CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 8A Toelichting BP Oijense Benedendijk 58-60 Oijen - 2023

Gemeenteraad 14 december 2023, gemeente OssBij agendapunt: A Vaststelling 12 bestemmingsplannen, gebundelde procedure22.438 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Afbeelding 12: uitsnede landschappelijk inpassingsplan met daarop indicatief de beoogde situatie weergegeven

Oijense Benedendijk 58-60 – 2023, pag. 26 van 58 vastgesteld

In dit inpassingsplan is rekening gehouden met de kwaliteiten en kenmerken van het gebied. De bestaande beukenhaag en solitaire bomen blijven behouden. In de beoogde situatie worden nieuwe groenstructuren aangeplant in de vorm van een beukenhaag, een hoogstam fruitboomgaard en struweelhagen. Kleinschalige elementen zoals deze bomen en struweelhagen bij de erf- en perceelsgrens versterken deze kleinschaligheid. Door het omzomen van de woonbestemming is er een duidelijke scheiding tussen het woonactiviteiten en de activiteiten op omliggende agrarische percelen. Door de aan te planten groenstructuren is er een overgang tussen de woonbestemming en de omliggende agrarische bestemmingen. Gezien voorgaand wordt landschapselementen aangeplant welke zorgt voor een versterking van het landschapsbeeld en heeft een kwaliteitsverbetering van het landschap tot gevolg. Bovendien sluit het aan op de landschappelijke kenmerken van de omgeving en sluit het aan op de Nota Landschapsbeleid 2015 en Structuurvisie Buitengebied van de gemeente Oss. Tenslotte blijft met dit landschappelijk inpassingsplan de zichtlijn vanaf de dijk naar het achterliggende landschap in het zuiden gehandhaafd. In bijlage 1 is het landschappelijk inpassingsplan nader beschreven en gemotiveerd. 5.1.2

Kwaliteitsverbetering van het landschap

Regeling ‘kwaliteitsverbetering van het landschap’ De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant eist, bij een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in het landelijk gebied, een fysieke kwaliteitsverbetering van de landschappelijke kwaliteit. Dit staat in artikel 3.9 van de Interim omgevingsverordening. In januari 2013 is het afsprakenkader over de toepassing en uitwerking van deze regeling vastgesteld. Dit regionale afsprakenkader is oorspronkelijk bedoeld als uitwerking van regeling ‘Kwaliteitsverbetering van het landschap’ uit de Verordening ruimte. Het afsprakenkader geldt nog steeds. Toepassingsbereik De notitie toepassingsbereik vormt het basisdocument voor het afsprakenkader van de provincie met de gemeenten in de regio Noordoost. Deze notitie bevat de categorie-indeling voor de niet-planmatige ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied en de bijbehorende tegenprestatie. Deze notitie geeft de minimale inspanning aan die de gemeente Oss regionaal heeft afgesproken. Gemeenten hebben alle vrijheid om meer kwaliteitsverbetering te verlangen als ze dat nodig vinden op basis van beleids- of gebiedsambities. Het afsprakenkader is nadrukkelijk geen ruimtelijk afwegingskader. Gemeenten moeten zelf beoordelen of een ontwikkeling ruimtelijk gewenst is.

Vervolgens kan aan de hand van het afsprakenkader beoordeeld worden waar de kwaliteitsverbetering minimaal aan moet voldoen. Afspraken toepassingsbereik De notitie Toepassingsbereik en met name de verdeling van ruimtelijke ontwikkelingen over de verschillende categorieën is de basis voor het afsprakenkader over toepassingsbereik. - bij planmatige (stedelijke) ontwikkelingen is kwaliteitsverbetering altijd van toepassing; - bij niet-planmatige ontwikkelingen: tegenprestatie gerelateerd aan impact: cat. 1 geen impact: geen tegenprestatie cat. 2 beperkte impact: landschappelijke inpassing cat. 3 grote impact: berekende kwaliteitsverbetering van het landschap Afspraken kwaliteitsverbetering - Bij planmatige (stedelijke) ontwikkelingen: storting in een landschapsfonds of bijdrage in natura in landschapsversterkend project. - Bij niet-planmatige ontwikkelingen zijn gemeenten zelf verantwoordelijk voor de toepassing: in natura (op of nabij de projectlocatie), financiële bijdrage in landschapsfonds of een combinatie van beide. - Bij kwaliteitsverbetering in natura (op of nabij de projectlocatie) bevat het ruimtelijk plan de verantwoording van de kwaliteitsverbetering. - De regio kiest niet voor een (sub)regionaal landschapsfonds. Indien gemeenten een grensoverschrijdend landschapsproject willen realiseren, weten zij elkaar te vinden.

Voorliggend plan betreft het samenvoegen van twee bouwpercelen met de enkelbestemming ‘Wonen’. De bebouwingsmogelijkheden binnen het bouwperceel wijzigt daarbij niet. Om de erfverharding en (beoogde) bijgebouwen binnen het bouwperceel te situeren wordt het bouwperceel vergroot met 206 m2. Daarnaast wordt kleinschalige recreatieve nevenactiviteiten toegestaan binnen het plangebied.

Oijense Benedendijk 58-60 – 2023, pag. 27 van 58 vastgesteld

De ontwikkeling ‘bed & breakfast en kleinschalige recreatieve nevenactiviteiten in/bij (bedrijfs)woning binnen vigerende bouwregeling (oppervlakte bijgebouwen) en binnen geldend bestemmingsvlak wonen of niet-agrarisch bedrijf tot een maximum van 200 m2’ is opgenomen als een categorie 1 ontwikkeling. Het samenvoegen van twee bouwpercelen met de enkelbestemming ‘wonen’ zonder uitbreiden van bebouwingsmogelijkheden is niet opgenomen in het afspraken kader. Uitbreiding van het bestemmingsvlak ‘wonen’ (>1.500 m2) is opgenomen als een categorie 3 ontwikkeling. In het principebesluit met d.d. 4 mei 2022 heeft de gemeente Oss als voorwaarde gesteld dat het nieuwe bestemmingsvlak landschappelijk goed ingepast wordt conform de regels in artikel 20.4 van het vigerend bestemmingsplan Buitengebied Oss – 2020 onder Kleinschalige recreatieve nevenactiviteiten. Omdat er sprake is van een categorie 3 ontwikkeling dient een financiële berekening te worden gemaakt. Om te beoordelen of kwaliteitsverbetering van het landschap in verhouding staat tot de geplande ruimtelijke ontwikkeling wordt de omvang van de prestatie berekend. Daarnaast wordt ook een waarde toegekend aan de investering die in de kwaliteitsverbetering van het landschap wordt gedaan.

