Bijlage 3 - PlanMER - DEFINITIEF
Tekst van het document
50 | 308 Witteveen+Bos | 134741/24-016.385 | Definitief 02
Om de verschillende belangen en de daaruit voortkomende behoefte aan gericht overleg beter tot hun recht te laten komen, wil de gemeente werken vanuit collectieve initiatieven. Hierbij wil de gemeente gesprekpartner zijn. Een voorbeeld hiervan zijn de melkveehouders die zijn verenigd in Windcollectief OssDen Bosch. Dit collectief heeft plannen voor de ontwikkeling van windenergie in het Osse deel van de Duurzame Polder. Routekaart Groen, Blauw & Natuur De Routekaart Groen, Blauw & Natuur (GBN) uit 2017 is opgesteld vanuit twee doelen: het verbeteren van de kwaliteit en kwantiteit van het GBN in de gemeente en het herkenbaar maken en laten waarderen van GBN. Voor de Lithse Polder (onderdeel van de Duurzame Polder) is benoemd dat dit één van de grootste weidevogelgebieden van de provincie is. De ambitie van de gemeente is om zich samen met de agrariërs in te spannen voor het vergroten van de biodiversiteit. Daarnaast wil de gemeente de ecologische verbindingszone Hertogswetering tussen het Osse Meer en het gemaal bij ’t Wild realiseren. Ook wordt in de routekaart benoemd dat de gemeente onderzoek doet naar de combinatie van duurzame energie (door windturbines), landbouw en natuur. Hierbij stelt de routekaart dat uit onderzoek blijkt dat windturbines het meest effectief zijn om de duurzaamheidsambities te realiseren.
Gesteld wordt het volgende: ‘In de Lithse polder wonen vooral veel agrariërs. Agrariërs zijn recent geconfronteerd met een verplichte versnelling van de veehouderij transitie. Wellicht dat het opwekken van duurzame energie in combinatie met natuurinclusieve landbouw en/ of natuurrealisatie interessant kan zijn. Voor de agrariër en voor onze GBNdoelstelling.’ De routekaart kan hiermee worden gezien als een eerste aanzet tot de doorontwikkeling van de huidige plannen voor de Duurzame Polder en de visie op de transitie van de landbouw in Oss uit 2021. Visie op recreatie en toerisme: verbinden en vertellen De visie op recreatie en toerisme van de gemeente Oss komt uit 2021. Voor het plangebied is de Maas een belangrijk kerngebied voor toerisme en recreatie. De Maas met zijn natuur, landschap, cultuur(historie) en water/rivier vormt het zogenaamd ‘goud’ waarop recreatieve beleving in het gebied is gebaseerd. De grootste troeven zijn de natuurlijke aantrekkingskracht van de Maas en de Maasdijk gecombineerd met de vestingstadjes Megen en Ravenstein. Er is veel recreatieve bedrijvigheid aanwezig, veelal kleinschalig en met een nadruk op dagrecreatie. Over duurzaamheid geldt dat Oss de ambitie heeft een groene, energie neutrale gemeente te zijn. Recreatie en toerisme dragen hieraan bij.
Zo wordt benoemd dat landschappelijke inpassing van nieuwe duurzame initiatieven en het inzetten op kwalitatief groen en biodiversiteit bijdraagt aan een grotere aantrekkelijkheid om in het gebied te recreëren. Erfgoedvisie Oss In de Erfgoedvisie van Oss uit 2021 is de visie van de gemeente Oss op het erfgoed in de gemeente opgenomen. De gemeenschappelijke deler van al het Osse erfgoed is de Maas. Zoals de meanders van de Maas door het landschap lopen, loopt het verhaal van de Maas als een rode draad door de geschiedenis van Oss. Om het erfgoed naar een hoger niveau te kunnen tillen, zijn drie ambities geformuleerd: 1 met het erfgoed bijdragen aan een mooie en prettige leefomgeving; 2 het erfgoed ontsluiten voor een breed publiek; 3 de vele samenwerkingsverbanden op het gebied van erfgoed versterken. Erkend wordt dat grote transities plaatsvinden die voortkomen uit de klimaatmaatregelen, zoals windturbines. Het gebouwde erfgoed, maar ook het cultuurhistorisch landschap zijn daarmee volgens de visie verweven. Om te zorgen dat het erfgoed zo min mogelijk lijdt onder de ontwikkelingen, maar hierin juist een passende plek krijgt zijn drie actielijnen opgesteld, namelijk beschermen, beheren en behouden.
51 | 308 Witteveen+Bos | 134741/24-016.385 | Definitief 02
3.5.2
Gemeente ’s-Hertogenbosch
Visie Energielandschap Op 7 juli 2020 is de Visie Energielandschap vastgesteld door de gemeenteraad van ’s-Hertogenbosch. De gemeente wil in 2045 klimaatneutraal zijn. Om dit te bereiken wil de gemeente omschakelen naar duurzame vormen van energieopwekking. De Visie energielandschap richt zich uitsluitend op productiemethoden met ruimtelijke impact. Dit betreft zonne- en windenergie. Daarbij wordt voor grootschalige windenergie geconstateerd en gemotiveerd dat de grote open polder tussen Oss en ‘s-Hertogenbosch hier het meest geschikt voor is. Ook wordt benoemd dat hier de verbinding kan worden gemaakt met duurzame energieopwekking in de Lithse en Geffense polder in gemeente Oss. De Visie Energielandschap stuurt op een integrale gebiedsontwikkeling, dat wil zeggen dat de energieopwekking in samenhang met andere waarden zoals agrarische ontwikkeling, natuurontwikkeling en klimaatadaptatie wordt opgepakt. Vaak ligt het accent bij de inpassing van duurzame energie op ‘het beperken van schade’. Beperken of voorkomen van schade is zeker een aandachtspunt, maar minstens zo belangrijk is dat de energieopgave ook de kans biedt om kwaliteit aan het buitengebied toe te voegen.
Daarbij zijn de volgende (randvoorwaardelijke) uitgangspunten opgenomen in de Visie: - de ontwikkeling van zonne- en windenergie vergt een integrale benadering waarbij meerdere doelen met elkaar worden verenigd; - windenergie wordt ontwikkeld in grootschalige, open landschappen in een grootschalig windpark en op enkele plekken in kleine clusters gekoppeld aan bedrijventerreinen en snelwegen; - de ontwikkeling moet leiden tot ruimtelijke kwaliteit en maatschappelijke meerwaarde; - de ontwikkeling houdt zoveel mogelijk rekening met het woon- en leefklimaat, waaronder gezondheid, van omwonenden, brengt de consequenties hiervan in beeld en neemt dit integraal mee in de afwegingen; - de ontwikkeling houdt zoveel mogelijk rekening met natuurwaarden en beschermde soorten flora en fauna, waaronder de (beschermde) weidevogels en vleermuizen. De Duurzame Polder maakt deel uit van het gebied ‘Transformeren (windenergie)’ uit de Visie. In deze gebieden kan windenergie worden gerealiseerd wanneer dit deel uitmaakt van een gebiedsgerichte aanpak waarin alle initiatieven in het gebied worden opgehaald. Bij transformatie ontstaan essentieel andere, nieuwe landschappen. In deze gebieden moet het opwekken van duurzame energie nadrukkelijk samengaan met ruimtelijke kwaliteit en verduurzaming van de omgeving.
Bestuursakkoord gemeente ’s-Hertogenbosch Het Bestuursakkoord 2022 - 2026 van de gemeente ’s-Hertogenbosch legt de ambitie voor een klimaat neutrale gemeente vast. De gemeente wil actief en concreet werken aan de transitie van fossiele energie naar hernieuwbare energie. Zij versnelt de ambitie van klimaatneutraliteit van 2050 naar 2045. Met betrekking tot de Duurzame Polder zet de gemeente in op de volgende doelen: - het realiseren van 16 windturbines in de Duurzame Polder, voor 2030, passend binnen de geldende randvoorwaarden, waarbij meer dan de RES-opgave wordt gedaan; - het creëren van een gebiedsfonds dat ten goede komt aan de omwonenden van de Duurzame Polder; - het realiseren van een klimaatbos tussen De Groote Wielen en de Grintweg; - de lusten van duurzame energie worden eerlijk verdeeld met de omgeving. Daarnaast wil de gemeente inzetten op klimaatbestendigheid, door meer ruimte te maken voor groen en water. De gemeente wil onder andere investeren in de grote groenstructuren. Dit richt zich op kwaliteitsverbetering in wijken, buurten, parken, bedrijventerreinen en natuurgebieden. In het Bestuursakkoord wordt ook waterveiligheid genoemd als een opgave voor de gemeente. Deze opgave vraagt om ruimte, maar er zijn ook kansen om dit te koppelen aan andere doelen en ruimtelijke kwaliteit toe te voegen.
