CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 6A Toelichting BP Langestraat 14 Dieden - 2022.PDF

Gemeenteraad 15 juni 2023, gemeente OssBij agendapunt: A Vaststelling 7 bestemmingsplannen, gebundelde procedure20.524 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De toekomstige landschappelijke inpassing van het plangebied bestaat uit de aanleg van nieuwe natuur (ca 4,5 ha) en het toevoegen van landschapselementen rondom de gebouwen van het recreatiebedrijf. De nieuwe natuur wordt ontwikkeld ten westen van het bestaande recreatiebedrijf. Door de aanleg van extensief ingerichte natuurvelden wordt de verbinding gemaakt met de bestaande natuurgronden rondom de locatie (uiterwaardengebied). De bestaande gebouwen van het recreatiebedrijf en het nieuwe recreatieve veld worden landschappelijk ingepast met landschapselementen die voorkomen binnen het oeverwallandschap. Zo worden verschillende gebiedseigen houtsingels, struweelranden, hagen bomen en een kleinschalige boomgaard aangelegd. Ook wordt geborgd dat het bestaande hakhoutbosje en andere bestaande landschapselementen worden behouden. Een volledige toelichting op de landschappelijke inpassing van het plangebied is te raadplegen in bijlage 2. In de regels van voorliggend plan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarin is bepaald dat de oprichting van nieuwe gebouwen en bouwwerken en de ingebruikname van de activiteiten van het recreatiebedrijf in strijd is als het plangebied niet is ingericht volgens de inrichtingsprincipes van het landschappelijke inpassingsplan.

Langestraat 14 Dieden – 2022, pag. 28 van 57 Vastgesteld, juni 2023

5.1.2

Kwaliteitsverbetering van het landschap

Regeling ‘kwaliteitsverbetering van het landschap’ De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant eist, bij een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in het landelijk gebied, een fysieke kwaliteitsverbetering van de landschappelijke kwaliteit. Dit staat in artikel 3.9 van de Interim omgevingsverordening. In januari 2013 is het afsprakenkader over de toepassing en uitwerking van deze regeling vastgesteld. Dit regionale afsprakenkader is oorspronkelijk bedoeld als uitwerking van regeling ‘Kwaliteitsverbetering van het landschap’ uit de Verordening ruimte. Het afsprakenkader geldt nog steeds. Toepassingsbereik De notitie toepassingsbereik vormt het basisdocument voor het afsprakenkader van de provincie met de gemeenten in de regio Noordoost. Deze notitie bevat de categorie-indeling voor de niet-planmatige ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied en de bijbehorende tegenprestatie. Deze notitie geeft de minimale inspanning aan die de gemeente Oss regionaal heeft afgesproken. Gemeenten hebben alle vrijheid om meer kwaliteitsverbetering te verlangen als ze dat nodig vinden op basis van beleids- of gebiedsambities. Het afsprakenkader is nadrukkelijk geen ruimtelijk afwegingskader. Gemeenten moeten zelf beoordelen of een ontwikkeling ruimtelijk gewenst is.

Vervolgens kan aan de hand van het afsprakenkader beoordeeld worden waar de kwaliteitsverbetering minimaal aan moet voldoen. Afspraken toepassingsbereik 1. de notitie Toepassingsbereik en met name de verdeling van ruimtelijke ontwikkelingen over de verschillende categorieën is de basis voor het afsprakenkader over toepassingsbereik. 2. bij planmatige (stedelijke) ontwikkelingen is kwaliteitsverbetering altijd van toepassing; 3. bij niet-planmatige ontwikkelingen: tegenprestatie gerelateerd aan impact: • cat. 1 geen impact: geen tegenprestatie • cat. 2 beperkte impact: landschappelijke inpassing • cat. 3 grote impact: berekende kwaliteitsverbetering van het landschap Afspraken kwaliteitsverbetering 1. Bij planmatige (stedelijke) ontwikkelingen: storting in een landschapsfonds of bijdrage in natura in landschapsversterkend project. 2. Bij niet-planmatige ontwikkelingen zijn gemeenten zelf verantwoordelijk voor de toepassing: in natura (op of nabij de projectlocatie), financiële bijdrage in landschapsfonds of een combinatie van beide. 3. Bij kwaliteitsverbetering in natura (op of nabij de projectlocatie) bevat het ruimtelijk plan de verantwoording van de kwaliteitsverbetering. 4. De regio kiest niet voor een (sub)regionaal landschapsfonds. Indien gemeenten een grensoverschrijdend landschapsproject willen realiseren, weten zij elkaar te vinden.

Planspecifiek Voorliggend initiatief is aan te merken als een categorie 3-ontwikkeling, waardoor een berekende kwaliteitsverbetering van het landschap moet plaatsvinden. Het nieuwe intensieve recreatieve veld wordt circa 0,63 ha groot. Door het realiseren van ca. 4,5 ha nieuwe natuur conform het landschappelijk inpassingsplan (zie bijlage) wordt aan de benodigde kwaliteitsverbetering voldaan. Bovendien is het aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden in het provinciale beleid expliciet genoemd als aspect van kwaliteitsverbetering. De provincie Noord-Brabant heeft in een eerder stadium van de ontwikkeling aangegeven akkoord te gaan met het landschappelijk inpassingsplan waarin is bepaald hoe door voorliggend plan een kwaliteitsverbetering van het landschap wordt bereikt. Onderstaande berekening is gemaakt op basis van ‘Uitgangspunten toepassing kwaliteitsverbetering landschap’ van de gemeente Oss.

Langestraat 14 Dieden – 2022, pag. 29 van 57 Vastgesteld, juni 2023

Er is sprake van circa 6.300 m² dat getransformeerd wordt naar recreatieve grond. Hieruit volgt dat voor €52.920,- aan kwaliteitsverbetering in het landschap moet plaatsvinden. Hieronder is een tabel opgenomen met de investeringen en verkregen subsidie vanuit het GOB.

Zoals duidelijk blijkt, wordt slechts een deel van de waardedaling en inrichtingskosten gesubsidieerd. Een bedrag van €180.730,54 (ca. 50% van de taxatiewaarde en 50% van de inrichtingskosten) wordt niet gedekt door de subsidie. Hierdoor is sprake van een fors eigen bijdrage voor het investeren in de kwaliteitsverbetering van het landschap. Daarnaast is binnen de bestemming ‘Natuur’ extensieve dagrecreatie mogelijk. Op gronden binnen de bestemming ‘Natuur’ is extensieve dagrecreatie mogelijk zoals horend bij een natuurbestemming. Ook worden expliciet in de planregels de natuurwaarden beschermd. Voorliggend initiatief sluit aan op de ‘Regeling ‘kwaliteitsverbetering van het landschap’.