De berekening ‘Kwaliteitsverbetering van het landschap’ is als separate bijlage toegevoegd aan deze ruimtelijke onderbouwing (bijlage 2) Het landschappelijk inpassingsplan is als separate bijlage opgenomen bij deze toelichting (bijlage 1). Gelet op bovenstaande voldoet de ontwikkeling aan de voorwaarden die zijn opgenomen in het afsprakenkader voor kwaliteitsverbetering. 5.2

Natuur

5.2.1 Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming beschermt Nederlandse natuurgebieden en planten- en diersoorten. Het is belangrijk voor de natuur dat er veel verschillende planten- en diersoorten zijn. Wanneer het met de natuur goed gaat, is er ook meer ruimte voor economische en andere maatschappelijke activiteiten. Maar sommige soorten zijn kwetsbaar, zoals vleermuizen en mussen. Een goede natuurbescherming is dan ook belangrijk. Rolverdeling tussen provincies en Rijk Sinds 1 januari 2017 bepalen de provincies wat wel en niet mag in de natuur binnen de provincie. De provincies zorgen voor de vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor het beleid van grote wateren en internationaal beleid (zoals Natura2000). Ruimtelijke plannen en omgevingsvergunningen die invloed hebben op beschermde natuur moeten passen binnen de Wet natuurbescherming. Daarnaast gelden ook provinciale regelingen voor natuurbescherming. 5.2.2

Groen en natuur/biodiversiteit

Natuurinclusief bouwen De gemeente streeft er naar om bij (ver)bouwen zoveel als mogelijk rekening te houden met de natuur en de biodiversiteit ofwel ‘natuur inclusief’ te bouwen. Aan initiatiefnemers wordt gevraagd om dit ook te doen. Bijzonder waardevolle bomen In 1998 is de beleidsnota “Bijzonder waardevolle bomen” opgesteld, waarin bomen zijn opgenomen die vanwege specifieke waarden bescherming verdienen. De lijst met waardevolle bomen wordt periodiek geactualiseerd. De laatste actualisatie is opgenomen in de nota “Bijzondere bomen in Oss 2018”. In deze nota is vastgelegd dat de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de aangewezen waardevolle bomen altijd geweigerd moet worden tenzij het kappen van deze bomen vanuit het algemene belang noodzakelijk is. Dit is verder vertaald in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Op grond van de APV is voor het kappen van bomen die op de Beschermde bomenlijst staan een vergunning vereist. De vergunning kan op grond van verschillende criteria door het college van burgemeester en wethouders worden geweigerd.

Oijense Benedendijk 58-60 – 2023, pag. 28 van 58 vastgesteld

5.2.3 Natuurtoets Bij de bescherming van natuurwaarden gaat het enerzijds om soortenbescherming en anderzijds om gebiedsbescherming. Gebiedsbescherming is gericht op de bescherming van kwetsbare natuurgebieden. Soortenbescherming moet er toe leiden dat het voortbestaan van soorten niet in gevaar komt. Binnen Nederland zijn 166 Natura 2000-gebieden aangewezen. Dit zijn gebieden met een Europese beschermingsstatus. Veel van deze gebieden zijn (ook) gevoelig voor stikstofdepositie. Een verdere toename van de stikstofdepositie kan leiden tot ‘significante negatieve effecten’ op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden. Programma Aanpak Stikstof (PAS) Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan in enkele beroepszaken tegen Natura 2000-vergunningen die zijn gebaseerd op het Programma Aanpak Stikstof (PAS) 2015-2021 (Kamerstuk 32 670, nr. 146). Het is een stevige uitspraak die per direct forse consequenties heeft voor individuele ondernemers, maar ook voor ambities van gemeenten, provincies en Rijksoverheid op het terrein van onder meer waterveiligheid, infrastructuur, woningbouw en klimaat. De uitspraak komt er op neer dat de PAS ‘gesneuveld’ is als aanpak en systeem voor vergunningverlening van stikstofvergunningen op basis van de Wet natuurbescherming.

Hoewel er geen directe relatie lag en ligt tussen een bestemmingsplan en de PAS, is het sneuvelen van de PAS ook voor Ruimtelijke onderbouwingen (RO) en bestemmingsplannen van belang, met name ook door de aandacht voor stikstof. Tot nu toe werd als ondergrens waaronder je geen Natuurvergunning nodig had (0,05 Mol/ha) ook in de RO vaak gebruikt om aan te tonen dat stikstof geen probleem was voor de voorgenomen planontwikkeling. 5.2.3.1. Gebiedsbescherming Voor de Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld. Activiteiten en ontwikkelingen die een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen hebben, zijn verboden. Voor een plan geldt op grond van artikel 2.7 lid 1 van de Wet natuurbescherming dat bepalend is of het significante gevolgen kan hebben voor een (of meer) Natura 2000-gebied(en). Is dat het geval, dan dient het bestuursorgaan, onderscheidenlijk de aanvrager van de vergunning, bij de vaststelling van een plan met toepassing van artikel 2.7 Wnb, een passende beoordeling te maken, zoals bedoeld in artikel 2.8 Wnb. In een toetsing wordt bepaald of er negatieve effecten kunnen optreden. Een eerste toetsing (voortoets) geeft aan of er negatieve effecten kunnen optreden en zo ja of deze van dien aard kunnen zijn dat de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar kunnen komen.

Indien dat het geval is, wordt een tweede toetsing verricht welke dieper ingaat op de mate van effect (passende beoordeling). Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied betreft Rijntakken (deelgebied Uiterwaarden Waal), welke is gelegen op een afstand van ongeveer 5 kilometer. Er zijn verschillende factoren die kunnen leiden tot de verstoring van beschermde vogel- en habitattypen en soorten. Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten, indien een ontwikkeling op korte afstand van een gebied plaatsvindt. Middels het rekenprogramma AERIUS kan de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden worden berekend. Hiermee wordt het effect op verzuring en vermesting in beeld gebracht. Wanneer met het rekenprogramma AERIUS kan worden aangetoond dat een initiatief geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, kan de ontwikkeling doorgang vinden. Indien er wel sprake is van een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden moet onderbouwd worden hoe deze toename in depositie ongedaan wordt gemaakt (door het treffen van maatregelen of extern salderen). Om aan te tonen dat er als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden plaatsvindt is middels het rekenprogramma een AERIUS berekening gemaakt voor de renovatie en gebruiksfase van het plan.

De uitgangspunten voor deze berekeningen zijn uiteengezet in bijlage 3. In bijlage 4 zijn de rekenresultaten van deze berekeningen opgenomen. Hieruit blijkt dat de stikstofdepositie in de gebruiksfase van het plan niet groter is dan 0,00 mol/ha/jaar. Het aspect stikstofdepositie vormt derhalve geen belemmering voor vaststelling en uitvoering van het plan. 5.2.3.2. Soortenbescherming De Wnb geeft kaders voor de bescherming van planten en dieren. Zo is het verboden om dieren te vangen of verwonden en om vaste rust- en verblijfplaatsen te vernielen. Dit is vastgelegd in drie vergelijkbare beschermingsregimes voor soorten. Indien deze verbodsbepalingen overtreden worden, is er een

Oijense Benedendijk 58-60 – 2023, pag. 29 van 58 vastgesteld

ontheffing nodig. Voor ieder ruimtelijk plan is het verplicht om te toetsen of deze leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen. Gelet op de beoogde ontwikkeling aan Oijense Benededijk 58-60, dient met name bepaald te worden of ter plaatse, beschermde natuurwaarden voorkomen, die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten is zonder ontheffing niet toegestaan. Het plangebied wordt op dit moment gebruikt voor bewoning, tuin en de opslag van goederen. De woning op nr. 58 betreft een voormalige dijkwoning. In overeenstemming met het vigerend bestemmingsplan mogen de gebouwen als tuin en erf gebruik worden. Volgens de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) heeft de woning een logiesfunctie. In de beoogde situatie wordt de bouwpercelen van Oijense Benedendijk 58 en 60 samengevoegd tot één bouwperceel. Het bouwperceel wordt daarbij met 206 m2 vergroot. Daarnaast maakt dit plan kleinschalige recreatieve reactiviteiten in bijgebouwen mogelijk, behorende bij de woning op nr. 60. De voormalige woning op nr. 58 wordt ten behoeve van een recreatief nachtverblijf gerenoveerd. De bebouwing op nr.

