CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4A Toelichting BP Hertog Janstraat 52 Lith - 2023.PDF

Gemeenteraad 15 juni 2023, gemeente OssBij agendapunt: A Vaststelling 7 bestemmingsplannen, gebundelde procedure27.983 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

BESTEMMINGPSLAN Hertog Janstraat 52 Lith - 2023 Toelichting

Gemeente Oss | Raadhuislaan 2 | 5341 GM | Oss | T: 14 0412 | F: 0412 642605 | www.oss.nl |

Hertog Janstraat 52 Lith – 2023, pag. 1 van 70 Vastgesteld

Bestemmingsplan Hertog Janstraat 52 Lith – 2023 Vastgesteld Toelichting

Gemeente Oss, April 2023

Hertog Janstraat 52 Lith – 2023, pag. 2 van 70 Vastgesteld

INHOUDSOPGAVE TOELICHTING Hoofdstuk 1 Inleiding ............................................................................................................................... 4 1.1 Aanleiding ..................................................................................................................................... 4 1.2 Plangebied .................................................................................................................................... 4 1.3 Geldende bestemmingsplannen ................................................................................................... 4 Hoofdstuk 2 Bestaande situatie ................................................................................................................ 6 2.1 Ontstaansgeschiedenis ................................................................................................................ 6 2.2 Bestaande situatie ........................................................................................................................ 6 Hoofdstuk 3 Beoogde situatie ................................................................................................................. 11 3.1 Aanleiding ...................................................................................................................................

11 3.2 Het plan ...................................................................................................................................... 11 3.3 Inpassing .................................................................................................................................... 14 Hoofdstuk 4 Ruimtelijk beleidskader ....................................................................................................... 18 4.1 Wettelijk kader ............................................................................................................................ 18 4.2 Rijksbeleid .................................................................................................................................. 20 4.3 Provinciaal beleid ....................................................................................................................... 21 4.4 Gemeentelijk beleid .................................................................................................................... 27 Hoofdstuk 5 Omgevingsaspecten ........................................................................................................... 35 5.1 Landschap ..................................................................................................................................

35 5.2 Natuur ......................................................................................................................................... 36 5.3 Archeologie en Cultuurhistorie ................................................................................................... 39 5.4 Mobiliteit en parkeren ................................................................................................................. 43 5.5 Water .......................................................................................................................................... 44 5.6 Defensie...................................................................................................................................... 47 5.7 Milieuaspecten ............................................................................................................................ 48 5.8 Milieueffectrapportage (M.e.r.) ................................................................................................... 63 Hoofdstuk 6 Toelichting op de regels .................................................................................................... 65 6.1 Algemeen....................................................................................................................................

65 6.2 Regels......................................................................................................................................... 65 Hoofdstuk 7 Handhaving........................................................................................................................ 66 7.1 Beleidskader ............................................................................................................................... 66 7.2 Professionele handhaving en handhavingsprogramma ............................................................. 66 7.3 Handhaafbaarheid, positief bestemmen, overgangsrecht .......................................................... 67 Hoofdstuk 8 Economische uitvoerbaarheid ........................................................................................... 68 Hoofdstuk 9 Overleg en maatschappelijke uitvoerbaarheid .................................................................. 69 9.1 Omgevingsdialoog ...................................................................................................................... 69 9.2 Vooroverleg ................................................................................................................................ 69 9.3 Inspraak ......................................................................................................................................

69 9.4 Zienswijzen ................................................................................................................................. 70 9.5 Ambtelijke wijzigingen ................................................................................................................ 70

BIJLAGEN zie separaat bijlagenboek

Hertog Janstraat 52 Lith – 2023, pag. 3 van 70 Vastgesteld

TOELICHTING Bestemmingsplan Hertog Janstraat 52 Lith – 2023

Hertog Janstraat 52 Lith – 2023, pag. 4 van 70 Vastgesteld

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Initiatiefnemer, VOF van den Hurk-Kosman, exploiteert een geiten- en varkenshouderij aan de Hertog Janstraat 52 te Lith. Men beschikt hiertoe naast op 24 en 26 juni 2015 verleende vergunningen op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 over een op 13 juli 2016 verleende omgevingsvergunning beperkte milieutoets voor het houden van 1.600 melkgeiten, 400 opfokgeiten en/of lammeren en 1.120 vleesvarkens. De daarmee vergunde situatie is in z’n geheel gerealiseerd. Voor de nabije toekomst richt initiatiefnemer zich niet op groei van de aantallen dieren van de geiten- en/ of varkenstak van zijn veehouderij, maar op verduurzamen. In het kader hiervan heeft men concreet het plan om een voerkeuken en bijbehorende extra voeropslagen te realiseren ten behoeve van de geitentak en bij het bedrijf twee kleine windmolens te plaatsen. Het hiervoor vereiste nieuwe bedrijfsgebouw en de hiervoor vereiste nieuwe bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn ten dele of geheel voorzien buiten het bouwvlak, wat het geldend bestemmingsplan bevat ter plaatse van bovengenoemde locatie. Dit betekent dat een vergroting van dit bouwvlak noodzakelijk is om het plan van initiatiefnemer mogelijk te maken. In dit geval is gebleken dat de gewenst en noodzakelijk geachte vergroting van het bouwvlak slechts te verwezenlijken is door voor bovengenoemde locatie een bestemmingsplanherziening op- en vast te stellen.

Dit nieuwe bestemmingsplan is hiermee een gedeeltelijke herziening van het geldend bestemmingsplan en betreft een zogeheten ‘postzegelbestemmingsplan’. Voorliggend bestemmingsplan bevat de planologisch-juridische regeling waarmee de beoogde vergroting van het bouwvlak wordt vastgelegd. Het bestemmingsplan bestaat uit een digitale verbeelding, regels en bijbehorende bijlagen en deze toelichting met bijbehorende bijlagen. 1.2

Plangebied

Het plangebied van dit bestemmingsplan betreft de locatie Hertog Janstraat 52 te Lith. Het plangebied ligt in het buitengebied van de voormalige gemeente Lith en huidige gemeente Oss, ten zuiden van de kern Lith en noordwestelijk van de kern Oss. Zuidelijk van het plangebied zijn de Gewandeweg/Burgemeester Smitsweg en de Hertogswetering gelegen. Landschappelijk gezien bevindt het plangebied zich in het komgebied van rivier de Maas. Zie ook figuur 1.1. Het plangebied bestaat uit (een gedeelte van) de percelen, kadastraal bekend gemeente Lith, sectie G, nummers 875 en 876. De exacte begrenzing van het plangebied is vastgelegd op de verbeelding van dit bestemmingsplan. In figuur 1.2 is hier een weergave van opgenomen. 1.3

Geldende bestemmingsplannen

Tot de inwerkingtreding van voorliggend bestemmingsplan ‘Hertog Janstraat 52 Lith’ geldt binnen het plangebied het bestemmingsplan, opgenomen in onderstaande lijst. Naam bestemmingsplan Buitengebied Oss – 2020

Datum vaststelling 16 april 2020

Na de inwerkingtreding van voorliggend bestemmingsplan verliest dit plan, binnen het plangebied, zijn rechtskracht.

