Bijlage 4A Toelichting BP Hertog Janstraat 52 Lith - 2023.PDF
Tekst van het document
Volgens artikel 3.9, lid 3 IOV is dit een aspect, dat bijdraagt aan een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit en uit artikel 3.8, lid 2 IOV volgt dat dit deel kan uitmaken van meerwaardecreatie. Op basis van het voorgaande is te concluderen dat onderhavig bestemmingsplan en het hieraan ten grondslag liggende plan van initiatiefnemer vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving inpasbaar in de omgeving zijn. Ad d. Onderhavig bestemmingsplan voorziet niet in het handhaven of realiseren van een voorziening voor mestbewerking ter plaatse van het plangebied. In de regels van dit plan is conform betreffende voorwaarde vastgelegd dat alleen een voorziening voor het bewerken van van de eigen locatie afkomstige mest bij recht is toegestaan. Ad e. De bouwvlakvergroting waar onderhavig bestemmingsplan in voorziet, is zoals in paragraaf 3.2 beschreven niet bedoeld om mogelijk te maken dat er in het plangebied nieuwbouw of uitbreiding van stallen kan plaatsvinden of een bestaand overig bedrijfsgebouw mag worden gebruikt als stal. Er is derhalve geen sprake van een plan, wat betrekking heeft op een wijziging van de ter plaatse gehouden diersoorten en/ of een uitbreiding van ter plaatse gehouden aantallen varkens en/of geiten.
Door het overnemen van bepaalde regels van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’ in de regels van onderhavig plan, biedt dit plan hiertoe ook niet de mogelijkheid: • Volgens artikel 3.1.2 onder e van de planregels mogen er in het plangebied slechts geiten en varkens worden gehouden en is ter plaatse geen toename toegestaan van de oppervlakte van dierenverblijven. • Volgens artikel 7.2 onder a van de planregels is het niet toegestaan om het gebruik van gronden en bouwwerken in het plangebied te wijzigen om meer geiten te houden dan toegestaan volgens de voor 5 september 2018 verleende toestemming wat betreft de activiteit ‘milieu’. Gelet het voorgaande heeft onderhavig bestemmingsplan niet tot gevolg dat de geuremissie vanuit de in het plangebied uitgeoefende geiten- en varkenshouderij wijzigt of toeneemt ten opzichte van de situatie, zoals vergund met de op 13 juli 2016 voor deze veehouderij verleende omgevingsvergunning beperkte milieutoets. Dit betekent dat er ten opzichte van deze vergunning ook geen sprake zal zijn van een toename van de achtergrondbelasting op geurgevoelige objecten. Met de in het kader van voornoemde omgevingsvergunning beperkte milieutoets berekende achtergrondbelasting wordt voldaan aan de gestelde percentages van 12% respectievelijk 20%. Zie figuur 4.3.
Hertog Janstraat 52 Lith – 2023, pag. 26 van 70 Vastgesteld
X-coördinaat
Y-coordinaat
GGLID
Achtergrondbelasting OU/m3 % Geurgehinderden 158610 423395 Bebouwde kom Lith 6,171 ±8% 158894 420396 Gewandeweg 6 4,519 6-7% Figuur 4.3: Achtergrondbelasting op dichtstbijzijnde geurgevoelige objecten volgens omgevingsvergunning beperkte milieutoets d.d. 13 juli 2016 Als bijlage bij deze toelichting is een geactualiseerde berekening van de achtergrondbelasting opgenomen. Figuur 4.4 geeft de resultaten weer. Hieruit blijkt dat de optredende achtergrondbelasting nog altijd voldoet aan de gestelde percentages van 12% respectievelijk 20%. X-coördinaat
Y-coordinaat
GGLID
Achtergrondbelasting OU/m3 % Geurgehinderden 158610 423395 Bebouwde kom Lith 5,57 7-8% 158894 420396 Gewandeweg 6 4,10 ±6% Figuur 4.4: Achtergrondbelasting op dichtstbijzijnde geurgevoelige objecten volgens berekening 2022 Ad f. Met de bouwvlakvergroting waar onderhavig bestemmingsplan in voorziet, wordt de oppervlakte van het bouwvlak ter plaatse van het plangebied tot het gestelde maximum van 1,5 hectare vergroot. De hieraan gestelde eis van tenminste 10% van de omvang van het bouwperceel betekent dus dat in het kader van dit plan een landschappelijke inpassing moet plaatsvinden, welke minstens 1.500 m2 grond beslaat. De inpassing mag worden gerealiseerd op de gronden binnen of direct grenzend aan het vergrote bouwvlak. Zoals beschreven in paragraaf 3.3, is in het kader van dit bestemmingsplan een inrichtingsplan gemaakt voor een goede zorgvuldige landschappelijke inpassing van het agrarisch erf en bouwvlak in de beoogde situatie. Uit dit plan, wat als bijlage onderdeel uitmaakt van deze toelichting en de planregels, blijkt dat de te realiseren landschappelijke inpassing een omvang heeft van 1.700 m 2 en op de hiervoor bedoelde gronden plaatsvindt. Ad g. Uit paragraaf 9.1 blijkt dat initiatiefnemer in het kader van onderhavig bestemmingsplan een zorgvuldige omgevingsdialoog heeft gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving in de planontwikkeling.
Rust- en foerageergebied ganzen en smienten Op basis van het ganzenbeleid heeft de provincie Noord-Brabant rust- en foerageergebieden aangewezen voor ganzen en smienten. Essentie van het ganzenbeleid is dat de in Nederland verblijvende beschermde inheemse ganzen en smienten gedurende de winter binnen aangewezen gebieden rust wordt geboden. Binnen de aangewezen rust- en foerageergebieden geldt dat grauwe, brand-, rot-, kol-, toendrariet- en taigarietganzen en smienten in de periode tussen 1 november en 1 april niet opzettelijk mogen worden verontrust. Het verjagen, vangen of schieten van deze ganzen of smienten is dan niet toegestaan. Voornoemd verbod is vastgelegd in artikel 2.60 IOV en daarmee in de rechtstreeks werkende regels voor activiteiten van deze verordening. Dit verbod is te zien als een regel om rekening mee te houden bij uitvoering van zowel sloop-, bouw- als beplantingswerkzaamheden, maar het sluit uitvoering van zulke werkzaamheden niet uit. Omdat het om een rechtstreeks werkende regel gaat, is het niet noodzakelijk om hier een regeling voor te treffen in dit bestemmingsplan. Conclusie Onderhavig bestemmingsplan is alleen in strijd met het bepaalde in artikel 3.47 IOV.
Hertog Janstraat 52 Lith – 2023, pag. 27 van 70 Vastgesteld
4.3.3 Omgevingsverordening Noord-Brabant Op 11 maart 2022 hebben Provinciale Staten van Noord-Brabant een volgende stap gezet in de implementatie van de Omgevingswet op provinciaal niveau door vaststelling van de Omgevingsverordening Noord-Brabant. In deze verordening staan alle provinciale regels over de fysieke leefomgeving bij elkaar. De Omgevingsverordening Noord-Brabant treedt tegelijkertijd met de Omgevingswet in werking, naar verwachting vanaf 1 januari 2023. Totdat deze verordening in werking treedt, geldt nog de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Voor de artikelen 3.5 tot en met 3.9 en artikel 3.49 van de regels van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant geldt dat deze ongewijzigd zijn overgenomen in de artikelen 5.7 tot en met 5.11 en artikel 5.63 van de regels van de Omgevingsverordening Noord-Brabant. Aangezien volgens voorgaande paragraaf dit bestemmingsplan en het hieraan ten grondslag liggende plan van initiatiefnemer niet in strijd zijn met het gestelde in deze artikelen van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant, zijn ze op betreffende punten ook niet strijdig met de Omgevingsverordening Noord-Brabant.