58 is opgebouwd uit steen, glas en hout en voorzien van dakpannen, golfplaten en kunststof dakbedekking. In de tuinen is sierbeplanting aanwezig en is de ruimte rond de woningen ingericht als gazon. Rondom de planlocatie liggen hoofdzakelijk tuinen en woningen. De omgeving van het plangebied kenmerkt zich als een woongebied met veel menselijke activiteiten. Het aantreffen van beschermde of bedreigde plant- en diersoorten is uitgesloten omdat het plangebied, ter plaatse van nr. 58, volledig is bebouwd of is ingericht als tuin, waardoor er geen geschikte biotopen aanwezig zijn. Gezien het huidige intensieve gebruik van de voormalige woning op nr. 58 en bijbehorend bijgebouw is de aanwezigheid van beschermde of bijzondere soorten echter niet te verwachten. 5.3

Archeologie en Cultuurhistorie

5.3.1 Erfgoedwet en overgangsregeling omgevingswet De Erfgoedwet beschermt het cultureel erfgoed in Nederland. In deze wet staan regels om belangrijk cultureel erfgoed beter te beschermen en behouden. In de Erfgoedwet staat wat cultureel erfgoed is, hoe de overheid omgaat met roerend cultureel erfgoed (zoals schilderijen), wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe de overheid daar toezicht op houdt. Het beschermingsregime voor de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (lees archeologische resten) net als de bescherming van gebouwde rijksmonumenten wordt opgenomen in de Omgevingswet. Vooruitlopend op de ingang van de Omgevingswet is het deel van de Monumentenwet 1988 dat gaat over de fysieke leefomgeving geregeld in het overgangsrecht van de Erfgoedwet. Het gaat om: - vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten. - verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. - bescherming van stads- en dorpsgezichten. Het erfgoed in de ruimtelijke ordening wordt nu nog voor een belangrijk deel geregeld via de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Ruimtelijke plannen die toepassing hebben op cultureel erfgoed moeten passen binnen wettelijke kaders van de Erfgoedwet en ook de regelingen die in andere wetten en regelgeving is opgenomen, zoals de Wabo en het Bro.

5.3.2 Archeologiebeleid Het provinciale archeologisch beleid is neergelegd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant van 25 oktober 2019 en op de provinciale Cultuurhistorische waardenkaart 2010, herzien 2016. Hierin is de bescherming van aardkundig waardevolle gebieden en archeologische landschappen geregeld. Het

Oijense Benedendijk 58-60 – 2023, pag. 30 van 58 vastgesteld

gemeentelijk archeologisch beleid is veel gedetailleerder dan het algemene provinciale beleid op dit punt en prevaleert daarom ook boven het provinciale archeologisch beleid. Op 14 oktober 2010 heeft de gemeente Oss haar ‘archeologiebeleid’ vastgesteld. In 2015 heeft de gemeenteraad het archeologiebeleid opnieuw vastgesteld. Dit was nodig vanwege de gemeentelijke herindeling met Maasdonk. Onderdeel van de vaststelling in 2015 is het rapport 'Actualisatie archeologiebeleid gemeente Oss, een herziene archeologische beleidskaart voor het nieuwe grondgebied van de gemeente Oss' (Goddijn, 2012). Aan de hand van onderzoeken, inzichten en boringen in het veld zijn de eerdere archeologische kaarten gedeeltelijk bijgesteld. Op de beleidskaart is sprake van meerdere beleidscategorieën (zie onderstaande tabel). In het beleid is per beleidscategorie vastgelegd wanneer sprake is van een onderzoeksplicht en wanneer ontwikkelingen hiervan zijn vrijgesteld. Tabel 1: archeologische beleidscategorieën: Verwachting/waarde

Archeologisch beschermd rijksmonument Archeologisch (AMK-) monument Beschermde stadsgezichten Historische stads-/dorpskern Hoge verwachtingswaarde Hoge verwachtingswaarde – bedrijventerrein Middelhoge verwachtingswaarde Lage verwachtingswaarde Reeds onderzocht Verstoord

Vrijstellingsgrenzen

0 m2 / 30 cm -Mv 35 m2 / 30 cm -Mv 50 m2 / 30 cm -Mv 100 m 2 / 30 cm -Mv 1000 m2 / 30 cm -Mv 5 hectare / 30 cm -Mv Afhankelijk van de resultaten van het reeds uitgevoerde onderzoek. Geen onderzoeksplicht

5.3.3 Archeologietoets Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente is aan het bestemmingsplangebied middelhoge archeologische verwachtingswaarde toegekend, zie navolgende afbeelding. Concreet betekent dit dat er een archeologische onderzoeksplicht geldt indien de bodemingrepen dieper reiken dan 30 cm beneden huidig maaiveld én de omvang van het gebied groter is dan 1.000 m².

Plangebied

Afbeelding 13: uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Oss (bron: gemeente Oss)

Toetsing van de plannen Bij voorliggend plan vindt geen werkzaamheden plaats in de bodem. Daarom is een nader onderzoek niet noodzakelijk.

Oijense Benedendijk 58-60 – 2023, pag. 31 van 58 vastgesteld

Bestemmingsplanregels De gemeente Oss vertaalt de wet en het archeologisch beleid ook door in standaard bestemmingsplanregels. Zo heeft de gemeente bestemmingsplanregels (dubbelbestemmingen: dat wil zeggen dat deze naast de hoofdbestemming gelden) voor bescherming van historische kernen, beschermde monumenten, monumenten en voor gebieden met een middelhoge of hoge archeologische verwachtingswaarde. Met deze regels kan, ter bescherming van archeologische waarden, worden bepaald wanneer er een omgevingsvergunning voor bepaalde werkzaamheden nodig is, wanneer dat niet het geval is en onder welke omstandigheden en met welke nadere eisen en voorwaarden een omgevingsvergunning kan worden verleend. Voor het plangebied is en blijft de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie verwachtingswaarde middelhoog’ van toepassing. 5.3.4

Cultuurhistorie

Wettelijk kader Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Dat wordt veranderd in: met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. De regering wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. Doordat plannen nu nog pas na afloop van het planproces worden getoetst aan de regelgeving van de monumentenzorg, wordt monumentenzorg dikwijls ervaren als hindernis. Dit is door de regering erkend en daarbij is de ambitie uitgesproken om de positie van cultuurhistorie aan het begin van het ruimtelijk ordeningsproces juridisch te versterken. Door de verankering van cultuurhistorische waarden in de bestemmingsplannen vermindert tegelijkertijd de noodzaak tot het aanwijzen van nieuwe beschermde monumenten, omdat het belang van de cultuurhistorie wordt geborgd via het proces van de ruimtelijke ordening.