Hertog Janstraat 52 Lith – 2023, pag. 5 van 70 Vastgesteld

Figuur 1.1: topografische kaart met ligging plangebied (bron: https://www.topotijdreis.nl)

Figuur 1.2: weergave verbeelding met begrenzing plangebied

Hertog Janstraat 52 Lith – 2023, pag. 6 van 70 Vastgesteld

Hoofdstuk 2 2.1

Bestaande situatie

Ontstaansgeschiedenis

Na de laatste ijstijd zette de rivier de Maas in het ‘rivierengebied’ tijdens overstromingen zand en klei af. De grote zwaardere zand- en kleideeltjes werden dicht bij de oever afgezet. De kleine lichte kleideeltjes werden tijdens overstromingen op grotere afstand van de rivierbedding gedeponeerd. Hierdoor ontstonden de oeverwallen en de komgronden. Kenmerkend is de zonering van de verschillende landschapstypen parallel aan de rivier de Maas. Van noord naar zuid: de rivier met uiterwaarden, de oeverwal en de komgronden. Het plangebied is gelegen in het komgebied. Diverse ruilverkavelingen veranderden de kavel- en afwateringsstructuur van het buitengebied ingrijpend. Zo werden in de jaren ’50 van de 20e eeuw de gebieden het Hoog Hemaal en het Laag Hemaal flink veranderd door een ruilverkaveling. In de jaren ’60 kwam het Land van Megen aan de beurt en tijdens de jaren ‘70/’80 tenslotte Midden-Maasland. Het plangebied bevindt zich in het Hoog Hemaal. Met de ruilverkavelingen is ook het aan de Hertog Janstraat 52 te Lith gevestigde agrarisch bedrijf gesticht. Het landschap is sindsdien niet meer wezenlijk veranderd. Er hebben zich her en der nog wel nieuwe agrarische bedrijven gevestigd tot het begin van de 21e eeuw. 2.2

Bestaande situatie

Initiatiefnemer exploiteert zoals gezegd ter plaatse van het plangebied aan de Hertog Janstraat 52 te Lith een geiten- en varkenshouderij. Op basis van de op 24 en 26 juni 2015 door de provincies Noord-Brabant en Gelderland verleende vergunningen op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 en de op 13 juli 2016 verleende omgevingsvergunning beperkte milieutoets worden hier maximaal 1.600 melkgeiten, 400 opfokgeiten en/of lammeren en 1.160 vleesvarkens gehouden. De vergunde situatie is in z’n geheel gerealiseerd. Figuur 2.1 laat zien dat binnen het plangebied op dit moment de volgende agrarische bedrijfsbebouwing bestaand aanwezig is: 1. Bedrijfswoning; 2. Bijgebouw bij de bedrijfswoning; 3. Stal C (melkstal en 675 melkgeiten); 4. Stal D (900 melkgeiten); 5. Stal E (680 vleesvarkens, 25 melkgeiten); 6. Stal F1 (480 vleesvarkens); 7. Stal F2 (400 opfokgeiten en/of lammeren); 8. Loodsen voor opslag van voer, stro en mest en stalling van werktuigen; 9. Sleufsilo’s voor voeropslag. Stal E is voor wat betreft de hierin gehouden vleesvarkens voorzien van een luchtwasser. De andere (delen van) stallen kennen geen emissiearm stalsysteem. Gezien figuur 2.1 zijn er behalve bovengenoemde bedrijfsbebouwing op diverse plekken binnen het plangebied voersilo’s aanwezig. Daarnaast is er nu zowel op het achtererf als voorerf sprake van opslag van wikkelbalen met aangevoerd ruwvoer.

Het plangebied heeft bestaand middels drie in-/uitritten rechtstreeks ontsluiting op de Hertog Janstraat. Eén in-/uitrit ontsluit slechts de bedrijfswoning. De andere twee ontsluiten de bedrijfsgebouwen.

Hertog Janstraat 52 Lith – 2023, pag. 7 van 70 Vastgesteld

2

3

1

8

8

3

8

4 9

7

6

9

4

5

Figuur 2.1: luchtfoto bestaande situatie (bron: Street Smart, Cyclomedia, 2021) Op dit moment is er sprake van een beperkte landschappelijke inpassing van de bestaand aanwezige bedrijfsbebouwing en het omliggend agrarisch erf. Bestaand is maar in geringe mate erfbeplanting aanwezig. Zie figuur 2.2.

Hertog Janstraat 52 Lith – 2023, pag. 8 van 70 Vastgesteld

Figuur 2.2: straatbeeldfoto’s bestaande situatie (bron: Street Smart, Cyclomedia, 2021) Het plangebied is onderdeel van een grootschalig, open tot zeer open landschap dat wordt gekenmerkt door een zeer regelmatig, rationeel, rechtlijnig verkavelingspatroon. De Hertog Janstraat is één van de noord-zuidverbindingen binnen dit patroon. In noordelijke richting komt deze straat uit op de Meester van Coothstraat, die onderdeel van de doorgaande weg N625 is, en in zuidelijke richting sluit de straat op de Gewandeweg aan. Planologie Volgens de verbeelding van het voor het plangebied geldend bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’ zijn ter plaatse de volgende bestemmingen en aanduidingen van toepassing: • Bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschap’ met de aanduiding ‘bouwvlak’ en de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – veehouderij’; • Gebiedsaanduidingen ‘overige zone – komgebied’ en ‘overige zone – primair agrarisch gebied’.

Figuur 2.3: uitsnede verbeelding bp ‘Buitengebied Oss – 2020’ (bron: Ruimtelijkeplannen.nl)

Hertog Janstraat 52 Lith – 2023, pag. 9 van 70 Vastgesteld

In figuur 2.3 is een uitsnede van de verbeelding van het plan gegeven. De begrenzing van het ter plaatse vastgelegde bouwvlak is met een rood kader weergegeven. De oppervlakte van dit bouwvlak is ±1,18 ha. Volgens de regels van het geldend bestemmingsplan zijn voor ‘Agrarisch met waarden - Landschap’ aangewezen gronden onder andere bestemd voor: • de uitoefening van het agrarisch bedrijf, • het wonen, uitsluitend in de bedrijfswoning; • verkeer in de vorm van onder andere bestaande uitwegen; • behoud, ontwikkeling en herstel van landschappelijke, cultuurhistorische en aardkundige waarden; • erf- en randbeplantingen; • (voorzieningen voor) waterkering en -huishouding en instandhouding, herstel, en ontwikkeling van watergangen, sloten en greppels. Wat betreft de uitoefening van het agrarisch bedrijf gelden hierbij onder meer de volgende regels: • binnen een bouwvlak is slechts één bedrijf toegestaan; • opslag van onder meer mest en voer, sleufsilo’s, tuinen en andere permanente voorzieningen zijn uitsluitend toegestaan binnen een bouwvlak; • de uitoefening van een veehouderij is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – veehouderij’, met dien verstande dat: o binnen een bouwvlak slechts als vee mag worden gehouden: de diersoorten.

opgenomen bij dat bouwvlak in bijlage 7 bij de regels; o buiten de zone ‘overige zone – beperkingen veehouderij’ is een toename van de oppervlakte dierenverblijven niet toegestaan. • per agrarisch bedrijf is maximaal de bestaande stikstofdepositie toegestaan; hier wordt mede onder begrepen de stikstofdepositie die in overstemming is met een ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan verleende en onherroepelijke vergunning voor de Natuurbeschermingswet 1998 of de Wet natuurbescherming, zoals opgenomen in bijlage 9 bij de regels. Uit bijlage 7 bij de regels volgt dat binnen het bouwvlak ter plaatse van het plangebied zowel varkens als geiten mogen worden gehouden. Bijlage 9 vermeldt de aan initiatiefnemer verleende en onherroepelijke vergunning ingevolge de Natuurbeschermingswet 1998 van 24 juni 2015. Volgens de bijbehorende bouwregels is ter plaatse van gronden bestemd als ‘Agrarisch met waarden – Landschap’ enkel bebouwing toegestaan ten dienste van die doelen, waar de als zodanig aangewezen gronden voor bestemd zijn. Bouwwerken mogen alleen gebouwd worden binnen het bouwvlak en het bouwvlak mag volledig worden bebouwd. Bedrijfsgebouwen moeten worden gebouwd achter de achtergevel van de bedrijfswoning.