Langestraat 14 Dieden – 2022, pag. 30 van 57 Vastgesteld, juni 2023

5.2

Natuur

5.2.1 Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming beschermt Nederlandse natuurgebieden en planten- en diersoorten. Het is belangrijk voor de natuur dat er veel verschillende planten- en diersoorten zijn. Wanneer het met de natuur goed gaat, is er ook meer ruimte voor economische en andere maatschappelijke activiteiten. Maar sommige soorten zijn kwetsbaar, zoals vleermuizen en mussen. Een goede natuurbescherming is dan ook belangrijk. Rolverdeling tussen provincies en Rijk Sinds 1 januari 2017 bepalen de provincies wat wel en niet mag in de natuur binnen de provincie. De provincies zorgen voor de vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor het beleid van grote wateren en internationaal beleid (zoals Natura2000). Ruimtelijke plannen en omgevingsvergunningen die invloed hebben op beschermde natuur moeten passen binnen de Wet natuurbescherming. Daarnaast gelden ook provinciale regelingen voor natuurbescherming. 5.2.3 Natuurtoets Bij de bescherming van natuurwaarden gaat het enerzijds om soortenbescherming en anderzijds om gebiedsbescherming. Deze bescherming moet er toe leiden dat het voortbestaan van de soort niet in gevaar komt.

De gebiedsbescherming is gericht op de bescherming van kwetsbare natuurgebieden Programma Aanpak Stikstof (PAS) Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan in enkele beroepszaken tegen Natura 2000-vergunningen die zijn gebaseerd op het Programma Aanpak Stikstof (PAS) 2015-2021 (Kamerstuk 32 670, nr. 146). Het is een stevige uitspraak die per direct forse consequenties heeft voor individuele ondernemers, maar ook voor ambities van gemeenten, provincies en Rijksoverheid op het terrein van onder meer waterveiligheid, infrastructuur, woningbouw en klimaat. De uitspraak komt er op neer dat de PAS ‘gesneuveld’ is als aanpak en systeem voor vergunningverlening van stikstofvergunningen op basis van de Wet natuurbescherming. Hoewel er geen directe relatie lag en ligt tussen een bestemmingsplan en de PAS, is het sneuvelen van de PAS ook voor RO en bestemmingsplannen van belang, met name ook door de aandacht voor stikstof. Tot nu toe werd als ondergrens waaronder je geen Natuurvergunning nodig had (0,05 Mol/ha) ook in de RO vaak gebruikt om aan te tonen dat stikstof geen probleem was voor de voorgenomen planontwikkeling. Planspecifiek Om te kunnen bepalen of voorliggend initiatief een negatief effect heeft vanuit het aspect ecologie is een quickscan Flora en Fauna uitgevoerd, zie bijlage 3.

In het vervolg van deze paragraaf wordt ingegaan op de belangrijkste conclusies. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ ligt op ruim 8,8 km ten noorden van het plangebied. Gelet op de afstand tot Natura 2000gebieden en de beoogde situatie en de daarbij behorende beperkte toename van verkeersbewegingen (theoretisch 198 per dag, zie paragraaf 5.4.1) is van externe werking op omliggende Natura 2000gebieden, ook vanuit het aspect stikstof, geen sprake. De handreiking woningbouw en AERIUS van het Rijk onderschrijft deze beoordeling. Hierin is aangegeven dat er bij 500 woningen op een afstand van 8 km of minder van Natura 2000-gebied geen sprake is van een bijdrage aan stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden in de gebruiksfase. De verkeersgeneratie van 500 woningen is circa (uitgaande van 8

Langestraat 14 Dieden – 2022, pag. 31 van 57 Vastgesteld, juni 2023

verkeersbewegingen per woning per dag 4.000 verkeersbewegingen per dag. De extra activiteiten in het plangebied zorgen voor ruim minder verkeersbewegingen dan 500 woningen. Voor de aanlegfase geeft de handreiking aan dat er bij het bouwen van 50 woningen of minder geen sprake is van een bijdrage aan stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Voorliggend plan voorziet enkel in de bouw van een klein materialenopslag en een klimpark en er zullen werkzaamheden plaatsvinden rondom de inrichting van het terrein. In de aanlegfase zijn daarvoor enige tijd werktuigen in het plangebied aanwezig en vinden er verkeersbewegingen plaats van werklieden en voor aanlevering van materiaal. De werkzaamheden en het aantal verkeersbewegingen zullen logischerwijs minder omvangrijk zijn dan bij een project voor de bouw van 50 woningen. Daarmee kan worden geconcludeerd dat er ook in de aanlegfase geen sprake zal zijn van een bijdrage aan stikstofdepositie op Natura 2000gebieden. In de bijlage zijn de aeriusberekeningen toegevoegd. Het aanvragen van een Wnb-vergunning is niet nodig. Soortenbescherming De beoogde ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op beschermde soorten. Tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden zal de Algemene zorgplicht zoals bedoeld in de Wnb in acht worden genomen.

Conclusie De beoogde ontwikkeling binnen het plangebied is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (artikel 3.1.6 Bro). 5.3

Archeologie en Cultuurhistorie

5.3.1 Erfgoedwet en overgangsregeling omgevingswet De Erfgoedwet beschermt het cultureel erfgoed in Nederland. In deze wet staan regels om belangrijk cultureel erfgoed beter te beschermen en behouden. In de Erfgoedwet staat wat cultureel erfgoed is, hoe de overheid omgaat met roerend cultureel erfgoed (zoals schilderijen), wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe de overheid daar toezicht op houdt. Het beschermingsregime voor de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (lees archeologische resten) net als de bescherming van gebouwde rijksmonumenten wordt opgenomen in de Omgevingswet. Vooruitlopend op de ingang van de Omgevingswet is het deel van de Monumentenwet 1988 dat gaat over de fysieke leefomgeving geregeld in het overgangsrecht van de Erfgoedwet. Het gaat om: • vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten. • verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. • bescherming van stads- en dorpsgezichten. Het erfgoed in de ruimtelijke ordening wordt nu nog voor een belangrijk deel geregeld via de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Ruimtelijke plannen die toepassing hebben op cultureel erfgoed moeten passen binnen wettelijke kaders van de Erfgoedwet en ook de regelingen die in andere wetten en regelgeving is opgenomen, zoals de Wabo en het Bro.

