen van de Formatie van Kreftenheye zijn gevormd door (voorlopers van) de Rijn tijdens het laat-pleistoceen.9 De grove rivierzanden en -grinden zijn in het plangebied en omgeving afgedekt met een relatief dun pakket dekzand. Ten tijde van de laatste ijstijd (het Weichselien, zie bijlage 1) leidde het ontbreken van een gesloten vegetatiedek tot verstuiving. 10 Hierdoor werd er bovenop de rivierafzettingen een dunne laag dekzand afgezet, die geologisch gezien wordt gerekend tot de Formatie van Boxtel.11 Het dekzand is onder periglaciale condities door de wind afgezet in de vorm van paraboolduinen, vlaktes en langgerekte ruggen.12 Het dekzandreliëf bestaat derhalve voor het grootste gedeelte uit dekzandruggen en dekzandwelvingen. De ruggen zijn tegenwoordig nog vaak duidelijk te zien en kunnen meer dan 1,5 meter boven hun omgeving uitsteken. De dekzandwelvingen zijn minder geaccidenteerd. Behalve deze reliëfrijke gebieden zijn er ook gebieden waar het dekzand in de vorm van vlakten is afgezet. Binnen het plangebied komen voornamelijk dekzandwelvingen en dekzandvlakten voor.13 Het dekzandpakket wordt gerekend tot de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden.14 Het materiaal bestaat in het algemeen uit fijn zand (mediaan van 150-210 µm) met enkele grovere zand- of grindlaagjes.15 Het dekzand is soms E-mail verstuurd naar dhr. P. van Nistelrooij, d.d. 06-12-2024.

Boshoven & Keunen 2024. Berendsen, Stouthamer, Cohen & Hoek 2021. 9 www.dinoloket.nl 2024. 10 Berendsen, Stouthamer, Cohen & Hoek 2021. 11 De Mulder et. al. 2003. 12 Berendsen, Stouthamer, Cohen & Hoek 2021. 13 Boshoven & Keunen 2024. 14 De Mulder et al. 2003. 15 Stiboka 1976. 6 7 8

Amsteleind Zuid en Kleinussen te Oss. Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

11

in een aantal verschillende pakketten onder te verdelen. Het betreft het “oud dekzand”, afgezet in het MiddenWeichselien en het “jong dekzand”, afgezet in het Laat-Weichselien (15.700 – 11.755 jaar voor heden). Het “jong dekzand” is weer onder te verdelen in twee fasen, “jong dekzand I” en “jong dekzand II”. Op de overgang tussen “jong dekzand I” en “jong dekzand II” is op bepaalde plaatsen een dunne bodem gevormd. Deze laag staat bekend als de Laag van Usselo en vertegenwoordigt een oude begroeiingshorizont die zich ontwikkeld heeft op een voormalig landoppervlak of als een veenlaag, daterend uit het Bølling of Allerød-Interstadiaal.16 Uit het booronderzoek dat in 2020 door RAAP is uitgevoerd in het gebied grenzend aan het plangebied blijkt echter dat het dekzandpakket inderdaad slechts een dun pakket betreft, lokaal niet dikker dan 60 cm.17 Men heeft tijdens dat onderzoek geen onderscheid kunnen maken in verschillende faseringen van het dekzand.

Afb. 2.1 Ligging van het plangebied op de geologische overzichtskaart van Nederland (Deltares 2021) met bestudeerde geologische boringen uit het DINOloket (DINOloket 2024).

16 17

Berendsen, Stouthamer, Cohen & Hoek 2021. Ellenkamp 2020.

Amsteleind Zuid en Kleinussen te Oss. Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

12

Vanaf het begin van het Holoceen (vanaf 11.650 jaar geleden tot heden) trad een blijvende klimaatsverbetering op. Aanvankelijk was het klimaat nog droog en bij de nog schaarse vegetatie ontstonden plaatselijk weer zandverstuivingen. Het betreft duinvormige dekzandafzettingen. Binnen het plangebied komen dergelijke afzettingen echter niet voor. Naarmate de klimaatomstandigheden verbeterden raakten de dekzandgebieden begroeid, zodat er een einde kwam aan de verstuivingen. Door de doorgaande klimaatsverbetering nam de hoeveelheid neerslag verder toe en steeg ook de grondwaterspiegel (als gevolg van de stijgende zeespiegel). Als gevolg van het natter worden van het landschap ontstond in de lagergelegen delen van het landschap veengroei. Veengroei wordt binnen het plangebied echter niet verwacht, daarvoor lag het gebied te hoog. Rond 8.000 jaar BP begon de stijgende zeespiegel de rivierdynamiek in de Rijn-Maas delta te beïnvloeden. Door de stijgende zeespiegel werd het verhang van de Rijn (en Maas) steeds kleiner. Door opstuwing van rivierwater verloor de rivier transportcapaciteit en werd daardoor gedwongen zijn sediment af te zetten. De opvulling van het laat-glaciale rivierdal die benedenstrooms in het zuidwestelijk kustgebied is begonnen, verschoof gedurende het Holoceen steeds meer stroomopwaarts.

Oudere grove zanden en grinden raakten bedekt met jongere, holocene fijne zanden, kleien en zavels. Vanaf het Atlanticum (circa 5000 voor Chr.) schoof de grenszone tussen van het toenmalige dekzandgebied en het rivierengebied door de voortdurende accumulatie van rivierafzettingen op richting het zuiden. Vanuit het noorden werd het dekzand namelijk bedekt met riviersedimenten. Bij overstromingen vanuit de actieve stroomgeul werd in het gebied sediment afgezet in de vorm van (zware) komklei. Diverse dekzandruggen die op de rand van het dekzandgebied met het Maasdal lagen, kwamen zo in het rivierengebied te liggen en zijn omgeven door riviersedimenten. De toppen van deze ruggen zijn veelal nog wel boven het omringende landschap blijven uitsteken en worden lokaal ‘donken’ genoemd. Er zijn echter ook veel voorbeelden bekend waar de gehele dekzandkop is afgedekt met een pakket komklei. Dat geldt eveneens voor de al lagergelegen dekzandwelvingen en dekzandvlakten. De dekzandvlakten ten noordwesten van het plangebied zijn op deze wijze bedekt geraakt met een (dun) pakket fluviatiele afzettingen. Uit het booronderzoek van RAAP in het naastgelegen gebied blijkt dat het noordelijke deel van onderhavig plangebied in het verleden mogelijk ook met een zeer dun pakket klei bedekt is geweest.

