CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 - PlanMER - DEFINITIEF

Gemeenteraad 22 mei 2025, gemeente OssBij agendapunt: B Duurzame Polder - goedkeuring voorkeursalternatief34.004 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

5.2

Uitgangspunten

Referentieturbines Windenergie wordt opgewekt met windturbines. Windturbines kennen verschillende afmetingen en een windturbine kan solitair, in een lijnopstelling of in een cluster gerealiseerd worden. Dit planMER gaat uit van twee turbinetypen. Hiermee wordt de bandbreedte aan milieueffecten door windturbines in beeld gebracht. De turbinetypes verschillen van elkaar in grootte en vermogen. Het planMER legt geen concrete turbinetypes of aantallen windturbines vast. Tabel 5.1 geeft de referentieturbines weer, met daarbij de conservatieve inschatting van de energieopbrengst in MWh/jaar. Deze zijn gebaseerd op de energieopbrengstberekeningen die zijn uitgevoerd voor de Quickscan (bijlage IV).

Tabel 5.1 Referentieturbines Nordex N117 (turbinetype 1)

Vestas V172 (turbinetype 2)

ashoogte

134

175

rotordiameter

117

172

192,5

261

3,6

7,2

circa 12.000

circa 24.000

tiphoogte vermogen windturbine (MW) energieopbrengst (MWh per jaar)

De referentieturbines geven samen een realistische bandbreedte aan mogelijke windturbines weer. Anno 20223 is enerzijds een windturbine op land kleiner dan 134 m ashoogte en een turbinevermogen van minder dan circa 3,6 MW onder de huidige financiële aannames niet realistisch. Dit komt onder andere vanwege het vervallen van de SDE-subsidie. Anderzijds geeft een windturbine op land met een ashoogte hoger dan 175 m en een tiphoogte van meer dan 261 m richting 2030 een realistische bovengrens aan. Grotere windturbines (in omvang en vermogen) worden momenteel enkel gerealiseerd op zee. De referentieturbines worden in het planMER gehanteerd om de bandbreedte van effecten op hoofdlijnen te bepalen, niet om (maximale) specificatie van turbines in concrete projecten voor te schrijven. De hoogte van de referentieturbines zijn bijvoorbeeld dus ook geen maximale hoogte. Bij de uitwerking van concrete projecten dienen effecten in meer detail onderzocht te worden aan de hand van concrete turbinetypen.

79 | 308 Witteveen+Bos | 134741/24-016.385 | Definitief 02

Zichtjaar In dit planMER wordt voor de effectbeoordeling een zichtjaar als uitgangspunt genomen. De effectbeoordeling gaat uit van de effecten ten tijde van het zichtjaar. Het zichtjaar voor de effectbeoordeling is 2030, gezien de ambitie van de gemeenten om de windturbines te hebben gerealiseerd in 2030.

5.3

Ingreep-effectrelaties

De realisatie van windturbines heeft effecten op verschillende milieuthema’s. Een ingreep-effectrelatie beschrijft welke effecten op hoofdlijnen te verwachten zijn door de realisatie van windturbines. De realisatie van windturbines bestaat uit verschillende ingrepen. Deze zijn te onderscheiden in tijdelijke ingrepen in de aanlegfase en langdurige ingrepen in de gebruiksfase. Tijdens de gebruiksfase zijn de volgende (langdurige) ingrepen te verwachten: - één of meerdere windturbines, variërend in omvang en vermogen; - parkbekabeling om de opgewekte elektriciteit van de windturbine(s) te verzamelen; - een inkoopstation waar vanuit de opgewekte elektriciteit op het openbare elektriciteitsnet van de netbeheerder wordt gebracht; - toegangswegen en om de bereikbaarheid van de winturbines tijdens de gebruiksfase te borgen. Tijdens de aanlegfase zijn de volgende (tijdelijke) ingrepen te verwachten: - graafwerkzaamheden voor de fundering van windturbines. Voor de fundering van windturbines worden graafwerkzaamheden uitgevoerd tot circa 5 m-mv. Heipalen voor de fundering komen tot circa 30 m mv. De oppervlakte van de fundering van turbinetype 1 is geschat op 625 m2. Voor turbinetype 2 is deze ingeschat op 900 m2; - opstelplaatsen voor kranen voor de bouw van de windturbines; - bouwwegen voor de aanvoer van de windturbines, parkbekabeling en het inkoopstation.

In tabel 5.2 zijn een aantal voorbeelden van ingreep-effectrelaties opgenomen. In de uitwerking van de onderzoeksmethodiek per aspect worden de ingreep-effectrelaties nader toegelicht.

Tabel 5.2 Voorbeeld ingreep-effectrelaties windenergie

Ingreep

Thema

Effect

Aspect

gebruiksfase windenergie geluidproductie draaien windturbinebladen

geluid

geluidhinder in omgeving

geluidbelasting op omgeving

aanlegfase windenergie ingraven of inheien van fundering aanleg kabels bemaling aanleggen verharding

effecten op laagfrequent geluid slagschaduw

slagschaduw op omliggende woningen

slagschaduw op omgeving (windturbines)

archeologie

verstoring of vernietiging van archeologische waarden door graafwerkzaamheden

effecten op archeologische monumenten archeologische verwachtingswaarde

bodem

verslechtering van de bodemkwaliteit en veroorzaken zettingen door graafwerkzaamheden

grondverzet effecten op bodemkwaliteit effecten op ontplofbare oorlogsresten

80 | 308 Witteveen+Bos | 134741/24-016.385 | Definitief 02

5.4

Beoordelingskader

5.4.1

Uitgangspunten beoordelingskader

Kwantitatief en kwalitatief Het beoordelingskader verwijst naar de toe te passen methode om de effecten van de thema’s te onderzoeken. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in kwantitatief en kwalitatief onderzoek: - kwantitatief onderzoek: de onderdelen die meetbaar zijn op basis van numerieke data. Er wordt gebruik gemaakt van modellen en/of rekenprogramma’s om een uitspraak te doen over de effecten van een variant; - kwalitatief onderzoek: de onderdelen die worden gebaseerd op woorden en betekenissen (nietnumeriek), hier bestaat een wisselwerking met expert judgement en kwantitatief onderzoek. Expert judgement is een wetenschappelijk onderbouwde argumentatie ten aanzien van een onderwerp, vraag, of discussie, die is verwoord door een specialist op dat vakgebied. Maatgevende en niet-maatgevende aspecten Het doel van dit planMER is dat de effectanalyses en -beoordelingen bijdragen aan besluitvorming over de plaatsingszones voor windenergie. Niet alle aspecten die volgen uit de ingreep-effectrelaties sluiten aan bij dit doel. Daarom maakt het beoordelingskader een onderscheid tussen maatgevende en niet-maatgevende aspecten: - maatgevende aspecten geven inzicht in onderscheidende effecten die bijdragen aan de locatiekeuze voor windenergie.

