CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4A Toelichting BP Hertog Janstraat 52 Lith - 2023.PDF

Gemeenteraad 15 juni 2023, gemeente OssBij agendapunt: A Vaststelling 7 bestemmingsplannen, gebundelde procedure27.983 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

De aanzienlijke brutovloeroppervlakte aan bedrijfsgebouwen is namelijk net als bij andere agrarische bedrijven en meer specifiek veehouderijen niet gerelateerd aan personen (personeel, bezoekers), maar is benodigd ten behoeve van het huisvesten van dieren, stallen van grote voer- en werktuigen en de opslag van voer, mest, agrarische producten en andere materialen. Daarbij is de vereiste brutovloeroppervlakte aan stallen om dieren te huisvesten bijv. weer gerelateerd aan oppervlaktenormen vanuit dierenwelzijn, etc. Gekeken naar figuur 2.1 zijn binnen het plangebied, op het voorerf rechts van de aanwezige bedrijfswoning, bestaand zes parkeerplaatsen ingericht. De links van de woning gelegen oprit en de bestaande erfverharding rondom de bestaande bedrijfsgebouwen bieden ook de nodige parkeergelegenheid. Hiermee is het verharde deel van het erf, zoals bij agrarische bedrijven en meer specifiek veehouderijen vaak het geval is, van (meer dan) voldoende omvang om op eigen terrein in de parkeerbehoefte ten behoeve van de ter plaatse uitgeoefende geiten- en varkenshouderij en bijbehorende bedrijfswoning te kunnen voorzien. Onderhavig plan leidt niet tot een wijziging van de ter plaatse gehouden diersoorten en/of een uitbreiding van ter plaatse gehouden aantallen geiten en/of varkens.

De beoogde situatie zal zodoende, ondanks de toename qua brutovloeroppervlakte aan bedrijfsgebouwen, onder meer niet resulteren in meer bezoek van bijv. dierenartsen, adviseurs en monteurs, meer personeel en meer bewoners. Onderhavig plan brengt dan ook geen grotere behoefte aan parkeervoorzieningen met zich mee. Gelet daarop zal de al bestaand aanwezige parkeergelegenheid op eigen terrein volstaan voor de beoogde situatie. 5.5

Water

5.5.1 Wetgeving en beleid De Waterwet regelt het beheer van oppervlakte- en grondwater. Ook verbetert de Waterwet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets verplicht voor ruimtelijke plannen waarin waterbelangen spelen. De watertoets bewaakt de waterkwaliteit en -kwantiteit en omvat het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten zijn onder andere veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verzilting en verdroging. De watertoets ziet op alle wateren: Rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. De gemeente Oss heeft in 2013 een integraal plan Watertaken vastgesteld. Het plan bestaat uit twee delen. Het “verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan” (vGRP) regelt de zorg voor inzameling en transport van

Hertog Janstraat 52 Lith – 2023, pag. 45 van 70 Vastgesteld

afvalwater. Ook regelt het vGRP doelmatige verwerking van afvloeiend hemelwater en overtollig grondwater. Daarnaast bevat het plan ‘Watertaken’ een kader voor de andere watertaken van de gemeente. De gemeente is verantwoordelijk voor de openbare ruimte. Op gebied van water betreft dit vooral de zorg voor oppervlaktewater in bebouwd gebied. De gemeente is ook verantwoordelijk voor een goede ruimtelijke ordening. Op gebied van water ziet dit op genoeg ruimte voor water in ruimtelijke plannen. Om dat te borgen is de watertoets opgenomen in het Bro. Beleid van gemeente, provincie en Rijk is van toepassing bij de watertoets. Het toetsen van de daaruitvolgende waterparagraaf gebeurt op kwaliteit en kwantiteit. De verwerking van hemel- en afvalwater en planologische ‘waterbestemmingen’ komen aan bod. Het plangebied is gelegen binnen het beheersgebied van het Waterschap Aa en Maas. Dit waterschap is hier verantwoordelijk voor het waterbeheer. Dit betreft het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer, de waterkeringszorg, waterzuivering, het grondwaterbeheer en het waterbodembeheer. De regels hieromtrent zijn vastgelegd in de Keur. Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, -kwaliteit en -veiligheid.

De Keur is verder uitgewerkt beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en de afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. Sinds 1 maart 2015 hanteert het Waterschap Aa en Maas voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt de (beleids)uitgangspunten zoals opgenomen in ‘Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Voor een toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m 2 en 10.000 m2 kan de vereiste compensatie berekend worden door de toename aan verhard oppervlak (m 2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 0,06 meter. De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn: - Gescheiden houden van vuil (afval)water en schoon hemelwater; - Voorkomen van vervuiling van water; - Schoon hemelwater kan volgens de voorkeursvolgorde worden verwerkt: 1. Hergebruik 2. Infiltratie/bergen 3. Afvoer - Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO), zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang, zowel binnen als buiten het plangebied.

Ook mogen er geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruiksfuncties. Dit betekent dat: 1. De afvoer vanuit het gebied niet groter wordt dan in de referentiesituatie; 2. De grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt; 3. Grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving of gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties; 4. De (grond)waterstanden in het plangebied aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied; 5. Het plangebied zo ingericht wordt dat de hydrologische gevolgen van reeds vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving niet leiden tot knelpunten binnen het plangebied. 5.5.2 Watertoets Voor de watertoets zijn via www.dewatertoets.nl de relevante gegevens behorende bij onderhavig plan opgegeven. Uit het vervolgens verkregen resultaat komt naar voren dat:

Hertog Janstraat 52 Lith – 2023, pag. 46 van 70 Vastgesteld

• Voor onderhavig plan de normale procedure van toepassing is; • Het plangebied niet gelegen is: - Nabij een A-watergang; - Binnen een beschermd gebied Keur, attentiegebied Keur, een gebied, aangewezen als regionale waterberging of een reserveringsgebied waterberging; - Nabij een waterkering, in een profiel van vrije ruimte of een zone, aangewezen als rivierbed; - In een ecologische verbindingszone of een wijstgebied; - Binnen een grondwaterbeschermingsgebied of nabij een RWZI, rioolgemaal of riooltransportleiding; • Met het plan geen afvalwater op het oppervlaktewater wordt geloosd en daarmee geen sprake is van grondwateronttrekking en vertraagde afvoer op een watergang of oppervlaktewater. Onderhavig bestemmingsplan voorziet in een vergroting van het bouwvlak, wat in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’ is vastgelegd ten behoeve van de geiten- en varkenshouderij van initiatiefnemer aan de Hertog Janstraat 52 te Lith. Het plan van initiatiefnemer wat gerealiseerd kan worden als gevolg hiervan, heeft ter plaatse een toename aan verhard oppervlak van ±3.200 m2 tot gevolg. Deze toename resulteert in een eis voor compenserende waterberging van 192 m3 (3.200 m2 x 0,06 meter) 2 om afstromend hemelwater te verwerken.

Zoals blijkt uit het van dit bestemmingsplan onderdeel uitmakende inrichtingsplan voorziet het plan van initiatiefnemer in het deels verleggen en verlengen van de bestaand aanwezige buffer- en infiltratiesloot aan de zuid- en oostzijde van het bestaande erf. De sloot kan en zal hierbij op zo’n manier worden ingericht dat de toename aan waterbergende capaciteit ten minste gelijk is aan voornoemde eis. Bedoelde sloot is geen A- of B-watergang, zie de in figuur 5.3 opgenomen uitsnede van de Legger Oppervlaktewater van het Waterschap Aa en Maas. Een aandachtspunt is dat de waterbergende voorziening voldoet aan de voorwaarden uit algemene regel 15 van de Keur. De voorziening voldoet aan de volgende eisen: i. De bodem van de voorziening ligt boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG); ii. De afvoer uit de voorziening vindt plaats via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben; iii. Daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om beschadiging van het oppervlaktewaterlichaam te voorkomen.

