CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4A Toelichting BP Hoessenboslaan 45 Berghem.PDF

Adviescommissie Ruimte 23 juni 2022, gemeente OssBij agendapunt: Ingetrokken collegebesluit 21 juni Vaststelling bestemmingsplannen ‘Dorpenweg 39 Deursen-Dennenburg - 2022’ ‘Hoessenboslaan 45 Berghem – 2022’ ‘Aalstvoortsestraat 2c Herpen 2022' Rondestraat 16 Deursen-Denneburg 2022'23.938 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

In het overige gebied is het doel de regelmatige slagenverkaveling loodrecht op de dekzandrug -met zeer smalle percelen- te behouden en verbeteren. Deze structuren kunnen benadrukt worden door herstel en

Hoessenboslaan 45, Berghem – 2022, pag. 26 van 67 18 mei 2022

-

uitbreiding van kavelrandbeplanting in de vorm van houtwallen en singels. Nieuwe aanplant en herstel van houtwallen draagt bij aan de verhoging van de natuurwaarden in dit gebied. Er bestaan goede mogelijkheden voor de ontwikkeling van natte hooilanden met bloemrijke kruidenvegetaties en amfibieënpoelen. Vanuit ecologisch oogpunt is het leggen van een relatie tussen zand- en kleigebied wenselijk, zoals met de smalle ‘landschapszone’ van Herperduin naar de Hertogswetering is gebeurd. Nieuwe functies kunnen bijdragen aan de gewenste landschappelijke verbeteringen. De slagenverkaveling met kavelrandbeplanting kan hierbij prima dienen als casco.

Aandachtspunten voor de uitvoering Herstel kavelrandbeplanting als voorwaarde bij ontwikkelingen in bestemmingsplan opnemen. Onderzoeken hoe uitbreiding van kavelrandbeplanting kan worden bewerkstelligd op gronden van particulieren. Nieuwe ontwikkelingen en/of functies landschappelijk inpassen en laten bijdragen aan de gewenste landschappelijke verbeteringen. Onregelmatige blokverkaveling nabij kernen versterken. In het overige gebied regelmatige slagenverkaveling loodrecht op de dekzandrug versterken. Erfbeplanting De vaak langgerekte verkaveling die hier door de nattere omstandigheden tot stand is gekomen vraagt om een zorgvuldige plaatsing van toekomstige bebouwing en de situering van beplanting. Beplanting moet geplaatst worden in de lengterichting, met de richting van de verkaveling mee. Te gebruiken bomen in houtwallen en –singels zijn els, es, esdoorn en eik. Nabij het bos op de dekzandrug wordt veel eik toegepast. De toepassing van elzensingels is op de nattere gronden voor de hand liggend. De te gebruiken beplantingssoorten zijn: els, es, (veld)esdoorn, haagbeuk, beuk, eik, (tril)populier, wilg, boskriek, hulst, liguster, sleedoorn, hondsroos, gelderse roos. Gepaard met de ontwikkeling gaat een bij bovenstaande uitgangspunten passende landschappelijke inpassing. In paragraaf 3.1.2 Landschappelijke inpassing is dit beschreven. 5.1.2

Kwaliteitsverbetering van het landschap

Regeling ‘kwaliteitsverbetering van het landschap’ De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant eist, bij een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in het landelijk gebied, een fysieke kwaliteitsverbetering van de landschappelijke kwaliteit. Dit staat in artikel 3.9 van de Interim omgevingsverordening. In januari 2013 is het afsprakenkader over de toepassing en uitwerking van deze regeling vastgesteld. Dit regionale afsprakenkader is oorspronkelijk bedoeld als uitwerking van regeling ‘Kwaliteitsverbetering van het landschap’ uit de Verordening ruimte. Het afsprakenkader geldt nog steeds. Toepassingsbereik De notitie toepassingsbereik vormt het basisdocument voor het afsprakenkader van de provincie met de gemeenten in de regio Noordoost. Deze notitie bevat de categorie-indeling voor de niet-planmatige ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied en de bijbehorende tegenprestatie. Deze notitie geeft de minimale inspanning aan die de gemeente Oss regionaal heeft afgesproken. Gemeenten hebben alle vrijheid om meer kwaliteitsverbetering te verlangen als ze dat nodig vinden op basis van beleids- of gebiedsambities. Het afsprakenkader is nadrukkelijk geen ruimtelijk afwegingskader. Gemeenten moeten zelf beoordelen of een ontwikkeling ruimtelijk gewenst is.

Vervolgens kan aan de hand van het afsprakenkader beoordeeld worden waar de kwaliteitsverbetering minimaal aan moet voldoen.

Hoessenboslaan 45, Berghem – 2022, pag. 27 van 67 18 mei 2022

Afspraken toepassingsbereik 1. de notitie Toepassingsbereik en met name de verdeling van ruimtelijke ontwikkelingen over de verschillende categorieën is de basis voor het afsprakenkader over toepassingsbereik. 2. bij planmatige (stedelijke) ontwikkelingen is kwaliteitsverbetering altijd van toepassing; 3. bij niet-planmatige ontwikkelingen: tegenprestatie gerelateerd aan impact: • cat. 1 geen impact: geen tegenprestatie • cat. 2 beperkte impact: landschappelijke inpassing • cat. 3 grote impact: berekende kwaliteitsverbetering van het landschap Afspraken kwaliteitsverbetering 1. Bij planmatige (stedelijke) ontwikkelingen: storting in een landschapsfonds of bijdrage in natura in landschapsversterkend project. 2. Bij niet-planmatige ontwikkelingen zijn gemeenten zelf verantwoordelijk voor de toepassing: in natura (op of nabij de projectlocatie), financiële bijdrage in landschapsfonds of een combinatie van beide. 3. Bij kwaliteitsverbetering in natura (op of nabij de projectlocatie) bevat het ruimtelijk plan de verantwoording van de kwaliteitsverbetering. 4. De regio kiest niet voor een (sub)regionaal landschapsfonds. Indien gemeenten een grensoverschrijdend landschapsproject willen realiseren, weten zij elkaar te vinden.

In onderhavige situatie is sprake van een ontwikkeling welke op basis van de afspraken tussen de gemeente en provincie Noord-Brabant als categorie 3 getypeerd wordt (uitbreiding bestemmingsvlak ‘Wonen’ boven 1500 m2). Dit betekent een berekende kwaliteitsverbetering van het landschap, waarbij 20% van de bestemmingswinst moet worden geïnvesteerd in kwaliteitsverbetering van het landschap. De waardevermeerdering van het plangebied is aan de hand van de gemeentelijke normbedragen berekend. Deze waardevermeerdering is € 64.275,87. Voor de kwaliteitsverbetering wordt conform de in het RRO gemaakt afspraken uitgegaan van 20% van dit bedrag, zijnde € 12.855,17. De compensatie bestaat uit landschappelijke inpassing ter plaatse. De waarde van de landschappelijke inpassing is conform STIKA berekend. Dit is incl. planvorming, aanleg en beheer (10 jaar) € 13.168,28. De berekeningen zijn onderdeel van het landschappelijk inpassingsplan (bijlage 5 bij deze toelichting). In paragraaf 3.1.2 van deze toelichting is inhoudelijk ingegaan op de landschappelijke inpassing. Uitvoering en instandhouding is publiekrechtelijk via dit bestemmingsplan vastgelegd en privaatrechtelijk via de tussen de initiatiefnemer en de gemeente gesloten anterieure overeenkomst.