Tijdens dat booronderzoek is in sommige boringen namelijk een gebrokkelde kleilaag aangetroffen direct onder de bouwvoor. Deze is geïnterpreteerd als een door ploegwerkzaamheden onder geploegde dunne kleilaag. Deze klei is echter niet vanuit de Maas afgezet bij hoogwater, maar vanuit de zogenaamde Beerse Overlaat. Dit betrof een kilometers brede traverse waar het water van de Maas vanaf de late middeleeuwen bij zeer hoge waterstanden vanaf Beers enigszins gecontroleerd kon weglopen en ter hoogte van ’s-Hertogenbosch weer naar de Maas werd geleid. Op deze manier trachtte men dijkdoorbraken stroomopwaarts van Beers te voorkomen. De gebieden binnen de Beerse Overlaat hadden tijdens dergelijk hoge waterstanden wel last van wateroverlast. Zo ook het noordelijke deel van het plangebied.18

2.2.2 Gebiedsspecifieke beschrijving Geologie Op de geologische kaart ligt het plangebied in een gebied waar dekzand (Laagpakket van Wierden, Formatie van Boxtel) aan het oppervlak ligt. Zoals hierboven is beschreven, betreft het echter een dun pakket dekzand, gelegen op grofkorrelige rivierafzettingen van de Formatie van Kreftenheye uit het Laat-Pleistoceen (KR2).19 De dichtstbijzijnde DINO-boringen zijn in Afb. 2.1 weergegeven. DINO-boring B45E0471, pal ten noorden van het plangebied, toont de bodemopbouw van de bovenste 2 meter. De boring is summier beschreven. Het gehele profiel bestaat uit zand, waarvan de top uit relatief fijn zand bestaat. Dit betreft het dekzandpakket. Vanaf een diepte van 1,1 m -mv is wat grover, grindrijk zand aangeboord. Dit kan worden geïnterpreteerd als de zanden en grinden van de Formatie van Kreftenheye. DINO-boring B45E0359 betreft een geologische boring tot een diepte van 30 m -mv. Deze boring, gelegen op de kruising van de Amsteleindstraat en de Kleinussenstraat, laat zien dat de top tot 1,3 m uit fijne zanden van de Formatie van Boxtel bestaat. Dit betreft dekzand. Onder het dekzand komt een pakket grovere zanden en grinden voor behorende tot de Formatie van Kreftenheye. DINO-boring B45E0360, gelegen nabij het uiterste westelijke deel van het plangebied, laat eenzelfde beeld zien.

Ook hier bestaat de top uit dekzand (Formatie van Boxtel), gelegen op grovere zanden en grinden van de Formatie van Kreftenheye. Het dekzandpakket is hier 1 meter dik.20 ■

18 19 20

Ellenkamp 2020. DINO-loket 2024, ondergrondmodellen. DINO-loket 2024, ondergrondgegevens.

Amsteleind Zuid en Kleinussen te Oss. Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

13

Geomorfologie en AHN Volgens de geomorfologische kaart bevindt het plangebied zich in een gebied bestaande uit een terrasvlakte (2M42).21 Deze terrasvlakte is onderdeel van het laat-pleistocene rivierterras, bestaande uit zanden en grinden van de Formatie van Kreftenheye. Zoals hierboven echter al uiteen is gezet, is dit ‘terras’ afgedekt met een dun pakket dekzand. Hoewel dit pakket relatief dun is, is er wel degelijk reliëf aanwezig. Voor de geactualiseerde archeologische beleidskaart van de gemeente Oss is een archeolandschappelijke eenhedenkaart gemaakt, waarbij het landschap mede op basis van het AHN, maar ook op basis van de resultaten van het booronderzoek op naastgelegen gebied, 22 is onderverdeeld in verschillende eenheden.23 Op Afb. 2.2 is deze kaart voor het plangebied en omgeving afgebeeld. Hierop is zichtbaar dat het plangebied uit dekzandwelvingen en dekzandvlakten bestaat. Het oostelijke deel van het plangebied, in een strook van circa 500 meter breed in het zuiden tot circa 90 meter in het noorden, bestaat uit dekzandwelvingen. Het westelijke deel bestaat uit een minder geaccentueerde dekzandvlakte. ■

Afb. 2.2 Ligging van het plangebied op een uitsnede van de archeolandschappelijke eenhedenkaart van de gemeente Oss (Boshoven & Keunen 2024).

Op het AHN is te zien dat in het plangebied inderdaad in noordwestelijke richting afloopt (Afb. 2.3). Het zuidoostelijke deel vertoont meer reliëf dan het noordoostelijke deel. Het hoogste punt ligt hier op circa 5,7 m +NAP. Het landschap 21 22 23

Geomorfologische kaart, geraadpleegd via Archis3 2024. Ellenkamp 2020. Boshoven & Keunen 2024.

Amsteleind Zuid en Kleinussen te Oss. Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

14

loopt in westelijke richting af tot circa 4,4 m +NAP, een verval van circa 1,3 meter over een afstand van circa 1 km. In het noordelijke deel van het plangebied is het reliëf veel minder uitgesproken, met een hoogte van 4,6 m + NAP in het noordoosten en een hoogte van 4,4 m + NAP in het noordwesten. Op het AHN zijn enkele scherpomlijnde verhogingen zichtbaar. Dit betreffen opgehoogde erven. De mate van ophoging varieert van 0,5 tot 1,0 m. Het gaat hierbij voornamelijk om de wat meer recente bebouwing, zoals deze verspreid over het plangebied voorkomt.