52 | 308 Witteveen+Bos | 134741/24-016.385 | Definitief 02
’s-Hertogenbosch Groen en Klimaatbestendig Het doel van het beleidsplan ’s-Hertogenbosch Groen en Klimaatbestendig is om ’s-Hertogenbosch beter bestand te maken tegen de gevolgen van klimaatverandering door in te zetten op een groene en klimaatbestendige inrichting van de stad, wijken en dorpen. Daar horen verschillende ambities bij: - de stad kan wateroverlast en hitte opvangen. Opnamecapaciteit van regenwater is daarin belangrijk; - meer investeren in het aanleggen van waardevol groen. Ecologisch ontwerpen, inrichten en beheren is daarin cruciaal. De gemeente stimuleert en ondersteunt bewonersinitiatieven voor groene plekken in de wijken; - het versterken van de relatie tussen het stedelijk gebied met het buitengebied. Er wordt ingezet op extra natuur- en bosontwikkeling, ecologische verbindingen. Ook worden belangrijke boomstructuren beschermd en verder ontwikkeld als een groen raamwerk van de gemeente. De Visie Groen en Klimaatbestendig beschrijft ook het doel van een natuurlijk en klimaatbestendig watersysteem. Dit beleid is verankerd in de gemeentelijke Verordening Bomen, Water en Groen. Zowel de visie als de Verordening zijn in maart 2021 door de gemeenteraad vastgesteld. In de gebiedspaspoorten (2024) is de uitwerking van de visie opgenomen. Het plangebied ligt in de zone open kleipolder.
Iedere zone heeft een gebiedspaspoort, waarin de opgave voor de zone aan de hand van meerdere indicatoren en doelen is beschouwd. Ruimtelijke Structuurvisie Stad tussen Stromen Op 28 januari 2014 heeft de gemeente ’s-Hertogenbosch de Ruimtelijke Structuurvisie ‘Stad tussen Stromen’ vastgesteld. Deze bevat het wensbeeld van ’s-Hertogenbosch als een compacte, complete, contrastrijke en ook nadrukkelijk een duurzame stad. Hiervoor heeft de gemeente (onder andere) de volgende doelstellingen: - een schone en veilige stad, met een goede balans tussen gezondheid / veiligheid en hinder / gevaar, zorgvuldig ruimtegebruik, respect voor natuur en landschap en een zo verantwoord mogelijk gebruik van energie en grondstoffen; - zorgvuldig grondgebruik en bevordering van functiemenging vormen het uitgangspunt voor ruimtelijk beleid; - inspelen op de klimaatverandering door versterking van de robuustheid van het water- en bodemsysteem en klimaatadaptatie van de gebouwde stad; - een klimaat neutrale stad met een integraal grondstoffenbeleid door energiebesparing en inzet op duurzame energie; - een zorgvuldig ruimtegebruik naar hinder (lawaai verkeer, industrie, recreatie), lucht, geur en veiligheid (bedrijven en transportassen). Het energiebeleid is een belangrijke pijler in het milieubeleid van de gemeente.
Om het doel van een klimaat neutrale stad te bereiken is de productie van duurzame energie noodzakelijk. Deze is op de korte termijn gericht op onder andere windenergie. Visie Duurzaam ’s-Hertogenbosch In mei 2019 heeft de gemeenteraad de Visie Duurzaam ’s-Hertogenbosch vastgesteld. Duurzaamheid is een belangrijk speerpunt binnen de gemeente ‘s-Hertogenbosch, dat bij alle ontwikkelingen wordt betrokken. Naast volledig klimaatneutraal te zijn in 2050, heeft de gemeente de ambitie om in 2035 een klimaatneutraal bebouwde omgeving te hebben. Deze doelstelling betekent niet alleen dat de gemeente veel onderneemt, maar dat ook bedrijven, inwoners, ontwikkelaars, maatschappelijke groepen, woningcorporaties hierin zullen moeten investeren, samenwerken, creatief zijn en vooruitdenken. De gemeentelijke energiedoelstellingen zijn gericht op de volgende vier pijlers: 1 groen en klimaatbestendig; 2 CO2-neutrale omgeving (Energie); 3 waarde behoud van grondstoffen (Circulariteit); 4 duurzame mobiliteit. Er wordt rekening gehouden met veranderingen in het klimaat, zoals meer extreme buien en hete zomers. De gemeente zorgt voor een veilig watersysteem en werken aan vergroening van onze omgeving. Op het
53 | 308 Witteveen+Bos | 134741/24-016.385 | Definitief 02
gebied van energie werkt de gemeente enerzijds aan het verminderen van de energievraag en anderzijds het opwekken van duurzame energie. Ook worden stappen gezet richting een aardgasloze gemeente. De gemeente zet ook in op het efficiënt gebruik (en hergebruik) van beschikbare grondstoffen. Ten aanzien van het vervoer werkt de gemeente aan schonere, slimmere en duurzame mobiliteit. Omgevingsvisie gemeente ’s-Hertogenbosch De gemeente ’s-Hertogenbosch werkt toe naar een gemeente brede Omgevingsvisie, die naar verwachting voor de zomer van 2025 door de gemeenteraad zal worden vastgesteld. Ter voorbereiding van een gemeente brede terugkoppelbijeenkomst is de concept-ontwerpomgevingsvisie, inclusief de bijbehorende bouwstenen, begin november 2024 op de gemeentelijke website toegankelijk gemaakt. Als bouwstenen voor de omgevingsvisie zijn onder andere vier gebiedsvisies opgesteld, waaronder een visie voor het buitengebied en de dorpen. In deze gebiedsvisie is de opwekking van windenergie in de Duurzame Polder als een gegeven meegenomen. Het concept Koersdocument Omgevingsvisie schetst de koers voor de leefbaarste en meest gastvrije gemeente van nationaal belang.
De grote vraag naar ruimte voor woningen en bedrijvigheid moet worden gerelateerd met andere grote opgaven, zoals het veranderende klimaat waarbij droogte, hitte en wateroverlast vaker voorkomen (klimaatadaptatie), en de overstap van fossiele brandstoffen (olie en gas) naar groene energiebronnen (energietransitie). De gemeente streeft naar een circulaire economie waarbij grondstoffen en producten worden hergebruikt. De landbouw moet verduurzamen (landbouwtransitie), en met slimme mobiliteitsoplossingen wil de gemeente de CO2-uitstoot en geluidoverlast verminderen. Ook biodiversiteit en gezondheid voor mens en dier verdient aandacht. Het concept-Koersdocument geeft op hoofdlijnen richting aan deze opgaven en gaat over de toekomst van de gemeente. Het concept Koersdocument is ook de opstap en het kader voor de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. De uitwerking daarvan krijgt gestalte in vier gebiedsvisies. De gebiedsvisies en het definitieve Koersdocument worden uiteindelijk door de gemeenteraad vastgesteld als onderdeel van de Omgevingsvisie voor de gemeente.
54 | 308 Witteveen+Bos | 134741/24-016.385 | Definitief 02
4 REFERENTIESITUATIE Dit hoofdstuk beschrijft de referentiesituatie in het plan- en studiegebied. Paragraaf 4.1 definieert het planen studiegebied. Paragraaf 4.2 beschrijft de huidige situatie per thema en paragraaf 4.3 beschrijft de autonome ontwikkelingen in het plangebied. De referentiesituatie is de situatie die in de toekomst ontstaat als het plan niet wordt uitgevoerd en er dus geen windturbines worden geplaatst in de Duurzame Polder. Die situatie bestaat uit de optelsom van de huidige situatie en de autonome ontwikkelingen. De autonome ontwikkelingen zijn de relevante ontwikkelingen waarover bestuurlijke overeenstemming is (vastgesteld besluit) en die van invloed zijn op de referentiesituatie. Dit planMER vergelijkt de effecten van de varianten met de toestand in de referentiesituatie.