Het in artikel 3.47 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant vastgelegde tijdelijk verbod ten aanzien van ontwikkeling van geitenhouderijen is echter niet ongewijzigd in de vastgestelde Omgevingsverordening Noord-Brabant overgenomen. Gezien de formulering van artikel 5.61 van de regels is op grond van deze verordening een uitbreiding van een geitenhouderij en dientengevolge een vergroting van het bestaande bouwperceel door bijv. een vergroting van het bouwvlak wel toegestaan. Vereiste daarbij is wel dat ter plaatse van betreffend bestaand bouwperceel bestaand sprake is van uitoefenen van een geitenhouderij. Ook mag het betrokken plan niet toezien op een toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf voor geiten door nieuwbouw of uitbreiding van stallen en/of het in gebruik nemen van een bestaand overig bedrijfsgebouw als stal. “Artikel 5.61 Een omgevingsplan van toepassing op Landelijk gebied bepaalt dat: a. de vestiging van of omschakeling naar een geitenhouderij is uitgesloten; en b.
een toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf voor geiten is uitgesloten.” Op basis van het vermelde in paragraaf 3.2 en voorgaande paragraaf kan worden geconcludeerd dat er met onderhavig bestemmingsplan en het hieraan ten grondslag liggende plan van initiatiefnemer wordt voldaan aan de hiervoor genoemde vereisten als het gaat over bouwvlakvergroting voor een geitenhouderij. Gelet hierop is onderhavig bestemmingsplan in overeenstemming met het gestelde in artikel 5.61 en is de hiermee voorgestane ontwikkeling van de geitenhouderij ter plaatse van het plangebied niet uitgesloten, maar mogelijk vanuit de Omgevingsverordening Noord-Brabant. Conclusie Het tijdelijk verbod ten aanzien van ontwikkeling van geitenhouderijen zoals vastgelegd in artikel 3.47 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan. Er kan ten behoeve van dit plan worden geanticipeerd op de gewijzigde regelgeving die wat dit betreft is vastgelegd in artikel 5.61 van de vastgestelde Omgevingsverordening Noord-Brabant, welke naar verwachting op 1 januari 2023 tegelijkertijd met de Omgevingswet in werking treedt. 4.4
Gemeentelijk beleid
4.4.1 Structuurvisie Buitengebied Oss – 2015 De gemeente Oss heeft een omvangrijk buitengebied. In de afgelopen jaren zijn de buitengebieden van Oss, Lith en Geffen samengevoegd. Voor deze afzonderlijke buitengebieden waren al structuurvisies op-
Hertog Janstraat 52 Lith – 2023, pag. 28 van 70 Vastgesteld
gesteld. Het is belangrijk dat de gemeente een integrale visie heeft op het totale buitengebied van de gemeente Oss. Deze visie is samengekomen in de ‘Structuurvisie Buitengebied Oss – 2015’. Het plangebied van deze structuurvisie is het totale buitengebied van de gemeente Oss, met uitzondering van het motorcrosscircuit Nieuw-Zevenbergen en vakantiepark Herperduin. De structuurvisie biedt de juridische basis voor financiële bijdragen bij ruimtelijke ontwikkelingen. In de structuurvisie zijn doelstellingen opgenomen die moeten leiden tot een robuuste en duurzame ruimtelijke structuur voor een vitaal en multifunctioneel buitengebied.
Dit moet resulteren in: - Een vitaal buitengebied, waar een goed evenwicht is tussen alle aanwezige functies zoals landbouw, toerisme, recreatie, natuur, water en wonen; - Versterking van de ruimtelijke identiteit met aandacht voor verscheidenheid, ruimte en landelijkheid; - Versterking van de aanwezige landschapstypen: uiterwaarden, oeverwal, komgebied, dekzandrug en dekzandrand; - Behoud, herstel en/of ontwikkeling van de landschappelijke, cultuurhistorische en ecologische structuren of elementen; - Gebieden met blijvende ruimte en mogelijkheden voor de (grondgebonden) landbouw, met name binnen het primaire agrarische gebied; - Voldoende afstand tussen slecht verenigbare functies, zoals wonen en intensieve veehouderij; - Instandhouding van de leefbaarheid door het zorgvuldig en afgewogen bieden van ruimte aan nieuwe economische dragers; - Nieuwe impulsen voor toerisme en recreatie, met bijzondere aandacht voor versterking van de recreatie in de Maashorst en het Maasgebied en het ontwikkelen van aantrekkelijke uitloopgebieden met natuur en recreatie nabij de stad Oss en toeristisch-recreatieve verbindingen tussen kernen op afstand van de Maas en de Maasdijk; - Het bieden van ruimte ten aanzien van waterveiligheid, -kwantiteit en -kwaliteit. De bovenstaande doelstellingen zijn vertaald naar een ontwikkelingsvisie per landschapstype.
We maken onderscheid tussen: - Uiterwaarden; - Oeverwal; - Komgebied; - Dekzandrand; - Dekzandrug; - Primair agrarisch gebied. Per landschapstype zijn een gebiedsbeschrijving, een ruimtelijke en een functionele visie opgenomen in de Structuurvisie. Naast de visies per landschapstype zijn er ook ontwikkelingsvisies opgesteld per bebouwingsconcentratie. Per bebouwingsconcentratie is een beschrijving van de ruimtelijke situatie gegeven en een visie over landschappelijke kenmerken en de mogelijkheden voor ontwikkelingen en transformaties. Het plangebied van dit bestemmingsplan ligt in het landschapstype ‘Komgebied’ en valt buiten de aangewezen bebouwingsconcentraties. Zie de figuren 4.5 en 4.6.
Hertog Janstraat 52 Lith – 2023, pag. 29 van 70 Vastgesteld
Figuur 4.5: Kaart Landschapstypen Structuurvisie Buitengebied Oss – 2015 (bron: RuimtelijkePlannen.nl)
Figuur 4.6: Kaart met overzicht bebouwingsconcentraties Structuurvisie Buitengebied Oss – 2015 (bron: RuimtelijkePlannen.nl) Volgens de in de structuurvisie vervatte gebiedsbeschrijving wordt het komgebied gekenmerkt als open en grootschalig en door grootschalig agrarisch gebruik. Het kent een regelmatig, rationeel en rechtlijnig verkavelingspatroon. De ruimtelijke opbouw wordt bepaald door weides, strakke waterlopen, eendenkooien, boerderijen en de randen van de landschapstypen ‘Oeverwal’ en ‘Dekzandrand’. Gezien het volgende zijn de bouwvlakvergroting waar onderhavig bestemmingsplan in voorziet en het
Hertog Janstraat 52 Lith – 2023, pag. 30 van 70 Vastgesteld
plan van initiatiefnemer wat als gevolg hiervan gerealiseerd kan worden, passend binnen de in de structuurvisie opgenomen ruimtelijke visie ten aanzien van het komgebied: • Het agrarisch erf en bouwvlak ter plaatse van het plangebied krijgen, mede door de landschappelijke inpassing waar het gemaakte inrichtingsplan in voorziet, in de beoogde nieuwe situatie een (meer) rechthoekige vorm dan de bestaande L-vorm. Dit versterkt het rationele en rechtlijnige verkavelingspatroon van het komgebied. De in het inrichtingsplan begrepen toevoeging van erfbeplanting leidt er toe dat het agrarische bedrijf ter plaatse zich sterker in het open landschap zal aftekenen. • In hiervoor bedoeld inrichtingsplan is tegelijkertijd dermate terughoudend met erfbeplanting rond het agrarische bedrijf ter plaatse omgegaan, dat dit bedrijf hier niet volledig achter wordt verstopt. In de in de structuurvisie gegeven functionele visie op het komgebied wordt aangegeven dat dit gebied in hoofdzaak een agrarische functie kent. Grote delen vormen het primair agrarisch gebied: het gebied waar de veehouderij de beste doorgroeimogelijkheden heeft en wordt gestreefd naar behoud van duurzame bedrijfslocaties. Binnen het komgebied wordt vergroting van bouwvlakken tot maximaal 2,5 hectare in het algemeen toelaatbaar geacht. Wel zal er altijd een concrete omgevingstoets moeten plaatsvinden.