Afb. 2.3 Ligging van het plangebied en bekende ontgrondingslocaties (provincie Noord-Brabant 2024) op het Actueel Hoogtebestand (AHN4 2024).

Verstoringen Op Afb. 2.4 zijn middels de gearceerde gebieden de bij de provincie Noord-Brabant bekende afgegeven ontgrondingsvergunningen weergegeven. Binnen het plangebied zijn tot op heden geen ontgrondingsvergunningen afgegeven. Wel zijn enkele kleine lokale verstoringen zichtbaar. Het gaat hierbij om enkele vijvers. Zo zijn op de erven langs de Brandstraat een viertal vijvers zichtbaar. Ook op het perceel Amsteleindstraat 130 zijn twee vijvers zichtbaar. ■

Amsteleind Zuid en Kleinussen te Oss. Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

15

Voor het overige zijn geen overduidelijke afgravingen zichtbaar op het AHN. Het perceel pal ten oosten van de Oostenakkerstraat 9 in het zuiden van het plangebied lijkt mogelijk deels afgegraven te zijn, gezien het hoogteverschil van circa 50 cm met naastgelegen perceel en de onnatuurlijke rechte begrenzingen. Verder zijn er nog enkele onnatuurlijke begrenzingen zichtbaar. Dit betreft echter geen afgravingen maar de hierboven al besproken ophogingen ter plekke van de bebouwde erven. Binnen het plangebied liggen kabels en leidingen die de bodem hebben verstoord. Deze bevinden zich echter hoofdzakelijk in de bermen langs de wegen en op de binnen het plangebied aanwezige erven. Er zijn binnen het plangebied geen grote pijp- of gasleidingen aanwezig. Op de gezamenlijke website van de provincie Noord-Brabant en de Omgevingsdiensten is zichtbaar dat binnen het plangebied een groot aantal milieukundige onderzoeken zijn uitgevoerd. 24 Het is op deze site echter niet zichtbaar wat voor soort onderzoek het betreft (verkennend, sanering etc.). Gezien de grote hoeveelheid onderzoek locaties en de over het algemeen geringe toegevoegde waarde van dergelijke rapporten zijn deze niet opgevraagd.

Bodemopbouw Volgens de bodemkaart van Nederland bevinden zich in het plangebied vier bodemtypes.25 Het betreft een vlakvaaggrond, gevormd in leemarm en zwak lemig fijn zand, afgedekt met een kleipakket van 15 tot 40 cm dik (code kZn21), een beekeerdgrond, gevormd in leemarm en zwak lemig fijn zand (code pZg21), een laarpodzolgrond, gevormd in leemarm en zwak lemig fijn zand (code cHn21) en een gooreerdgrond, gevormd in leemarm en zwak lemig ■

Afb. 2.1 Ligging van het plangebied op een uitsnede van de bodemkaart kaart (Archis 3 2024).

24 25

https://noord-brabant.nazca4u.nl 2024. Bodemkaart, geraadpleegd via Archis 3 2024.

Amsteleind Zuid en Kleinussen te Oss. Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

16

fijn zand (code pZn21). Het gehele plangebied bevindt zich in een gebied met grondwatertrap III. Dit houdt in dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand binnen 40 cm -mv gelegen is en de gemiddeld laagste grondwaterstand tussen 80 en 120 cm -mv. Vlakvaaggronden zijn zandgronden zonder of soms met een zeer dunne humushoudende bovengrond (A-horizont tot 10 cm). Deze beige tot bruingeel gekleurde A-horizont ligt direct op de ondergrond die nog weinig door bodemvorming is veranderd (C-horizont). De grondwaterstand is meestal hoog, zodat roest en grijze vlekken kunnen voorkomen. Vanwege de minder goede ontwatering hebben de zandkorrels geen ijzerhuidjes. Een B-horizont is door de korte tijd van bodemvorming eveneens afwezig. De vlakvaaggronden liggen ten opzichte van de omliggende landschapseenheden meestal relatief laag. In dit geval zijn de zanden afgedekt met een dun kleipakket. Dat kleidek is het gevolg van overstroming door de Maas (Beerse Overlaat). Beekeerdgronden zijn kalkloze zandgronden met een dunne tot matig dikke humushoudende bovengrond (A-horizont van 15-50 cm). Deze donkergekleurde A-horizont ligt direct op een licht gekleurde ondergrond die nog weinig door bodemvorming is veranderd (C-horizont). De beekeerdgronden liggen relatief laag en worden veel gevonden langs de bovenlopen van beekdalen in de dekzandgebieden.

Roest- en reductievlekken komen voor in de A-horizont, beginnen ondieper dan 35 cm onder maaiveld en lopen door tot 120 cm of tot in de permanent gereduceerde ondergrond. De roest is in dit geval het gevolg van de aanvoer van ijzerrijke kwel, afkomstig van het infiltratiewater vanaf de hogere zandgronden. De grondwaterstand is meestal hoog. Dit bodemtype is tijdens een booronderzoek uit 2020, uitgevoerd pal ten westen van het plangebied, ook daadwerkelijk aangetroffen.26 Ook gooreerdgronden zijn kalkloze zandgronden met een dunne tot matig dikke humushoudende bovengrond (Ahorizont van 15-50 cm). Deze donkergekleurde A-horizont is gelegen op een licht gekleurde ondergrond die nog weinig door bodemvorming is veranderd (C-horizont). De gooreerdgronden liggen, net als de beekeerdgronden, relatief laag en worden veel gevonden langs de bovenlopen van beekdalen in de dekzandgebieden. Roest- en reductievlekken komen niet voor in de A-horizont, of beginnen dieper dan 35 cm onder maaiveld en/of zijn voor meer dan 30 cm onderbroken. Hierin verschilt de gooreerdgrond van de beekeerdgrond. De grondwaterstand is meestal hoog, zodat onder de A-horizont de ijzerhuidjes rondom de zandkorrels ontbreken.