Deze aspecten worden beschreven, onderzocht en beoordeeld; - niet-maatgevende aspecten geven voornamelijk inzicht in locatiespecifieke aandachtspunten, die relevant zijn voor de nadere uitwerking van het project in een latere fase. Deze aspecten zijn in deze fase minder sterk van invloed op de keuze voor een bepaalde locatie. Hiermee passen ze niet direct bij het detail- en schaalniveau van het planMER. Deze aspecten worden beschreven en beschouwd, maar hiervoor wordt geen beoordelingsschaal opgesteld. Hierbij wordt niet beoordeeld, maar worden de effecten wel beschreven. Dat betekent niet dat deze aspecten niet belangrijk zijn voor de ontwikkeling van windturbines. Ook deze aspecten kunnen worden meegewogen in de besluitvorming over de Duurzame Polder.

5.4.2

Wijzigingen ten opzichte van de NRD

In de NRD is een eerste voorstel voor het beoordelingskader gepresenteerd. Ten opzichte van deze versie zijn een aantal wijzigingen doorgevoerd in het beoordelingskader. Deze wijzigingen zijn opgesomd en toegelicht in onderstaande tabel.

Tabel 5.3 Wijzigingen ten opzichte van de NRD Thema

Wijziging

Toelichting

ruimtelijke kwaliteit en landschap

de aspecten ‘esthetiek inrichting’, ‘passendheid in landschap’, en ‘ruimtelijk-visuele kwaliteit’ zijn samengevoegd in één aspect: ‘effect op ruimtelijk-visuele kenmerken’

deze aspecten zijn dubbel, daarom zijn deze samengevoegd tot één aspect

hinder in aanlegfase

het thema ‘hinder in aanlegfase’ is verwijderd uit het beoordelingskader

de hinder in de aanlegfase wordt onderzocht bij de voor dit aspect relevante thema’s, bijvoorbeeld bij geluid, natuur, verkeer, stikstof etc.

wonen

het thema ‘wonen’ is verwijderd uit het beoordelingskader

de effecten op woningen en het woon- en leefklimaat bestaan uit effecten van geluid, slagschaduw, lichthinder en gezondheidseffecten. Deze thema’s worden al beschreven in het planMER. Om te voorkomen dat deze thema’s dubbel

81 | 308 Witteveen+Bos | 134741/24-016.385 | Definitief 02

Thema

Wijziging

Toelichting beschreven worden, is het thema ‘wonen’ verwijderd uit het beoordelingskader

duurzaamheid en circulariteit

het aspect ‘energieopbrengst’ is verwijderd uit het beoordelingskader

de verwachte energieopbrengsten worden in het planMER niet separaat beoordeeld. In hoofdstuk 6 wordt voor iedere variant de energieopbrengst globaal weergegeven. Hiermee kan een vergelijking gemaakt worden tussen de varianten

Naast bovenstaande wijzigingen, zijn meerdere aspecten samengevoegd onder één thema. Dit ten behoeve van de omvang en de leesbaarheid van het planMER en omdat meerdere aspecten raken aan hetzelfde thema. Denk hierbij aan het overkoepelend thema ‘gezonde leefomgeving’, waaronder onder andere de aspecten geur en lichthinder worden onderzocht.

5.4.3

Beoordelingskader

Tabel 5.4 presenteert het beoordelingskader dat is gehanteerd voor het beoordelen van de milieueffecten van windturbines. Het beoordelingskader bevat de verschillende milieuthema’s en bijbehorende onderzoeksaspecten. Daarnaast is per onderzoeksaspect weergegeven of een kwalitatieve of kwantitatieve onderzoeksmethode wordt gebruikt en of het gaat om een maatgevend of niet-maatgevend aspect. Maatgevende aspecten worden in het planMER beoordeeld, niet-maatgevende aspecten worden op kwalitatieve wijze beschouwd.

82 | 308 Witteveen+Bos | 134741/24-016.385 | Definitief 02

Tabel 5.4 Beoordelingskader Thema

Aspect

Onderzoeksmethode planMER

Maatgevend/nietmaatgevend

landschap, cultuurhistorie en archeologie

effecten op ruimtelijk-visuele kenmerken (bevat ook esthetiek inrichting, passendheid in landschap, effect op ruimtelijk-visuele kwaliteit)

kwalitatieve beoordeling (inclusief visualisaties)

maatgevend

effecten op landschappelijke waarden: structuren en elementen

kwalitatieve beoordeling

maatgevend

effecten op aardkundige waarden

kwalitatieve beoordeling (op basis van openbare data)

maatgevend

effecten op cultuurhistorische waarden (beschermd en onbeschermd)

kwalitatieve beoordeling (op basis van openbare data)

maatgevend

effecten op archeologie (archeologische monumenten en verwachtingswaarde)

kwalitatieve beoordeling (op basis van openbare data)

maatgevend

grondverzet

kwalitatieve beschouwing

niet-maatgevend

effecten op bodemkwaliteit

kwalitatieve beschouwing (op basis van openbare data)

niet-maatgevend

effecten op oppervlaktewater (waterkwaliteit en -kwantiteit)

kwalitatieve beschouwing (op basis van openbare data)

niet-maatgevend

effecten op grondwater

kwalitatieve beschouwing

niet-maatgevend

effecten op beschermde watergebieden (drinkwaterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied, reserveringsgebied waterberging)

kwalitatieve beoordeling (op basis van openbare data)

maatgevend

effecten op Natura 2000-gebieden (inclusief stikstof)

kwalitatieve beoordeling (op basis van ecologisch bureauonderzoek, inclusief een voorbeeldberekening stikstof)

maatgevend

effecten op Natuurnetwerk Brabant (inclusief ecologische verbindingszones)

kwalitatieve beoordeling (op basis van ecologisch bureauonderzoek)

maatgevend

effecten op rust- en foerageergebied ganzen en smienten

kwalitatieve beoordeling (op basis van ecologisch bureauonderzoek)

maatgevend

effecten op beschermde plant- en diersoorten (Omgevingswet, Rode Lijst en weidevogels)

kwalitatieve beoordeling (op basis van ecologisch bureauonderzoek)

maatgevend

effecten op biodiversiteit (vernietiging niet-beschermde natuurwaarden en waarde toevoegen)

kwalitatieve beschouwing (op basis van ecologisch bureauonderzoek)

niet-maatgevend

externe veiligheid (veiligheidsrisico’s windturbines en verandering in veiligheidsrisico’s opslag en vervoer gevaarlijke stoffen door windturbines, inclusief effecten op hoogspanningslijnen)

kwantitatieve beoordeling (op basis van openbare data)

maatgevend

bodem en water

natuur

veiligheid

83 | 308 Witteveen+Bos | 134741/24-016.385 | Definitief 02

Thema

Aspect

Onderzoeksmethode planMER

Maatgevend/nietmaatgevend

effecten op ontplofbare oorlogsresten

kwalitatieve beschouwing (op basis van openbare data)

niet-maatgevend

effect op ondergrondse leidingen

kwalitatieve beschouwing (op basis van openbare data van planologisch beschermde kabels en leidingen)

niet-maatgevend

effect op defensieradar

kwalitatieve beschouwing

niet-maatgevend

effect op defensie laagvlieggebieden en -routes

kwalitatieve beoordeling (op basis van openbare data en input defensie)