Het plangebied van onderhavig bestemmingsplan is gelet de aanduiding ‘overige zone – primair agrarisch gebied’ gelegen in een gedeelte van het komgebied, dat primair agrarisch gebied betreft. Te constateren is dat de bouwvlakvergroting waar dit plan in voorziet, bijdraagt aan behoud van een duurzame bedrijfslocatie. Deze toelichting is te beschouwen als de hiervoor uitgevoerde concrete omgevingstoets, welke aantoont dat in dit geval vergroting van het bouwvlak tot 1,5 hectare toelaatbaar is. Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat onderhavig bestemmingsplan passend is binnen het in de ‘Structuurvisie Buitengebied Oss – 2015’ opgenomen gemeentelijke beleid. 4.4.2 Bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’ In de regels van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’ is een bevoegdheid opgenomen, op basis waarvan door middel van een door het college van burgemeester en wethouders vastgesteld wijzigingsplan het in dit plan vastgelegde bouwvlak tot 1,5 hectare kan worden vergroot. Hoewel hiervan geen gebruik gemaakt kan worden omdat in dit geval niet aan één van die voorwaarden wordt voldaan, is het voor onderbouwing van onderhavig bestemmingsplan wel zinvol te toetsen aan alle voorwaarden uit die bevoegdheid.
“40.3.1 Vergroting agrarisch bouwvlak tot 1,5 ha Indien wordt aangetoond dat een dialoog is gevoerd met de direct aanwonenden zijn burgemeester en wethouders bevoegd om een bouwvlak van een agrarisch bedrijf binnen de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschap’ te vergroten tot een maximale oppervlakte van 1,5 ha mits: a. de noodzaak ervan is aangetoond aan de hand van een ondernemersplan, in welk kader burgemeester en wethouders advies inwinnen van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen; b. aangetoond is dat voldaan wordt aan de eisen van de milieuwetgeving (ammoniak, geur, volksgezondheid en dergelijke) en er geen onevenredige nadelige gevolgen zijn voor de in de omgeving aanwezige waarden (zoals water, ecologie, Natura 2000-gebied, landschap, cultuurhistorie, archeologie) en voor de belangen van derden; c. het bouwvlak goed en zorgvuldig landschappelijk wordt ingepast met inheemse beplanting; d. een goede uitstraling van het geheel in stedenbouwkundige, landschappelijke en/of architectonische zin wordt bereikt; e. de uitbreiding een positieve bijdrage levert aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken; deze voorwaarde geldt uitsluitend indien het uit te breiden bouwvlak en/of de uitbreiding geheel of gedeeltelijk ligt binnen de aanduiding ‘overige zone – groenblauwe mantel’; f.
voor zover er sprake is van veehouderij:
Hertog Janstraat 52 Lith – 2023, pag. 31 van 70 Vastgesteld
1. er geborgd is dat ter plaatse alleen een zorgvuldige veehouderij is toegestaan; 2. de ontwikkeling vanuit een goede leefomgeving inpasbaar is in de omgeving. Het betreft hier onder andere bodemkwaliteit, de waterhuishouding, de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, de cultuurhistorische waarden, de ecologische waarden, de aardkundige waarden en de landschappelijke waarden, verkeersafwikkeling, milieuaspecten en volksgezondheid; 3. is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger dan 20%, tenzij er - als blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages - maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting die ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert; 4. de landschappelijke inpassing ten minste 10% van de omvang van het bouwperceel omvat; 5. de toelichting een verantwoording bevat dat een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving in de planontwikkeling; 6. er binnen de zone ‘overige zone – beperking veehouderij’ sprake is van een grondgebonden veehouderij; g.
er geen sprake is van de vestiging van, de uitbreiding van, de omschakeling naar en/of een toename van de oppervlakte dierenverblijf van geitenhouderijen.” Ad aanhef en f5. Uit paragraaf 9.1 blijkt dat initiatiefnemer in het kader van onderhavig bestemmingsplan een zorgvuldige omgevingsdialoog heeft gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving in de planontwikkeling. Ad a. Aan onderhavig bestemmingsplan is een principeverzoek vooraf gegaan. Op basis van dat verzoek heeft de gemeente de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen (AAB) gevraagd om advies uit te brengen over de noodzaak van de bouwvlakvergroting waarom initiatiefnemer verzocht. Uit het van de AAB ontvangen advies, wat als bijlage bij deze toelichting is opgenomen, blijkt dat in dit geval die noodzaak aanwezig is. Het bevat namelijk de volgende conclusie: ‘Samenvattend is de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen van oordeel dat de voorgestelde vergroting van het bouwvlak van 1,18 naar 1,5 ha noodzakelijk is vanuit optiek van doelmatige agrarische bedrijfsvoering.’ Ad b en f2. In hoofdstuk 5 van deze toelichting is aangetoond dat de beoogde bouwvlakvergroting en het plan van initiatiefnemer wat als gevolg hiervan kan worden gerealiseerd, vanuit een goede leefomgeving inpasbaar in de omgeving is.
Uit de hier opgenomen toetsing blijkt dat voldaan wordt aan de eisen van de milieuwetgeving en er geen nadelige gevolgen zijn voor in de omgeving van het plangebied aanwezige waarden of de belangen van derden. Ad c en f4. Met de bouwvlakvergroting waar onderhavig bestemmingsplan in voorziet, wordt de oppervlakte van het bouwvlak ter plaatse van het plangebied tot het gestelde maximum van 1,5 hectare vergroot. De hieraan gestelde eis van tenminste 10% van de omvang van het bouwperceel betekent dus dat in het kader van dit plan een landschappelijke inpassing moet plaatsvinden, welke minstens 1.500 m2 grond beslaat. De inpassing mag worden gerealiseerd op de gronden binnen of direct grenzend aan het vergrote bouwvlak. Zoals beschreven in paragraaf 3.3, is in het kader van dit bestemmingsplan een inrichtingsplan gemaakt voor een goede zorgvuldige landschappelijke inpassing van het agrarisch erf en bouwvlak in de beoogde situatie. Uit dit plan, wat als bijlage onderdeel uitmaakt van deze toelichting en de planregels, blijkt dat de te realiseren landschappelijke inpassing een omvang heeft van 1.700 m 2 en op de hiervoor bedoelde gronden plaatsvindt met gebruik van inheemse en gebiedseigen erfbeplanting.
Hertog Janstraat 52 Lith – 2023, pag. 32 van 70 Vastgesteld
Ad d. Volgens het in paragraaf 3.2 beschreven plan van initiatiefnemer worden de nieuw te bouwen loods en nieuwe sleufsilo’s en plaat voor voeropslag gerealiseerd aan de achterzijde van het erf ter plaatse van het plangebied, in het verlengde en op korte afstand van de bestaand aanwezige bedrijfsgebouwen en direct aansluitend op de bestaand aanwezige erfverharding. Als zodanig is er stedenbouwkundig en landschappelijk gezien sprake van goede inpassing: • De gerealiseerde agrarische bedrijfsbebouwing blijft zo compact en geclusterd mogelijk; • De nieuwe bedrijfsbebouwing wordt gezien vanaf de Hertog Janstraat grotendeels aan het zicht onttrokken door de bestaande bedrijfsbebouwing en dat beperkt de invloed op bestaande zichtlijnen. Een verdere bijdrage aan een goede uitstraling van het geheel wordt bereikt door middel van de te realiseren landschappelijke inpassing van het agrarisch erf en bouwvlak. Ad e. Deze voorwaarde is in dit geval niet van toepassing. Het plangebied ligt niet binnen de aanduiding ‘overige zone – groenblauwe mantel’. Ad f1. Om te bepalen of sprake is van een zorgvuldige veehouderij heeft de provincie Noord-Brabant nadere regels vastgesteld op grond van artikel 5.11 IOV. Deze regels zijn vermeld in de ‘Nadere regels Brabantse zorgvuldigheidsscore veehouderij’.
