CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage_3_Ongelijk_getroffen_ongelijk_gesteund.PDF

Adviescommissie Sociaal Bestuurlijk 4 november 2021, gemeente OssBij agendapunt: Agenda gerelateerde Raadsinformatiebrief bij programma 3 Voorzieningen voor Ontmoeten-Sport-Cultuur32.732 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Onderzoeksaanpak

24

3.6

De situatie in het kalenderjaar 2019

De volgende hoofdstukken bevatten als tweede paragraaf steeds De situatie in het kalenderjaar 2019. Die paragraaf brengt per grootteklasse een aantal kengetallen van organisaties in een (deel)sector in beeld; bijvoorbeeld het aantal organisaties, de omzet, de eigen inkomsten, de personeelssterkte en de samenstelling van de werkenden naar type dienstverband. Deze kengetallen fungeren als startpunt voor de analyses in latere paragrafen. De bron van de gepresenteerde gegevens in die paragraaf is voor de meerjarig gesubsidieerde organisaties de verantwoordingsinformatie over het kalenderjaar 2019 die deze organisaties hebben verstrekt aan het ministerie van OCW en de cultuurfondsen van het Rijk. In de verantwoordingsinformatie ontbreekt soms (een deel van) de informatie over de omvang en de samenstelling van de werkenden naar type dienstverband. In die gevallen hebben we de informatie over personeel aangevuld met cijfers uit de jaarverslagen van de organisaties, de huidige coronamonitor en eventueel met cijfers uit eerdere SiRM-onderzoeken naar de gevolgen van de toepassing van de Fair Practice Code op nationaal en lokaal niveau. Bij de poppodia berusten de gepresenteerde gegevens over het kalenderjaar 2019 op branche-informatie van de VNPF uit het PAS. Voor de vrije producenten ontbreekt branche-informatie.

Daarom blijven de gepresenteerde gegevens over het kalenderjaar 2019 voor deze groep organisaties beperkt tot de dertien VVTP-leden die bruikbare respons hebben geleverd aan de coronamonitor.

3.7

Verdiepende interviews

In aanvulling op de coronamonitor houden we ook een aantal verdiepende interviews met organisaties uit deelsectoren die niet deelnemen aan de coronamonitor. Daarmee willen we duiding en context voor de betreffende deelsectoren bieden. Ook in deelsectoren waar de respons op de coronamonitor in eerste instantie laag was, hebben we enkele interviews afgenomen om meer inzicht te krijgen in de situatie van de organisaties. De vragen in de interviews hebben betrekking op de gevolgen van de coronacrisis voor de ambities, doelstellingen, activiteiten, medewerkers en financiën van een organisatie. Voor de interviewvragen verwijzen we naar Bijlage I. In totaal hebben we in de periode januari – februari 2021 negentien interviews met culturele en creatieve organisaties gehouden. De interviews vonden digitaal plaats. Bijlage I bevat een overzicht van de geïnterviewde organisaties. We hebben gezocht naar organisaties uit de volgende acht deelsectoren: 1 beeldende kunst; 2 dans; 3 festivals en clubs; 4 cultuureducatie en amateurkunst; 5 erfgoed en musea; 6 film; 7 creatieve industrie; 8 letteren.

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Onderzoeksaanpak

25

Bij de selectie van organisaties hebben we de volgende criteria gehanteerd om tot een goed gespreide en diverse groep van organisaties te komen: • landelijke spreiding; • verschillende bekostiging: – ministerie van OCW; – provincies en/of gemeenten; – privaat; • verschillende functies: – presenterende/programmerende functie; – producerende/ontwikkelfunctie. Van elk interview hebben we een beknopt verslag gemaakt. Daarna is op basis van de onderzoeksthema’s een kwalitatieve analyse van de verslagen uitgevoerd om de belangrijkste issues te bepalen en de relevante voorbeelden te beschrijven. De resultaten daarvan zijn opgenomen in hoofdstuk 12.

3.8

Conclusies

In het hoofdstuk hebben we de onderzoeksaanpak toegelicht. De belangrijkste punten zijn: • Het blijkt in de culturele sector lastig om een sectorbreed beeld te schetsen van de gevolgen van de coronacrisis en de effecten van steunmaatregelen van de verschillende overheden. Dat heeft te maken met de bereidheid en de mogelijkheid van enerzijds brancheverenigingen en anderzijds de afzonderlijke culturele organisaties om aan de coronamonitor mee te werken. Daardoor blijven onder meer de VSCD-podia, de musea en de festivals in het onderzoek noodgedwongen buiten beschouwing. • De coronamonitor berust op een naar deelsector en grootte van de organisaties gestratificeerde steekproef onder culturele organisaties. Exclusief de musea en de festivals telt de steekproef 143 organisaties. Dat is ruim de helft van het aantal organisaties in de zeven overblijvende deelsectoren. Naast de meerjarig gesubsidieerde organisaties betreft het de poppodia en de vrije producenten. • Het vergt grote inspanningen om de geselecteerde organisaties te bewegen om deel te nemen aan de webenquête in het kader van de coronamonitor. Daardoor hebben we pas op 31 maart 2021 de dataverzameling kunnen afsluiten. • Uiteindelijk heeft – exclusief de musea en de festivals – 46% van de benaderde organisaties bruikbare informatie verschaft aan de coronamonitor.

Daarmee berust de coronamonitor op informatie van bijna een kwart van alle organisaties (binnen en buiten de steekproef) in de zeven deelsectoren. Daar staat tegenover dat 36% van de geselecteerde organisaties – ondanks het belang van de coronamonitor voor de sector – geen poging heeft gedaan om de webenquête te openen. Inclusief de musea en de festivals loopt dat percentage zelfs op tot 60. • Op nationaal niveau geeft de coronamonitor voor de culturele organisaties in de zeven deelsectoren en de vier grootteklassen na opschaling van de steekproefresultaten een representatief beeld van hun financiële situatie.

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Onderzoeksaanpak

26

• Ondanks de besproken complicaties lukt het – op basis van een uniforme aanpak – om voor organisaties in zeven deelsectoren op nationaal niveau de gevolgen van de coronacrisis en de effecten van de steunmaatregelen op een goed vergelijkbare wijze in kaart te brengen. Dat is een duidelijke meerwaarde vergeleken met de afzonderlijke onderzoeken van de brancheverenigingen.

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Onderzoeksaanpak

27

4 Totaaloverzicht culturele sector 4.1

Inleiding

In dit hoofdstuk geven we een totaalbeeld van de gevolgen van de coronacrisis in de onderzochte delen van de culturele sector. Gedetailleerde informatie per deelsector wordt in de hoofdstukken 5 tot en met 11 behandeld. De volgende deelsectoren komen aan de orde: • meerjarig gesubsidieerde dans (inclusief jeugddans); • meerjarig gesubsidieerd theater (inclusief jeugdtheater); • meerjarig gesubsidieerd muziektheater; • meerjarig gesubsidieerde muziek (ensembles, koren en orkesten); • meerjarig gesubsidieerde presentatie-instellingen en medialabs; • poppodia (leden van de Vereniging Nederlandse Poppodia en Festivals); • vrije producenten (dertien leden van de Vereniging Vrije Theater Producenten). Bij de presentatie van de resultaten laten we gemakshalve de toevoeging meerjarig gesubsidieerd steeds weg. De organisaties met een meerjarige subsidie van het ministerie van OCW of de cultuurfondsen van het Rijk zijn in alle tabellen en figuren steeds de eerste vijf deelsectoren. We brengen in elke paragraaf steeds in twee afzonderlijke deelparagrafen de gevolgen van de coronacrisis in beeld per deelsector en per grootteklasse. Voor de grootteklassen gebruiken we de volgende indeling op basis van de jaaromzet in 2019: 1 klein: tot € 0,5 mln. omzet; 2 middelklein: € 0,5 mln. tot € 1 mln. omzet; 3 middelgroot: € 1 mln. tot € 2,5 mln. omzet; 4 groot: € 2,5 mln. of meer omzet.

Het hoofdstuk beperkt zich tot een bespreking van de belangrijkste resultaten. De gehanteerde aanpak is al in het voorgaande hoofdstuk aan de orde gekomen. Voor detailinformatie per deelsector verwijzen we naar de volgende zeven hoofdstukken.