Hoessenboslaan 45, Berghem – 2022, pag. 28 van 67 18 mei 2022

5.2

Natuur

5.2.1 Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming beschermt Nederlandse natuurgebieden en planten- en diersoorten. Het is belangrijk voor de natuur dat er veel verschillende planten- en diersoorten zijn. Wanneer het met de natuur goed gaat, is er ook meer ruimte voor economische en andere maatschappelijke activiteiten. Maar sommige soorten zijn kwetsbaar, zoals vleermuizen en mussen. Een goede natuurbescherming is dan ook belangrijk. Rolverdeling tussen provincies en Rijk Sinds 1 januari 2017 bepalen de provincies wat wel en niet mag in de natuur binnen de provincie. De provincies zorgen voor de vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor het beleid van grote wateren en internationaal beleid (zoals Natura2000). Ruimtelijke plannen en omgevingsvergunningen die invloed hebben op beschermde natuur moeten passen binnen de Wet natuurbescherming. Daarnaast gelden ook provinciale regelingen voor natuurbescherming. 5.2.2 Groen en natuur/biodiversiteit Natuur- en landschapsvisie 2005 De visie vormt een toetsings- en ontwikkelingskader voor het natuur- en landschapsbeleid in Oss. Zij geeft richting aan ontwikkelingen en nodigt initiatiefnemers uit om een bijdrage te leveren aan projecten. De visie heeft als bouwsteen bijgedragen aan de Structuurvisie Oss 2020.

De ambities die in de visie zijn opgenomen zijn: Het realiseren van een tweetal natuur- en landschapsparken, te weten: 'Maashorst-Herperduin' en het Maaspark'. Het realiseren van stevige verbindingen tussen de natuur- en landschapsparken. Behoud en herstel van natuur- en landschapswaarden in het 'Land van Grutto en Pastinaak' en het 'Land van Dassen en Struweel'. Het realiseren van een groenblauw lint door de polder rond de Hertogswetering. Het ontwikkelen van aantrekkelijke groengebieden in en rond Oss en de dorpen, te weten de 'Groenblauwe Slinger door Oss', de 'Groene geledingszone ten zuiden van Oss', de 'Groene dorpen' en de 'Maasband'. Routekaart Groen, Blauw en Natuur In deze nota is aangegeven dat we de natuur en de biodiversiteit willen verbeteren door in te zetten op een gemeentelijk natuurnetwerk, aanvullend op het provinciaal netwerk. Het landschap en de ontstaansgeschiedenis van de gemeente Oss vormen daarbij de basis. Daarbij onderscheiden we de vijf gebieden die ook in de Natuur- en Landschapsvisie worden genoemd. Natuurinclusief bouwen De gemeente streeft ernaar om bij (ver)bouwen zoveel als mogelijk rekening te houden met de natuur en de biodiversiteit ofwel ‘natuurinclusief’ te bouwen. Aan initiatiefnemers wordt gevraagd om dit ook te doen.

Bijzonder waardevolle bomen In 1998 is de beleidsnota “Bijzonder waardevolle bomen” opgesteld, waarin bomen zijn opgenomen die vanwege specifieke waarden bescherming verdienen. De lijst met waardevolle bomen wordt periodiek geactualiseerd. De laatste actualisatie is opgenomen in de nota “Bijzondere bomen in Oss 2018”. In deze nota is vastgelegd dat de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de aangewezen waardevolle

Hoessenboslaan 45, Berghem – 2022, pag. 29 van 67 18 mei 2022

bomen altijd geweigerd moet worden tenzij het kappen van deze bomen vanuit het algemene belang noodzakelijk is. Dit is verder vertaald in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Op grond van de APV is voor het kappen van bomen die op de Beschermde bomenlijst staan een vergunning vereist. De vergunning kan op grond van verschillende criteria door het college van burgemeester en wethouders worden geweigerd. Onderhavig plan is niet gelegen in een al dan niet te ontwikkelen natuurnetwerk. In het plangebied is geen sprake van bomen die als waardevol zijn aangemerkt. Privé groen in de vorm van landschappelijke inpassing is onderdeel van het plan. Openbaar groen is geen onderdeel van de inrichting van het plangebied. De nieuwe bebouwing wordt op natuurinclusieve wijze gebouwd (verticaal groen). 5.2.3 Natuurtoets Bij de bescherming van natuurwaarden gaat het enerzijds om soortenbescherming en anderzijds om gebiedsbescherming. Deze bescherming moet ertoe leiden dat het voortbestaan van de soort niet in gevaar komt. De gebiedsbescherming is gericht op de bescherming van kwetsbare natuurgebieden Programma Aanpak Stikstof (PAS) Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan in enkele beroepszaken tegen Natura 2000-vergunningen die zijn gebaseerd op het Programma Aanpak Stikstof (PAS) 2015-2021 (Kamerstuk 32 670, nr. 146).

Het is een stevige uitspraak die per direct forse consequenties heeft voor individuele ondernemers, maar ook voor ambities van gemeenten, provincies en Rijksoverheid op het terrein van onder meer waterveiligheid, infrastructuur, woningbouw en klimaat. De uitspraak komt er op neer dat de PAS ‘gesneuveld’ is als aanpak en systeem voor vergunningverlening van stikstofvergunningen op basis van de Wet natuurbescherming. Hoewel er geen directe relatie lag en ligt tussen een bestemmingsplan en de PAS, is het sneuvelen van de PAS ook voor RO en bestemmingsplannen van belang, met name ook door de aandacht voor stikstof. Tot nu toe werd als ondergrens waaronder je geen Natuurvergunning nodig had (0,05 Mol/ha) ook in de RO vaak gebruikt om aan te tonen dat stikstof geen probleem was voor de voorgenomen planontwikkeling. Soorten Door Nipa Milieutechniek is een quickscan flora en fauna uitgevoerd (zie bijlage 4). De conclusie van de quickscan is als volgt. “Op basis van de quickscan die is uitgevoerd ter plaatse van een perceel aan de Hoessenboslaan (nabij 45) te Berghem kan worden uitgesloten dat de voorgenomen herontwikkeling van de onderzoekslocatie een negatieve invloed heeft op beschermde soorten vanuit de Wet natuurbescherming. Op basis van de quickscan is een aanvullend of nader onderzoek naar de aanwezige flora en fauna, ons inziens, niet noodzakelijk.

Voor de geplande activiteiten is geen ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet natuurbeheer noodzakelijk en zijn geen compenserende maatregelen nodig. Momenteel is niet uit te sluiten dat vogels nestelen in de bestaande beukenhaag en kastanjeboom. Werkzaamheden aan de hagen en bomen (indien toch noodzakelijk) dienen buiten broedseizoen plaats te vinden. Op de bouwplaats zou de rugstreeppad zich kunnen vestigen. In de periode oktober tot maart houdt de rugstreeppad zijn winterslaap. Indien de werkzaamheden buiten de rustperiode plaatsvinden, kan het plaatsen van een scherm, het tegengaan van plasvorming en het opgeruimd houden van de bouwplaats voorkomen worden dat de rugstreeppad zich op het perceel vestigt.” Gebieden Onderhavige locatie is niet gelegen in een Natura 2000-gebied. Binnen 10 kilometer van het plangebied zijn geen Natura 2000-gebied en gelegen. Gelet op de beperkte impact van het initiatief en de afstand tot

Hoessenboslaan 45, Berghem – 2022, pag. 30 van 67 18 mei 2022

Natura 2000-gebieden is het niet aannemelijk dat er sprake is van gevolgen voor Natura 2000-gebieden. Er vallen om die redenen geen substantiële gevolgen te verwachten van het project op al dan niet nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Om dit aan te tonen is een AERIUS-berekening uitgevoerd, welke is bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 7). Uit de AERIUS-berekening blijkt dat het initiatief geen depositie van stikstof op nabijgelegen Natura 2000-gebieden (0,00 mol/ha/jr) tot gevolg heeft.