2 Sprake van gevoeligheidsfactor: 1.

Hertog Janstraat 52 Lith – 2023, pag. 47 van 70 Vastgesteld

te verleggen en verlengen bestaande buffer- en infiltratiesloot

Figuur 5.3: Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart 2010, herziening 2016 De gemiddelde hoogste grondwaterstand ter plaatse van de gronden waar de te verleggen en verlengen buffer- en infiltratiesloot is voorzien, bedraagt ±0,6 m onder maaiveld (bron: Kaartbank provincie NoordBrabant). Dit houdt in dat om te voldoen aan voornoemde eis, de oppervlakte van de buffer- en infiltratiesloot bij het verleggen en verlengen met ten minste 320 m2 (192 m 3 / 0,6 meter) 320 m2 dient te worden vergroot 3. De bestaand aanwezige buffer- en infiltratiesloot is ±135 meter lang en ±0,8 meter breed. Met het van dit plan onderdeel uitmakende inrichtingsplan wordt deze met ±125 meter verlengd tot 260 meter. Een vergroting in oppervlak van ten minste 320 m2 is te bereiken door de sloot bij het verleggen en verlengen ten minste 1,65 meter breed aan te leggen ((135 meter * 0,85 meter) + (125 meter * 1,65 meter) = 321 m2). Bij de bouw wordt afgezien van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen (geen zink en koper in daken, gevels, goten en leidingen).

5.6

Defensie

Vanuit oogpunt van defensie kunnen er beperkingen worden gesteld aan ruimtelijke ontwikkelingen in een gebied. Belangrijke aandachtspunten met betrekking tot het defensiebelang zijn: - Radarverstoringsgebieden. - Obstakelbeheergebieden. - Laagvliegroutes voor jachtvliegtuigen. - Geluidszones rondom militaire luchtvaartterreinen. Het plangebied van onderhavig bestemmingsplan is gelegen binnen het radarverstoringsgebied horende bij een radar van de Vliegbasis Volkel. Binnen dit gebied is het in beginsel niet toegestaan om bebouwing op te richten die hoger is dan 114 meter boven NAP. Dit bestemmingsplan voorziet echter geenszins in mogelijkheden voor bebouwing van een dergelijke hoogte. Derhalve is het belang van betreffend radarverstoringsgebied binnen onderhavig plan voldoende gewaarborgd.

3 Talud buiten beschouwing gelaten.

Hertog Janstraat 52 Lith – 2023, pag. 48 van 70 Vastgesteld

Voor het overige geldt dat het plangebied niet gelegen is binnen een obstakelbeheergebied, laagvliegroute voor jachtvliegtuigen of geluidszone voor militaire luchtvaartterreinen. Deze vragen dus geen verdere aandacht. 5.7

Milieuaspecten

In deze paragraaf wordt ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten die verband houden met of betrekking hebben op de ruimtelijke ontwikkeling. Het gaat hierbij meestal om de wisselwerking met de omgeving. Welke gevolgen heeft het initiatief voor de omgeving en omwonenden? Maar ook, welke gevolgen hebben activiteiten in de omgeving voor de mogelijkheden in een plangebied? Achtereenvolgens komen de hierna volgende aspecten aan bod: - Bedrijven en milieuzonering - Bodem - Niet gesprongen explosieven - Externe veiligheid - Geurhinder: agrarisch - Geur: industrieel - Luchtkwaliteit - Straling - Weg-, spoor-, en industrielawaai - Gezondheid - Spuitzones 5.7.1 Bedrijven en milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten van bedrijven en gevoelige functies, zoals woningen. Het doel van milieuzonering is om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast kan milieuzonering bedrijven voldoende ruimte bieden om hun activiteiten duurzaam uit te oefenen. Een instrument om de milieuzonering van bedrijven te kunnen bepalen, is de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG. De handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ bevat een bedrijvenlijst die informatie geeft over de milieukenmerken van verschillende typen bedrijven.

In de lijst zijn per type bedrijf richtafstanden tot gevoelige bestemmingen gegeven. Het gaat om richtafstanden voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een bedrijf in een milieucategorie. Daarbij omvat milieucategorie 1 de lichtste en milieucategorie 6 de zwaarste vormen van bedrijvigheid. De vermelde richtafstanden betreffen indicatief aan te houden afstanden tussen een hinderveroorzakende functie en een milieugevoelige functie. Deze afstand dient gemeten te worden tussen de grens van de bestemming welke bedrijven toestaat en de uiterste situering van de gevel van een woning of een ander milieugevoelig object. De richtafstanden gaan uit van gemiddeld moderne bedrijven. Wanneer bekend is wat voor activiteiten er concreet worden beoogd of aanwezig zijn, dan kan er gemotiveerd uit worden gegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). De richtafstanden van de VNG-handreiking zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit, zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype. Een rustige woonwijk is een wijk, ingericht naar het principe van functiescheiding. Rustig buitengebied wordt in de handreiking geschaard onder het beleid van een rustige woonwijk.

Wanneer in de omgeving sprake is van functiemenging, kunnen gebieden aangemerkt worden als ‘gemengd gebied’ en kunnen de gegeven richtafstanden met één afstandsstap verkleind worden.

Hertog Janstraat 52 Lith – 2023, pag. 49 van 70 Vastgesteld

Het plangebied van onderhavig bestemmingsplan is gelegen in het buitengebied van de gemeente Oss. Dit gebied kenmerkt zich als rustig buitengebied. Onderhavig bestemmingsplan voorziet in een vergroting van het bouwvlak, wat in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’ is vastgelegd ten behoeve van de geiten- en varkenshouderij van initiatiefnemer aan de Hertog Janstraat 52 te Lith. Het plan van initiatiefnemer wat gerealiseerd kan worden als gevolg hiervan, ziet niet op het realiseren van een nieuw gevoelig object of het verplaatsen van een bestaand gevoelig object. De nieuw te bouwen loods is niet bedoeld en wordt niet geschikt als een gebouw, waar langer dan 2 uur per dag mensen in verblijven en geldt daardoor niet als verblijfsruimte voor mensen. Dit maakt dat bedrijven in de omgeving van het plangebied als gevolg van onderhavig plan niet beperkt zullen worden in de bedrijfsvoering of de ontwikkelingsmogelijkheden. Ook is hierdoor ter plaatse van de bouwvlakvergroting geen beoordeling nodig van het woon- en leefklimaat. Ten behoeve van dit bestemmingsplan kan een toets of de bouwvlakvergroting al dan niet plaatsvindt binnen de richtafstanden van bedrijven in de omgeving van het plangebied achterwege blijven.

Andersom is het wel van belang te toetsen of door de bouwvlakvergroting de afstand tussen de grens van dit vlak en gevoelige objecten in de omgeving van het plangebied kleiner wordt dan de voor het bedrijf van initiatiefnemer toepasselijke richtafstanden danwel de bestaande kleinere afstanden dan die richtafstanden. Bij het bedrijf van initiatiefnemer is in zowel de bestaande als de beoogde nieuwe situatie sprake van twee hinderveroorzakende activiteiten uit de VNG-handreiking: het ‘fokken en houden van overige graasdieren’ en het ‘fokken en houden van varkens’. Figuur 5.4 geeft de in de handreiking vermelde richtafstanden en milieucategorieën weer.

