Bijlage 8A Toelichting BP Oijense Benedendijk 58-60 Oijen - 2023
Tekst van het document
De beoogde ontwikkeling ondervindt geen belemmeringen op het gebied van externe veiligheid. Daarnaast vormen de beoogde ontwikkelingen geen belemmeringen op basis van veiligheid voor de omgeving. 5.8.5 Geurhinder De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is het beoordelingskader voor geur bij milieuvergunningen, bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Het gaat uitdrukkelijk om agrarische geur van landbouwhuisdieren uit dierstallen. De wet maakt onderscheid tussen geurnormen voor intensieve en extensieve veehouderijen. De geurbelasting van intensieve veehouderijen wordt berekend en uitgedrukt in de vorm van een geurcontour. De geurbelasting van extensieve veehouderijen wordt uitgedrukt in vaste afstanden.
Oijense Benedendijk 58-60 – 2023, pag. 44 van 58 vastgesteld
De gemeente Oss heeft op basis van de wet een eigen geurbeleid opgesteld. Het geurbeleid bestaat uit twee delen: de “Geurgebiedsvisie 2013” en de “Agrarische geurverordening gemeente Oss 2017”. Het hanteert per soort gebied een eigen geurnorm en streeft de volgende doelen na: - de burger beschermen tegen geurhinder; - de veehouderijen niet onnodig beperken; - ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken, onder de voorwaarde dat er een aanvaardbaar woonen leefklimaat is. De gemeentelijke “Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder” is van belang voor de vraag of een ruimtelijke ontwikkeling kan plaatsvinden. De beleidsregel geeft aan wanneer sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In de beoogde situatie wordt de voormalige woning op Oijense Benedendijk 58 en bijbehorend bijgebouw gebruikt ten behoeve van een recreatief nachtverblijf als onderschikte nevenactiviteit behorend bij de woning op Oijense Benedendijk 60. Met de beoogde ontwikkeling wordt geen nieuw geurgevoelig object opgericht. Uit vaste jurisprudentie blijkt dat een recreatieve voorziening niet geurgevoelig is, omdat er geen sprake is van permanent verblijf. Een minicamping en een bed & breakfast zijn gericht op het bieden van recreatief (nacht)verblijf voor beperkte duur, te weten een vakantieperiode van maximaal enkele achtereenvolgende weken.
De Raad van State overweegt dan ook dat van permanent of daarmee gelijk te stellen gebruik voor menselijk verblijf geen sprake is, zie ABRvS 11 januari 2012, nr. 201104200/1/H1 (ECLI: NL.RVS.2012.BV0553), inzake een kampeerboerderij. In het kader van de Wet geurhinder en veehouderij is en blijft de woning Oijense Benedendijk 60 een geurgevoelig object. De locatie is namelijk geen veehouderijlocatie of locatie die op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij. Hierdoor is het object in de bestaande situatie al beschermt voor wat betreft de aspecten geur. De bestaande afstand tussen het plangebied en veehouderijen in de omgeving wordt met de beoogde ontwikkeling niet verkleind. Daarom zal de gebruikswijziging met zekerheid geen onevenredige belemmering vormen voor de ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen veehouderijen. De toetsingsafstand voor die veehouderijen verandert immers niet. Om het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur ter plaatse van het plangebied nader te beschouwen wordt aansluiting gezocht bij de kaart achtergrondbelasting geur maart 2022 van de ODZOB. De achtergrondbelasting en de bijbehorende belasting met daaraan gekoppeld de aanvaardbaarheid van het woon- en leefklimaat zijn weergegeven in navolgende afbeelding.
Uit deze uitsnede van de contourenkaart blijkt dat er ter plaatse van het plangebied sprake is van een achtergrondbelasting tussen 7 en 13 OUE/m3, wat betekent dat er sprake is van een redelijk goed en dus aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Oijense Benedendijk 58-60 – 2023, pag. 45 van 58 vastgesteld
Plangebied
Afbeelding 17: uitsnede kaart achtergrondbelasting geur maart 2022 (bron: ODZOB)
5.8.6 Luchtkwaliteit Het beleid en de regelgeving over luchtkwaliteit heeft tot doel om mensen te beschermen tegen de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging. Ze bevatten luchtkwaliteitsnormen voor verschillende stoffen. Ruimtelijke plannen of projecten die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, zoals bestemmingsplannen, dienen getoetst te worden aan de Wet milieubeheer (afdeling 5.2.). Deze wet bevat grenswaarden voor de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijn stof, lood, benzeen en koolmonoxide in de buitenlucht. In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Overschrijding van de grenswaarden van andere stoffen komt bijna niet voor. De wet maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Kleine projecten zijn projecten die de luchtkwaliteit niet ‘in betekende mate’ (NIBM) verslechteren. Deze projecten hoeven niet meer beoordeeld te worden op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Er is geen belemmering als een klein project niet of nauwelijks bij draagt aan luchtverontreiniging, óók niet in overschrijdingsgebieden (gebieden met te veel luchtvervuiling). De ministeriële Regeling NIBM geeft aan in welke gevallen een nieuw project in ieder geval een NIBM-project is.