4.2

De situatie in het kalenderjaar 2019

4.2.1

Uitsplitsing per deelsector

De totale omzet van de 258 organisaties in het onderzochte deel van de culturele sector beloopt in het kalenderjaar 2019 € 681 mln., waarvan ruim de helft (€ 342 mln.) eigen inkomsten. De publieksinkomsten vormen gemiddeld driekwart van de eigen inkomsten. Dat aandeel varieert van 12% bij de presentatie-instellingen en medialabs tot 100% bij de vrije producenten. Daardoor zijn de vrije producenten potentieel het meest gevoelig voor de gevolgen van de coronacrisis en de presentatie-instellingen en medialabs het minst. Het percentage eigen inkomsten in de totale omzet varieert tussen 32 bij de dansgezelschappen en 100 bij de vrije producenten. Dans en muziektheater boeken in 2019 een negatief resultaat uit de gewone bedrijfsvoering. In totaal zijn betaalde

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Totaaloverzicht culturele sector

28

5.940 fte’s werkzaam in de zeven deelsectoren, waarvan 1.650 fte’s van zzp’ers. Presentatie-instellingen, medialabs en poppodia maken daarnaast veel gebruik van onbetaalde krachten, zoals vrijwilligers en stagiairs (zie hoofdstukken 9 en 10). Tabel 4.1 toont voor het kalenderjaar 2019 een aantal kengetallen van de ‘gemiddelde culturele organisatie’ in de onderzochte deelsectoren. Tabel 4.1

Culturele sector: gemiddelden per deelsector, 2019 Aantal organisaties

Omzet (x € 1 mln.)

Eigen inkomsten (x € 1 mln.)

Personele lasten (x € 1 mln.)

Personeelssterkte (fte's)a

Dans

21

2,3

0,8

1,4

23,2

Theater

67

2,1

0,7

1,1

18,1

Muziektheater

17

5,2

1,8

3,8

55,8

Muziek

38

3,6

1,3

2,5

32,5

Presentatie-instellingen en medialabs

49

0,9

0,4

0,4

9,4

Poppodia

53

3,2

2,4

1,1

22,1

Vrije producenten

13

4,3

4,3

2,2

32,3

Gewogen gemiddelde/ totaal

258

2,6

1,3

1,4

23,0

b

a

Uitsluitend betaald personeel en bij poppodia exclusief optredende artiesten.

b

Uitsluitend de dertien van de dertig VVTP-leden met bruikbare respons aan de coronamonitor.

Muziektheatergezelschappen en vrije muziek- en theaterproducenten zijn in termen van gemiddelde omzet en personeelssterkte relatief grote organisaties. Presentatie-instellingen en medialabs opereren doorgaans op een veel kleinere schaal. Figuur 4.1

Culturele sector: personeelssamenstelling per deelsector naar type werkende, 2019a Culturele sector: personeelssamenstelling (%) Dans

59

Theater

48

Muziektheater

48

28

13

39

66

Presentatie-instellingen en medialabs

10

43

23

Poppodia 21

12

20

Totaal 10

Vast

20

11

60

56 0

24 34

77

Vrije producenten

20

23

Muziek

a

20

16

30

40

Tijdelijk

Zzp

50

60

28 70

80

90

100

Uitsluitend betaald personeel en bij poppodia exclusief optredende artiesten.

In grote delen van de culturele sector zijn flexibele arbeidsrelaties – zzp-inhuur en tijdelijke dienstverbanden – de norm (Figuur 4.1).20 Dat geldt het sterkst voor vrije producenten (79%) en 20

Zie ook de beschrijving in paragraaf 2.4.

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Totaaloverzicht culturele sector

29

presentatie-instellingen en medialabs (57%), en het minst voor de poppodia (23%). Daar staat tegenover dat poppodia voor gemiddeld 27% draaien op de inzet van onbetaald personeel (hoofdstuk 10). Bovendien zijn de optredende artiesten niet opgenomen in de personeelscijfers. 4.2.2

Resultaten per grootteklasse

Tabel 4.2 brengt per grootteklasse voor de ‘gemiddelde culturele organisatie’ een aantal kengetallen in beeld. Met uitzondering van de klasse groot bevatten alle grootteklassen ongeveer evenveel organisaties. Culturele organisaties verschillen sterk in omvang. Grote organisaties zijn bijvoorbeeld qua jaaromzet maar liefst 33 keer zo groot als kleine organisaties en qua betaalde personeelssterkte 23 keer zo groot. Daarnaast varieert het belang van de eigen inkomsten tussen organisaties van verschillende grootte. Het aandeel van de eigen inkomsten in de omzet loopt op van 38% bij de kleine organisaties tot 52% bij de grote organisaties. Gemiddeld bestaat de helft van de omzet uit eigen inkomsten, vooral door het grote belang van de eigen inkomsten bij de vrije producenten en de poppodia. Bij de kleine organisaties bestaan de eigen inkomsten voor 60% uit publieksinkomsten tegen 77% bij de grote organisaties en 73% voor de gemiddelde organisatie. Tabel 4.2

Culturele sector: gemiddelden per grootteklasse, 2019 Aantal organisaties

Omzet (x € 1 mln.)

Eigen inkomsten (x € 1 mln.)

Personele lasten (x € 1 mln.)

Personeelssterkte (fte's)a

Klein

71

0,3

0,1

0,2

3,7

Middelklein

67

0,7

0,3

0,4

7,2

Middelgroot

72

1,6

0,8

0,8

14,7

Groot

48

10,3

5,4

5,6

86,2

Gewogen gemiddelde/ totaal

258

2,6

1,3

1,4

23,0

a b

Uitsluitend de dertien van de dertig VVTP-leden met bruikbare respons aan de coronamonitor. Uitsluitend betaald personeel en bij poppodia exclusief optredende artiesten.

Figuur 4.2 Culturele sector: personeelssamenstelling per grootteklasse naar type werkende, 2019a Culturele sector: personeelssamenstelling (%) Klein

24

Middelklein

15

61

37

Middelgroot

16

42

22

Groot

36

64

Totaal

15

56

0

10

20

21

16

30

40 Vast

a

47

50 Tijdelijk

60

28

70

80

90

100

Zzp

Uitsluitend betaald personeel en bij poppodia exclusief optredende artiesten.

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Totaaloverzicht culturele sector

30

Er bestaat een duidelijk verband tussen de grootte van culturele organisaties en de samenstelling van het betaalde personeel van de organisaties (Figuur 4.2). Bij de kleine organisaties is slechts 24% van de werkenden in vaste dienst en werkt 61% als zzp’er. Bij de grote organisaties zijn de verhoudingen juist omgekeerd. Daar is 64% van de werkenden in vaste dienst en werkt slechts 21% als zzp’er. De verschillen in personeelssamenstelling tussen kleinere en grotere organisaties hangen zowel samen met de verschillen in de omvang van de beschikbare middelen als met de verschillen in de bestaanszekerheid tussen deze typen organisaties.