Omschrijving Fokken en houden van varkens Fokken en houden van overige graasdieren – overige graasdieren (geiten)

Afstanden in meters Geur Stof Geluid 200 30 50 50 30 30

Gevaar 0 0

Categorie 4.1 3.1

Figuur 5.4: Toepasselijke richtafstanden en milieucategorie volgens handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ Op meer dan 50 meter van, maar minder dan 200 meter van de grens van zowel het in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’ vastgelegde bouwvlak als het met onderhavig bestemmingsplan voorziene bouwvlak is één gevoelig object gelegen. Dit betreft de bedrijfswoning behorende bij de melkrundveehouderij ter plaatse van de locatie Hertog Janstraat 59. De afstand tussen de grens van het bouwvlak ten behoeve van de in het plangebied gevestigde geiten- en varkenshouderij van initiatiefnemer en de gevel van die bedrijfswoning neemt door de beoogde vergroting van dit vlak af tot ±155 meter. Gelet figuur 5.3 wordt daarmee alleen niet voldaan aan de voor het fokken en houden van varkens toepasselijke richtafstand op het aspect geur. Van bovengenoemde richtafstanden kan afgeweken worden wanneer de bestaande en/of beoogde nieuwe situatie op basis van wet- en/of regelgeving wel mogelijk is. In het geval van het aspect geur is de Wet geurhinder en veehouderij (Wgh) bepalend. In paragraaf 5.7.4 is hier nader op ingegaan en is geconcludeerd dat er met bovenstaande afstand van ±155 meter wel wordt voldaan aan de Wgh.

5.7.2 Bodem Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht moet in planvorming rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. In de Bouwverordening van de gemeente Oss is geregeld dat bij bepaalde omstandigheden het oprichten van gebouwen pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het

Hertog Janstraat 52 Lith – 2023, pag. 50 van 70 Vastgesteld

beoogde doel. Om deze redenen kan het bij functiewijzigingen en/of bij (nieuw)bouwactiviteiten noodzakelijk zijn om de bodemkwaliteit door middel van onderzoek vast te stellen. Volgens het Bouwbesluit dient onderzoek naar de bodemkwaliteit ter plaatse te worden uitgevoerd indien een gebouw wordt gerealiseerd waarin mensen gaan verblijven. De algemeen aanvaarde richtlijn is dat zo’n onderzoek niet hoeft te worden verricht als er binnen een gebouw geen ruimte is, waar langer dan 2 uur per dag mensen werken of verblijven. Bij de verkenning van de mogelijkheden om op zekere gronden een andere functie of nieuwe bebouwing te realiseren moet de bodemkwaliteit ter plaatse worden betrokken. Inzicht in eventuele beperkingen aan het bodemgebruik is vereist om te beoordelen of de grond geschikt is voor de beoogde functie en/of bebouwing. Dit vanwege milieuhygiënische risico’s voor mens, plant en dier). Er mogen namelijk geen nieuwe gevoelige functies worden gepland of gerealiseerd op een dusdanig verontreinigd terrein, dat schade is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu. Ter plaatse van het plangebied van onderhavig bestemmingsplan geldt al een agrarische bestemming.

Dit plan voorziet enkel in een vergroting van het bouwvlak, wat in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’ binnen deze bestemming is vastgelegd ten behoeve van de in het plangebied gevestigde geiten- en varkenshouderij van initiatiefnemer. Het plan van initiatiefnemer wat als gevolg hiervan kan worden gerealiseerd, ziet niet op het realiseren van een nieuw gevoelig object of het verplaatsen van een bestaand gevoelig object. De nieuw te bouwen loods is niet bedoeld en niet geschikt als een gebouw waarin langer dan 2 uur per dag mensen verblijven en geldt derhalve niet als een verblijfsruimte voor mensen. De gronden ter plaatse waarvan het bouwvlak wordt vergroot, zijn bovendien tot op heden uitsluitend in gebruik geweest als bouw- of grasland. Hier hebben geen bodemverontreinigende activiteiten plaatsgevonden. Zodoende kan geconcludeerd worden dat er wat betreffende gronden betreft, en daarmee ten behoeve van onderhavig bestemmingsplan, geen noodzaak bestaat om de bodemkwaliteit vast te stellen middels onderzoek. 5.7.3 Niet gesprongen explosieven In de bodem kunnen niet gesprongen explosieven (NGE’s) aanwezig zijn die een risico vormen voor de veiligheid van personen die werkzaam zijn bij de in het plangebied gevoerde veehouderij of er sloop-, bouw- of beplantingswerkzaamheden verrichten. Daarnaast kan de openbare veiligheid in het geding komen.

Het al dan niet aanwezig zijn van niet gesprongen explosieven is geen ruimtelijk relevant criterium voor een bestemmingsplan, maar het is voor de uitvoering van wat een bestemmingsplan mogelijk maakt wel van belang daar inzicht in te hebben teneinde de veiligheid voor personen en de omgeving te waarborgen. Het plangebied van dit bestemmingsplan is op basis van de bodembelastingkaart ontplofbare oorlogsresten en het daaraan gekoppelde vooronderzoek voor de hele gemeente Oss door AVG uit 2016 geheel onverdacht als het gaat om ontplofbare oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog. Zie de in figuur 5.5 opgenomen uitsnede van deze kaart. Dit wil zeggen dat de kans dat er tijdens grondwerkzaamheden in het plangebied explosieven en/of munitie worden gevonden zeer klein is. Het is zodoende niet nodig om hier onderzoek naar te doen.

Hertog Janstraat 52 Lith – 2023, pag. 51 van 70 Vastgesteld

Figuur 5.5: Uitsnede bodembelastingkaart ontplofbare oorlogsresten (bron: gemeente Oss) Het kan echter voorkomen dat bij toeval toch een artikel wordt gevonden wat er uit ziet als een explosief of munitie. In dat geval geldt het protocol toevalsvondsten: stop de werkzaamheden, iedereen verlaat lopend het werkterrein (in verband met mogelijke trillingen vanwege voertuigen en machines) en bel de politie op 0900-8844. De Explosieven Verkenner (EV) of de Teamleider Explosieven Veiligheid (TEV) van de politie komt daarna op locatie beoordelen of het om munitie gaat die moet worden geruimd. Zo ja, wordt de Explosieven Opruimingsdienst van Defensie (EODD) ingeschakeld. Zo nee, dan kunnen werkzaamheden worden hervat. 5.7.4 Externe veiligheid Rijkskader Externe veiligheid behandelt de risico's die ontstaan als gevolg van opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico’s kunnen hun weerslag hebben op de omgeving. Het wettelijk kader voor externe veiligheid bestaat onder meer uit: - Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). - Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). - Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Enerzijds gaat het over de risicobronnen (bedrijven of transportroutes). Anderzijds gaat het over de risicoontvangers (omstanders die niets met de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen te maken hebben).

Wat de risico-ontvangers betreft maakt de wetgeving onderscheid in kwetsbare objecten en beperkt

Hertog Janstraat 52 Lith – 2023, pag. 52 van 70 Vastgesteld

kwetsbare objecten. Kwetsbare objecten zijn gebouwen, waarin (of waarbij) groepen van circa 50 personen of groter gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. Ook sommige gebouwen waarin/waarbij kleinere groepen verblijven, worden als kwetsbaar object gezien, wanneer die personen beperkt zelfredzaam zijn (zoals zieken, bejaarden of gehandicapten). Beperkt kwetsbare objecten zijn verspreid liggende woningen en bedrijven waarin (of waarbij) groepen van minder dan 50 personen gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. In de landelijke wetgeving wordt meer gedetailleerd beschreven wat er onder kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten verstaan wordt. Belangrijk hierbij is dat de wet geen limitatieve opsomming geeft, zodat er bij de verdere uitwerking van het beleid nog enige vrijheid rest. Verder maakt de wetgever onderscheid tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans om, op een bepaalde plaats, te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op een fictief persoon welke continu op die plaats aanwezig is. Het PR kan op kaart worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar.