4.1
Plan- en studiegebied
Plangebied In dit planMER wordt gesproken over het plangebied en het studiegebied. Het plangebied is het gebied waarbinnen wordt gezocht naar de mogelijkheden voor de ontwikkeling van windenergie binnen de Duurzame Polder. Dit komt overeen met het ‘verkenningsgebied’, de term die in het eerdere proces werd gebruikt. Het plangebied bestaat uit de Geffense, Lithse, Nulandse en Rosmalense polder tussen beide gemeentes: de Duurzame Polder. Het plangebied Duurzame Polder1 wordt globaal begrensd door de kernen Rosmalen (zuidwestzijde), Kruisstraat en Geffen (zuidzijde), Oss (zuidoostzijde), de N625 (oostzijde) en de Maas (noord- en noordoostzijde). Afbeelding 4.1 toont de afbakening van het plangebied voor dit planMER. Dit plangebied wijkt af van het gebied dat door de gemeenteraden is vastgelegd. De gemeenteraad van Oss heeft bepaald dat windturbines op 2 km van bestaand bebouwd gebied moeten liggen en voor ’sHertogenbosch geldt een afstand van 1 km. Echter, in het kader van de milieueffectrapportage is het van belang om ook buiten deze grenzen te kijken. Voor de volledigheid van het milieuonderzoek worden in het planMER alternatieven onderzocht met plaatsingszones buiten de 1- en 2 km begrenzing. Dit om een compleet beeld te krijgen van de verschillen in effecten tussen de varianten met en zonder 1- en 2 km begrenzing.
De Duurzame Polder wordt gekenmerkt door de grootschaligheid en openheid. Er is veel landbouw en relatief weinig bebouwing en begroeiing. Langs de randen van de polder bevinden zich de dorpen en kernen Rosmalen, Kruisstraat, Heeseind, Nuland, Geffen, Oss, Lith, Lithoijen, Maren-Kessel en het Wild. Omwonenden waarderen de polder vanwege de rust en de ruimte die er te vinden is. Het gebied is rijk aan ecologisch en landschappelijk waardevolle weidevogel- en akkergebieden.
1
In dit planMER worden de termen 'plangebied’ en ‘Duurzame Polder’ door elkaar gebruikt. Met ‘Duurzame Polder’ wordt eveneens het plangebied bedoeld, tenzij anders vermeld.
55 | 308 Witteveen+Bos | 134741/24-016.385 | Definitief 02
Afbeelding 4.1 Plangebied Duurzame Polder
Studiegebied Milieueffecten kunnen verder reiken dan het plangebied. Bewoners buiten het plangebied kunnen bijvoorbeeld last hebben van geluidhinder of slagschaduw van windturbines. In de milieueffectrapportage worden daarom de effecten onderzocht en beoordeeld voor het gebied waarbinnen mogelijk effecten optreden (het studiegebied). Het studiegebied reikt dus verder dan het plangebied, maar hier is geen vooraf afgebakende begrenzing van te geven.
4.2
Huidige situatie
4.2.1
Natuur
In en om de Duurzame Polder zijn verschillende (wettelijk beschermde en niet wettelijk beschermde) natuurwaarden aanwezig. In dit planMER wordt voor het thema onderscheid gemaakt tussen de bescherming van gebieden en soorten. Beschermde gebieden De wettelijk en planologisch beschermde natuurgebieden zijn Natura 2000-gebieden, het Natuurnetwerk Brabant (NNB), groenblauwe waarden, de ecologische verbindingszone en rust- en foerageergebied ganzen en smienten. Deze zijn weergegeven op afbeelding 4.21.
1
In de loop van het project heeft de provincie Noord-Brabant de begrenzing van de ecologische verbindingszone ten noorden van De Groote Wielen aangepast. De ecologische verbindingszone stopt bij de grens van het plangebied. Langs de grens van het plangebied ten noordoosten van De Groote Wielen zijn percelen aangewezen als NNB-gebied. Ook is een perceel ten zuiden van de Eerste Hoefgraaf inmiddels aangewezen als NNB. Deze wijzigingen zijn in dit planMER niet onderzocht, maar wel verwerkt in het ontwerp programma Duurzame Polder.
56 | 308 Witteveen+Bos | 134741/24-016.385 | Definitief 02
Afbeelding 4.2 Overzicht natuurgebieden
Natura 2000 Natura 2000-gebieden maken deel uit van een Europees netwerk van natuurgebieden. Natura 2000gebieden zijn gebieden die beschermd zijn onder Europese richtlijnen, met als doel de Europese biodiversiteit te waarborgen. Binnen het plangebied bevinden zich geen Natura 2000-gebieden. Wel bevinden zich enkele Natura 2000-gebieden op relatief korte afstand van het plangebied. Het betreft Vogelen Habitatrichtlijngebied ‘Rijntakken’, op circa 700 m afstand ten noorden en het Habitatrichtlijngebied ‘Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek’ (op circa 6,5 km), ten zuidwesten. Binnen de Natura 2000gebieden ‘Rijntakken’, ‘Vlijmens Ven-Moerputten & Bossche Broek’, is sprake van stikstofgevoelige habitattypen die in de huidige situatie te kampen hebben met een (sterke) overbelasting door stikstof. Kenschets Natura 2000-gebieden Rijntakken Het Natura 2000-gebied Rijntakken omvat 4 deelgebieden: Uiterwaarden IJssel, Uiterwaarden Neder-Rijn, Gelderse Poort en Uiterwaarden Waal. Alleen van het deelgebied Uiterwaarden Waal wordt een korte kenschets gegeven, omdat dit gebied zich nabij het plangebied bevindt. Het deelgebied Uiterwaarden Waal omvat het winterbed van de Waal en daarmee alle uiterwaardgebieden aan de noord- en de zuidoever van de Waal van Nijmegen tot aan Zaltbommel. De rivier vormt een dynamisch systeem, een samenspel tussen natuurlijke processen en menselijk ingrijpen.
De Waal moet in perioden met hoge rivierafvoer twee derde van de Rijnafvoer voor haar rekening nemen en is daarmee de grootste vrij-afstromende Rijntak. Het is ook de meest dynamische riviertak van het Rijnsysteem. In perioden met hoog water vindt erosie en sedimentatie plaats en ‘vormt’ de rivier het landschap. Het rivierenlandschap bestaat uit een breed, voornamelijk laaggelegen, hoog dynamisch winterbed. De reliëfrijke uiterwaarden bestaan voornamelijk uit graslanden, afgewisseld met enkele akkers, bosjes, bomenrijen, moerasgebiedjes en geïsoleerde oude riviertakken (strangen en geulen). Veel uiterwaarden zijn vergraven voor zand en/of kleiwinning. In het westelijk deel van het gebied liggen de Rijswaard en de Kil van Hurwenen met oude
57 | 308 Witteveen+Bos | 134741/24-016.385 | Definitief 02
riviermeanders, aangrenzende oeverlanden en stroomruggen. Daarnaast liggen er enkele grote plassen, die ontstaan zijn door zand- en kleiwinning. Deze uiterwaarden bevatten soortenrijke glanshaverhooilanden, stroomdalgraslanden en open water, waar deels verlanding (het proces waarbij open water geleidelijk dichtgroeit met planten) plaatsvindt. Rijntakken is aangeduid als Vogel- en Habitatrichtlijngebied en is aangewezen voor 12 broedvogels, 30 nietbroedvogels, 14 habitattypen en 12 habitatrichtlijnsoorten. Vlijmens Ven-Moerputten & Bossche Broek Het Vlijmens Ven, de Moerputten en het Bossche Broek vormen samen één gebied ten zuidwesten van ‘s-Hertogenbosch. Hier gaat het beekdal van de Dommel over in het laagveengebied van de ‘Naad van Brabant’. Door de ligging in deze overgangszone zijn in het gebied basenminnende water- moeras- en graslandvegetaties aanwezig. Het Vlijmens Ven is een kwelgebied waar kranswiervegetaties wordt aangetroffen in sloten. De Moerputten is een natuurreservaat met een groot areaal aan blauwgrasland en elzenbroekbos. Het Bossche Broek is een moerassig gebied in de benedenloop van de Dommel, waar blauwgraslanden aanwezig zijn. Vlijmens Ven, Moerputten en het Bossche Broek is aangeduid als Habitatrichtlijngebied en is aangewezen voor zeven habitattypen en zeven habitatrichtlijnsoorten.
Natuurnetwerk Brabant, ecologische verbindingszones en groenblauwe waarden Het Natuurnetwerk Brabant (NNB) is een netwerk van deels bestaande en deels nieuwe natuurgebieden die door ecologische verbindingszones met elkaar verbonden zijn. Langs de Maas en Hertogswetering en verspreid in het de Duurzame Polder liggen enkele percelen van het NNB. De Hertogswetering en de Hoefgraaf zijn aangeduid als ecologische verbindingszone (EVZ). Ecologische verbindingszones zijn onderdeel van het NNB. De NNB-gebieden in de Duurzame Polder bestaan uit verschillende natuurtypen. Langs de Maas liggen uiterwaarden die als grootschalige, dynamische natuur onder rivier- en moeraslandschap vallen. De afwateringsweteringen door de polder vallen onder beheertype ‘beek en bron’. Tussen de weilanden in de polder liggen beheertypen als rijke graslanden en akkers en vogelgraslanden. Ook zijn cultuurhistorische bossen aanwezig, zoals eendenkooien en wilgengrienden. Kernkwaliteiten van deze beheertypen zijn vaak de vegetatiestructuren met specifieke doelsoorten die kenmerkend zijn voor het beheertype en diverse broedvogels. Naast het NNB zijn in de Omgevingsverordening van Noord-Brabant gebieden opgenomen als verbinding tussen het NNB en landelijk gebied. Dit zijm de groenblauwe waarden.