Bij de Brabantse zorgvuldigheidsscore veehouderij (BZV) wordt er gebruik gemaakt van een scoringssysteem, waarbij op diverse aspecten punten kunnen worden gehaald. Wanneer op elk afzonderlijk aspect de daarvoor minimaal vereiste score wordt behaald, is sprake van een zorgvuldige veehouderij. Uitgaande van de bestaande (vergunde) situatie en het plan van initiatiefnemer voor de ontwikkeling van zijn geiten- en varkenshouderij is het scoringssysteem van de BZV ingevuld. Het daaruit volgende rapport is als bijlage bij deze toelichting opgenomen. Uit het rapport blijkt dat met deze ontwikkeling op elk afzonderlijk aspect wordt voldaan aan de minimaal vereiste score en er dus ter plaatse van het plangebied sprake zal zijn van een zorgvuldige veehouderij. Ad f3. De bouwvlakvergroting waar onderhavig bestemmingsplan in voorziet, is zoals in paragraaf 3.2 beschreven niet bedoeld om mogelijk te maken dat er in het plangebied nieuwbouw of uitbreiding van stallen kan plaatsvinden of een bestaand overig bedrijfsgebouw mag worden gebruikt als stal. Er is derhalve geen sprake van een plan, wat betrekking heeft op een wijziging van de ter plaatse gehouden diersoorten en/ of een uitbreiding van ter plaatse gehouden aantallen varkens en/of geiten.
Door het overnemen van bepaalde regels van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’ in de regels van onderhavig plan, biedt dit plan hiertoe ook niet de mogelijkheid: • Volgens artikel 3.1.2 onder e van de planregels mogen er in het plangebied slechts geiten en varkens worden gehouden en is ter plaatse geen toename toegestaan van de oppervlakte van dierenverblijven. • Volgens artikel 7.2 onder a van de planregels is het niet toegestaan om het gebruik van gronden en bouwwerken in het plangebied te wijzigen om meer geiten te houden dan toegestaan volgens de voor 5 september 2018 verleende toestemming wat betreft de activiteit ‘milieu’. Gelet het voorgaande heeft onderhavig bestemmingsplan niet tot gevolg dat de geuremissie vanuit de in het plangebied uitgeoefende geiten- en varkenshouderij wijzigt of toeneemt ten opzichte van de situatie, zoals vergund met de op 13 juli 2016 voor deze veehouderij verleende omgevingsvergunning beperkte milieutoets. Dit betekent dat er ten opzichte van deze vergunning ook geen sprake zal zijn van een toename van de achtergrondbelasting op geurgevoelige objecten en de in het kader van deze vergunning be-
Hertog Janstraat 52 Lith – 2023, pag. 33 van 70 Vastgesteld
rekende belastingen voldoen aan de gestelde percentages van 12% respectievelijk 20%. Zie figuren 4.3 en 4.4. Ad f6. Deze voorwaarde is in dit geval niet van toepassing. Het plangebied ligt niet binnen de aanduiding ‘overige zone – beperking veehouderij’. Ad g. Deze voorwaarde betreft een doorvertaling van het bepaalde in artikel 3.47 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Aangezien bouwvlakvergroting zoals beschreven in paragraaf 4.3.2 een met dit artikel strijdige ontwikkeling van een geitenhouderij is, wordt in dit geval niet aan deze voorwaarde voldaan. Conclusie Het tijdelijk verbod ten aanzien van ontwikkeling van geitenhouderijen zoals vastgelegd in artikel 3.47 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant vormt een belemmering om door middel van een wijzigingsplan het bouwvlak voor de geiten- en varkenshouderij van initiatiefnemer aan de Hertog Janstraat 52 te Lith tot 1,5 hectare te vergroten. Dit doordat het doorvertaald is in voorwaarde g. van de wijzigingsbevoegdheid, vervat in artikel 40.3.1 van de regels van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’.
Er kan zoals beschreven in paragraaf 4.3.3 echter worden geanticipeerd op de gewijzigde regelgeving die wat dit betreft is vastgelegd in artikel 5.61 van de vastgestelde Omgevingsverordening Noord-Brabant, welke naar verwachting op 1 januari 2023 tegelijkertijd met de Omgevingswet in werking treedt. Dat kan alleen niet met een wijzigingsplan; het vereist onderhavig bestemmingsplan. 4.4.3 Welstandsbeleid Op 24 september 2020 is “Samen bouwen aan een mooi Oss, Nota uiterlijk van bouwwerken Oss 2020” vastgesteld. Dit welstandsbeleid legt meer verantwoordelijkheid bij de inwoners en bedrijven van de gemeente Oss. Met deze nota geldt er in principe voor het gehele grondgebied van de gemeente Oss een welstandsvrij beleid. Nieuwe bouwaanvragen hoeven niet te worden voorgelegd aan het Adviesteam Architectuur om te worden getoetst aan ‘redelijke eisen van welstand’, tenzij sprake is van één van de volgende uitzonderingssituaties: - bebouwing binnen beschermde stads- en dorpsgezichten; - monumenten en de panden in de directe omgeving van een monument (binnen een straal van 25 meter vanaf een monument); - bebouwing binnen gebieden, waar een beeldkwaliteitsplan geldt. In deze situaties is voor bebouwing wél een welstandsadvies verplicht.
Binnen het welstandsvrije deel van de gemeente blijft de mogelijkheid bestaan om bouwplannen aan het Adviesteam Architectuur voor te leggen voor een vrijblijvend welstandsadvies. Het plangebied van dit bestemmingsplan ligt niet in een beschermd stads- en dorpsgezicht. Binnen en in de directe nabijheid van het plangebied bevindt zich ook geen monument. Ten behoeve van het plan is geen beeldkwaliteitsplan opgesteld, waaraan de ter plaatse van het plangebied voorziene nieuwe bebouwing zal worden getoetst. Het (bouw)plan zal ook niet vrijwillig aan het Adviesteam Architectuur voor worden gelegd. 4.4.4 Beleid aan huis gebonden activiteiten Op 22 november 2012 heeft de gemeenteraad het Beleid aan huis gebonden activiteiten – Actualisatie
Hertog Janstraat 52 Lith – 2023, pag. 34 van 70 Vastgesteld
2012 vastgesteld. Het beleid voor aan huis gebonden activiteiten is opgesteld om mogelijkheden te bieden aan ondernemen vanuit de eigen woning. Door de jaren heen zijn de activiteiten die aan huis worden ondernomen, steeds meer divers geworden. Het gaat allang niet meer alleen om de huisarts of accountant aan huis. Er is een breed scala dat aan huis uitgeoefend kan worden. Voorbeelden zijn een adviesbureau, pedicure of afslanksalon. Ook komen er steeds vaker vragen om kleinschalige cursussen te mogen geven, voor kleinschalige kinderopvang, ambachtelijke bedrijfjes of een bed en breakfast. Met het beleid wordt er ingespeeld op de veranderende inzichten over aan huis gebonden activiteiten. Er wordt ruimte gegeven aan deze nieuwe vormen om vanuit de thuissituatie te werken. Het gaat dus altijd om een bewoner die de activiteit uitvoert. Andere belangrijke voorwaarde is steeds dat de activiteit zich goed verhoudt met de woonomgeving. Het Beleid aan huis gebonden activiteiten is er op gericht om zoveel mogelijk rechtstreeks toe te staan. Er is een lijst opgesteld met een breed scala aan activiteiten die rechtstreeks mogen worden uitgeoefend in een (bedrijfs)woning. Deze lijst is als bijlage 4 opgenomen bij de regels van dit bestemmingsplan. De woonomgeving is het uitgangspunt geweest bij het opstellen van de lijst van rechtstreeks toegestane activiteiten.
Dit houdt in dat er geen bedrijven op staan die veel verkeer aantrekken of activiteiten die milieuhinder veroorzaken, die niet passen binnen een woonomgeving. Het oppervlak van de rechtstreeks toegestane activiteiten is 35m2. Maar niet alle activiteiten kunnen rechtstreeks in een woning uit worden gevoerd. Soms is een toetsing vooraf nodig. Als die positief is, wordt toestemming verleend in de vorm van een ‘omgevingsvergunning waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan’. Bij deze afweging spelen de publieksaantrekkende werking en milieu- en verkeersaspecten altijd een rol. Als voorbeelden van activiteiten waarbij een toetsing vooraf nodig is, zijn te noemen: - een groter oppervlak dan de toegestane 35 m2; - andere activiteiten dan die in de lijst zijn opgenomen; - groepsmatige activiteiten. Het beleid beschrijft de mogelijkheden voor dit afwijkend gebruik. Voor het verlenen van omgevingsvergunning voor dit afwijkende gebruik moet de aanvrager een concrete aanvraag om toestemming bij de gemeente indienen.