5.3.2 Archeologiebeleid Het provinciale archeologisch beleid is neergelegd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant van 25 oktober 2019 en op de provinciale Cultuurhistorische waardenkaart 2010, herzien 2016. Hierin is

Langestraat 14 Dieden – 2022, pag. 32 van 57 Vastgesteld, juni 2023

de bescherming van aardkundig waardevolle gebieden en archeologische landschappen geregeld. Het gemeentelijk archeologisch beleid is veel gedetailleerder dan het algemene provinciale beleid op dit punt en prevaleert daarom ook boven het provinciale archeologisch beleid. Op 14 oktober 2010 heeft de gemeente Oss haar ‘archeologiebeleid’ vastgesteld. In 2015 heeft de gemeenteraad het archeologiebeleid opnieuw vastgesteld. Dit was nodig vanwege de gemeentelijke herindeling met Maasdonk. Onderdeel van de vaststelling in 2015 is het rapport 'Actualisatie archeologiebeleid gemeente Oss, een herziene archeologische beleidskaart voor het nieuwe grondgebied van de gemeente Oss' (Goddijn, 2012). Aan de hand van onderzoeken, inzichten en boringen in het veld zijn de eerdere archeologische kaarten gedeeltelijk bijgesteld. Op de beleidskaart is sprake van meerdere beleidscategorieën (zie onderstaande tabel). In het beleid is per beleidscategorie vastgelegd wanneer sprake is van een onderzoeksplicht en wanneer ontwikkelingen hiervan zijn vrijgesteld. Verwachting/waarde Archeologisch beschermd rijksmonument

Vrijstellingsgrenzen 0 m2 / 30 cm -Mv

Archeologisch (AMK-) monument Beschermde stadsgezichten

35 m2 / 30 cm -Mv

Historische stads-/dorpskern

50 m2 / 30 cm -Mv

Hoge verwachtingswaarde

100 m 2 / 30 cm -Mv

Hoge verwachtingswaarde – bedrijventerrein

1000 m2 / 30 cm -Mv

Middelhoge verwachtingswaarde Lage verwachtingswaarde

5 hectare / 30 cm -Mv

Reeds onderzocht

Afhankelijk van de resultaten van het reeds uitgevoerde onderzoek.

Verstoord

Geen onderzoeksplicht

Volgens de archeologische beleidskaart hebben de zuidelijke gronden van het plangebied een hoge archeologische verwachting en de gronden aan de zuidoostkant een middelhoge archeologische verwachting. De overige gronden hebben een lage archeologische verwachting of zijn reeds verstoord. Vanuit het archeologiebeleid geldt een archeologische onderzoeksplicht als de bodemingrepen dieper zijn dan 30 cm beneden het huidige maaiveld én de omvang van het gebied groter is dan respectievelijk 100 m² (hoge verwachting) en 1000 m² (middelhoge verwachting). De verstoorde gebieden zijn niet onderzoeksplichtig. Ook de gebieden met een lage verwachting kennen geen onderzoeksplicht aangezien (vrijgesteld tot 5 hectare en die omvang wordt in dit geval nooit gehaald). 5.3.3 Toetsing van de plannen Gezien de korte doorlooptijd van deze bestemmingsplanprocedure, zijn de plannen zoals omschreven in de bestemmingsplantoelichting nog niet getoetst op een archeologische onderzoeksverplichting. Deze toetsing zal bij de vergunningsprocedure plaatsvinden. Op dat moment kan blijken dat er nog een archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd, of dat de vergunning kan worden verleend zonder nader archeologisch onderzoek. Ook zal op dat moment worden bepaald of aan de vergunning archeologische voorwaarden worden gekoppeld.

Borging archeologie middels bestemmingsplanregels De gemeente Oss vertaalt de wet en het archeologisch beleid ook door in standaard bestemmingsplanregels. Zo heeft de gemeente bestemmingsplanregels (dubbelbestemmingen: dat wil zeggen dat deze naast de hoofdbestemming gelden) voor bescherming van historische kernen, beschermde monumenten, monumenten en voor gebieden met een middelhoge of hoge archeologische verwachtingswaarde. Met deze regels kan, ter bescherming van archeologische waarden, worden

Langestraat 14 Dieden – 2022, pag. 33 van 57 Vastgesteld, juni 2023

bepaald wanneer er een omgevingsvergunning voor bepaalde werkzaamheden nodig is, wanneer dat niet het geval is en onder welke omstandigheden en met welke nadere eisen en voorwaarden een omgevingsvergunning kan worden verleend. Om het archeologisch traject te borgen is aan het gebied een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ (verwachtingswaarde hoog en middelhoog ) toegekend. Voor het gebied geldt dat bij bodemverstoringen groter dan 100 m² (hoge verwachting) en 1000 m² (middelhoge verwachting) en dieper dan 30 cm beneden huidig maaiveld archeologisch onderzoek nodig is. Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect archeologie. 5.3.4 Cultuurhistorie Wettelijk kader Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Dat wordt veranderd in: met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. De regering wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald.

Doordat plannen nu nog pas na afloop van het planproces worden getoetst aan de regelgeving van de monumentenzorg, wordt monumentenzorg dikwijls ervaren als hindernis. Dit is door de regering erkend en daarbij is de ambitie uitgesproken om de positie van cultuurhistorie aan het begin van het ruimtelijk ordeningsproces juridisch te versterken. Door de verankering van cultuurhistorische waarden in de bestemmingsplannen vermindert tegelijkertijd de noodzaak tot het aanwijzen van nieuwe beschermde monumenten, omdat het belang van de cultuurhistorie wordt geborgd via het proces van de ruimtelijke ordening. In de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in verband met modernisering van de monumentenzorg is daarom al de mogelijkheid voor burgers en belangengroepen om een aanvraag in te dienen om een monument aan te wijzen als beschermd monument, geschrapt. Dit instrument werd door belangengroepen nogal eens ingezet om afgifte van bouwvergunningen te frustreren of te vertragen. Met de wijziging van het Bro wordt tevens de adviesrol van Gedeputeerde Staten beperkt. Tot nu toe moet bij alle ingrepen aan een beschermd monument buiten de bebouwde kom advies aan Gedeputeerde Staten worden gevraagd.

Met de wijziging van het besluit hoeft dat alleen nog, als het gaat om monumenten die door de minister op grond van de Monumentenwet 1988 zijn aangewezen. Daarnaast voorziet het besluit in een aantal versoepelingen van vergunningvrij wijzigen of bouwen in, aan of bij beschermde monumenten. Samengevat komen die versoepelingen er op neer, dat voor gewoon onderhoud of voor inpandige veranderingen aan beschermde monumenten geen monumentenvergunning meer nodig is, als de betreffende onderdelen geen monumentale waarde hebben. Bij twijfelgevallen zal men het bevoegd gezag moeten raadplegen. De bedoeling van het wijzigingsbesluit is om enerzijds cultuurhistorische waarden een duidelijke plaats te geven aan het begin van het planproces en anderzijds onnodige regeldruk, vooral wanneer het gaat om ondergeschikte wijzigingen aan een monument, weg te nemen. Cultuurhistorie: gemeentelijk en provinciaal beleid Het beleid van de gemeente Oss voor wat betreft cultuurhistorie is onder meer neergelegd in het Erfgoedplan Oss 2006 “Op gemengde bodem”. Hierin zijn onder andere opgenomen: historisch bebouwde gebieden, oude verkavelingspatronen, de invloed van de Maas en Rijksmonumenten. Deze nota heeft (nog) geen betrekking op het grondgebied van de voormalige gemeente Lith. Daarnaast heeft de gemeente Oss een Monumentenlijst 2019. Hierin zijn de Rijks- en gemeentelijke monumenten opgenomen.