Binnen deze contour heeft iemand die continu ter plaatse aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat er bij een ongeval een groep slachtoffers met een bepaalde omvang valt. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Het invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Gemeentelijk kader Ook in de gemeente Oss zijn risicobronnen aanwezig in de vorm van transportassen en stationaire activiteiten. Dit vraagt om een gemeentelijke visie. Op 19 mei 2011 heeft de gemeenteraad de Beleidsvisie Externe veiligheid vastgesteld. Deze beleidsvisie beschrijft op welke manier de gemeente Oss externe veiligheid in haar afwegingen betrekt. Met behulp van de signaleringskaart uit de voornoemde beleidsvisie en de nationale Risicokaart (zie hiervoor figuur 5.6) is inzicht verkregen in of er risicobronnen binnen of in de nabijheid van het plangebied van onderhavig bestemmingsplan liggen.

Uit deze kaarten komt naar voren dat er zowel ter plaatse als in de directe omgeving geen risicovolle inrichtingen of andere risicobronnen voorkomen. Voorts is er in de omgeving geen sprake van transport van gevaarlijke stoffen, zoals bijvoorbeeld buisleidingen.

Hertog Janstraat 52 Lith – 2023, pag. 53 van 70 Vastgesteld

Figuur 5.6: Uitsnede nationale Risicokaart (https:www.risicokaart.nl) In de bestaande situatie is ter plaatse van het plangebied dan ook geen sprake van risicocontouren of invloedsgebieden. Onderhavig bestemmingsplan voorziet in een vergroting van het bouwvlak, wat in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’ is vastgelegd ten behoeve van de geiten- en varkenshouderij van initiatiefnemer aan de Hertog Janstraat 52 te Lith. Het plan van initiatiefnemer wat gerealiseerd kan worden als gevolg hiervan, ziet zoals in voorgaande paragrafen is toegelicht niet op het realiseren van een nieuw of verplaatsen van een bestaand (beperkt) kwetsbaar object. Met hetzelfde plan ontstaat ook geen nieuwe risicobron. Gelet hierop hoeft in het kader van onderhavig bestemmingsplan geen rekening te worden gehouden met risicocontouren voor PR of met invloedsgebieden voor GR. Geconcludeerd wordt dat het aspect externe veiligheid geen belemmeringen geeft ten aanzien van onderhavig bestemmingsplan. 5.7.5 Geurhinder: agrarisch De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is het beoordelingskader voor geur bij milieuvergunningen, bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Het gaat uitdrukkelijk om agrarische geur van landbouwhuisdieren vanuit dierstallen. De wet maakt hierbij onderscheid tussen geurnormen voor intensieve en voor extensieve veehouderijen.

De geurbelasting van intensieve veehouderijen wordt berekend en uitgedrukt in de vorm van een geurcontour. De geurbelasting van extensieve veehouderijen wordt uitgedrukt in vaste afstanden. De gemeente Oss heeft op grond van de wet een eigen geurbeleid vastgesteld. Dit geurbeleid bestaat uit twee delen: de “Geurgebiedsvisie 2013” en de “Agrarische geurverordening gemeente Oss 2017”. Het hanteert per soort gebied een eigen geurnorm en streeft de volgende doelen na: - De burger beschermen tegen geurhinder; - Veehouderijen niet onnodig beperken; - Ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken, onder de voorwaarde dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is.

Hertog Janstraat 52 Lith – 2023, pag. 54 van 70 Vastgesteld

De gemeentelijke “Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder” is van belang voor de vraag of een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling kan plaatsvinden. De beleidsregel geeft aan wanneer er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In de “Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oss 2017” is de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object binnen de gemeente Oss vastgelegd. In artikel 3 is het volgende bepaald om per deelgebied de maximale waarde vast te leggen: Lid 1. Op grond van artikel 6, lid 1 van de wet en in afwijking van artikel 3, lid 1 van de wet bedraagt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in het gebied als genoemd in artikel 2, lid 1 van deze verordening: A. Stad Oss 1,0 Ou B. Woonkern met geen/enige intensieve veehouderij 2,0 Ou C. Plangebied (bij kern A en B) 3,0 Ou D. Woonkern met intensieve veehouderij 6,0 Ou E. Zoekgebied + plangebied Maren-Kessel West en Liesdaal 6,0 Ou F. Recreatiegebieden 8,0 Ou G. Extensiveringsgebieden 8,0 Ou H. Bedrijventerreinen 8,0 Ou I. Bedrijventerrein Vorstengrafdonk 12,0 Ou J. Verwevingsgebied 14,0 Ou K.

Landbouwontwikkelingsgebied 14,0 Ou Onderhavig bestemmingsplan voorziet in een vergroting van het bouwvlak, wat in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’ is vastgelegd ten behoeve van de geiten- en varkenshouderij van initiatiefnemer aan de Hertog Janstraat 52 te Lith. Het plan van initiatiefnemer wat gerealiseerd kan worden als gevolg hiervan, ziet niet op het realiseren van een nieuw of verplaatsen van een bestaand geurgevoelig object. Zoals toegelicht in voorgaande paragrafen, is hiermee geen bebouwing voorzien met verblijfsruimten voor mensen. In het kader van de Wgv is en blijft de bestaand in het plangebied aanwezige bedrijfswoning een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een (andere) veehouderij. Dit betekent dat veehouderijen van derden die dieren houden met een geuremissiefactor de geurbelasting niet op deze woning hoeven te toetsen. Wel dient de afstand van deze veehouderijen tot aan deze woning minimaal te voldoen aan bepaalde ‘vaste afstanden’: 50 meter tussen enig emissiepunt van dierenverblijven van een veehouderij van derden tot de gevel van de woning en 25 meter tussen de buitenzijde van dierenverblijven van een veehouderij van derden tot de gevel van de woning.

Geconstateerd kan worden dat in de bestaande situatie de afstand van de bestaande bedrijfswoning in het plangebied tot de emissiepunten en de dierenverblijven van nabijgelegen veehouderijen van derden aan deze afstanden voldoet en die in de met onderhavig plan beoogde nieuwe situatie ook niet wordt verkleind. Onderhavig plan leidt dus zeker niet tot belemmeringen voor de nabijgelegen veehouderijen. De toetsingsafstand voor die veehouderijen verandert immers niet. Andersom mag onderhavig bestemmingsplan niet leiden tot een overschrijding van bovengenoemde geurnormen op geurgevoelige objecten die geen onderdeel uitmaken van een veehouderij. Ook dient de veehouderij van initiatiefnemer te blijven voldoen aan gestelde afstandsnormen van emissiepunt/buitenzijde van dierenverblijven tot aan enig geurgevoelig object. Gezien de ligging van het plangebied midden in het buitengebied gaat het hier om minimale afstanden van respectievelijk 50 en 25 meter. Tot slot mag door

Hertog Janstraat 52 Lith – 2023, pag. 55 van 70 Vastgesteld

onderhavig bestemmingsplan de ‘achtergrondbelasting’ 4 op geurgevoelige objecten niet overschreden worden. De Wgv kent geen normen voor de achtergrondbelasting danwel de mogelijkheid hiervoor normen te stellen. In de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant zijn hier vanuit het perspectief van veehouderijen wel regels aan gesteld. Bepaald is dat de achtergrondbelasting of cumulatieve geurhinder die een veehouderijen bij vestiging of uitbreiding op geurgevoelige objecten mag veroorzaken, in de bebouwde kom niet hoger dan 12% mag zijn en in het buitengebied niet hoger dan 20%. Indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger dan deze waarden is, moeten maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een vermindering van de achtergrondbelasting leiden en die moeten tenminste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseren. De bouwvlakvergroting waar onderhavig bestemmingsplan in voorziet, is zoals in paragraaf 3.2 beschreven niet bedoeld om mogelijk te maken dat er in het plangebied nieuwbouw of uitbreiding van stallen kan plaatsvinden of een bestaand overig bedrijfsgebouw mag worden gebruikt als stal. Er is derhalve geen sprake van een plan, wat betrekking heeft op een wijziging van de ter plaatse gehouden diersoorten en/ of een uitbreiding van ter plaatse gehouden aantallen varkens en/of geiten.