Hoessenboslaan 45, Berghem – 2022, pag. 31 van 67 18 mei 2022

5.3

Archeologie en Cultuurhistorie

5.3.1 Erfgoedwet en overgangsregeling omgevingswet De Erfgoedwet beschermt het cultureel erfgoed in Nederland. In deze wet staan regels om belangrijk cultureel erfgoed beter te beschermen en behouden. In de Erfgoedwet staat wat cultureel erfgoed is, hoe de overheid omgaat met roerend cultureel erfgoed (zoals schilderijen), wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe de overheid daar toezicht op houdt. Het beschermingsregime voor de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (lees archeologische resten) net als de bescherming van gebouwde rijksmonumenten wordt opgenomen in de Omgevingswet. Vooruitlopend op de ingang van de Omgevingswet is het deel van de Monumentenwet 1988 dat gaat over de fysieke leefomgeving geregeld in het overgangsrecht van de Erfgoedwet. Het gaat om: • vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten. • verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. • bescherming van stads- en dorpsgezichten. Het erfgoed in de ruimtelijke ordening wordt nu nog voor een belangrijk deel geregeld via de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Ruimtelijke plannen die toepassing hebben op cultureel erfgoed moeten passen binnen wettelijke kaders van de Erfgoedwet en ook de regelingen die in andere wetten en regelgeving is opgenomen, zoals de Wabo en het Bro.

5.3.2 Archeologiebeleid Het provinciale archeologisch beleid is neergelegd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant van 25 oktober 2019 en op de provinciale Cultuurhistorische waardenkaart 2010, herzien 2016. Hierin is de bescherming van aardkundig waardevolle gebieden en archeologische landschappen geregeld. Het gemeentelijk archeologisch beleid is veel gedetailleerder dan het algemene provinciale beleid op dit punt en prevaleert daarom ook boven het provinciale archeologisch beleid. Op 14 oktober 2010 heeft de gemeente Oss haar ‘archeologiebeleid’ vastgesteld. In 2015 heeft de gemeenteraad het archeologiebeleid opnieuw vastgesteld. Dit was nodig vanwege de gemeentelijke herindeling met Maasdonk. Onderdeel van de vaststelling in 2015 is het rapport 'Actualisatie archeologiebeleid gemeente Oss, een herziene archeologische beleidskaart voor het nieuwe grondgebied van de gemeente Oss' (Goddijn, 2012). Aan de hand van onderzoeken, inzichten en boringen in het veld zijn de eerdere archeologische kaarten gedeeltelijk bijgesteld. Op de beleidskaart is sprake van meerdere beleidscategorieën (zie onderstaande tabel). In het beleid is per beleidscategorie vastgelegd wanneer sprake is van een onderzoeksplicht en wanneer ontwikkelingen hiervan zijn vrijgesteld. Verwachting/waarde Archeologisch beschermd rijksmonument

Vrijstellingsgrenzen 0 m2 / 30 cm -Mv

Archeologisch (AMK-) monument Beschermde stadsgezichten

35 m2 / 30 cm -Mv

Historische stads-/dorpskern

50 m2 / 30 cm -Mv

Hoge verwachtingswaarde

100 m 2 / 30 cm -Mv

Hoessenboslaan 45, Berghem – 2022, pag. 32 van 67 18 mei 2022

Hoge verwachtingswaarde – bedrijventerrein

1000 m2 / 30 cm -Mv

Middelhoge verwachtingswaarde Lage verwachtingswaarde

5 hectare / 30 cm -Mv

Reeds onderzocht

Afhankelijk van de resultaten van het reeds uitgevoerde onderzoek.

Verstoord

Geen onderzoeksplicht

5.3.3 Archeologietoets Volgens de archeologische beleidskaart heeft het plangebied een hoge archeologische verwachtingswaarde. Vanuit het archeologiebeleid geldt een archeologische onderzoeksplicht als de bodemingrepen dieper zijn dan 30 cm beneden het huidige maaiveld én de omvang van het gebied groter is dan 100 m². Toetsing van de plannen De archeologische verwachtingswaarde ter plaatse van het initiatief is hoog, zie onderstaande uitsnede uit het archeologiebeleid gemeente Oss.

Dit betekent dat alleen zonder archeologisch onderzoek grondwerkzaamheden zijn toegestaan die strekken tot een oppervlakte van 100 m2 en dieper dan 0,3 m ten opzichte van het maaiveld. Gezien de korte doorlooptijd van deze bestemmingsplanprocedure, zijn de plannen zoals omschreven in deze toelichting nog niet getoetst op een archeologische onderzoeksverplichting. Deze toetsing zal bij de vergunningsprocedure plaatsvinden. Op dat moment kan blijken dat er nog een archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd of dat de vergunning kan worden verleend zonder nader archeologisch onderzoek. Ook zal op dat moment worden bepaald of aan de vergunning archeologische voorwaarden worden gekoppeld. Bestemmingsplanregels De gemeente Oss vertaalt de wet en het archeologisch beleid ook door in standaard bestemmingsplanregels. Zo heeft de gemeente bestemmingsplanregels (dubbelbestemmingen: dat wil zeggen dat deze naast de hoofdbestemming gelden) voor bescherming van historische kernen, beschermde monumenten, monumenten en voor gebieden met een middelhoge of hoge archeologische verwachtingswaarde. Met deze regels kan, ter bescherming van archeologische waarden, worden bepaald wanneer er een omgevingsvergunning voor bepaalde werkzaamheden nodig is, wanneer dat niet

Hoessenboslaan 45, Berghem – 2022, pag. 33 van 67 18 mei 2022

het geval is en onder welke omstandigheden en met welke nadere eisen en voorwaarden een omgevingsvergunning kan worden verleend.

Om eventuele archeologische waarden in de bodem te beschermen blijft de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie verwachtingswaarde hoog’ van toepassing. Voor het hele gebied blijft gelden dat bij bodemverstoringen groter dan 100 m² en dieper dan 30 cm beneden huidig maaiveld archeologisch onderzoek nodig is. 5.3.4 Cultuurhistorie Wettelijk kader Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Dat wordt veranderd in: met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. De regering wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. Doordat plannen nu nog pas na afloop van het planproces worden getoetst aan de regelgeving van de monumentenzorg, wordt monumentenzorg dikwijls ervaren als hindernis. Dit is door de regering erkend en daarbij is de ambitie uitgesproken om de positie van cultuurhistorie aan het begin van het ruimtelijk ordeningsproces juridisch te versterken.

Door de verankering van cultuurhistorische waarden in de bestemmingsplannen vermindert tegelijkertijd de noodzaak tot het aanwijzen van nieuwe beschermde monumenten, omdat het belang van de cultuurhistorie wordt geborgd via het proces van de ruimtelijke ordening. In de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in verband met modernisering van de monumentenzorg is daarom al de mogelijkheid voor burgers en belangengroepen om een aanvraag in te dienen om een monument aan te wijzen als beschermd monument, geschrapt. Dit instrument werd door belangengroepen nogal eens ingezet om afgifte van bouwvergunningen te frustreren of te vertragen. Met de wijziging van het Bro wordt tevens de adviesrol van Gedeputeerde Staten beperkt. Tot nu toe moet bij alle ingrepen aan een beschermd monument buiten de bebouwde kom advies aan Gedeputeerde Staten worden gevraagd. Met de wijziging van het besluit hoeft dat alleen nog, als het gaat om monumenten die door de minister op grond van de Monumentenwet 1988 zijn aangewezen. Daarnaast voorziet het besluit in een aantal versoepelingen van vergunningvrij wijzigen of bouwen in, aan of bij beschermde monumenten.