Het provinciale cultuurhistorische beleid is verankerd in de Interim

Langestraat 14 Dieden – 2022, pag. 34 van 57 Vastgesteld, juni 2023

omgevingsverordening Noord-Brabant en op de Cultuurhistorische waardenkaart 2010. Hierin zijn onder andere opgenomen: cultuurhistorische vlakken en complexen van cultuurhistorisch belang. Cultuurhistorie: bestemmingsplanregels en regels in de provinciale Interim omgevingsverordening NoordBrabant Met de onder het kopje ‘archeologie’ genoemde bestemmingsplanregels, is het ook mogelijk om cultuurhistorische waarden in bestemmingsplannen te beschermen. Een en ander voor zo ver het terreinen betreft (inbouwen sloopvergunningstelsel voor bebouwing). Kortheidshalve wordt naar het kopje ‘archeologie: bestemmingsplanregels’ verwezen. De provincie Noord-Brabant heeft in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant bindende regels opgenomen ter bescherming van cultuurhistorische waarden. Planspecifiek Binnen of in de directe omgeving van het plangebied zijn geen (rijks)monumenten of andere cultuurhistorische waardevolle objecten gelegen. Het plangebied is volgens de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart aangeduid als ‘Maaskant’ en ‘Beerse en Baardwijkse Overlaat’. De regio Maaskant heeft een grote cultuurhistorische betekenis doordat de strijd tegen het water zich nog zo goed in het huidige landschap laat herkennen. Daarnaast verlenen de vele verdedigingswerken het gebied een grote cultuurhistorische waarde.

De Beerse en Baardwijkse Overlaat is binnen deze regio een cultuurhistorisch landschap van provinciaal belang. De ontwikkelingsstrategie voor de regio Maaskant betreft: • behoud door ontwikkeling of versterking van de samenhang van de dragende structuren van de regio; • de cultuurhistorische waarden in de Maaskant in hun samenhang verder ontwikkelen, beschermen en toeristisch-recreatief ontsluiten. Dit geldt in het bijzonder voor het cultuurhistorisch landschap Beerse en Baardwijkse Overlaat; • het duurzaam en in samenhang behouden van het bodemarchief van het archeologisch landschap Maaskant. Natuurontwikkeling is een van de ambities voor de Beerse en Baardwijkse Overlaat. De voorgenomen ontwikkeling zorgt voor een versterking van het toeristisch-recreatieve aanbod in de regio, in combinatie met natuurontwikkeling die passend is in de omgeving. Hiermee blijven de cultuurhistorische waarden in het plangebied behouden. De gemeente Oss beschermt eventuele cultuurhistorische waarden in de bodem via de archeologische dubbelbestemmingen. In voorgaande subparagraaf 5.3.3. is reeds aangetoond dat voorliggend initiatief vanwege de beperkte bodemingrepen geen negatief effect op archeologische- en/of cultuurhistorische waarden tot gevolg heeft. Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect cultuurhistorie. 5.4

Mobiliteit en parkeren

5.4.1 Verkeer De Mobiliteitsvisie Oss uit 2009 heeft als doel het in balans brengen van bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid. De mobiliteitsvisie is uitgewerkt in het Mobiliteitsplan 2020 Oss. Het deelplan Wegen werkt het gewenste netwerk voor het autoverkeer uit. Per weg is de gewenste functie vastgelegd. Van belang is de vraag of een initiatief leidt tot extra verkeersbewegingen en of de toename van verkeersbewegingen passen binnen de normen die voor ontsluitingswegen gelden. De verkeersaantrekkende werking neemt door voorliggend initiatief toe vanwege het nieuwe recreatieve veld en het zaalverhuur.

Langestraat 14 Dieden – 2022, pag. 35 van 57 Vastgesteld, juni 2023

Het nieuwe recreatieve veld bestemd voor intensieve dagrecreatieve activiteiten krijgt een oppervlak van afgerond 6.300 m². Hierop is ruimte voor 2 groepen om tegelijk gebruik te maken van de velden. De groepen hebben maximaal 24 personen. Uitgaande van een gemiddelde autobezetting van 2 personen per auto leidt dit tot 48 verkeersbewegingen per dag. Het zaalverhuur krijgt een netto-oppervlak van 200 m² en er worden groepen van 30 tot 150 personen verwacht. Uitgaande van een gemiddelde autobezetting van 2 personen per auto leidt dit tot 150 verkeersbewegingen per dag. In de praktijk zal de toename van het aantal verkeersbewegingen kleiner zijn dan de berekende 198 verkeersbewegingen per dag, omdat de nieuwe recreatievelden ook gebruikt zullen worden door bezoekers die toch al kwamen. Daarnaast wordt de zaalverhuur ook nog steeds door groepen gebruikt die eerst andere activiteiten doen op het terrein. De optie om deze zelfstandig te gebruiken zal af en toe voor extra verkeersbewegingen leiden maar zeker niet iedere dag. Zowel de Langestraat als de Galgenstraat zijn wegen gecategoriseerd als Erftoegangsweg type II. In het Mobiliteitsplan 2020 Oss is aangegeven dat een intensiteit van maximaal 4.000 verkeersbewegingen per dag bij deze wegen passend is.

Gezien de ligging kan ervan uitgegaan worden dat deze intensiteit in de huidige situatie lang niet gehaald wordt en ook dat de beperkte toename aan verkeersbewegingen vanwege het initiatief niet leidt tot een totaal van meer dan 4.000 verkeersbewegingen per dag over deze wegen. 5.4.2 Parkeren Uitgangspunt voor het aspect parkeren bij voorliggend plan is dat de toekomstige mogelijkheden van de recreatieve activiteiten en het zaalverhuur ten alle tijden worden afgestemd op de capaciteit van het parkeerterrein binnen het plangebied. Kortom, er worden nooit meer activiteiten ingepland dan de parkeercapaciteit binnen eigen terrein toestaat. Het oorspronkelijk bedachte parkeerterrein bleek niet voldoende te zijn voor de parkeerbehoefte van het bedrijf. Daarom is het parkeerterrein uitgebreid tot de huidige omvang. Deze parkeerplaatsen zijn uitsluitend bedoeld voor de dagrecreatie en zaalverhuur. Voor de verblijfsrecreatie is al parkeergelegenheid die te bereiken is via de inrit aan de Galgenstraat. Ook de bedrijfswoning heeft eigen parkeergelegenheid. Uit de praktijk blijkt dat de uitbreiding van het parkeerterrein voldoende is om aan de parkeerbehoefte te voldoen. Deze uitbreiding biedt voldoende ruimte om te voldoen aan de parkeerbehoefte die het nieuwe dagrecreatieve veld en het zalenverhuur met zich mee brengt.