In de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in verband met modernisering van de monumentenzorg is daarom al de mogelijkheid voor burgers en belangengroepen om een aanvraag in te dienen om een monument aan te wijzen als beschermd monument, geschrapt. Dit instrument werd door belangengroepen nogal eens ingezet om afgifte van bouwvergunningen te frustreren of te vertragen. Met de wijziging van het Bro wordt tevens de adviesrol van Gedeputeerde Staten beperkt. Tot nu toe moet bij alle ingrepen aan een beschermd monument buiten de bebouwde kom advies aan Gedeputeerde Staten worden gevraagd. Met de wijziging van het besluit hoeft dat alleen nog, als het gaat om monumenten die door de minister op grond van de Monumentenwet 1988 zijn aangewezen. Daarnaast voorziet het besluit in een aantal versoepelingen van vergunningsvrij wijzigen of bouwen in, aan of bij beschermde monumenten. Samengevat komen die versoepelingen er op neer, dat voor gewoon onderhoud of voor inpandige veranderingen aan beschermde monumenten geen monumentenvergunning meer nodig is, als de betreffende onderdelen geen monumentale waarde hebben. Bij twijfelgevallen zal men het bevoegd gezag moeten raadplegen.

De bedoeling van het wijzigingsbesluit is om enerzijds cultuurhistorische waarden een duidelijke plaats te geven aan het begin van het planproces en anderzijds onnodige regeldruk, vooral wanneer het gaat om ondergeschikte wijzigingen aan een monument, weg te nemen. Cultuurhistorie: gemeentelijk en provinciaal beleid Het beleid van de gemeente Oss voor wat betreft cultuurhistorie is onder meer neergelegd in het Erfgoedplan Oss 2006 “Op gemengde bodem”. Hierin zijn onder andere opgenomen: historisch bebouwde gebieden, oude verkavelingspatronen, de invloed van de Maas en Rijksmonumenten. Deze nota heeft (nog) geen betrekking op het grondgebied van de voormalige gemeente Lith. Daarnaast heeft de gemeente Oss een Monumentenlijst 2019. Hierin zijn de Rijks- en gemeentelijke monumenten opgenomen. Het provinciale cultuurhistorische beleid is verankerd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant en op de Cultuurhistorische waardenkaart 2010. Hierin zijn onder andere opgenomen: cultuurhistorische vlakken en complexen van cultuurhistorisch belang.

Oijense Benedendijk 58-60 – 2023, pag. 32 van 58 vastgesteld

Cultuurhistorie: bestemmingsplanregels en regels in de provinciale Interim omgevingsverordening NoordBrabant Met de onder het kopje ‘archeologie’ genoemde bestemmingsplanregels, is het ook mogelijk om cultuurhistorische waarden in bestemmingsplannen te beschermen. Een en ander voor zo ver het terreinen betreft (inbouwen sloopvergunningstelsel voor bebouwing). Kortheidshalve wordt naar het kopje ‘archeologie: bestemmingsplanregels’ verwezen. De provincie Noord-Brabant heeft in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant bindende regels opgenomen ter bescherming van cultuurhistorische waarden. In de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant en de Cultuurhistorische waardenkaart 2010 zijn geen cultuurhistorische waarden opgenomen voor het plangebied. Het plan betreft het samenvoegen van twee bouwpercelen en het gebruik toestaan van kleinschalige nevenactiviteiten. Gezien de afwezigheid van cultuurhistorische waarden en de beoogde ontwikkeling zal bij de uitvoering van het plan geen afbreuk gedaan worden aan cultuurhistorische waarden of aardkundig waardevol gebied. 5.4

Mobiliteit en parkeren

5.4.1 Verkeer De Mobiliteitsvisie Oss uit 2009 heeft als doel het in balans brengen van bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid. De mobiliteitsvisie is uitgewerkt in het Mobiliteitsplan 2020 Oss. Het deelplan Wegen werkt het gewenste netwerk voor het autoverkeer uit. Per weg is de gewenste functie vastgelegd. Van belang is de vraag of een initiatief leidt tot extra verkeersbewegingen en of de toename van verkeersbewegingen passen binnen de normen die voor ontsluitingswegen gelden. Verkeer: extra verkeersbewegingen Voor het bepalen van de verkeergeneratie kan aangesloten worden bij de ‘Handreiking Verkeersgeneratie voorzieningen, kengetallen gemotoriseerd verkeer’ (CROW). Binnen het plangebied bevinden zich een woning en een voormalige woning met bijgebouw. Voor een vrijstaande woning in het buitengebied dient volgens bovenstaande handreiking uitgegaan te worden van een verkeergeneratie van 8,6. De voormalige woning en bijgebouw werden gebruikt ten behoeve als thuishuis/logiesfunctie. In de handleiding zijn hiervoor geen normen opgenomen. Hiervoor wordt aangesloten bij een normen van een bungalowpark (huisjescomplex), 2,8 per huisje/bungalow. De totale verkeersgeneratie in de bestaande situatie is 11,4 auto’s. In de beoogde situatie blijft de bestaande woning op nr. 60 ongewijzigd en wordt de voormalige woning en bijgebouw ter plaatse van nr.

58 gebruikt als recreatief nachtverblijf. Hiervoor wordt aangesloten bij een normen van een bungalowpark (huisjescomplex). Voor een recreatief nachtverblijf in het buitengebied dient volgens bovenstaand rapport uitgegaan te worden van een verkeersgeneratie van 2,8 per huisje/bungalow. In de beoogde situatie worden kleinschalige recreatieve nevenactiviteiten toegestaan binnen de bestaande bebouwing van Oijense Benedendijk 58. Binnen de locatie zijn 2 bijgebouwen gelegen. Uitgaande van twee recreatieve nachtverblijven betekent dit een verkeersgeneratie van in totaal 14,2. In totaal is dit kleine toename van 2,8 auto’s per dag. Verkeer: ontsluitingswegen Binnen het plangebied dient een adequate afwikkeling van personen- en goederenvervoer verzekerd te zijn, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor. Het plangebied is gelegen aan de Oijense Benedendijk. Deze weg beschikt over voldoende capaciteit om de extra verkeersbewegingen (2,8 auto’s) af te wikkelen. 5.4.2 Parkeren De gemeente Oss heeft een gemeentelijk parkeerbeleidsplan vastgesteld. De nota ‘Parkeernormen 2017’ geeft aan welke parkeernormen voor welke gebieden gelden. Voor een vrijstaande woning in het buitengebied dient volgens bovenstaande nota uitgegaan te worden van 2,4 parkeerplaatsen. Voor het recreatief nachtverblijf op nr.

58 wordt aangesloten bij een normen van een bungalowpark (huisjescomplex). Voor een recreatief nachtverblijf in het buitengebied dient volgens bovenstaande nota uitgegaan te worden van 2,1 parkeerplaatsen. Dit zijn in totaal 4,2 parkeerplaatsen.