De groenblauwe waarden richt zich niet alleen op het beschermen van ecologische en landschappelijke waarden, maar juist ook op de ontwikkeling van waarden. Rust- en foerageergebied ganzen en smienten Een deel van de Duurzame Polder is in de Omgevingsverordening van Noord-Brabant aangewezen als rusten foerageergebied voor ganzen en smienten. In dit rust- en foerageergebied voor ganzen en smienten waarborgt de provincie in de periode 1 november tot 1 april de noodzakelijke rust voor ganzen en smienten. Dit gebied ligt centraal in de Duurzame Polder. Ten noordoosten van het plangebied ligt ook een dergelijk gebied.
58 | 308 Witteveen+Bos | 134741/24-016.385 | Definitief 02
Beschermde soorten Vogels Binnen het plangebied komen verspreid verschillende vogelsoorten voor. Om een beter beeld te krijgen van de aanwezigheid van vogels en de verdeling hiervan binnen het plangebied, zijn waarnemingsdata van de afgelopen 3 jaar opgevraagd (NDFF). Op basis van de waarnemingsdata van de afgelopen 3 jaar (NDFF) deze gegevens is een heatmap gemaakt (zie afbeelding 4.3). Hieruit blijkt dat de meeste waarnemingen van vogels worden gedaan in het centrale gedeelte van het plangebied. De plekken waar de vogelwaarnemingen sterk geconcentreerd zijn lijken een natuurlijkere inrichting te hebben (bijvoorbeeld natte gebieden, natuurvriendelijke akkerranden en eendenkooien met kwelders. Daarnaast worden ook langs de noordelijke rand van het plangebied relatief veel vogels waargenomen. Hierbij dient opgemerkt te worden dat deze kaart enkel indicatief is, omdat sprake is van een waarnemerseffect. Vogels kunnen ook in de omgeving van de waarneming voorkomen. Op locaties waar meer mensen komen worden ook meer waarnemingen gedaan, waardoor de hoeveelheid waarnemingen (mogelijk) niet representatief is voor de daadwerkelijke dichtheid van vogels.
Het is dan ook niet mogelijk om op voorhand harde uitspraken te doen over het verwachte aantal en soortensamenstelling van vogels in de omgeving en de verschillen hierin tussen verschillende gedeelten van het plangebied te kwantificeren.
Afbeelding 4.3 Waarnemingen van vogels in het plangebied in de periode 2020 - 2023
Ook zijn verspreid over het plangebied nest-indicerende waarnemingen1 gedaan van vogelsoorten waarvan het nest jaarrond beschermd is onder de Omgevingswet. Het gaat daarbij voornamelijk om buizerd, maar ook boomvalk en roek. Andere soorten als huismus, ooievaar en steenuil zijn voornamelijk nabij de randen van het plangebied waargenomen, in de nabijheid van menselijke bebouwing. Ook in gedeelten van het plangebied waar geen bekende (recente) waarnemingen zijn van jaarrond beschermde nesten, kunnen deze soorten wel voorkomen. Dit geldt met name in grotere bomen (bijvoorbeeld buizerd, sperwer, ransuil) en in woonhuizen en (agrarische) bedrijven (bijvoorbeeld huismus, gierzwaluw, steenuil). 1
Dit zijn waarnemingen van ofwel een nest, ofwel een vogel die gedrag vertoont dat wijst op de aanwezigheid van een nest.
59 | 308 Witteveen+Bos | 134741/24-016.385 | Definitief 02
Weidevogels en wintergasten De Duurzame Polder is een uniek gebied voor weidevogels en wintergasten binnen provincie NoordBrabant. Dit blijkt ook uit verspreidingskaarten van SOVON, waarbij het plangebied op provinciale schaal een hotspot voor weidevogels is. Ondanks dat de Duurzame Polder op landelijk niveau slechts een klein gebied betreft is het belang van de polder op provinciaal en regionaal niveau groot. De polder is met name voor Zuid-Nederland en de provincie Noord-Brabant een belangrijk gebied. Hoge aantallen vogels in grote diversiteit vinden in de polder een plaats om te broeden, te rusten of te foerageren. In de winter verblijven er verschillende ganzen en smienten. In het voorjaar zijn er hotspots van broedvogels als de grutto en kievit. Agrariërs en natuurbeheerders werken samen om deze unieke locatie te behouden en te optimaliseren door plas-drasgebieden en landschapselementen aan te leggen. Dit is succesvol: uit de monitoring van legsels wijst Brabants Landschap (Coördinatiepunt Landschapsbeheer) twee kerngebieden aan voor weidevogels in de Duurzame Polder (zie afbeelding 4.4). Ook buiten deze kerngebieden zijn belangrijke natuurwaarden en landschapselementen van vogelsoorten aanwezig. Om het belang van deze gebieden inzichtelijk te maken is een aanvullend onderzoek uitgevoerd, welke is opgenomen bijlage VII.
Afbeelding 4.4 Kerngebieden voor weidevogels in de Duurzame Polder (bron: Brabants Landschap)
Vleermuizen In de Duurzame Polder zijn ook vleermuizen waargenomen. Het gaat hierbij voornamelijk om overvliegende of foeragerende individuen van gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis (NDFF). Afbeelding 4.5 toont de waarnemingen op een heatmap. Hierop is te zien dat de waarnemingen voornamelijk in het centrale gedeelte van het plangebied gedaan zijn. Hierbij geldt, evenals voor de waarnemingen van vogels, dat sprake is van een waarnemerseffect.
60 | 308 Witteveen+Bos | 134741/24-016.385 | Definitief 02
Afbeelding 4.5 Waarnemingen van vleermuizen in het plangebied in de periode 2013 - 2023
Overige soorten Naast vogels en vleermuizen zijn er nog een heel aantal overige beschermde soorten waargenomen in de Duurzame Polder. Een overzicht van waarnemingen in de afgelopen 10 jaar is opgenomen in onderstaande tabel 4.1.
Tabel 4.1 Overzicht waargenomen overige soorten in het plangebied en de directe omgeving in de periode januari 2013 - januari 2023 volgens de NDFF. Ook soorten die niet zijn waargenomen, maar waarvan het voorkomen binnen het plangebied te verwachten is op basis van recente verspreidingsgegevens zijn opgenomen Soortgroep
Soorten
flora
(geen)
grondgebonden zoogdieren
bever bunzing damhert das eekhoorn hermelijn steenmarter wezel wolf
amfibieën
heikikker kamsalamander
61 | 308 Witteveen+Bos | 134741/24-016.385 | Definitief 02
Soortgroep
Soorten poelkikker rugstreeppad
reptielen
(geen)
vissen
grote modderkruiper noordzeehouting
ongewervelden
veldparelmoervlinder rivierrombout teunisbloempijlstaart
4.2.2
Landschap, cultuurhistorie en archeologie
Landschap De Duurzame Polder kent een verscheidenheid aan landschapstypen die ieder hun eigen kernkarakteristieken hebben. Het betreft het ‘Maas- en oeverwallenlandschap’, het ‘kommenlandschap’ en het ‘overgangslandschap klei-zand’. Dit is weergegeven op afbeelding 4.6.
Afbeelding 4.6 De verschillende landschapstypen in het plangebied
Maas- en oeverwallenlandschap Het Maas- en oeverwallenlandschap bevindt zich in het noorden en het noordwesten van het plangebied. De ruimtelijke afbakening van dit landschapstype omvat het waterlichaam van de Maas en haar oeverwallen. Oeverwallen zijn zandige ruggen die direct langs de rivier zijn afgezet doordat de rivier in perioden van grote waterafvoer buiten haar oevers trad. Aan de oever verloor het water zijn snelheid, waardoor de
62 | 308 Witteveen+Bos | 134741/24-016.385 | Definitief 02
grootste en zwaarste korrels het eerste werden neergelegd. Voortdurende herhaling van dit proces heeft geleid tot de hoge oeverwallen. Doordat nederzettingen vroeger op de hogere delen van de oeverwal ontstonden, is er een onregelmatig slingerend kavel-, wegen- en slotenpatroon ontstaan en liggen de dorpen als een kralensnoer op de oeverwallen. Het landschap is kleinschalig en kent een rijke afwisseling van dorpen, boomgaarden, singels en gras- en bouwlanden. Ruimtelijk-visueel wisselt het landschap op de oeverwallen tussen halfopen en besloten. Ook heeft dit landschapstype, relatief tot het aangrenzende vlakke kommenlandschap, een microreliëf met een hoogteverschil van enkele meters. Kommenlandschap Grenzend aan de oeverwallen bevindt zich het kommenlandschap. In de komgebieden, iets verder van de Maas dan de oeverwallen, kwam het water dat buiten de oevers vloeide tot rust en konden de fijnere slibdeeltjes bezinken. In de loop der eeuwen heeft dit geleid tot een dikke zware komkleilaag. Het landschap bestaat uit grootschalige, rationele, maar onregelmatige kavels die strak omgrensd worden door lange rechte wegen en weteringen. De kavels oriënteren zich op de Hertogswetering, welke het landschap van oost naar west doorkruist. Ruimtelijk-visueel is het kommenlandschap vlak en open met kilometerslange vergezichten.