Dit is bijvoorbeeld het geval als er minder dan 500 woningen worden gebouwd bij minimaal één ontsluitingsweg, of minder dan 1.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Het Besluit gevoelige bestemmingen beperkt de vestiging van zogeheten ‘gevoelige bestemmingen’, zoals een school, in de nabijheid van provinciale en rijkswegen. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. Waar in zo’n onderzoekszone de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming’ niet toenemen. Dit wordt bereikt door op zo’n plek de vestiging van bijvoorbeeld een school niet toe te staan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.
Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien. De gemeente heeft geen eigen regelgeving en beleid over luchtkwaliteit.
Oijense Benedendijk 58-60 – 2023, pag. 46 van 58 vastgesteld
Het plan betreft het gebruik van de woonbestemming ten behoeve van kleinschalige recreatieve nevenactiviteiten. De bebouwingsmogelijkheden blijven inde beoogde situatie gelijk. De ontwikkeling heeft betrekking op de categorie woningbouwlocaties. Voor woningbouwlocaties geldt dat deze NIBM zijn wanneer het netto niet meer dan 500 woningen worden gebouwd bij minimaal één ontsluitingsweg, of minder dan 1.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. (Bijlage 3A, Regeling niet in betekende mate bijdragen). Aangezien met het plan slechts het gebruik van de woonbestemming ten behoeve van kleinschalige recreatieve nevenactiviteiten bij een woning mogelijk maakt, wordt dus ruimschoots voldaan aan de NIBM-grens. Om het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur ter plaatse van het plangebied nader te beschouwen wordt aansluiting gezocht bij de Wet luchtkwaliteit. Op grond van de Wet luchtkwaliteit zijn grenswaarden opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties voor onder andere fijnstof (PM10). De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 μg/m3. Vanaf 1 januari 2015 geldt daarnaast een grenswaarde voor PM2,5 waaraan door het bevoegd gezag bij vergunningverlening moet worden getoetst. Deze grenswaarde is opgenomen in de Wet milieubeheer en bedraagt 25 μg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie.
Voor de kortdurende blootstelling van de mens aan piekconcentraties van NO2 geldt een grenswaarde van 200 μg/m3 voor het uurgemiddelde van NO2. Indien aan deze grenswaarden wordt voldaan, mag worden aangenomen dat het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit aanvaardbaar is. Het RIVM heeft Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van Nederland waarop de achtergrondconcentratie van fijnstof PM10, PM2,5 en NO2 ten aanzien van een goed woon- en leefklimaat geraadpleegd kan worden. De jaargemiddelde fijnstofconcentratie binnen de planlocatie is conform de GCN-kaart voor fijnstof PM10 8,35 μg/m3, voor PM2,5 15,07 μg/m3 en voor NO2 14,33 μg/m3, zie navolgende afbeeldingen.
Afbeelding 18: Uitsnede GCN-kaart PM10 (bron https://data.rivm.nl/)
Oijense Benedendijk 58-60 – 2023, pag. 47 van 58 vastgesteld
Afbeelding 21: Uitsnede GCN-kaart PM2,5 (bron https://data.rivm.nl/)
Afbeelding 22: Uitsnede GCN-kaart NOx (bron https://data.rivm.nl/)
Ten aanzien van de luchtkwaliteit zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 5.8.7 Straling Het beleid voor elektromagnetische velden is opgenomen in het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4), de Toekomstagenda Milieu en de beleidsnota Nuchter Omgaan met Risico's, beslissen met gevoel voor onzekerheden (2004). Het ministerie van Infrastructuur en milieu heeft het beleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen uitgewerkt in een advies van oktober 2005. Dit advies is verder toegelicht in een brief van november 2008. De gemeente Oss heeft in het Milieubeleidsplan 2010-2014 het rijksadvies vastgelegd als beleidsuitgangspunt. Dit houdt in dat er bij nieuwbouwplannen of het realiseren van nieuwe hoogspanningslijnen voorkomen dient te worden dat er gevoelige bestemmingen terecht komen in een zone waar het magnetische veld gemiddeld over een jaar hoger is dan de norm van 0,4 microtesla. In de nabijheid van het plangebied zijn geen hoogspanningslijnen gelegen. Een verdere toetsing met betrekking tot straling is voor dit initiatief niet noodzakelijk.