Oijense Benedendijk 58-60 – 2023, pag. 33 van 58 vastgesteld

Binnen het plangebied worden deze parkeerplaatsen gesitueerd op eigen terrein, in overeenstemming met hiervoor genoemde nota. Ter plaatse van nr. 60 is ruim 200 m2 aan (half) verharding aanwezig ten behoeve van parkeren. Een parkeerplaats is ongeveer 3,50 bij 5 meter. Ter plaatse van nr. 58 zijn er 2 parkeerplaatsen aanwezig. Binnen het plangebied is er voldoende parkeerruimte aanwezig voor minimaal 7 parkeerplaatsen. Gezien de omvang van de recreatieve nachtverblijven zal in werkelijkheid per verblijfsobject echter 1 parkeerplaats worden benut. De beoogde ontwikkeling vormt dus geen belemmering voor wat betreft het aspect parkeren. 5.5

Water

5.5.1 Wetgeving en beleid De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de Waterwet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets verplicht voor ruimtelijke plannen waarin waterbelangen spelen. De watertoets bewaakt de waterkwaliteit en waterkwantiteit. Een watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten zijn onder meer veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verzilting en verdroging. De watertoets heeft betrekking op alle wateren: rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. De gemeente Oss heeft in 2013 een integraal plan Watertaken vastgesteld. Het plan bestaat uit twee delen. Het “verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan” (vGRP) regelt de zorg voor inzameling en transport van afvalwater. Ook regelt het vGRP een doelmatige verwerking van afvloeiend hemelwater en overtollig grondwater. Daarnaast biedt het plan Watertaken een kader voor de andere watertaken van de gemeente. De gemeente is verantwoordelijk voor de openbare ruimte. Het gaat vooral om de zorg voor oppervlaktewater in bebouwd gebied. De gemeente is ook verantwoordelijk voor een goede ruimtelijke ordening. Het gaat om voldoende ruimte voor water in ruimtelijke plannen.

De watertoets is opgenomen in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). Beleid van gemeente, provincie en rijk is van toepassing bij een watertoets. Toetsing van uw waterparagraaf gebeurt op kwaliteit en kwantiteit. De verwerking van hemelwater, afvalwater en planologische ‘waterbestemmingen’ komen aan bod. Waterbeheerplan Op 19 november 2021 is het nieuwe waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma’s: - Waterveiligheid; Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. - Klimaatbestendig en gezond watersysteem; Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). - Schoon Water; In het programma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol.

Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd. In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin: - schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt; - de waterkwaliteit geen risico’s geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen; - de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is; - de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen. Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. ‘

Oijense Benedendijk 58-60 – 2023, pag. 34 van 58 vastgesteld

Waterschap Aa en Maas is verantwoordelijk voor het waterbeheer in haar beheersgebied. Het gaat om het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer, de waterkeringszorg, waterzuivering, grondwaterbeheer en waterbodembeheer. De regels zijn vastgelegd in de Keur (met Algemene- en Beleidsregels) in de vorm van een aantal gebods- en verbodsbepalingen. Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. Sinds 1 maart 2015 hanteert Waterschap Aa en Maas onderstaande (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn opgenomen in ‘Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’.

Voor een toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m2 en 10.000 m2 kan de vereiste compensatie berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm. De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn: - Gescheiden houden van vuil (afval)water en schoon hemelwater; - Voorkomen van vervuiling van water; - Schoon hemelwater kan volgens de voorkeursvolgorde worden verwerkt: - Hergebruik - Infiltratie/bergen - Afvoer - Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO), zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang, zowel in als buiten het plangebied. Ook mogen geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruik functies. Dit betekent dat: - De afvoer uit het gebied niet groter wordt dan in de referentiesituatie; - De grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt; - Grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties; - De (grond)waterstanden in het plangebied aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied; - Het plangebied zo wordt ingericht dat de hydrologische gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving niet leiden tot knelpunten in het plangebied.

Toetsing van de plannen Oijense Benedendijk 58 betreft een voormalige woning en is reeds aangesloten op de riolering. Bezoekers van het recreatief nachtverblijf worden geïnformeerd over wat wel en niet in de riolering mag om storingen in de pompput te voorkomen. In voorliggend plan is er sprake van een toename van verhard oppervlak van ongeveer 62 m2. Deze toename van verhard oppervlak bestaat uit een gebouw en erfverharding. In navolgende afbeelding is een luchtfoto weergegeven waarop zichtbaar is dat het bijgebouw en de erfverharding deels buiten bouwperceel zijn gelegen.

Oijense Benedendijk 58-60 – 2023, pag. 35 van 58 vastgesteld

Ongeveer 62 m2

Afbeelding 14: weergave luchtfoto 2022 Oijense Benedendijk 58, bestemming wonen is indicatief weergegeven, (bron: kadastrale kaart.com)

Het plangebied is gelegen in het buitenstedelijk gebied waardoor het hemelwater op eigen terrein verwerkt moet worden. Het hemelwater afkomstig van daken en verharding vloeit naar de omliggende gronden (tuin) waar het wordt vastgehouden dan wel infiltreren in de bodem. Het water mag niet versneld tot afstroming worden gebracht (hydrologisch neutraal). In navolgende afbeelding is een uitsnede van het landschappelijk inpassingsplan weergegeven waarop de uitbreiding van het gezamenlijk bestemmingsvlak, van Oijense Benedendijk 58 en 60, is weergegeven. De beoogde schuur is slechts indicatief weergegeven in verband met de landschappelijke inpassing en vormt geen onderdeel van dit plan. In de beoogde situatie is de bebouwing binnen het bestemmingsvlak gelegen.

Afbeelding 13: uitsnede landschappelijk inpassingsplan waarop indicatief de bebouwing binnen het bestemmingsvlak is gesitueerd

Oijense Benedendijk 58-60 – 2023, pag. 36 van 58 vastgesteld

Legger Het plangebied is gelegen binnen een primaire waterkeringszone (zie navolgende afbeelding). Wanneer nieuwe bebouwing opgericht wordt dient er een vergunning aangevraagd te worden bij het waterschap. Een belangrijke voorwaarde hierbij is dat alle beoogde bouwwerken e.d. te worden gerealiseerd boven het profiel van vrije ruimte.

Afbeelding 14: uitsnede Legger waterschap Aa en Maas

In voorliggend bestemmingsplan is geen sprake van het oprichten van nieuwe bebouwing. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in 300 m2 aan bijgebouwen binnen het plangebied. In de huidige situatie is ongeveer 96 m2 aan bijgebouwen aanwezig. Gezien de bouwmogelijkheden in dit bestemmingsplan, met betrekking tot het oprichten van bijgebouwen, is het mogelijk dat de initiatiefnemers de toekomst een nieuw bijgebouw realiseren. Wanneer deze bouwplannen zich voordoen, zal in een vroegtijdig stadium met het waterschap in vooroverleg getreden worden om de haalbaarheid van deze beoogde ontwikkeling te toetsen aan het beleid. In voorliggend bestemmingsplan is geen sprake een concreet bouwplan met betrekking tot het oprichten van gebouwen. Het aanvragen van een vergunning is daarom in dit stadium niet noodzakelijk. Bestemmingsplanregels Het plangebied Oijense Benedendijk 58-60 is in overeenstemming met de verbeelding, behorend bij het vigerend bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’ gelegen in de gebiedsaanduidingen ‘vrijwaringszone – dijk’ en ‘overige zone – oeverwal’. De gemeente Oss heeft bestemmingsplanregels (gebiedsaanduidingen: dat wil zeggen dat deze naast de hoofdbestemming gelden) voor het onderhoud, instandhouding en de versterking van de aangrenzende primaire waterkering.