Door de aanduiding ‘overige zone – primair agrarisch gebied’ mag de goothoogte van bedrijfsgebouwen maximaal 6 meter bedragen en is wat bouwhoogte betreft maximaal 12 meter toegestaan. In artikel 37.2 van de regels van het voor het plangebied geldend bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’ is tenslotte de volgende algemene gebruiksregel vastgelegd ten aanzien van geitenhouderijen in het bijzonder: “37.2 Verboden gebruik geitenhouderij a. Het is niet toegestaan het gebruik van gronden en bouwwerken te wijzigen ten behoeve van het houden van geiten in die zin dat er niet meer geiten mogen worden gehouden dan is toegestaan op grond van een vóór 5 september 2018: 1. ingediende melding in het kader van het Activiteitenbesluit milieubeheer of de Wet milieubeheer; 2. verleende vergunning op basis van de Hinderwet; 3. verleende omgevingsvergunning beperkte milieutoets;

Hertog Janstraat 52 Lith – 2023, pag. 10 van 70 Vastgesteld

4. verleende omgevingsvergunning milieu op basis van artikel 2.1 onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo); of 5. verleende vergunning op basis van de Wet milieubeheer. b. Het verbod onder a geldt niet voor: 1. het hobbymatig houden van minder dan 10 geiten op een bedrijf of locatie waar geen geiten worden gehouden; of 2. geitenlammeren met een leeftijd tot 30 dagen die gehouden worden op de geitenhouderij waar ze geboren zijn. c. Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde onder a nadat het moratorium voor geitenhouderij in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is opgeheven, waardoor het op provinciaal niveau niet meer verboden is om de oppervlakte stalruimte voor geiten uit te breiden.” Deze regel houdt in dat planologisch geborgd is dat de geitentak van de in het plangebied geëxploiteerde veehouderij tot nader order niet kan groeien als het gaat om aantallen gehouden dieren. Wat dit betreft is de vergunde situatie ook hetgeen planologisch maximaal mogelijk is.

Hertog Janstraat 52 Lith – 2023, pag. 11 van 70 Vastgesteld

Hoofdstuk 3 3.1

Beoogde situatie

Aanleiding

De agrarische sector moet verduurzamen. Dit geldt ook voor de melkgeitenhouderij. Om dit te verwezenlijken, hebben overheden al de nodige regelgeving vastgesteld. De melkgeitensector heeft in dit verband zelf de Uitvoeringsagenda Duurzame Geitenzuivelketen opgesteld. Aspecten van belang voor de uitvoeringsagenda zijn mineralen, energie en dierenwelzijn. Als acties om te komen tot verduurzaming zijn genoemd: • kringlooplandbouw; • efficiënter benutten van grondstoffen en mineralen; • besparen van energie en verkleinen van de CO2-footprint; • een hoger dierenwelzijn met gezonde dieren en een gezonde omgeving. Initiatiefnemer wil een bijdrage leveren aan de noodzakelijke verduurzaming door bij de geitentak van de veehouderij op de locatie aan de Hertog Janstraat 52 te Lith te gaan werken met een ruwvoerrobot. Op dit moment gebeurt het voeren van de geiten met een tractor en een voermengwagen, maar in de nabije toekomst wil men gaan voeren met een elektrische robot, werkend op stroom die men zelf op duurzame wijze opwekt. Zo’n robot voert de geiten meerdere keren per dag, waardoor de geiten efficiënter en gerichter gevoerd kunnen worden en dus met een betere benutting van grondstoffen en mineralen. Dit gaat resulteren in een betere voerefficiëntie en leiden tot een lagere CO2-footprint. Beter voeren per dier en per groep komt de gezondheid van de geiten ten goede.

Om de ruwvoerrobot te kunnen realiseren is er ten eerste een zogeheten voerkeuken vereist. Dit betreft een bedrijfsgebouw waarin het voer opgeslagen wordt en waar de robot het voer ophaalt om het vervolgens te mengen en te voeren aan de geiten. Daarnaast is er een uitbreiding nodig van de voorzieningen voor voeropslag. Ten behoeve van de verduurzaming is het ook van belang om in te zetten op het besparen van energie. Initiatiefnemer beoogt met het oog hierop om de ruwvoerrobot op stroom te laten werken die men zelf op een duurzame wijze opwekt. Naast de plaatsing van zonnepanelen op de daken van de bedrijfsgebouwen wil initiatiefnemer ten behoeve hiervan op termijn nog twee kleine windmolens gaan plaatsen bij de veehouderij. 3.2

Het plan

Initiatiefnemer heeft zijn plan in een voorlopig ontwerp uit laten werken. In figuur 3.1 is dit ontwerp weergegeven. Het voorlopig ontwerp voorziet eerst in de bouw van een nieuwe loods van 47 meter breed en 40 meter diep aan de achterzijde en op korte afstand van de bestaande geitenstallen. Deze loods is eerst bedoeld voor de te realiseren voerkeuken. Hier is echter maar een beperkt deel van de 1.880 m2 grote nieuwe loods voor benodigd. Het overgrote deel van de oppervlakte van deze loods moet voorzien in de nodige extra binnenruimte voor opslag van stro en hooi, stalling van voer- en werktuigen en een nieuwe werkplaats. Verder zijn in het voorlopig ontwerp achter de achterste varkensstal en aansluitend aan de bestaande erfverharding, drie nieuwe sleufsilo’s van 10 meter breed en 30, 35 of 40 meter diep en een nieuwe plaat van 12 meter breed en 35 meter diep voor de opslag van wikkelbalen voorzien. De twee bestaande sleufsilo’s vervallen.

Hertog Janstraat 52 Lith – 2023, pag. 12 van 70 Vastgesteld

(opp.: 1,5 ha)

875

876

Figuur 3.1: voorlopig ontwerp beoogde situatie (bron: Exlan Advies) Gelet op het voorlopig ontwerp ziet het plan van initiatiefnemer nadrukkelijk niet op nieuwbouw of uitbreiding van stallen of het in gebruik nemen van een bestaand overig bedrijfsgebouw als stal. Uitbreiding qua aantallen gehouden geiten en/of varkens is niet aan de orde. Noodzaak Voerkeuken Initiatiefnemer heeft vergunning en stalcapaciteit voor het houden van 1.600 melkgeiten. Volgens opgave van de leverancier vraagt dit aantal melkgeiten een voerkeuken met 48 voerplekken en een dubbele ruwvoerrobot. Inclusief de benodigde manoeuvreerruimte voor een trekker met kuilvoersnijder voor de inpandige vulzijde van de keuken bedragen de afmetingen van de voerkeuken ±26 bij ±18 meter. Rekening houdend met genoeg bijbehorende binnenruimte ten behoeve van de opslag van mineralen, brokken en dergelijke vereist de te realiseren voerkeuken totaal een vloeroppervlakte van ±580 m2. De resterende ±1.300 m2 van de 1.880 m2 grote nieuwe loods zijn eerst bedoeld als nodige extra binnenruimte voor opslag van hooi en stro en stalling van voer- en werktuigen. Initiatiefnemer beschikt in de bestaande situatie maar over een loods van 600 m2 voor opslag en stalling.