Oijense Benedendijk 58-60 – 2023, pag. 48 van 58 vastgesteld
5.8.8 Weg-, spoor- en industrielawaai De Wet geluidhinder (Wgh) biedt bescherming tegen (spoor)weglawaai en tegen industrielawaai van inrichtingen voor zover gelegen op een gezoneerd industrieterrein. In de Wgh wordt een beperkt aantal typen objecten beschermd, de zogenoemde geluidgevoelige objecten. De Wet geluidhinder kent een stelsel van normen ter voorkoming van geluidhinder. Ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen zijn grenswaarden opgenomen. Hierbij is een ondergrens (voorkeursgrenswaarde) en een bovengrens (maximaal toelaatbare grenswaarde) opgenomen. De Wgh biedt gemeenten de mogelijkheid om gericht in te spelen op de lokale situatie door maatwerk te leveren. Burgemeester en wethouders kunnen een hogere waarde vaststellen dan de ondergrens, maar mogen daarbij de bovengrens niet overschrijden. In 2010 heeft de gemeenteraad van Oss de geluidsnota “Geluidskwaliteit in de leefomgeving” vastgesteld. De gemeente Oss maakt hierbij gebruik van gebiedsgericht geluidbeleid. Per gebied wordt een geluidskwaliteit nagestreefd. Zo zijn er ‘rustige gebieden’, ‘dynamische gebieden’ en er zijn gebieden die ten aanzien van geluid onder druk staan. De geluidsnota gaat ook in op de realistische inzet van onderzoek, het stellen van eigen criteria voor het toestaan van een hogere waarde en bedrijfswoningen op industrieterreinen.
De gemeente Oss streeft naar een leefbare woonsituatie, ook op locaties met een hoge geluidsbelasting. Deze leefbaarheid wordt bereikt door terughoudend te zijn met hogere grenswaarden en door hieraan voorwaarden te verbinden. Deze voorwaarden leggen de initiatiefnemer of de beheerder een inspanning op voor een leefbare woonomgeving als compensatie voor het bouwen en het veroorzaken van een lawaaiige situatie. Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. Ook in Oss is er een aantal gezoneerde industrieterreinen. Met zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel bedrijven als aan bewoners/gebruikers van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Bedrijven kunnen aan de ene kant hun geluid producerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen te veel oprukken naar de bedrijven toe. In de beoogde situatie wordt geen nieuw geluidsgevoelig object opgericht. Hotels, recreatiewoningen en kantoren zijn niet geluidsgevoelig in het kader van de Wet geluidhinder.
De Raad van State overweegt dan ook dat vakantiewoningen die naar hun aard niet bestemd zijn voor bewoning in de zin van de Wet geluidhinder doch voor recreatief verblijf hoeven niet bij de besluitvorming te worden betrokken. ABRvS 30 mei 2000, nr.199901166/1,Geluid, september 2000. Geconcludeerd kan worden dat er geen akoestisch onderzoek noodzakelijk is ten aanzien van wegverkeerslawaai. Vanuit een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat er in de omgeving van het plangebied sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geluid. Om dit te kunnen beoordelen is in eerste instantie aangesloten bij de richtafstanden die zijn gesteld in de VNG-handreiking. De dichtstbijzijnde woning ten opzichte van het plangebied ligt aan Oijense Benedendijk 56 te Oijen. Hiervoor geldt op grond van de VNG-handreiking een richtafstand van 10 meter. De woning ligt op een afstand van ongeveer 10 meter ten opzichte van het plangebied. Daarmee wordt voldaan aan de richtafstanden vanuit de VNG-handreiking en is er is basis sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat. Het plan betreft het gebruik van de woonbestemming ten behoeve van kleinschalige recreatieve nevenactiviteiten. De bebouwingsmogelijkheden blijven inde beoogde situatie gelijk.
Gelet op de capaciteit van de kleinschalige overnachtingsaccommodatie voor kortdurend toeristisch verblijf is er geen sprake van een grote verkeer/publiek aantrekkende functie. De kleinschalige overnachtingsaccommodatie vindt plaats als ondergeschikte nevenactiviteit van de woning op Oijense Benedendijk 60. De eigenaren zijn zelf woonachtig op Oijense Benedendijk 60 en houden toezicht op de overnachtingsaccommodatie. Er kan worden geconcludeerd dat er voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen zijn voor het initiatief.
Oijense Benedendijk 58-60 – 2023, pag. 49 van 58 vastgesteld
5.8.9 Gezondheid Uit de VGO-rapporten die afgelopen jaren zijn gepubliceerd door het RIVM komt duidelijk naar voren dat er een relatie wordt gevonden tussen veehouderijen en de gezondheid van omwonenden. Deze relatie is door de onderzoeker op verschillende manieren vastgesteld. Daarbij komt dichtheid van veehouderijbedrijven en afstand tot bepaalde type individuele veehouderijen concreet naar voren als factoren die van invloed zijn op de gezondheid van omwonenden. Verder blijkt uit VGO-onderzoek dat er in een straal van twee kilometer rond geitenhouderijen een verhoogde incidentie van longontstekingen (ca. 25-30% hoger) voorkomt. De oorzaak van het verhoogde risico op longontsteking rond geitenbedrijven is vooralsnog onbekend en onderwerp van vervolgonderzoek. Op dit moment kan er geen enkele bron-effect relatie worden beschreven tussen de verhoogde longontsteking incidentie en de uitstoot vanuit geitenhouderijen. Wel is er een causaal verband geconstateerd waarbij de associatie sterker is naarmate de afstand tot een geitenhouderij kleiner is. Tot er meer duidelijkheid is over de bron van de verhoogde incidentie longontstekingen kan niet worden geadviseerd over beschermde maatregelen. Afstand houden en goed informeren is de enige maatregel die de GGD op dit moment adviseert.