4.3

Ontwikkeling van de eigen inkomsten

4.3.1

Resultaten per deelsector

In de onderzochte delen van de culturele sector lopen de eigen inkomsten gedurende de laatste drie kwartalen van 2020 in totaal met 85% terug ten opzichte van dezelfde periode in 2019 (Figuur 4.3). Dat komt vooral door een afname van de publieksinkomsten met bijna € 200 mln. (= 94%). De overige eigen inkomsten dalen met 43%. Figuur 4.3

Culturele sector: ontwikkeling van de eigen inkomsten per deelsector Culturele sector: gemiddelde verandering van de eigen inkomsten per deelsector (%) Dans

-78%

Theater

-67%

Muziektheater

-81%

Muziek

-78%

Presentatie-instellingen en medialabs

-47%

Poppodia

-95%

Vrije producenten

-94%

Totaal

-85%

Bij de poppodia en de vrije producenten – de deelsectoren die in 2019 het sterkst leunen op de publieksinkomsten – kelderen de eigen inkomsten met 95% en 94%. De eigen inkomsten dalen het minst bij de presentatie-instellingen en medialabs, en de theatergezelschappen (met respectievelijk 47% en 67%). Dat zijn tegelijkertijd ook de deelsectoren met het laagste aandeel van de publieksinkomsten in de totale omzet en in de totale eigen inkomsten. De overige organisaties in de podiumkunst nemen een middenpositie in. 4.3.2

Resultaten per grootteklasse

De ontwikkeling van de eigen inkomsten vertoont een duidelijke samenhang met de grootte van de culturele organisaties (Figuur 4.4). In de laatste drie kwartalen van 2020 ervaren de grote organisaties de sterkste krimp van de eigen inkomsten ten opzichte van dezelfde periode in 2019 (88%), terwijl zij uitgerekend de organisaties zijn die het meest afhankelijk zijn van de eigen inkomsten en in het bijzonder de publieksinkomsten. Bij de kleine organisaties, die minder sterk

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Totaaloverzicht culturele sector

31

leunen op de eigen inkomsten, dalen de eigen inkomsten juist het minst (50%). De afname van de eigen inkomsten bij de middelkleine en middelgrote organisaties houdt het midden tussen beide uitersten. Figuur 4.4

Culturele sector: ontwikkeling van de eigen inkomsten per grootteklasse Culturele sector: gemiddelde verandering van de eigen inkomsten per grootteklasse (%)

Klein

-50%

Middelklein Middelgroot Groot Totaal

-74% -82% -88% -85%

4.4

Ontwikkeling van de omzet na coronasteun

4.4.1

Resultaten per deelsector

Vergeleken met de laatste drie kwartalen van 2019 krimpt de totale omzet inclusief coronasteun in de onderzochte delen van de culturele sector tijdens dezelfde periode in 2020 gemiddeld met een kwart (Figuur 4.5). Dat is een aanzienlijk minder sterke daling dan die van de eigen inkomsten, die gemiddeld met 85% afnemen (Figuur 4.3). De afgezwakte omzetdaling is het gevolg van de stabiliserende werking van de meerjarige subsidies en de ontvangen coronasteun. Figuur 4.5

Culturele sector: ontwikkeling van de totale omzet per deelsector Culturele sector: gemiddelde verandering van de totale omzet per deelsector (%) Dans

-11%

Theater

-7%

Muziektheater

-16%

Muziek

-10%

Presentatie-instellingen en medialabs

-14%

Poppodia Vrije producenten

-48% -80%

Totaal

-25%

Bij de vrije producenten en de poppodia vallen de omzetten verreweg het sterkst terug (met respectievelijk 80% en 48%), omdat zij het meest leunen op de (weggevallen) publieksinkomsten.

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Totaaloverzicht culturele sector

32

Deze organisaties krijgen ook relatief de minste coronasteun. Vrije producenten ontvangen in 2020 alleen generieke coronasteun, zoals de NOW en TVL. Daarmee kunnen zij slechts 13% van hun verlies aan eigen inkomsten (en omzet) compenseren. 21 Bij de poppodia maakt de coronasteun 37% van het verlies aan eigen inkomsten goed. Daar staat tegenover dat theater- en dansgezelschappen coronasteun ontvangen ter grootte van respectievelijk 74% en 67% van hun verlies aan eigen inkomsten, waardoor hun omzetverliezen beperkt blijven tot respectievelijk 7% en 11%. 4.4.2

Resultaten per grootteklasse

Figuur 4.6 onthult dat de omzet (inclusief coronasteun) in de laatste drie kwartalen van 2020 ten opzichte van dezelfde periode in 2019 het meest terugloopt bij de middelkleine en grote culturele organisaties, en het minst bij de kleine organisaties (31% en 27% versus 6%). De omzetdaling van de middelkleine organisaties past op het eerste gezicht niet goed in het in Figuur 4.4 geschetste patroon met een sterkere daling van de eigen inkomsten naarmate de grootte van organisaties toeneemt. De afwijkende omzetontwikkeling van de middelkleine organisaties kent twee oorzaken. Ten eerste ontvangen middelkleine organisaties volgens eigen opgave weinig coronasteun, waarmee zij slechts gecompenseerd worden voor 37% van het verlies aan eigen inkomsten (tegen bijvoorbeeld een compensatie van 89% voor het inkomstenverlies bij de kleine organisaties). Ten tweede blijkt uit de cijfers dat middelkleine organisaties kampen met een subsidiedaling van 14%, doordat hun incidentele subsidies sterk zijn teruggelopen. Figuur 4.6

Culturele sector: ontwikkeling van de totale omzet per grootteklasse Culturele sector: gemiddelde verandering van de totale omzet per grootteklasse (%)

Klein Middelklein

-6% -31%

Middelgroot Groot Totaal

-20% -27% -25%

4.5

Ontwikkeling van de totale lasten

4.5.1

Resultaten per deelsector

De totale lasten bestaan uit personele lasten en materiële lasten (inclusief huisvesting). Vergeleken met de laatste drie kwartalen van 2019 brengen de culturele organisaties hun totale lasten in dezelfde periode in 2020 met gemiddeld 30% terug (Figuur 4.7). De materiële lasten nemen met

De toekenning van de specifieke coronasteun over de periode 14 oktober 2020 tot 1 juli 2021 in het kader van de Regeling vrije producties van het Fonds Podiumkunsten aan de vrije producenten vond pas begin april 2021 plaats. 21

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Totaaloverzicht culturele sector

33

gemiddeld 56% af en de personele lasten met 20%. Vooral de vrije producenten moeten hun lasten door de omzetdaling van 80% sterk reduceren (met 72%). De presentatie-instellingen en medialabs brengen hun lasten slechts met 4% terug; hun personele lasten stijgen zelfs licht (Figuur 4.9). De bezuiniging op de totale lasten met 31% bij de poppodia en de theatergezelschappen is ongeveer gelijk aan het gemiddelde van de culturele sector. Figuur 4.7

Culturele sector: ontwikkeling van de totale lasten per deelsector Culturele sector: gemiddelde verandering van de totale lasten per deelsector (%) Dans

-26%

Theater

-31%

Muziektheater

-27%

Muziek

-20%

Presentatie-instellingen en medialabs

-4%

Poppodia

-31%

Vrije producenten

-72%

Totaal

4.5.2

-30%

Resultaten per grootteklasse

De lastendaling is met 36% het grootst bij de middelkleine organisaties (Figuur 4.8). Deze organisaties kampen eveneens met de grootste omzetdaling. Omgekeerd blijft de lastendaling van kleine organisaties beperkt tot 14%, omdat zij ook de kleinste omzetdaling ervaren. De middelgrote en grote organisaties nemen een middenpositie in. Bij hen is de lastendaling zelfs marginaal groter dan de omzetdaling. Figuur 4.8

Culturele sector: ontwikkeling totale lasten per grootteklasse Culturele sector: gemiddelde verandering van de totale lasten per grootteklasse (%)

Klein Middelklein Middelgroot

-14% -36% -28%

Groot

-30%

Totaal

-30%

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Totaaloverzicht culturele sector

34

4.6

Ontwikkeling van de personele lasten

4.6.1

Resultaten per deelsector

In 2019 vormen de personele lasten gemiddeld ruim 55% van de totale lasten. Culturele organisaties brengen in de laatste drie kwartalen van 2020 hun personele lasten gemiddeld met 20% terug ten opzichte van dezelfde periode in 2019 (Figuur 4.9). De organisaties bezuinigen minder sterk op hun personele lasten dan op hun materiële lasten (44% versus 20%). Presentatie-instellingen en medialabs ontzien hun personeel. Hun personele lasten stijgen zelfs licht. De vrije theater- en muziekproducenten bevinden zich aan de andere kant van het spectrum. Zij moeten hun personele lasten met 74% verminderen, omdat hun omzet (inclusief coronasteun) met 80% is gekelderd. De poppodia brengen hun personele lasten (exclusief de gages van de optredende artiesten) met 25% terug, hoewel hun omzet – met 48% – veel meer is gekrompen. De overige deelsectoren bezuinigen minder sterk op hun personele lasten. Hun omzetdaling is ook aanzienlijk minder groot. Figuur 4.9

Culturele sector: ontwikkeling van de personele lasten per deelsector Culturele sector: gemiddelde verandering van de personele lasten per deelsector (%) -14% -21%