Hertog Janstraat 52 Lith – 2023, pag. 35 van 70 Vastgesteld
Hoofdstuk 5 5.1
Omgevingsaspecten
Landschap
5.1.1 Nota Landschapsbeleid Binnen de gemeente Oss bestaat grote aandacht voor het landschap en het landelijke gebied. De Nota Landschapsbeleid 2015 zorgt voor een beleidskader welke een sturende werking heeft bij ruimtelijke ontwikkeling in het buitengebied. Ruimtelijke ingrepen en nieuwe functies in het buitengebied hebben een grote uitstraling naar de omgeving. Dit betekent dat bij deze ingrepen (bijvoorbeeld de bouw van agrarische bedrijfsgebouwen) eisen aan de landschappelijke inpassing van objecten moeten worden gesteld. De gemeente wordt verder geconfronteerd met de aanleg (of juist verwijdering) van (landschaps)elementen door particulieren op agrarische percelen in het buitengebied. Dergelijke initiatieven komen vaak niet overeen met de ter plaatse aanwezige en te behouden landschappelijke kwaliteit (bijvoorbeeld behoud van openheid of gebruik van niet-inheemse boomsoorten). Goede toetsingskaders en sturingsinstrumenten zijn voor bescherming maar ook voor ontwikkeling van het landschap onmisbaar. In de Nota Landschapsbeleid 2015 wordt per deelgebied beschreven wat de landschappelijke visie is. De verschillende deelgebieden zijn: - Uiterwaarden - Oeverwal - Komgebied - Dekzandrand - Dekzandrug Per deelgebied wordt aangegeven wat de ontwikkelingsvisie is. Daarbij worden aandachtspunten voor uitwerking en uitvoering geschetst.
Onderhavig plangebied is gelegen binnen het deelgebied en daarmee het landschapstype ‘Komgebied’. In het inrichtingsplan wat is opgesteld voor onderhavig plan en dat als bijlage onderdeel uitmaakt van dit plan, staat verwoord op welke wijze het plan binnen dit landschapstype landschappelijk wordt ingepast. 5.1.2
Kwaliteitsverbetering van het landschap
Regeling ‘Kwaliteitsverbetering van het landschap’ De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant eist bij een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in het landelijk gebied een fysieke kwaliteitsverbetering van de landschappelijke kwaliteit. Dit staat in artikel 3.9 van de Interim omgevingsverordening. In januari 2013 is het afsprakenkader over de toepassing en uitwerking van deze regeling vastgesteld. Dit regionale afsprakenkader is oorspronkelijk bedoeld als uitwerking van regeling ‘Kwaliteitsverbetering van het landschap’ uit de Verordening ruimte. Het afsprakenkader geldt nog steeds. Toepassingsbereik De notitie Toepassingsbereik vormt het basisdocument voor het afsprakenkader van de provincie met de gemeenten in de regio Noordoost-Brabant. Deze notitie bevat de categorie-indeling voor de niet-planmatige ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied en de bijbehorende tegenprestatie. Deze notitie geeft de minimale inspanning aan die de gemeente Oss regionaal heeft afgesproken. Gemeenten hebben alle vrijheid om meer kwaliteitsverbetering te verlangen als ze dat nodig vinden op basis van beleids- of gebiedsambities. Het afsprakenkader is nadrukkelijk geen ruimtelijk afwegingskader. Gemeenten moeten zelf beoordelen of een ontwikkeling ruimtelijk gewenst is.
Vervolgens kan aan de hand van het afsprakenkader beoordeeld worden waar de kwaliteitsverbetering minimaal aan moet voldoen.
Hertog Janstraat 52 Lith – 2023, pag. 36 van 70 Vastgesteld
Afspraken toepassingsbereik 1. de notitie Toepassingsbereik en met name de verdeling van ruimtelijke ontwikkelingen over de verschillende categorieën is de basis voor het afsprakenkader over toepassingsbereik; 2. bij planmatige (stedelijke) ontwikkelingen is kwaliteitsverbetering altijd van toepassing; 3. bij niet-planmatige ontwikkelingen: tegenprestatie gerelateerd aan impact: • categorie 1 geen impact: geen tegenprestatie; • categorie 2 beperkte impact: landschappelijke inpassing; • categorie 3 grote impact: berekende kwaliteitsverbetering van het landschap. Afspraken kwaliteitsverbetering 1. Bij planmatige (stedelijke) ontwikkelingen: storting in een landschapsfonds of bijdrage in natura in landschapsversterkend project; 2. Bij niet-planmatige ontwikkelingen zijn gemeenten zelf verantwoordelijk voor de toepassing: in natura (op of nabij de projectlocatie), financiële bijdrage in landschapsfonds of een combinatie van beide; 3. Bij kwaliteitsverbetering in natura (op of nabij de projectlocatie) bevat het ruimtelijk plan de verantwoording van de kwaliteitsverbetering. 4. De regio kiest niet voor een (sub)regionaal landschapsfonds. Indien gemeenten een grensoverschrijdend landschapsproject willen realiseren, dan weten zij elkaar te vinden.
Onderhavig plan betreft op basis van het afsprakenkader dat staat uitgewerkt in de toelichting van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’ een ontwikkeling van categorie 2 en dus een beperkte impact 1. Dit houdt in dat het vergrote bouwvlak op een goede manier landschappelijk ingepast behoort te worden op basis van een goedgekeurd landschapsplan en borging van uitvoering en beheer. Ten behoeve van onderhavig plan is een inrichtingsplan opgesteld dat hier in voorziet en als bijlage onderdeel uitmaakt van onderhavig plan. 5.2
Natuur
5.2.1 Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming beschermt Nederlandse natuurgebieden en planten- en diersoorten. Het is belangrijk voor de natuur dat er veel verschillende planten- en diersoorten zijn. Wanneer het met de natuur goed gaat, is er ook meer ruimte voor economische en andere maatschappelijke activiteiten. Maar bepaalde soorten zijn kwetsbaar, zoals vleermuizen en mussen. Een goede natuurbescherming is hierom belangrijk. Rolverdeling tussen provincies en Rijk Sinds 1 januari 2017 bepalen de provincies wat wel en niet mag in de natuur binnen de provincie. De provincies zorgen voor de vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor beleid van grote wateren en internationaal beleid (zoals Natura 2000). Ruimtelijke plannen en omgevingsvergunningen die invloed hebben op beschermde natuur moeten passen binnen de Wet natuurbescherming. Daarnaast gelden ook provinciale regelingen voor natuurbescherming. 5.2.2 Natuurtoets Bij de bescherming van natuurwaarden gaat het enerzijds om soortenbescherming en anderzijds om gebiedsbescherming. Gebiedsbescherming is gericht op de bescherming van kwetsbare natuurgebieden.
1 voorzover de locatie is gelegen in het agrarisch gebied, als bedoeld in de Interim omgevingsverordening NoordBrabant: vergroten agrarisch bouwvlak tot 1,5 ha of vergroting met differentiatievlak van maximaal 0,5 ha specifiek ten behoeve van opslag van ruwvoer.
Hertog Janstraat 52 Lith – 2023, pag. 37 van 70 Vastgesteld
Soortenbescherming moet er toe leiden dat het voortbestaan van soorten niet in gevaar komt. Binnen Nederland zijn 166 Natura 2000-gebieden aangewezen. Dit zijn gebieden met een Europese beschermingsstatus. Veel van deze gebieden zijn (ook) gevoelig voor stikstofdepositie. Een verdere toename van de stikstofdepositie kan leiden tot ‘significante negatieve effecten’ op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden. Programma Aanpak Stikstof (PAS) Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan in een aantal beroepszaken tegen natuurvergunningen, gebaseerd op het Programma Aanpak Stikstof (PAS) 2015-2021 (Kamerstuk 32 670, nr. 146). Het was een stevige uitspraak die per direct forse consequenties had voor individuele ondernemers, maar ook voor ambities van gemeenten, provincies en Rijksoverheid op het terrein van onder meer waterveiligheid, infrastructuur, woningbouw en klimaat. De uitspraak komt er op neer dat de PAS ‘gesneuveld’ is als aanpak en systeem voor vergunningverlening op basis van de Wet natuurbescherming. Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) Sinds 1 juli 2021 is de Wsn samen met het bijbehorende Besluit stikstofreductie en natuurverbetering van kracht. Deze regelgeving wijzigt de Wet en het Besluit natuurbescherming en moet voorzien in een nieuwe, structurele aanpak van de stikstofproblematiek.