maatgevend

effect op waterveiligheid

kwalitatieve beoordeling

maatgevend

effect op verkeersveiligheid

kwalitatieve beschouwing

niet-maatgevend

effect op landbouw (inclusief effect op ruimtegebruik landbouw)

kwalitatieve beschouwing (op basis van bodemgebruikskaart)

niet-maatgevend

effect op recreatie

kwalitatieve beschouwing

niet-maatgevend

effect op overige bedrijven

kwalitatieve beschouwing

niet-maatgevend

effecten op verkeer (effecten op langzaam verkeer en landbouwverkeer)

kwalitatieve beschouwing

niet-maatgevend

beslag op ruimte (meer/minder windturbines)

kwantitatieve beoordeling (berekening ruimtebeslag in m2)

maatgevend

netwerk

kansen en aandachtspunten vanuit netwerkaansluiting

kwalitatieve beschouwing

niet-maatgevend

gezonde leefomgeving

effecten op gezondheid geluid luchtkwaliteit (verspreiding luchtverontreinigende uitstoot en microplastics) externe veiligheid beneden normen elektromagnetische straling

kwalitatieve beschouwing (op basis van wetenschappelijk onderzoek)

niet-maatgevend

bijdrage aan positieve gezondheid

kwalitatieve beschouwing

niet-maatgevend

veranderingen in gezondheidsrisico’s van veehouderijen

kwalitatieve beschouwing

niet-maatgevend

geluidbelasting op omgeving

kwantitatieve beoordeling (op basis van geluidsberekeningen in Geomilieu, inclusief overzicht aantal geluidgehinderden)

maatgevend

effecten op laagfrequent geluid

kwantitatieve beoordeling (op basis van berekening met behulp van Vercammen- en NSG-Curve)

maatgevend

gebruiksfuncties

84 | 308 Witteveen+Bos | 134741/24-016.385 | Definitief 02

Thema

Aspect

Onderzoeksmethode planMER

Maatgevend/nietmaatgevend

effecten op cumulatieve geluidbelasting

kwantitatieve beoordeling (op basis van Methode Miedema)

maatgevend

trillingseffecten op omgeving

kwalitatieve beschouwing

niet-maatgevend

veranderingen in geurbelasting en effect windturbines op verspreiding geur

kwalitatieve beschouwing

niet-maatgevend

effecten door lichthinder (inclusief schittering)

kwalitatieve beschouwing

niet-maatgevend

slagschaduw op omgeving

kwantitatieve beoordeling (slagschaduwberekeningen)

maatgevend

effect op overstromingsrisico

kwalitatieve beschouwing (op basis van openbare data)

niet-maatgevend

effect op wateroverlast

kwalitatieve beschouwing

niet-maatgevend

effect op droogte

kwalitatieve beschouwing

niet-maatgevend

effect op hittestress

kwalitatieve beschouwing

niet-maatgevend

vermeden emissies

kwantitatieve beschouwing (op basis van berekeningen met kentallen)

niet-maatgevend

kansen voor circulariteit (gebruik primaire grondstoffen, watergebruik, recycling windturbinebladen)

kwalitatieve beschouwing (op basis van input van gemeenten en algemeen/wetenschappelijk aanvaarde uitgangspunten)

niet-maatgevend

kosten

kosten van voorgenomen ontwikkeling

kwantitatieve beschouwing (op basis van kentallen)

niet-maatgevend

integraliteit

mitigatiemaatregelen koppelen

kwalitatieve beschouwing

niet-maatgevend

meekoppelkansen thema’s onderling, zoals klimaatadaptatie, benoemen en benutten

kwalitatieve beschouwing

niet-maatgevend

verbinden van thema’s en realiseren versterking gebiedsontwikkeling

kwalitatieve beschouwing

niet-maatgevend

komen tot concrete meerwaarde in het gebied

kwalitatieve beschouwing

niet-maatgevend

klimaatadaptatie

duurzaamheid en circulariteit

85 | 308 Witteveen+Bos | 134741/24-016.385 | Definitief 02

5.5

Beoordelingsschaal

Voor een goede afweging is het van belang om inzicht te hebben in de onderscheidende effecten van de verschillende varianten. Om de effecten van de varianten per aspect te kunnen vergelijken zijn deze op basis van een plus- en min-schaal beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie. Hiervoor is de beoordelingsschaal gehanteerd zoals weergegeven in tabel 5.5. In de tabel is per beoordelingsklasse toegelicht wat deze klasse inhoudt. Door deze beoordelingsschaal wordt eenvoudig inzichtelijk of milieueffecten optreden ten opzichte van de referentiesituatie. Indien er geen wezenlijke effecten worden verwacht in een gebied geldt een neutrale beoordeling ten opzichte van de referentiesituatie. Deze generieke beoordelingsschaal is per thema nader gespecificeerd in de thema-specifieke onderzoeksmethodiek in hoofdstuk 7.

Tabel 5.5 Beoordelingsschaal Score

Oordeel ten opzichte van de referentiesituatie

Algemene toelichting beoordelingsklassen

--

sterk negatief

effecten die door hun aard, omvang en schaal leiden tot belangrijke impact op het milieu. Dit zijn vaak effecten die (onherstelbare) schade toebrengen aan het systeem, leiden tot overschrijding van normen en/of niet te voorkomen of beperken zijn met maatregelen

-

negatief

effecten die door hun aard, omvang en schaal leiden tot verslechtering van de milieukwaliteit. Er treedt geen onherstelbare schade op voor het systeem en normen worden niet overschreden. Effecten zijn mogelijk te voorkomen of beperken met maatregelen

0

neutraal

effecten ontbreken of zijn door hun aard, omvang en schaal dermate gering dat ze niet leiden tot betekenisvolle positieve of negatieve impact op het milieu

+

positief

effecten die bijdragen aan verbetering van de milieukwaliteit, maar in aard, omvang en schaal beperkt zijn

++

sterk positief

effecten die door hun aard, omvang en schaal kunnen leiden tot verbetering van de milieukwaliteit.

86 | 308 Witteveen+Bos | 134741/24-016.385 | Definitief 02

6 VARIANTEN WINDENERGIE Dit hoofdstuk beschrijft de vijf varianten voor windenergie in de Duurzame Polder. De varianten bestaan uit verschillende plaatsingszones die in het planMER worden onderzocht. Paragraaf 6.1 beschrijft de algemene uitgangspunten voor de variantenontwikkeling. De paragrafen 6.2 tot en met 6.6 presenteren de varianten. Per variant wordt het doel van de variant toegelicht, worden de toegepaste ontwerpprincipes opgesomd en wordt de energieopbrengst van de variant bepaald. Ten slotte worden de plaatsingszones van de varianten op kaart gepresenteerd.