Laarpodzolgronden zijn kalkloze zandgronden die een gedeeltelijk door de mens opgebrachte donkere humushoudende bovengrond (A-horizont van 30 - 50 cm) al dan niet in combinatie met een dunne uitspoelingslaag (Ehorizont) hebben ontwikkeld. Deze grijs gekleurde E-horizont is gelegen op een dunne, donkerroodbruin gekleurde laag (Bhs-horizont), waarin humuszuren en vaak al enige ijzerverbindingen zijn ingespoeld tot het niveau waarop het grondwater wordt aangetroffen. De laarpodzolen worden meestal gevonden ter plaatse van de oudere ontginningen op de lagergelegen zandgronden, die door plaggenbemesting een matig dikke A-horizont hebben gekregen. Het oorspronkelijke profiel was vaak een veldpodzolgrond. Laarpodzolen zijn evenals veldpodzolen dus meestal gelegen in de lagere delen van het dekzandlandschap, waardoor het grondwater hoog staat en de uitgespoelde deeltjes met het grondwater worden afgevoerd. De ondergrond is daardoor meestal gereduceerd en grijswit tot geelwit van kleur (Chorizont).

2.3

Bewoningsgeschiedenis

2.3.1 Inleiding Het Maasland, het gebied ten zuiden van de Maas in het noordoosten van Brabant, herbergt een dynamisch landschap, bestaande uit oeverwallen en stroomruggen, komgebieden, zandopduikingen en een uitgestrekt dekzandplateau. Een landschap dat bij uitstek geschikt is voor prehistorische bewoning. De diversiteit van het landschap maakte het voor de prehistorische bewoners mogelijk verschillende eenheden binnen een klein areaal te exploiteren. Het gebied is daarmee voor zowel jagers- als voor agrarische gemeenschappen aantrekkelijk geweest. De eerste mensen vestigden zich op de hogere delen in het landschap zoals op de donken, stroomruggen en dekzandruggen, meestal in de buurt van een waterloop. Binnen de gemeente Oss zijn vondsten bekend vanaf de steentijd. De vondsten uit de steentijd duiden vaak op een tijdelijk kamp dat seizoensmatig werd bewoond, afhankelijk van het voedselaanbod. Vanaf het neolithicum ging de mens zich steeds meer toeleggen op het verbouwen van voedsel en het houden van vee. Hoger gelegen gebieden kenden een toenemende bevolkingsdichtheid en zijn vaak voortdurend bewoond geweest tot in de Romeinse tijd. De bevolkingsdichtheid nam aan het einde van de Romeinse tijd sterk af, waarna deze vervolgens vanaf circa 800 na Chr. weer toenam. 26

Ellenkamp 2020.

Amsteleind Zuid en Kleinussen te Oss. Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

17

Door de toenemende bevolking in de middeleeuwen veranderde het landschap en werd het in cultuur gebracht. Bos werd gekapt en veen werd ontgonnen. Door begrazing met schapen kreeg het potentieel aan natuurlijke vegetatie geen groeikans meer en ontstonden heidevelden. De betere gronden werden gebruikt als landbouwgrond. Verspreid in het landschap werden kleine boerenbedrijven gevestigd op verhogingen in het landschap waarop landbouw werd bedreven. Bij uitputting van de bodem werd plaggenmest opgebracht en ontstonden de essen. In latere periodes vonden bij bevolkingsgroei buiten de essen nieuwe ontginningen plaats, de zogenaamde kampontginningen. Dit landschap, met een afwisseling van aaneengesloten bouwlandcomplexen, wei- en hooilanden in de beekdalen en grote heidegebieden bleef tot in de 19e eeuw bestaan. Met de komst van kunstmest zijn tegen het eind van de 19e eeuw veel heidevelden ontgonnen, waardoor oude escomplexen en kampen niet verder werden uitgebreid.

2.3.2 Historie Uit analyse van historisch kaartmateriaal vanaf het begin van de 19e eeuw blijkt dat binnen het plangebied in de periode vanaf circa 1820 tot en met de Tweede Wereldoorlog weinig veranderingen hebben opgetreden. Begin 19 e eeuw was het oostelijke deel van het plangebied voornamelijk in gebruik als akkerland. Dit deel lag dermate gunstig

Afb. 2.5 Ligging van het plangebied op een uitsnede van de kadastrale kaart uit het begin van de 19 e eeuw (Kadasterkaart 18111832). Amsteleind Zuid en Kleinussen te Oss. Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

18

op de hogere dekzandwelvingen (zie Afb. 2.3), dat akkerbouw mogelijk was. Het westelijke deel was echter dermate nat, dat het alleen als weide en bosgrond in gebruik was. Er waren begin 19e eeuw al drie clusters met boerenerven aanwezig, gelegen langs de huidige Heihoekstraat en de Oostenakkerstraat (zie Afb. 2.5). Het noordelijkste cluster, gelegen nabij de kruising van de Amsteleindstraat en de Heihoekstraat, bestond uit drie boerenerven. Op de oorspronkelijke aanwijzende tafel staan de percelen weergegeven als ‘huis & erf’.27 Op deze locaties is momenteel ook nog bebouwing aanwezig, al lijkt het erop dat alleen het pand aan de Heihoekstraat nog origineel is. Ook het middelste cluster is aan de huidige Heihoekstraat gelegen, ter hoogte van de kruising met het Bosschepad. Het bestond uit een cluster van vier boerenerven, waarvan er drie dicht op elkaar stonden en eentje wat verder zuidelijk gelegen was (zie Afb. 2.5). Op de oorspronkelijke aanwijzende tafel staan de percelen allen weergegeven als ‘huis & erf’.28 Het is echter duidelijk zichtbaar op de kaart dat het meest westelijke erf een aantal bijgebouwen had. Ook op deze locaties is momenteel nog bebouwing aanwezig. De huidige panden aan de Heihoekstraat 11 en 13 zijn echter niet meer origineel. Het meest zuidelijk gelegen cluster, gelegen aan de huidige Oostenakkerstraat, bestond destijds uit een cluster van vier erven.