Samengevat komen die versoepelingen erop neer, dat voor gewoon onderhoud of voor inpandige veranderingen aan beschermde monumenten geen monumentenvergunning meer nodig is, als de betreffende onderdelen geen monumentale waarde hebben. Bij twijfelgevallen zal men het bevoegd gezag moeten raadplegen. De bedoeling van het wijzigingsbesluit is om enerzijds cultuurhistorische waarden een duidelijke plaats te geven aan het begin van het planproces en anderzijds onnodige regeldruk, vooral wanneer het gaat om ondergeschikte wijzigingen aan een monument, weg te nemen. Cultuurhistorie: gemeentelijk en provinciaal beleid Het beleid van de gemeente Oss voor wat betreft cultuurhistorie is onder meer neergelegd in het Erfgoedplan Oss 2006 “Op gemengde bodem”. Hierin zijn onder andere opgenomen: historisch bebouwde gebieden, oude verkavelingspatronen, de invloed van de Maas en Rijksmonumenten. Deze nota heeft (nog) geen betrekking op het grondgebied van de voormalige gemeente Lith. Daarnaast heeft de gemeente Oss een Monumentenlijst 2019. Hierin zijn de Rijks- en gemeentelijke monumenten opgenomen. Het provinciale cultuurhistorische beleid is verankerd in de Interim

Hoessenboslaan 45, Berghem – 2022, pag. 34 van 67 18 mei 2022

omgevingsverordening Noord-Brabant en op de Cultuurhistorische waardenkaart 2010. Hierin zijn onder andere opgenomen: cultuurhistorische vlakken en complexen van cultuurhistorisch belang. Cultuurhistorie: bestemmingsplanregels en regels in de provinciale Interim omgevingsverordening NoordBrabant Met de onder het kopje ‘archeologie’ genoemde bestemmingsplanregels, is het ook mogelijk om cultuurhistorische waarden in bestemmingsplannen te beschermen. Een en ander voor zo ver het terreinen betreft (inbouwen sloopvergunningstelsel voor bebouwing). Kortheidshalve wordt naar het kopje ‘archeologie: bestemmingsplanregels’ verwezen. De provincie Noord-Brabant heeft in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant bindende regels opgenomen ter bescherming van cultuurhistorische waarden. Volgens de provinciale cultuurhistorische waardenkaart (zie onderstaande uitsnede) ligt onderhavige locatie in de regio Peelrand, verder zijn ter plaatse van het plangebied geen cultuurhistorisch waardevolle zaken aangemerkt. In de nabijheid van het plangebied is wel de Jonge Heideontginning Herperduin met Groot Ganzenven gelegen, met daarin geriefbos, hakhout, Herpen en is sprake van een IKAW aangewezen gebied (middelhoge trefkans op archeologische resten).

In het plangebied is geen sprake van cultuurhistorisch waardevolle of monumentale bebouwing dan wel te beschermen groen. Uit bovenstaande kan geconcludeerd worden dat met onderhavige ontwikkeling geen cultuurhistorisch waardevolle of monumentale waarden aantast worden. 5.4

Mobiliteit en parkeren

5.4.1 Verkeer De Mobiliteitsvisie Oss uit 2009 heeft als doel het in balans brengen van bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid. De mobiliteitsvisie is uitgewerkt in het Mobiliteitsplan 2020 Oss. Het deelplan Wegen werkt het

Hoessenboslaan 45, Berghem – 2022, pag. 35 van 67 18 mei 2022

gewenste netwerk voor het autoverkeer uit. Per weg is de gewenste functie vastgelegd. Van belang is de vraag of een initiatief leidt tot extra verkeersbewegingen en of de toename van verkeersbewegingen passen binnen de normen die voor ontsluitingswegen gelden. Verkeer: extra verkeersbewegingen Momenteel is sprake van een woning, in de toekomstige situatie blijft dit hetzelfde. Conform CROW gaat het voor de woning om 7,8 motorvoertuigen per etmaal. In de huidige situatie is ook al sprake van bedrijfsmatige verkeersbewegingen. Dit in verband met het kantoor aan huis behorende bij het hoveniersbedrijf (dat op de locatie al gevestigd is). Het gaat in de huidige situatie om maximaal 40 verkeersbewegingen per dag. Het aantal verkeersbewegingen per dag is in de nieuwe situatie voor de bedrijvigheid maximaal 60. Dit betekent in de nieuwe situatie een toename van maximaal 20 verkeersbewegingen per dag. Uit bovenstaande blijkt dat het initiatief leidt tot extra verkeersbewegingen, maar dat geen sprake is van een buitensporig dan wel zorgwekkend totaal aantal verkeersbewegingen. Verkeer: ontsluitingswegen Reeds is sprake van twee inritten. Één voor de woning en één voor de bedrijvigheid. Voor het planvoornemen hoeven dan ook geen nieuwe in-/uitwegen aangelegd te worden. De reeds aanwezige infrastructuur (erftoegangsweg type II) kan het nieuwe aantal verkeersbewegingen prima afwikkelen.

Het wegprofiel en de ontsluiting zijn afdoende. De toename van het aantal verkeersbewegingen is beperkt. De omliggende wegen kunnen deze toename goed verwerken. Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor het initiatief. 5.4.2 Parkeren De gemeente Oss heeft een gemeentelijk parkeerbeleidsplan vastgesteld. De nota ‘Parkeernormen 2017’ geeft aan welke parkeernormen voor welke gebieden gelden. In de nota ‘Parkeernormen 2017’ heeft de gemeente Oss voor een woning zoals onderhavige (koop vrijstaand buitengebied) een norm van 2,4 parkeerplaatsen per woning opgenomen. De parkeernormen die in de nota ‘Parkeernormen 2017’ van de gemeente Oss zijn opgenomen voor arbeids- en bezoekersextensieve bedrijven is 1,1 parkeerplaats per 100 m2 bvo. In onderhavige situatie is sprake van 450 m2 bvo. Dit leidt tot 4,95 = afgerond 5 parkeerplaatsen voor het bedrijf. Op basis van de door de gemeente Oss vastgestelde parkeernormen moet op onderhavige locatie voorzien zijn in 2,4 + 5 = 8 parkeerplaatsen voor motorvoertuigen. Op het eigen terrein zijn in de toekomstige situatie 8 parkeerplaatsen voor motorvoertuigen (personenauto/ bestelbus/ vrachtwagen) aanwezig. Het aspect parkeren vormt geen belemmering voor het initiatief.

Hoessenboslaan 45, Berghem – 2022, pag. 36 van 67 18 mei 2022

5.5

Water

5.5.1 Wetgeving en beleid De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de Waterwet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets verplicht voor ruimtelijke plannen waarin waterbelangen spelen. De watertoets bewaakt de waterkwaliteit en waterkwantiteit. Een watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten zijn onder meer veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verzilting en verdroging. De watertoets heeft betrekking op alle wateren: rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. De gemeente Oss heeft in 2013 een integraal plan Watertaken vastgesteld. Het plan bestaat uit twee delen. Het “verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan” (vGRP) regelt de zorg voor inzameling en transport van afvalwater. Ook regelt het vGPR een doelmatige verwerking van afvloeiend hemelwater en overtollig grondwater. Daarnaast biedt het plan Watertaken een kader voor de andere watertaken van de gemeente. De gemeente is verantwoordelijk voor de openbare ruimte. Het gaat vooral om de zorg voor oppervlaktewater in bebouwd gebied. De gemeente is ook verantwoordelijk voor een goede ruimtelijke ordening. Het gaat om voldoende ruimte voor water in ruimtelijke plannen.