Dans Theater

-17%

-49%

Muziektheater

-23%

-58%

Muziek Presentatie-instellingen en medialabs

-16%

Poppodia Vrije producenten

-10%

-36%

-25%

-80% -97%

5%

-74%

Totaal

-55% Totale lasten personeel

-20%

Lasten zzp'ers

Het verschil in ontwikkeling van de totale personele lasten en de lasten van zzp’ers is enorm, te meer omdat de lasten van het personeel in loondienst slechts met 3% zijn gedaald. De lasten van het personeel in vaste dienst zijn zelfs gelijk gebleven, maar de lasten van het personeel in tijdelijke dienst zijn met 29% verminderd. Culturele organisaties hebben ruim zestien keer zo sterk bezuinigd op de lasten van zzp’ers als op de lasten van het personeel in loondienst (55% versus 3%). Daardoor is de werkgelegenheid van zzp’ers in het onderzochte deel van de culturele sector afgenomen van 1.650 tot 720 fte’s, een daling van 930 fte’s. De flexibele schil blijkt een gemakkelijke bezuinigingsoptie in tijden van crisis. De coronasteun heeft dit niet kunnen voorkomen. Vrije producenten, die in 2019 voor 60% draaiden op de inzet van zzp’ers, brengen de lasten van zzp’ers vrijwel tot nul terug (een daling van 97%). Poppodia bezuinigen eveneens sterk op zzp’ers

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Totaaloverzicht culturele sector

35

(80%), maar bij hen vormen zzp’ers in 2019 slechts 11% van het betaalde personeel (exclusief optredende artiesten). Muziektheater- en theatergezelschappen, die in 2019 relatief veel zzp’ers inzetten, bezuinigen eveneens flink op de lasten van zzp’ers (met respectievelijk 58% en 49%). Presentatie-instellingen en medialabs, die eveneens relatief veel gebruik maken van zzp’ers, brengen juist de lasten van zzp’ers – met 16% – het minst terug. 4.6.2

Resultaten per grootteklasse

Middelkleine culturele organisaties, die kampen met het grootste omzetverlies, brengen hun personele lasten – met 25% – het meest terug. De kleine organisaties – met het kleinste omzetverlies maar wel het hoogste aandeel zzp’ers – besnoeien het minst op de personele lasten (slechts 3%) en besteden zelfs 6% meer aan zzp’ers. Kleine muziekensembles, presentatie-instellingen en medialabs, die sterk afhankelijk zijn van de inzet van zzp’ers, geven het goede voorbeeld. De bezuinigingen van middelgrote en grote organisaties op de personele lasten zijn min of meer proportioneel met hun omzetverlies. Dat geldt niet voor hun bezuinigingen op de lasten van zzp’ers met respectievelijk 43% en 73%, die in verhouding veel forser zijn dan hun omzetverlies. Figuur 4.10 Culturele sector: ontwikkeling van de personele lasten per grootteklasse Culturele sector: gemiddelde verandering van de personele lasten per grootteklasse (%) -3%

Klein Middelklein

-41%

Middelgroot Groot Totaal

-43%

6%

-25% -22% -20%

-73%

-20%

-55% Totale lasten personeel

4.7

Effecten van de coronasteun

4.7.1

Resultaten per deelsector

Lasten zzp'ers

Meerjarig gesubsidieerde culturele organisaties doen verhoudingsgewijs een beperkt beroep op generieke coronasteun, zoals de NOW- en TVL-regeling (Figuur 4.11). Het zijn vooral de poppodia en de vrije producenten, die vanwege hun forse inkomstenverliezen een beroep doen op de generieke coronasteun. Poppodia ontvangen in 2020 € 18,7 mln. aan generieke coronasteun en vrije producenten, die in 2020 nog niet in aanmerking komen voor specifieke coronasteun, doen een beroep van € 5,6 mln. op generieke coronasteun. Dat komt neer op respectievelijk krap 20% en 14% van het verlies aan eigen inkomsten. De meerjarig gesubsidieerde organisaties ontvangen de resterende € 2,8 mln. aan generieke coronasteun.

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Totaaloverzicht culturele sector

36

De specifieke coronasteun van het ministerie van OCW, de gemeenten en de provincies is voor meerjarig gesubsidieerde organisaties doorgaans veel belangrijker dan de generieke coronasteun. In totaal ontvangen deze organisaties € 47,2 mln. aan specifieke coronasteun (57% van het verlies aan eigen inkomsten). Het leeuwendeel daarvan gaat naar theater en muziek. Daarnaast krijgen de poppodia € 16,8 mln. aan specifieke coronasteun. Daarmee worden de poppodia gecompenseerd voor bijna 18% van het verlies aan eigen inkomsten. Een kanttekening bij de hier gepresenteerde resultaten is dat de coronasteun berust op een voorlopige opgave van de culturele organisaties. De definitieve steunbedragen van onder meer de NOW-maatregel moeten nog worden vastgesteld. Het is niet ondenkbaar dat een deel van de generieke coronasteun alsnog moet worden terugbetaald. Figuur 4.11 Culturele sector: specifieke en generieke coronasteun per deelsector Culturele sector: generieke en specifieke coronasteun per deelsector (x € 1 mln.) Dans Theater Muziektheater Muziek Presentatie-instellingen en medialabs

1,4 5,7 0,6 15,2 0,3 9,1 0,1 13,9 0,3 3,2 18,7 16,8

Poppodia Vrije producenten

5,6 0,0

Totaal

Coronasteun - generiek

27,1 64,0

Coronasteun - specifiek

Zonder de coronasteun zouden de organisaties in de onderzochte delen van de culturele sector over de laatste drie kwartalen van 2020 een negatief resultaat van € 67,4 mln. boeken (Figuur 4.12). Dat is een verlies van krap € 0,3 mln. per organisatie. Het overgrote deel van de verliezen komt voor rekening van de poppodia en de vrije producenten, die sterk afhankelijk zijn van hun publieksinkomsten en daardoor respectievelijk 95% en 94% van hun eigen inkomsten hebben verloren. Deze beide typen organisaties zouden zonder coronasteun kampen met een verlies van respectievelijk € 53,7 mln. (= € 1,0 mln. per poppodium) en € 8,4 mln. (= ruim € 0,6 mln. per vrije producent). De verliezen vóór coronasteun zijn bij de meerjarig gesubsidieerde organisaties in het algemeen beduidend kleiner (gemiddeld € 27.000 per organisatie), omdat zij veel minder sterk afhankelijk zijn van de publieksinkomsten dan de poppodia en de vrije producenten.

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Totaaloverzicht culturele sector

37

Figuur 4.12 Culturele sector: opbouw voorlopig resultaat in de laatste drie kwartalen van 2020 per deelsector vóór coronasteun en -lasten Culturele sector: opbouw voorlopig resultaat laatste drie kwartalen van 2020 zonder coronasteun en -lasten per deelsector (x € 1 mln.) Dans

23,6 26,8

-3,2

Theater

8,2

Muziektheater

47,1 48,8

-1,7

Muziek

79,0 83,9

-5,0

Presentatie-instellingen en medialabs

26,2 29,7

-3,5

29,2

Poppodia

-53,7

Vrije producenten

Totaal

80,3 72,1

-8,4

82,9

2,8 11,2 288,0

-67,4

Totale omzet zonder coronasteun

Totale lasten zonder coronalasten

355,4

Resultaat zonder coronasteun en -lasten

Figuur 4.13 Culturele sector: voorlopig resultaat in de laatste drie kwartalen van 2020 per deelsector vóór en na coronasteun en -lasten Culturele sector: voorlopig resultaat laatste drie kwartalen van 2020 per deelsector (x € 1 mln.) -3,2

Dans

8,2

Theater -1,7

Muziektheater

-5,0

Muziek

22,3

6,2 9,1

-3,5 0,0

Presentatie-instellingen en medialabs -53,7

Poppodia

-19,7 -8,4 -2,9

Vrije producenten Totaal

3,8

-67,4

Resultaat zonder coronasteun en -lasten

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Totaaloverzicht culturele sector