Af en toe worden deze doorbroken door de schaarse bebouwing, weg- en erfbeplanting of beplanting behorende tot de verschillende eendenkooien in het gebied. Bij de verwijzing naar het gebied wordt ook wel het ‘grootschalige polderlandschap’ gebruikt. Overgangslandschap zand-klei In het zuiden van de Duurzame Polder gaat het kommenlandschap over in een zandlandschap. Met zijn houtwallen, lanen en kleine bosjes is het zandlandschap als kleinschalig te karakteriseren. Kenmerkend voor de overgang tussen deze landschappen is dan ook het grote verschil tussen de open komgebieden en de meer halfopen tot besloten landschappen op de flanken van het zandlandschap in het zuiden. Langs een deel van de zuidgrens van de Duurzame Polder liggen de bebouwingslinten Kruisstraat en Heeseind langgerekt over een dekzandrug. De doorzichten vanuit het kleinschalige landschap van deze lintbebouwing naar het grotere polderlandschap zijn een belangrijke kwaliteit. Aardkunde In de Omgevingsverordening van de provincie zijn aardkundig waardevolle gebieden aangewezen, zie afbeelding 4.7. In het plangebied ligt een deel van het Peelrandbreukenstelsel, welke nog steeds actief is.
Het Peelrandbreukenstelsel vormt de scheiding tussen de grote landschappelijke eenheden van Midden-Brabant, de Roerdalslenk en de Peelhorst.1 De breuk heeft unieke geologische, geomorfologische, bodemkundige en (geo)hydrologische waarden. Zo vormt de breuk een harde scheidingslijn tussen verschillende geologische bodemsoorten. Aan het oppervlak van de breuk liggen op sommige plaatsen wijstgronden, waarbij de hoger gelegen kant van de breuk natter is dan het lagergelegen land. Op de meeste plekken in Noord-Brabant zijn de oorspronkelijke hoogteverschillen van de breuken geëgaliseerd door toedoen van menselijk handelen en natuurlijke winderosie, zo ook in de Duurzame Polder. Hierdoor is het natuurlijke reliëf tegenwoordig minder goed zichtbaar. Ondergronds kan nog wel reliëf aanwezig zijn. Het voorkomen van wijstgronden in het plangebied is niet bekend.
1
https://atlas.brabant.nl/documenten/milieu/bodem/aardkundige_waarden/gebiedsbeschrijving/43%20Peelrandbreukenstelsel.pdf
63 | 308 Witteveen+Bos | 134741/24-016.385 | Definitief 02
Afbeelding 4.7 Aardkundige waarden in het plangebied
Cultuurhistorie Afbeelding 4.8 toont de verschillende cultuurhistorische eenheden die zich in het plangebied bevinden. Zo zijn er een viertal eendenkooien te vinden. Eendenkooien zijn vanginrichtingen voor wilde eenden en andere eend-achtigen en bestaan uit een plas water met bos eromheen, aangelegd op een rustige plek. Daarnaast geldt ook op grond van artikel 8.5 van de Omgevingswet het afpalingsrecht voor eendenkooien. Dit artikel bepaalt dat binnen een eendenkooi) (waarvoor op 31 maart 1977 een recht van afpaling gold) en een cirkel hieromheen (de kooicirkel geen activiteiten verricht mogen worden die eenden kunnen verontrusten. Voor bepaalde activiteiten (waaronder de uitoefening van een beroep of bedrijf) geldt een uitzondering op dit verbod. Als redelijkerwijs niet kan worden gevergd dat de activiteit niet, op en andere wijze of op een ander tijdstip wordt verricht mag de activiteit toch plaatsvinden binnen de eendenkooi. Rond de drie oostelijke eendenkooien is een kooicirkel aangewezen in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss 2020’.Binnen deze zone zijn de gronden tevens bestemd voor het behoud en het herstel van de cultuurhistorische waarde van de eendenkooicirkel. Verder beslaat de Beerse Overlaat een groot deel van het plangebied.
De Beerse Overlaat is een voormalige verlaging in de dijk van de linkeroever van de Maas tussen de dorpen Gassel en Linden in de voormalige gemeente Beers. Ooit maakte dit gebied deel uit van de Zuiderwaterlinie en diende het in de middeleeuwen als inundatiegebied. De Beerse Overlaat werd in 1942 afgesloten, en is later tot agrarisch gebied ingericht. De Beerse Overlaat blijft een belangrijke leefomgeving voor vogels die in open agrarische gebieden leven en is in de provinciale Omgevingsverordening opgenomen als cultuurhistorisch waardevol gebied. Daarnaast toont de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie cultuurhistorisch waardevolle gebieden en objecten.1 Hierbij zijn verschillende waarden en kenmerken opgenomen, waaronder (relevant voor plangebied): - de Hertogswetering; - de Roode Wetering; - de eendenkooien. 1
Zie: Cultuurhistorische Waardenkaart herziening 2024 van de provincie Noord-Brabant.
64 | 308 Witteveen+Bos | 134741/24-016.385 | Definitief 02
De samenhang tussen dijken, dwarskaden, weteringen, terpen en sluizen is waardevol. Het gebied wordt omschreven als een van de meest uitgestrekte open landschappen in Nederland. Ondanks de bouw van nieuwe (agrarische) bedrijven heeft het gebied zijn weidse en open karakter behouden. In het plangebied, en met name in de dorpskernen, bevinden zich verschillende rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten en karakteristieke objecten met cultuurhistorische waarden. De rijksmonumenten betreffen boerderijen, kerken en een kerkelijke dienstwoning, begraafplaatsen, een schutsluis en woonhuizen. Ten slotte zijn belangrijke cultuurhistorische lijnen in het gebied de historische Maasdijk en de Hertogswetering en daarbij behorende dijk. De Maasdijk loopt langs de zuidoever van de Maas. In de 13e eeuw werd al een begin gemaakt met het aanleggen van deze dijk, maar dit gebeurde nog heel lokaal door de aanleg van langs- en dwarsdijken. Aan het begin van de 14e eeuw is de doorgaande Maasdijk ontstaan. In dezelfde periode is de Hertogswetering gegraven, zodat het gebied beter ontwaterd kon worden. Aan de zuidzijde van de wetering bevindt zich een historische dijk.
Afbeelding 4.8 Cultuurhistorische elementen in het plangebied
Archeologie Afbeelding 4.9 geeft een beeld van de bekende archeologische waarden en de archeologische verwachtingswaarden in het plangebied. De bekende waarden betreft een aantal archeologische monumenten. Dit zijn vroegere nederzettingen met bewoningssporen uit de ijzertijd, de romeinse tijd en de middeleeuwen. Met betrekking tot de verwachtingswaarden is te zien dat de trefkans van het vinden van archeologische sporen sterk is gebonden aan de karakteristieken van het natuurlijke landschap. Zo kennen gebieden die vanouds aantrekkelijk waren voor bewoning, de relatief hoge en droge gebieden, een hoge archeologische trefkans. Het gaat dan om de oeverwallen nabij de Maas en de terrasvlakte en de flanken van het dekzand in het zuiden van het plangebied. Deze zijn al vanaf de ijzertijd intensief bewoond geraakt. Het kommengebied tussen de oeverwallen en de flanken van het dekzand was vanouds nat en drassig en daarmee ongeschikt voor bewoning. Hier is de archeologische verwachtingswaarde dan ook laag.