De Wsn regelt ook een aanpassing van het Besluit natuurbescherming, waardoor nu een vrijstelling geldt voor bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten. Deze vrijstelling geldt alleen voor stikstofdepositie en niet voor de overige storingsfactoren. Er hoeft ten behoeve van een natuurvergunningaanvraag (gebiedsbescherming) voor een project dus geen berekening en daarbij behorende beoordeling van de stikstofdepositie voor de aanleg-/realisatiefase meer plaats te vinden. De vrijstelling geldt niet voor de gebruiksfase van wat er wordt gebouwd of aangelegd. Hiervoor moet er dus wel een berekening worden gemaakt. 5.2.2.1 Gebiedsbescherming Voor Natura 2000-gebieden zijn instandhoudingsdoelstellingen vastgesteld. Activiteiten en ontwikkelingen die een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen hebben, zijn verboden. Voor een plan geldt op grond van artikel 2.7 lid 1 van de Wet natuurbescherming dat bepalend is of het significante gevolgen kan hebben voor een (of meer) Natura 2000-gebied(en). Is dat het geval, dan dient het bestuursorgaan, onderscheidenlijk de aanvrager van de vergunning, bij de vaststelling van een plan met toepassing van artikel 2.7 Wnb, een passende beoordeling te maken zoals bedoeld in artikel 2.8 Wnb. Door toetsing wordt bepaald of er negatieve effecten kunnen optreden.
Een eerste toetsing (‘voortoets’) geeft aan of er negatieve effecten kunnen optreden en zo ja of deze van dien aard kunnen zijn dat de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar kunnen komen. Indien dat het geval is, wordt een tweede toetsing verricht die dieper ingaat op de mate van effect (‘passende beoordeling’). Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft ‘Rijntakken’. Dit gebied is gelegen op een afstand van ca. 6 km ten noorden van het plangebied van onderhavig bestemmingsplan. In dit geval is van belang dat in de regels van het voorafgaand aan dit plan voor het plangebied geldend bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’ al planologisch-juridisch is vastgelegd welke bestaande stikstofdepositie (mol/ha/jaar) agrarische bedrijven in het buitengebied van Oss maximaal mogen veroorzaken op Natura 2000 gebieden. Het gaat hier onder andere om de stikstofdepositie, die in overeenstemming is met een ten tijde van de vaststelling van dit bestemmingsplan verleende en ook onherroepelijke vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid van de Wet natuurbescherming respectievelijk artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998. In de bij betreffende regels horende bijlage ‘Tabel Stikstofrechten’
Hertog Janstraat 52 Lith – 2023, pag. 38 van 70 Vastgesteld
wordt voor de geiten- en varkenshouderij van initiatiefnemer ter plaatse van de locatie Hertog Janstraat 52 te Lith gerefereerd aan: • De door de provincie Noord-Brabant verleende en onherroepelijke vergunning ingevolge artikel 16 en/ of 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 van 24 juni 2015; • De door de provincie Gelderland verleende en onherroepelijke vergunning ingevolge de Natuurbeschermingswet 1998 van 26 juni 2015. Onderhavig bestemmingsplan voorziet in een vergroting van het bouwvlak, wat in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’ is vastgelegd ten behoeve van de geiten- en varkenshouderij van initiatiefnemer aan de Hertog Janstraat 52 te Lith. Gezien de beschrijving van het plan van initiatiefnemer in hoofdstuk 3 is deze vergroting niet bedoeld om de nieuwbouw of uitbreiding van stallen, het in gebruik nemen van een bestaand overig bedrijfsgebouw als stal en/of een wijziging/uitbreiding van de ter plaatse gehouden diersoorten en/of -aantallen mogelijk te maken. Zoals in paragraaf 3.3 bij het onderdeel ‘Verkeer en parkeren’ is beschreven, zal de vergroting van het bouwvlak ook niet leiden tot een toename van verkeer vanuit en naar het plangebied.
Derhalve kan geconcludeerd worden dat de met onderhavig bestemmingsplan beoogde situatie er niet toe leidt dat de in het plangebied uitgeoefende geiten- en varkenshouderij ten opzichte van de bestaande situatie een toename van de stikstofemissie en -depositie op Natura 2000 gebieden veroorzaakt. Er is sprake van ‘intern salderen’ in dit geval. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bij uitspraak van 20 januari 2021 in een beroepsprocedure geoordeeld dat er met intern salderen geen significante natuureffecten optreden en er op basis van de Wet natuurbescherming dan geen nieuwe natuurvergunning is vereist. Er wordt dan binnen de al vergunde stikstofdepositie gebleven. Dit betekent voor onderhavig bestemmingsplan dat een verdere ‘passende beoordeling’ niet noodzakelijk is en volstaan kan worden met het overnemen van bovenbedoelde planologisch-juridische regeling uit het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’ in de regels van onderhavig plan. Zie wat dit betreft artikel 3.1.2 onder h van de regels. 5.2.2.2 Soortenbescherming De Wnb geeft kaders voor de bescherming van planten en dieren. Zo is het verboden om dieren te vangen of verwonden en om vaste rust- en verblijfplaatsen te vernielen. Dit is vastgelegd in drie vergelijkbare beschermingsregimes voor soorten. Indien de verbodsbepalingen overtreden worden, is er een ontheffing nodig.
Voor elk ruimtelijk plan is het verplicht om te toetsen of daarmee sprake is van overtreding van de verbodsbepalingen. Onderhavig bestemmingsplan voorziet in een vergroting van het bouwvlak, wat in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’ is vastgelegd ten behoeve van de geiten- en varkenshouderij van initiatiefnemer aan de Hertog Janstraat 52 te Lith. Dit om het realiseren van nieuwe bedrijfsbebouwing mogelijk te maken. Op basis van het volgende is het uiterst onwaarschijnlijk dat dit tot ruimtelijke ingrepen leidt met gevolgen voor beschermde planten en/of dieren: • De nieuwe bedrijfsbebouwing wordt gesitueerd op gronden die bestaand al verhard of met sleufsilo’s bebouwd zijn ten behoeve van voeropslag en, grotendeels, op gronden, bestaand in gebruik als grasland; • Voor het realiseren van de beoogde nieuwe bedrijfsbebouwing hoeft geen sloop van bestaande bedrijfsgebouwen plaats te vinden, maar enkel sanering van bestaande, intensief gebruikte erfverharding en sleufsilo’s; • Grasland betreft een monocultuur van Engels raaigras. Bovendien wordt het grasland hier intensief beheerd en gemaaid. Er zal ter plaatse van wat nu grasland is dan ook geen sprake zijn van bijzondere groeiplaatsen en een stabiel, natuurlijk ecosysteem.