Voor zalenverhuur is geen norm opgenomen in de nota Parkeernormen 2017 van de gemeente Oss. Qua functie komt een restaurant het dichtst in de buurt van de zaalverhuur. Hiervoor hanteert de gemeente Oss een parkeernorm van 15 parkeerplaatsen per 100 m². Voor zaalverhuur van 270 m² is de parkeerbehoefte daarmee 40,5 parkeerplaatsen. Voor een dagrecreatief veld geeft de nota Parkeernormen 2017 ook geen norm. De functie sportveld komt hier het dichtst bij in de buurt. Daarvoor is de norm 20 parkeerplaatsen per hectare netto terrein. Het dagrecreatief veld heeft een oppervlakte van ca. 0,63 ha. Hiermee is de parkeerbehoefte voor deze functie 12,6 parkeerplaatsen. De totale parkeerbehoefte bedraagt daarmee 53,1 parkeerplaatsen. Op het parkeerterrein is voldoende ruimte om aan de parkeerbehoefte te voldoen. Conclusie Het aantal parkeerplaatsen binnen eigen terrein bepaalt in de toekomstige situatie zonder uitzondering hoeveel mensen er kunnen deelnemen aan de recreatieve activiteiten en het zaalverhuur. Geconcludeerd wordt dat de parkeerbehoefte daardoor ten alle tijden aansluit op de parkeercapaciteit binnen eigen terrein. Voorliggend bestemmingsplan is uitvoerbaar vanuit het aspect parkeren. 5.5

Water

Langestraat 14 Dieden – 2022, pag. 36 van 57 Vastgesteld, juni 2023

5.5.1 Wetgeving en beleid De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de Waterwet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets verplicht voor ruimtelijke plannen waarin waterbelangen spelen. De watertoets bewaakt de waterkwaliteit en waterkwantiteit. Een watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten zijn onder meer veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verzilting en verdroging. De watertoets heeft betrekking op alle wateren: rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. De gemeente Oss heeft in 2013 een integraal plan Watertaken vastgesteld. Het plan bestaat uit twee delen. Het “verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan” (vGRP) regelt de zorg voor inzameling en transport van afvalwater. Ook regelt het vGPR een doelmatige verwerking van afvloeiend hemelwater en overtollig grondwater. Daarnaast biedt het plan Watertaken een kader voor de andere watertaken van de gemeente. De gemeente is verantwoordelijk voor de openbare ruimte. Het gaat vooral om de zorg voor oppervlaktewater in bebouwd gebied. De gemeente is ook verantwoordelijk voor een goede ruimtelijke ordening. Het gaat om voldoende ruimte voor water in ruimtelijke plannen.

De watertoets is opgenomen in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). Beleid van gemeente, provincie en rijk is van toepassing bij een watertoets. Toetsing van uw waterparagraaf gebeurt op kwaliteit en kwantiteit. De verwerking van hemelwater, afvalwater en planologische ‘waterbestemmingen’ komen aan bod. Waterschap Aa en Maas is verantwoordelijk voor het waterbeheer in haar beheersgebied. Het gaat om het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer, de waterkeringszorg, waterzuivering, grondwaterbeheer en waterbodembeheer. De regels zijn vastgelegd in de Keur (met Algemene- en Beleidsregels) in de vorm van een aantal gebods- en verbodsbepalingen. Waterbeheerplan Op 19 november 2021 is het nieuwe waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma’s: 1. Waterveiligheid; Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. 2.

Klimaatbestendig en gezond watersysteem; Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). 3. Schoon Water; In het programma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd. In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin: •

schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt;

•

de waterkwaliteit geen risico’s geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen;

•

de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is;

Langestraat 14 Dieden – 2022, pag. 37 van 57 Vastgesteld, juni 2023

•

de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen.

Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen.

Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. Sinds 1 maart 2015 hanteert waterschap Aa en Maas onderstaande (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn opgenomen in ‘Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Voor een toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m2 en 10.000 m2 kan de vereiste compensatie berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm. De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn: • Gescheiden houden van vuil (afval)water en schoon hemelwater; • Voorkomen van vervuiling van water; • Schoon hemelwater kan volgens de voorkeursvolgorde worden verwerkt: 1. Hergebruik 2.

Infiltratie/bergen 3. Afvoer • Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO), zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang, zowel in als buiten het plangebied. Ook mogen geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruik functies. Dit betekent dat: 1. De afvoer uit het gebied niet groter wordt dan in de referentiesituatie; 2. De grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt; 3. Grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties; 4. De (grond)waterstanden in het plangebied aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied; 5. Het plangebied zo wordt ingericht dat de hydrologische gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving niet leiden tot knelpunten in het plangebied. Planspecifiek In een eerder stadium van de planontwikkeling is waterschap Aa en Maas op de hoogte gebracht van de ontwikkelingen binnen het plangebied. Het waterschap heeft destijds al aangegeven positief te oordelen over de ontwikkelingen, mede vanwege de positieve effecten die de ontwikkeling van de huidige agrarische gronden naar natuur heeft voor de ecologie en waterkwaliteit. Om het waterschap ook op de hoogte te stellen van voorliggend document, is de digitale watertoets uitgevoerd, zie bijlage 4.

In het vervolg van deze paragraaf worden de belangrijkste waterhuishoudkundige aspecten nader toegelicht.

Langestraat 14 Dieden – 2022, pag. 38 van 57 Vastgesteld, juni 2023

Toename verhard oppervlak In voorliggend document worden de bouwmogelijkheden opgenomen voor de realisatie van een nieuwe materialenopslag van 60 m². Tevens wordt de reeds uitgevoerde uitbreiding van de parkeerplaats planologisch geborgd. Ten opzichte van de vigerende planologische situatie is de parkeerplaats uitgebreid met ca 420 m². De totale toename van het verhard oppervlak komt daarmee uit op ca 480 m². De toename blijft daarmee onder de compensatiegrens van 500 m² van het waterschap. Rondom de nieuwe verharding is voldoende ruimte voor het hemelwater om op onverharde gronden te infiltreren. Watergangen Parallel aan de Langestraat en de Galgenstraat ligt een A-watergang. Aan beide zijden van deze watergang geldt een beschermingszone met een breedte van 5 meter gemeten vanaf de insteek ten behoeve van het doelmatig beheer en onderhoud. Binnen deze beschermingszone gelden vanuit de Keur restricties. Voorliggend initiatief maakt geen bouwwerkzaamheden ter plaatse of in de directe omgeving van deze A-watergang mogelijk. De A-watergang ondervindt geen hinder als gevolg van het plan. In het vigerende bestemmingsplan is een bestemming ‘Water’ opgenomen ter plaatse van de watergang. Aan de zuidzijde van het plangebied wordt een nieuwe watergang toegevoegd.

Deze watergang zal aansluiten op de gronden direct ten westen van het plangebied die in het kader van het Groenblauwe Stimuleringskader (Stika) reeds zijn ontwikkeld. De nieuwe sloot krijgt aan beide zijden een natuurvriendelijke oever. Overige waterhuishoudkundige aspecten Het plangebied ligt niet in een gebied waar beschermingsregels gelden voor Als gevolg van het plan worden er ook geen watergangen of andere vormen van oppervlaktewater gedempt. Bij de bouw van de nieuwe materialenopslag zullen geen uitloogbare materialen worden gebruikt. Conclusie Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect water. 5.6

Defensie

Uit oogpunt van defensie kunnen er beperkingen gesteld worden aan ruimtelijke ontwikkelingen in een gebied. Belangrijke aandachtspunten met betrekking tot het defensiebelang zijn: -

Radarverstoringsgebieden;

-

Obstakelbeheergebieden;

-

Laagvliegroutes voor jachtvliegtuigen;

-

Geluidszones voor militaire luchtvaartterreinen.

