CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage_3_Ongelijk_getroffen_ongelijk_gesteund.PDF

Adviescommissie Sociaal Bestuurlijk 4 november 2021, gemeente OssBij agendapunt: Agenda gerelateerde Raadsinformatiebrief bij programma 3 Voorzieningen voor Ontmoeten-Sport-Cultuur32.732 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

klein

2,6 0,3 7,7

middelklein

7,4 0,4 69,7

(middel)groot

62,1 7,6 80,3

totaal

72,1 8,2

Totale omzet zonder coronasteun

Totale lasten zonder coronalasten

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Meerjarig gesubsidieerd theater

Resultaat zonder coronasteun en -lasten

54

Figuur 6.8

Theater: voorlopig resultaat in de laatste drie kwartalen van 2020 per grootteklasse vóór en na coronasteun en -lasten Theater: voorlopig resultaat laatste drie kwartalen van 2020 (x 1 mln.) 0,3

klein

1,0 0,4

middelklein

1,8 7,6

(middel)groot

19,4 8,2

totaal

22,3 Resultaat zonder coronasteun en -lasten

6.8

Resultaat met coronasteun en -lasten

Resultaat per eigeninkomstenklasse

38 theatergezelschappen hebben in 2019 minder dan 35% eigen inkomsten en 29 gezelschappen 35% of meer eigen inkomsten. Door de coronasteun neemt het resultaat in de laatste drie kwartalen van 2020 van zowel theatergezelschappen met relatief weinig eigen inkomsten als van gezelschappen met relatief veel eigen inkomsten verder toe (Figuur 6.9). Deze toename is echter het grootst voor theatergezelschappen met in 2019 verhoudingsgewijs weinig eigen inkomsten. Bij de bepaling van de (specifieke) coronasteun is blijkbaar te beperkt rekening gehouden met de hoogte van de eigen inkomsten van de gezelschappen. Figuur 6.9

Theater: voorlopig resultaat in de laatste drie kwartalen van 2020 per eigeninkomstenklasse vóór en na coronasteun Theater: voorlopig resultaat laatste drie kwartalen van 2020 naar aandeel eigen inkomsten (x € 1 mln.) 7,7

Minder dan 35%

35% of meer

totaal

20,2 0,5 2,0 8,2 22,3

Resultaat zonder coronasteun en -lasten

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Meerjarig gesubsidieerd theater

Resultaat met coronasteun en -lasten

55

6.9

Conclusies

Het hoofdstuk bevat een schets van de gevolgen van de coronacrisis voor de meerjarig gesubsidieerde theatergezelschappen. Dit geschiedt steeds op basis van een vergelijking van de laatste drie kwartalen van 2020 met dezelfde periode in 2019. De belangrijkste conclusies van het hoofdstuk luiden: • De eigen inkomsten van de theatergezelschappen nemen in de laatste drie kwartalen van 2020 met gemiddeld 67% af, omdat de publieksinkomsten met 82% zijn teruggelopen. Bij de kleine gezelschappen is de krimp van de eigen inkomsten het grootst (85%) en bij de middelkleine gezelschappen het kleinst (55%). • De daling van de totale omzet (inclusief coronasteun) is door de stabiliserende werking van de meerjarige subsidies en de ontvangen coronasteun aanzienlijk minder groot dan de daling van de eigen inkomsten (7% versus 67%). • De theatergezelschappen brengen in 2020 hun personele lasten gemiddeld met 17% terug. Kleine gezelschappen bezuinigen het meest op de personele lasten (34%) en middelkleine gezelschappen het minst (15%). • Theatergezelschappen bezuinigen veel sterker op de lasten van zzp’ers dan op de lasten van personeel in loondienst: 49% versus 1%. Daardoor komt bijna de gehele bezuiniging op de personele lasten op het conto van de zzp’ers. • De theatergezelschappen reduceren de totale lasten (van personeel en materieel) in totaal met 31%.

Vooral op de materiële lasten bezuinigen zij sterk (65%). Kleine gezelschappen brengen hun totale lasten het meest terug (48%) en middelkleine gezelschappen het minst (23%). • De theatergezelschappen doen nauwelijks een beroep op generieke coronasteun. De specifieke coronasteun van het ministerie van OCW, gemeenten en provincies is voor de gezelschappen veel belangrijker dan de generieke steun. • Zonder de coronasteun schrijven de theatergezelschappen door hun sterke bezuiniging op de totale lasten over de hele linie al zwarte cijfers. De coronasteun zorgt voor een verdere stijging van het financieel resultaat.

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Meerjarig gesubsidieerd theater

56

7

Meerjarig gesubsidieerd muziektheater

7.1

Inleiding

In dit hoofdstuk geven we een beschrijving van de consequenties van de coronacrisis voor de meerjarig gesubsidieerde muziektheatergezelschappen inclusief muziektheater voor de jeugd. Deze groep organisaties duiden we verder aan als muziektheater(gezelschappen). De cijfers van de Nationale Opera en Ballet bevatten ook die van het bijbehorende podium en het Nationale Ballet. Festivals, muziektheatergezelschappen met projectsubsidies en vrije (muziektheater)producenten in het hoofdstuk buiten beschouwing. Vrije producenten van onder meer musicals worden behandeld in hoofdstuk 11. Voor muziektheater hanteren we de volgende indeling in grootteklassen op basis van de omvang van de jaaromzet in 2019: 1 (middel)klein: tot € 1 mln. omzet; 2 (middel)groot: € 1 mln. of meer omzet. Kleine en middelkleine muziektheatergezelschappen zijn in de analyse samengevoegd vanwege het aantal organisaties. Hetzelfde geldt voor middelgrote en de grote muziektheatergezelschappen. In het hoofdstuk bespreken we de belangrijkste resultaten. Voor de gekozen onderzoeksaanpak wordt verwezen naar hoofdstuk 3.

7.2

De situatie in het kalenderjaar 2019

De 17 muziektheatergezelschappen zetten in het kalenderjaar samen bijna € 89 mln. om. De Nationale Opera en Ballet neemt daarvan het leeuwendeel voor haar rekening. De omzet bestaat voor € 31 mln. uit eigen inkomsten. De publieksinkomsten maken 69% uit van de eigen inkomsten. Bij de (middel)kleine gezelschappen leveren de eigen inkomsten naar verhouding een grotere bijdrage aan de omzet dan bij de (middel)grote gezelschappen. 70% van de totale lasten bestaat uit personele lasten. De gezamenlijke muziektheatergezelschappen kampen met een negatief resultaat uit de gewone bedrijfsvoering van € -2,8 mln. Dat komt vooral door het negatieve exploitatieresultaat van (middel)grote gezelschappen. (Middel)kleine gezelschappen spelen nagenoeg quitte. De totale personeelssterkte van alle gezelschappen samen komt uit op bijna 950 fte’s. Tabel 7.1 brengt per grootteklasse een aantal kengetallen in beeld voor het ‘gemiddelde muziektheatergezelschap’. Het aantal organisaties bestaat voor bijna 60% uit (middel)kleine muziektheatergezelschappen en ruim 40% uit middel)grote gezelschappen. De (middel)grote gezelschappen zijn qua omzet gemiddeld bijna 26 keer zo groot als de (middel)kleine gezelschappen en in termen van personeelssterkte gemiddeld ruim 23 keer zo groot.

Een kanttekening hierbij is dat het totaalbeeld wordt gedomineerd door de Nationale Opera en Ballet, die goed is voor 80% van de omzet van de gehele deelsector.

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Meerjarig gesubsidieerd muziektheater

57

Tabel 7.1

Muziektheater: gemiddelden per grootteklasse, 2019 a Aantal organisaties

Omzet (x € 1 mln.)

Eigen inkomsten (x € 1 mln.)

Personele lasten (x € 1 mln.)

(Middel)klein

10

0,5

0,2

0,3

5,4

(Middel)groot

7

12,0

4,1

8,8

127,8

Gewogen gemiddelde/ totaal

17

5,2

1,8

3,8

55,8

a

Personeelssterkte (fte's)

Inclusief het Nationale Ballet.