In afwachting van het vervolgonderzoek heeft de provincie besloten dat geitenstallen uitbreiden of in gebruik nemen niet meer is toegestaan. Het moratorium is in beginsel tijdelijk. Als de uitkomsten van het vervolgonderzoek bekend worden, wordt er gekeken of er redenen zijn het besluit in te trekken of aan te passen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het bevoegd gezag verplicht om alle bekende risico's bij een nieuwe ontwikkeling af te wegen. Er is geen sprake van een omgekeerde werking van het moratorium (met andere woorden de 'stop' op uitbreidingen van geitenbedrijven zorgt niet voor een stop op ontwikkelingen binnen de 2 km straal van een geitenhouderij), maar wel van een risico dat beoordeeld en meegewogen moet worden bij nieuwe ontwikkelingen. Het verantwoorden van dit verhoogde risico is aan het bevoegd gezag, in casu de gemeente. Deze geeft een oordeel over en maakt een afweging of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (m.b.t. onder andere gezondheid & geitenhouderijen). Het college van B&W besloot op 5 december 2017 dat wenselijke ontwikkelingen na een zorgvuldige afweging met betrekking tot volksgezondheid kunnen worden toegestaan binnen een straal van twee kilometer rondom een geitenhouderij.
Het beleid voor geitenhouderijen in Oss houdt in dat bij de realisering van een ruimtelijke ontwikkeling binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij rekening moet worden gehouden met de volgende criteria: a. het infomeren van de aanvragers over het risico; b. terughoudend omgaan met ontwikkelingen betreffende het huisvest of opvangen van kinderen, kwetsbare mensen en ouderen; c. na een zorgvuldige afweging en eventueel maatwerk kunnen wenselijke ontwikkelingen binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij worden toegestaan. ‘De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’ (versie mei 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De zeven stappen dienen allen te worden doorlopen en beantwoord om na te gaan of er aandachtspunten worden gevonden. Toetsing aan het stappenplan moet plaatsvinden, zodat kan worden bepaald of een advies van de GGD nodig is voor de beoogde ontwikkeling. Op ongeveer 114 meter, gemeten vanaf rand plangebied tot randvlak Oijense Benedendijk 54, is een geitenhouderij gelegen. In zowel de bestaande als beoogde situatie is er sprake van een woonbestemming en mogen aanliggende agrarische gronden als tuin gebruikt worden. In de directe omgeving zijn meerdere woningen gelegen binnen de 2 kilometer zone rondom de geitenhouderij aan de Oijense Benedendijk.
Tussen het geitenbedrijf en het plangebied zijn woningen gelegen. Het gebruik van bestaande bebouwing ten behoeve van een recreatief gastenverblijf zal de geitenhouderij daarom niet beperken in zijn ontwikkelingsmogelijkheden. Ook zal het niet zorgen voor een hogere kans op een longontsteking. Dit omdat de geitenhouderij niet uitbreidt met deze ontwikkeling. De beoogde bezoekers van de
Oijense Benedendijk 58-60 – 2023, pag. 50 van 58 vastgesteld
recreatiewoningen vallen niet binnen een risicogroep (met betrekking longproblemen). De recreatiewoningen zijn niet bedoelt voor permanent verblijf. Om risico’s verder te beperken worden de beoogde bezoekers vooraf geïnformeerd over de aanwezigheid van het geitenbedrijf binnen 2 kilometer van het plangebied. Gezien de ligging van het plangebied, in het agrarisch gebied van Oijen, wordt de aanwezigheid van een geitenbedrijf (binnen 2 kilometer) als aanvaardbaar geacht. 5.7.10 Spuitzones In de bestaande situatie is reeds sprake van een gevoelig object. Met dit plan wordt geen nieuw gevoelig object opgericht. Hierdoor wijzigt het woon- en leefklimaat, ten aanzien van het aspect spuitzones, binnen het plangebied niet. 5.8
Milieueffectrapportage (M.e.r.)
Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt de milieugevolgen van een plan in beeld voordat er een besluit over wordt genomen. In een milieueffectrapport worden de gevolgen voor het milieu beschreven. Zo kan de overheid die het besluit neemt de milieugevolgen bij haar afwegingen betrekken. Het doel van m.e.r. is om het milieu een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over plannen en projecten. In een m.e.r.-beoordeling kijkt het bevoegd gezag of een project mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Als dat zo is, moet een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Wanneer speelt een m.e.r.-beoordeling? In het Besluit m.e.r. staat wanneer m.e.r. of een m.e.r.-beoordeling aan de orde is. De activiteit die het project mogelijk maakt en het besluit over de activiteit zijn daarbij bepalend. In de C- en D-lijst in de Bijlage bij het Besluit m.e.r. staat of sprake is van m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht. Per categorie van activiteiten is een drempelwaarde voor de omvang van de activiteit gegeven. Boven de C-drempel geldt een m.e.r.-plicht, tussen de C- en D-drempel geldt een plan-m.e.r.-plicht en onder de D-drempel geldt een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient onderbouwd te worden of de activiteit belangrijke nadelige milieugevolgen heeft.