6.1

Variantenontwikkeling

De varianten hebben als doel het gehele speelveld van windontwikkeling in de Duurzame Polder in kaart te brengen. Om de hoeken van het speelveld in beeld te krijgen, zijn de varianten zoveel mogelijk onderscheidend ten opzichte van elkaar. Alle varianten zijn ontwikkeld vanuit een leidend ontwerpprincipe. Daarnaast zijn de varianten ontwikkeld voor beide referentieturbines (zie paragraaf 5.2). Vervolgens zijn binnen de varianten plaatsingszones ingetekend, die rekening houden met belemmeringen in het plangebied. Onderstaand kader geeft een toelichting op de relevante terminologie voor de variantenontwikkeling. Terminologie: varianten en plaatsingszones Een variant is een voorgestelde invulling van het plangebied met windturbines vanuit specifieke ontwerpprincipes. De variant Landschap laat bijvoorbeeld zien wat een geschikte invulling van de ruimte is bezien vanuit het landschap. Het gaat daarbij dan bijvoorbeeld om het volgen van de logische lijnen in het landschap bij plaatsing van de windturbines. In deze fase wordt nog geen keuze gemaakt voor het type windturbine. Om de bandbreedte van de effecten in beeld te brengen, afhankelijk van turbinetypes, zijn binnen de varianten verschillende turbinetypen uitgewerkt.

Hierin is de verwachte energieopbrengst de basis en is bepaald hoe deze opbrengst kan worden gerealiseerd met windturbines in een bandbreedte van minimale en maximale grootte, zoals toegestaan door de gemeente. In dit geval zijn dit windturbines met denkbeeldige ashoogtes van 134 m en 175 m (zie paragraaf 5.2). Exploitanten van windenergie hebben ruimte nodig om een goede positie voor een windturbine te kunnen bepalen. De milieueffecten die in dit planMER beoordeeld worden, treden vaak erg lokaal op. Flexibiliteit in de inpassing van de turbineposities biedt ruimte voor de mitigatie van milieueffecten. Daarom zijn binnen de varianten zones geselecteerd waarbinnen windturbines geplaatst kunnen worden. Dit zijn de plaatsingszones. Hiermee wordt de plaatsing van windturbines in een gebied concreet en realistisch gemaakt, met ruimte om in een vervolgfase te variëren met turbineposities. De varianten zijn ontwikkeld op basis van verschillende ontwerpprincipes. Deze ontwerpprincipes geven richting aan de varianten. Elke variant is gebaseerd op één leidend ontwerpprincipe. Daarmee zijn de alternatieven onderscheidend van aard en worden keuzes gerelateerd aan een ontwerpprincipe inzichtelijk. Zo maakt de variantenstudie onder andere inzichtelijk wat de keuze voor een strengere geluidsnorm, het

87 | 308 Witteveen+Bos | 134741/24-016.385 | Definitief 02

vermijden van natuurgebieden of het volgen van een landschappelijk patroon betekent voor andere milieuthema’s. Uit de ontwerpprincipes volgen plaatsingszones. Dit zijn gebieden waar de windturbines zouden kunnen worden ontwikkeld. De verschillende plaatsingszones vormen gezamenlijk de variant. De variant wordt onderzocht op de milieueffecten. Binnen de plaatsingszones wordt globaal gekeken of voldaan kan worden aan de opwekdoelstellingen van de gemeente Oss en ’s-Hertogenbosch. De varianten vermijden de gebieden die op voorhand geen ruimte bieden voor windturbines. Dit zijn de harde belemmeringen. De harde belemmeringen zijn fysieke beperkingen of beperkingen vanuit wet- en regelgeving die de ontwikkeling van windenergie op een bepaalde locatie onmogelijk maken. Denk aan gebouwen en infrastructuur, of regelgeving. Afbeelding 6.1 toont de beschikbare ruimte die overblijft na het uitsluiten van de harde belemmeringen in de Duurzame Polder. De donkeroranje belemmeringen behoren tot turbinetype 1, de lichtoranje belemmeringen horen bij turbinetype 2. Het verschil volgt uit het aanhouden grotere afstanden tot objecten door een toename in de omvang van de windturbines. Het gaat om de volgende belemmeringen: - de contour van 47 dB (met 3 dB mitigatie1) rondom woningen.

Deze afstand geldt ook rond de autonome ontwikkelingen van woningbouw in De Groote Wielen en in Oss-West: · voor turbinetype 1 is dit een afstand van 220 m; · voor turbinetype 2 is dit een afstand van 315 m; - rijksmonumenten; - het waterwingebied; - de hoogspanningsverbinding met een minimale veiligheidscontour van een ½ rotordiameter: · voor turbinetype 1 is dit een afstand van 58,4 m; · voor turbinetype 2 is dit een afstand van 86 m; - de ondergrondse buisleidingen met een contour van 15 m; - het gebied ten noorden van de N625 tussen de kernen Maren en Lith: · dit gebied bestaat grotendeels uit water en overlapt met recreatiegebied De Lithse Ham.

1

Geluidreducerende maatregelen kunnen als mitigerende maatregel worden ingezet om effecten te beperken of voorkomen. In de praktijk wordt vaak een geluidreductie van circa 3 dB toegepast om effecten te mitigeren.

88 | 308 Witteveen+Bos | 134741/24-016.385 | Definitief 02

Afbeelding 6.1 Belemmeringen in de Duurzame Polder op kaart

Algemene uitgangspunten varianten De volgende algemene uitgangspunten zijn toegepast voor de ontwikkeling van varianten voor windenergie: - de varianten liggen binnen het plangebied; - belemmeringen gebaseerd op nationale wet- en regelgeving zijn uitgesloten1; - rondom de verspreid liggende woningen is, in afwijking van de wet- en regelgeving, in sommige varianten rekening gehouden met een minimale afstand van een halve rotordiameter tot woningen. Hierdoor ontstaat inzicht in de aanvullende ruimte die ontstaat indien bepaalde woningen in de toekomst onderdeel worden van het windpark (molenaarswoningen). De effectenanalyse brengt de effecten hiervan in beeld (zie tekstkader over molenaarswoningen voor een nadere toelichting); - de minimale afstand van 1 km tot de bebouwde kom in ’s-Hertogenbosch is beschouwd als aandachtspunt en niet als harde belemmering. De minimale afstanden tot de bebouwde kom zijn op dit moment een bestuurlijk uitgangspunt. Voor de volledigheid van het milieuonderzoek kijkt wordt ook verder gekeken dan de 1- en 2 km begrenzing. De gemeenteraden zullen in 2024 een voorkeursalternatief kiezen; - met alle informatie die dan beschikbaar is, zullen de raden medio/eind 2024 op het VKA besluiten; - de minimale afstand van 2 km tot de bebouwde komgrens in de gemeente Oss is beschouwd als aandachtspunt en niet als harde belemmering.