Hertog Janstraat 52 Lith – 2023, pag. 39 van 70 Vastgesteld
Een quickscan naar de aanwezigheid van en de geschiktheid van de te bebouwen en bij het bouwvlak te betrekken gronden als rust- en/of verblijfplaats voor beschermde planten en/of dieren is daarom in dit geval niet noodzakelijk geacht. 5.3
Archeologie en Cultuurhistorie
5.3.1 Erfgoedwet en overgangsregeling omgevingswet De Erfgoedwet beschermt het cultureel erfgoed in Nederland. In deze wet staan regels om belangrijk cultureel erfgoed beter te beschermen en behouden. In de Erfgoedwet staat wat cultureel erfgoed is, hoe de overheid omgaat met roerend cultureel erfgoed (zoals schilderijen), wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe de overheid daar toezicht op houdt. Het beschermingsregime voor de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (lees: archeologische resten) wordt net als de bescherming van gebouwde Rijksmonumenten opgenomen in de Omgevingswet. Vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het deel van de Monumentenwet 1988 dat gaat over de fysieke leefomgeving geregeld in het overgangsrecht van de Erfgoedwet. Het gaat om: • vergunningen tot wijziging, sloop of verwijderen van Rijksmonumenten. • verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. • bescherming van stads- en dorpsgezichten. Het erfgoed in de ruimtelijke ordening wordt nu nog voor een belangrijk deel geregeld via de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Ruimtelijke plannen die toepassing hebben op cultureel erfgoed moeten passen binnen de wettelijke kaders van de Erfgoedwet en ook de regelingen die in andere wetten en regelgeving zijn opgenomen, zoals de Wabo en het Bro.
5.3.2 Archeologiebeleid Het provinciale archeologisch beleid is neergelegd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant van 25 oktober 2019 en op de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart 2010, herzien 2016. Hiermee is de bescherming van de aardkundig waardevolle gebieden en archeologische landschappen geregeld. Het gemeentelijke archeologisch beleid is op dit punt veel gedetailleerder dan het algemene provinciale beleid en dit prevaleert daarom ook boven het provinciale archeologisch beleid. Verwachting/waarde
Vrijstellingsgrenzen
Archeologisch beschermd rijksmonument
0 m2 / 30 cm -Mv
Archeologisch (AMK-)monument Beschermde stadsgezichten
35 m2 / 30 cm -Mv
Historische stads-/dorpskern
50 m2 / 30 cm -Mv
Hoge verwachtingswaarde
100 m 2 / 30 cm -Mv
Hoge verwachtingswaarde – bedrijventerrein
1.000 m2 / 30 cm -Mv
Middelhoge verwachtingswaarde Lage verwachtingswaarde
5 hectare / 30 cm -Mv
Reeds onderzocht
Afhankelijk van de resultaten van het reeds uitgevoerde onderzoek
Verstoord
Geen onderzoeksplicht
Hertog Janstraat 52 Lith – 2023, pag. 40 van 70 Vastgesteld
Op 14 oktober 2010 heeft de gemeente Oss haar ‘archeologiebeleid’ vastgesteld. In 2015 heeft de gemeenteraad het archeologiebeleid opnieuw vastgesteld. Dat was nodig vanwege de gemeentelijke herindeling met Maasdonk. Onderdeel van de vaststelling in 2015 is het rapport ‘Actualisatie archeologiebeleid gemeente Oss, een herziene archeologische beleidskaart voor het nieuwe grondgebied van de gemeente Oss’ (Goddijn, 2012). Aan de hand van onderzoeken, inzichten en boringen in het veld zijn de eerdere archeologische kaarten deels bijgesteld. Op de beleidskaart is sprake van meerdere beleidscategorieën (zie bovenstaande tabel). In het beleid is per categorie vastgelegd wanneer er een onderzoeksplicht is en wanneer ontwikkelingen hiervan zijn vrijgesteld. 5.3.3 Archeologietoets Volgens de archeologische beleidskaart uit bovenbedoeld rapport geldt er ter plaatse van het plangebied van onderhavig bestemmingsplan een lage archeologische verwachtingswaarde (zie figuur 5.1). Volgens het bijbehorende gemeentelijk archeologiebeleid geldt ten behoeve van dit plan geen plicht tot archeologisch onderzoek wanneer het niet voorziet in bodemingrepen over een oppervlakte van 5 hectare of meer en dieper dan 30 cm beneden huidig maaiveld.
Figuur 5.1: Uitsnede Archeologische beleidskaart Actualisatie Archeologiebeleid gemeente Oss Toetsing van de plannen Onderhavig bestemmingsplan voorziet in een vergroting van het bouwvlak, wat in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’ is vastgelegd ten behoeve van de geiten- en varkenshouderij van initiatiefnemer aan de Hertog Janstraat 52 te Lith. Met het realiseren van het plan van initiatiefnemer wat als gevolg hiervan mogelijk wordt, zullen (bouw)werkzaamheden plaatsvinden die leiden tot bodemingrepen. Aangezien het bouwvlak echter tot niet meer dan 1,5 hectare wordt vergroot, zal er geen sprake zijn van een bodemingreep boven de vrijstellingsgrens van 5 hectare of meer voor gebieden met een lage archeologische verwachtingswaarde. In het kader van onderhavig bestemmingsplan is dus geen archeologisch onderzoek vereist.
Hertog Janstraat 52 Lith – 2023, pag. 41 van 70 Vastgesteld
Bestemmingsplanregels De gemeente Oss vertaalt de wet en het archeologisch beleid ook door in standaard bestemmingsplanregels. Zo heeft de gemeente bestemmingsplanregels (dubbelbestemmingen: dat wil zeggen dat deze naast de hoofdbestemming gelden) voor bescherming van historische kernen, beschermde monumenten, monumenten en voor gebieden met een middelhoge of hoge archeologische verwachtingswaarde. Met deze regels kan ter bescherming van (mogelijke) archeologische waarden worden bepaald, wanneer een omgevingsvergunning nodig is voor bepaalde werkzaamheden, wanneer dat niet het geval is en onder welke omstandigheden en met welke nadere eisen en voorwaarden een omgevingsvergunning kan worden verleend. In het voorafgaand aan dit bestemmingsplan ter plaatse geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’ is aan het plangebied, gezien de lage archeologische verwachtingswaarde ter plaatse vanuit de gemeentelijke Archeologische beleidskaart, geen archeologische dubbelbestemming toegekend. Dit plan voorziet daarom ter plaatse van het plangebied ook niet in een archeologische dubbelbestemming. 5.3.4
Cultuurhistorie
Wettelijk kader Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden tegenwoordig vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De regering wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden in het planproces naar voren wordt gehaald. Als plannen pas na afloop van het planproces worden getoetst aan de regelgeving van de monumentenzorg, wordt monumentenzorg dikwijls ervaren als hindernis. Dit is erkend door de regering en daarbij is de ambitie uitgesproken de positie van cultuurhistorie aan het begin van het ruimtelijk ordeningsproces juridisch te versterken. Door de verankering van cultuurhistorische waarden in bestemmingsplannen vermindert tegelijkertijd de noodzaak tot aanwijzing van nieuwe beschermde monumenten, omdat het belang van de cultuurhistorie wordt geborgd via het proces van de ruimtelijke ordening.
In de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in verband met modernisering van de monumentenzorg is daarom al de mogelijkheid voor burgers en belangengroepen geschrapt om een aanvraag in te dienen om een monument aan te wijzen als beschermd monument. Dit instrument werd door belangengroepen nogal eens ingezet om afgifte van omgevingsvergunningen bouw te frustreren of te vertragen. Met de wijziging van het Bro is tevens de adviesrol van Gedeputeerde Staten beperkt. Eerst moest er bij alle ingrepen aan een beschermd monument buiten de bebouwde kom advies aan Gedeputeerde Staten worden gevraagd. Met de wijziging van het Bro hoeft dit alleen nog als het gaat om monumenten die door de Minister op grond van de Monumentenwet 1988 zijn aangewezen. Daarnaast voorziet het besluit in een aantal versoepelingen van vergunningvrij wijzigen of bouwen in, aan of bij beschermde monumenten. Samengevat komen deze versoepelingen er op neer, dat voor gewoon onderhoud of inpandige veranderingen aan beschermde monumenten geen omgevingsvergunning meer nodig is als desbetreffende onderdelen geen monumentale waarde hebben. Bij twijfelgevallen moet men het bevoegd gezag raadplegen.
De bedoeling van het wijzigingsbesluit is om enerzijds cultuurhistorische waarden een duidelijke plaats te geven aan het begin van het planproces en anderzijds onnodige regeldruk weg te nemen, vooral wanneer het gaat over ondergeschikte wijzigingen aan een beschermd monument.