18,7 Resultaat met coronasteun en -lasten

38

De coronasteun zorgt ervoor dat het financieel resultaat van culturele organisaties over de hele linie verbetert (Figuur 4.13). Dat neemt niet weg dat de poppodia en de vrije producenten – ook na de coronasteun – nog steeds kampen met aanzienlijke verliezen, omdat de ontvangen steun niet voldoende is om het forse inkomstenverlies op te vangen. Gerelateerd aan hun omzet bedragen hun verliezen respectievelijk 30% en 35%. De presentatie-instellingen en medialabs spelen na de coronasteun vrijwel quitte. Theater en muziek boeken mede door de (specifieke) coronasteun een omvangrijk positief resultaat van respectievelijk € 22,3 mln. (23% van de omzet) en € 9,1 mln. (10% van de omzet). Dans en muziektheater schrijven eveneens zwarte cijfers. 4.7.2

Resultaten per grootteklasse

Kleine culturele organisaties maken slechts beperkt gebruik van generieke coronasteun (Figuur 4.14). Middelkleine organisaties ontvangen in absolute termen weliswaar weinig generieke coronasteun, maar in verhouding tot hun (sterk gekrompen) omzet juist de meeste coronasteun. Vooral grote organisaties en in iets mindere mate middelgrote organisaties doen in absolute termen een groot beroep op generieke coronasteun. Dat laat onverlet dat de specifieke coronasteun voor organisaties in alle grootteklassen veel belangrijker is dan de generieke coronasteun. Figuur 4.14 Culturele sector: specifieke en generieke coronasteun per grootteklasse Culturele sector: generieke en specifieke coronasteun per grootteklasse (x € 1 mln.) Klein

0,7 2,5

Middelklein

2,1 3,0

Middelgroot

Groot

4,2 13,9 20,1 44,6 27,1

Totaal

64,0

Coronasteun - generiek

Coronasteun - specifiek

Zonder de coronasteun zouden culturele organisaties in alle grootteklassen kampen met verliezen (Figuur 4.15). Vooral grote organisaties zouden dan zwaar in de rode cijfers komen, omdat zij sterk afhankelijk zijn van de weggevallen publieksinkomsten. In dat geval zouden zij samen voor € 55,8 mln. (= gemiddeld € 1,2 mln. per organisatie) in het rood komen. In de drie andere grootteklassen zijn de verliezen vóór coronasteun beperkter.

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Totaaloverzicht culturele sector

39

Figuur 4.15 Culturele sector: opbouw voorlopig resultaat in de laatste drie kwartalen van 2020 per grootteklasse vóór coronasteun en -lasten Culturele sector: opbouw voorlopig resultaat laatste drie kwartalen van 2020 zonder coronasteun en -lasten per grootteklasse (x € 1 mln.) Klein

-2,1

Middelklein

-1,6

Middelgroot

Groot

Totaal

-7,9

13,4 15,5 20,7 22,3 51,8 59,6 202,2

258,0

-55,8

288,0 -67,4

Totale omzet zonder coronasteun

Totale lasten zonder coronalasten

355,4

Resultaat zonder coronasteun en -lasten

Door de coronasteun boeken culturele organisaties in alle grootteklassen gemiddeld een positief resultaat (Figuur 4.16). Dat geldt zelfs voor de grote organisaties die vóór de coronasteun samen kampten met een negatief resultaat van € 55,8 mln. Binnen de onderscheiden grootteklassen bestaan echter grote verschillen tussen de afzonderlijke deelsectoren en organisaties. Gerelateerd aan de omzet loopt het resultaat na coronasteun en -lasten uiteen van 2% bij de grote organisaties tot 12% bij de middelkleine organisaties (met de grootste omzetdaling). Figuur 4.16 Culturele sector: voorlopig resultaat in de laatste drie kwartalen van 2020 per grootteklasse vóór en na coronasteun en -lasten Culturele sector: voorlopig resultaat laatste drie kwartalen van 2020 per grootteklasse (x € 1 mln.) Klein

-2,1

Middelklein

-1,6 -7,9

Middelgroot -55,8

Groot Totaal

4.8

3,1 8,4 6,2

-67,4

Resultaat zonder coronasteun en -lasten

1,0

18,7 Resultaat met coronasteun en -lasten

Resultaat per eigeninkomstenklasse

De coronasteun zorgt ervoor dat een groot deel van de organisaties – ondanks de coronacrisis – uiteindelijk zwarte cijfers schrijft. Toch bestaan er grote verschillen in financieel resultaat tussen organisaties met in 2019 relatief veel eigen inkomsten en organisaties met in 2019 relatief weinig eigen inkomsten, doordat bij de vormgeving van de diverse typen coronasteun onvoldoende

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Totaaloverzicht culturele sector

40

rekening is gehouden met het belang van de eigen inkomsten bij de verschillende organisaties. Figuur 4.17 illustreert dit. Het financieel resultaat na coronasteun verslechtert naarmate organisaties in 2019 relatief meer eigen inkomsten verwierven. In 2019 hadden 37 van de 258 culturele organisaties meer dan 70% eigen inkomsten. Dat zijn vooral vrije producenten, poppodia en een enkele meerjarig gesubsidieerde organisatie. Deze organisaties worden in de laatste drie kwartalen van 2020 het zwaarst getroffen door de coronacrisis. Zonder coronasteun zouden zij in totaal met een verlies van bijna € 60 mln. kampen. De coronasteun verkleint het verlies van deze organisaties weliswaar, maar zij boeken desondanks een verlies van bijna € 25 mln. Dat komt doordat de ontvangen coronasteun slechts 29% van hun verlies aan eigen inkomsten teniet doet. De 109 organisaties met in 2019 minder dan 35% eigen inkomsten schrijven zonder coronasteun al zwarte cijfers (samen € 1,2 mln.) en boeken na coronasteun samen een positief resultaat van € 27,2 mln., omdat de coronasteun 69% van het verlies aan eigen inkomsten compenseert (en de organisaties tegelijkertijd flink bezuinigen op de totale lasten). De 60 organisaties met 35 tot 50% eigen inkomsten in 2019 zien hun aanvankelijke negatieve resultaat van € 2,9 mln. vóór coronasteun door de coronasteun omslaan in een positief resultaat van € 10,9 mln.

De 52 organisaties met 50 tot 70% eigen inkomsten in 2019 opereren vóór coronasteun eveneens in de rode cijfers, maar boeken na coronasteun een positief resultaat van € 5,4 mln. Figuur 4.17 Culturele sector: voorlopig resultaat in de laatste drie kwartalen van 2020 per eigeninkomstenklasse vóór en na coronasteun Culturele sector: voorlopig resultaat laatste drie kwartalen van 2020 naar aandeel eigen inkomsten (x € 1 mln.) 1,2

Minder dan 35% -2,9

Tussen de 35% en 50%

-6,1

Tussen de 50% en 70%

-59,6

70% of meer Totaal

-67,4

Resultaat zonder coronasteun en -lasten

4.9

27,2 10,9 5,4

-24,8 18,7 Resultaat met coronasteun en -lasten

Conclusies

Het overzichtshoofdstuk bevat voor zeven deelsectoren en vier grootteklassen een totaalbeeld van de gevolgen van de coronacrisis. Met uitzondering van de poppodia en de dertien vrije producenten, die sterk afhankelijk zijn van hun eigen inkomsten, betreft het meerjarig gesubsidieerde organisaties. Om de gevolgen van de coronacrisis te duiden, vergelijken we steeds de laatste drie kwartalen van 2020 met dezelfde periode in 2019. De belangrijkste conclusies van het hoofdstuk luiden als volgt:

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Totaaloverzicht culturele sector

41

• De eigen inkomsten van organisaties in het onderzochte deel van de culturele sector dalen in 2020 gemiddeld met 85%. De publieksinkomsten kelderen zelfs met 94%. De daling van de eigen inkomsten loopt uiteen van 47% bij de presentatie-instellingen en medialabs – met het laagste aandeel publieksinkomsten – tot 94% en 95% bij de vrije producenten en poppodia – met het hoogste aandeel publieksinkomsten. Grotere organisaties, die het meest afhankelijk zijn van de publieksinkomsten, ervaren een sterkere krimp van de eigen inkomsten dan kleinere organisaties die minder afhankelijk zijn van de publieksinkomsten. • De totale omzet (inclusief coronasteun) loopt in 2020 veel minder sterk terug dan de eigen inkomsten (25% tegen 85%). Dat komt zowel door de stabiliserende werking van de meerjarige subsidies als door de ontvangen coronasteun. Bij de vrije producenten en de poppodia vallen de omzetten echter terug met 80% en 48%, omdat zij het meest leunen op de (weggevallen) publieksinkomsten. • In reactie op de omzetdaling brengen culturele organisaties hun personele lasten in 2020 terug met gemiddeld 20%. De vrije producenten – met de grootste omzetdaling – reduceren hun personele lasten zelfs met 74%. Presentatie-instellingen en medialabs bezuinigen per saldo niet op hun personeel.