(Middel)kleine muziektheatergezelschappen zetten in tegenstelling tot (middel)grote gezelschappen vrijwel uitsluitend zzp’ers in (90% tegen 35%). Bij de (middel)grote gezelschappen bestaat in 2019 ruim de helft van het personeel uit medewerkers met een vast dienstverband (Figuur 7.1). Figuur 7.1

Muziektheater: personeelssamenstelling per grootteklasse naar type werkende, 2019 Muziektheater: personeelssamenstelling (%)

(Middel)klein

6

4

90

(Middel)groot

51

Totaal

48 0

7.3

14

13

20

Vast

40 Tijdelijk

Zzp

35

39 60

80

100

Ontwikkeling van de eigen inkomsten per grootteklasse

In de laatste drie kwartalen van 2020 kelderen de eigen inkomsten van muziektheatergezelschappen met gemiddeld 81% ten opzichte van dezelfde periode in 2019 (Figuur 7.2). Daarmee komt het verlies aan eigen inkomsten uit op € 21,4 mln. Figuur 7.2

Muziektheater: ontwikkeling van de eigen inkomsten per grootteklasse Muziektheater: gemiddelde verandering van de eigen inkomsten per grootteklasse (%)

(middel)klein

-96%

(middel)groot

-80%

Totaal

-81%

De daling van de eigen inkomsten is duidelijk sterker bij (middel)kleine gezelschappen – met in 2019 relatief veel eigen inkomsten – dan bij (middel)grote gezelschappen: 96% versus 80%. De

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Meerjarig gesubsidieerd muziektheater

58

terugloop van de eigen inkomsten in de laatste drie kwartalen van 2020 wordt vooral veroorzaakt door een daling van de publieksinkomsten met maar liefst 95%.

7.4

Ontwikkeling van de omzet na coronasteun per grootteklasse

De muziektheatergezelschappen zien hun totale omzet (inclusief coronasteun) in de laatste drie kwartalen van 2020 gemiddeld met 16% teruglopen ten opzichte van dezelfde periode in 2019 (Figuur 7.3). Bij de muziektheatergezelschappen daalt de omzet eveneens minder sterk dan de eigen inkomsten (16% versus 81%). Dat is het gevolg van de coronasteun die 44% van het verlies aan eigen inkomsten goed maakt en de stabiliserende werking van de meerjarige subsidies. Figuur 7.3

Muziektheater: ontwikkeling van de omzet per grootteklasse Muziektheater: gemiddelde verandering van de totale omzet per grootteklasse (%)

(middel)klein

-41%

(middel)groot

-15%

Totaal

-16%

De procentuele omzetdaling is voor (middel)kleine muziektheatergezelschappen beduidend groter dan voor (middel)grote gezelschappen. In totaal valt de omzet van de tien (middel)kleine gezelschappen in absolute termen met € 1,3 mln. terug. Bij de zeven (middel)grote muziekgezelschappen daalt de omzet in totaal met € 9,3 mln.

7.5

Ontwikkeling van de totale lasten per grootteklasse

De muziektheatergezelschappen brengen hun totale lasten (personeel en materiaal) in de laatste drie kwartalen van 2020 gemiddeld met 27% terug ten opzichte van dezelfde periode in 2019 (Figuur 7.4). Dit correspondeert met een afname van de totale lasten met € 18,6 mln. Figuur 7.4

Muziektheater: ontwikkeling van de totale lasten per grootteklasse Muziektheater: gemiddelde verandering van de totale lasten per grootteklasse (%)

(middel)klein

-24%

(middel)groot

-27%

Totaal

-27%

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Meerjarig gesubsidieerd muziektheater

59

Bij de (middel)kleine muziektheatergezelschappen vindt een daling van de totale lasten met 24% plaats; bij de (middel)grote gezelschappen treedt een daling met 27% op. De lastendaling van muziektheatergezelschappen vloeit voort uit een daling van de personele lasten en de materiële lasten (inclusief huisvesting) met respectievelijk 23% en 44%.

7.6

Ontwikkeling van de personele lasten per grootteklasse

Muziektheatergezelschappen brengen hun totale personele lasten in de laatste drie kwartalen van 2020 gemiddeld met 23% terug ten opzichte van dezelfde periode in 2019. Figuur 7.5 onthult dat deze daling bij de (middel)grote muziektheatergezelschappen veel groter is dan bij de (middel)kleine gezelschappen (24% versus 2%). Binnen de personele lasten bezuinigen de gezelschappen het meest op de lasten van zzp’ers: een bezuiniging van 58% op de zzp’ers versus een bezuiniging van 5% op het personeel in loondienst. De coronasteun heeft dit niet kunnen voorkomen. Over de hele linie is de lastendaling bij zzp’ers beduidend groter dan de daling van de totale personele lasten. Het verschil is het grootst bij (middel)grote gezelschappen, waar de lasten van zzp’ers met 64% en de totale personele lasten met 24% afnemen. Figuur 7.5

Muziektheater: ontwikkeling van de personele lasten per grootteklasse Muziektheater: gemiddelde verandering van de personele lasten per grootteklasse (%) -2%

(middel)klein

(middel)groot

Totaal

-9% -24% -64% -23%

-58% Totale lasten personeel

7.7

Lasten zzp'ers

Effecten van de coronasteun per grootteklasse

(Middel)kleine muziektheatergezelschappen – met zzp’ers als belangrijkste categorie werkenden – maken nauwelijks gebruik van de generieke coronasteunmaatregelen, zoals de NOW-regeling en de TVL (Figuur 7.6). Ook (middel)grote gezelschappen doen maar mondjesmaat een beroep op de generieke coronasteun. De specifieke coronasteun van het ministerie van OCW, gemeenten en provincies is voor muziektheatergezelschappen veel belangrijker dan de generieke coronasteun. Een kanttekening bij de gepresenteerde resultaten is dat de coronasteun berust op een voorlopige opgave van de gezelschappen. De definitieve steunbedragen van bijvoorbeeld de NOW-maatregel moeten nog worden vastgesteld. Het is niet ondenkbaar dat uiteindelijk een deel van de generieke steun moet worden terugbetaald.

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Meerjarig gesubsidieerd muziektheater

60

Figuur 7.6

Muziektheater: generieke en specifieke coronasteun per grootteklasse Muziektheater: generieke en specifieke coronasteun (x € 1 mln.)

(middel)klein

(middel)groot

Totaal

0,0 0,4 0,3 8,7 0,3 9,1

Coronasteun - generiek

Coronasteun - specifiek

Zonder de coronasteun en -lasten zouden de muziektheatergezelschappen in elke grootteklasse in met een negatief resultaat uit de gewone bedrijfsvoering kampen gedurende de eerste drie kwartalen van 2020 (Figuur 7.7). Het financiële resultaat voor (middel)kleine en (middel)grote gezelschappen is redelijk vergelijkbaar. Door de coronasteun (voorlopige bedragen) verbetert het resultaat van muziektheatergezelschappen in alle grootteklassen, maar de steun is niet voldoende om de (middel)kleine gezelschappen uit de rode cijfers te helpen (Figuur 7.8). Bij de (middel)grote muziektheatergezelschappen slaat het resultaat om van € -0,8 mln. vóór coronasteun tot € 6,6 mln. na coronasteun. Voor alle gezelschappen samen komt het resultaat uit op € 6,2 mln. (= 11% van de omzet). Figuur 7.7

Muziektheater: opbouw voorlopig resultaat in de laatste drie kwartalen van 2020 per grootteklasse vóór coronasteun Muziektheater: opbouw voorlopig resultaat laatste drie kwartalen van 2020 zonder coronasteun en -lasten (x € 1 mln.) 1,4

(middel)klein

2,3 -0,9

45,7 (middel)groot

46,5

-0,8 47,1 Totaal

48,8 -1,7

Totale omzet zonder coronasteun

Totale lasten zonder coronalasten

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Meerjarig gesubsidieerd muziektheater

Resultaat zonder coronasteun en -lasten

61

Figuur 7.8

Muziektheater: voorlopig resultaat in de laatste drie kwartalen van 2020 per grootteklasse vóór en na coronasteun Muziektheater: voorlopig resultaat laatste drie kwartalen van 2020 (x € 1 mln.) -0,9

(middel)klein

-0,5 -0,8

(middel)groot

6,6 -1,7

Totaal

6,2

Resultaat zonder coronasteun en -lasten

7.8

Resultaat met coronasteun en -lasten

Resultaat per eigeninkomstenklasse

De coronasteun zorgt ervoor dat het resultaat in de laatste drie kwartalen van 2020 van muziektheatergezelschappen met relatief weinig en relatief veel eigen inkomsten sterk verbetert (Figuur 7.9). De impact van de coronasteun is het grootst voor gezelschappen met verhoudingsgewijs weinig eigen inkomsten. Blijkbaar is bij de vormgeving van de steunmaatregelen te beperkt rekening gehouden met het verlies aan eigen inkomsten. Twaalf muziektheatergezelschappen hadden in 2019 minder dan 50% eigen inkomsten en vijf gezelschappen 50% of meer eigen inkomsten. Figuur 7.9

Muziektheater: voorlopig resultaat in de laatste drie kwartalen van 2020 per eigeninkomstenklasse vóór en na coronasteun Muziektheater: voorlopig resultaat laatste drie kwartalen van 2020 naar aandeel eigen inkomsten (x € 1 mln.) -0,9