Drie hiervan staan op de oorspronkelijke aanwijzende tafel geregistreerd als ‘huis & erf’ en een als ‘huis’.29 Ook op deze locaties staat tegenwoordig nog bebouwing, waarvan alleen het oostelijke deel van het pand aan de Oostenakkerstraat 1 nog origineel lijkt te zijn. Tot

Afb. 2.6 Ligging van het plangebied op kaarten uit de 19e en 20e eeuw (Topotijdreis 2024). Middels de blauwe cirkels zijn de historische erven weergegeven. De witte, gele en groene cirkels tonen de locaties van de recente bebouwing. 27 28 29

Beeldbank.cultureelerfgoed.nl 2024. Beeldbank.cultureelerfgoed.nl 2024. Beeldbank.cultureelerfgoed.nl 2024.

Amsteleind Zuid en Kleinussen te Oss. Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

19

slot stond begin 19e eeuw ten westen van de huidige Amsteleindstraat 134 nog een klein gebouw. Volgens de oorspronkelijke aanwijzende tafel betrof dit slechts een schuur.30 Tussen 1890 en 1929 is langs de huidige Kleinussenstraat, ter hoogte van de kruising met de Hazenkamplaan, een ‘nieuw’ boerenerf aangelegd (witte cirkel op de kaart uit 1929 op Afb. 2.6). Aan het landgebruik was in deze periode nog weinig veranderd en de verkaveling was nagenoeg hetzelfde als rond begin 19 e eeuw. Dat veranderde na de Tweede Wereldoorlog. De hoge grondwaterstanden konden vanaf toen blijkbaar beter beheerd worden en de percelen waar tot voor de Tweede Wereldoorlog nog aan bosbouw werd gedaan, zijn omgezet in overwegend weide. De verkaveling veranderde als gevolg van deze omzetting in landgebruik echter vrij weinig. Er is pal na de Tweede Wereldoorlog ook veel nieuwbouw gepleegd. Het betreft een negental locaties, waarvan een groot deel boerenerven betreft (gele cirkels op de kaart uit 1955 op Afb. 2.6). Tegenwoordig bestaat het grootste deel van het plangebied uit akkers en weiden. De verkaveling is sterk veranderd. De ruilverkavelingsprojecten zoals deze vanaf de jaren zeventig van de vorige eeuw op grote schaal hebben plaatsgevonden zijn daar debet aan. Ook is een vrij groot deel bebouwd. In de periode vanaf 1955 zijn nog eens 15 percelen bebouwd.

In dit geval betrof het niet allemaal boerenerven, maar ook enkele vrijstaande huizen.31

Afb. 2.7 Ligging van het OCE-verdachte terrein in het zuidoosten van het plangebied.

Op de Indicatieve Kaart Militair Erfgoed ligt het plangebied in de categorie ‘Overige zones’. In deze zones kunnen resten worden verwacht van kleinere objecten en structuren.32 Er worden binnen het plangebied echter geen objecten en/of structuren verwacht. Wel zijn gedurende de Tweede Wereldoorlog treinen op het spoor door de geallieerden beschoten. Bij vooronderzoeken in het kader van WSCS-OCE zijn op een luchtfoto uit september 1944 in het

30 31 32

Beeldbank.cultureelerfgoed.nl 2024. Toptijdreis 2024. IKME 2024.

Amsteleind Zuid en Kleinussen te Oss. Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

20

zuidoosten van het plangebied, nabij de Oostenakkerstraat 4d, geschutinslagen waargenomen. Deze geschutinslagen zijn op de kaart in Afb. 2.7 afgebakend met een buffer van 50 m per inslag.33

2.4 Archeologische gegevens 2.4.1 Gemeentelijke verwachtingskaart Het plangebied heeft op de gemeentelijke verwachtingskaart een lage tot middelhoge verwachting op het aantreffen van archeologische waarden.34 Hierbij is heeft het westelijke deel van het plangebied een lage verwachting toegekend

Afb. 2.8 Ligging van het plangebied op de gemeentelijke beleidskaart (Boshoven & Keunen 2024). 33 34

Informatie verkregen via de gemeente Oss. Boshoven & Keunen 2024.

Amsteleind Zuid en Kleinussen te Oss. Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

21

gekregen en het oostelijke deel een middelhoge verwachting. Deze verwachting is gebaseerd op de ligging van het westelijke deel van het plangebied op een dekzandvlakte en het oostelijke deel op een dekzandwelving. Naast bovengenoemde verwachtingen toont het kaartbeeld ook enkele gebieden met een hoge verwachting op het voorkomen van resten uit de late middeleeuwen/nieuwe tijd vanwege de aanwezigheid van historische erven (zie Afb. 2.8).

2.4.2 Bekende vondsten en eerder onderzoek In het plangebied zijn tot op heden geen archeologische vondsten gedaan. In een straal van 500 m rondom het plangebied zijn echter zeven archeologische waarnemingen bekend. Zo is in 1982 op circa 90 m ten oosten van het plangebied, ter hoogte van de Verwerstraat 11 door een particulier een twintigtal scherven aangetroffen met een datering uit de late middeleeuwen B (zaakindentificatienr. 2773249100). Het betreft scherven steengoed, grijsbakkend aardewerk en protosteengoed. Ook is hier destijds één fragment van handgevormd aardewerk uit de ijzertijd aangetroffen (zaakindentificatienr. 3089319100). De context van de vondsten is onbekend. Op circa 350 m ten oosten van het plangebied zijn tijdens een opgraving in de periode 1976-1978 ter plaatse van de huidige sportvelden van de voetbalclub RKSV Margriet sporen aangetroffen van een nederzetting uit de middenRomeinse tijd (zaakindentificatienr. 2891063100). Het betreft enkele huisplattegronden, palenrijen en een waterput. Van de nederzetting kon slechts de noord- en oostgrens worden vastgesteld; het overige deel van de nederzetting is niet blootgelegd. In het opgegraven deel zijn drie ruimtelijk gescheiden erven onderscheiden, met elk een eigen erfafscheiding en bijgebouwen. Het betrof volgens de onderzoekers een “eenvoudige" nederzetting.