Hoewel 400 m2 van deze loods volgens vergunning voor mestopslag is bedoeld, wordt wegens gebrek aan ruimte op dit moment 200 m2 van die 400 m2 gebruikt voor ruwvoeropslag. Het resterende deel van de loods biedt te weinig ruimte om binnen meerdere partijen hooi en stro op te kunnen slaan én alle voer- en werktuigen binnen te kunnen

Hertog Janstraat 52 Lith – 2023, pag. 13 van 70 Vastgesteld

stallen. Hooi en stro moeten daardoor nu per wagen worden aangevoerd; dit kan nu niet al aan het begin van het seizoen voor het hele jaar worden aangekocht, aangevoerd en opgeslagen. Voor voer- en werktuigen geldt dat ze nu noodgedwongen of buiten staan, of op de voergang. Het eerste komt ook in figuur 2.2 naar voren. Bij voeren met een ruwvoerrobot zal het laatste niet langer mogelijk zijn. Om een jaarvoorraad aan hooi en stro op te kunnen slaan, zal in dit geval een extra binnenruimte van ±700 à ±900 m2 vereist zijn. De andere ±400 à ±600 m2 van bovengenoemde 1.300 m2 dienen vooral als extra binnenruimte voor stalling van voer- en werktuigen. Daarnaast beoogt initiatiefnemer nog de ±100 m 2 grote werkplaats te laten vervallen die zich nu in een bestaande stal bevindt en in de nieuwe loods een nieuwe en wat grotere werkplaats te realiseren. Sleufsilo’s Initiatiefnemer voert veel ruwvoer aan de gehouden geiten. Gras wordt in wikkelbalen aangevoerd. Gekeken naar figuur 2.2 moeten de wikkelbalen in de bestaande situatie behalve op het achtererf ook op het voorerf hoog opgestapeld op worden geslagen. Aanvoer en opslag van gras in wikkelbalen is momenteel noodzakelijk, omdat de ruimte ontbreekt voor sleufsilo’s in een zodanige omvang dat ze voldoende capaciteit bieden om het gras gekuild op te slaan.

Volgens de regels van het voor het plangebied geldend bestemmingsplan zijn bouwwerken voor het agrarisch bedrijf, waaronder begrepen sleufsilo’s, alleen binnen het bouwvlak toegestaan en moet de afstand van bouwwerken tot de as van de weg minimaal 20 meter bedragen. Dit betekent dat er geen sleufsilo’s mogen worden gebouwd ter plaatse van het aan de weg gelegen, nog onbenutte voorste deel van het in het ter plaatse geldend bestemmingsplan vastgelegde bouwvlak. Zodoende beperken de mogelijkheden voor de bouw van sleufsilo’s zich in de bestaande situatie tot dat deel van het achterste deel van dat vlak, wat nog niet is benut of waar bestaand opslag plaatsvindt van wikkelbalen. Uit figuur 2.3 komt naar voren dat dit deel te weinig ruimte biedt voor meerdere sleufsilo’s van grotere en daardoor bruikbare omvang. In sleufsilo’s gekuild gras is goedkoper en een meer constant product dan gras in wikkelbalen. Mede met het oog op flexibiliteit en combineren van ruwvoer en bijproducten is het voor een doelmatige en duurzame bedrijfsvoering zaak, dat initiatiefnemer meer gebruik kan gaan maken van in sleufsilo’s gekuild gras en hiermee minder gras in wikkelbalen is aangewezen. Om dat te kunnen doen, moet het gelet op het voorgaande qua bestemmingsplan mogelijk worden om ter plaatse van het plangebied meerdere nieuwe sleufsilo’s te bouwen van voldoende omvang.

Planologie De nieuw te bouwen loods met onder andere de voerkeuken en de nieuwe sleufsilo’s en plaat voor voeropslag kunnen niet in overeenstemming met het voor het plangebied geldend bestemmingsplan worden gerealiseerd. Aangezien blijkens figuur 2.3 het in het geldend plan vastgelegde bouwvlak al grotendeels is benut, volgt uit de noodzakelijke omvang van de nieuwe loods, sleufsilo’s en plaat dat het niet mogelijk is deze geheel te situeren binnen de begrenzing van dit vlak. Het voorlopig ontwerp houdt dan ook in dat dit nieuwe bedrijfsgebouw en deze nieuwe bouwwerken ten dele of geheel buiten betreffend vlak vallen. Daarmee wordt niet voldaan aan de bouwregel van de voor het plangebied geldende bestemming, dat bouwwerken alleen gebouwd mogen worden binnen het bouwvlak. Gelet op het voorgaande is het om het realiseren van het hiervoor beschreven plan in planologisch opzicht mogelijk te maken, noodzakelijk het bouwvlak ter plaatse van het plangebied te vergroten. Uit figuur 3.1 blijkt dat vergroting tot een omvang van 1,5 hectare zal volstaan om er voor te zorgen dat de nieuw te bouwen loods, sleufsilo’s en plaat binnen het bouwvlak gelegen zullen zijn. De in deze figuur weergegeven begrenzing van het vergrote bouwvlak is vastgelegd op de verbeelding van dit bestemmingsplan, zie figuur 3.2.

Hertog Janstraat 52 Lith – 2023, pag. 14 van 70 Vastgesteld

Figuur 3.2: verbeelding beoogde situatie (bron: Exlan Advies) Het plan van initiatiefnemer heeft geen betrekking op en leidt niet tot een wijziging van de gehouden diersoorten binnen het plangebied en/of een uitbreiding van de aantallen geiten en/of varkens, die ter plaatse worden gehouden. Derhalve is geen sprake van strijd met de in het geldend bestemmingsplan opgenomen gebruiksregels ten aanzien van de toegestane diersoorten en stikstofdepositie. 3.3

Inpassing

Bebouwing en verharding De beoogde situatie leidt tot een uitbreiding van de bedrijfsbebouwing ter plaatse van het plangebied en tot het aanleggen van extra verharding. In totaal neemt de oppervlakte aan bedrijfsbebouwing en verharding met ±3.100 m2 toe. Er is geen sprake van een toename van de oppervlakte dierenverblijven. De uitbreiding van de bedrijfsbebouwing en aanleg van extra verharding vindt op het achtererf plaats en sluit direct aan op de bestaande verharding achter de bestaand aanwezige bedrijfsbebouwing. Dat heeft tot gevolg dat de bestaand aanwezige concentratie van bedrijfsbebouwing en verharding behouden wordt.

Hertog Janstraat 52 Lith – 2023, pag. 15 van 70 Vastgesteld

Funtioneel Het plangebied ligt in als ‘primair agrarisch gebied’ aangeduid buitengebied. Het gebruik van dit gebied bestaat hoofdzakelijk uit agrarisch gebruik van gronden en aanwezige bebouwing. Gewenste ontwikkelingen maken dit in de toekomstige situatie niet anders. Sterker nog, volgens de op betreffend deel van het buitengebied van de gemeente Oss toepasselijke visies en beleidsdocumenten liggen in dit deel nog kansen voor groei van de agrarische activiteiten. Met de beoogde situatie wordt de bestaande geiten- en varkenshouderij van initiatiefnemer in het als ‘primair agrarisch gebied’ aangeduid buitengebied verduurzaamd. Dit draagt bij aan een toekomstbestendig agrarisch bedrijf ter plaatse van het plangebied. Gelet op het voorgaande kan de beoogde situatie dan ook passend worden geacht binnen zowel de huidige als de toekomstige functie van het gebied, waar het plangebied toe behoort. Ruimtelijk Het plangebied is gelegen in het komgebied van het buitengebied van de gemeente Oss. In dit gebied liggen volgens visies en beleidsdocumenten voor agrarische bedrijven mogelijkheden om zich verder te ontwikkelen.