De watertoets is opgenomen in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). Beleid van gemeente, provincie en rijk is van toepassing bij een watertoets. Toetsing van uw waterparagraaf gebeurt op kwaliteit en kwantiteit. De verwerking van hemelwater, afvalwater en planologische ‘waterbestemmingen’ komen aan bod. Waterschap Aa en Maas is verantwoordelijk voor het waterbeheer in haar beheersgebied. Het gaat om het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer, de waterkeringszorg, waterzuivering, grondwaterbeheer en waterbodembeheer. De regels zijn vastgelegd in de Keur (met Algemene- en Beleidsregels) in de vorm van een aantal gebods- en verbodsbepalingen. Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven.

Sinds 1 maart 2015 hanteert waterschap Aa en Maas onderstaande (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn opgenomen in ‘Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Voor een toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m2 en 10.000 m2 kan de vereiste compensatie berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm. De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn: Gescheiden houden van vuil (afval)water en schoon hemelwater; Voorkomen van vervuiling van water; Schoon hemelwater kan volgens de voorkeursvolgorde worden verwerkt: 1. Hergebruik 2. Infiltratie/bergen 3. Afvoer

Hoessenboslaan 45, Berghem – 2022, pag. 37 van 67 18 mei 2022

Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO), zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang, zowel in als buiten het plangebied. Ook mogen geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruik functies. Dit betekent dat: 1. De afvoer uit het gebied niet groter wordt dan in de referentiesituatie; 2. De grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt; 3. Grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties; 4. De (grond)waterstanden in het plangebied aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied; 5. Het plangebied zo wordt ingericht dat de hydrologische gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving niet leiden tot knelpunten in het plangebied. 5.5.2 Watertoets In verband met de compensatie-eis van het waterschap zoals vastgelegd in de Keur (60 mm per m2 > 500 m2 verharding) geldt dat voor onderhavige locatie het volgende. Er wordt 328 m2 extra verhard. Dit betekent dat geen compensatie-eis van het waterschap geldt. Conform het gemeentelijke waterbeleid geldt dat in het buitengebied al het hemelwater op eigen terrein moet worden verwerkt, het mag niet (ook niet bij hevige regenval) worden aangeboden bij het openbaar gebied.

Op eigen terrein is (bovenop de compensatie-eis die het waterschap stelt) voldoende ruimte aanwezig voor de verwerking van het hemelwater. Bodemopbouw Op de meest geschikte locatie voor waterberging is ter vaststelling van de bodemopbouw handmatig een boring, nr. 09, doorgezet tot 50 cm onder het grondwaterniveau. In bijlage 2 is een boorstaat opgenomen. De bodem bestaat tot ca. 80 cm-mv voornamelijk uit zeer fijn, zwak siltig zand. Daaronder wordt het zand tot aan 1 m-mv licht roesthoudend. Tot 50 cm onder de grondwaterstand zijn geen afsluitende (leem)lagen of andere verstorende lagen aangetroffen. Het grondwaterniveau bevond zich tijdens het veldwerk op 1 m-mv. Gemiddeld hoogste grondwaterstand In het Dinoloket zijn gegevens gevonden van nabijgelegen grondwaterputten. Deze twee dichtstbijzijnde putten (tot 550 m afstand) komen uit een monitoringsnet van de provincie Noord-Brabant. Uit de afgelopen 8 jaar zijn de twee hoogste grondwaterstanden aangehouden en daarmee de ongunstigste waarnemingen. In de laatste 8 jaar is een waterstandfluctuatie gemeten van maximaal 1,3 m. Het betreft peilbuis B45E0820 waarin het verschil tussen de laagste (1 januari 2009; 7,20 m+NAP) en hoogste grondwaterstand (1 januari 2011; 8,50 m+NAP) 1,3 m bedraagt. Het maaiveldniveau op deze locatie ligt op 8,62 m+NAP.

Van peilbuis B45E0476 waarin het verschil tussen de laagste (1 januari 2009; 7,85 m+NAP) en hoogste grondwaterstand (1 januari 2012; 9,05 m+NAP) 1,2 m bedraagt. Het maaiveldniveau op deze locatie ligt op 9,36 m+NAP. Op basis van deze gegevens gaan wij ervan uit dat de hoogste grondwaterstand op de onderzoekslocatie niet hoger zal liggen dan 0,22 m-mv ((8,62-8,50)+(9,36-9,05)/2). Hemelwatervoorziening Uit voorgaande gegevens welke de basis vormen voor de hemelwatervoorziening volgt dat de infiltratievoorzieningen niet (diep) in de bodem kunnen worden aangelegd. De initiatiefnemer kiest voor een vloeiveld. Op eigen terrein is hiervoor voldoende ruimte aanwezig. Watertoets Op www.dewatertoets.nl is de digitale watertoets ingevuld. Hiervan zijn drie mogelijke uitkomsten/ procedures: • Geen waterbelang: Er is een functiewijziging zonder relevante wateraspecten

Hoessenboslaan 45, Berghem – 2022, pag. 38 van 67 18 mei 2022

• •

Verkorte procedure: U heeft een klein plan met weinig relevante wateraspecten Normale procedure: U heeft een groot plan met meerdere relevante wateraspecten.

Na het op basis van bovenstaande uitgangspunten invullen van de digitale watertoets werd direct aangegeven dat voor het ruimtelijk plan de standaard waterparagraaf van toepassing is. In het kader van het wettelijk vooroverleg zal het plan verder voorgelegd worden aan het waterschap. Bijgevoegd bij deze toelichting treft u het toetsresultaat en de samenvatting van www.dewatertoets.nl aan (bijlage 1). Afvalwater Aangaande de afvoer van afvalwater verandert de situatie niet. De bestaande woning in het plangebied is reeds aangesloten op het gemeentelijk riool. Daar het hier gaat om een aan huis verbonden bedrijf lopen de afvoeren via de huisaansluiting.

Hoessenboslaan 45, Berghem – 2022, pag. 39 van 67 18 mei 2022

5.6

Defensie

Uit oogpunt van defensie kunnen er beperkingen gesteld worden aan ruimtelijke ontwikkelingen in een gebied. Belangrijke aandachtspunten met betrekking tot het defensiebelang zijn: - Radarverstoringsgebieden; - Obstakelbeheergebieden; - Laagvliegroutes voor jachtvliegtuigen; - Geluidszones voor militaire luchtvaartterreinen. Het gehele plangebied is gelegen binnen het radarverstoringsgebied van een radar van de vliegbasis Volkel. Binnen dit gebied is het in beginsel niet toegestaan om hogere bebouwing op te richten dan 114 meter boven NAP. Indien er initiatieven zijn voor het oprichten van hogere bouwwerken of gebouwen, dan kan dit toegestaan worden als blijkt dat de radar niet onevenredig wordt verstoord. Dit kan door TNO worden berekend. Dit bestemmingsplan voorziet echter nergens in bouwmogelijkheden tot een dergelijke hoogte. Daarmee is het belang van het radarverstoringsgebied binnen dit bestemmingsplan voldoende gewaarborgd. Bij een eventueel toekomstig initiatief voor een bouwwerk met een hoogte tot 114 meter boven NAP of hoger dient het defensiebelang nadrukkelijk betrokken te worden bij de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling. Voor het overige geldt dat het plangebied niet gelegen is binnen een obstakelbeheergebied, een laagvliegroute voor jachtvliegtuigen of een geluidszone voor militaire luchtvaartterreinen.

Aan deze aspecten hoeft dan ook geen verdere aandacht besteed te worden.