Sinds de implementatie van de gewijzigde M.e.r.-richtlijn op 16 mei 2017 is de procedure voor de vormvrije en de formele m.e.r.-beoordeling bijna gelijk. Het enige verschil is dat van het besluit bij de vormvrije m.e.r.beoordeling geen kennisgeving wordt gedaan. Het m.e.r.-beoordelingsbesluit De initiatiefnemer stelt een aanmeldnotitie op, waarover het bevoegd gezag binnen zes weken een m.e.r. beoordelingsbesluit moet nemen. Het bevoegd gezag motiveert het besluit door in te gaan op de selectiecriteria van Bijlage III van de M.e.r.-richtlijn. Het gaat daarbij om de hoofdcategorieën: 1. kenmerken van het project 2. plaats van het project 3. kenmerken van het potentiële effect. Is het bevoegd gezag zelf initiatiefnemer, dan is het bevoegd gezag, anders dan een derde, niet verplicht een aanmeldnotitie op te stellen. Verantwoording Ten aanzien van het eerste criterium geldt dat er in deze situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000gebieden. In voorliggende toelichting is een beschrijving opgenomen voor de mogelijke effecten van het plan op de Natura 2000-gebieden.
Op basis van deze beschrijving kan worden geconcludeerd dat het samenvoegen van de bouwpercelen en het gebruik van de locatie ten behoeve van ondergeschikte kleinschalige recreatieve nevenactiviteiten bij de woning op Oijense Benedendijk 60 geen negatieve effecten voor Natura 2000-gebieden tot gevolg hebben. Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. Onder de grenzen uit de C- en D-lijst van het Besluit m.e.r. geldt sinds 7 juli 2017 een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht. Dit houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld.
Oijense Benedendijk 58-60 – 2023, pag. 51 van 58 vastgesteld
Categorie D11.2 is mogelijk van toepassing op dit plan. Deze categorie betreft aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. Ten aanzien het toestaan van kleinschalige recreatieve nevenactiviteiten bij een woning zijn grenswaarden opgenomen, namelijk: - een oppervlakte van 100 hectare of meer; - een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of - een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. In de beoogde situatie worden bestaande bijgebouwen (100 m2) gebruikt als overnachtingsaccommodatie voor kortdurend toeristisch verblijf voor maximaal 10 personen in maximaal 5 slaapkamers. De grenswaarden uit categorie D10 uit het Besluit mer worden niet overschreden. Onder de grenzen uit de C- en D-lijst van het Besluit m.e.r. geldt sinds 7 juli 2017 echter ook een m.e.r.beoordelingsplicht. Dit houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen.
De beoogde ontwikkeling betreft het gebruik van bestaande bijgebouwen (100 m2) als overnachtingsaccommodatie voor kortdurend toeristisch verblijf voor maximaal 10 personen in maximaal 5 slaapkamers, als ondergeschikte recreatieve nevenactiviteit bij een woning. De grenswaarden uit categorie D11.2 uit het Besluit mer worden niet overschreden. Het gaat dus om een functiewijziging van bestaande gebouwen binnen een woonbestemming die verder geen milieuhygiënische effecten heeft op de omgeving. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er voor het initiatief geen (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht geldt.
Oijense Benedendijk 58-60 – 2023, pag. 52 van 58 vastgesteld
Hoofdstuk 6 6.1
Toelichting op de regels
Algemeen
Het bestemmingsplan bevat regels die het juridisch instrumentarium geven voor het regelen van het gebruik van de gronden en opstallen én bepalingen over de toelaatbaarheid van bebouwing. Het bestemmingsplan kan worden verbeeld op papier, en gaat vergezeld van deze toelichting. De toelichting heeft geen bindende werking en maakt juridisch geen deel uit van het bestemmingsplan. Wel heeft zij een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan. De Wet ruimtelijke ordening biedt zowel de mogelijkheid om een globaal bestemmingsplan te maken als de mogelijkheid van een gedetailleerd bestemmingsplan. In het bestemmingsplan Oijense Benedendijk 5860 – 2022’ is gekozen voor een gedetailleerde regeling. Voor de opzet van de regels is aangesloten bij de “Standaardregels bestemmingsplannen Oss”. De regels bestaan uit vier hoofdstukken. Dit zijn de inleidende regels (artikelen 1 en 2), de bestemmingsregels (artikelen 3 tot en met 5), de algemene regels (artikelen 6 tot en met 13) en de overgangs- en slotregels (de artikelen 14 en 15). Bij de regels hoort een bijlage, te weten een milieuzoneringslijst. In de volgende paragraaf worden de diverse artikelen uit de regels en de bijlage toegelicht. 6.2
Regels
Hoofdstuk 1: Inleidende regels Artikel 1: Begrippen In dit artikel worden de in de regels gehanteerde begrippen nader verklaard om verschillen in interpretatie te voorkomen. Artikel 2: Wijze van meten Dit artikel geeft aan op welke manier het meten van in de regels genoemde begrippen moet plaatsvinden. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels De in dit hoofdstuk geregelde bestemmingen zijn achtereenvolgens: Artikel 3: Agrarisch met waarden - Landschap Artikel 4: Wonen Artikel 5: Waarde – Archeologie verwachtingswaarde middelhoog Hoofdstuk 3: Algemene regels Dit hoofdstuk geeft een aantal gebruikelijke algemene regels. Het betreft achtereenvolgens: Artikel 6: Anti-dubbeltelregel Artikel 7: Voorwaardelijke verplichting te slopen bebouwing Artikel 8: Landschappelijke tegenprestatie Artikel 9: Algemene bouwregels Artikel 10: Algemene gebruiksregels Artikel 11: Algemene aanduidingsregels Artikel 12: Afwijken van de bouw- en gebruiksregels algemeen Artikel 13: Wijzigingsregels Artikel 14: Overige regels Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Artikel 13: Overgangsrecht Dit artikel regelt het overgangsrecht voor bebouwing en gebruik van gronden en bouwwerken.