Door het overnemen van bepaalde regels van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’ in de regels van onderhavig plan, biedt dit plan hiertoe ook niet de mogelijkheid: • Volgens artikel 3.1.2 onder e van de planregels mogen er in het plangebied slechts geiten en varkens worden gehouden en is ter plaatse geen toename toegestaan van de oppervlakte van dierenverblijven. • Volgens artikel 7.2 onder a van de planregels is het niet toegestaan om het gebruik van gronden en bouwwerken in het plangebied te wijzigen om meer geiten te houden dan toegestaan volgens de voor 5 september 2018 verleende toestemming wat betreft de activiteit ‘milieu’. Gelet het voorgaande heeft onderhavig bestemmingsplan niet tot gevolg dat de geuremissie vanuit de in het plangebied uitgeoefende geiten- en varkenshouderij wijzigt of toeneemt ten opzichte van de situatie, zoals vergund met de op 13 juli 2016 voor deze veehouderij verleende omgevingsvergunning beperkte milieutoets. Dit betekent dat er ook geen sprake zal zijn van een toename van de geurbelastingen (voorgrond- én achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, die blijkens deze vergunning voldoen aan de toepasselijke geurnormen en de percentages uit de regels van de Interim omgevingsverordening NoordBrabant.

Te constateren is voorts dat de bouwvlakvergroting waar onderhavig bestemmingsplan in voorziet, er ook niet toe leidt dat de grens van dit vlak binnen 50 respectievelijk 25 meter van de gevel van een geurgevoelig object van een derde komt te liggen. Met onderhavig plan wordt derhalve blijvend voldaan aan de bovengenoemde wet- en regelgeving op het gebied van agrarische geurhinder. Geconcludeerd wordt dat het aspect geur geen belemmering vormt voor onderhavig bestemmingsplan. 5.7.6 Geur: industrieel Het nationale industriële geurbeleid is vastgelegd in de Nederlandse emissierichtlijn (NeR). De brief van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu van 30 juni 2005 stelt het Rijksbeleid in grote lijnen vast. Het algemene uitgangspunt is het voorkomen van (nieuwe) hinder. Dit uitgangspunt vormt samen met het toepassen van de Beste Beschikbare Techniek (BBT) de kern van het geurbeleid. Uitgangspunten van het Rijksbeleid zijn: - Als er geen hinder is, zijn maatregelen niet nodig; - Als er wel hinder is, worden maatregelen getroffen op basis van het Beste Beschikbare Techniek-principe; - De gemeente stelt vast welke mate van hinder acceptabel is. 4 Dit is de cumulatieve geurbelasting van alle veehouderijen binnen een straal van 2 km waar dieren met

een geuremissiefactor worden gehouden op een geurgevoelig object.

Hertog Janstraat 52 Lith – 2023, pag. 56 van 70 Vastgesteld

Gemeenten en provincies hebben de bevoegdheid om een eigen geurbeleid vast te stellen. De provincie Noord-Brabant heeft een eigen geurbeleid voor provinciale bedrijven, de Beleidsregel beoordeling geurhinder omgevingsvergunningen industriële bedrijven Noord-Brabant. De gemeente Oss heeft geen eigen industrieel geurbeleid; ze stelt per geval vast of sprake is van een acceptabel geurniveau. Er zijn verschillen in het niveau van bescherming mogelijk. Voor bedrijfswoningen kan bijvoorbeeld een hogere geurbelasting gehanteerd worden dan voor aaneengesloten woonbebouwing. Het plangebied van onderhavig bestemmingsplan is niet gelegen nabij een industrieterrein of industrieel bedrijf. Daarnaast heeft onderhavig plan geen betrekking op het realiseren van een nieuw of het verplaatsen van een bestaand geurgevoelig object, ten aanzien waarvan getoetst zou moeten worden of de van industrie afkomstige geurhinder acceptabel is. Op het binnen het plangebied gevestigde bedrijf is voorts het in de voorgaande paragraaf behandelde agrarische geurbeleid van toepassing. 5.7.7 Luchtkwaliteit Het beleid en de regelgeving over luchtkwaliteit heeft tot doel om mensen te beschermen tegen de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging. Ze bevatten luchtkwaliteitsnormen voor verschillende stoffen.

Projecten of ruimtelijke plannen die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, zoals bestemmingsplannen, dienen getoetst te worden aan de Wet milieubeheer (afdeling 5.2). Die wet bevat grenswaarden voor de stoffen zwavel- en stikstofdioxide, stikstofoxiden, lood, fijn stof, benzeen en koolmonoxide in de buitenlucht. In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Overschrijding van de grenswaarden van andere stoffen komt bijna niet voor. De wet maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Kleine projecten zijn projecten die de luchtkwaliteit niet ‘in betekenende mate’ (NIBM) verslechteren. Deze projecten hoeven niet nader beoordeeld te worden op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo kleinschalig dat ze geen wezenlijke invloed op de luchtkwaliteit hebben. Er is geen belemmering, indien een klein project niet of nauwelijks bijdraagt aan de luchtverontreiniging, óók niet in overschrijdingsgebieden (gebieden met teveel luchtvervuiling). De ministeriële Regeling NIBM geeft aan in welke gevallen een project of plan in ieder geval NIBM bijdraagt. Dat is bijvoorbeeld het geval als er minder dan 1.500 woningen worden gebouwd bij minstens één ontsluitingsweg of minder dan 3.000 woningen bij minimaal twee ontsluitingswegen. De gemeente Oss heeft geen eigen regelgeving en beleid wat betreft luchtkwaliteit.

Luchtverontreiniging als gevolg van verkeersbewegingen Zoals gezegd zijn in de regeling NIBM bepaalde projecten benoemd, waarvoor geldt dat de bijdrage aan luchtverontreiniging NIBM is. Dit betreft onder andere woningbouw- en kantoorlocaties. Agrarische bedrijven, en meer specifiek veehouderijen, vallen niet binnen één van de in de regeling vermelde categorieën die in elk geval NIBM zijn. Onderhavig bestemmingsplan voorziet in een vergroting van het bouwvlak, wat in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’ is vastgelegd ten behoeve van de geiten- en varkenshouderij van initiatiefnemer aan de Hertog Janstraat 52 te Lith. Het plan van initiatiefnemer wat gerealiseerd kan worden als gevolg hiervan, zal zoals reeds in paragraaf 3.3 verwoord is onder ‘Verkeer en parkeren’, geen toename van verkeersbewegingen vanuit en naar het plangebied met zich meebrengen. Wel zal het wat aanvoer van stro, voer en hooi betreft zo zijn dat dit niet langer verspreid over het hele jaar plaatsvindt, maar meer geconcentreerd in een korter tijdsbestek. Gezien het laatste is met behulp van de NIMB tool inzichtelijk gemaakt of het plan wat verkeer betreft tot luchtverontreiniging kan leiden, uitgaande van een worst-case scenario dat er op één dag veel meer verkeersbewegingen naar en vanaf het plangebied plaatsvinden dan in de bestaande situatie. Aangezien de

Hertog Janstraat 52 Lith – 2023, pag. 57 van 70 Vastgesteld

aanvoer van stro, voer en hooi geheel gebeurt met zwaardere voertuigen, is hiervoor uitgegaan van een vrachtverkeeraandeel van 100%. Uit het resultaat van de NIBM tool volgt dat op één dag maximaal 170 extra bewegingen van vrachtverkeer naar en vanaf het plangebied kunnen plaatsvinden zonder dat dit in betekenende mate zal bijdragen aan de luchtverontreiniging, zie figuur 5.7. Van zo’n hoog extra aantal extra verkeersbewegingen van vrachtverkeer op één dag zal in dit geval in de praktijk zeker geen sprake zijn.