Met behulp van deze regels wordt bepaald wanneer er een omgevingsvergunning voor bepaalde werkzaamheden nodig is, wanneer dat niet het geval is en onder welke omstandigheden en met welke nadere eisen en voorwaarden een omgevingsvergunning kan worden verleend. Doormiddel van een afwijkingsbevoegdheid in het vigerende bestemmingsplan is het mogelijk om af te wijken van deze regels. Voor de toename van verhard oppervlak (62 m2) wordt advies ingewonnen bij het waterschap Aa en Maas. 5.5.3 Watertoets Via www.dewatertoets.nl zijn de gegevens behorende bij het initiatief ingevuld. De samenvatting en het resultaat van de watertoets is als separate bijlage bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 5). Uit de watertoets komt naar voren dat het plangebied binnen een zone is gelegen die onderdeel uitmaakt van een waterkering (Maasdijk). Omdat waterkeringen een belangrijke rol spelen bij het waarborgen van onze veiligheid, zijn er regels opgesteld over de werkzaamheden die verricht mogen worden op, bij en in waterkeringen. Deze regels verschillen per type waterkering. Het kan zijn dat werkzaamheden helemaal

Oijense Benedendijk 58-60 – 2023, pag. 37 van 58 vastgesteld

verboden zijn of dat er voorwaarden gelden voor de uitvoering van de werkzaamheden. Het kan daarom zijn dat er een melding gedaan moet worden bij het waterschap of een vergunning aan moet vragen. Daarnaast dient de waterkering opgenomen te worden in de verbeelding van een ruimtelijk plan. Vergunningscheck waterschap In voorliggend plan is er sprake van een toename van verhard oppervlak van ongeveer 62 m2. Deze toename van verhard oppervlak bestaat uit een gebouw en erfverharding. Voor het beoogde initiatief is de vergunningschecker van het waterschap ingevuld. De ingevulde vergunningscheck is als separate bijlage (bijlage 6) bij deze toelichting toegevoegd. Het plangebied is gelegen in het buitenstedelijk gebied waardoor het hemelwater op eigen terrein verwerkt moet worden. Het hemelwater afkomstig van daken en verharding vloeit naar de omliggende gronden (tuin) waar het wordt vastgehouden dan wel infiltreren in de bodem. Het water mag niet versneld tot afstroming worden gebracht (hydrologisch neutraal). Uit de vergunningscheck blijkt dat ten behoeve van de activiteit een melding of vergunningsaanvraag niet noodzakelijk is. De beoogde ontwikkeling kan daarmee melding/vergunningsvrij uitgevoerd worden conform de regels van het waterschap. Naast een toename van verhard oppervlak is er sprake van het aanbrengen van beplanting.

Voor het beoogde initiatief is de vergunningschecker van het waterschap ingevuld. De ingevulde vergunningscheck is als separate bijlage (bijlage 7) bij deze toelichting toegevoegd. Met het aanleggen van de beplanting moet rekening gehouden worden met de B-watergang (code 01237) ten oosten van Oijense Benedendijk 58. De waterloop (talud en bodem) moet vrij blijven van begroeiing, bladeren en voorwerpen, zodat het ook onderhouden kan worden. Uit de vergunningscheck blijkt dat ten behoeve van de activiteit een melding of vergunningsaanvraag niet noodzakelijk is. De beoogde ontwikkeling kan daarmee melding/vergunningsvrij uitgevoerd worden conform de regels van het waterschap. 5.6

Defensie

Uit oogpunt van defensie kunnen er beperkingen gesteld worden aan ruimtelijke ontwikkelingen in een gebied. Belangrijke aandachtspunten met betrekking tot het defensiebelang zijn: - Radarverstoringsgebieden; - Obstakelbeheergebieden; - Laagvliegroutes voor jachtvliegtuigen; - Geluidszones voor militaire luchtvaartterreinen. Het gehele plangebied is gelegen binnen het radarverstoringsgebied van een radar van de vliegbasis Volkel. Binnen dit gebied is het in beginsel niet toegestaan om hogere bebouwing op te richten dan 114 meter boven NAP. Indien er initiatieven zijn voor het oprichten van hogere bouwwerken of gebouwen, dan kan dit toegestaan worden als blijkt dat de radar niet onevenredig wordt verstoord. Dit kan door TNO worden berekend. Dit bestemmingsplan voorziet echter nergens in bouwmogelijkheden tot een dergelijke hoogte. Daarmee is het belang van het radarverstoringsgebied binnen dit bestemmingsplan voldoende gewaarborgd. Bij een eventueel toekomstig initiatief voor een bouwwerk met een hoogte tot 114 meter boven NAP of hoger dient het defensiebelang nadrukkelijk betrokken te worden bij de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling. Voor het overige geldt dat het plangebied niet gelegen is binnen een obstakelbeheergebied, een laagvliegroute voor jachtvliegtuigen of een geluidszone voor militaire luchtvaartterreinen.

Aan deze aspecten hoeft dan ook geen verdere aandacht besteed te worden. 5.7

Niet gesprongen explosieven

In navolgende afbeelding is een uitsnede weergegeven van de bodembelastingkaart, hierop is het plangebied groen gearceerd. Het plangebied in geheel onverdacht van ontplofbare oorlogsresten uit WOII op basis van de bodembelastingkaart ontplofbare oorlogsresten en het daaraan gekoppelde vooronderzoek van AVG uit 2016. Dit wil zeggen dat de kans dat tijdens grondwerkzaamheden binnen het plangebied explosieven of munitie wordt gevonden zeer klein is. Daarnaast vinden er geen grondwerkzaamheden plaatst. Het is niet nodig om munitie bodemonderzoek te laten doen. Echter kan het voorkomen dat bij toeval toch een artikel wordt gevonden wat er uit ziet als een explosief of munitie. In dat geval geldt het

Oijense Benedendijk 58-60 – 2023, pag. 38 van 58 vastgesteld

protocol toevalsvondsten: stop de werkzaamheden, iedereen verlaat lopend het werkterrein (i.v.m. trillingen door voertuigen en machines) en bel de politie op 0900-8844. De Explosieven Verkenner (EV) of Teamleider Explosieven Veiligheid (TEV) van de politie komt op de locatie beoordelen of het om munitie gaat die moet worden geruimd. Zo ja, schakelt deze de Explosieven Opruimingsdienst van Defensie (EODD) in. Zo nee, dan kunnen werkzaamheden worden hervat.