Hoessenboslaan 45, Berghem – 2022, pag. 40 van 67 18 mei 2022

5.7

Milieuaspecten

In deze paragraaf wordt ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten die verband houden met, of betrekking hebben op de ruimtelijke ontwikkeling. Het gaat daarbij meestal om de wisselwerking met de omgeving. Welke gevolgen heeft het initiatief voor de omgeving en omwonenden? Maar ook, welke gevolgen hebben activiteiten in de omgeving voor de mogelijkheden op de projectlocatie? Achtereenvolgens komen de volgende aspecten aan bod: - Bedrijven en milieuzonering - Bodem - Externe veiligheid - Geurhinder: agrarisch - Geur: industrieel - Luchtkwaliteit - Straling - Weg-, spoor-, en industrielawaai - Gezondheid - Spuitzones 5.7.1 Bedrijven en milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten van bedrijven en gevoelige functies, zoals woningen. Het doel van milieuzonering is om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast kan milieuzonering bedrijven voldoende zekerheid bieden om hun activiteiten duurzaam uitvoeren. De handreiking Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft richtafstanden om de milieuzonering van bedrijven te kunnen bepalen. In de buurt van onderhavig initiatief is bedrijvigheid gelegen.

Het gaat om: Hoessenboslaan 39A, waar een metaalbewerkingsbedrijf (SBI-code 2008 – 2562, 3311 (overige metaalbewerkende industrie), grootste richtafstand i.v.m. geluid van 100 m) is gevestigd, en; Hoessenboslaan 39 A t/m D waar een loonbedrijf (SBI-code 2008 – 016, dienstverlening t.b.v. landbouw (loonbedrijven b.o. > 500 m2), grootste afstand i.v.m. geluid van 50 m) en agrarische smederij (SBI-code 2008 – 2562, 3311 (overige metaalbewerkende industrie), grootste richtafstand i.v.m. geluid van 100 m) zijn gevestigd. De omgeving van het plangebied is te typeren als een gemengd gebied. Er is sprake van een kernrandzone gelegen in het buitengebied, maar grenzend aan een woonwijk. In het gebied bestaan naast elkaar diverse functies zoals wonen en bedrijvigheid. Het gaat om zowel agrarische als nietagrarische functies. In een gemengd gebied mogen de richtafstanden die op basis van de VNG-brochure gelden voor rustige woonwijken met één afstandstrap verlaagd worden. Dit betekent dat bij een bedrijf in milieucategorie 3.2 niet de grootste richtafstand van 100 meter, maar van 50 meter geldt. Gemeten van het bestemmingsvlak ter plaatse van Hoessenboslaan 39A t/m D tot aan het nieuw te projecteren bestemmingsvlak wordt voldaan aan de te hanteren richtafstand van 50 meter (feitelijke afstand is >70 meter). Ter plaatse van het plangebied wordt ook nieuwe bedrijvigheid opgericht.

Kijkend naar de handreiking Bedrijven en milieuzonering van de VNG, komt onderhavige bedrijvigheid het dichtst in de buurt bij ‘SBI2008’-code 016, plantsoenendiensten en hoveniersbedrijven: b.o. > 500 m2. In verband met geluid dient hier een richtafstand 50 m in acht genomen te worden. Daar dit voor onderhavig bedrijf wat veel lijkt is een onderzoek naar industrielawaai t.g.v. de specifieke activiteiten uitgevoerd. Hieruit blijkt dat voldaan wordt aan de maximaal toegelaten geluidsbelasting t.o.v. nabij gelegen gevoelige functies en dat dus geen 50 m tot aan nabij gelegen gevoelige functies in acht genomen hoeft te worden. In paragraaf 5.7.8

Hoessenboslaan 45, Berghem – 2022, pag. 41 van 67 18 mei 2022

van deze toelichting wordt hierop nader ingegaan. Verder geldt voor geur een afstand van 30 m en voor stof en gevaar 10 m (t.o.v. een rustige woonwijk). Daar sprake is van een gemengd gebied kunnen ook deze afstanden met een afstandstrap verlaagd worden tot 10 en 0 meter. De bedrijfsbebouwing, buitenruimte en -inrit voldoen aan deze afstanden tot aan de dichtstbij gelegen gevoelige bebouwing (woningen), welke op een afstand van 1 x 20 en 2 x 30 meter vanaf de nieuwe bedrijfsbebouwing gelegen zijn. Milieuzonering vormt geen belemmering voor het initiatief en het initiatief vormt geen belemmering voor nabij gelegen gevoelige functies. Sprake is van een goed woon- en leefklimaat. 5.7.2 Bodem Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht, moet in planvorming rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. In de Bouwverordening van de gemeente Oss is geregeld dat onder bepaalde omstandigheden het oprichten van gebouwen pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij iedere nieuwbouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld.

Daar onderhavig initiatief een bestemmingswijziging en nieuwbouwactiviteiten bevat is een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 uitgevoerd (zie bijlage 1 bij deze toelichting). Hieruit blijkt dat zowel de vaste bodem als het grondwater niet verontreinigd zijn met de onderzochte parameters. In het grondwater is een van nature voorkomend verhoogd gehalte aan barium gemeten. Omdat verhoogde gehaltes veelvuldig van nature in het grondwater voorkomen, wordt het verhoogde gehalte aan barium niet als een verontreiniging beschouwd. Op basis van deze resultaten kan de hypothese (onverdacht) worden aanvaard. De uitvoering van aanvullend of nader onderzoek is niet noodzakelijk. Tegen bebouwing van de onderzoekslocatie zijn, geen zwaarwegende milieuhygiënische bezwaren aan te voeren. 5.7.3 Externe veiligheid Rijkskader Externe veiligheid behandelt de risico's die ontstaan als gevolg van opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico’s kunnen hun weerslag hebben op de omgeving. Het wettelijke kader voor externe veiligheid bestaat onder meer uit: - het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) - het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) - het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Enerzijds gaat het over de risicobronnen (bedrijven of transportroutes).

Anderzijds gaat het over de risicoontvangers (omstanders die niets met de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen te maken hebben). Wat betreft de risico-ontvangers maakt de wetgeving onderscheid in kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbare objecten zijn gebouwen, waarin (of waarbij) groepen van circa 50 personen of groter, gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. Ook sommige gebouwen waarin/waarbij kleinere groepen verblijven, worden als kwetsbaar object gezien, wanneer die personen beperkt zelfredzaam zijn (zoals zieken, bejaarden of gehandicapten). Beperkt kwetsbare objecten zijn verspreid liggende woningen en bedrijven waarin/waarbij groepen van minder dan 50 personen gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. In de landelijke wetgeving wordt meer gedetailleerd beschreven wat er onder kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten wordt verstaan. Belangrijk is hierbij dat de opsomming in de wetgeving niet limitatief is, zodat er in de verdere uitwerking van het beleid nog enige vrijheid rest.

Hoessenboslaan 45, Berghem – 2022, pag. 42 van 67 18 mei 2022

Verder maakt de wetgever onderscheid tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Gemeentelijk kader Ook in de gemeente Oss zijn risicobronnen aanwezig in de vorm van transportassen en stationaire activiteiten. Dit vraagt om een gemeentelijke visie.

Op 19 mei 2011 heeft de gemeenteraad de Beleidsvisie Externe veiligheid vastgesteld. Deze beleidsvisie beschrijft op welke manier de gemeente Oss externe veiligheid in haar afwegingen betrekt. Het initiatief betreft (bedrijfsactiviteiten) een beperkt kwetsbaar object zoals geformuleerd in het Bevi, artikel 1 onder b. Onderhavig object is niet gelegen binnen een op onderstaande afbeelding aangegeven plaatsgebonden risicocontour (10-6/jaar). Zie de uitsnede hieronder van de kaart behorende bij de beleidsvisie externe veiligheid Oss en de daarop aangegeven blauwe cirkel (net buiten zwart gestippelde cirkel). Het object is wel gelegen binnen het invloedsgebied van risicobronnen: een buisleiding, het spoor en Rijksweg A50. Zie daarvoor ook onderstaande kaart.