Er is slechts een beperkt aantal aardewerkvormen aangetroffen (alleen terra sigillata in vorm van borden en kommen), weinig glasfragmenten en geen bouwmateriaal zoals dakpannen. Op circa 145 m ten westen van het plangebied is in 1983 tijdens een veldkartering door een particulier een scherf handgevormd aardewerk aangetroffen (zaakindentificatienr. 2917559100). Deze scherf kon worden gedateerd op de periode late bronstijd – vroege Romeinse tijd. Tijdens een booronderzoek zijn in 2020 verspreid over het hoger gelegen deel van het toenmalige plangebied enkele vondsten gedaan (zaakindentificatienr. 4775383100). Het betreft de vondst van twee fragmenten handgevormd aardewerk die qua kenmerken en datering aansluiten bij de ijzertijdbewoning in het nabijgelegen Oss-Ussen. Op de westelijke uitloper van de verhoging is ook een vuurstenen artefact aangetroffen. Deze vondst is geïnterpreteerd als een losse vondst, die niet op de aanwezigheid van een grotere vindplaats duidt. In het westen van het toenmalige plangebied is een concentratie ijzerconcreties met -slakken in combinatie met een donker verkleurde bodem aangetroffen die op de mogelijke aanwezigheid van ijzerovens of tenminste ijzerwinningskuilen kan duiden. De datering is onbekend.35 Naar aanleiding dit booronderzoek is in 2022 een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd.

Hierbij zijn verspreid over het terrein, met name op de wat hoger gelegen dekzandwelvingen, nederzettingssporen aangetroffen uit de late prehistorie (bronstijd-ijzertijd). Deze prehistorische sporen zijn mogelijk te koppelen aan de prehistorische nederzettingssporen zoals deze ter plaatse van de nabijgelegen wijk Ussen zijn opgegraven. Ook is verspreid over het plangebied een systeem van perceleringsgreppels uit de nieuwe tijd aanwezig. Er zijn geen vondsten aangetroffen (zaakindentificatienr. 5242711100). Tot slot zijn op circa 480 m ten zuidoosten van het plangebied, ter hoogte van de Van Heemstrastraat, tijdens een proefsleuvenonderzoek verscheidene sporen aangetroffen waaronder een greppel waarin een behoorlijke hoeveelheid keramiek in aanwezig was (zaakindentificatienr. 5207322100). Het betrof diverse bakselgroepen uit de nieuwe tijd, zoals roodbakkend en witbakkend aardewerk, steengoed, majolica, pijpaarde en industrieel witbakkend aardewerk. De aangetroffen archeologische resten bestaan overwegend uit greppels, karrensporen, spitsporen en zandwinningskuilen, en enkele los verspreide paalsporen. De greppels maken deel uit van de cultuurgronden van Oss. De meeste vondsten zijn gedaan in een greppel die vermoedelijk onderdeel was van de bewoning pal ten zuiden van het plangebied.

Van deze bewoning zijn geen sporen aangetroffen.36 Het plangebied is al eerder onderdeel geweest van archeologisch onderzoek. Zo maakte het plangebied in 2005 onderdeel uit van een groter plangebied, waarbij een veldkartering heeft plaatsgevonden (zaakidentificatienr. 2070881100). Hierbij zijn onderhavig plangebied echter geen waarnemingen gedaan.37 Het plangebied maakt ook onderdeel uit van bureaustudie uit 2012. Dit blijkt te gaan om de actualisatie van de beleidskaart (zaakidentificatienr. 2359533100). Naast deze twee onderzoeken zijn binnen een straal van 500 m rond het plangebied nog negen onderzoeken bekend. In tabel 2.1 zijn deze onderzoeken kort beschreven. In de periode 1974-1984 is naar aanleiding van de aanleg van de woonwijk Ussen archeologisch onderzoek uitgevoerd. Ondanks dat dit onderzoek op meer dan 500 meter ten oosten van het plangebied is gelegen, wordt het hier toch kort beschreven. Dit omdat het met 60 hectare opgegraven areaal (binnen een gebied van circa 220 ha) tot op heden één van de grootste opgravingsprojecten in Nederland betreft waarbij zeer veel data is verzameld. Het onderzoek is in 35 36 37

Ellenkamp 2020. Van den Helm 2022. Oude Rengerink 2005.

Amsteleind Zuid en Kleinussen te Oss. Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

22

verscheidene fasen uitgevoerd. In de eerste fase werden grondsporen en vondsten geïnventariseerd die in de sleuven, die ten behoeve van de aanleg van wegcunetten, riolering en woningbouw werden gegraven, tevoorschijn kwamen.38 Naar aanleiding van de resultaten van de inventarisatiesleuven werd in een volgende fase het onderzoek uitgebreid met de aanleg van opgravingsputten. Tijdens het onderzoek zijn tal van sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van verspreid gelegen ijzertijderven, die enkele honderden meters uit elkaar liggen. Pas in de loop van de late ijzertijd en in de Romeinse tijd was sprake van clustering van bewoning.39 Circa 300 m zuidoostelijker, in Zomerhof, zijn eveneens sporen uit de Romeinse tijd aangetroffen. Hier is een nederzetting van circa 1,5 ha groot opgegraven, aan drie zijden omgeven door greppels en palissades. In totaal zijn negen huisplattegronden uit het laatste kwart van de 1e tot het begin van de 3e eeuw na Chr. ontdekt. Deze Zomerhofnederzetting wordt geïnterpreteerd als de opvolger van een nederzetting uit de late ijzertijd.40 Tabel 2.1 Overzicht eerder uitgevoerd archeologisch onderzoek binnen een straal van 500 m rondom het plangebied (Archis 3 2024). Archisnr. afstand tot uitvoerder, type onderzoek en resultaat plangebied jaar 2070881100