Oijense Benedendijk 58-60 – 2023, pag. 53 van 58 vastgesteld
Artikel 14: Slotregel Dit artikel regelt de formele titel waaronder het bestemmingsplan kan worden aangehaald. Bijlage 1: Bestaande kleinschalige activiteiten Bijlage 2: Bedrijvenlijst (milieuzoneringslijst) In deze bijlage zijn de bedrijfsactiviteiten genoemd die volgens de regels toelaatbaar zijn. De lijst is opgesteld vanuit de typering van het plangebied als een rustige woonwijk. Bijlage 3: Lijst van rechtstreeks toelaatbare aan-huis-gebonden activiteiten Bijlage 4: Te slopen bebouwing en verharding Bijlage 5: Inrichtingsplan Bijlage 6: Nota van zienswijzen
Oijense Benedendijk 58-60 – 2023, pag. 54 van 58 vastgesteld
Hoofdstuk 7 7.1
Handhaving
Beleidskader
Naar aanleiding van een landelijk traject heeft de gemeente Oss in 2005 de nodige besluiten genomen om de handhaving te professionaliseren. De gemeente wil namelijk een professionele organisatie zijn. Om haar handhavingstaken zo transparant en objectief mogelijk uit te voeren, heeft zij een toezicht-, sanctieen gedoogstrategie opgesteld. De wijze waarop de gemeente handelt bij overtredingen is daarin vastgelegd. Het uitgangspunt voor handhaving is: elke norm die het verdient te worden gesteld, verdient het ook te worden gehandhaafd. De gemeente is verantwoordelijk voor het algemeen belang, dat concreet wordt in de belangen van veiligheid, volksgezondheid, natuurlijk milieu en ruimtelijke kwaliteit. Deze belangen vragen om een actieve handhaving. Een goede handhaving start echter al bij het opstellen van beleid, regels en voorschriften. Om in dit verband bestemmingsplannen actief te kunnen handhaven moet voldaan zijn aan de volgende criteria: - het opstellen van uitvoerbaar beleid en duidelijke regels; - het verstrekken van duidelijke informatie op basis waarvan burgers en bedrijven hun keuzes kunnen maken; - zorgen voor de naleving van regels door middel van toezicht en de inzet van handhavingsinstrumenten.
Als primaire verantwoordelijkheid van burgers en bedrijven wordt gezien: - het aanvaarden van de consequenties van de eigen keuzes; - nakoming van afspraken en naleving van regels. In het Handhavingsprogramma wordt het concrete belang van handhaving van regels van bestemmingsplannen aangegeven. De negatieve effecten van niet-handhaving kunnen immers groot zijn, zoals schade aan natuur en ruimtelijke kwaliteit, financieel-economische schade en onveiligheid. Maar ook kunnen burgers en bedrijven worden benadeeld door illegale activiteiten van hun buren/omwonenden. De ruimte in Nederland is schaars en iedereen heeft belang bij een goede woon-, werk- en leefomgeving. De kwaliteit hiervan wordt grotendeels in bestemmingsplannen vastgelegd en die kwaliteit verdient het om te worden beschermd, onder meer door toezicht op naleving van de regels en desnoods bestuursrechtelijke handhaving. Het bestuurlijke belang van een adequate handhaving van bestemmingsplannen is dus groot, maar dat geldt ook voor de individuele belangen van burgers en bedrijven. 7.2
Professionele handhaving en handhavingsprogramma
De gemeente Oss voldoet aan de wettelijke kwaliteitscriteria voor een professionele handhavingsorganisatie. Elke vier jaar wordt er een Handhavingsprogramma opgesteld waarin de prioriteiten voor de uitvoering worden vastgelegd. Dit gebeurt na de aantreding van een nieuwe gemeenteraad en de vorming van een nieuw college van burgemeester en wethouders. Elk jaar wordt aan de hand van een probleem- of omgevingsanalyse een voortschrijdend programma gemaakt, waarin rekening wordt gehouden met gewijzigde wetgeving en de op dat moment concrete problematiek. Handhaving van bestemmingsplannen is een vaste prioriteit in het programma.