Hieronder wordt op iedere risicobron ingegaan. Spoorwegen

Hoessenboslaan 45, Berghem – 2022, pag. 43 van 67 18 mei 2022

De spoorlijn Oss-Ravenstein ligt op circa 900 meter afstand van het plangebied. Deze spoorlijn heeft een invloedsgebied circa 3000 meter. Het plangebied ligt dus in het invloedsgebied. Over deze spoorlijn worden brandbare en toxische gassen als vloeistoffen vervoerd. Zie onderstaande afbeeldingen die dit illustreren.

Gezien de ligging van het plangebied (> 300 meter van het spoor, zone IV) wordt alleen rekening gehouden met de effecten van een toxische gaswolk. In dit gebied zijn geen functies uitgesloten, bescherming wordt geboden door ‘ramen en deuren te sluiten’. Voor de motivatie van ontwikkelingen in

Hoessenboslaan 45, Berghem – 2022, pag. 44 van 67 18 mei 2022

deze zone is door de gemeente Oss een standaard verantwoording geschreven. Die verantwoording geldt voor onderhavige ontwikkeling. De verantwoording luidt als volgt: Ontwikkeling groepsrisico Indien een ruimtelijk plan tot toename van de personendichtheid leidt, betekent dit dat: • vanwege de afstand tot de plaats van het mogelijke incident; • de aard van incident (blootstelling aan toxisch gas); het groepsrisico niet significant zal toenemen. Mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is geen item. • Toename van de personendichtheid heeft geen significant effect op het groepsrisico. • De kans op overlijden door een incident met gevaarlijke stoffen is hier bijzonder klein 1. De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Voor deze gebieden speelt het bestrijdbaarheidsvraagstuk niet. De bestrijding vindt plaats bij de bron, op afstand van deze gebieden. Ten aanzien van de algemene mogelijkheden van de bestrijdbaarheid wordt verwezen naar het door de regionale brandweer/de Veiligheidsregio opgestelde 'risicoprofiel'. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario is, biedt ‘schuilen’ de beste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken.

De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Bij bestaande bouwwerken worden geen aanvullende maatregelen getroffen om mogelijke indringing van toxisch gas te verminderen. Aanpassing van bijvoorbeeld oude woningen op dit punt is ingrijpend en kostbaar. Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas. Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelinginstallatie, waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen. Van belang is dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS 2 als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding. De zone III gebieden in de bebouwde kom van Oss vallen geheel binnen het dekkingsgebied van het WAS. Transportroutes Het plangebied ligt op circa 2000 meter van Rijksweg A50. Het invloedsgebied is 3000 meter. Het plangebied ligt dus in het invloedsgebied van de Rijksweg A50. Onderhavige locatie ligt op meer dan 300 meter vanaf de A50, daarmee is de locatie in zone 4 gelegen. Hiervoor geldt de standaard verantwoordingsplicht.

Vanaf 300 meter wordt alleen rekening gehouden met de effecten van een toxische gaswolk. In dit gebied zijn geen functies uitgesloten, bescherming wordt geboden door ramen en deuren te sluiten. De verantwoording voor een ontwikkeling op deze plek is als volgt.

1 Hier is de kans op overlijden van een persoon ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen vele

malen kleiner dan één op één miljoen. 2 Waarschuwings- en AlarmeringsSysteem.

Hoessenboslaan 45, Berghem – 2022, pag. 45 van 67 18 mei 2022

Ontwikkeling groepsrisico Indien een ruimtelijk plan tot toename van de personendichtheid leidt, betekent dit dat: • vanwege de afstand tot de plaats van het mogelijke incident, • de aard van het mogelijke incident (blootstelling aan toxisch gas), het groepsrisico niet significant zal toenemen. Mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is geen item. • Toename van de personendichtheid heeft geen significant effect op het groepsrisico. • De kans op overlijden door een incident met gevaarlijke stoffen is hier bijzonder klein (kleiner dan 1 op 1.000.000). De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Voor deze gebieden speelt het bestrijdbaarheidsvraagstuk niet. De bestrijding vindt plaats bij de bron, op afstand van deze gebieden. Ten aanzien van de algemene mogelijkheden van de bestrijdbaarheid wordt verwezen naar het door de regionale brandweer/ de Veiligheidsregio opgestelde ‘risicoprofiel’. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario is, biedt ‘schuilen’ de beste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters.

Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas. Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelingsinstallatie, waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen. Van belang is dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwings- en AlarmeringsSysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding. De zone III gebieden in de bebouwde kom vallen geheel binnen het dekkingsgebied van het WAS. Dit geldt ook voor onderhavig plangebied. Buisleidingen In paragraaf 6.2 van de Beleidsvisie externe veiligheid Oss (versie 2011, revisie 6.4) worden planologische kaders gegeven voor hogedruk aardgastransportleidingen. Voor hogedruk aardgasleidingen wordt een andere aanpak gebruikt dan voor de (spoor)wegen, aangezien het maatgevend scenario, een fakkelbrand, en bijbehorend invloedsgebied verschilt van getransporteerde stoffen over de weg en het spoor. Het heeft een andere zone-indeling tot gevolg. Voor de hogedruk aardgastransportleiding(en) is het maatgevende scenario een (externe) beschadiging waardoor gas vrijkomt dat vervolgens ontsteekt en een fakkelbrand vormt.

Bij een fakkelbrand is de warmtestraling maatgevend voor de afstandsbepaling. In het beleid wordt langs een hogedruk aardgasleiding een 100% en 1% lethaliteitscontour vastgesteld. In de tabel hieronder wordt ingegaan op het kader binnen deze contouren (ZKO = zeer kwetsbaar object, KO = kwetsbaar object).

Hoessenboslaan 45, Berghem – 2022, pag. 46 van 67 18 mei 2022

Voor dit project zijn vijf buisleidingen relevant het betreft de hogedruk aardgastransportleidingen: • Buisleiding A-525 (Gasunie) – afstand ca. 190 meter; o Uitwendige diameter 914 mm/ 35,98 inch; o Maximale werkdruk 6.620 kpa; • Buisleiding A-526 (Gasunie) – afstand ca. 180 meter; o Uitwendige diameter 1.067 mm / 42,01 inch; o Maximale werkdruk 6.620 kpa; • Buisleiding A-527 (Gasunie) – afstand ca. 14 meter; o Uitwendige diameter 1.220 mm/ 48,03 inch; o Maximale werkdruk 6.620 kpa; • Buisleiding A-643 (Gasunie) – afstand ca 175 meter; o Uitwendige diameter 1.219 mm/ 47,99 inch; o Maximale werkdruk 7.990 kpa; • Buisleiding Z-516-11 (Gasunie) – afstand ca. 0 meter (aangrenzend); o Uitwendige diameter 168 mm/ 6,61 inch; o Maximale werkdruk 4.000 kpa. Zie ook de afbeeldingen hieronder.