Afbeelding 15: uitsnede bodembelastingkaart, hierop is het plangebied groen gearceerd (bron: gemeente Oss)

Oijense Benedendijk 58-60 – 2023, pag. 39 van 58 vastgesteld

5.8

Milieuaspecten

In deze paragraaf wordt ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten die verband houden met, of betrekking hebben op de ruimtelijke ontwikkeling. Het gaat daarbij meestal om de wisselwerking met de omgeving. Welke gevolgen heeft het initiatief voor de omgeving en omwonenden? Maar ook, welke gevolgen hebben activiteiten in de omgeving voor de mogelijkheden op de projectlocatie? Achtereenvolgens komen de volgende aspecten aan bod: Bedrijven en milieuzonering - Bodem - Externe veiligheid - Geurhinder: agrarisch - Geur: industrieel - Luchtkwaliteit - Straling - Weg-, spoor-, en industrielawaai - Gezondheid - Spuitzones 5.8.1 Bedrijven en milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten van bedrijven en gevoelige functies, zoals woningen. Het doel van milieuzonering is om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast kan milieuzonering bedrijven voldoende zekerheid bieden om hun activiteiten duurzaam uit te voeren. De handreiking Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft richtafstanden om de milieuzonering van bedrijven te kunnen bepalen. De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen.

Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten (geur, stof, geluid en veiligheid) en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: - Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. - Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Ook gebieden die direct naast de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Hier zijn dan ook kleinere richtafstanden te rechtvaardigen (behalve voor het aspect veiligheid). Het plangebied ligt in omgevingstype ‘rustig buitengebied’. In de directe omgeving vindt geringe functiemenging plaats. Tevens is er weinig verstoring door verkeer. Qua aanvaardbare milieubelasting is dit omgevingstype dus vergelijkbaar met een rustige woonwijk.

In de omgeving bevinden zich direct naast woningen andere functies zoals o.a. veehouderijen. Het plangebied ligt in de directe omgeving van de Maas, dat veelal gebruikt voor recreatieve doeleinden, zoals wandelaars, fietsers en gemotoriseerde voertuigen. Het plangebied is in een lintbebouwing aan de dijk gelegen. De dichtstbijzijnde niet-agrarische bedrijvigheid is gelegen aan de Oijense Benedendijk 50 te Oijen. Dit betreft een niet agrarisch technisch hulpbedrijf en niet agrarisch verwant, behorende bij de milieucategorie 3.1 (maximaal). Volgens de handreiking geldt voor deze bedrijven in deze milieucategorie, liggend in een gemengd gebied, een richtafstand van 30 meter. De afstand van rand van het plangebied tot bestemmingsvlak Oijense Bedendijk 50 is 280 meter. Daarmee wordt ruim voldaan aan de richtafstand. De beoogde ontwikkeling maakt kleinschalige recreatieve nevenactiviteiten mogelijk in de vorm van een recreatief nachtverblijf, bij een woonbestemming. Voor de beoogde activiteiten wordt aangesloten bij de VNG-omschrijving ‘Hotels en pensions met keuken, conferentieoorden en congrescentra’, behorende bij de milieucategorie 1. Volgens de handreiking geldt voor deze bedrijven in deze milieucategorie, liggend in een rustig buitengebied, een richtafstand van 10 meter. De dichtstbijzijnde woning, gelegen op Oijense

Oijense Benedendijk 58-60 – 2023, pag. 40 van 58 vastgesteld

Benedendijk 56, is op ongeveer 10 meter gelegen vanaf de perceelsgrens van nr. 58 tot aan de gevel van de woning. 5.8.2 Bodem Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht, moet in planvorming rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. In de Bouwverordening van de gemeente Oss is geregeld dat onder bepaalde omstandigheden het oprichten van gebouwen pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij iedere nieuwbouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld. In de bestaande situatie is er sprake van een woonbestemming. In de beoogde situatie worden de bestaande bouwpercelen met de enkelbestemming ‘Wonen’ samengevoegd. Daarbij wijzigt de vorm van het gezamenlijk bouwperceel zodat de bestaande gebouwen binnen het bouwperceel komen te liggen. Dit betekent dat ongeveer 62 m2 wijzigt van de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschap’ naar wonen en andersom. De voormalige woning op Oijense Benedendijk 58 is rond 1880 opgericht en maakt het onderdeel uit van de oorspronkelijke (historische) bebouwing van de Oijense Benedendijk. Een deel van de bebouwing en erfverharding ligt buiten de woonbestemming.

Ten behoeve van dit plan wordt de vorm van het gezamenlijk bouwperceel gewijzigd zodat de bebouwing binnen het bouwperceel komt te liggen. Zie navolgende afbeelding. De gronden aansluitend aan de woonbestemming van nr. 58 zijn in gebruik geweest als agrarische gronden. Volgens de eigenaar hebben er in het verleden geen activiteiten plaatsgevonden waardoor verontreiniging van de grond heeft kunnen optreden. Uit de luchtfoto’s van TopoTijdreis blijkt dat er in 2007 een tuinbouwkas en winterbakken hebben gestaan op dit perceel, voor eigen gebruik. Deze kas en winterbakken waren in 2007 al op de locatie aanwezig en zijn ongeveer tussen 2015-2016 verwijderd, zie navolgende luchtfoto’s van 2007 en 2015.

Afbeelding 15: uitsnede TopoTijdreis 2007 en 2015 (bron: TopoTijdreis.nl)

In de nabijheid van het plangebied, namelijk op Oijense Benedendijk 56 is in 2002 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (NEN 5740). Uit dit onderzoek zijn geen bijzonderheden naar voren gekomen. Een vervolgonderzoek op deze locatie was dan ook niet nodig. In dit geval wordt op een gedeelte kadastraal perceel 262 een nieuw gebruik gerealiseerd waarin mensen 2 uur of langer gaan verblijven. Dit betreft een vormverandering van het bouwperceel om de bestaande bebouwing en erfverharding binnen het bouwperceel te situeren. De omliggende percelen zijn al in gebruik ten behoeve van de activiteit wonen. De beoogde vergroting wordt aansluitend aan de woonbestemming van de woonbestemming aan nr. 58, tegen het woonperceel van nr. 56 en aan nr. 60 tegen het bestaand woonperceel. Uit bovenstaande luchtfoto’s blijkt dat het perceel in ieder geval in de periode 2007-2016 gebruikt is als moestuin. In de jaren 2016 tot heden is deze grond gebruikt als tuin ten behoeve van de woonbestemming van nr. 58 en 60. Uit het kaartmateriaal van de provincie Noord-Brabant blijkt dat het plangebied niet wordt aangemerkt als potentieel terrein voor bodemverontreiniging.