Daarvoor dienen ontwikkelingen bij agrarische bedrijven echter wel een bijdrage te leveren aan de landschappelijke kwaliteit van het komgebied: een open tot zeer open landschap, met een zeer regelmatig, rationeel en rechtlijnig verkavelingspatroon en verspreide boerderijen met al dan niet (hoog) opgaande erfbeplanting. Met de beoogde situatie wordt het bouwvlak ten behoeve van de bestaande geiten- en varkenshouderij ter plaatse van het plangebied vergroot tot 1,5 hectare. Dit betreft een ontwikkeling van een agrarisch bedrijf, welke gepaard moet gaan met een fysieke kwaliteitsverbetering van het landschap. Daarom is in het kader van dit bestemmingsplan een inrichtingsplan gemaakt voor een goede, zorgvuldige landschappelijke inpassing van het agrarisch erf en bouwvlak in de beoogde situatie. Figuur 3.3 geeft een impressie van dit inrichtingsplan. Het volledige plan is als bijlage bij deze toelichting opgenomen. Geconstateerd kan worden dat het agrarisch erf en bouwvlak ter plaatse van het plangebied, mede door de landschappelijke inpassing waar het gemaakte inrichtingsplan in voorziet, in de beoogde situatie een (meer) rechthoekige vorm krijgen dan de bestaande L-vorm. Hierdoor wordt het rationele en rechtlijnige verkavelingspatroon binnen het komgebied versterkt.

De in het inrichtingsplan begrepen toevoeging van erfbeplanting leidt ertoe dat betreffend agrarisch bedrijf zich sterker in het open landschap zal aftekenen. De beoogde situatie voorziet onder meer in extra voorzieningen voor ruwvoeropslag op het achtererf. Dat heeft in dit geval ruimtelijk het positieve effect dat anders dan in de bestaande situatie, gebruik van het voorerf voor opslag van gras in wikkelbalen veel minder of zelfs helemaal niet meer nodig is. De beoogde vergroting van het bouwvlak heeft het voordeel dat ook de erfverharding welke in de bestaande situatie buiten het bouwvlak ligt, binnen het bouwvlak wordt gebracht. Groen en water De erven van boerderijen zijn door hun erfbeplanting de belangrijkste landschapselementen in het komgebied, waarin het plangebied ligt. De erven liggen als eilandjes in de polder. Omdat continuïteit en robuustheid bij erfbeplanting het beeld van ‘groene eilanden’ in de leegte zullen versterken, is het logisch om ter accentuering van het principe van eilandjes in de polder, het agrarisch erf in z’n geheel te omzomen met een robuuste beplanting. Met het in het kader van dit bestemmingsplan gemaakte inrichtingsplan wordt ten behoeve van een goede, zorgvuldige landschappelijke inpassing van het agrarisch erf en het bouwvlak in de beoogde situatie de nodige erfbeplanting toegevoegd ter plaatse van het plangebied.

Dit toevoegen vindt plaats aan alle vier de randen van het vergrote erf en bouwvlak om zo meer tot het beeld te komen van een ‘groen eilandje’ in de polder. Als zodanig is groen onderdeel van het plan.

Hertog Janstraat 52 Lith – 2023, pag. 16 van 70 Vastgesteld

In dit geval is er echter vanuit oogpunt van verduurzaming een goede reden om het vergrote erf niet in z’n geheel met (hoger) opgaande beplanting te omzomen. Initiatiefnemer heeft begin oktober 2022 al omgevingsvergunning verleend gekregen voor plaatsing van de in paragraaf 3.1 genoemde twee kleine windmolens. Voor zoveel mogelijk vrije windvang in relatie tot de overheersende windrichting (= zuidwesten), zijn de windmolens conform deze vergunning aan de zuidoostzijde van het vergrote erf en bouwvlak gesitueerd. Gebleken is dat het van belang is dat er direct nabij de plekken van beide windmolens geen aanplant van hoger opgaande beplanting of aanleg van kruidenrijk grasland plaatsvindt. Ten eerste om te voorkomen dat er als gevolg van hoger opgaande beplanting weer een belemmering ontstaat voor de vrije windvang en daarmee het rendement van de windmolens. Daarnaast geldt dat dit in de quickscan soortenbescherming, die onderdeel is van de (aanvraag om) omgevingsvergunning voor het plaatsen van de twee kleine windmolens, is opgenomen om mogelijke effecten op (beschermde) dieren te beperken. Als de directe omgeving van de windmolens niet of minder geschikt is als rust- of verblijfplaats voor dieren, dan verkleint dat de kans dat dieren slachtoffer worden van de molens doordat ze in aanraking komen met de draaiende bladen.

2 kleine windmolens

Figuur 3.3: impressie inrichtingsplan landschappelijke inpassing beoogde situatie Het voorgaande houdt concreet in dat ervoor gekozen is om de rand van het vergrote erf en bouwvlak aan de zuidoostzijde enkel te laten bestaan uit een sloot met daarlangs oevervegetatie. Ter plaatse wordt geen rij knotwilgen of singel langs de sloot aangeplant. Verder zal de aan de zuidzijde voorgestelde nieu-

Hertog Janstraat 52 Lith – 2023, pag. 17 van 70 Vastgesteld

we singel ter hoogte van de voorziene sleufsilo uit minder hoog opgaande beplanting komen te bestaan dan ter hoogte van de bestaand aanwezige stallen. Op de plaats van de nieuw te bouwen loods en sleufsilo’s en plaat voor voeropslag, ligt in de bestaande situatie nog een sloot. Daar dit geen door het waterschap beheerde sloot is en geen A- of B-watergang, heeft deze enkel lokaal functie voor het bergen en afvoeren van hemelwater. Deze sloot zal ter plaatse vervallen en vervangen worden door de in het inrichtingsplan begrepen sloot. Zie ook figuur 3.3. Verkeer en parkeren Het plan van initiatiefnemer heeft geen betrekking op en leidt niet tot een wijziging van de gehouden diersoorten binnen het plangebied en/of een uitbreiding van de aantallen geiten en/of varkens, die ter plaatse worden gehouden. De beoogde situatie zal zodoende niet resulteren in meer aan- en afvoer van geiten en/ of varkens, meer afvoer van kadavers, meer aanvoer van voer, stro en hooi, meer afvoer van mest, meer aan- en afvoer van andere materialen, meer bezoek van bv. dierenartsen, adviseurs en monteurs en meer personeel. Wel zal het wat betreft de aanvoer van voer, stro, hooi zo zijn dat dit niet langer verspreid over het hele jaar plaatsvindt, maar meer geconcentreerd in een korter tijdsbestek. De beoogde situatie brengt gelet hierop geen toename van verkeer naar en vanuit het plangebied met zich mee.

Aangezien de Hertog Janstraat voldoende capaciteit heeft om het huidige verkeer naar en afkomstig van de bestaande veehouderij ter plaatse van het plangebied af te kunnen wikkelen, volstaan de bestaande rechtstreekse ontsluitingen op deze weg en is geen aanpassing nodig qua inrichting van de weg. Gezien het bovenstaande heeft de beoogde situatie ook geen grotere behoefte aan parkeervoorzieningen tot gevolg, waardoor de bestaand aanwezige parkeergelegenheid op eigen terrein volstaat.

Hertog Janstraat 52 Lith – 2023, pag. 18 van 70 Vastgesteld

Hoofdstuk 4 4.1

Ruimtelijk beleidskader

Wettelijk kader

4.1.1 Wet ruimtelijke ordening De hoofdlijnen van de Wet ruimtelijke ordening zijn: - Decentraal wat kan en centraal wat moet: rijk en provincie moeten en mogen niet meer regelen dan wat de taak van deze overheden direct met zich brengt; - Rijk, provincie en gemeente hebben gelijke instrumenten en kunnen die inzetten voor de eigen taken op het gebied van de ruimtelijke ordening: structuurvisie, bestemmingsplan en projectafwijkingsbesluit; - Rijk en provincie kunnen zaken voor gemeente dwingend voorschrijven middels een verordening en via een aanwijzing; - Er is een strikte scheiding tussen beleid en bestemmingsplan; beleidsdocumenten hebben geen directe juridische werking meer; - De goedkeuring van de provincie op bestemmingsplannen is vervallen; - Voor de realisering van projecten kan een projectafwijkingsbesluit genomen worden; - Voor gebieden waar geen ruimtelijke ontwikkelingen spelen kan de gemeente kiezen om een beheersverordening te maken in plaats van een bestemmingsplan; - Er is een drempel voor planschade van 2%; - De mogelijkheid van kostenverhaal bij grondexploitatie is verbeterd; - Bestemmingsplannen moeten analoog en digitaal worden gemaakt. Onderdeel van de Wet ruimtelijke ordening is de Grondexploitatiewet (Grex-wet). De grondexploitatiewet is als paragraaf 6.4 in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen.