Hoessenboslaan 45, Berghem – 2022, pag. 47 van 67 18 mei 2022

Voor de beoordeling van het risico zijn er twee belangrijke risicomaten: • het plaatsgebonden risico; • het groepsrisico. Plaatsgebonden risico De plaatsgebonden risico van één van de leidingenstroken ligt tot op de rand van één zijde van het plangebied. Het gaat hier om een afstand van 5 meter (leidingdruk 4000 kPa of meer) aan weerszijde van het hart van de buisleidingen. De plaatsgebonden risicocontour van de andere leidingenstroken ligt verder weg. Groepsrisico Het groepsrisico valt in tegenstelling tot het plaatsgebonden risico niet met een contour weer te geven. Het groepsrisico wordt bepaald op een combinatie van het risico van een buisleiding én de aanwezigheid van groepen of personen in de omgeving. Bekeken moet worden of het plangebied is gelegen binnen de 100% lethaliteitscontour, 1% lethaliteitscontour of erbuiten. Aan de hand van tabel 5.1 en 5.2 van het handboek buisleidingen in bestemmingsplannen kan dit voor standaardsituaties worden bepaald. Hiernaar is voor de buisleidingen nabij het plangebied gekeken. Zie de afbeeldingen hieronder.

Hoessenboslaan 45, Berghem – 2022, pag. 48 van 67 18 mei 2022

De functie in het plangebied wordt aangemerkt als een beperkt kwetsbaar object en valt voor alle vijf de buisleidingen in de 100% lethaliteitscontour en daarmee ook binnen de 1% lethaliteitscontour. Dit is toegestaan conform het Ev-beleid van de gemeente Oss, maar vereist wel een goede afweging. Beleidsmatig is een verantwoording Zwaarte 2 van toepassing én moet het groepsrisico in kaart worden gebracht. Berekening groepsrisico In de bestemmingsplannen Piekenhoef zuidoost en Piekenhoef zuidwest, waarin meerdere beperkt kwetsbare objecten in de 100% lethaliteitscontour zijn gerealiseerd, heeft verantwoording van het groepsrisico van de gasleidingen plaatsgevonden. In het kader van deze plannen zijn door Gasunie groepsrisicoberekeningen voor de leidingen uitgevoerd. In geen van de gevallen kwamen de waarden van de FN-Curven in de buurt van de Oriënterende waarde. Dit betekent dat het groepsrisico van de gasleidingen beperkt is en dat de oriënterende waarden dus niet worden overschreden. In het bestemmingsplan Berghem zuid, dat onder andere een herziening betreft van de bestemmingsplannen Piekenhoef zuidoost en Piekenhoef zuidwest, zijn drie nieuwe woningen aan de Hoessenboslaan toegevoegd.

Gezien de uitkomsten van de eerdere groepsrisicoberekeningen die gemaakt zijn in het kader van Piekenhoef zuidoost en Piekenhoef zuidwest, was het niet de verwachting dat ten gevolge van die woningen het groepsrisico zou toenemen en is dit groepsrisico niet berekend. Dit

Hoessenboslaan 45, Berghem – 2022, pag. 49 van 67 18 mei 2022

geldt ook voor wat betreft de situatie in onderhavig plangebied. Het groepsrisico wordt voor onderhavige situatie dan ook niet berekend. Verantwoording groepsrisico De gemeente heeft in haar Ev-beleid diverse verantwoordingszwaarten opgenomen. In onderhavige situatie is een verantwoording conform Zwaarte 2 van toepassing. Deze verantwoording is hieronder opgenomen. Verantwoording Zwaarte 2 1. er hoeft geen noodzaak te worden aangetoond om de voorziening op deze plek te realiseren; 2. de zelfredzaamheid is goed Personen kunnen de bedrijfsruimte zelf of met elkaars hulp verlaten en een veilig heenkomen zoeken. Daarbij is het niet te verwachten dat de bedrijfsruimte als gevolg van een fakkelbrand t.g.v. vrijkomend ontstekend gas volledig zal instorten of in brand zal staan. De zelfredzaamheid is goed. 3. bestrijdbaarheid: a. er is een goede verkeerskundige ontsluiting voor hulpdiensten; De toegangsweg tot de locatie geleid weggebruikers direct uit de risicocontour. Het is een openbare weg van voldoende breedte. b. er wordt voldaan aan de Handleiding bluswatervoorziening of een gelijkwaardig voorstel van de brandweer; Aangezien er reeds kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten dichter bij de buisleiding liggen, gaan we ervan uit dat de bluswatervoorziening volgens de maatstaven van de brandweer reeds voldoende is. c.

er is voldoende opvang, afvoersloten; De locatie is gelegen in het buitengebied en omgeven door waterbergingsvoorzieningen. Water afkomstig van een eventueel noodzakelijke vuurbestrijding zal de bodem instromen en, afhankelijk van de hoeveelheid, ook zijn weg vinden in de aanwezige voorzieningen. De berging van calamiteitenwater is derhalve geen probleem. d. er zijn minimaal twee vluchtroutes van de bron af; Dit is het geval. e. kwetsbare objecten moeten aan risicoluwe zijde worden gerealiseerd. Er is geen sprake van een kwetsbaar object maar van een beperkt kwetsbaar object. De bedrijfswoning (meest kwetsbare onderdeel van het plan) is een reeds bestaande woning en is zo ver mogelijk van bron gesitueerd. 4. maatregelen: a. maatregelen moeten in beschouwing worden genomen; Indien er op grond van veiligheid door het bevoegde gezag of de veiligheidsdiensten aanvullende maatregelen worden voorgesteld dan zullen deze op haalbaarheid worden beoordeeld. b.privaatrechtelijk afdwingen is niet nodig; c. aandacht voor organisatorische en communicatiemaatregelen. Medewerkers van het bedrijf en eventuele rechtsopvolgers van de locatie zullen geinformeerd worden over het aanwezige risico en hoe te handelen bij een calamiteit.

Bovenstaande paragraaf is op 20 juli 2016 beoordeeld door Veiligheidsregio Brabant Noord en deze heeft het volgende advies (samengevat) uitgebracht: “De feitelijke constateringen zijn correct echter de voorzieningen/maatregelen betekenen niet dat hier sprake is van een veilige en beheersbare situatie ten tijde van een incident. Het initiatief leidt niet tot een toename van het aantal personen binnen het invloedsgebied van de risicobronnen. Het maatgevende scenario voor de gasleiding is een fakkelbrand. De kans op een fakkelbrand is erg klein en praktisch gezien alleen voorstelbaar als gevolg van graafschade. Het bedrijfsgebouw staat binnen de 100% letaliteitscontour van beide buisleidingen. Dit betekent dat iedereen binnen deze zone als gevolg van een fakkelbrand zal komen te overlijden en de

Hoessenboslaan 45, Berghem – 2022, pag. 50 van 67 18 mei 2022

gebouwen verloren zullen gaan. Voor dit scenario geldt per definitie dat de bestrijdbaarheid slecht is. De hittestraling is dermate hoog dat de brandweer zich moet beperken tot het afzetten van de omgeving. Het vuur dooft pas na het afsluiten van de gastoevoer. Hiervan moet de initiatiefnemer op de hoogte zijn.” Het advies van de Veiligheidsregio Brabant Noord is bij deze toelichting gevoegd. Zie daarvoor bijlage 6. Op 2 augustus 2021 is het initiatief door de opnieuw door de Veiligheidsregio Brabant Noord beoordeeld. Zij hebben het navolgende geadviseerd: “U hebt op 29 juli j.l. de Veiligheidsregio Brabant Noord in de gelegenheid gesteld om te reageren op het bestemmingplan Hoessenboslaan 45 in Berghem. Omdat de ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt in het invloedsgebied van hogedruk aardgastransportleidingen dient conform artikel 9 Bevb het groepsrisico te worden verantwoord. Het plan is eerder voor advies aangeboden. Op 20- 07-2016 hebben wij over het plan geadviseerd (bijlage 6). Het nu aangeboden plan is opnieuw beoordeeld. Het plan geeft geen aanleiding om het advies d.d. 20-07-2016 te wijzigen.”

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=5c1d6cdc-6cab-487d-af03-3ccc4f8ef49d