65 | 308 Witteveen+Bos | 134741/24-016.385 | Definitief 02
Afbeelding 4.9 Overzicht archeologische verwachtingswaarden
4.2.3
Bodem
De bodem in de Duurzame Polder wordt voornamelijk gebruikt voor agrarische doeleinden. De bodemfunctie en bodemkwaliteit is door beide gemeenten vastgelegd. Oss In het Osse deel van de Duurzame Polder valt het grootste gedeelte van de polder in het deelgebied Buitengebied Klei.1 Dit deelgebied heeft de kwaliteitsklasse <AW. Daarmee wordt bedoeld dat de grond voldoet aan de ‘achtergrondwaarde’. De grond is dan ‘schoon’ en vrij toepasbaar. De noordelijke rand van het gebied, langs de Maas, valt in het deelgebied Woongebieden en bedrijventerreinen. Hier kent de bovengrond2 (0-0,5 m -mv) de kwaliteitsklasse Wonen, en de ondergrond3 (0,5-2 m -mv) de kwaliteitsklasse <AW. Naast bodemkwaliteit heeft de gemeente Oss ook functieklassen toegekend aan de bodem. Het grootste gedeelte van de polder valt binnen de bodemfunctieklasse ‘Agrarisch en Natuur’. De woonkernen MarenKessel, Kessel, Lith en Lithoijen kennen de bodemfunctieklasse ‘Wonen’. Rondom bedrijventerrein Het Wargaren (Lith) geldt de bodemfunctieklasse ‘Industrie’. In het Osse deel van het Duurzame Polder bevinden zich een aantal voormalige stortplaatsen. Een stortplaats zorgt voor een instabiele bodemopbouw en de bodem is hier mogelijk vervuild. Op afbeelding 4.10 zijn de voormalige stortplaatsen in het plangebied weergegeven.
1 2 3
https://api.sduconnect.nl/media/1588072200PDMS__4043686_v1_Def_Nota_bodembeheer.pdf. https://api.sduconnect.nl/media/1588072200Ontgravingskaart_BG_07_11.pdf. https://api.sduconnect.nl/media/1588072200Ontgravingskaart_OG_07_11.pdf.
66 | 308 Witteveen+Bos | 134741/24-016.385 | Definitief 02
Afbeelding 4.10 Voormalig stortplaatsen in het plangebied
’s-Hertogenbosch In het Bossche deel van de Duurzame Polder heeft de bodem de ontgravings- en toepassingsklasse ‘Landbouw/natuur’. Dit geldt voor zowel de bovengrond (0-0,5m -mv) en de ondergrond (0,5-2m -mv). De bodemfunctieklasse voor de Duurzame Polder is ‘Overig (Landbouw/natuur)’.1
4.2.4
Water
Afbeelding 4.11 toont de waterlopen, de waterkering en de drinkwaterbeschermingsgebieden binnen de Duurzame Polder.
1
https://geoproxy.s-hertogenbosch.nl/apps2/geoportalbodem.html.
67 | 308 Witteveen+Bos | 134741/24-016.385 | Definitief 02
Afbeelding 4.11 Overzicht waterlopen, grondwaterbeschermingsgebieden en waterkeringen
Drinkwaterwinning De Duurzame Polder speelt een belangrijke rol in de drinkwatervoorziening, omdat er een waterwingebied en een grondwaterbeschermingsgebied aanwezig zijn. Het waterwingebied in Oss is het meest kwetsbare deel van de waterwinning, omdat hier daadwerkelijk drinkwater wordt gewonnen. De Omgevingsverordening stelt regels ter bescherming van het waterwingebied. Dit om te voorkomen dat de bodem en het grondwater daarin verontreinigd raakt. In de Omgevingsverordening is bepaald dat binnen het waterwingebied alle werkzaamheden in of op de bodem verboden zijn.1 Het grondwaterbeschermingsgebied is een ‘schil’ rondom het waterwingebied met als doel de kwaliteit van het grondwater binnen het waterwingebied te beschermen. In de Omgevingsverordening zijn ook voor deze gebieden beschermingsregels bepaald, maar deze zijn minder strikt dan voor het waterwingebied zelf. Zo is het verrichten van activiteiten in de bodem op een diepte van meer dan 3 m toegestaan, maar wel onder voorwaarden. Deze voorwaarden gelden voor onder andere grond- en funderingswerken. Een voorbeeld van een voorwaarde is de verplichting van het aanvullen van het bodemprofiel tot tenminste 3 m onder het oude maaiveld volgens het oorspronkelijke bodemprofiel.2 Waterlopen en grondwater In de Duurzame Polder liggen verschillende waterlopen.
Een van deze waterlopen is de Hertogswetering, die dwars door het gebied stroomt en is aangewezen als ecologische verbindingszone. Het Waterschap Aa en Maas is verantwoordelijk voor het beheren van de grondwaterstand in het gebied, waarbij het omgaan met kwel uit de Maas en de Waal een uitdaging vormt.
1
Artikel 3.24 in samenhang met artikel 3.25 Omgevingsverordening.
2
Artikel 3.29 t/m artikel 3.31 Omgevingsverordening.
68 | 308 Witteveen+Bos | 134741/24-016.385 | Definitief 02
Waterveiligheid Waterberging Aan beide zijden van de Hertogswetering liggen reserveringen voor waterberging. Deze reserveringen zijn aangewezen om te voorkomen dat in deze gebieden (kapitaalintensieve) ontwikkelingen plaatsvinden die de ontwikkeling van toekomstige waterberging belemmeren of het waterbergend vermogen nadelig beïnvloeden. In de toekomst zijn de gebieden mogelijk nodig als (gestuurd) waterbergingsgebied Stroomvoerend regime De uiterwaarden zijn onderdeel van het Stroomvoerend regime van de Maas. Dit is een gebied dat onderdeel is van het rivierbed. Dit gebied is beschermd als onderdeel van het watersysteem. In dit gebied mag de doorstroming van water niet belemmerd worden. In de Beleidsregels Grote Rivieren is opgenomen dat geen toestemming wordt gegeven voor niet-riviergebonden activiteiten in het gedeelte van het rivierbed waarop het stroomvoerend regime van toepassing is.1 Dit geldt ook voor opwekking van windenergie, als de activiteit ook redelijkerwijs buiten het rivierbed kan worden gerealiseerd. Hier kan worden afgeweken als (1) het veilig functioneren van het waterstaatswerk gewaarborgd blijft, (2) er geen sprake is van een belemmering voor de vergroting van de afvoercapaciteit, en (3) dat de activiteit zo uitgevoerd wordt dat de afname in bergend vermogen zo gering mogelijk is.
Waterkeringen Aan de noordzijde van de Duurzame Polder bevindt zich de primaire waterkering Maasdijk. Tussen Ravenstein en Lith speelt voor deze dijk een waterveiligheidsopgave. Binnen het project ‘Meanderende Maas’ wordt gekeken naar de het versterken van de dijk en het verruimen van de rivier. De oevers/randen aan beide zijden van de Hertogswetering dienen als secundaire waterkeringen.
4.2.5
Gezonde leefomgeving
Geluid In de Duurzame Polder is het relatief stil. De wegen die door de polder heen lopen en de spoorlijn tussen Oss en ’s-Hertogenbosch zijn de belangrijkste geluidsbronnen. Dit is weergegeven op afbeelding 4.12. Daarnaast kunnen de verschillende agrarische bedrijven zorgen voor geluidhinder. Deze zijn op afbeelding 4.12 niet geïdentificeerd als belangrijke geluidsbron. Hierbij geldt volgens de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG (2009) voor geluid een hindercontour van 50 m. De geluidhinder van agrarische activiteiten buiten het erf van het agrarische bedrijf is niet meegenomen.
1
Artikel 6 Beleidsregels grote rivieren.
69 | 308 Witteveen+Bos | 134741/24-016.385 | Definitief 02
Afbeelding 4.12 Overzicht geluidniveaus (Bron: Geluid in Nederland, RIVM, 2020)
Licht ’s Nachts is het donker in de polder, omdat er weinig lichtbronnen zijn. Dit blijkt ook uit een kaart1 van het RIVM uit 2021. Waarbij met name het centrale deel van het plangebied weinig lichtemissie kent. Rond de kernen is meer licht aanwezig. Luchtkwaliteit De luchtkwaliteit in de Duurzame Polder is matig, gebaseerd op gegevens van RIVM. De in 2020 gemeten concentratie van fijnstof en stikstofdioxide ligt boven de advieswaarde van de World Health Organization (WHO), maar onder de wettelijke grenswaarden van de Europese unie.2 Wettelijk gezien voldoet de luchtkwaliteit in de Duurzame Polder, maar desondanks kunnen er gezondheidseffecten optreden.
Tabel 4.2 Luchtkwaliteit Duurzame Polder. Bron: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), 2020 Stof
WHO advieswaarde
EU grenswaarde
Concentratie Duurzame Polder
fijnstof (PM10)
15 µg/m3
40 µg/m3
16 -18 µg/m3
fijnstof (PM2,5)
5 µg/m3
25 µg/m3
9 - 10 µg/m3
stikstofdioxide (NO2)
10 µg/m3
40 µg/m3
12 - 14 µg/m3
1
Kaart geraadpleegd via atlasleefomgeving.nl, kaarten thema Licht, lichtemissie 2021.