2311337100

ADC, 2011

Bureauonderzoek en verkennend booronderzoek. Ondanks de constatering dat de top van het dekzandlandschap bij de inrichting als sportpark is verstoord, blijft de verwachting op de aanwezigheid van diepere sporen gehandhaafd. Geadviseerd is om een proefsleuvenonderzoek te laten uitvoeren (zie zaakidentificatienr. 2331499100)

20 m O

ADC, 2011/2014

2359533100

Plangebied valt binnen dit onderzoek

Archol, 2012

Betreft een inmiddels alweer verouderde actualisatie van de gemeente beleidskaart.

RAAP, 2020

Bureauonderzoek en verkennend booronderzoek. Uit het onderzoek is gebleken dat binnen het plangebied hoofdzakelijk sprake was van relatief natte beekeerdgronden, waarbij het dekzandlandschap in oostelijke richting oploopt. Voor dit hoger gelegen oostelijke deel is vervolgonderzoek aanbevolen in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (zie zaakidentificatienr. 5242711100).

RAAP, 2022

Bureauonderzoek en verkennend booronderzoek. Uit het booronderzoek is gebleken dat de bodem ter plaatse nog relatief intact is. Onder een verstoorde laag is een intact esdek aangetroffen. De hoge verwachting is gehandhaafd en er is vervolgonderzoek geadviseerd in de vorm vaneen proefsleuvenonderzoek (zie zaakidentificatienr. 5207322100).

RAAP, 2022

Proefsleuvenonderzoek. Er zijn verscheidene sporen aangetroffen waaronder een greppel met veel keramiek uit de nieuwe tijd. De aangetroffen archeologische resten bestaan overwegend uit greppels, karrensporen, spitsporen en zandwinningskuilen, en enkele los verspreide paalsporen. De greppels maken deel uit van de cultuurgronden van Oss. De meeste vondsten zijn gedaan in een greppel die vermoedelijk onderdeel was van de bewoning pal ten zuiden van het plangebied. Van deze bewoning zijn geen sporen aangetroffen. Het terrein is vrijgegeven.

Archol, 2022

Proefsleuvenonderzoek. Het onderzoek heeft aangetoond dat het gehele terrein als gevolg van agrarische activiteiten in de 20e eeuw is afgetopt. Desalniettemin zijn veel sporen aangetroffen van een nederzetting uit de bronstijd/ijzertijd. Er zijn geen vondsten aangetroffen. De vindplaats is als niet behoudenswaardig beoordeeld. Het terrein is vrijgegeven.

5207322100

5242711100

40

Dit onderzoek betrof een veldkartering van een groter plangebied. Hierbij zijn verscheidene vindplaatsen aangetroffen, naar niet binnen onderhavig plangebied.

2331499100/ 2450317100

5160991100

39

20 m O

BAAC, 2022

Proefsleuvenonderzoek/opgraving. In 2011 is een deel van het terrein middels proefsleuven onderzocht. Daarbij zijn geen sporen aangetroffen. In 2014 is het overige deel middels proefsleuven onderzocht. Hierbij zijn sporen uit de ijzertijd, Romeinse tijd en de late middeleeuwen/nieuwe tijd aangetroffen. Hierop is overgegaan op een vlakdekkende opgraving.

4775383100

38

Plangebied valt binnen dit onderzoek

0mW

400 m ZO

400 m ZO

0mW

5308305100

495 m O

Archol, 2022

Proefsleuvenonderzoek/opgraving. In 2022 is het terrein middels proefsleuven onderzocht. Daarbij zijn sporen aangetroffen uit de pre- en protohistorie aangetroffen. Daarop is besloten het onderzoek uit te breiden naar een opgraving. Daarbij zijn de nederzettings- en grafsporen begrensd en gedocumenteerd.

5458586100

0mZ

Sweco, 2023

Archeologisch rapport niet beschikbaar in Dans of Archis.

Fokkens 1990, Verwers 1978, Verwers 1981, Verwers 1983. Fokkens, Van As & Jansen 2019. Wesselingh 2000.

Amsteleind Zuid en Kleinussen te Oss. Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

23

Pal ten westen van het noordelijke deel van het plangebied is in 2022 een bureaustudie en een verkennend booronderzoek uitgevoerd (zaakidentificatienr. 4775383100).41 Uit dat onderzoek is gebleken dat binnen het plangebied hoofdzakelijk sprake was van relatief natte beekeerdgronden, maar dat het dekzandlandschap in oostelijke richting oploopt. Voor dit hoger gelegen oostelijke deel is vervolgonderzoek aanbevolen in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. Dit onderzoek is in 2022 deels uitgevoerd, waarbij alleen het noordelijke deel is onderzocht.42 De proefsleuven tonen aan dat het gehele terrein als gevolg van agrarische activiteiten in de 20e eeuw is afgetopt. Er zijn onder de bouwvoor geen restanten van bodemvorming herkend. Ondanks deze verstoringen zijn er wel degelijk archeologische resten bewaard gebleven. Het gaat om nederzettingssporen uit de late prehistorie (bronstijd‐ijzertijd) en een over het terrein verspreidt systeem aan greppels dat vermoedelijk in de nieuwe tijd dateert. Er is geen vondstmateriaal aangetroffen. De prehistorische sporen zijn volgens de onderzoekers mogelijk te koppelen aan de (hierboven beschreven) prehistorische nederzettingssporen die in de jaren 70 en 80 van de vorige eeuw in de nabijgelegen wijk Ussen zijn opgegraven.