Figuur 5.7: Resultaat NIBM tool Verondersteld kan worden dat voor zover onderhavig plan gevolgen heeft voor verkeersbewegingen, dit ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Vanuit dit oogpunt geldt het plan als NIBM. Luchtverontreiniging als gevolg van het agrarisch bedrijf De Wet milieubeheer (Wm), titel 5.2: luchtkwaliteitseisen vormt het toetsingskader voor stofconcentraties in de lucht bij de omgevingsvergunning. Volgens de wet dient voornamelijk rekening gehouden te worden met de grenswaarden voor fijn stof (PM10, PM2,5). De concentratie van de overige luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht is van nature zo laag dat er voor deze stoffen geen overschrijding van de grenswaarde wordt verwacht. Voor deze stoffen kan voldaan worden aan de in de Wm gestelde grenswaarden. De binnen het plangebied van onderhavig bestemmingsplan uitgeoefende geiten- en varkenshouderij veroorzaakt fijn stofemissies. Het gaat om huid-, voer- en mestdeeltjes, die met de ventilatielucht vanuit de aanwezige stallen naar buiten komen. De emissie van fijn stof door verkeersbewegingen over het erf van het agrarisch bedrijf is gelet de lage snelheid (<10 km/uur) en het aantal bewegingen verwaarloosbaar vergeleken met de emissies als gevolg van de continue ventilatielucht.

Emissies naar de lucht in de vorm van broeikasgassen, vluchtige organische stoffen, carcinogene stoffen, zware metalen e.d. vindt niet plaats. De bouwvlakvergroting waar onderhavig bestemmingsplan in voorziet, is zoals in paragraaf 3.2 beschreven niet bedoeld om mogelijk te maken dat er in het plangebied nieuwbouw of uitbreiding van stallen kan plaatsvinden of een bestaand overig bedrijfsgebouw mag worden gebruikt als stal. Er is derhalve geen sprake van een plan, wat betrekking heeft op een wijziging van de ter plaatse gehouden diersoorten en/ of een uitbreiding van ter plaatse gehouden aantallen varkens en/of geiten. Door het overnemen van bepaalde regels van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’ in de regels van onderhavig plan, biedt dit plan hiertoe ook niet de mogelijkheid: • Volgens artikel 3.1.2 onder e van de planregels mogen er in het plangebied slechts geiten en varkens worden gehouden en is ter plaatse geen toename toegestaan van de oppervlakte van dierenverblijven.

Hertog Janstraat 52 Lith – 2023, pag. 58 van 70 Vastgesteld

• Volgens artikel 7.2 onder a van de planregels is het niet toegestaan om het gebruik van gronden en bouwwerken in het plangebied te wijzigen om meer geiten te houden dan toegestaan volgens de voor 5 september 2018 verleende toestemming wat betreft de activiteit ‘milieu’. Gelet het voorgaande heeft onderhavig bestemmingsplan niet tot gevolg dat de fijn stofemissies vanuit stallen binnen het plangebied wijzigen of toenemen ten opzichte van de situatie, zoals vergund met de op 13 juli 2016 voor de ter plaatse gevoerde veehouderij verleende omgevingsvergunning beperkte milieutoets. Het plan zal derhalve niet van invloed zijn op de individuele en cumulatieve fijn stofbelasting welke deze veehouderij veroorzaakt als gevolg van het houden van dieren. De veroorzaakte belasting zal overeenkomstig de voornoemde vergunning voldoen aan de toepasselijke grenswaarden. Woon- en leefklimaat Naast het effect dat een plan kan hebben op de luchtkwaliteit dient ook gekeken te worden naar de luchtkwaliteit binnen het plangebied en de omgeving. Het woon- en leefklimaat ter plaatse wordt deels bepaald door de luchtkwaliteit. Uit het voorgaande komt naar voren dat onderhavig plan niet in betekenende mate bijdraagt aan een toedanwel afname van de emissies van fijn stof (PM10, PM2,5) en van stikstofdioxide (NO2).

Daarnaast zijn de achtergrondconcentraties van fijn stof (PM10, PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) ter plaatse van het plangebied en de omgeving dermate laag dat de grenswaarden voor de luchtkwaliteit niet overschreden worden. Dit is af te leiden uit de in figuren 5.8, 5.9 en 5.10 opgenomen GCN- en GDN-kaarten van het RIVM. De achtergrondconcentratie fijn stof PM10 ter plaatse van het plangebied en de omgeving bedraagt gezien figuur 5.8 ±15 μg/m3, waar de grenswaarde 40 μg/m3 bedraagt. De achtergrondconcentratie stikstofdioxide NO2 ligt volgens figuur 5.10 op ±12 μg/m3, waar de grenswaarde ook 40 μg/m3 bedraagt.

Figuur 5.8: GCN-kaart RIVM fijn stof PM10 (bron: https://data.rivm.nl/apps/gcn/)

Hertog Janstraat 52 Lith – 2023, pag. 59 van 70 Vastgesteld

Figuur 5.9: GCN-kaart RIVM fijn stof PM2,5 (bron: https://data.rivm.nl/apps/gcn/)

Figuur 5.10: GCN-kaart RIVM stikstofdioxide NO2 (bron: https://data.rivm.nl/apps/gcn/) Voor bescherming van de menselijke gezondheid definieert de Europese Richtlijn Luchtkwaliteit (2008/ 50/EG) een jaargrenswaarde voor het PM2,5 5- jaargemiddelde. Sinds 2020 geldt een strenge indicatieve

5 PM 2,5 is fijnstof (particulate matter) waarbij de deeltjes kleiner dan 2,5 micrometer doorsnede zijn. Deze

zijn naar de huidige inzichten schadelijker voor de gezondheid dan PM10.

Hertog Janstraat 52 Lith – 2023, pag. 60 van 70 Vastgesteld

jaargrenswaarde van 20 µg/m³. De jaargemiddelde concentratie ter plaatse van plangebied en omgeving gezien figuur 5.9 ±8,5 µg/m³ en is hiermee ruimschoots lager dan deze jaargrenswaarde. Gezien de achtergrondconcentraties fijn stof (PM10, PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) ruim onder de grenswaarden liggen, kan worden geconcludeerd worden dat zowel in de bestaande situatie als de met onderhavig plan beoogde nieuwe situatie sprake blijft van een acceptabele luchtkwaliteit ter plaatse van zowel het plangebied alsook de omgeving. Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor dit bestemmingsplan. 5.7.8 Straling Het beleid voor elektromagnetische velden is opgenomen in het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4), de Toekomstagenda Milieu en de beleidsnota Nuchter Omgaan met Risico's, beslissen met gevoel voor onzekerheden (2004). Het Ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft het beleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen uitgewerkt in een advies van oktober 2005. Dit advies is verder toegelicht in een brief van november 2008. De gemeente Oss heeft het Rijksadvies in het Milieubeleidsplan 2010-2014 als beleidsuitgangspunt vastgelegd.