Minder dan 50%

5,7 -0,9

50% of meer

Totaal

0,5 -1,7

Resultaat zonder coronasteun en -lasten

6,2 Resultaat met coronasteun en -lasten

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Meerjarig gesubsidieerd muziektheater

62

7.9

Conclusies

In het hoofdstuk zijn de gevolgen van de coronacrisis voor de meerjarig gesubsidieerde muziektheatergezelschappen aan de orde gekomen. Daartoe vergelijken we steeds de laatste drie kwartalen van 2020 met dezelfde periode in 2019. Het hoofdstuk leidt tot de volgende conclusies: • De eigen inkomsten van de muziektheatergezelschappen lopen in 2020 met gemiddeld 81% terug, omdat de publieksinkomsten met 95% zijn gekelderd. (Middel)kleine gezelschappen kampen met een grotere daling van de eigen inkomsten dan (middel)grote gezelschappen (96% versus 80%). • De totale omzet (inclusief coronasteun) neemt door de stabiliserende werking van de meerjarige subsidies en de ontvangen coronasteun aanzienlijk minder sterk af dan de eigen inkomsten (16% tegen 81%). • De muziektheatergezelschappen bezuinigen in 2020 gemiddeld 23% op hun personele lasten. Die bezuiniging is kleiner bij de (middel)kleine dan bij de (middel)grote gezelschappen (2% tegen 24%). • Binnen de personele lasten brengen de muziektheatergezelschappen de lasten van zzp’ers het meest terug: een bezuiniging van 58% op de zzp’ers versus een bezuiniging van 5% op het personeel in loondienst. • In 2020 verminderen de muziektheatergezelschappen de totale lasten (van personeel en materieel) in totaal met 27%. Vooral op de materiële lasten (inclusief huisvesting) wordt sterk bezuinigd (44%).

(Middel)grote gezelschappen bezuinigen iets meer op hun totale lasten dan (middel)kleine gezelschappen (27% versus 24%). • Alleen de (middel)grote muziektheatergezelschappen doen een beperkt beroep op generieke coronasteun; de (middel)kleine gezelschappen – met zzp’ers als belangrijkste categorie werkenden – nagenoeg niet. De specifieke coronasteun van het ministerie van OCW, gemeenten en provincies is voor beide categorieën gezelschappen veel belangrijker dan de generieke steun. • De coronasteun zorgt ervoor dat de (middel)grote muziektheatergezelschappen een positief financieel resultaat boeken. De (middel)kleine organisaties draaien ook na coronasteun met verlies.

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Meerjarig gesubsidieerd muziektheater

63

8 Meerjarig gesubsidieerde muziek 8.1

Inleiding

Het voorliggende hoofdstuk gaat in op de gevolgen van de coronacrisis voor de meerjarig gesubsidieerde muziekensembles (inclusief koren) en orkesten. Deze groep organisaties duiden we veelal kortheidshalve aan als muziek(organisaties). Muziekorganisaties met projectsubsidies en vrije muziekproducenten blijven in het hoofdstuk buiten beschouwing. De vrije (muziek)producenten komen in hoofdstuk 11 aan de orde. Voor muziek hanteren we de volgende indeling in grootteklassen op basis van de omvang van de jaaromzet in 2019: 1 (middel)klein: tot € 1 mln. omzet; 2 middelgroot: € 1 mln. tot € 2,5 mln. omzet; 3 groot: € 2,5 mln. of meer omzet. De grootteklassen klein en middelklein zijn in de analyse samengevoegd vanwege het aantal organisaties. (Middel)kleine en middelgrote muziekorganisaties bevatten uitsluitend ensembles. Orkesten en één ensemble vormen samen de grote muziekorganisaties. Het hoofdstuk concentreert zich op een bespreking van de belangrijkste resultaten. Voor de gekozen onderzoeksaanpak verwijzen we naar hoofdstuk 3.

8.2

De situatie in het kalenderjaar 2019

De totale omzet van alle 38 meerjarig gesubsidieerde muziekensembles en orkesten samen beloopt in het kalenderjaar 2019 bijna € 138 mln., waarvan € 48 mln. aan eigen inkomsten. De eigen inkomsten bestaan voor 73% uit publieksinkomsten. Grote organisaties verwerven als percentage van de omzet minder eigen inkomsten dan (middel)kleine en middelgrote organisaties. De totale lasten van muziekorganisaties bestaan gemiddeld voor 68% uit personele lasten. Alle muziekorganisaties samen boeken een negatief resultaat uit de gewone bedrijfsvoering van € -0,9 mln. Dat komt doordat de gezamenlijke orkesten – in tegenstelling tot de (middel)kleine en middelgrote ensembles – rode cijfers schrijven. De totale personeelssterkte van alle organisaties samen bedraagt bijna 1.240 fte’s. Tabel 8.1 toont per grootteklasse een aantal kengetallen voor de ‘gemiddelde muziekorganisatie’. Tabel 8.1

Muziek: gemiddelden per grootteklasse, 2019 Personele lasten (x € 1 mln.) 0,3

Personeelssterkte (fte's)

0,4

Eigen inkomsten (x € 1 mln.) 0,2

8

1,6

0,9

1,0

13,7

Groot

10

11,6

3,8

8,2

104,1

Gewogen gemiddelde/ totaal

38

3,6

1,3

2,5

32,5

Aantal organisaties

Omzet (x € 1 mln.)

(Middel)klein

20

Middelgroot

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Meerjarig gesubsidieerde muziek

4,2

64

Ruim de helft van het aantal organisaties bestaat uit (middel)kleine ensembles. De grote muziekorganisaties zijn qua omzet gemiddeld 29 keer zo groot als de (middel)kleine ensembles en zeven keer zo groot als de middelgrote ensembles. Qua personeelssterkte zijn de verhoudingen tussen grote, middelgrote en (middel)kleine organisaties ongeveer vergelijkbaar. Bij (middel)kleine en middelgrote ensembles zijn de flexibele arbeidsrelaties − zzp-inhuur en tijdelijke dienst − de norm. Het betreft vooral de musici, maar ook een deel van de ‘vaste’ kantoorstaf. In tegenstelling tot de grote muziekorganisaties draaien (middel)kleine en middelgrote ensembles primair op ingehuurde zzp’ers (respectievelijk 16% versus 79% en 64%). Figuur 8.1 illustreert dit. Bij de grote muziekorganisaties bestaat in 2019 driekwart van het personeel uit medewerkers met een vast dienstverband. Figuur 8.1

Muziek: personeelssamenstelling per grootteklasse naar type werkende, 2019 Muziek: personeelssamenstelling (%)

(Middel)klein

13

Middelgroot

8

79

22

14

64

Groot

75

Totaal

66 0

20

10 40

Vast

8.3

9

60 Tijdelijk

16 24

80

100

Zzp

Ontwikkeling van de eigen inkomsten per grootteklasse

In de laatste drie kwartalen van 2020 lopen de eigen inkomsten van de muziekensembles en orkesten gemiddeld met 78% terug ten opzichte van dezelfde periode in 2019 (Figuur 8.2). Figuur 8.2

Muziek: ontwikkeling van de eigen inkomsten per grootteklasse Muziek: gemiddelde verandering van de eigen inkomsten per grootteklasse (%)

(middel)klein

-36%

middelgroot -84%

groot

Totaal

-82%

-78%

De teruggang van de eigen inkomsten is het grootst voor de middelgrote muziekensembles (84%) en het kleinst voor de (middel)kleine ensembles (36%). De daling van de eigen inkomsten is vooral

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Meerjarig gesubsidieerde muziek

65

het gevolg van de vermindering van de publieksinkomsten, die gemiddeld met 85% zijn teruggelopen.

8.4

Ontwikkeling van de omzet na coronasteun per grootteklasse

De totale omzet inclusief coronasteun van de muziekensembles en orkesten krimpt in de laatste drie kwartalen van 2020 gemiddeld met 10% ten opzichte van dezelfde periode in het voorgaande jaar (Figuur 8.3). Dit percentage komt overeen met een omzetdaling van € 9,9 mln. Door de coronasteun, die gemiddeld 57% van het verlies aan eigen inkomsten goed maakt, en de stabiele meerjarige subsidies is de omzetdaling aanzienlijk kleiner dan de teruggang van de eigen inkomsten (10% versus 78%). De afname van de omzet is net als bij de eigen inkomsten het grootst bij de middelgrote ensembles (20%) en het kleinst bij de (middel)kleine ensembles (6%), die ook relatief het meeste baat hebben bij de coronasteun. De grote organisaties nemen een middenpositie in (9%). In absolute termen is de gezamenlijke omzet van de twintig (middel)kleine muziekensembles met € 0,4 mln. teruggelopen tegen € 2,0 mln. voor de acht middelgrote ensembles en € 7,5 mln. voor de grote organisaties (negen orkesten en een ensemble). Figuur 8.3

Muziek: ontwikkelingen van de omzet per grootteklasse Muziek: gemiddelde verandering van de totale omzet per grootteklasse (%)

(middel)klein middelgroot

-6% -20%

groot Totaal

8.5

-9% -10%

Ontwikkeling van de totale lasten per grootteklasse

De muziekensembles en de orkesten brengen hun totale lasten (personeel en materieel) in de laatste drie kwartalen van 2020 gemiddeld met 20% terug vergeleken met dezelfde periode in 2019 (Figuur 8.4). Dit percentage correspondeert met een bezuiniging op de totale lasten van € 21,3 mln. De lastendaling is het gevolg van een afname van de personele lasten met 10% en een afname van de materiële lasten (inclusief huisvesting) met 46%. Bij de ontwikkeling van de totale lasten nemen we een we een vergelijkbaar patroon voor de grootteklassen waar als bij de omzet. De lastendaling is het grootst bij de (middel)grote ensembles (35%) en het kleinst bij de (middel)kleine ensembles (16%).