Hertog Janstraat 52 Lith – 2023, pag. 42 van 70 Vastgesteld
Cultuurhistorie: gemeentelijk en provinciaal beleid Het beleid van de gemeente Oss voor wat betreft cultuurhistorie is onder meer neergelegd in het Erfgoedplan Oss 2006 “Op gemengde bodem”. Hierin zijn onder andere opgenomen: historisch bebouwde gebieden, oude verkavelingspatronen, de invloed van de Maas en Rijksmonumenten. Deze nota heeft (nog) geen betrekking op het grondgebied van de voormalige gemeente Lith. Daarnaast heeft de gemeente Oss een Monumentenlijst 2019. Daarin zijn de Rijks- en gemeentelijke monumenten opgenomen. Het provinciale cultuurhistorische beleid is verankerd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant en op de Cultuurhistorische Waardenkaart 2010. Hierin zijn onder andere opgenomen: cultuurhistorische vlakken en complexen van cultuurhistorisch belang. Cultuurhistorie: bestemmingsplanregels en regels in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Met de in paragraaf 5.3.3 beschreven bestemmingsplanregels is het ook mogelijk om cultuurhistorische waarden via bestemmingsplannen te beschermen. Een en ander voor zover het terreinen betreft (inbouwen sloopvergunningstelsel voor bebouwing). Kortheidshalve wordt hiernaar verwezen. De provincie Noord-Brabant heeft in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant bindende regels opgenomen ter bescherming van cultuurhistorische waarden.
Toetsing van de plannen Gezien de gemeentelijke Monumentenlijst 2019 en de in figuur 5.2 opgenomen uitsnede van de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart 2010 bevindt zich ter plaatse van het plangebied en in de directe omgeving ervan geen Rijks- of gemeentelijk monument. Volgens de Cultuurhistorische Waardenkaart 2010 behoort het deel van de Hertog Janstraat waar het plangebied aan gelegen is, niet tot historische geografie en valt het plangebied buiten het blikveld van een eendenkooi, maar is het plangebied wel te midden van een cultuurhistorisch landschap van provinciaal belang gelegen. Dit betreft het cultuurhistorisch landschap ‘Beerse en Baardwijkse Overlaat’.
Figuur 5.2: Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart 2010, herziening 2016 Het gebied van de Beerse Overlaat weerspiegelt 700 jaar waterstaatgeschiedenis. Het systeem van de
Hertog Janstraat 52 Lith – 2023, pag. 43 van 70 Vastgesteld
Beerse Maas was het meest uitgebreide overlaatstelsel van Nederland. De inrichting en het gebruik van dit gebied waren geheel op deze functie afgestemd. De aanwezige landschapselementen vertellen het verhaal van deze bijzondere vorm van waterbeheer. Het cultuurhistorisch belang van dit gebied ziet op het behouden van het open landschap en het behouden en beleefbaar maken van eendenkooien, dijken, waterlopen, wielen en terpen. Dat het gebied een open landschap is, komt omdat het lange tijd niet mogelijk was in de komgebieden woningen te bouwen of akkers aan te leggen. De komgebieden werden extensief gebruikt als wei- of hooiland, griend of eendenkooi. Pas in de jaren ’50 van de 20e eeuw zijn de gronden in die gebieden intensief in gebruik genomen als landbouwgronden en heeft hier een intensieve ruilverkaveling plaatsgevonden. Hierbij is het open karakter behouden gebleven. Met onderhavig plan wordt daar geen onevenredige afbreuk aan gedaan. Het voorziet dan wel in vergroting van het bouwvlak ter plaatse van het plangebied, maar het vindt op zo’n wijze plaats dat het bouwvlak niet dieper wordt en nauwelijks breder. Andere karakteristieke elementen van het cultuurhistorisch landschap, zoals dijken, weteringen, sluizen, gemalen, oude Maasmeanders, wielen, eendenkooien en/of verdedigingswerken komen niet voor in (de directe omgeving van) het plangebied.
Dit en het voorgaande maken dat er vanuit het aspect cultuurhistorie dan ook geen belemmeringen zijn voor onderhavig plan. 5.4
Mobiliteit en parkeren
5.4.1 Verkeer De Mobiliteitsvisie Oss uit 2009 heeft als doel het in balans brengen van bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid. De mobiliteitsvisie is uitgewerkt in het Mobiliteitsplan 2020 Oss. Het deelplan Wegen werkt het gewenste netwerk voor het autoverkeer uit; daarbij is per weg de gewenste functie vastgelegd. Bij initiatieven is de vraag van belang of het extra verkeersbewegingen met zich meebrengt en zo ja, of de toename aan verkeersbewegingen past binnen de normen die voor ontsluitingswegen gelden. Verkeer: extra verkeersbewegingen Onderhavig bestemmingsplan voorziet in een vergroting van het bouwvlak, wat in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’ is vastgelegd ten behoeve van de geiten- en varkenshouderij van initiatiefnemer aan de Hertog Janstraat 52 te Lith. Het plan van initiatiefnemer wat gerealiseerd kan worden als gevolg hiervan, zal zoals reeds in paragraaf 3.3 verwoord is onder ‘Verkeer en parkeren’, geen toename van verkeersbewegingen vanuit en naar het plangebied met zich meebrengen. Met het te realiseren plan is geen sprake van een wijziging van de ter plaatse gehouden diersoorten en/of een uitbreiding van de ter plaatse gehouden aantallen geiten en/of varkens.
De beoogde situatie zal zodoende niet resulteren in meer aan- en afvoer van varkens en/of geiten, meer afvoer van kadavers, meer aanvoer van voer, stro en hooi, meer afvoer van mest, meer aan- en afvoer van andere materialen, meer bezoek van bijv. dierenartsen, adviseurs en monteurs en meer personeel. Wel zal het wat betreft de aanvoer van voer, stro, hooi zo zijn dat dit niet langer verspreid over het hele jaar plaatsvindt, maar meer geconcentreerd in een korter tijdsbestek. Verkeer: ontsluitingswegen Het plangebied van onderhavig bestemmingsplan is gelegen aan en rechtstreeks ontsloten op de Hertog Janstraat. Volgens bovenbedoeld deelplan Wegen betreft dit een erftoegangsweg type II. Aangezien er als gevolg van onderhavig bestemmingsplan geen toename van verkeersbewegingen vanuit en naar het plangebied zal zijn, is geen toetsing nodig aan de normen die gelden voor een dergelijke ontsluitingsweg. Het plan vereist geen aanpassing in de inrichting van de Hertog Janstraat en het plangebied kan hier zoals in de bestaande situatie reeds het geval is, via drie uitritten rechtstreeks op ontsloten blijven.
Hertog Janstraat 52 Lith – 2023, pag. 44 van 70 Vastgesteld
5.4.2 Parkeren De gemeente Oss heeft een gemeentelijk parkeerbeleidsplan vastgesteld. De nota ‘Parkeernormen 2017’ geeft aan welke parkeernormen voor welke gebieden gelden. Het plangebied van onderhavig bestemmingsplan is gezien de nota ‘Parkeernormen 2017’ gelegen in het buitengebied. Op basis van de nota is over de parkeerbehoefte van de binnen het plangebied aanwezige functie(s) het volgende aan te geven: • Voor de aanwezige bedrijfswoning kan de in de nota vermelde norm voor vrijstaande koopwoningen in het buitengebied van 2,4 parkeerplaatsen per woning worden aangehouden; • De nota geeft geen norm voor specifiek een ‘veehouderij’ of een ‘agrarisch bedrijf’. Soms wordt er voor deze functie aangesloten bij de parkeernormen voor een arbeids- en bezoekersextensief bedrijf (loods, opslag, transportbedrijf). De nota vermeldt voor dergelijke bedrijven in het buitengebied een norm van 1,1 parkeerplaatsen per 100 m2 brutovloeroppervlakte (bvo). In onderhavig geval is het echter niet reeel om bij deze norm aan te sluiten. Op basis van alleen al de bestaande brutovloeroppervlakte aan bedrijfsgebouwen zouden er dan tientallen parkeerplaatsen benodigd zijn ten behoeve van het bedrijf. Van een dusdanige parkeerbehoefte is geen sprake in dit geval.