Oijense Benedendijk 58-60 – 2023, pag. 55 van 58 vastgesteld
7.3
Handhaafbaarheid, positief bestemmen, overgangsrecht
De regels van dit bestemmingsplan zijn getoetst op handhaafbaarheid. De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voorziet in een verbod op het (laten) gebruiken van gronden en bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan. Overtreding van dit verbod is een strafbaar feit. In beginsel worden bouwwerken die in overeenstemming zijn met het vorige bestemmingsplan positief bestemd. Hetzelfde geldt voor gebruik in overeenstemming met het vorige bestemmingsplan. Met andere woorden: bestaande rechten worden gerespecteerd. Zij zijn in beginsel alleen onder het algemene overgangsrecht gebracht als te voorzien is dat zij binnen de planperiode van tien jaar zullen verdwijnen. Als sprake is van een naar huidige beleidsinzichten onwenselijke situatie die in het vorige bestemmingsplan al onder het overgangsrecht valt, is bezien of deze onder het persoonsgebonden overgangsrecht kan worden gebracht. Dat wil zeggen dat het overgangsrecht voor de betreffende percelen is beperkt tot degenen die die percelen gebruiken op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Voortgezet gebruik door anderen wordt niet als bestaand gebruik aangemerkt. Wij geven hieraan de voorkeur boven een uitsterfconstructie. Een uitsterfconstructie houdt in feite een positieve bestemming in, die afloopt na beëindiging van het betreffende gebruik. Dit maakt opvolging in de tijd door meerdere gebruikers mogelijk.
Daarmee kan in beginsel het ongewenste gebruik eindeloos lang duren. Persoonsgebonden overgangsrecht heeft als voordeel dat het gekoppeld is aan gebruik door één specifieke gebruiker of een beperkt aantal specifieke gebruikers. Daarmee kan het ongewenste gebruik in de praktijk eerder beëindigd worden, en zeker niet eindeloos lang voort blijven duren, waarmee meer recht wordt gedaan aan de bedoeling van overgangsrecht. Het persoonsgebonden overgangsrecht heeft zeker bij situaties die illegaal zijn ontstaan onze voorkeur boven een uitsterfregeling. Daarnaast kan het voorkomen dat bouwwerken in strijd met het vorige bestemmingsplan zijn opgericht, of dat bestaand gebruik in strijd is met dat plan. Een positieve bestemming ligt dan in de rede als de met het vorige bestemmingsplan strijdige situatie naar huidige beleidsinzichten ruimtelijk aanvaardbaar is. Indien de betreffende situatie ruimtelijk niet aanvaardbaar is, zal hiertegen in beginsel handhavend worden opgetreden. Indien dat in een uitzonderlijk geval niet (meer) mogelijk is, is bezien of de situatie onder het persoonsgebonden overgangsrecht gebracht kan worden. Overigens zijn strijdige situaties op grond van de planregels standaard uitgezonderd van het algemene overgangsrecht. Het Besluit ruimtelijke ordening schrijft dit voor.
Uiteindelijk is altijd maatwerk vereist om te bepalen of een positieve bestemming, algemeen overgangsrecht of persoonsgebonden overgangsrecht mogelijk is.
Oijense Benedendijk 58-60 – 2023, pag. 56 van 58 vastgesteld
Hoofdstuk 8
Economische uitvoerbaarheid
Dit bestemmingsplan voorziet in het gebruik van kleinschalige recreatieve nevenactiviteiten bij een woning. Dit bestemmingsplan maakt het De Grondexploitatie-wetgeving is dan ook van toepassing. Dat betekent dat meerkosten voor de planologische procedure als gevolg van particuliere ontwikkelingen dienen te worden verhaald op de initiatiefnemer(s). Het verhaal van deze kosten kan op twee manieren worden geregeld, namelijk via een anterieure overeenkomst of via een exploitatieplan. De gemeente Oss heeft nadrukkelijk de voorkeur om dit via een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer te regelen omdat het opstellen van een exploitatieplan aanzienlijke meerkosten voor gemeente én initiatiefnemer tot gevolg heeft. Dit plan is een particulier initiatief. Met initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst gesloten. De kosten die voortvloeien uit het plan zijn voor rekening en risico van initiatiefnemer. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. In de anterieure overeenkomst is ook vastgelegd dat de eventuele planschade voor rekening komt voor de initiatiefnemer. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond.