Het gehele plangebied is gelegen binnen het radarverstoringsgebied van een radar van de vliegbasis Volkel. Binnen dit gebied is het in beginsel niet toegestaan om hogere bebouwing op te richten dan 114 meter boven NAP. Indien er initiatieven zijn voor het oprichten van hogere bouwwerken of gebouwen, dan kan dit toegestaan worden als blijkt dat de radar niet onevenredig wordt verstoord. Dit kan door TNO worden berekend. Dit bestemmingsplan voorziet echter nergens in bouwmogelijkheden tot een dergelijke hoogte. Daarmee is het belang van het radarverstoringsgebied binnen dit bestemmingsplan voldoende gewaarborgd. Bij een eventueel toekomstig initiatief voor een bouwwerk met een hoogte tot 114 meter boven NAP of hoger dient het defensiebelang nadrukkelijk betrokken te worden bij de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling.

Langestraat 14 Dieden – 2022, pag. 39 van 57 Vastgesteld, juni 2023

Voor het overige geldt dat het plangebied niet gelegen is binnen een obstakelbeheergebied, een laagvliegroute voor jachtvliegtuigen of een geluidszone voor militaire luchtvaartterreinen. Aan deze aspecten hoeft dan ook geen verdere aandacht besteed te worden.

Langestraat 14 Dieden – 2022, pag. 40 van 57 Vastgesteld, juni 2023

5.7

Milieuaspecten

In deze paragraaf wordt ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten die verband houden met, of betrekking hebben op de ruimtelijke ontwikkeling. Het gaat daarbij meestal om de wisselwerking met de omgeving. Welke gevolgen heeft het initiatief voor de omgeving en omwonenden? Maar ook, welke gevolgen hebben activiteiten in de omgeving voor de mogelijkheden op de projectlocatie? Achtereenvolgens komen de volgende aspecten aan bod: -

Bedrijven en milieuzonering

-

Bodem

-

Externe veiligheid

-

Geurhinder: agrarisch

-

Geur: industrieel

-

Luchtkwaliteit

-

Straling

-

Weg-, spoor-, en industrielawaai

-

Gezondheid

-

Spuitzones

5.7.1 Bedrijven en milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten van bedrijven en gevoelige functies, zoals woningen. Het doel van milieuzonering is om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast kan milieuzonering bedrijven voldoende zekerheid bieden om hun activiteiten duurzaam uitvoeren. De handreiking Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft richtafstanden om de milieuzonering van bedrijven te kunnen bepalen. Planspecifiek Ten opzichte van de bestaande situatie maakt voorliggend initiatief zaalverhuur binnen bestaande bebouwing en enkele nieuwe dagrecreatieve activiteiten mogelijk, waaronder een recreatieveld voor intensieve dagrecreatieve activiteiten. In de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ is voor het zaalverhuur (vergelijkbaar met muziekcafé uit de VNG-lijst) een maximale richtafstand van 30 m opgenomen. Voor de dagrecreatieve activiteiten (vergelijkbaar met een veldsportcomplex uit de VNG-lijst) is een maximale richtafstand van 50 m opgenomen. Het dichtstbijzijnde milieugevoelige object vanaf het bestaande recreatiebedrijf (gemeten vanaf de bestemmingsgrens) ligt op 85 m (bedrijfswoning van het agrarische bedrijf aan de Langestraat 7).

Gelet op deze afstand kan milieuhinder als gevolg van de recreatieve activiteiten en de zaalverhuur op voorhand worden uitgesloten. Aan de Ravensteinsedijk, ten westen van het plangebied, staat een zendmast. De mast staat op ca 350 m afstand vanaf de gebouwen van het recreatiebedrijf, waaronder de groepsaccommodatie ‘Bedstee boerderij’. De zendmast is te vergelijken met een zender/ ontvangstinstallatie voor de middengolf (MG) en lange golf (LG) met een zendervermogen <100 kW, met een bijbehorende milieucategorie 3.2 en een maximale richtafstand van 100 m (gevaar). Daarmee wordt er ruimschoots aan de richtafstand voldaan en kan milieuhinder op de verblijfslocatie ‘Bedstee boerderij’ op voorhand worden uitgesloten. In de omgeving van het plangebied liggen geen andere bedrijven en inrichtingen die mogelijk voor milieuhinder kunnen zorgen. Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect milieuzonering.

Langestraat 14 Dieden – 2022, pag. 41 van 57 Vastgesteld, juni 2023

5.7.2 Bodem Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht, moet in planvorming rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. In de Bouwverordening van de gemeente Oss is geregeld dat onder bepaalde omstandigheden het oprichten van gebouwen pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij iedere nieuwbouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld. Planspecifiek Voor de nieuwe natuur waar extensieve dagrecreatie is toegestaan is een historisch bodemonderzoek uitgevoerd dat is opgenomen in bijlage 5. Hierin is geconcludeerd dat de aanwezige slootdempingen formeel verdacht zijn voor bodemverontreiniging, aangezien niet bekend is met welk materiaal de demping is uitgevoerd. Verwacht wordt echter, gezien de periode van demping (eind jaren ’80), dat dit is uitgevoerd met gebiedseigen of schone grond. Voor het overige is het onderzoeksgebied onverdacht voor het voorkomen van bodemverontreiniging. Voor het recreatieveld waar intensieve recreatieve activiteiten worden uitgevoerd is eerst een vooronderzoek en daarna een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, welke in bijlage 6 en 7 zijn opgenomen.

In het verkennend bodemonderzoek is geconcludeerd dat er slechts enkele lichte verontreinigingen zijn aangetroffen en dat daarmee de bodemkwaliteit voldoende is en er geen milieuhygiënische belemmeringen zijn voor de toekomstige functie. Op het gebied van bodem is het plan uitvoerbaar. 5.7.3 Externe veiligheid Rijkskader Externe veiligheid behandelt de risico's die ontstaan als gevolg van opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico’s kunnen hun weerslag hebben op de omgeving. Het wettelijke kader voor externe veiligheid bestaat onder meer uit: -

het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)

-

het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt)

-

het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

Enerzijds gaat het over de risicobronnen (bedrijven of transportroutes). Anderzijds gaat het over de risicoontvangers (omstanders die niets met de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen te maken hebben). Wat betreft de risico-ontvangers maakt de wetgeving onderscheid in kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbare objecten zijn gebouwen, waarin (of waarbij) groepen van circa 50 personen of groter, gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. Ook sommige gebouwen waarin/waarbij kleinere groepen verblijven, worden als kwetsbaar object gezien, wanneer die personen beperkt zelfredzaam zijn (zoals zieken, bejaarden of gehandicapten). Beperkt kwetsbare objecten zijn verspreid liggende woningen en bedrijven waarin/waarbij groepen van minder dan 50 personen gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. In de landelijke wetgeving wordt meer gedetailleerd beschreven wat er onder kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten wordt verstaan. Belangrijk is hierbij dat de opsomming in de wetgeving niet limitatief is, zodat er in de verdere uitwerking van het beleid nog enige vrijheid rest. Verder maakt de wetgever onderscheid tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen.