Doelstelling van deze wet is een goede regeling voor kostenverhaal, binnenplanse verevening en enkele locatie-eisen bij particuliere grondexploitatie. Onder de Grex-wet is kostenverhaal mogelijk door middel van het privaatrechtelijke spoor (door middel van een vrijwillige overeenkomst) en door middel van het publiekrechtelijke spoor. Het kostenverhaal heeft een verplichtend karakter. Privaatrechtelijke afspraken hebben de voorkeur. Maar als een gemeente er niet in geslaagd is met alle particuliere eigenaren in een gebied een overeenkomst te sluiten over grondexploitatie, moet de gemeente publiekrechtelijk kosten verhalen bij de partijen waarmee geen contract gesloten is. Dit publiekrechtelijke verhaal gaat door middel van een exploitatieplan, waarvan de totstandkoming gelijk op moet lopen met een bestemmingsplan. De verplichting tot een publiekrechtelijke regeling is gekoppeld aan twee voorwaarden: 1. In de eerste plaats is een ruimtelijk besluit op grond van de Wet ruimtelijke ordening nodig. Het publiekrechtelijke instrumentarium is alleen van toepassing bij vaststelling van een bestemmingsplan, wijziging van een bestemmingsplan, of een projectafwijkingsbesluit. 2. De tweede voorwaarde is dat het ruimtelijk besluit voorziet in nieuwbouw of in belangrijke en omvangrijke verbouwplannen met functiewijzigingen.

De bouwplannen waar het om gaat, zijn aangewezen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Voorliggend bestemmingsplan voorziet in nieuwe bouwmogelijkheden. Hierbij geldt de nieuw te bouwen loods als een in het Bro aangewezen bouwplan. De Grondexploitatie-wetgeving is zo van toepassing. Het verhaal van de gemeentelijke kosten in verband met de planologische procedure en de voorgenomen ontwikkeling op initiatiefnemer kan op twee manieren worden geregeld, namelijk via een anterieure overeenkomst of via een exploitatieplan. De gemeente Oss heeft nadrukkelijk de voorkeur om dit via een anterieure overeenkomst te regelen met de initiatiefnemer, omdat het op-/vaststellen van een exploitatie-

Hertog Janstraat 52 Lith – 2023, pag. 19 van 70 Vastgesteld

plan aanzienlijke meerkosten voor de gemeente én initiatiefnemer tot gevolg heeft. In dit geval wordt er tussen partijen een anterieure overeenkomst gesloten. 4.1.2 Besluit ruimtelijke ordening; ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de nadere uitwerking van de Wet ruimtelijke ordening. In het Bro staat onder meer dat gemeenten bij het opstellen van een bestemmingsplan rekening moeten houden met bijvoorbeeld bodem of cultuurhistorie. Verder bepaalt het Bro dat een plan dient te voldoen aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’. De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ is een procesvereiste voor ruimtelijke plannen die nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maken (art. 3.1.6 lid 2 Bro): “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaande stedelijk gebied, een motivering waarom er niet binnen het bestaande stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien”. Stedelijke ontwikkelingen zijn bijvoorbeeld een bedrijventerrein, kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

Nieuwe stedelijke ontwikkelingen zijn ontwikkelingen die nog niet eerder in een bestemmingsplan of een ander juridisch bindend ruimtelijk plan zijn opgenomen. Dit bestemmingsplan maakt een vergroting van het bouwvlak ten behoeve van een bestaande veehouderij mogelijk. Het voorliggende plan is gelet hierop geen nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van de Ladder en behoeft dus geen verantwoording wat de Ladder betreft. 4.1.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Indien nationale belangen met het oog op een goede ruimtelijke ordening dat vergen, kan de Minister regels stellen aan de inhoud van bestemmingsplannen. Dit heeft de Minister, in de vorm van een algemene maatregel van bestuur, gedaan in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Op 30 december 2011 trad dit besluit in werking. Het Kabinet heeft in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld dat er voor een aantal onderwerpen verdere regels gesteld moeten worden. In het Barro komen dertien nationale belangen als titels terug. De volgende kunnen voor ruimtelijke plannen in de gemeente Oss relevant zijn: - Rijksvaarwegen; - Grote rivieren; - Defensie; - Hoofdwegen en landelijke spoorwegen; - Elektriciteitsvoorziening; - Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen; - Natuurnetwerk Nederland; - Primaire waterkeringen buiten het kustfundament.

De regels in het besluit zijn concreet normstellend benoemd en moeten direct of indirect (door tussenkomst van de provincie) doorwerken tot het niveau van de lokale besluitvorming. De indirecte doorwerking komt alleen voor bij de Ecologische Hoofdstructuur en Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarden. Het Barro voorziet verder in een hoofdstuk overige bepalingen en gaat gepaard met meerdere bijlagen. In die bijlagen worden onder andere de belangen van de grote rivieren en defensie geografisch begrensd. Bij het opstellen van bestemmingsplannen (en andere ruimtelijke besluiten) dient rekening te worden gehouden met de bepalingen van het Barro. Voor de gemeente Oss zijn met name de titels met betrekking

Hertog Janstraat 52 Lith – 2023, pag. 20 van 70 Vastgesteld

tot de rijksvaarwegen, de grote rivieren, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en defensie (rechtstreeks) van belang. De regels uit titel 2.4 ‘Grote rivieren’ vormen feitelijk een doorwerking van de Beleidsregels Grote rivieren. Ten aanzien van titel 2.6 ‘Defensie’ wordt de enige mogelijke beperking gevormd door de bescherming van het radarverstoringsgebied van de vliegbasis Volkel. 4.2

Rijksbeleid

4.2.1 De Nationale Omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) betreft de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De belangrijkste speerpunten uit de NOVI zijn: 1. Een klimaatbestendige inrichting van Nederland. Dat betekent dat we Nederland zo inrichten dat ons land de klimaatveranderingen aankan. Daarvoor is nodig dat we functies meer in evenwicht met natuurlijke systemen (bodem en water) inpassen. Een voorbeeld hiervan is het op termijn verhogen van grondwaterstanden in veenweidegebieden; 2. De verandering van de energievoorziening. Bij de inpassing van duurzame energie hebben we oog voor omgevingskwaliteit. Een voorbeeld hiervan is dat we eerst kijken naar ongebruikte daken om zonnepanelen op te plaatsen; 3. De overgang naar een circulaire economie, waarbij we tegelijk goed kunnen blijven concurreren en een aantrekkelijk vestigingsklimaat bieden. Een voorbeeld is het aanpassen van productieprocessen en gebruik van reststoffen in het haven- en industriegebied; 4. De ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland. Hiermee sturen we op een goed bereikbaar netwerk van steden. We gebruiken zo de ambities en mogelijkheden in steden en/of regio’s in heel Nederland.