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Meerjarig gesubsidieerde muziek

66

Figuur 8.4

Muziek: ontwikkeling van de totale lasten per grootteklasse Muziek: gemiddelde verandering van de totale lasten per grootteklasse (%)

(middel)klein

-16%

middelgroot

-35%

groot

-19%

Totaal

8.6

-20%

Ontwikkeling van de personele lasten per grootteklasse

Muziekensembles en orkesten brengen hun personele lasten in de laatste drie kwartalen van 2020 met gemiddeld met 10% terug ten opzichte van dezelfde periode in 2019. Figuur 8.5 onthult dat het contrast tussen enerzijds (middel)kleine ensembles, en anderzijds middelgrote en grote organisaties groot is. Bij de (middel)kleine ensembles stijgen de personele lasten met 16% doordat de coronasteun aan het einde van het jaar onder meer wordt ingezet voor een betere beloning van de zzp’ers. Daarnaast zijn bij een aantal van deze organisaties de tijdelijke dienstverbanden begin 2020 omgezet in vaste dienstverbanden. Middelgrote en grote organisaties bezuinigen daarentegen respectievelijk 15% en 11% op hun personele lasten, vooral door een sterk verminderde inhuur van zzp’ers. Dat geldt in het bijzonder voor de grote muziekstellingen, die overigens in verhouding weinig zzp’ers inhuren (zie ook Figuur 8.1). De lasten van zzp’ers zijn bij de muziekensembles en orkesten samen twaalf keer zo sterk teruggebracht als de lasten van het personeel in loondienst (36% versus 3%). De coronasteun heeft dit niet kunnen voorkomen. Figuur 8.5

Muziek: ontwikkeling van de personele lasten per grootteklasse Muziek: gemiddelde verandering van de personele lasten per grootteklasse (%) 16% 15%

(middel)klein -15%

middelgroot groot Totaal

-25% -11% -61% -10% -36% Totale lasten personeel

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Meerjarig gesubsidieerde muziek

Lasten zzp'ers

67

8.7

Effecten van de coronasteun per grootteklasse

De muziekensembles en orkesten doen vrijwel geen beroep op de generieke coronasteunmaatregelen (Figuur 8.6), ook niet wanneer het leeuwendeel van het personeel, zoals bij de orkesten, in vaste dienst is. Specifieke coronasteun van het ministerie van OCW, gemeenten en provincies is voor de ensembles en orkesten aantoonbaar belangrijker dan de generieke coronasteun. Een kanttekening bij de gepresenteerde resultaten is dat de coronasteun berust op een voorlopige opgave van de organisaties. Omdat de muziekensembles en orkesten nauwelijks gebruik maken van de NOW-regeling, ligt er naar verwachting geen betekenisvolle terugbetaling van de steunbedragen in het verschiet. Figuur 8.6

Muziek: generieke en specifieke coronasteun per grootteklasse Muziek: generieke en specifieke coronasteun (x € 1 mln.)

(middel)klein middelgroot groot Totaal

0,0

0,9

0,1

3,1

0,0

9,9

0,1

13,9 Coronasteun - generiek

Figuur 8.7

Coronasteun - specifiek

Muziek: opbouw voorlopig resultaat in de laatste drie kwartalen van 2020 per grootteklasse vóór coronasteun en -lasten Muziek: opbouw voorlopig resultaat laatste drie kwartalen van 2020 zonder coronasteun en -lasten (x € 1 mln.) 4,7 5,4

(middel)klein -0,7

5,0 6,2

middelgroot -1,2

69,2 72,4

groot -3,1

79,0 83,9

Totaal -5,0

Totale omzet zonder coronasteun

Totale lasten zonder coronalasten

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Meerjarig gesubsidieerde muziek

Resultaat zonder coronasteun en -lasten

68

Zonder coronasteun zouden de muziekensembles en orkesten over de hele linie een negatief resultaat boeken (Figuur 8.7). De coronasteun (voorlopige bedragen) zorgt ervoor dat in alle grootteklassen en in het bijzonder door de grotere organisaties zwarte cijfers worden geschreven (Figuur 8.8). Ensembles en orkesten bereiken samen een voorlopig resultaat van € 9,1 mln. (= 10% van de omzet). Figuur 8.8

Muziek: opbouw voorlopig resultaat in de laatste drie kwartalen van 2020 per grootteklasse vóór en na coronasteun en -lasten Muziek: voorlopig resultaat laatste drie kwartalen van 2020 (x € 1 mln.) -0,7

(middel)klein

-1,2

middelgroot

6,8

-5,0

9,1

Resultaat zonder coronasteun en -lasten

8.8

2,0

-3,1

groot Totaal

0,3

Resultaat met coronasteun en -lasten

Resultaat per eigeninkomstenklasse

In 2019 bestaat gemiddeld 35% van de omzet van muziekensembles en orkesten uit eigen inkomsten. 17 veelal grotere organisaties hebben in dat jaar minder dan 35% eigen inkomsten en 21 organisaties 35% of meer eigen inkomsten. In de laatste drie kwartalen van 2020 slaat het aanvankelijke negatieve resultaat van zowel organisaties met relatief weinig eigen inkomsten als van organisaties met relatief veel eigen inkomsten door de coronasteun om in een positief resultaat (Figuur 8.9). Deze omslag is het grootst bij de (doorgaans grotere) organisaties met verhoudingsgewijs weinig eigen inkomsten. Figuur 8.9

Muziek: voorlopig resultaat in de laatste drie kwartalen van 2020 per eigeninkomstenklasse vóór en na coronasteun en -lasten Muziek: voorlopig resultaat laatste drie kwartalen van 2020 naar aandeel eigen inkomsten (x € 1 mln.) -3,3

Minder dan 35%

6,6 -1,7

35% of meer

Totaal

2,4 -5,0

Resultaat zonder coronasteun en -lasten

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Meerjarig gesubsidieerde muziek

9,1 Resultaat met coronasteun en -lasten

69

8.9

Conclusies

In het hoofdstuk hebben we de gevolgen van de coronacrisis geschetst voor de meerjarig gesubsidieerde muziekorganisaties (ensembles en orkesten). Daartoe vergelijken we steeds de laatste drie kwartalen van 2020 met dezelfde periode in 2019. De belangrijkste conclusies van het hoofdstuk zijn: • De eigen inkomsten van de ensembles en orkesten lopen in de laatste drie kwartalen van 2020 met gemiddeld 78% terug door een krimp van de publieksinkomsten met 85%. (Middel)grote en grote organisaties ervaren de grootste teruggang van de eigen inkomsten (respectievelijk 84% en 82%). Bij de (middel)kleine organisaties dalen de eigen inkomsten met 36%. • De totale omzet (inclusief coronasteun) neemt door de stabiliserende werking van de meerjarige subsidies en de ontvangen coronasteun aanzienlijk minder sterk af dan de eigen inkomsten (10% tegen 78%). • De ensembles en orkesten bezuinigen in 2020 gemiddeld 10% op hun personele lasten. Die bezuiniging is het grootst bij de middelgrote organisaties (15%). Daar staat tegenover dat bij de (middel)kleine ensembles de personele lasten met 16% stijgen doordat de coronasteun aan het einde van het jaar onder meer wordt ingezet voor een betere beloning van de zzp’ers. • Binnen de personele lasten brengen de muziekorganisaties de lasten van zzp’ers veel sterker terug dan de lasten van het personeel in loondienst (36% versus 3%).