2
De concentraties van PM en NO2 in 2020 kunnen mogelijk beïnvloed zijn door de toen geldende coronamaatregelen.
70 | 308 Witteveen+Bos | 134741/24-016.385 | Definitief 02
Geur Het houden van vee kan geuroverlast geven bij de omgeving. Binnen de polder bevinden zich een aantal veehouderijen die in de directe omgeving geurhinder veroorzaken. Op afbeelding 4.13 is de kans op geurhinder door veehouderijen gevisualiseerd. Deze kaart is gemaakt door de provincie Noord-Brabant in 2019. De kans op geurhinder is gebaseerd op het aantal dieren, het type stal en voer, de opvang van mest en de hoeveelheid stallen. Deze is vervolgens omgerekend naar een Gezondheidseffect Screening-score (GES score). De rode gebieden op de kaart zijn gebieden met veel dieren en grote stallen. Hier is de kans op geurhinder het grootst en de GES score het hoogst.
Afbeelding 4.13 Kans op geurhinder afkomstig van veehouderijen (Bron: Gezondheidskaart GES Geur veehouderij op basis van hinderpercentages 2019)
4.2.6
Veiligheid
Externe veiligheid De discipline externe veiligheid houdt zich bezig met het beheersen van risico’s voor mensen die zich in de nabijheid van risicobronnen bevinden. Externe veiligheid maakt onderscheid tussen risicobronnen en risicoontvangers. De risicobronnen zijn veroorzakers van een risico. Hieronder vallen zogenaamde transportassen zoals buisleidingen, en inrichtingen waarin productie, gebruik, verstrekking en/of opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Het externe veiligheidsbeleid is gericht op de bescherming van individuen die zich bevinden in beperkt kwetsbare en kwetsbare objecten. Binnen het plangebied bevinden zich meerdere kwetsbare gebouwen en locaties (zoals woningen en kantoren) en zeer kwetsbare gebouwen en locaties (bijvoorbeeld kinderopvanglocaties). Ook loopt er een buisleiding en een hoogspanningslijn door het plangebied. Ten slotte kunnen gevaarlijke stoffen worden vervoerd over het spoor of de Maas. Afbeelding 4.14 toont een overzicht van de elementen die van belang zijn voor de externe veiligheid.
71 | 308 Witteveen+Bos | 134741/24-016.385 | Definitief 02
Afbeelding 4.14 Overzicht elementen van belang voor externe veiligheid
Defensie Het laagvlieggebied Maas-Waal1 van het ministerie van Defensie ligt deels binnen het plangebied. Het laagvlieggebied wordt gebruikt voor oefeningen met militaire helikopters. Binnen dit gebied mogen militaire helikopters vliegen op een minimale hoogte van 30 m boven hindernissen of zoveel lager als voor het doel van de vlucht noodzakelijk is. Dit is opgenomen in de Regeling minimum VFR-vlieghoogten en VFR-vluchten buiten de daglichtperiode voor militaire vliegtuigen en helikopters. In de praktijk worden deze gebieden gebruikt voor laagvliegoefeningen (tot op maaiveldhoogte) door Defensie. Afbeelding 4.15 toont de kaart met de vliegbewegingen van helikopters van Defensie in het laagvlieggebied Maas en Waal in de periode januari tot en met april 2023. Omdat dit een momentopname is, is dit slechts een indicatie van het gebruik van Defensie van het gebied. Te zien is dat de vliegbewegingen in de Duurzame Polder zich met name concentreren in oost-west richting tussen de Maasdorpen en de Hertogswetering.
1
Laagvlieggebied GLV IX (Maas/Waal), zie Bijlage B. lid 9 van de Regeling minimum VFR-vlieghoogten en VFRvluchten buiten de daglichtperiode voor militaire vliegtuigen en helikopters.
72 | 308 Witteveen+Bos | 134741/24-016.385 | Definitief 02
Afbeelding 4.15 Vliegbewegingen van het DHC in januari tot en met april 2023 (bron: Defensie)
Daarnaast ligt in het plangebied een laagvliegroute voor helikopters en propellervliegtuigen (route VO)1. De route VO is bedoeld voor het vliegen met militaire propellervliegtuigen, bestemd voor opleidingsdoeleinden. Voor deze route geldt een minimum vlieghoogte van 75 m boven hindernissen. Uit de bijlagen van de vergunningsaanvraag voor route VO2 blijkt dat het huidige en toekomstige verwachte gebruik van de route VO zeer gering is. Afbeelding 4.16 toont zowel de ligging van het laagvlieggebied als de laagvliegroute (route VO).
1
Bijlage B. lid 16 van de Regeling minimum VFR-vlieghoogten en VFR-vluchten buiten de daglichtperiode voor militaire
2
https://www.rvo.nl/onderwerpen/vergunning-laagvliegroutes-10-en-vo : specifiek bijlage 2: Deelrapport 4C Lv VO Eindconcept.
vliegtuigen en helikopters.
73 | 308 Witteveen+Bos | 134741/24-016.385 | Definitief 02
Afbeelding 4.16 Overzicht laagvlieggebied en laagvliegroute Defensie
Radarverstoring De Duurzame Polder bevindt zich tussen twee defensieradars in, namelijk de radar in Herwijnen1 en de radar in Volkel. Het plangebied valt binnen een radarverstoringsgebied waar een maximale hoogte van 90 m van de tippen van de wieken van windturbines ten opzichte van NAP geldt.2 Wanneer windturbines deze hoogte overschrijden, moet door middel van een radarverstoringstoets worden aangetoond dat de windturbines geen onaanvaardbare gevolgen hebben voor het radarbeeld.
4.2.7
Gebruiksfuncties
Recreatie De Duurzame Polder biedt ook plek voor recreatie, met name aan de randen van de polder. De oeverwal langs de Maas kent aantrekkelijke routes met historische woonkernen, horeca, zwemwater en verblijfsrecreatie. Ook de dekzandrand in het zuiden van het gebied kent een hoger recreatief gebruik, vanwege het aantrekkelijke landschap en de bezienswaardigheden in de omgeving. De polder zelf heeft een beperkte recreatieve functie. Het is met name een uitloopgebied, gericht op wandelen, fietsen, sporten en vissen. Recreatieve functies, zoals horeca, zwemmen en recreatief uitloopgebied (wandelen) zijn vooral op de oeverwal te vinden. In de Lithse Ham en de dode Maasarm bij Lithoijen zijn jachthavens gevestigd. Bij de Lithse Ham zijn diverse stranden aanwezig. Wonen Langs de randen van de polder bevinden zich woonwijken in de dorpen en kernen Rosmalen, Kruisstraat, Heeseind, Nuland, Geffen, Oss, Lith, Lithoijen, Maren-Kessel en het Wild. Woningen bevinden zich vooral langs de randen. Binnen de Duurzame Polder zijn er verspreid over het gebied ook enkele woningen te
1
https://www.defensie.nl/onderwerpen/radarstations/radarstation-herwijnen/keuze-voor-herwijnen.
2
https://www.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=8eaadfac232049849ad9841d35cd7451
74 | 308 Witteveen+Bos | 134741/24-016.385 | Definitief 02
vinden, waarvan de meesten dienstdoen als bedrijfswoning bij veehouderijen. Ook zijn er een tweetal woningen aanwezig met enkel een woonfunctie hebben. Landbouw De agrarische sector is momenteel de belangrijkste gebruiker van de Duurzame Polder. In het gebied liggen verschillende agrarische bedrijven. Dit zijn melkveehouderijen, maar ook varken- en geitenhouderijen. Daarnaast is er een tak ontstaan van kleinschalige, gemengde, bedrijven. Deze kleine bedrijven zijn onder andere gericht op biologische landbouw en/of streekproducten De vruchtbare kleigronden en de grootschaligheid van het landschap maken het een geschikt gebied voor landbouw. In Oss is de polder aangewezen als primair agrarisch gebied. Sinds de sluiting van de Beerse Overlaat in 1942 heeft de landbouwsector zich sterk ontwikkeld in de polder, waarbij kleine familiebedrijven plaats hebben gemaakt voor grotere en efficiëntere bedrijven. De agrarische bedrijven in de polder richten zich ook op agrarisch natuurbeheer, waardoor het landbouwgebied grote betekenis heeft voor met name weidevogels. Verkeer In de huidige situatie heeft de Duurzame Polder verschillende verkeersfuncties. In het noorden van de polder bevindt zich de N625, een provinciale niet-autosnelweg. Deze weg vormt een verbinding tussen ’s-Hertogenbosch en Oss via Lith.