De minimale afstanden tot de bebouwde kom zijn op dit moment een bestuurlijk uitgangspunt. Voor de volledigheid van het milieuonderzoek kijkt wordt ook verder gekeken dan de 1- en 2 km begrenzing. De gemeenteraden zullen in 2024 een voorkeursalternatief kiezen; - de autonome ontwikkelingen voor woningbouw in De Groote Wielen en in Oss-West zijn beschouwd als harde belemmeringen. Voor Oss-West wordt geen rekening gehouden met de 2 km begrenzing; - de varianten geven zoveel mogelijk invulling aan de opgave van Oss om 0,514 PJ op te wekken in 2030;

1

Uitzondering hierop is de geluidcontour voor de woningen in het buitengebied. Hiervoor kan in enkele gevallen gebruik worden gemaakt van een molenaarswoning (zie toelichting tekstkader molenaarswoningen).

89 | 308 Witteveen+Bos | 134741/24-016.385 | Definitief 02

-

de varianten geven zoveel mogelijk invulling aan de opgave van ’s-Hertogenbosch om 16 windturbines in de Duurzame Polder te realiseren, dan wel te zorgen voor een energieopwek die hiermee overeenkomt, ofwel te zorgen voor een maximale energieopbrengst in 2030; er zijn geen definitieve windturbineposities bepaald, alleen plaatsingszones. De plaatsingszones brengen samen de bandbreedte aan milieueffecten in beeld; er zijn geen varianten ontwikkeld die een combinatie van ashoogtes bevatten, om de hoeken van het speelveld en de verschillen tussen turbinetypes in kaart te brengen; de varianten gaan alleen over de ontwikkeling windturbines, de integrale gebiedsopgaven worden apart beschouwd in deel C van dit planMER; voor varianten met turbinetype 1 (3,6 MW) is uitgegaan van een gemiddelde energieopbrengst van 12.000 MWh/jaar per windturbine1; voor varianten met turbinetype 2 (7,2 MW) is uitgegaan van een gemiddelde energieopbrengst van 24.000 MWh/jaar per windturbine1.

-

Molenaarswoningen in het planMER Bij windparkontwikkelingen zijn veelal omwonenden ook initiatiefnemer en mede-eigenaar van het windpark. In specifieke gevallen kan een woning aangewezen worden als ‘woning in de sfeer van de inrichting’ of ‘molenaarswoning’. Dit is mogelijk als er feitelijk een technische, organisatorische of functionele binding is tussen de woning en de windturbine. Mogelijk ontstaat in de toekomst de wens (vanuit de windparkontwikkelaar én bewoner) om een woning aan te wijzen als molenaarswoning. Een woning wordt dan juridisch gezien onderdeel van het windpark. De gebruikelijke normen die gelden ter bescherming van omwonenden tegen bijvoorbeeld geluid, externe veiligheid of slagschaduw zijn dan niet van toepassing. Dit maakt het mogelijk om windturbines op een kortere afstand van deze molenaarswoningen te plaatsen. Dit leidt ertoe dat potentieel meer gebieden in aanmerking kunnen komen voor het ontwikkelen van windturbines. Het is zinvol om ook de milieueffecten binnen deze potentiële gebieden te onderzoeken. Daarom gaan de varianten Landschap, Natuur en Restruimte uit van een andere contour rond woningen in het buitengebied. Tot deze woningen is een afstand van een ½ rotordiameter aangehouden. Dit is een minimale afstand, om te voorkomen dat de rotorbladen van de windturbine over de woning draaien.

Voor woningen in de bebouwde kom is de contour horend bij 47 dB Lden (met mitigatie) van toepassing. Deze contour geldt ook voor woningen in lintbebouwing of concentraties van woningen, buiten de bebouwde kom. Voor de varianten Landschap en Natuur zijn daarnaast subvarianten ontwikkeld die uitgaan van plaatsingszones zonder molenaarswoningen (paragraaf 6.7). Hiermee worden de verschillen tussen varianten mét en zonder molenaarswoningen inzichtelijk gemaakt. Het is belangrijk om te benoemen dat het aanwijzen van molenaarswoningen niet plaats vindt in dit planMER. Het planMER heeft slechts tot doel om informatie over de milieueffecten te bieden. Zoals benoemd is de aanwijzing van molenaarswoningen slechts mogelijk onder strenge juridische voorwaarden en met instemming van bewoners/eigenaren. Er moet altijd sprake zijn van een ‘goed woon- en leefklimaat’ voor de bewoners van een molenaarswoning. Dit kan ook betekenen dat een afstand groter dan een ½ rotordiameter nodig is.

6.2

Variant Basis

Doel De variant Basis onderzoekt plaatsingszones die rekening houden met de raadsbesluiten van de gemeenteraden van de beide gemeenten om een minimale afstand aan te houden van de bebouwde kom. 1

In deze fase wordt uitgegaan van een algemene opwek per turbinetype om de energieopbrengsten van de varianten op hoofdlijnen in beeld te brengen. In een vervolgfase dient dit specifiek berekend te worden. De bevindingen per variant over de energieopbrengsten zijn gebaseerd op deze algemene uitgangspunten die in de tweede helft van 2023 beschikbaar waren. Gewijzigde inzichten of informatie van na deze datum zijn niet in dit hoofdstuk verwerkt.

90 | 308 Witteveen+Bos | 134741/24-016.385 | Definitief 02

Voor ’s-Hertogenbosch betreft dit een afstand van ten minste 1 km tot de bestaande bebouwde kom. Hierbij is ook 1 km aangehouden vanaf de grens van het bestemmingsplangebied van het vastgestelde bestemmingsplan Noordoosthoek De Groote Wielen. In Oss heeft de gemeenteraad besloten een afstand van minstens 2 km tot de bestaande bebouwde kom aan te houden. De ontwikkeling van Oss-West wordt hierin niet meegenomen als bebouwde kom, omdat dit nog geen vastgesteld plan was ten tijde van het raadsbesluit. De variant Basis biedt ruimte om de energieopgaven van zowel de gemeente Oss als ’sHertogenbosch te realiseren. Ontwerpprincipes Voor de plaatsingszones in de variant Basis zijn de volgende ontwerpprincipes gehanteerd: - de variant gaat uit van een 1 km zone rond de bestaande bebouwde kom van ’s-Hertogenbosch: · de 1 km zone rond de bestaande bebouwde kom van ’s-Hertogenbosch (bij De Groote Wielen gerekend vanaf het bestemmingsplangebied Noordoosthoek De Groote Wielen) geldt als belemmering; - de variant gaat uit van een 2 km zone rond de bestaande bebouwde kom van Oss; - de contour van 47 dB (met 3 dB mitigatie) geldt als harde belemmering voor woningen in de polder: · voor turbinetype 1 is dit een afstand van 220 m; · voor turbinetype 2 is dit een afstand van 315 m.