De coronasteun heeft dit niet kunnen voorkomen. • In de laatste drie kwartalen van 2020 verminderen de muziekorganisaties de totale lasten (van personeel en materieel) in totaal met 20%. Vooral op de materiële lasten (inclusief huisvesting) wordt sterk bezuinigd (46%). Middelgrote organisaties bezuinigen – met 35% – het meest op hun totale lasten en (middel)kleine organisaties het minst (16%). • Ensembles en orkesten doen vrijwel geen beroep op generieke coronasteun. De specifieke coronasteun van het ministerie van OCW, gemeenten en provincies is voor muziekorganisaties aanzienlijk belangrijker dan de generieke steun. • De coronasteun zorgt ervoor dat muziekorganisaties in alle onderscheiden grootteklassen zwarte cijfers schrijven, ook de grote organisaties, die in 2019 nog met verlies draaiden.

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Meerjarig gesubsidieerde muziek

70

9 Meerjarig gesubsidieerde presentatie-instellingen en medialabs 9.1

Inleiding

Dit hoofdstuk brengt de gevolgen van de coronacrisis in beeld voor de meerjarig gesubsidieerde presentatie-instellingen voor beeldende kunst en de meerjarig gesubsidieerde medialabs. Het betreft organisaties die een meerjarige subsidie ontvangen van het Mondriaan Fonds, het Stimuleringsfonds Creatieve industrie of het ministerie van OCW als onderdeel van de Basisinfrastructuur. De betreffende organisaties duiden we verder aan als presentatie-instellingen en medialabs. Het gaat om een heterogene groep organisaties variërend van de ‘klassieke’ presentatie-instellingen tot ‘festivalachtige’ organisaties en organisaties waar ontwerp en onderzoek centraal staan. Voor de presentatie-instellingen en medialabs passen we de volgende indeling in grootteklassen toe op basis van de omvang van de jaaromzet in 2019: 1 klein: tot € 0,5 mln. omzet; 2 middelklein: € 0,5 mln. tot € 1 mln. omzet; 3 (middel)groot: € 1 mln. of meer omzet. Middelgrote en grote presentatie-instellingen en medialabs zijn in de analyse samengevoegd vanwege het aantal organisaties. Het hoofdstuk beperkt zich tot een bespreking van de belangrijkste resultaten. Voor de gekozen onderzoeksaanpak wordt verwezen naar hoofdstuk 3.

9.2

De situatie in het kalenderjaar 2019

De totale omzet van alle 49 presentatie-instellingen en medialabs samen beloopt in het kalenderjaar 2019 ruim € 43 mln., waarvan € 18 mln. aan eigen inkomsten. De eigen inkomsten bestaan slechts voor 12% uit publieksinkomsten. Vooral (middel)grote organisaties genereren veel eigen inkomsten uit opdrachtverlening en coproducties. De totale lasten bestaan voor gemiddeld 47% uit personele lasten. De organisaties behalen samen in 2019 een positief resultaat uit de gewone bedrijfsvoering van € 2,0 mln. Dat positieve resultaat komt vooral voor rekening van de (middel)grote organisaties. De totale betaalde personeelssterkte bedraagt ruim 460 fte’s, waarvan 34% bestaat uit ingehuurde zzp’ers. Tabel 9.1 toont een aantal kengetallen voor de ‘gemiddelde presentatie-instelling en medialab’. Bijna de helft van de 49 organisaties is klein en krap een derde is middelklein. De (middel)grote organisaties zijn in termen van omzet gemiddeld ruim acht keer zo groot als de kleine organisaties en in termen van betaalde personeelssterkte zeven keer zo groot.

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Meerjarig gesubsidieerde presentatie-instellingen en medialabs

71

Tabel 9.1

Presentatie-instellingen en medialabs: gemiddelden per grootteklasse, 2019 Aantal organisaties

Omzet (x € 1 mln.)

Eigen inkomsten (x € 1 mln.)

Personele lasten (x € 1 mln.)

Personeelssterkte (fte's)a

Klein

22

0,3

0,1

0,2

3,6

Middelklein

16

0,7

0,2

0,3

6,0

(Middel)groot

11

2,4

1,2

1,0

25,8

Gewogen gemiddelde/ totaal

49

0,9

0,4

0,4

9,4

a

Uitsluitend betaald personeel.

Kleine en middelgrote organisaties zijn sterk afhankelijk van de inzet van onbetaald personeel, zoals vrijwilligers en stagiairs (Figuur 9.1). Dat is in de andere onderzochte deelsectoren – behalve bij de poppodia – ongebruikelijk. Daarnaast wordt over de hele linie veel gebruik gemaakt van zzp’ers (gemiddeld 28%). Presentatie-instellingen en medialabs draaien op de inzet van werkenden met een flexibele arbeidsrelatie. Gemiddeld is slechts 35% van de werkenden in deze deelsector in vaste dienst. Bij de kleine organisaties ligt dat percentage – met 14% – echter aanzienlijk lager, terwijl dat percentage bij de (middel)grote organisaties – met 46% – juist aanzienlijk hoger ligt. Figuur 9.1

Presentatie-instellingen en medialabs: personeelssamenstelling per grootteklasse naar type werkende, 2019 Presentatie-instellingen en medialabs: personeelssamenstelling (%)

Klein

14

12

Middelklein

38

30

10

(Middel)groot

38

46

Totaal 10

20

22

25

35 0

19 30 Vast

9.3

36

20

28

40

50

Tijdelijk

Zzp

60

70

10

18 80

90

100

Onbetaald

Ontwikkeling van de eigen inkomsten per grootteklasse

In de laatste drie kwartalen van 2020 lopen de eigen inkomsten van de gezamenlijke presentatieinstellingen en medialabs ten opzichte van dezelfde periode in 2019 gemiddeld met 47% terug (Figuur 9.2). De daling van de eigen inkomsten is bij de (middel)grote organisaties minder sterk dan bij de middelkleine en kleine organisaties: 33% versus respectievelijk 67% en 47%. Dat komt doordat de publieksinkomsten (inclusief publieksgerelateerde inkomsten) bij (middel)grote organisaties door de bank genomen een kleiner deel van de eigen inkomsten uitmaken dan bij kleine en middelkleine organisaties. De publieksinkomsten zijn met een daling van gemiddeld 83% juist de sterkst teruggelopen categorie eigen inkomsten. De daling van de publieksinkomsten speelt het sterkst bij de middelkleine organisaties, waartoe een aantal ‘festivalachtige’ organisaties behoren.

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Meerjarig gesubsidieerde presentatie-instellingen en medialabs

72

Figuur 9.2

Presentatie-instellingen en medialabs: ontwikkeling van de eigen inkomsten per grootteklasse Presentatie-instellingen en medialabs: gemiddelde verandering van de eigen inkomsten per grootteklasse (%)

klein

-47%

middelklein

-67%

(middel)groot

-33%

Totaal

9.4

-47%

Ontwikkeling van de omzet na coronasteun per grootteklasse

De totale omzet van de gezamenlijke presentatie-instellingen en medialabs neemt – inclusief coronasteun – in de laatste drie kwartalen van 2020 gemiddeld met 14% af ten opzichte van dezelfde periode in 2019 (Figuur 9.3). Dat komt neer op een totale omzetdaling van € 4,9 mln. (= € 1,0 mln. per organisatie). De terugval van de omzet is veel beperkter dan de terugval van de eigen inkomsten (14% versus 47%), doordat de coronasteun gemiddeld 64% van het verlies aan eigen inkomsten compenseert. Daarnaast speelt de stabiliteit van de meerjarige subsidies een rol. Figuur 9.3

Presentatie-instellingen en medialabs: ontwikkeling van de omzet per grootteklasse Presentatie-instellingen en medialabs: gemiddelde verandering van de totale omzet per grootteklasse (%)

klein

middelklein

15% -41%

(middel)groot Totaal

-7% -14%

De omzet van de kleine organisaties stijgt zelfs met 15%, doordat de coronasteun de daling van de eigen inkomsten van deze categorie organisaties ruimschoots overtreft. Middelkleine organisaties ervaren de grootste krimp van hun omzet (met 41%), omdat hun eigen inkomsten het sterkst zijn gekelderd (met 67%) en de ontvangen coronasteun ontoereikend is om de afname van de eigen inkomsten teniet te doen. De (middel)grote organisaties nemen een middenpositie in met een omzetdaling van 7%.