Oijense Benedendijk 58-60 – 2023, pag. 41 van 58 vastgesteld

Uit de geraadpleegde informatie kan aangenomen worden dat plangebied een onverdachte locatie is. Er is daarom geen sprake van onaanvaardbare risico’s voor de huidige en toekomstige gebruikers van de bodem. Ten aanzien van het aspect bodem zijn er daarom geen bezwaren voor de gewenste ontwikkeling. Het college van burgemeester & wethouders van de gemeente Oss wordt op basis van bovengenoemde gegevens verzocht om vrijstelling te verlenen voor het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek. In als separate bijlage (bijlage 8) is het formulier vrijstelling historie toets bijgevoegd. 5.8.4 Externe veiligheid Rijkskader Externe veiligheid behandelt de risico's die ontstaan als gevolg van opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico’s kunnen hun weerslag hebben op de omgeving. Het wettelijke kader voor externe veiligheid bestaat onder meer uit: - het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); - het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); - het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Enerzijds gaat het over de risicobronnen (bedrijven of transportroutes). Anderzijds gaat het over de risicoontvangers (omstanders die niets met de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen te maken hebben). Wat betreft de risico-ontvangers maakt de wetgeving onderscheid in kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten.

Kwetsbare objecten zijn gebouwen, waarin (of waarbij) groepen van ongeveer 50 personen of groter, gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. Ook sommige gebouwen waarin/waarbij kleinere groepen verblijven, worden als kwetsbaar object gezien, wanneer die personen beperkt zelfredzaam zijn (zoals zieken, bejaarden of gehandicapten). Beperkt kwetsbare objecten zijn verspreid liggende woningen en bedrijven waarin/waarbij groepen van minder dan 50 personen gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. In de landelijke wetgeving wordt meer gedetailleerd beschreven wat er onder kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten wordt verstaan. Belangrijk is hierbij dat de opsomming in de wetgeving niet limitatief is, zodat er in de verdere uitwerking van het beleid nog enige vrijheid rest. Verder maakt de wetgever onderscheid tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar.

Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Gemeentelijk kader Ook in de gemeente Oss zijn risicobronnen aanwezig in de vorm van transportassen en stationaire activiteiten. Dit vraagt om een gemeentelijke visie. Op 19 mei 2011 heeft de gemeenteraad de Beleidsvisie Externe veiligheid vastgesteld. Deze beleidsvisie beschrijft op welke manier de gemeente Oss externe veiligheid in haar afwegingen betrekt. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan normen vermeld in bovengenoemde regelgeving. Een ontwikkeling is niet toegestaan als deze leidt tot een overschrijding van de grenswaarden. Van de richtwaarden kan gemotiveerd worden afgeweken. Toetsing aan het beleid begint met de inventarisatie van de omgeving van de planlocatie.

Dit is inzichtelijk gemaakt doormiddel van navolgende afbeelding.

Oijense Benedendijk 58-60 – 2023, pag. 42 van 58 vastgesteld

Plangebied

Afbeelding 16: uitsnede signaleringskaart EV Basis (bron: EV-signaleringskaart.nl

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Gezien de aard van de voorgenomen activiteiten, het samenvoegen van twee bouwpercelen, en de exploitatie van kleinschalige recreatieve nevenactiviteiten bij een woonbestemming, binnen het plangebied is het Bevi niet van toepassing. De werkzaamheden omvatten niet het gebruik, opslag of vervoer van gevaarlijke stoffen. Uit de EV-signaleringskaart blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten aanwezig zijn op of nabij het plangebied. Er ontstaan daardoor geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkelingen op de planlocatie. Het plan voorziet niet in de realisatie van nieuwe beperkt kwetsbare objecten. Aangezien het plangebied niet binnen een risicoaanduiding of binnen veiligheidsafstanden ligt zijn geen risico’s aanwezig voor de voorgenomen ontwikkelingen. Daarom kan worden geconcludeerd dat er voor dit plan geen belemmeringen zijn vanuit het oogpunt van het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Het plangebied ligt in de nabijheid van de Maascorridor (zie grootste EV-zones, uitsnede signaleringskaart EV). Deze binnenvaartroute is opgenomen in de Regeling Basisnet. Volgens de Regeling Basisnet ligt het plangebied buiten de PR 10-6 Contour. Over deze vaarroute worden stoffen getransporteerd in de stofcategorieën LF1, LF2 LT1, GF3 en GT3.

Conform het gemeentelijk beleid moet binnen 200 meter van de Maas extra aandacht besteed worden aan de verantwoording van het groepsrisico. Het plangebied ligt op 220 meter afstand van de rand van bestemming ‘Water – Vaarweg’. Volgens de ‘Beleidsvisie Externe veiligheid’ is de rivier de Maas gecategoriseerd als zwarte vaarroute (belangrijke binnenvaartroute). Dit betekent dat er r is geen sprake van plaatsgebonden risico-contouren op de oever. Het invloedsgebied is 1.070 meter, gebaseerd op het vervoer van toxische stoffen. Om deze reden dient het groepsrisico verantwoord te worden. Conform de beleidsvisie van Oss is de standaard verantwoording opgenomen. Zie navolgend kader.

Oijense Benedendijk 58-60 – 2023, pag. 43 van 58 vastgesteld

Verantwoording groepsrisico De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Voor het plangebied speelt het bestrijdbaarheidsvraagstuk niet. De bestrijding vindt plaats bij de bron, op afstand van het plangebied. Ten aanzien van de algemene mogelijkheden van de bestrijdbaarheid wordt verwezen naar het door de regionale brandweer/de Veiligheidsregio opgestelde 'risicoprofiel'. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario is, biedt ‘schuilen’ de beste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Bij bestaande bouwwerken worden geen aanvullende maatregelen getroffen om mogelijke indringing van toxisch gas te verminderen. Aanpassing van bijvoorbeeld oude woningen op dit punt is ingrijpend en kostbaar. Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas. Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelingsinstallatie, waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen. Van belang is dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden.

Dit gebeurt door het in werking stellen van het Waarschuwings- en AlarmeringsSystem (WAS) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding. De zone III gebieden in de bebouwde kom van Oss vallen geheel binnen het dekkingsgebied van het WAS. Bron: Beleidsvisie externe veiligheid Oss, 2011

Aanvullend op deze standaardverantwoording adviseert de veiligheidsregio het volgende: Informeer de initiatiefnemers actief over het aanwezige risico en handelingsperspectief. Deze informatie kan worden meegenomen in het besluit om zich op deze locatie te vestigen. Deze informatie zorgt er voor dat de bewoners op het moment dat een incident plaats vindt direct weten hoe te handelen, dit heeft een positieve invloed op de mate van zelfredzaamheid. De eigenaren zijn zelf de bewoners van Oijense Benedendijk 60. Om de zelfredzaamheid te verhogen worden eigenaren en bezoekers van het recreatief nachtverblijf geïnformeerd over het aanwezige risico en handelingsperspectief. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) In het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’ is in de nabijheid geen dubbelbestemming ‘Leiding – […]’ opgenomen. De voorgenomen ontwikkelingen liggen buiten deze dubbelbestemming en de voorgenomen ontwikkelingen hebben geen invloed op het bepaalde in de bijbehorende regels. De ontwikkeling ligt buiten de invloedsfeer van de in het Bevb opgenomen buisleidingen. Daarom is verdere beoordeling aan het Bevb niet van toepassing. Volgens de EV-signaleringskaart zijn er geen risico’s aanwezig ter plaatse van het plangebied. Binnen het plangebied worden bestaande bijgebouwen gebruikt ten behoeve overnachtingsaccommodatie voor kortdurend toeristisch verblijf.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=d834ff8b-6b1e-4a33-808a-014f42a07d7f