De plaatsingszones van de variant Basis sluiten aan bij denkrichting 1 ‘een grootschalig hart’ uit het tussenrapport van H+N+S landschapsarchitecten. De denkrichtingen zijn terug te vinden in de tussenrapportage (opgenomen in bijlage IV). Deze denkrichting combineert en concentreert de windturbines in één ruimtelijk cluster in het ‘hart’ van de polder. Energieopbrengsten variant Basis Om te bepalen of aan de energieopwek voldaan kan worden van de windturbines, zijn door H+N+S landschapsarchitecten voorbeeldopstellingen ontwikkeld binnen de plaatsingszones. Deze voorbeeldopstellingen zijn opgenomen in bijlage VIII. Dit resulteert in de volgende theoretische energieopbrengsten voor de variant Basis per turbinetype: - voor turbinetype 1 is ruimte voor 30 windturbines. Dit resulteert bij een opbrengst van 12.000 MWh/jaar per windturbine in een totale opbrengst van 360.000 MWh/jaar: · in ’s-Hertogenbosch gaat het om 16 windturbines met een totale opbrengst van 192.000 MWh/jaar; · in Oss gaat het om 14 windturbines met een totale opbrengst van 168.000 MWh/jaar; - voor turbinetype 2 is ruimte voor 31 windturbines.

Dit resulteert bij een opbrengst van 24.000 MWh/jaar per windturbine in een totale opbrengst van 744.000 MWh/jaar: · in ’s-Hertogenbosch gaat het om 16 windturbines met een totale opbrengst van 384.000 MWh/jaar; · in Oss gaat het om 15 windturbines met een totale opbrengst van 360.000 MWh/jaar. Binnen de plaatsingszones voor de varianten Basis kan de energiedoelstelling behaald worden voor de gemeenten Oss en 's-Hertogenbosch (type 2). Voor de gemeente 's-Hertogenbosch wordt bij turbinetype 1 niet volledig de energiedoelstelling behaald, omdat niet meer dan de RES opgave wordt bereikt. Dit is gebaseerd om een fictieve voorbeeldopstelling. Desondanks is besloten deze variant wel te onderzoeken, omdat het inzicht geeft in de effecten van het kiezen voor een opstelling die uitgaat van 16 kleinere windturbines in de gemeente ’s-Hertogenbosch. Variant Basis op kaart Afbeelding 6.2 (Basis 1) en afbeelding 6.3 (Basis 2) tonen de plaatsingszones voor windturbines in de variant Basis voor zowel turbinetype 1 (ashoogte 134 m) als turbinetype 2 (ashoogte 175 m).

91 | 308 Witteveen+Bos | 134741/24-016.385 | Definitief 02

Afbeelding 6.2 Plaatsingszones variant Basis 1

Afbeelding 6.3 Plaatsingszones variant Basis 2

92 | 308 Witteveen+Bos | 134741/24-016.385 | Definitief 02

6.3

Variant Geluid

Doel De variant Geluid onderzoekt plaatsingszones die rekening houden met een strengere geluidsnorm. Dit omdat nog onduidelijk is welke geluidsnormen in de toekomst van toepassing zijn. Door een strengere geluidsnorm te onderzoeken, wordt inzichtelijk wat de potentiële effecten zijn bij een toekomstige strengere geluidsnorm1. Voor woningen in het buitengebied wordt daarom een afstand aangehouden die volgt uit toepassing van een geluidsnorm van 45 dB Lden (zonder mitigatie). De afstand van 1 km van de bebouwde kom in de gemeente ’s-Hertogenbosch blijft behouden. Deze afstand wordt in deze variant ook voor de gemeente Oss aangehouden. De 1 km komt namelijk min of meer overeen met een geluidsnorm van 42 dB L den (zonder mitigatie). Voor een turbinetype 1 is deze afstand 700 m, voor turbinetype 2 geldt een afstand van 990 m. Een afstand van 1 km tot de bebouwde kom is aangehouden als uitgangspunt voor de plaatsingszones van deze variant. Ontwerpprincipes Voor de plaatsingszones in de variant Geluid zijn de volgende ontwerpprincipes gehanteerd: - een afstand van 45 dB Lden (zonder mitigatie) wordt aangehouden tot woningen in het buitengebied: · voor turbinetype 1 is dit een afstand van 485 m; · voor turbinetype 2 is dit een afstand van 690 m; - een 1 km zone rond de bestaande bebouwde kom en bebouwingsclusters van ’s-Hertogenbosch en Oss geldt als harde belemmering.

Deze afstand geldt ook rond de autonome ontwikkelingen van woningbouw in De Groote Wielen en in Oss-West. De plaatsingszones voor deze variant sluiten aan bij de extra varianten 2 en 3 uit het tussenrapport van H+N+S landschapsarchitecten (opgenomen in bijlage IV). Deze extra varianten gaan uit van een grotere afstand tot woningen, om zo de kans op geluidhinder te verminderen. De windturbines worden hierbij verspreid over de beschikbare ruimte geplaatst. Energieopbrengsten variant Geluid Om te bepalen of aan de energieopwek voldaan kan worden van de windturbines, zijn door H+N+S landschapsarchitecten voorbeeldopstellingen ontwikkeld binnen de plaatsingszones. Deze voorbeeldopstellingen zijn opgenomen in bijlage VIII. Dit resulteert in de volgende theoretische energieopbrengsten voor de variant Geluid per turbinetype: - voor turbinetype 1 is ruimte voor 30 windturbines. Dit resulteert bij een opbrengst van 12.000 MWh/jaar per windturbine in een totale opbrengst van 360.000 MWh/jaar: · in ’s-Hertogenbosch gaat het om 17 windturbines met een totale opbrengst van 204.000 MWh/jaar; · in Oss gaat het om 13 windturbines met een totale opbrengst van 156.000 MWh/jaar; - voor turbinetype 2 is ruimte voor 11 windturbines.

Dit resulteert bij een opbrengst van 24.000 MWh/jaar per windturbine in een totale opbrengst van 264.000 MWh/jaar: · in ’s-Hertogenbosch gaat het om 4 windturbines met een totale opbrengst van 96.000 MWh/jaar; · in Oss gaat het om 7 windturbines met een totale opbrengst van 168.000 MWh/jaar. Binnen de plaatsingszones voor de varianten Geluid kan de energiedoelstelling in de gemeente ’sHertogenbosch niet behaald worden. Voor de gemeente Oss kan de energiedoelstelling wel worden behaald. Desondanks is besloten deze variant wel te onderzoeken, omdat het inzicht geeft in de effecten van een strengere geluidsnorm.

1

Op dit moment worden de windturbinebepalingen herzien door het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Hiervoor wordt een planMER opgesteld. Dit heeft te maken met de uitspraak van de Raad van State (ABRvS 30 juni 2021, CLI:NL:RVS:2021:1395) over het niet toepasbaar zijn van de normen uit het Activiteitenbesluit, zo lang deze niet zijn onderbouwd met een milieueffectrapportage. In afwachting van de nieuwe algemene milieuregels voor windturbineparken blijft het mogelijk nieuwe windparken te realiseren. Voor nieuwe windturbineparken kan het bevoegd gezag lokale milieunormen hanteren.

93 | 308 Witteveen+Bos | 134741/24-016.385 | Definitief 02

Variant Geluid op kaart Afbeelding 6.4 (Geluid 1) en afbeelding 6.5 (Geluid 2) tonen de plaatsingszones voor windturbines in de variant Geluid voor zowel turbinetype 1 (ashoogte 134 m) als turbinetype 2 (ashoogte 175 m).