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Meerjarig gesubsidieerde presentatie-instellingen en medialabs

73

9.5

Ontwikkeling van de totale lasten per grootteklasse

Presentatie-instellingen en medialabs brengen gedurende de laatste drie kwartalen van 2020 hun totale lasten (personeel en materieel) met 4% terug vergeleken met dezelfde periode in 2019 (Figuur 9.4). De daling van de totale lasten van presentatie-instellingen en medialabs komt per saldo voort uit een daling van de materiële lasten (inclusief huisvesting) met 17% en een stijging van de personele lasten met 5%. Het wekt geen verbazing dat de middelkleine organisaties, die kampen met de grootste daling van de omzet en de eigen inkomsten, ook hun lasten het meest beperken (met 30%). Bij de kleine organisaties veranderen de totale lasten vrijwel niet, terwijl bij de (middel)grote organisaties zelfs een lichte stijging van de lasten plaatsvindt door eerder geplande personeelsuitbreidingen. Figuur 9.4

Presentatie-instellingen en medialabs: ontwikkeling van de totale lasten per grootteklasse Presentatie-instellingenen medialabs: gemiddelde verandering van totale lasten per grootteklasse (%)

klein

0%

middelklein

-30%

(middel)groot

6%

Totaal

9.6

-4%

Ontwikkeling van de personele lasten per grootteklasse

De personele lasten van presentatie-instellingen en medialabs nemen in de laatste drie kwartalen van 2020 – door een geplande uitbreiding van het personeel in vaste dienst bij de (middel)grote organisaties – gemiddeld met 5% toe ten opzichte van dezelfde periode in 2019 (Figuur 9.5). Figuur 9.5

Presentatie-instellingen en medialabs: ontwikkeling van de personele lasten per grootteklasse Presentatie-instellingen en medialabs: gemiddelde verandering van de personele lasten per grootteklasse (%) 0%

klein

20% -3%

middelklein

(middel)groot

Totaal

-21% 9% -39% 5% -16% Totale lasten personeel

Lasten zzp'ers

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Meerjarig gesubsidieerde presentatie-instellingen en medialabs

74

De presentatie-instellingen en medialabs brengen daarentegen de lasten van zzp’ers gemiddeld 16% terwijl, terwijl tegelijkertijd de lasten van het personeel in loondienst met 10% stijgen doordat het aantal vaste dienstverbanden toeneemt. De daling van de lasten van zzp’ers komt geheel voor rekening van de (middel)grote en middelkleine organisaties. De kleine organisaties, die sterk afhankelijk zijn van de inzet van zzp’ers, hebben juist de lasten van zzp’ers met 20% verhoogd.

9.7

Effecten van de coronasteun per grootteklasse

Presentatie-instellingen en medialabs doen in het algemeen een beperkt beroep op de generieke coronasteunmaatregelen, zoals de NOW-regeling en de TVL (Figuur 9.6). Dat geldt ook voor de (middel)grote organisaties, waar de meerderheid van de werkenden in loondienst is. Specifieke coronasteun van het ministerie van OCW, de gemeenten en de provincies is voor presentatie-instellingen en medialabs vele malen belangrijker dan de generieke coronasteun (in totaal € 3,2 mln. versus € 0,4 mln.). Opgemerkt dient te worden dat de gepresenteerde bedragen aan coronasteun berusten op een voorlopige opgave van de organisaties. De definitieve steunbedragen van onder meer de NOW-regeling moeten nog worden vastgesteld. De mogelijkheid bestaat dat daarvan een deel moet worden terugbetaald. Figuur 9.6

Presentatie-instellingen en medialabs: generieke en specifieke coronasteun per grootteklasse Presentatie-instellingen en medialabs: generieke en specifieke coronasteun (x € 1 mln.)

klein middelklein (middel)groot Totaal

0,1

1,0 0,0 0,4 0,2 1,9 0,3

3,2 Coronasteun - generiek

Coronasteun - specifiek

Zonder de coronasteun en -lasten zouden de gezamenlijke presentatie-instellingen en medialabs – met uitzondering van de middelkleine organisaties, die gemiddeld quitte spelen – in de rode cijfers terecht komen (Figuur 9.7). De middelkleine en (middel)grote organisaties boeken in dat geval een resultaat van respectievelijk € -0,3 mln. en € -3,2 mln. Figuur 9.8 onthult dat het resultaat in alle onderscheiden grootteklassen sterk verbetert door de coronasteun en dat de gezamenlijke presentatie-instellingen en medialabs quitte spelen. Dat neemt niet weg dat de (middel)grote organisaties – ondanks de coronasteun – nog steeds rode cijfers schrijven.

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Meerjarig gesubsidieerde presentatie-instellingen en medialabs

75

Figuur 9.7

Presentatie-instellingen en medialabs : opbouw voorlopig resultaat in de laatste drie kwartalen van 2020 per grootteklasse vóór coronasteun en -lasten Presentatie-instellingen en medialabs: opbouw voorlopig resultaat laatste drie kwartalen van 2020 zonder coronasteun en -lasten (x € 1 mln.) 4,4 4,6

klein -0,3

5,6 5,6

middelklein 0,0

16,2

(middel)groot -3,2

19,4 26,2

Totaal -3,5 Totale omzet zonder coronasteun

Figuur 9.8

Totale lasten zonder coronalasten

29,7

Resultaat zonder coronasteun en -lasten

Presentatie-instellingen en medialabs: voorlopig resultaat in de laatste drie kwartalen van 2020 per grootteklasse vóór en na coronasteun en -lasten Presentatie-instellingenen medialabs: voorlopig resultaat laatste drie kwartalen van 2020 (x 1 mln.) -0,3

klein

0,8 0,0

middelklein

0,4 -3,2

(middel)groot

Totaal

-1,2 -3,5

Resultaat zonder coronasteun en -lasten

9.8

0,0 Resultaat met coronasteun en -lasten

Resultaat per eigeninkomstenklasse

In 2019 verwerven 32 presentatie-instellingen en medialabs (circa twee derde van de organisaties) minder dan 35% eigen inkomsten en hebben 17 organisaties meer dan 35% eigen inkomsten. De organisaties met relatief weinig inkomsten in 2019 kampen in 2020 vóór coronasteun samen met een negatief resultaat van € 3,2 mln. (= € 0,1 per organisatie), maar zien dat na coronasteun omslaan in een bescheiden positief resultaat (Figuur 9.9). De organisaties met relatief veel eigen inkomsten zouden zonder coronasteun samen een resultaat boeken van € -0,4 mln. Na coronasteun spelen ze echter vrijwel quitte. In deze deelsector sluit de coronasteun redelijk goed aan bij het verlies aan eigen inkomsten.

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Meerjarig gesubsidieerde presentatie-instellingen en medialabs

76

Figuur 9.9

Presentatie-instellingen en medialabs: voorlopig resultaat in de laatste drie kwartalen van 2020 per eigeninkomstenklasse vóór en na coronasteun en -lasten Presentatie-instellingen en medialabs: voorlopig resultaat laatste drie kwartalen van 2020 naar aandeel eigen inkomsten (x € 1 mln.) -3,2

Minder dan 35%

0,0

-0,4

35% of meer

Totaal

0,0 -3,5

Resultaat zonder coronasteun en -lasten

9.9

0,0 Resultaat met coronasteun en -lasten

Conclusies

Het hoofdstuk bevat een schets van de gevolgen van de coronacrisis voor de meerjarig gesubsidieerde presentatie-instellingen en medialabs. Dit geschiedt steeds op basis van een vergelijking van de laatste drie kwartalen van 2020 met dezelfde periode in 2019. De belangrijkste conclusies van het hoofdstuk luiden: • De eigen inkomsten van de presentatie-instellingen en medialabs nemen in de laatste drie kwartalen van 2020 met gemiddeld 47% af, vooral door de met 83% teruggelopen publieksinkomsten. Bij de middelkleine organisaties is de krimp van de eigen inkomsten het grootst (67%) en bij de (middel)grote organisaties het kleinst (33%). Deze verschillen zijn het gevolg van het uiteenlopende belang van de publieksinkomsten bij beide groepen organisaties. • De daling van de totale omzet (inclusief coronasteun) is door de ontvangen coronasteun en de stabiliserende werking van de meerjarige subsidies beduidend minder groot dan de daling van de eigen inkomsten (14% versus 47%). • Presentatie-instellingen en medialabs bezuinigen in de laatste drie kwartalen van 2020 gemiddeld niet op hun personele lasten. De personele lasten stijgen in totaal zelfs met 5%, vooral door al eerder geplande uitbreidingen van het personeel in vaste dienst bij de (middel)grote organisaties en hogere lasten van zzp’ers bij de kleine organisaties.

• De organisaties brengen binnen de personele lasten de lasten van zzp’ers met gemiddeld 16% terug. Tegelijkertijd nemen de lasten van het personeel in loondienst met 10% toe. De (middel)grote en middelkleine presentatie-instellingen en medialabs zijn verantwoordelijk voor de bezuinigingen op de lasten van zzp’ers. De kleine organisaties, die sterk afhankelijk zijn van de inzet van zzp’ers, geven juist meer uit aan zzp’ers. • Presentatie-instellingen en medialabs reduceren hun totale lasten (van personeel en materieel) met 4% en bezuinigen alleen 17% op de materiële lasten (inclusief huisvesting). Middelkleine (festivalachtige) organisaties, die kampen met de grootste omzetdaling, brengen hun lasten het meest terug (met 30%) en kleine organisaties vrijwel niet.