Voorbeelden van regionale uitwerking hiervan zijn de verstedelijkingsstrategieën, waarin er wordt vooruitgekeken hoe verschillende ruimtelijke functies in en rondom steden het beste ingepast kunnen worden; 5. Het bij elkaar plaatsen van zogeheten logistieke functies (bv. distributiecentra, datacenters) om hiermee de openheid en de kwaliteit van het landschap te behouden. We maken daarbij gebruik van een voorkeursvolgorde logistieke functies; 6. Het toekomstbestendig maken van het landelijk gebied in goed evenwicht met de natuur en het landschap. We werken bijvoorbeeld aan de overgang naar kringlooplandbouw, zodat grondgebruik meer wordt afgestemd op de natuurlijke water- en bodemsystemen. In het kader van het onder 6. genoemde speerpunt is in de NOVI over niet-grondgebonden veehouderij aangegeven dat integrale duurzame stallen de standaard worden: stallen die gezond zijn voor de dieren én de leefomgeving, waar zuinig en efficiënt wordt omgegaan met grondstoffen en nutriënten en een hoog niveau van dierenwelzijn bereikt is. Op basis van de in paragraaf 3.1 beschreven aanleiding en het in paragraaf 3.2 toegelichte plan van initiatiefnemer kan geconcludeerd worden dat dit bestemmingsplan van belang is om wat betreft de in het plangebied uitgeoefende niet-grondgebonden geiten- en varkenshouderij de met de NOVI beoogde standaard te verwezenlijken.

Ook komt hier uit naar voren dat met dit plan wordt beoogd bij te dragen aan de in de NOVI benoemde nationale belangen ‘beperken van klimaatverandering’, ‘realiseren van een CO2-arm energiesysteem’ en ‘realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie’. Onderhavig bestemmingsplan voorziet concreet in een vergroting van het bouwvlak, wat in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’ vast is gelegd ten behoeve van de geiten- en varkenshouderij ter plaatse van de locatie Hertog Janstraat 52 te Lith. Uit deze toelichting blijkt dat er ten gevolge van deze bouwvlakvergroting geen sprake is van een vermindering van de huidige leefomgevingskwaliteit en sprake blijft van een veilige, gezonde leefomgeving binnen en rondom het plangebied. Gelet hierop is onderha-

Hertog Janstraat 52 Lith – 2023, pag. 21 van 70 Vastgesteld

vig plan niet in strijd met de in de NOVI benoemde nationale belangen ‘realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit’ en ‘waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving’. Wat betreft de hiervoor onder 4. en 5. genoemde speerpunten en de overige met de NOVI benoemde nationale belangen kan worden opgemerkt dat die niet in het geding zullen komen als gevolg van onderhavig bestemmingsplan. Dit gezien de ligging en relatief kleinschalige omvang van het plangebied en relatief kleinschalige ontwikkeling waar het betrekking op heeft. Gelet het voorgaande is onderhavig bestemmingsplan passend binnen het in de NOVI vervatte beleid. 4.3

Provinciaal beleid

4.3.1 Brabantse Omgevingsvisie: De kwaliteit van Brabant, visie op de Brabantse leefomgeving Op 14 december 2018 hebben Provinciale Staten van Noord-Brabant de Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ vastgesteld. De Omgevingsvisie bevat de hoofdlijnen van het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. De Omgevingsvisie beschrijft de strategische hoofdopgaven voor de lange termijn over klimaatverandering, energietransitie, verstedelijking en bereikbaarheid, concurrerende duurzame economie en de basis op orde. Voor deze opgaven wordt aangegeven wat de ambities op lange termijn zijn: wat is er nodig om Brabant in 2050 een gezonde, veilige en prettige leefomgeving te laten zijn? Ook is een concreet tussendoel geformuleerd voor het jaar 2030, om zo te kijken wat in dat jaar minimaal bereikt dient te zijn om het lange termijndoel te kunnen halen. In de Omgevingsvisie is ook beschreven op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. Na het in werking treden van de Omgevingswet zal de Omgevingsvisie de provinciale plannen, zoals de structuurvisie, het verkeers- en vervoersplan, het milieu- en waterplan en de natuurvisie vervangen. De basisopgave van de Brabantse Omgevingsvisie is werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit.

Deze basisopgave is veelomvattend en gaat over milieuaspecten als een schone bodem, schoon water (ondergrond) en schone lucht. Maar ook om landschappelijke en cultuurhistorische aantrekkelijkheid, een goede woon- en/of werkomgeving met een aantrekkelijk aanbod aan voorzieningen, stilte en een natuurrijke omgeving, waar biodiversiteit en recreatie hand in hand gaan. Om deze basisopgave te verwezenlijken zijn er vier hoofdopgaven gesteld: 1. Werken aan de Brabantse energietransitie; 2. Werken aan een ‘klimaatproof’ Brabant; 3. Werken aan de slimme netwerkstad; 4. Werken aan een concurrerende, duurzame economie. Voor ontwikkeling(en) van veehouderijen en meer specifiek geiten- en varkenshouderijen bevat de Omgevingsvisie geen specifieke beleidsuitgangspunten. Het is vanuit deze visie wel belangrijk dat ook ontwikkeling(en) hiervan plaatsvinden op een duurzame en een klimaatbestendige manier. Daarnaast moet er gestreefd worden naar (een) ontwikkeling(en) met een bijdrage aan verbetering van de kwaliteit van het landschap. Op basis van de in paragraaf 3.1 beschreven aanleiding en het in paragraaf 3.2 toegelichte plan kan geconcludeerd worden dat dit in onderhavig geval het geval is en onderhavig plan dan ook van belang is voor de hierboven onder 1. en 4. genoemde hoofdopgaven.

De bouwvlakvergroting waar dit bestemmingsplan in voorziet, is noodzakelijk in het kader van de verduurzaming welke initiatiefnemer wil

Hertog Janstraat 52 Lith – 2023, pag. 22 van 70 Vastgesteld

realiseren met betrekking tot de geitentak van zijn veehouderij op het gebied van zowel bedrijfsvoering, eenergie als dierenwelzijn. Met het van dit bestemmingsplan deel uitmakende inrichtingsplan wordt in de vereiste bijdrage aan landschappelijke kwaliteitsverbetering voorzien. De kaderstellende elementen uit de Omgevingsvisie zijn in de provinciale omgevingsverordening vertaald in regels. Voor dit bestemmingsplan is verder dan ook met name deze verordening van belang, want deze bevat gedetailleerde regels waaraan het plan moet worden getoetst. 4.3.2 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant In oktober 2019 is de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld. Bij besluiten van 14 februari 2020, 27 november 2020, 8 december 2020, 20 september 2021, 15 november 2021 en 11 maart 2022 is deze verordening vervolgens op onderdelen gewijzigd. De actuele of geconsolideerde versie van de verordening dateert van 15 april 2022. De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant bevat alle provinciale regels voor de fysieke leefomgeving. De verordening zorgt voor de kaderstellende doorvertaling van de omgevingsvisie en het bestaande provinciaal beleid. De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is een eerste stap in de implementatie van de Omgevingswet op provinciaal niveau. Voordat de wet in werking treedt, wordt de definitieve omgevingsverordening vastgesteld.

Net zoals de Omgevingswet een groot aantal wetten vervangt, vervangt de Brabantse omgevingsverordening diverse provinciale verordeningen. De Interim omgevingsverordening NoordBrabant vervangt de Verordening ruimte, Provinciale milieuverordening, Verordening natuurbescherming, Verordening water, Verordening wegen en Verordening Ontgrondingen. In de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (verder: IOV) staan regels voor: - Burgers en bedrijven: dit zijn rechtstreeks werkende regels voor activiteiten. Deze regels bevatten de voorwaarden om zo’n activiteit te mogen verrichten. Deze regels geven ook aan of de start van een activiteit vooraf gegaan moet worden door een melding. - Bestuursorganen van de overheid: dit zijn zogenaamde instructieregels. De provincie kan met deze regels een opdracht geven aan gemeenten over onderwerpen die ze in het bestemmingsplan moeten opnemen of aan waterschappen over de manier waarop ze hun taken uitvoeren.