• Binnen de personele lasten brengen de organisaties (en vooral grote organisaties) in 2020 de lasten van zzp’ers het meest terug: een bezuiniging van gemiddeld 55% op de zzp’ers tegenover een bezuiniging van 3% op het personeel in loondienst. Alleen kleine organisaties ontzien hun zzp’ers. Vrije producenten, die in 2019 voor 60% draaiden op de inzet van zzp’ers, verminderen de lasten van zzp’ers zelfs met 97%. • In 2020 reduceren de organisaties hun totale lasten gemiddeld met 30%, meer dan de omzetdaling (gemiddeld 25%). De lastendaling is het gevolg van een bezuiniging van 56% en 20% op respectievelijk de materiële lasten (inclusief huisvesting) en de personele lasten. Vrije producenten, die kampen met de grootste omzetdaling, brengen hun totale lasten het meest terug (met 72%). • Meerjarig gesubsidieerde organisaties komen – in tegenstelling tot de poppodia en vrije producenten – beperkt in aanmerking voor generieke coronasteun, zoals de NOW en de TVL, maar ontvangen vooral specifieke coronasteun van het ministerie van OCW en andere overheden. Vrije producenten ontvangen in 2020 geen specifieke coronasteun.

• De coronasteun leidt in de meeste deelsectoren gemiddeld tot een positief resultaat uit de gewone bedrijfsvoering, behalve bij de poppodia (€ -19,7 mln.) en de dertien vrije producenten (€ -2,9 mln.), die het meest afhankelijk zijn van hun eigen inkomsten en naar verhouding weinig coronasteun ontvangen. Organisaties die in 2019 relatief veel eigen inkomsten verwierven, worden het hardst getroffen door de coronacrisis. De coronasteun brengt daar geen verandering in.

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Totaaloverzicht culturele sector

42

5 Meerjarig gesubsidieerde dans 5.1

Inleiding

In het voorliggende hoofdstuk komen de gevolgen van de coronacrisis voor de meerjarig gesubsidieerde dans- en jeugddansgezelschappen aan de orde. Deze groep organisaties duiden we in het vervolg aan als dans(gezelschappen). Niet-meerjarige gesubsidieerde activiteiten op het terrein van dans blijven in de analyse buiten beschouwing. Het Nationale Ballet komt in dit hoofdstuk evenmin aan de orde. De cijfers voor het Nationale Ballet zijn inbegrepen in die van de Nationale Opera en Ballet en maken deel uit van de analyse van muziektheater (hoofdstuk 7). Voor dans hanteren we de volgende indeling in grootteklassen op basis van de omvang van de jaaromzet in 2019: 1 (middel)klein: tot € 1 mln. omzet; 2 middelgroot: € 1 mln. of meer omzet. Kleine en middelkleine dansgezelschappen zijn in de analyse samengevoegd vanwege het aantal organisaties. Hetzelfde geldt voor middelgrote en de grote dansgezelschappen. Het hoofdstuk richt zich op een bespreking van de belangrijkste resultaten. Voor de gekozen onderzoeksaanpak wordt verwezen naar hoofdstuk 3.

5.2

De situatie in het kalenderjaar 2019

De totale omzet van alle 21 meerjarig gesubsidieerde dansgezelschappen samen bedraagt in het kalenderjaar 2019 ruim € 48 mln., waarvan € 17 mln. aan eigen inkomsten. De eigen inkomsten bestaan voor 62% uit publieksinkomsten. (Middel)grote dansgezelschappen verwerven als percentage van de omzet iets minder eigen inkomsten dan de (middel)kleine gezelschappen. De personele lasten vormen 61% van de totale lasten. De gezamenlijke dansgezelschappen kampen met een negatief resultaat uit de gewone bedrijfsvoering van € -0,4 mln. Dat komt doordat de (middel)grote gezelschappen samen rode cijfers schrijven. Voor de (middel)kleine gezelschappen komt het resultaat nagenoeg op nul uit. De totale personeelssterkte van alle gezelschappen samen bedraagt bijna 490 fte’s. Tabel 5.1 geeft per grootteklasse een aantal kengetallen voor het ‘gemiddelde dansgezelschap’. Tabel 5.1

Dans: gemiddelden per grootteklasse, 2019 a Aantal organisaties

Omzet (x € 1 mln.)

Eigen inkomsten (x € 1 mln.)

Personele lasten (x € 1 mln.)

Personeelssterkte (fte's)

(Middel)klein

8

0,6

0,2

0,4

7,0

(Middel)groot

13

3,4

1,2

2,0

33,2

Gewogen gemiddelde/ totaal

21

2,3

0,8

1,4

23,2

a

Exclusief het Nationale Ballet.

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Meerjarig gesubsidieerde dans

43

Ruim 60% van het aantal organisaties bestaat uit (middel)grote dansgezelschappen. De (middel)grote dansgezelschappen zijn in termen van omzet gemiddeld ruim vijf keer zo groot als de (middel)kleine gezelschappen en qua personeelssterkte gemiddeld bijna vijf keer zo groot. Bij (middel)kleine dansgezelschappen zijn de flexibele arbeidsrelaties − zzp-inhuur en tijdelijke dienst − de norm. Het betreft vooral de dansers, maar ook een deel van de ‘vaste’ kantoorstaf. In verhouding tot (middel)grote gezelschappen draaien (middel)kleine dansgezelschappen vooral op ingehuurde zzp’ers (55% tegen 16%) (Figuur 5.1). Bij de (middel)grote gezelschappen bestaat in 2019 bijna twee derde van het personeel uit medewerkers met een vast dienstverband. Figuur 5.1

Dans: personeelssamenstelling per grootteklasse naar type werkende, 2019 Dans: personeelssamenstelling (%)

(Middel)klein

21

24

(Middel)groot

64

Totaal

20

59 0

5.3

55

20

16

20

Vast

40 Tijdelijk

Zzp

60

20 80

100

Ontwikkeling van de eigen inkomsten per grootteklasse

In de laatste drie kwartalen van 2020 nemen de eigen inkomsten gemiddeld met 78% af ten opzichte van dezelfde periode in 2019. De daling van de eigen inkomsten is sterker bij de (middel)grote dansgezelschappen dan bij de (middel)kleine gezelschappen: 81% versus 54% (Figuur 5.2). De daling is vooral het gevolg van de ontwikkeling van de publieksinkomsten, die met 92% zijn gekelderd. Figuur 5.2

Dans: ontwikkeling van de eigen inkomsten per grootteklasse Dans: gemiddelde verandering van de eigen inkomsten per grootteklasse (%)

(middel)klein

(middel)groot

totaal

5.4

-54%

-81%

-78%

Ontwikkeling van de omzet na coronasteun per grootteklasse

De totale omzet inclusief coronasteun van de dansgezelschappen valt in de laatste drie kwartalen van 2020 met gemiddeld 11% terug ten opzichte van dezelfde periode in 2019 (Figuur 5.3). Dat is

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Meerjarig gesubsidieerde dans

44

aanzienlijk geringere daling dan die van de eigen inkomsten (met 78%). Dat komt onder meer doordat de coronasteun twee derde van het verlies aan eigen inkomsten goed maakt. Daarnaast blijven de meerjarige subsidies op peil. Figuur 5.3

Dans: ontwikkeling van de omzet per grootteklasse Dans: gemiddelde verandering van de totale omzet per grootteklasse (%)

(middel)klein

-20%

(middel)groot

-10%

totaal

-11%

De procentuele omzetdaling is voor (middel)kleine gezelschappen twee keer zo groot als voor (middel)grote gezelschappen. In totaal daalt de omzet van de acht (middel)kleine gezelschappen in absolute termen met ruim € 0,7 mln. tegen een omzetdaling van bijna € 3,1 mln. voor de dertien (middel)grote gezelschappen.