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Meerjarig gesubsidieerde presentatie-instellingen en medialabs

77

• Presentatie-instellingen en medialabs doen een beperkt beroep op generieke coronasteun. De specifieke coronasteun van het ministerie van OCW, gemeenten en provincies is voor hen veel belangrijker dan de generieke steun. • Zonder de coronasteun zouden de presentatie-instellingen en medialabs samen kampen met een verlies van € 3,5 mln. De coronasteun zorgt ervoor dat de organisaties in deze deelsector gemiddeld quitte spelen. Kleine en middelkleine organisaties boeken zelfs een positief financieel resultaat. Alleen de (middel)grote organisaties blijven ondanks de coronasteun in de rode cijfers.

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Meerjarig gesubsidieerde presentatie-instellingen en medialabs

78

10 Poppodia 10.1 Inleiding In het voorliggende hoofdstuk komen de gevolgen van de coronacrisis aan de orde voor de poppodia die lid zijn van Vereniging Nederlandse Poppodia en -Festivals (VNPF). In het vervolg duiden we ze aan als poppodia. De analyse beperkt zich tot de 53 poppodia die in 2019 zijn opgenomen in het Poppodium Analyse Systeem (PAS). Eigen inkomsten en gemeentelijke subsidies vormen de belangrijkste inkomstenbronnen van de poppodia. Voor poppodia gebruiken we de volgende indeling in grootteklassen op basis van de omvang van de jaaromzet in 2019: 1 (middel)klein: tot € 1 mln. omzet; 2 middelgroot: € 1 mln. tot € 2,5 mln. omzet; 3 groot: € 2,5 mln. of meer omzet. Kleine en middelkleine poppodia zijn in de analyse samengevoegd vanwege het aantal organisaties. In het hoofdstuk staan de belangrijkste resultaten centraal. Voor de gekozen onderzoeksaanpak wordt verwezen naar hoofdstuk 3. Voor de beschrijving van de situatie in het kalenderjaar 2019 putten we in dit hoofdstuk uit het PAS, een andere bron dan de verantwoordingsinformatie die is gebruikt in de voorgaande hoofdstukken. Daarom is de beschrijving in paragraaf 10.2 niet exact vergelijkbaar met de overeenkomstige paragrafen in de voorgaande hoofdstukken. We hebben geprobeerd om de resultaten zo goed mogelijk vergelijkbaar te presenteren.

10.2 De situatie in het kalenderjaar 2019 De totale omzet van de 53 poppodia samen beloopt in het kalenderjaar 2019 € 170 mln., waarvan € 128 mln. (= 75%) aan eigen inkomsten. De eigen inkomsten bestaan voor 78% uit publieksinkomsten en publieksgerelateerde inkomsten. (Middel)kleine en middelgrote poppodia zijn in hun exploitatie sterker afhankelijk van gemeentelijke subsidies dan grote poppodia en verwerven als percentage van de omzet minder eigen inkomsten dan grote poppodia. De totale lasten bestaan onder meer voor 33% uit de personele lasten van het poppodium en voor 22% uit de gages voor de optredende artiesten. Het resultaat uit de gewone bedrijfsvoering komt voor alle poppodia samen op € 0,2 mln. uit. Middelgrote poppodia schrijven in 2019 rode cijfers, terwijl middelkleine en grote poppodia een bescheiden plusje noteren. De totale betaalde personeelssterkte van alle poppodia samen komt uit op bijna 1.170 fte’s, waarvan 11% bestaat uit ingehuurde zzp’ers. Tabel 10.1 toont een aantal kengetallen voor het ‘gemiddelde poppodium’ per grootteklasse. De tabel illustreert dat ruim 40% van de poppodia (middel)klein is. De grote poppodia zijn gemeten naar omzet gemiddeld ruim tien keer zo groot als de (middel)kleine poppodia en qua betaalde

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Poppodia

79

personeelssterkte gemiddeld bijna zeven keer zo groot. Naast betaald personeel maken poppodia relatief veel gebruik van onbetaald personeel, zoals vrijwilligers en stagiairs (Figuur 10.1). Tabel 10.1 Poppodia: gemiddelden per grootteklasse, 2019 Personele lasten (x € 1 mln.)a 0,2

Personeelssterkte (fte's)b

0,6

Eigen inkomsten (x € 1 mln.) 0,3

16

1,6

1,0

0,5

10,4

Groot

15

8,7

7,0

2,9

58,5

Gewogen gemiddelde/ totaal

53

3,2

2,4

1,1

22,1

Aantal organisaties

Omzet (x € 1 mln.)

(Middel)klein

22

Middelgroot

a b

5,8

Exclusief gages optredende artiesten. Uitsluitend betaald personeel en exclusief optredende artiesten.

(Middel)kleine en middelgrote poppodia draaien voor de helft op de inzet van onbetaald personeel, zoals vrijwilligers en stagiairs (Figuur 10.1). In de andere onderzochte deelsectoren – met uitzondering van presentatie-instellingen en medialabs – is dat niet gebruikelijk. Bij de grote poppodia werkt juist ruim twee derde van het personeel in loondienst en blijft de inzet van onbetaalde krachten beperkt tot 12% van werkenden.22 Poppodia zetten daarnaast uitzendkrachten en payrollers in (gemiddeld 9%, in de figuur aangeduid als tijdelijk), en zzp’ers (gemiddeld 8%). Figuur 10.1 Poppodia: personeelssamenstelling per grootteklasse naar type werkende, 2019 a b Poppodia: personeelssamenstelling (%) (Middel)klein

36

6

5

52

Middelgroot

39

4

7

50

Groot

68

Totaal

11

57 0

10

20

30 Vast

a

Vast: personeel in loondienst.

b

Tijdelijk: uitzendkrachten en payrollers.

9 40 Tijdelijk

50 Zzp

9

8

60 70 Onbetaald

12

27 80

90

100

10.3 Ontwikkeling van de eigen inkomsten per grootteklasse Poppodia zijn in hun bedrijfsvoering sterk afhankelijk van de eigen inkomsten. Tegelijkertijd vallen hun eigen inkomsten door de effecten van de coronacrisis in 2020 veel sterker terug dan die van de meerjarig gesubsidieerde organisaties voor podiumkunst. De eigen inkomsten kelderen in de laatste drie kwartalen van 2020 gemiddeld met 95% (= € 95,6 mln.) ten opzichte van dezelfde

22

Vaste en tijdelijke dienstverbanden worden in het PAS niet afzonderlijk onderscheiden.

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Poppodia

80

periode in 2019 (Figuur 10.2), vooral door een enorme daling van publieksinkomsten en publieksgerelateerde inkomsten (met 98%). De daling van de eigen inkomsten is het grootst bij de grote poppodia (97%), die naar verhouding in hun bedrijfsvoering het sterkst afhankelijk zijn van hun eigen inkomsten. Dat neemt niet weg dat ook de eigen inkomsten van de (middel)kleine en middelgrote poppodia fors zijn gedaald (met respectievelijk 83% en 85%). Figuur 10.2 Poppodia: ontwikkeling van de eigen inkomsten per grootteklasse Poppodia: gemiddelde verandering van de eigen inkomsten per grootteklasse (%) (middel)klein

-83%

middelgroot

groot

Totaal

-85%

-97%

-95%

10.4 Ontwikkeling van de omzet na coronasteun per grootteklasse De totale omzet van de poppodia (inclusief coronasteun) halveert in de laatste drie kwartalen van 2020 bijna vergeleken met dezelfde periode in 2019 (Figuur 10.3). Dat is een geringere daling dan die van de eigen inkomsten (48% versus 95%). Dit komt door de coronasteun, die de poppodia compensatie biedt voor 37% van het verlies aan eigen inkomsten, en de gemeentelijke subsidies Het blijft echter nog steeds een veel forsere omzetdaling dan in de meerjarig gesubsidieerde podiumkunsten. Figuur 10.3 Poppodia: ontwikkeling van de omzet per grootteklasse Poppodia: gemiddelde verandering van de totale omzet per grootteklasse (%) (middel)klein

-32%

middelgroot

groot

-30%

-53%

Totaal

-48%

De omzetdaling is door de sterk teruggelopen eigen inkomsten het grootst bij de grote poppodia (53%). Bij de (middel)kleine en middelgrote poppodia is de omzetdaling beperkter (respectievelijk 32% en 30%), maar nog steeds fors. In totaal krimpt de omzet van de (middel)kleine en de middelgrote poppodia in absolute termen met respectievelijk € 3,1 mln. en € 5,5 mln. tegen een krimp

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Poppodia

81

van € 50,6 mln. bij de grote poppodia. Daarmee komt de totale omzetdaling van de poppodia op € 59,2 mln. Dit werkt door in de rest van de keten.