Oijense Benedendijk 58-60 – 2023, pag. 57 van 58 vastgesteld
Hoofdstuk 9 9.1
Overleg en maatschappelijke uitvoerbaarheid
Omgevingsdialoog
Initiatiefnemer heeft een omgevingsdialoog uitgevoerd, conform de ‘Handreiking omgevingsdialoog’ van de gemeente Oss. De directe omwonende, binnen een straal van 200 meter, zijn geïnformeerd over voorliggend initiatief. Gezien de kleinschalige aard en omvang van de beoogde ontwikkeling heeft er een passende omgevingsdialoog plaatsgevonden. De uitgevoerde omgevingsdialoog is als separate bijlage (bijlage 9) opgenomen bij deze toelichting. De naaste buren hebben geen opmerkingen of tips aangegeven ten behoeve van dit initiatief. 9.2
Vooroverleg
Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat ‘het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan daarbij overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn’. Daarom is het concept ontwerpbestemmingsplan voorgelegd aan Rijkswaterstaat, de provincie NoordBrabant, het Waterschap Aa en Maas, Veiligheidsregio Brabant-Noord en de Dorpsraad. 9.2.1 Rijkswaterstaat Rijkswaterstaat heeft op 31 januari 2023 aangegeven dat zij als beheerder van de rijksinfrastructuur geen opmerkingen heeft op dit plan. 9.2.2 Provincie Noord-Brabant In het kader van het wettelijk vooroverleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening is het concept ontwerpbestemmingsplan op 23 januari 2023 voorgelegd aan de provincie. Er waren geen opmerkingen. 9.2.3 Waterschap Aa en Maas Het waterschap heeft op 24 januari 2023 een vooroverlegreactie gegeven op dit plan. Daarin is aangegeven dat de beoogde woning is gelegen in de primaire waterkeringszone. Deze dient conform de beleidsregels van het waterschap te worden aangevraagd. Een belangrijke voorwaarde hierbij is dat alle beoogde bouwwerken e.d. te worden gerealiseerd boven het profiel van vrije ruimte.
Het is raadzaam om hier vroegtijdig met het waterschap in vooroverleg te treden om de haalbaarheid van deze beoogde ontwikkeling te toetsen aan het beleid. Het verzoek bij deze is dan ook om dit belangrijke aandachtspunt te verwerken in de toelichting. Verder zijn er geen ruimtelijke waterbelangen van toepassing. 9.2.4 Veiligheidsregio Brabant-Noord De Veiligheidsregio Brabant-Noord heeft op 30 januari 2023 de volgende reactie gegeven. In paragraaf 5.7.3 wordt ingegaan op het aspect externe veiligheid. Hier wordt gesteld dat het plangebied niet valt binnen het invloedsgebied van de Maas. Dit is onjuist. Het invloedsgebied bedraagt 1070 meter gebaseerd op het vervoer van toxische stoffen. Om deze reden dient het groepsrisico verantwoord te worden. In bijlage 2 van de beleidsvisie externe veiligheid van de gemeente Oss wordt aangegeven dat volstaan kan worden met de standaardverantwoording uit deze beleidsvisie. Dit is gebeurd. Aanvullend op deze standaardverantwoording adviseert de veiligheidsregio het volgende: Informeer de initiatiefnemers actief over het aanwezige risico en handelingsperspectief. Deze informatie kan worden meegenomen in het besluit om zich op deze locatie te vestigen. Deze informatie zorgt er voor dat de bewoners op het moment dat een incident plaats vindt direct weten hoe te handelen. Dit heeft een positieve invloed op de mate van zelfredzaamheid.
9.2.5 Dorpsraad Het plan is voorgelegd aan de dorpsraad en er is van hen geen reactie ontvangen. 9.3 Inspraak De gemeente is wettelijk niet verplicht om een voorontwerpbestemmingsplan te maken en daar een inspraakprocedure voor te volgen. Het gemeentelijke beleid voor de toepassing van inspraak bij ruimtelijke plannen biedt de mogelijkheid om bij kleine plannen af te zien van inspraak. Dit is aan de orde bij plannen
Oijense Benedendijk 58-60 – 2023, pag. 58 van 58 vastgesteld
die een beperkte impact hebben. In dit geval gaat het om het samenvoegen van twee bouwpercelen en de activiteit kleinschalige recreatieve nevenactiviteiten bij een woning. De gemeente heeft in dit geval geen voorontwerpbestemmingsplan gemaakt en dus ook geen inspraakprocedure gevolgd. 9.4 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft ingevolge afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht met ingang van donderdag 13 juli 2023 gedurende zes weken voor iedereen ter inzage gelegen en is tegelijkertijd elektronisch beschikbaar gesteld via de gemeentelijke website en de landelijke website (ruimtelijkeplannen.nl). Hiervan is op woensdag 12 juli 2023 mededeling gedaan in het plaatselijke blad Oss Actueel en op de gemeentelijke website. Er is 1 zienswijze naar voren gebracht. Het eindverslag van deze zienswijzenprocedure maakt onderdeel uit van het raadsbesluit tot vaststelling van dit bestemmingsplan. In de toelichting en bijlagen zijn enkele kleine wijzigingen aangebracht. Deze zijn opgenomen en benoemd in de Nota van zienswijzen en wijzigingen.