5.5

Ontwikkeling van de totale lasten per grootteklasse

De dansgezelschappen brengen de totale lasten (personeel en materieel) in de laatste drie kwartalen van 2020 gemiddeld met 26% terug vergeleken met dezelfde periode in 2019. Dit komt overeen met een afname van de lasten met € 9,4 mln. (Middel)kleine dansgezelschappen bezuinigen 18% op hun totale lasten; de (middel)grote gezelschappen brengen hun lasten terug met 27% (Figuur 5.4). De lastendaling bij de dansgezelschappen is het resultaat van een beperking van de personele lasten (met 14%) en van de materiële lasten (inclusief huisvesting met 48%). Figuur 5.4

Dans: ontwikkeling van de totale lasten per grootteklasse Dans: gemiddelde verandering van de totale lasten per grootteklasse (%)

(middel)klein

(middel)groot

totaal

5.6

-18%

-27%

-26%

Ontwikkeling van de personele lasten per grootteklasse

De totale personele lasten zijn in de laatste drie kwartalen van 2020 gemiddeld met 14% gedaald ten opzichte van dezelfde periode in 2019 (Figuur 5.5). Voor (middel)kleine dansgezelschappen is deze daling groter dan voor (middel)grote dansgezelschappen (19% tegen 13%). De coronasteun

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Meerjarig gesubsidieerde dans

45

heeft er niet toe geleid dat de inzet van zzp’ers in dezelfde mate daalt als de inzet van het overige personeel. Zowel bij (middel)kleine als bij (middel)grote gezelschappen is de daling van de lasten van zzp’ers sterker dan de daling van het personeel in loondienst (21% versus 9%). De coronasteun heeft dit niet kunnen tegengaan. Figuur 5.5

Dans: ontwikkeling van de personele lasten per grootteklasse Dans: gemiddelde verandering van de personele lasten per grootteklasse (%) -19%

(middel)klein

-21% -13%

(middel)groot

-21% -14%

totaal

-21% Totale lasten personeel

5.7

Lasten zzp'ers

Effecten van de coronasteun per grootteklasse

(Middel)kleine dansgezelschappen – met zzp’ers als belangrijkste categorie werkenden – doen nauwelijks een beroep op generieke coronasteunmaatregelen, zoals de NOW-regeling en de TVL. Figuur 5.6 illustreert dit. Figuur 5.6

Dans: generieke en specifieke coronasteun per grootteklasse Dans: generieke en specifieke coronasteun (x € 1 mln. )

(middel)klein

0,0

(middel)groot

totaal

0,5 1,3 5,2 1,4 5,7 Coronasteun - generiek

Coronasteun - specifiek

(Middel)grote gezelschappen – met vooral personeel in loondienst – ontvangen meer generieke coronasteun dan de (middel)kleine gezelschappen, maar ook voor hen is de specifieke coronasteun van het ministerie van OCW, gemeenten en provincies veel belangrijker dan de generieke coronasteun. Een kanttekening bij de getoonde resultaten is dat de coronasteun berust op een voorlopige opgave van de gezelschappen. De definitieve steunbedragen van bijvoorbeeld de NOW-regeling moeten nog worden vastgesteld. Mogelijk moet alsnog een deel van de generieke coronasteun worden terugbetaald.

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Meerjarig gesubsidieerde dans

46

Zonder de coronasteun en -lasten zouden zowel (middel)kleine als (middel)grote gezelschappen samen een negatief resultaat boeken (Figuur 5.7). Per dansgezelschap zou dit verlies gemiddeld € 150.000 bedragen. Bij (middel)kleine dansgezelschappen is het verlies in absolute termen kleiner dan bij (middel)grote gezelschappen. Door de coronasteun (voorlopige bedragen) slaat het gezamenlijke resultaat van de dansgezelschappen om van een negatief resultaat naar een positief resultaat van € 3,8 mln. (= 13% van de omzet). De (middel)kleine gezelschappen spelen ondanks de coronasteun net niet quitte (Figuur 5.8). Figuur 5.7

Dans: opbouw voorlopig resultaat in de laatste drie kwartalen van 2020 per grootteklasse vóór coronasteun en -lasten Dans: opbouw voorlopig resultaat laatste drie kwartalen van 2020 zonder coronasteun en -lasten (x € 1 mln.)

(middel)klein

(middel)groot

Totaal

-0,6

21,1 -2,6

23,7 23,6

26,8

-3,2

Totale omzet zonder coronasteun

Figuur 5.8

2,5 3,1

Totale lasten zonder coronalasten

Resultaat zonder coronasteun en -lasten

Dans: voorlopig resultaat in de laatste drie kwartalen van 2020 per grootteklasse vóór en na coronasteun en -lasten Dans: voorlopig resultaat laatste drie kwartalen van 2020 (x € 1 mln.) -0,6

(middel)klein

-0,1 -2,6

(middel)groot

Totaal

3,9 -3,2 3,8

Resultaat zonder coronasteun en -lasten

5.8

Resultaat met coronasteun en -lasten

Resultaat per eigeninkomstenklasse

De coronasteunmaatregelen hebben tot gevolg dat zowel dansgezelschappen met relatief weinig eigen inkomsten als gezelschappen met relatief veel eigen inkomsten de laatste drie kwartalen van 2020 (voorlopig) afsluiten met een positief resultaat (Figuur 5.9). De verbetering van het financiële

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Meerjarig gesubsidieerde dans

47

resultaat is het grootst voor gezelschappen met in 2019 een relatief hoog percentage eigen inkomsten, die ook het hardst getroffen worden door de coronacrisis. Negen gezelschappen hadden in 2019 minder dan 35% eigen inkomsten en twaalf gezelschappen 35% of meer eigen inkomsten. Voor deze laatste groep gezelschappen zorgt de coronasteun ervoor dat het voorlopig resultaat in de laatste drie kwartalen van 2020 omslaat van een sterk negatief saldo vóór coronasteun in een positief saldo na coronasteun. Figuur 5.9

Dans: voorlopig resultaat in de laatste drie kwartalen van 2020 per eigeninkomstenklasse vóór en na coronasteun Dans: voorlopig resultaat laatste drie kwartalen van 2020 naar aandeel eigen inkomsten (x € 1 mln.) 0,0

Minder dan 35%

35% of meer

totaal

0,3 -3,2 3,6 -3,2 3,8

Resultaat zonder coronasteun en -lasten

5.9

Resultaat met coronasteun en -lasten

Conclusies

In het hoofdstuk zijn de gevolgen van de coronacrisis geschetst voor de meerjarig gesubsidieerde dansgezelschappen. We vergelijken steeds de laatste drie kwartalen van 2020 met dezelfde periode in 2019. De belangrijkste conclusies van het hoofdstuk luiden als volgt: • De eigen inkomsten van de dansgezelschappen lopen in 2020 met gemiddeld 78% terug, omdat de publieksinkomsten met 92% zijn gekrompen. (Middel)grote dansgezelschappen ervaren een grotere daling van de eigen inkomsten dan (middel)kleine gezelschappen (81% versus 54%). • De totale omzet (inclusief coronasteun) neemt door de stabiliserende werking van de meerjarige subsidies en de ontvangen coronasteun aanzienlijk minder sterk af dan de eigen inkomsten (11% tegen 78%). • De dansgezelschappen bezuinigen in 2020 gemiddeld 14% op hun personele lasten. Die bezuiniging is groter bij de (middel)kleine dan bij de (middel)grote dansgezelschappen (19% tegen 13%). • Binnen de personele lasten brengen de dansgezelschappen de lasten van zzp’ers het meest terug: een bezuiniging van 21% op de zzp’ers versus een bezuiniging van 9% op het personeel in loondienst. • In 2020 verminderen de dansgezelschappen de totale lasten (van personeel en materieel) in totaal met 11%. Vooral op de materiële lasten (inclusief huisvesting) wordt sterk bezuinigd (48%). (Middel)grote dansgezelschappen bezuinigen 27% op hun totale lasten.