Figuur 4.1: Uitsnede kaart 1 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (bron: Ruimtelijkeplannen.nl)

Hertog Janstraat 52 Lith – 2023, pag. 23 van 70 Vastgesteld

Figuur 4.2: Uitsnede kaart 6 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (bron: Ruimtelijkeplannen.nl) Het plangebied van onderhavig bestemmingsplan ligt in gebied dat volgens de IOV aangewezen is als: - ‘Gemengd landelijk gebied’ binnen ‘Landelijk gebied’; - ‘Stalderingsgebied’; - ‘Rust- en foerageergebied ganzen en smienten’. Zie de in figuren 4.1 en 4.2 opgenomen uitsneden van de bijbehorende kaarten. In het gemengd landelijk gebied streeft de provincie aan de ene kant een agrarische economie na en aan de andere kant een gemengde plattelandseconomie. Het eerstgenoemde houdt in dat de agrarische bedrijven centraal staan; het laatstgenoemde betekent dat er meer ruimte is voor niet-agrarische functies. Tijdelijk verbod geitenhouderij Naar aanleiding van wat in paragraaf 5.7.9 over gezondheid in relatie tot geitenhouderijen is opgemerkt, is met artikel 3.47 in de regels van de IOV een regeling opgenomen om, uit voorzorg, de ontwikkeling van geitenhouderijen tegen te gaan. Dit zogeheten ‘moratorium’ geldt vooralsnog als een tijdelijke regeling.

“Artikel 3.47 Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied bepaalt voor geitenhouderijen dat de vestiging van, de uitbreiding van, de omschakeling naar en een toename van de oppervlakte dierenverblijf voor geiten is uitgesloten.” Het begrip ‘uitbreiding’ is in artikel 1.1 IOV gedefinieerd als vergroting van een bestaand bouwperceel. Onderhavig bestemmingsplan leidt er toe dat het bouwvlak waarbinnen gebouwen zijn toegelaten ten dienste van de binnen het plangebied uitgeoefende en toegelaten geiten- en varkenshouderij, wordt vergroot ten opzichte van het bouwvlak als vastgelegd in het geldend bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’. Hierop gelet voorziet dit plan in vergroting van een bestaand bouwperceel en in de zin van de IOV dus in de uitbreiding van een geitenhouderij. Onderhavig plan voldoet dus niet aan bovenstaand artikel. Veehouderij in Landelijk gebied Vanuit het streven naar een sterke en maatschappelijk gewaardeerde veehouderij zijn met artikel 3.49 tot en met artikel 3.53 in de IOV regels gesteld aan de ontwikkeling van alle typen veehouderijen in landelijk gebied. Onderhavig bestemmingsplan voorziet gezien het voorgaande in een uitbreiding van een veehouderij, maar gelet op paragraaf 3.2 is in dit geval hierbij geen sprake van een toename van de oppervlakte

Hertog Janstraat 52 Lith – 2023, pag. 24 van 70 Vastgesteld

dierenverblijf (voor hokdieren) en maakt onderhavig plan dat ook niet mogelijk. Daardoor is voor dit plan alleen het bepaalde in artikel 3.49 van toepassing. “Artikel 3.49, lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in een uitbreiding van, een vestiging van of een omschakeling naar een veehouderij als: a. is geborgd dat ter plaatse alleen een zorgvuldige veehouderij is toegestaan; b. het bouwperceel ten hoogste 1,5 hectare bedraagt; c. de ontwikkeling vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving inpasbaar is in de omgeving; d. mestbewerking is uitgesloten tenzij dit ten behoeve van ter plaatse geproduceerde mest is; e. is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%, tenzij er - indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages - maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke tenminste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert; f. de landschappelijke inpassing tenminste 10% van de omvang van het bouwperceel omvat; g.

de toelichting van het bestemmingsplan een verantwoording bevat dat een zorgvuldige omgevingsdialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving in de planontwikkeling.” Uit de hierna volgende toets blijkt dat onderhavig bestemmingsplan en het daaraan ten grondslag liggende plan van initiatiefnemer voldoen aan al deze voorwaarden voor uitbreiding van een veehouderij. Ad a. Om te bepalen of sprake is van een zorgvuldige veehouderij heeft de provincie Noord-Brabant nadere regels vastgesteld op grond van artikel 5.11 IOV. Deze regels zijn vermeld in de ‘Nadere regels Brabantse zorgvuldigheidsscore veehouderij’. Bij de Brabantse zorgvuldigheidsscore veehouderij (BZV) wordt er gebruik gemaakt van een scoringssysteem, waarbij op diverse aspecten punten kunnen worden gehaald. Wanneer op elk afzonderlijk aspect de daarvoor minimaal vereiste score wordt behaald, is sprake van een zorgvuldige veehouderij. Uitgaande van de bestaande (vergunde) situatie en het plan van initiatiefnemer voor de ontwikkeling van zijn geiten- en varkenshouderij is het scoringssysteem van de BZV ingevuld. Het daaruit volgende rapport is als bijlage bij deze toelichting opgenomen.

Uit het rapport blijkt dat met deze ontwikkeling op elk afzonderlijk aspect wordt voldaan aan de minimaal vereiste score en er dus ter plaatse van het plangebied sprake zal zijn van een zorgvuldige veehouderij. Ad b. Met de bouwvlakvergroting waar onderhavig bestemmingsplan in voorziet, wordt de oppervlakte van het bouwvlak ter plaatse van het plangebied tot het gestelde maximum van 1,5 hectare vergroot. Zie ook paragraaf 3.2. Ad c. Vanuit artikel 3.5, lid 2 IOV moet er voor een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving rekening worden gehouden met zorgvuldig ruimtegebruik, de waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering en meerwaardecreatie. In het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’ is ter plaatse van het plangebied een bouwvlak vastgelegd. De locatie Hertog Janstraat 52 te Lith is daardoor een bestaand bouwperceel. Onderhavig plan ziet weliswaar op vergroting van dit vlak, maar wel op zo’n wijze dat een vergroot bouwperceel ontstaat waarbinnen de noodzakelijke nieuwe gebouwen en bouwwerken voor verduurzaming van de ter plaatse uitgeoefende varkens- en geitenhouderij zo geconcentreerd mogelijk gesitueerd worden en dat perceel

Hertog Janstraat 52 Lith – 2023, pag. 25 van 70 Vastgesteld

zo compact mogelijk blijft. In deze hoedanigheid is met onderhavig plan sprake van zorgvuldig ruimtegebruik zoals in artikel 3.6 IOV bedoeld. Met deze toelichting wordt er met toepassing van de lagenbenadering zorg voor gedragen dat met dit bestemmingsplan rekening wordt gehouden met de waarden die ter plaatse van het plangebied en in de omgeving aanwezig zijn. Gelet artikel 3.7, lid 2 IOV ziet de lagenbenadering op aspecten als bodem, (grond-) water, natuurnetwerk, infrastructuur, archeologische, cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en bebouwing en de effecten op bestaande en toekomstige functies en milieu, veiligheid en gezondheid. Vooral in hoofdstuk 5 van deze toelichting is getoetst en onderbouwd dat met onderhavig plan geen sprake is van nadelige effecten wat dit betreft. Onderbouwd is ook dat het plan niet leidt tot belemmeringen voor de bestaande of toekomstige functies in de omgeving van het plangebied. Geconstateerd kan worden tot slot dat er met dit bestemmingsplan ook sprake is van meerwaardecreatie. Het plan voorziet in het ter plaatse realiseren van de op grond van het bepaalde onder f. verplichte landschappelijke inpassing.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=febeaa80-0995-4c01-9218-5aee90c44909