10.5 Ontwikkeling van de totale lasten per grootteklasse Poppodia brengen hun totale lasten (personeel, materieel en programmering) in de laatste drie kwartalen van 2020 met 31% terug ten opzichte van dezelfde periode in 2019 (Figuur 10.4). Dit komt overeen met een lastendaling van € 38,0 mln. De poppodia bezuinigen op de personele lasten en de materiële lasten, en uiteraard ook op de lasten van de programmering. Bij de (middel)kleine en middelgrote poppodia nemen de totale lasten sterker af dan bij de grote poppodia (respectievelijk 40% en 41% versus 28%), hoewel de grote poppodia juist kampen met de grootste omzetdaling. Figuur 10.4 Poppodia: ontwikkeling van de totale lasten per grootteklasse Poppodia: gemiddelde verandering van de totale lasten per grootteklasse (%) (middel)klein

-40%

middelgroot

-41%

groot

-28%

Totaal

-31%

10.6 Ontwikkeling van de personele lasten per grootteklasse De poppodia reduceren hun personele lasten (inclusief gages van de optredende artiesten) in de laatste drie kwartalen van 2020 gemiddeld met een kwart ten opzichte van dezelfde periode in 2019 (Figuur 10.5). (Middel)kleine en middelgrote poppodia brengen hun personele lasten sterker terug dan grote poppodia. Figuur 10.5 Poppodia: ontwikkeling van de personele lasten per grootteklasse Poppodia: gemiddelde verandering van de personele lasten per grootteklasse (%) -41%

(middel)klein

-68% -34%

middelgroot

groot

Totaal

-52% -20% -85% -25% -80% Totale lasten personeel

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Poppodia

Lasten zzp'ers

82

Over de hele linie bezuinigen poppodia sterker op de lasten van zzp’ers en dan op de lasten van het personeel in loondienst: 80% op de zzp’ers tegen 1% op personeel in loondienst. Daarnaast vallen de gages van de optredende artiesten grotendeels weg. Vooral de grote poppodia beperken de lasten van zzp’ers sterk (85%). De zzp’ers maken overigens een beperkt deel uit van de totale personeelssterkte (8% in 2019).

10.7 Effecten van de coronasteun per grootteklasse Poppodia doen over de hele linie een aanzienlijk groter beroep op de generieke steunmaatregelen dan de meerjarig gesubsidieerde organisaties voor podiumkunst. De generieke coronasteun is voor de poppodia minstens zo belangrijk als de specifieke coronasteun (Figuur 10.6). Dat komt doordat poppodia normaliter veel eigen inkomsten verwerven en daardoor hun omzet veel sterker zien krimpen dan de meerjarig gesubsidieerde organisaties voor podiumkunst. In totaal ontvangen de poppodia € 18,7 mln. aan generieke coronasteun en € 16,8 mln. aan specifieke coronasteun van de verschillende overheden. Een kanttekening bij de getoonde resultaten is dat de coronasteun berust op een voorlopige opgave van de poppodia. De definitieve steunbedragen van onder meer de NOW-maatregel moeten nog worden vastgesteld. Mogelijk leidt dit deels tot terugbetalingen. Figuur 10.6 Poppodia: generieke en specifieke coronasteun per grootteklasse Poppodia: generieke en specifieke coronasteun (x € 1 mln.) (middel)klein

middelgroot

1,5 0,5 2,4 2,4 14,7

groot

13,9 18,7

Totaal

16,8

Coronasteun - generiek

Coronasteun - specifiek

Zonder de coronasteun zou het exploitatieresultaat van de poppodia over de hele linie negatief zijn (Figuur 10.7). Vooral de vijftien grote poppodia schrijven zonder coronasteun donkerrode cijfers schrijven (samen een negatief exploitatieresultaat van € 51,1 mln. en gemiddeld € 3,4 mln.). Zonder de coronasteun komen de verliezen van de (middel)kleine en middelgrote poppodia per organisatie uit op respectievelijk € 45.000 en € 100.000. Door de coronasteun (voorlopige bedragen) schrijven de (middel)kleine en middelgrote poppodia zwarte cijfers en wordt het aanvankelijke negatieve exploitatieresultaat van deze poppodia ruimschoots ongedaan gemaakt (Figuur 10.8). Dat geldt echter niet voor de grote poppodia. Hun negatieve exploitatieresultaat wordt door de coronasteun weliswaar ruimschoots gehalveerd, maar een gezamenlijk exploitatieresultaat van € -23,7 mln. biedt de grote poppodia weinig redenen voor

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Poppodia

83

optimisme. Het gezamenlijke resultaat van alle poppodia, € -19,7 mln. (= 30% van de omzet), blijft ook na coronasteun negatief door de verliezen van de grote poppodia. Figuur 10.7 Poppodia: opbouw voorlopig resultaat in de laatste drie kwartalen van 2020 per grootteklasse vóór coronasteun en -lasten Poppodia: opbouw voorlopig resultaat laatste drie kwartalen van 2020 zonder coronasteun en -lasten (x € 1 mln.) 4,6 (middel)klein

5,6 -1,0 8,0

middelgroot

9,6

-1,6 16,6 groot

67,8 -51,1 29,2

Totaal

82,9

-53,7

Totale omzet zonder coronasteun

Totale lasten zonder coronalasten

Resultaat zonder coronasteun en -lasten

Figuur 10.8 Poppodia: opbouw voorlopig resultaat in de laatste drie kwartalen van 2020 per grootteklasse vóór en na coronasteun Poppodia: voorlopig resultaat laatste drie kwartalen van 2020 (x € 1 mln.) -1,0

(middel)klein

0,8 -1,6

middelgroot

groot

Totaal

3,2 -51,1 -23,7 -53,7 -19,7 Resultaat zonder coronasteun en -lasten

Resultaat met coronasteun en -lasten

10.8 Resultaat per eigeninkomstenklasse Poppodia draaien sterk op eigen inkomsten (gemiddeld 75% van de omzet. In 2019 hebben 34 poppodia minder dan 70% eigen inkomsten en 19 poppodia 70% of meer eigen inkomsten. Door de coronasteun verbetert het exploitatieresultaat van de poppodia, die normaliter voor 70% of meer afhankelijk zijn van de eigen inkomsten weliswaar, maar het blijft sterk negatief; het verbetert van € -51,2 mln. naar € -23,0 mln. Bij de poppodia die voor minder dan 70% afhankelijk zijn van de eigen inkomsten slaat aanvankelijke negatieve resultaat van € -2,5 mln. vóór coronasteun

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Poppodia

84

om in een positief resultaat van € 3,3 mln. Ook bij de poppodia is mogelijk bij de bepaling van de coronasteun onvoldoende rekening gehouden met de hoogte van de eigen inkomsten. Figuur 10.9 Poppodia: voorlopig resultaat in de laatste drie kwartalen van 2020 per eigeninkomstenklasse vóór en na coronasteun en -lasten Poppodia: voorlopig resultaat laatste drie kwartalen van 2020 naar aandeel eigen inkomsten (x € 1 mln.) -2,5

Minder dan 70%

3,3 -51,2

70% of meer

Totaal

-23,0 -53,7 -19,7 Resultaat zonder coronasteun en -lasten

Resultaat met coronasteun en -lasten

10.9 Conclusies In het hoofdstuk zijn de gevolgen van de coronacrisis voor de VNPF-poppodia aan de orde gekomen. Daartoe vergelijken we steeds de laatste drie kwartalen van 2020 met dezelfde periode in 2019. Het hoofdstuk leidt tot de volgende conclusies: • De eigen inkomsten van de poppodia lopen in 2020 met gemiddeld 95% terug, omdat de publieksinkomsten met 98% zijn gekelderd. Grote poppodia kampen met een forsere daling van de eigen inkomsten dan middelgrote en (middel)kleine poppodia (97% versus respectievelijk 85% en 83%). • De totale omzet (inclusief coronasteun) neemt door de ontvangen coronasteun en de stabiliserende werking van de gemeentelijke subsidies minder sterk af dan de eigen inkomsten (48% tegen 95%), hoewel een omzetdaling van 48% nog steeds fors blijft. • De poppodia bezuinigen in 2020 gemiddeld 25% op hun personele lasten. Die bezuiniging is groter bij de (middel)kleine en middelgrote poppodia dan bij de grote poppodia (respectievelijk 41% en 34% tegen 20%). • Over de hele linie bezuinigen poppodia sterker op de (relatief beperkte) lasten van zzp’ers dan op de lasten van het personeel in loondienst: 80% op de zzp’ers tegen 1% op personeel in loondienst. Verder vallen de gages van de optredende artiesten grotendeels weg. • In 2020 beperken de poppodia de totale lasten (van personeel, materieel en programmering) in totaal met 27%.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=c47e0807-873e-452c-b2d1-34d0df46cc35