Afbeelding 6.4 Plaatsingszones variant Geluid 1

94 | 308 Witteveen+Bos | 134741/24-016.385 | Definitief 02

Afbeelding 6.5 Plaatsingszones variant Geluid 2

6.4

Variant Landschap

Doel De variant Landschap onderzoekt wat de effecten zijn van plaatsingszones bij het plaatsen van windturbines in een lijnopstelling, in oost-west richting. Hierbij wordt aangesloten bij bestaande landschappelijke structuren. Dit zijn structuren die bewoners in en rondom de Duurzame Polder als duidelijke lijnen in het landschap ervaren. De variant sluit aan bij de lijnvormige infrastructuur in het gebied, zoals de Gewandeweg in het noorden en de Hoefgraaf en de Kruizenbeemdweg in het zuiden. Ook de Hertogswetering is een herkenbare, lijnvormige structuur in het gebied. De begrenzing van de varianten zijn gebaseerd op de benodigde ruimte voor de realisatie van windturbines. Hierbij is een oost-west lijn als uitgangspunt genomen.

Ontwerpprincipes Voor de plaatsingszones in de variant Landschap zijn de volgende ontwerpprincipes gehanteerd: - de lijnvormige oost-west structuren in het landschap vormen de uitgangspunten van de plaatsingszone, hiermee worden de bestaande landschappelijke structuren gevolgd; - de 1 km zone rond de bestaande bebouwde kom van ’s-Hertogenbosch geldt niet als harde belemmering, omdat wordt gezocht naar een onderscheidende, optimale invulling vanuit het landschap; - de 2 km zone rond de bestaande bebouwde kom van Oss geldt niet als harde belemmering, omdat wordt gezocht naar een onderscheidende, optimale invulling vanuit het landschap; - de autonome ontwikkelingen van woningbouw in De Groote Wielen en Oss-West gelden als harde belemmering; - rond woningen binnen de plaatsingszones wordt een ½ rotordiameter afstand aangehouden: · voor turbinetype 1 is dit een afstand van 58,4 m; · voor turbinetype 2 is dit een afstand van 86 m. De plaatsingszones sluiten aan bij de denkrichting 4 uit het tussenrapport van H+N+S landschapsarchitecten. De denkrichtingen zijn terug te vinden in de tussenrapportage (opgenomen in bijlage

95 | 308 Witteveen+Bos | 134741/24-016.385 | Definitief 02

IV). De lange lijnen van oost naar west, tussen Oss en ’s-Hertogenbosch, staan hierbij centraal. De windturbines in lange lijnen benadrukken op deze manier de oost-west richting in de Duurzame Polder. Binnen de plaatsingszones zijn andere opstellingen mogelijk, zoals clusters. Vanuit de structuur van het landschap zijn ook andere opstellingen mogelijk. In dit geval is gekozen voor onderscheidenheid ten opzichte van de andere varianten en hiermee lijnen in oost-west richting. De variant is dus niet de enige mogelijkheid om te komen tot een optimale landschappelijke kwaliteit. Variant Landschap 1 kent twee losse plaatsingszones. Dit is gedaan om te zorgen dat beide opstellingen bij turbinetype 1 los zijn te beleven in het landschap. Bij turbinetype 2 zijn minder windturbines nodig. Om te zorgen dat de opstelling van de windturbines als één dubbele lijn ervaren kunnen worden, is gekozen voor één plaatsingszones die in beide gemeenten valt. Binnen deze plaatsingszone zijn ook drie lijnen mogelijkheid. Energieopbrengsten variant Landschap Om te bepalen of aan de energieopwek voldaan kan worden van de windturbines, zijn door H+N+S landschapsarchitecten voorbeeldopstellingen ontwikkeld binnen de plaatsingszones. Deze voorbeeldopstellingen zijn opgenomen in bijlage VIII.

Dit resulteert in de volgende theoretische energieopbrengsten voor de variant Landschap per turbinetype: - voor turbinetype 1 is ruimte voor 30 windturbines. Dit resulteert bij een opbrengst van 12.000 MWh/jaar per windturbine in een totale opbrengst van 360.000 MWh/jaar: · in ’s-Hertogenbosch gaat het om 16 windturbines met een totale opbrengst van 192.000 MWh/jaar; · in Oss gaat het om 14 windturbines met een totale opbrengst van 168.000 MWh/jaar; - voor turbinetype 2 is ruimte voor 14 windturbines. Dit resulteert bij een opbrengst van 24.000 MWh/jaar per windturbine in een totale opbrengst van 336.000 MWh/jaar: · in ’s-Hertogenbosch gaat het om 7 windturbines met een totale opbrengst van 168.000 MWh/jaar; · in Oss gaat het om 7 windturbines met een totale opbrengst van 168.000 MWh/jaar. Binnen de plaatsingszones voor de varianten Landschap kan de energiedoelstelling worden behaald voor de gemeente Oss, maar niet voor ’s-Hertogenbosch, omdat bij turbinetype 1 niet meer dan de RES-opgave wordt bereikt en bij turbinetype 2 ook niet het aantal van 16 turbines wordt behaald (uitgaande van de fictieve voorbeeldopstellingen). Desondanks is besloten deze variant wel te onderzoeken, omdat het inzicht geeft in de effecten van het kiezen voor een lijnvormige opstellen, centraal in de polder.

Variant Landschap op kaart Afbeelding 6.6 (Landschap 1) en afbeelding 6.7 (Landschap 2) tonen de plaatsingszones voor windturbines in de variant Landschap voor zowel turbinetype 1 (ashoogte 134 m) en turbinetype 2 (ashoogte 175 m).

96 | 308 Witteveen+Bos | 134741/24-016.385 | Definitief 02

Afbeelding 6.6 Plaatsingszones variant Landschap 1

Afbeelding 6.7 Plaatsingszones variant Landschap 2

97 | 308 Witteveen+Bos | 134741/24-016.385 | Definitief 02

6.5

Variant Natuur

Doel De variant Natuur onderzoekt wat de effecten zijn als de plaatsingszones beschermde natuurgebieden en gebieden waar veel weidevogels verblijven vermijden. Hiermee wordt het natuurbelang vooropgesteld. In het plangebied liggen twee soorten beschermde natuurgebieden: het Natuurnetwerk Brabant (inclusief ecologische verbindingszones) en een rust- en foerageergebied voor ganzen en smienten. Vanuit provinciale regelgeving geldt in deze gebieden een ‘nee, tenzij’ beleid voor windturbines. Ook liggen binnen de Duurzame Polder gebieden die onderdeel zijn van de Groenblauwe waarden. Daarnaast zijn er twee kerngebieden voor weidevogels aan te wijzen. Deze gebieden zijn niet wettelijk beschermd, maar de soorten die er voorkomen zijn wel beschermd onder de Omgevingswet tijdens de broedperiode. De gebieden tussen de kerngebieden voor weidevogels zijn in deze variant uitgesloten om vliegbewegingen van de vogels mogelijk te maken. Ten slotte zijn er beschermde soorten die instandhoudingsdoelstellingen kennen vanuit Natura 2000gebieden die het plangebied gebruiken om bijvoorbeeld te foerageren. Om rekening te houden met de vliegbewegingen van en naar Natura 2000-gebied de Rijntakken is het noordwestelijke deel van het plangebied uitgesloten in de variant Natuur.