De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico (GR) is een maat

Langestraat 14 Dieden – 2022, pag. 42 van 57 Vastgesteld, juni 2023

voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Gemeentelijk kader Ook in de gemeente Oss zijn risicobronnen aanwezig in de vorm van transportassen en stationaire activiteiten. Dit vraagt om een gemeentelijke visie. Op 19 mei 2011 heeft de gemeenteraad de Beleidsvisie Externe veiligheid vastgesteld. Deze beleidsvisie beschrijft op welke manier de gemeente Oss externe veiligheid in haar afwegingen betrekt. Planspecifiek Een recreatiebedrijf is aan de merken als een beperkt kwetsbaar object. Als gevolg van de extra dagrecreatieve activiteiten die door voorliggend plan worden toegevoegd, neemt het aantal mensen dat op een dag op de bedrijfslocatie aanwezig is, beperkt toe. Daarom is aan de hand van de risicokaart bekeken of er in de omgeving risicovolle inrichtingen, buisleidingen en/ of transportroutes zijn gelegen die mogelijk een risico vormen.

Uitsnede van de risicokaart (bron: risicokaart.nl)

Op voorgaande afbeelding is te zien dat er in de omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen, buisleidingen en/ of transportroutes liggen. Er zijn vanuit het aspect externe veiligheid geen risico’s voor het recreatiebedrijf. Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect Externe veiligheid. 5.7.4 Geurhinder: agrarisch De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is het beoordelingskader voor geur bij milieuvergunningen, bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Het gaat uitdrukkelijk om agrarische geur van landbouwhuisdieren uit dierstallen. De wet maakt onderscheid tussen geurnormen voor intensieve en extensieve veehouderijen. De geurbelasting van intensieve veehouderijen wordt berekend en uitgedrukt

Langestraat 14 Dieden – 2022, pag. 43 van 57 Vastgesteld, juni 2023

in de vorm van een geurcontour. De geurbelasting van extensieve veehouderijen wordt uitgedrukt in vaste afstanden. De gemeente Oss heeft op basis van de wet een eigen geurbeleid opgesteld. Het geurbeleid bestaat uit twee delen: de “Geurgebiedsvisie 2013” en de “Agrarische geurverordening gemeente Oss 2017”. Het hanteert per soort gebied een eigen geurnorm en streeft de volgende doelen na: -

de burger beschermen tegen geurhinder;

-

de veehouderijen niet onnodig beperken;

ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken, onder de voorwaarde dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is. De gemeentelijke “Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder” is van belang voor de vraag of een ruimtelijke ontwikkeling kan plaatsvinden. De beleidsregel geeft aan wanneer sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. -

In de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oss 2017 wordt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object binnen de gemeente Oss vastgelegd. Conform Artikel 3 Waarden voor de geurbelasting van de verordening zijn de volgende waarden vastgelegd: Lid 1. Op grond van artikel 6, lid 1 van de wet en in afwijking van artikel 3, lid 1 van de wet bedraagt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in het gebied als genoemd in artikel 2, lid 1 van deze verordening: A. Stad Oss

1,0 Ou

B. Woonkern met geen/enige intensieve veehouderij

2,0 Ou

C. Plangebied (bij kern A en B)

3,0 Ou

D. Woonkern met intensieve veehouderij

6,0 Ou

E. Zoekgebied + plangebied Maren-Kessel West en Liesdaal

6,0 Ou

F. Recreatiegebieden

8,0 Ou

G. Extensiveringsgebieden

8,0 Ou

H. Bedrijventerreinen

8,0 Ou

I. Bedrijventerrein Vorstengrafdonk

12,0 Ou

J. Verwevingsgebied

14,0 Ou

K. Landbouwontwikkelingsgebied

14,0 Ou

Planspecifiek Voorliggend initiatief voorziet niet in het toevoegen van extra geurgevoelige objecten. De bestaande ‘Club Binnen Beach’ wordt al gebruikt voor zaalverhuur, alleen niet voor zelfstandige zaalverhuur. De nieuwe recreatieve activiteiten op het buitenveld zijn niet aan te merken als geurgevoelige activiteiten (objecten) zoals bedoeld in de Wet geurhinder. Desondanks is gekeken naar agrarische bedrijven in de omgeving. In de directe omgeving van het plangebied ligt een melkveehouderij (vaste afstandsdieren) aan de Langestraat 7, ten noordoosten van het plangebied. In de Geurverordening Oss 2017 is een afstandseis van 50 m opgenomen tussen een geurgevoelig object en de dichtstbij gelegen rand van een agrarisch bouwvlak. De afstand tussen het agrarisch bouwvlak van de melkveehouderij aan de Langestraat 7 en het plangebied bedraagt ruim 60 m. Geconcludeerd kan worden dat de melkveehouderij geen geurhinder binnen het plangebied tot gevolg heeft en dat de ontwikkelingsmogelijkheden van de melkveehouderij niet worden belemmerd als gevolg van voorliggend initiatief. In de omgeving van het plangebied liggen geen agrarische bedrijven met een geuremissiefactor.

Langestraat 14 Dieden – 2022, pag. 44 van 57 Vastgesteld, juni 2023

Conclusie Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect geur. 5.7.5 Geur: industrieel Het nationale industriële geurbeleid is vastgelegd in de Nederlandse emissierichtlijn (NeR). De brief van het ministerie van Infrastructuur en Milieu van 30 juni 2005 stelt het rijksbeleid in grote lijnen vast. Het algemene uitgangspunt is het voorkomen van (nieuwe) hinder. Dit uitgangspunt vormt samen met het toepassen van de Beste Beschikbare Techniek (BBT) de kern van het geurbeleid. Uitgangspunten van het rijksbeleid zijn: -

als er geen hinder is, zijn maatregelen niet nodig;

-

als er wel hinder is, worden maatregelen getroffen op basis van het Beste Beschikbare Techniekprincipe; de gemeente stelt vast welke mate van hinder acceptabel is.

-

Gemeenten en provincies hebben de bevoegdheid om een eigen geurbeleid vast te stellen. De provincie Noord-Brabant heeft een eigen geurbeleid voor provinciale bedrijven, de Beleidsregel beoordeling geurhinder omgevingsvergunningen industriële bedrijven Noord-Brabant. De gemeente Oss heeft geen eigen industrieel geurbeleid. Per situatie stelt de gemeente Oss vast of sprake is van een acceptabel geurniveau. Er zijn verschillen in het niveau van bescherming mogelijk. Voor een bedrijfswoning kan bijvoorbeeld een hogere geurbelasting gehanteerd worden dan voor aaneengesloten woonbebouwing. Planspecifiek In de wijde omgeving van het plangebied zijn geen industrie- of bedrijventerreinen gelegen. Industriële geurhinder vormt geen belemmering van voorliggend initiatief. Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect geur, industrieel. 5.7.6 Luchtkwaliteit Het beleid en de regelgeving over luchtkwaliteit heeft tot doel om mensen te beschermen tegen de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging. Ze bevatten luchtkwaliteitsnormen voor verschillende stoffen. Ruimtelijke plannen of projecten die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, zoals bestemmingsplannen, dienen getoetst te worden aan de Wet milieubeheer (afdeling 5.2.). Deze wet bevat grenswaarden voor de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijn stof, lood, benzeen en koolmonoxide in de buitenlucht.