In het zuiden van de Duurzame Polder loopt de spoorlijn tussen ’s-Hertogenbosch en Oss. Door de gehele polder bevinden zich verschillende gemeentelijke wegen.
4.3
Autonome ontwikkelingen
Autonome ontwikkelingen zijn die ontwikkelingen en activiteiten die met enige zekerheid zullen plaatsvinden, ook als de voorgenomen activiteiten in de Duurzame Polder geen doorgang vinden. Voor het project Duurzame Polder zijn twee ontwikkelingen van belang, die worden beschouwd als harde belemmering: - woningbouw De Groote Wielen: de gemeenteraad van de gemeente ’s-Hertogenbosch heeft het bestemmingsplan De Groote Wielen Noordoosthoek vastgesteld. In het gebied ten oosten van ’s-Hertogenbosch wil de gemeente 2.300 tot 3.000 woningen ontwikkelen; - woningbouw Oss-West: er zijn plannen om ten westen van Oss zo’n 3.000 woningen te bouwen, in de nieuwe wijk Amsteleind. In de Structuurvisie Oss-West van de gemeente Oss is de opgave als volgt vastgelegd: ‘Oss-West moet een duurzame en groene wijk worden met een eigen identiteit en een differentiatie aan woonmilieus. Het is daarbij van belang dat de bewoners gebruik kunnen maken van voorzieningen in de buurt, waarbij de groene omgeving op korte afstand bereikbaar is ter ontspanning en recreatie.’ In het raadsbesluit van 6 juli 2023 is besloten de gronden ten noorden van de Brandstraat niet meer mee te nemen in de ontwikkeling van Amsteleind1.
Naast de twee ontwikkelingen die worden gezien als harde belemmering zijn er nog een aantal ontwikkelingen die van belang kunnen zijn in de uitwerking van het voornemen, maar in dit planMER nog minder invloed hebben op de keuze voor hetgeen vastgelegd wordt in het programma: - dijkversterking Meanderende Maas: binnen het project ‘Meanderende Maas’ wordt gekeken naar het versterken van de dijken en het verruimen van de rivier de Maas tussen Ravenstein en Lith. Het projectgebied van de dijkversterking grenst aan Lithoijen; - dijkversterking Lith - Bokhoven: ook tussen Lith en Bokhoven voldoet de Maasdijk niet aan de waterveiligheidsnormen en moet deze worden versterkt. Dit traject loopt langs een groot deel van de Duurzame Polder. Het project bevindt zich nog in de voorverkenning, het projectgebied is daarom nog niet bekend; - compensatiegebieden Natuurzone de Groote Wielen Noordoosthoek: op 9 mei 2023 is het bestemmingsplan ‘Natuurzone De Groote Wielen Noordoosthoek’ vastgesteld. Het plan voorziet in een gedeeltelijke verlegging van de waterloop van de Hoefgraaf en de aanleg van natte natuur op een aantal
1
https://oss.bestuurlijkeinformatie.nl/Agenda/Document/4cb0899e-be8f-41a7-aca5-0145047c0d2f?documentId=103c8c91-5a6d4adf-86ed-b7a24bf94fee&agendaItemId=e4075a67-d499-4a85-9764-663d1d3075ef.
75 | 308 Witteveen+Bos | 134741/24-016.385 | Definitief 02
percelen stroomopwaarts langs de Hoefgraaf. Deze gebieden grenzen aan de ecologische verbindingszone van het NNB. Afbeelding 4.17 toont de locatie van de autonome ontwikkelingen in en om het plangebied. Het gebied van de Structuurvisie Oss-West is naar aanleiding van het raadsbesluit van 6 juli 2023 ingeperkt, met een noordelijke begrenzing ter hoogte van de Brandstraat. Hier zijn nog geen concrete locaties voor woningbouw aangewezen.
Afbeelding 4.17 Locaties autonome ontwikkelingen
76 | 308 Witteveen+Bos | 134741/24-016.385 | Definitief 02
DEEL B - ONDERZOEK MILIEUEFFECTEN WINDENERGIE
77 | 308 Witteveen+Bos | 134741/24-016.385 | Definitief 02
5 ONDERZOEKSAANPAK Dit hoofdstuk presenteert de algemene onderzoeksaanpak voor het planMER. Paragraaf 5.1 beschrijft de onderzoeksaanpak op hoofdlijnen. De gehanteerde uitgangspunten zijn beschreven in paragraaf 5.2, en paragraaf 5.3 beschrijft de ingreep-effectrelaties. In paragraaf 5.4 is het beoordelingskader opgenomen en paragraaf 5.5 bevat de algemene beoordelingsschaal. De thema-specifieke onderzoeksaanpak is per thema toegelicht in hoofdstuk 7.
5.1
Onderzoeksaanpak op hoofdlijnen
Het planMER omvat een studie naar de milieueffecten van verschillende varianten voor windenergie in de Duurzame Polder. Daarnaast worden ook de belangrijkste effecten van de ruimtelijke principes voor de integrale gebiedsontwikkeling op hoofdlijnen beschouwd. Dit proces wordt toegelicht in deel C. Het onderzoek naar de milieueffecten van windenergie bestaat uit verschillende stappen. Deze stappen zijn gevisualiseerd op afbeelding 5.1. Onder de afbeelding worden de stappen toegelicht.
Afbeelding 5.1 Stappen planMER
Selectie varianten windenergie
Ontwerpend onderzoek en quickscan milieu
Effectonderzoeken varianten
Bepalen principes integrale gebiedsontwikkeling
Vergelijking varianten
Beschouwen effecten principes
Keuze voorkeurs alternatief
Nadere beschouwing voorkeurs alternatief en verwerking in programma
Opstellen programma
Het planMER bestaat op hoofdlijnen uit de volgende stappen: 1 selectie varianten: in het ontwerpend onderzoek zijn de opgaven, waarden, kansen en aandachtspunten in het plangebied verkend. Deze zijn samen met de duurzame energieopgave uitgewerkt in vier verschillende ‘denkrichtingen’ met elk vier varianten. Vervolgens zijn er nog acht varianten toegevoegd. In de Quickscan zijn alle varianten op hoofdlijnen beoordeeld met behulp van milieu-informatie. Met behulp van de Quickscan en input uit de omgeving zijn vijf varianten gekozen die onderscheidend zijn. Deze zijn onderscheidend, omdat ze het gehele speelveld voor windenergie vanuit een bepaald perspectief binnen de Duurzame Polder in beeld brengen. De varianten zijn in hoofdstuk 6 toegelicht; 2 effectonderzoeken varianten: in dit planMER worden de milieueffecten van de vijf varianten onderzocht en met elkaar vergeleken. De varianten worden beoordeeld op de milieuthema’s en onderzoeksaspecten uit het beoordelingskader in paragraaf 5.4.3. Het beoordelingskader hangt nauw samen met de relatie tussen de ingreep (het plaatsen van windturbines) en het effect hiervan. Dit wordt ook wel de ingreepeffectrelatie genoemd. Deze worden toegelicht in paragraaf 5.3. Voor de beoordeling van de varianten wordt gebruik gemaakt van een algemene beoordelingsschaal, zoals toegelicht in paragraaf 5.4.
Deze schaal geeft inzicht in hoeverre een effect positief of negatief is. Elk thema kent een thematische
78 | 308 Witteveen+Bos | 134741/24-016.385 | Definitief 02
3
4
5
beoordelingsschaal, die aansluit op de algemene beoordelingsschaal. Deze worden toegelicht in de thematische paragrafen in hoofdstuk 7; vergelijking varianten: de beoordeling van de varianten wordt met elkaar vergeleken. Dit geeft inzicht in de te maken belangenafweging en eventuele concessies op andere (milieu)belangen als een bepaald (milieu)belang centraal wordt gesteld. Doel van deze vergelijking is het bieden van inzicht en beslisinformatie, niet het kiezen of uitsluiten van bepaalde delen van varianten of gebieden. Dat is namelijk een bestuurlijke afweging van de gemeenten; keuze voorkeursalternatief: met behulp van de beslisinformatie uit het planMER, het participatieproces en eventuele overige informatie wordt toegewerkt naar een voorkeursalternatief. Dit voorkeursalternatief kan bestaan uit een combinatie van plaatsingszones uit verschillende varianten. De ruimtelijke principes voor de integrale gebiedsontwikkeling zijn onderdeel van het ontwerp programma nadere beschouwing voorkeursalternatief: de milieueffecten van het voorkeursalternatief worden nader beschouwd in dit planMER. Indien een beschouwing niet toereikend is, zal nader onderzoek op dat aspect plaatsvinden. Dit omdat het voorkeursalternatief kan bestaan uit één of meerdere varianten. Dit wordt vervolgens verwerkt in het programma.