Ontwerpprincipes Voor de plaatsingszones in de variant Natuur zijn de volgende ontwerpprincipes gehanteerd: - de gebieden die onderdeel zijn van het Natuurnetwerk Brabant (inclusief de ecologische verbindingszones) en de groenblauwe waarden plus een afstand van een ½ rotordiameter gelden als belemmering: · de afstand van een ½ rotordiameter is gekozen om overdraai te voorkomen; - het rust- en foerageergebied voor ganzen en smienten geldt als belemmering: · om rekening te houden met de vliegbewegingen van en naar Natura 2000-gebied de Rijntakken is het noordwestelijke deel van het plangebied uitgesloten; - de twee kerngebieden voor weidevogels plus een afstand van 500 m zijn uitgesloten in deze variant.

Het gebied tussen de twee kerngebieden is eveneens uitgesloten: · de afstand van 500 m is de verwachte verstoringscontour rond de kerngebieden 1; - voor woningen in de 1 km zone rond de bestaande bebouwde kom van ’s-Hertogenbosch en de 2 km zone rond de bestaande bebouwde kom van Oss gelden niet als harde belemmering; - de autonome ontwikkelingen van woningbouw in De Groote Wielen en Oss-West gelden als harde belemmering; - de contour van 47 dB (met 3 dB mitigatie) geldt als harde belemmering voor de bebouwde kom en bebouwingsclusters in de polder: · voor turbinetype 1 is dit een afstand van 220 m; · voor turbinetype 2 is dit een afstand van 315 m; - rond woningen buiten de bebouwde kom en bebouwingsclusters wordt een ½ rotordiameter afstand aangehouden, uitgaande van molenaarswoningen: · voor turbinetype 1 is dit een afstand van 58,4 m; · voor turbinetype 2 is dit een afstand van 86 m. De plaatsingszones sluiten aan bij de denkrichting 2 uit het tussenrapport van H+N+S landschapsarchitecten De denkrichtingen zijn terug te vinden in de tussenrapportage (opgenomen in bijlage IV). De gedachte achter deze denkrichting is het ontzien van de weidevogelgebieden. Hiermee volgen de plaatsingszones oost-west lijnen, met een buiging in noordoostelijke richting.

Energieopbrengsten variant Natuur Om te bepalen of aan de energieopwek voldaan kan worden van de windturbines, zijn door H+N+S landschapsarchitecten voorbeeldopstellingen ontwikkeld binnen de plaatsingszones. Deze

1

Zie paragraaf 4.3 van het Aanvullend ecologisch onderzoek.

98 | 308 Witteveen+Bos | 134741/24-016.385 | Definitief 02

voorbeeldopstellingen zijn opgenomen in bijlage VIII. Dit resulteert in de volgende theoretische energieopbrengsten voor de variant Natuur per turbinetype: - voor turbinetype 1 is ruimte voor 30 windturbines. Dit resulteert bij een opbrengst van 12.000 MWh/jaar per windturbine in een totale opbrengst van 360.000 MWh/jaar: · in ’s-Hertogenbosch gaat het om 16 windturbines met een totale opbrengst van 192.000 MWh/jaar; · in Oss gaat het om 14 windturbines met een totale opbrengst van 168.000 MWh/jaar; - voor turbinetype 2 is ruimte voor 15 windturbines. Dit resulteert bij een opbrengst van 24.000 MWh/jaar per windturbine in een totale opbrengst van 360.000 MWh/jaar: · in ’s-Hertogenbosch gaat het om acht windturbines met een totale opbrengst van 192.000 MWh/jaar; · in Oss gaat het om zeven windturbines met een totale opbrengst van 168.000 MWh/jaar. Binnen de plaatsingszones voor de varianten Natuur kan de energiedoelstelling worden behaald, voor de gemeente Oss, maar niet voor ’s-Hertogenbosch, omdat bij turbinetype 1 niet meer dan de RES-opgave wordt bereikt en bij turbinetype 2 ook niet het aantal van 16 turbines wordt behaald (uitgaande van de fictieve voorbeeldopstellingen). Desondanks is besloten deze variant wel te onderzoeken, omdat het inzicht geeft in de effecten van het kiezen voor een lijnvormige opstellen, centraal in de polder.

Variant Natuur op kaart Afbeelding 6.8 en afbeelding 6.9 tonen de plaatsingszones voor windturbines in de variant Natuur voor zowel turbinetype 1 (ashoogte 134 m) en turbinetype 2 (ashoogte 175 m). Hierbij wordt gesproken over variant Natuur 1 en variant Natuur 2.

Afbeelding 6.8 Plaatsingszones variant Natuur 1

99 | 308 Witteveen+Bos | 134741/24-016.385 | Definitief 02

Afbeelding 6.9 Plaatsingszones variant Natuur 2

6.6

Variant Restruimte

Doel De variant Restruimte onderzoekt plaatsingszones die nog niet in de andere varianten zijn onderzocht. Daarnaast wordt ook onderzocht wat de milieueffecten zijn bij het toepassen van zogenaamde ‘molenaarswoningen’. Deze variant zorgt er zo voor dat inzicht wordt verkregen in de effecten van windturbines op alle potentieel beschikbare plekken in het plangebied. Dit is een theoretische variant, waarbij informatie over de milieueffecten van het heel zoekgebied in beeld worden gebracht. In de keuze voor een voorkeursalternatief en de optimalisatie hiervan is dit van toegevoegde waarde. Ontwerpprincipes Voor de plaatsingszones in de variant Restruimte zijn de volgende ontwerpprincipes gehanteerd: - de belemmeringen zoals benoemd in paragraaf 6.1 gelden als basis voor het zoekgebied: · voor turbinetype 1 is dit een afstand van 58,4 m; · voor turbinetype 2 is dit een afstand van 86 m; - voor woningen behorende bij de bebouwde kom en in lintbebouwing en/of bij bebouwingsconcentraties aan de rand van het zoekgebied geldt een afstand behorende bij 47 dB Lden (met mitigatie) als belemmering; · voor turbinetype 1 is dit een afstand van 220 m; · voor turbinetype 2 is dit een afstand van 315 m; - rond woningen in het buitengebied is een ½ rotordiameter afstand aangehouden; - de ruimte die in de overige varianten niet is opgenomen als plaatsingszone wordt in deze variant opgenomen.

De plaatsingszones sluiten grotendeels aan bij de denkrichting 3 uit het tussenrapport van H+N+S landschapsarchitecten. De denkrichtingen zijn terug te vinden in de tussenrapportage (opgenomen in bijlage IV). In deze denkrichting zijn de windturbines verspreid over het plangebied geplaatst. Hierbij geldt wel dat de windturbines dichter bij de woningen in het buitengebied zijn geprojecteerd.

100 | 308

Witteveen+Bos | 134741/24-016.385 | Definitief 02

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=e7c66609-b9b9-4af4-9075-360fb61dfe53