Dit houdt in dat er bij nieuwbouwplannen of het realiseren van nieuwe hoogspanningslijnen dient te worden voorkomen dat gevoelige bestemmingen terecht komen binnen een zone waar het magnetische veld gemiddeld over een jaar hoger is dan de norm van 0,4 microtesla. Onderhavig bestemmingsplan heeft geen betrekking op het mogelijk maken van een gevoelige bestemming binnen het plangebied. Daarnaast is het plangebied niet gelegen binnen een afstand van 80 meter van een bovengrondse hoogspanningslijn, zodat er ter plaatse van het plangebied geen sprake is van een magnetische veldsterkte ten gevolge van hoogspanningslijnen die gemiddeld over een jaar meer dan 0,4 microtesla bedraagt. Het aspect straling vormt zodoende geen belemmering voor dit plan. 5.7.9 Weg-, spoor- en industrielawaai De Wet geluidhinder (Wgh) biedt bescherming tegen (spoor)weglawaai en tegen industrielawaai van inrichtingen, voor zover gelegen op een gezoneerd industrieterrein. Door de Wgh wordt een beperkt aantal typen objecten beschermd, de zogenoemde geluidsgevoelige objecten. De Wet geluidhinder kent een stelsel van normen ter voorkoming van geluidhinder. Ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen zijn grenswaarden opgenomen. Hierbij is een ondergrens (voorkeursgrenswaarde) en een bovengrens (maximaal toelaatbare grenswaarde) opgenomen.

De Wgh biedt gemeenten de mogelijkheid om gericht in te spelen op de lokale situatie door maatwerk te leveren. Burgemeester en wethouders kunnen een hogere waarde vaststellen dan de ondergrens maar mogen daarbij de bovengrens niet overschrijden. In 2010 heeft de gemeenteraad van Oss de geluidsnota ‘Geluidskwaliteit in de leefomgeving’ vastgesteld. De gemeente Oss maakt hierbij gebruik van een gebiedsgericht geluidbeleid. Per gebied wordt een bepaalde geluidskwaliteit nagestreefd. Zo zijn er ‘rustige gebieden’, ‘dynamische gebieden’ en gebieden die onder druk staan wat geluid betreft. De geluidsnota gaat tevens in op de realistische inzet van onderzoek, het stellen van eigen criteria voor het toestaan van een hogere waarde en bedrijfswoningen op industrieterreinen. De gemeente Oss streeft naar een leefbare woonsituatie, ook op locaties met een hoge geluidsbelasting. Deze leefbaarheid wordt bereikt door terughoudend te zijn met hogere grenswaarden en door hier voorwaarden aan te verbinden. De voorwaarden leggen de initiatiefnemer of de beheerder een inspanning op voor een leefbare woonomgeving als compensatie voor het bouwen en het veroorzaken van een lawaaiige situatie.

Hertog Janstraat 52 Lith – 2023, pag. 61 van 70 Vastgesteld

Bedrijfsactiviteiten kunnen invloed hebben op de geluidsbelasting van nabijgelegen woningen. Het Activiteitenbesluit biedt aan diverse objecten bescherming tegen door inrichtingen (zoals bedrijven) veroorzaakt geluid. Het gaat hierbij om geluidsgevoelige gebouwen (zoals woningen) en terreinen. Het Activiteitenbesluit sluit wat dat betreft aan bij het begrippenkader van de Wgh. In algemene zin beschermt het Activiteitenbesluit geluidsgevoelige objecten tegen geluid veroorzaakt door de toestellen, installaties, werkzaamheden en activiteiten binnen en ten behoeve van een inrichting, waaronder laden en lossen. De hierin gestelde geluidnormen zijn echter niet zonder meer te gebruiken om te toetsen of een plan inpasbaar is. De methodiek van de gegeven richtafstanden in de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG tussen geluidsbelastende en -gevoelige functies is daar beter op toegespitst. Aanvaard is dat als er aan de richtafstand wordt voldaan, er geen geluidshinder te verwachten is van de betreffende inrichting. Onderhavig bestemmingsplan voorziet in een vergroting van het bouwvlak, wat in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’ is vastgelegd ten behoeve van de geiten- en varkenshouderij van initiatiefnemer aan de Hertog Janstraat 52 te Lith.

Het plan van initiatiefnemer wat gerealiseerd kan worden als gevolg hiervan, ziet niet op het realiseren van een nieuw of verplaatsen van een bestaand geluidsgevoelig object. De bestaand in het plangebied aanwezige bedrijfswoning blijft als zodanig gehandhaafd en de te realiseren nieuwe bebouwing betreft geen tweede woning en geen ander geluidsgevoelig gebouw of geluidgevoelig terrein zoals bedoeld in de Wgh. Het voorgaande maakt dat er op grond van de Wgh geen akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai noodzakelijk is ten behoeve van onderhavig plan en ook geen akoestisch onderzoek industrielawaai met ten aanzien van geluidshinder vanuit in de omgeving van het plangebied uitgeoefende bedrijven (inrichtingen) of activiteiten. De ter plaatse van het plangebied door initiatiefnemer uitgeoefende geiten- en varkenshouderij is een niet op een gezoneerd industrieterrein gelegen inrichting. In paragraaf 5.7.1 is al getoetst in hoeverre er met onderhavig plan voor deze inrichting wordt voldaan aan de toepasselijke richtafstanden volgens de VNGhandreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’. Deze toets toont aan dat er met de bouwvlakvergroting en de beoogde nieuwe situatie wordt voldaan aan de richtafstand van 50 meter op het aspect geluid. Zodoende is ook geen akoestisch onderzoek industrielawaai noodzakelijk ten aanzien van geluidshinder vanuit deze inrichting.

Geconcludeerd wordt dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor dit bestemmingsplan. 5.7.10 Gezondheid Uit de VGO-rapporten die afgelopen jaren zijn gepubliceerd door het RIVM komt duidelijk naar voren dat er een relatie wordt gevonden tussen veehouderijen en de gezondheid van omwonenden. Deze relatie is door onderzoek op verschillende manieren vastgesteld. Daarbij komen de dichtheid van veehouderijen en afstand tot bepaalde typen individuele veehouderijen concreet naar voren als factoren die van invloed zijn op de gezondheid van omwonenden. Verder blijkt uit VGO-onderzoek dat er binnen een straal van twee kilometer rondom geitenhouderijen verhoogde incidentie van longontstekingen (ca. 25-30% hoger) voorkomt. De oorzaak van het verhoogde risico op een longontsteking rond geitenbedrijven is vooralsnog onbekend en is daarom onderwerp van vervolgonderzoek. Op dit moment kan er geen enkele bron-effect relatie worden beschreven tussen de verhoogde incidentie van longontstekingen en de emissies vanuit geitenhouderijen. Wel is er een causaal verband geconstateerd, waarbij de associatie sterker is naarmate de afstand tot een geitenhouderij kleiner is. Tot er meer duidelijkheid is over de bron van de verhoogde incidentie longontstekingen, kan niet worden