Het onderzochte gebied bevindt zich op een overgang tussen landschappelijke eenheden, te weten een dekzandrug in het zuiden en een terrasvlakte in het noorden. Hierdoor is het volgens de onderzoekers aannemelijk dat het gebied toen ook aantrekkelijk moet zijn geweest voor bewoning of voor activiteiten die net buiten de nederzetting plaatsvonden (off‐site). In de wijdere omgeving zijn nederzettingen uit de late prehistorie veelvoorkomend. De aangetroffen nederzettingssporen zijn derhalve geen zeldzaamheid. De beperkte aangetroffen hoeveelheid archeologische resten maken de vindplaats volgens de onderzoekers dan ook niet behoudenswaardig. Het terrein is vrijgegeven van vervolgonderzoek.43 Pal ten oosten van het plangebied is in de jaren 2011 en 2014 een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd, opgevolgd door een opgraving ter plaatse van het sportpark Amstelhoef. Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn sporen uit de volle middeleeuwen aangetroffen, waarbij vermoedelijk twee verschillende erven zijn blootgelegd. Op basis van deze resultaten is besloten tot een opgraving. Tijdens de opgraving zijn sporen en vondsten aangetroffen daterend uit de ijzertijd, Romeinse tijd en late middeleeuwen/nieuwe tijd. De sporen uit de volle middeleeuwen zijn als gevolg van de aanleg van een sloot niet meer teruggevonden.

Op basis van het aardewerk is gebleken dat de bewoning binnen het gebied zowel in de vroege als late ijzertijd dateert. Er zijn twee waterkuilen aangetroffen uit de vroege ijzertijd. De verwachting is dat deze tot een nederzetting hebben behoord. Huisplattegronden zijn echter niet aangetroffen. Geconcludeerd is dat dit te maken kan hebben met de matige conservering van de sporen. Het kan echter ook zo zijn dat de erven zich buiten het plangebied bevinden, bijvoorbeeld binnen de contouren van onderhavig plangebied. Er zijn paalsporen met aardewerk uit de late ijzertijd aangetroffen, maar deze behoren niet tot structuren. In de oostelijke zone zijn twee erven uit de Romeinse tijd opgegraven. Ze bestaan beiden uit een huisplattegrond, één of meerdere waterputten, een groot aantal kuilen en een spieker. De spieker en de waterputten zijn in het verlengde van de boerderijen opgericht of geslagen, de kuilen liggen of aan de noord- of zuidzijde van de structuren. Ook in het westelijke deel van het onderzochte terrein hebben in de Romeinse tijd activiteiten plaatsgevonden. Er is echter slechts één geïsoleerd liggende spieker aangetroffen, zodat niet duidelijk is wat de aard en omvang van de nederzetting ter plaatse geweest is. Op grond van het aardewerk lijkt de nederzetting in de 2e eeuw gedurende één tot of twee generaties te zijn bewoond.

De bewoningssporen liggen in een gebied dat in de Romeinse tijd intensief bewoond is geweest. De aangetroffen structuren worden door de onderzoekers toegeschreven aan de nederzetting Zomerhof, die in de jaren ’70 en ’80 van de vorige eeuw is opgegraven. Binnen de gemeente Oss is een historische vereniging actief. Het betreft de Stichting Archeologie Maasland. Deze Stichting is via de heer P. van Nistelrooij benaderd voor aanvullende informatie. Via een mail heeft de heer Van Nistelrooij laten weten dat zowel hijzelf als overige leden van de Stichting Archeologie Maasland geen aanvullende informatie hebben over het plangebied. 44 Bepaalde gebieden zijn vanwege hun archeologische waarde aangewezen als archeologisch (rijks)monument. Binnen het plangebied zijn geen (rijks)monumenten aanwezig. Ook binnen een straal van 500 m rond het plangebied zijn geen (rijks)monumenten aanwezig.

Ellenkamp 2020. Het zuidelijke deel zal in de loop van 2025 onderzocht worden. 43 Van den Helm 2022. 44 E-mail van de heer Van Nistelrooij, 17-12-2024. 41 42

Amsteleind Zuid en Kleinussen te Oss. Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

24

2.5 Archeologische verwachting Het plangebied bevindt zich in een zogenaamd terrassenlandschap, waar in de ondiepe ondergrond grove rivierzanden en -grinden van de Formatie van Kreftenheye voorkomen. De grove rivierzanden en -grinden zijn in het plangebied en omgeving naar verwachting afgedekt met een relatief dun pakket dekzand. Booronderzoek uit 2020, uitgevoerd op naastgelegen terrein, bevestigt dit beeld. Lokaal is het dekzandpakket niet dikker dan 60 cm. Uit het AHN, de landschappelijke eenhedenkaart van de gemeente Oss en de resultaten van eerder onderzoek blijkt dat het landschap van noordwest naar zuidoost oploopt. In het noordwesten bevinden zich de wat lagergelegen dekzandvlakten, in het zuidoosten bevinden zich de wat hoger gelegen dekzandwelvingen. Vanaf het Atlanticum (circa 5000 voor Chr.) schoof de grenszone tussen van het toenmalige dekzandgebied en het rivierengebied door de voortdurende accumulatie van rivierafzettingen op richting het zuiden. Vanuit het noorden werd het dekzand bedekt met riviersedimenten. Ter hoogte van het plangebied en omgeving werd het landschap echter met een dun pakket klei bedekt vanuit de Beerse Overlaat. Uit het booronderzoek van RAAP in het naastgelegen gebied blijkt dat het noordelijke deel van onderhavig plangebied in het verleden mogelijk ook met een zeer dun pakket van dergelijke klei bedekt is geweest.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=f323ff0d-58e8-40f2-a5d0-f85eb148dbcf