In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Overschrijding van de grenswaarden van andere stoffen komt bijna niet voor. De wet maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Kleine projecten zijn projecten die de luchtkwaliteit niet ‘in betekende mate’ (NIBM) verslechteren. Deze projecten hoeven niet meer beoordeeld te worden op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Er is geen belemmering als een klein project niet of nauwelijks bij draagt aan luchtverontreiniging, óók niet in overschrijdingsgebieden (gebieden met te veel luchtvervuiling). De ministeriële Regeling NIBM geeft aan in welke gevallen een nieuw project in ieder geval een NIBMproject is. Dit is bijvoorbeeld het geval als er minder dan 500 woningen worden gebouwd bij minimaal één ontsluitingsweg, of minder dan 1.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Het Besluit gevoelige bestemmingen beperkt de vestiging van zogeheten ‘gevoelige bestemmingen’, zoals een school, in de nabijheid van provinciale en rijkswegen. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken.

Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. Waar in zo’n onderzoekszone de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te)

Langestraat 14 Dieden – 2022, pag. 45 van 57 Vastgesteld, juni 2023

worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming’ niet toenemen. Dit wordt bereikt door op zo’n plek de vestiging van bijvoorbeeld een school niet toe te staan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien. De gemeente heeft geen eigen regelgeving en beleid over luchtkwaliteit. Planspecifiek Op basis van de berekende toename van de extra verkeersbewegingen (198 per dag, zie paragraaf 5.4) is de NIBM tool ingevuld. Onderstaand een uitsnede van de tool. Daaruit blijkt dat er sprake is van een ontwikkeling die niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie

2021

Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

198

Aandeel vrachtverkeer

0,0%

NO2

in μg/m3

0,14

PM10

in μg/m3

0,03

Extra verkeer als gevolg van het plan

Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m3

1,2

Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig

Voorliggend bestemmingsplan zorgt er niet voor dat er een toename is van het aantal mensen dat langdurig op de locatie verblijft. De bedrijfswoning en de verblijfsrecreatie was al toegestaan in het geldend bestemmingsplan en al feitelijk aanwezig. Er kan alleen een toename zijn van het aantal mensen dat kort op de locatie komt recreëren. Hiervoor hoeft het woon- en leefklimaat op het gebied van luchtkwaliteit niet getoetst te worden. Het plan is uitvoerbaar wat betreft het aspect luchtkwaliteit. 5.7.7 Straling Het beleid voor elektromagnetische velden is opgenomen in het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4), de Toekomstagenda Milieu en de beleidsnota Nuchter Omgaan met Risico's, beslissen met gevoel voor onzekerheden (2004). Het ministerie van Infrastructuur en milieu heeft het beleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen uitgewerkt in een advies van oktober 2005. Dit advies is verder toegelicht in een brief van november 2008. De gemeente Oss heeft in het Milieubeleidsplan 2010-2014 het rijksadvies vastgelegd als beleidsuitgangspunt. Dit houdt in dat er bij nieuwbouwplannen of het realiseren van

Langestraat 14 Dieden – 2022, pag. 46 van 57 Vastgesteld, juni 2023

nieuwe hoogspanningslijnen voorkomen dient te worden dat er gevoelige bestemmingen terecht komen in een zone waar het magnetische veld gemiddeld over een jaar hoger is dan de norm van 0,4 microtesla. Planspecifiek Binnen een straal van 80 meter rondom het plangebied zijn geen hoogspanningslijnen aanwezig. De straling van bovengrondse hoogspanningslijnen vormt geen belemmering van voorliggend initiatief. Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect straling. 5.7.8 Weg-, spoor- en industrielawaai De Wet geluidhinder (Wgh) biedt bescherming tegen (spoor)weglawaai en tegen industrielawaai van inrichtingen voor zover gelegen op een gezoneerd industrieterrein. In de Wgh wordt een beperkt aantal typen objecten beschermd, de zogenoemde geluidgevoelige objecten. De Wet geluidhinder kent een stelsel van normen ter voorkoming van geluidhinder. Ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen zijn grenswaarden opgenomen. Hierbij is een ondergrens (voorkeursgrenswaarde) en een bovengrens (maximaal toelaatbare grenswaarde) opgenomen. De Wgh biedt gemeenten de mogelijkheid om gericht in te spelen op de lokale situatie door maatwerk te leveren. Burgemeester en wethouders kunnen een hogere waarde vaststellen dan de ondergrens, maar mogen daarbij de bovengrens niet overschrijden.

In 2010 heeft de gemeenteraad van Oss de geluidsnota “Geluidskwaliteit in de leefomgeving” vastgesteld. De gemeente Oss maakt hierbij gebruik van gebiedsgericht geluidbeleid. Per gebied wordt een geluidskwaliteit nagestreefd. Zo zijn er ‘rustige gebieden’, ‘dynamische gebieden’ en er zijn gebieden die ten aanzien van geluid onder druk staan. De geluidsnota gaat ook in op de realistische inzet van onderzoek, het stellen van eigen criteria voor het toestaan van een hogere waarde en bedrijfswoningen op industrieterreinen. De gemeente Oss streeft naar een leefbare woonsituatie, ook op locaties met een hoge geluidsbelasting. Deze leefbaarheid wordt bereikt door terughoudend te zijn met hogere grenswaarden en door hieraan voorwaarden te verbinden. Deze voorwaarden leggen de initiatiefnemer of de beheerder een inspanning op voor een leefbare woonomgeving als compensatie voor het bouwen en het veroorzaken van een lawaaiige situatie. Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. Ook in Oss is er een aantal gezoneerde industrieterreinen. Met zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel bedrijven als aan bewoners/gebruikers van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen.

Bedrijven kunnen aan de ene kant hun geluid producerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen te veel oprukken naar de bedrijven toe. Planspecifiek Het bestaande recreatiebedrijf is niet aan te merken als een geluidgevoelig object zoals bedoeld in de Wet geluidhinder (Wgh). Voorliggend initiatief maakt ook geen nieuwe geluidgevoelige objecten mogelijk. Geluidhinder afkomstig vanuit (spoor)weglawaai en industrielawaai kan daarmee op voorhand worden uitgesloten. Vanuit omgekeerde werking is in paragraaf 5.7.1 ‘milieuzonering’ van voorliggend document aangetoond dat de nieuwe recreatieve activiteiten en het zaalverhuur geen milieuhinder, waaronder geluidhinder, op milieugevoelige objecten in de omgeving van het plangebied tot gevolg heeft. Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect geluid.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=f07d5b95-cd1a-4412-bd79-591e9704eeb5