Hertog Janstraat 52 Lith – 2023, pag. 62 van 70 Vastgesteld

geadviseerd over beschermende maatregelen. Afstand houden en goed informeren is de enige maatregel welke de GGD op dit moment adviseert. In afwachting van het vervolgonderzoek heeft de provincie Noord-Brabant besloten dat toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf voor geiten door nieuwbouw of uitbreiding van stallen of in gebruik nemen van overige bedrijfsgebouwen als stal niet meer toegestaan is. Dit ‘moratorium’ is in beginsel tijdelijk. Als de uitkomsten van het vervolgonderzoek bekend worden, wordt gekeken of er redenen zijn om dat besluit in te trekken of aan te passen. In het kader van goede ruimtelijke ordening is het bevoegde gezag verplicht alle bekende risico's bij een (nieuwe) ontwikkeling af te wegen. Er is geen sprake van een omgekeerde werking van het moratorium de ‘stop’ op uitbreidingen van geitenbedrijven zorgt niet voor een stop op ontwikkelingen binnen de twee kilometer straal van een geitenhouderij - maar wel van een risico dat beoordeeld en meegewogen dient te worden bij (nieuwe) ontwikkelingen. Het verantwoorden van het verhoogde risico is aan het bevoegde gezag, in casu de gemeente. Die geeft een oordeel over en maakt een afweging of onder meer met betrekking tot gezondheid en geitenhouderijen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Het college van B&W van de gemeente Oss besloot op 5 december 2017 dat wenselijke ontwikkelingen na een zorgvuldige afweging wat betreft volksgezondheid kunnen worden toegestaan binnen de straal van twee kilometer rondom een geitenhouderij. Het beleid voor geitenhouderijen in Oss houdt in dat bij de realisering van een ruimtelijke ontwikkeling binnen een straal van 2 kilometer rondom een geitenhouderij rekening moet worden gehouden met de volgende criteria: a. Het informeren van de aanvragers over het risico. b. Terughoudend omgaan met ontwikkelingen op gebied van het huisvesten of opvang van kinderen, ouderen en kwetsbare mensen. c. Na een zorgvuldige afweging en eventueel maatwerk kunnen wenselijk geachte ontwikkelingen binnen een straal van twee kilometer van een geitenhouderij toe worden gestaan. ‘De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’ (versie mei 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nader advies vanuit de GGD wenselijk is. De zeven stappen dienen allen te worden doorlopen en beantwoord om na te gaan of er aandachtspunten worden gevonden.

De bouwvlakvergroting waar onderhavig bestemmingsplan in voorziet, is zoals in paragraaf 3.2 beschreven niet bedoeld om mogelijk te maken dat er in het plangebied nieuwbouw of uitbreiding van stallen voor geiten kan plaatsvinden of een bestaand overig bedrijfsgebouw mag worden gebruikt als stal voor geiten. Derhalve is geen sprake van een plan wat betrekking heeft op een uitbreiding van het ter plaatse gehouden aantal geiten. Door het overnemen van bepaalde regels van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’ in de regels van het onderhavige plan, biedt dit plan hiertoe ook geen mogelijkheid: • Volgens artikel 3.1.2 onder e van de planregels mogen er in het plangebied slechts geiten en varkens worden gehouden en is ter plaatse geen toename toegestaan van de oppervlakte van dierenverblijven. • Volgens artikel 7.2 onder a van de planregels is het niet toegestaan om het gebruik van gronden en bouwwerken in het plangebied te wijzigen om meer geiten te houden dan toegestaan volgens de voor 5 september 2018 verleende toestemming wat betreft de activiteit ‘milieu’.

Gelet het voorgaande heeft onderhavig bestemmingsplan niet tot gevolg dat er een wijziging of toename is in de gezondheidsrisico’s vanwege de binnen het plangebied uitgeoefende geiten- en varkenshouderij ten opzichte van de situatie, zoals vergund met de op 13 juli 2016 voor deze veehouderij verleende omgevingsvergunning beperkte milieutoets. Dit betekent dat zoals destijds in het kader van deze vergunning

Hertog Janstraat 52 Lith – 2023, pag. 63 van 70 Vastgesteld

door de GGD is geconcludeerd, er uit gezondheidskundig oogpunt sprake zal blijven van acceptabele geur- en fijn stofbelastingen en acceptabele risico’s vanuit zoönosen. Een nieuwe beoordeling van of een der advies vanuit de GGD wenselijk is, kan zo achterwege blijven. 5.7.11 Spuitzones Het aspect spuitzones is in het kader van onderhavig bestemmingsplan niet relevant. Uit voorgaande paragrafen blijkt dat dit plan geen betrekking heeft op het mogelijk maken van het realiseren van een nieuw danwel het verplaatsen van een bestaand gevoelig object binnen het plangebied.

5.8

Milieueffectrapportage (M.e.r.)

Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt de milieugevolgen van een plan in beeld voordat er een besluit over wordt genomen. In een m.e.r. worden de gevolgen voor het milieu beschreven. Zo kan de overheid die het besluit neemt de milieugevolgen betrekken bij haar afwegingen. Een m.e.r. heeft tot doel om het milieu een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over plannen en projecten. In een m.e.r.-beoordeling bekijkt het bevoegd gezag of een project of plan mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen kan hebben. Als dat zo is, moet er een m.e.r.-procedure doorlopen worden. Wanneer speelt een m.e.r.-beoordeling? In het Besluit m.e.r. staat in welk geval een m.e.r. of een m.e.r.-beoordeling aan de orde is. De activiteit die het project of plan mogelijk maakt en het besluit over de activiteit zijn daarbij bepalend. In de C- en Dlijsten in de Bijlage bij het Besluit m.e.r. staat of sprake is van een m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht. Per categorie van activiteiten is een drempelwaarde voor de omvang van de activiteit gegeven. Boven de C-drempel geldt een m.e.r.-plicht, tussen de C- en de D-drempel een m.e.r.-beoordelingsplicht en onder de D-drempel geldt de vereiste van een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Bij een vormvrije m.e.r.beoordeling moet onderbouwd worden of de beoogde activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu.

Sinds de implementatie van de gewijzigde M.e.r.-richtlijn op 16 mei 2017 is de procedure voor de vormvrije en de formele m.e.r.-beoordeling bijna gelijk. Het enige verschil is dat van het besluit bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling geen kennisgeving wordt gedaan. Het m.e.r.-beoordelingsbesluit De initiatiefnemer stelt een aanmeldnotitie op, waarover het bevoegd gezag binnen zes weken na indiening een m.e.r.-beoordelingsbesluit moet nemen. Het bevoegd gezag motiveert dit besluit door in te gaan op de selectiecriteria van Bijlage III van de M.e.r.-richtlijn. Het gaat daarbij om de hoofdcategorieën: 1. Kenmerken van het project of het plan. 2. Plaats van het project of het plan. 3. Kenmerken van het potentiële effect. Als het bevoegd gezag zelf de initiatiefnemer is, dan is het in tegenstelling tot een derde niet verplicht om een aanmeldnotitie op te stellen. Verantwoording Ten aanzien van Natura 2000-gebieden geldt dat in onderhavig geval geen sprake is van een plan, waar een passende beoordeling voor nodig is. Zie paragraaf 5.2.2. In onderhavig geval is daarnaast geen sprake van een activiteit die is opgenomen C- of D-lijst van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Dit bestemmingsplan voorziet weliswaar in vergroting van het bouwvlak ten behoeve van het uitoefenen van een geiten- en varkenshouderij, maar dient niet om mogelijk te maken dat

Hertog Janstraat 52 Lith – 2023, pag. 64 van 70 Vastgesteld

er ten opzichte van de milieuvergunde situatie een toename van de oppervlakte aan dierenverblijven en/of wijziging of uitbreiding in de aantallen gehouden geiten en varkens gerealiseerd kan worden. Zoals al toegelicht in voorgaande paragraaf, staan de planregels dat ook niet rechtstreeks toe. Dientengevolge heeft onderhavig bestemmingsplan geen betrekking op de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren 6. Uit het voorgaande wordt geconcludeerd dat voor onderhavig plan geen sprake is van een m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht. Wat betreft de vormvrije m.e.r.-beoordeling kan worden gesteld dat uit voorliggende toelichting voldoende goed naar voren komt dat onderhavig plan geen belangrijke nadelige milieugevolgen heeft.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=febeaa80-0995-4c01-9218-5aee90c44909