Dat is meer dan bij (middel)kleine gezelschappen (18%).

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Meerjarig gesubsidieerde dans

48

• Alleen de (middel)grote dansgezelschappen doen een beperkt beroep op generieke coronasteun; de (middel)kleine gezelschappen – met slechts een beperkt deel van de werkenden in loondienst – nagenoeg niet. De specifieke coronasteun van het ministerie van OCW, gemeenten en provincies is voor beide categorieën dansgezelschappen veel belangrijker dan de generieke steun. • De coronasteun zorgt ervoor dat de (middel)grote dansgezelschappen een positief financieel resultaat boeken. Voor de (middel)kleine organisaties resulteert dit in een beperkt verlies.

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Meerjarig gesubsidieerde dans

49

6 Meerjarig gesubsidieerd theater 6.1

Inleiding

Dit hoofdstuk behandelt de gevolgen van de coronacrisis voor de meerjarig gesubsidieerde theater- en jeugdtheatergezelschappen. Deze groep organisaties duiden we verder aan als theater(gezelschappen). De allergrootste theatergezelschappen beschikken over een of meer eigen podia. De baten en de lasten van die podia zijn opgenomen in de cijfers van de betreffende theatergezelschappen. Theaterfestivals, theatergezelschappen met projectsubsidies en vrije (theater)producenten blijven in het hoofdstuk buiten beschouwing. De vrije theaterproducenten komen aan bod in hoofdstuk 11. Voor theater gebruiken we de volgende indeling in grootteklassen op basis van de omvang van de jaaromzet in 2019: 1 klein: tot € 0,5 mln. omzet; 2 middelklein: € 0,5 mln. tot € 1 mln. omzet; 3 (middel)groot: € 1 mln. of meer omzet. Middelgrote en grote theatergezelschappen zijn in de analyse samengevoegd vanwege het aantal organisaties. Het hoofdstuk concentreert zich op een bespreking van de belangrijkste resultaten. Voor de gekozen onderzoeksaanpak wordt verwezen naar hoofdstuk 3.

6.2

De situatie in het kalenderjaar 2019

De totale omzet van alle 67 meerjarig gesubsidieerde theatergezelschappen samen bedraagt in het kalenderjaar 2019 € 178 mln., waarvan € 44 mln. aan eigen inkomsten. De eigen inkomsten bestaan voor 60% uit publieksinkomsten. Kleine en middelkleine theatergezelschappen verwerven als percentage van de omzet meer eigen inkomsten dan (middel)grote gezelschappen. De totale lasten bestaan voor 56% uit personele lasten. Het resultaat uit de gewone bedrijfsvoering komt voor alle gezelschappen samen nagenoeg op nul uit. Kleine en (middel)grote theatergezelschappen boeken in 2019 een beperkt negatief resultaat, terwijl middelkleine gezelschappen in de plus eindigen. De totale personeelssterkte van alle theatergezelschappen samen komt uit op bijna 1.220 fte’s, waarvan 28% bestaat uit ingehuurde zzp’ers. Tabel 6.1 toont een aantal kengetallen voor het ‘gemiddelde theatergezelschap’ per grootteklasse. Tabel 6.1

Theater: gemiddelden per grootteklasse, 2019 Personele lasten (x € 1 mln.) 0,2

Personeelssterkte (fte's)

0,4

Eigen inkomsten (x € 1 mln.) 0,1

20

0,7

0,3

0,4

6,9

(Middel)groot

32

3,7

1,2

2,0

31,6

Gewogen gemiddelde/ totaal

67

2,1

0,7

1,1

18,1

Aantal organisaties

Omzet (x € 1 mln.)

Klein

15

Middelklein

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Meerjarig gesubsidieerd theater

4,5

50

Ruim de helft van het aantal organisaties bestaat uit kleine en middelkleine theatergezelschappen. De (middel)grote gezelschappen zijn in termen van omzet gemiddeld ruim negen keer zo groot als de kleine gezelschappen en in termen van personeelssterkte gemiddeld ruim zeven keer zo groot. Kleine theatergezelschappen draaien in tegenstelling tot (middel)grote gezelschappen vooral op ingehuurde zzp’ers (Figuur 6.1). Middelkleine gezelschappen zetten eveneens overwegend flexibele krachten in: 48% van de werkenden is zzp’er en 25% heeft een tijdelijke aanstelling. Bij de (middel)grote gezelschappen bestaat in 2019 juist meer dan de helft van het personeel uit medewerkers met een vast dienstverband. Figuur 6.1

Theater: personeelssamenstelling per grootteklasse naar type werkende, 2019 Theater: personeelssamenstelling (%)

Klein

22

Middelklein

10

67

27

25

(Middel)groot

53

Totaal

24

48 0

23

23

20

40 Vast

6.3

48

Tijdelijk

60

28 80

100

Zzp

Ontwikkeling van de eigen inkomsten per grootteklasse

In de laatste drie kwartalen van 2020 krimpen de eigen inkomsten van de gezamenlijke theatergezelschappen gemiddeld met 67% vergeleken met dezelfde periode in 2020 (Figuur 6.2). Bij de kleine gezelschappen is de daling van de eigen inkomsten sterker dan bij de middelkleine en (middel)grote gezelschappen: 85% versus 55% en 67% respectievelijk. Die daling is vooral het gevolg van de krimp van de publieksinkomsten, die in totaal met 82% terugvallen. Figuur 6.2

Theater: ontwikkeling van de eigen inkomsten per grootteklasse Theater: gemiddelde verandering van de eigen inkomsten per grootteklasse (%)

klein -85%

middelklein

-55%

(middel)groot

-67%

totaal

-67%

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Meerjarig gesubsidieerd theater

51

6.4

Ontwikkeling van de omzet na coronasteun per grootteklasse

Figuur 6.3 onthult dat de totale omzet van de theatergezelschappen (inclusief coronasteun) in de laatste drie kwartalen van 2020 minder sterk afneemt dan de eigen inkomsten (7% versus 67%). Dat komt vooral door de coronasteun die compensatie biedt voor bijna driekwart van het verlies aan eigen inkomsten. Daarnaast blijven de meerjarige subsidies stabiel. Figuur 6.3

Theater: ontwikkeling van de omzet per grootteklasse Theater: gemiddelde verandering van de totale omzet per grootteklasse (%)

klein

-26%

middelklein

-12%

(middel)groot

-6%

totaal

-7%

De procentuele omzetdaling is voor de kleine en middelkleine theatergezelschappen aanzienlijk groter dan voor (middel)grote gezelschappen. In absolute termen valt de omzet van de 15 kleine gezelschappen gedurende de laatste drie kwartalen van 2020 in totaal met € 1,3 mln. terug tegen € 1,2 mln. voor de 20 middelkleine gezelschappen en € 5,0 mln. voor de 32 (middel)grote gezelschappen.

6.5

Ontwikkeling van de totale lasten per grootteklasse

De theatergezelschappen verminderen hun totale lasten (personeel en materieel) in de laatste drie kwartalen van 2020 gemiddeld met 31% ten opzichte van met dezelfde periode in 2019 (Figuur 6.4). In totaal bezuinigen de gezelschappen € 33,5 mln. op totale lasten. Dat is aanzienlijk meer dan de krimp van de eigen inkomsten (met € 21,4 mln.). Figuur 6.4

Theater: ontwikkeling van de totale lasten per grootteklasse Theater: gemiddelde verandering van de totale lasten per grootteklasse (%)

klein

-48%

middelklein

-23%

(middel)groot

-31%

totaal

-31%

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Meerjarig gesubsidieerd theater

52

Kleine theatergezelschappen – met de grootste daling van de eigen inkomsten – bezuinigen 48% op de totale lasten en de middelkleine en (middel)grote gezelschappen respectievelijk 23% en 31%. De lastendaling is het gevolg van een daling van de personele lasten en de materiële lasten (inclusief huisvesting) met respectievelijk 17% en 51%.

6.6

Ontwikkeling van de personele lasten

De totale personele lasten dalen in de laatste drie kwartalen van 2020 gemiddeld met 17% ten opzichte van dezelfde periode in 2019. Figuur 6.5 brengt in beeld dat deze daling bij de kleine theatergezelschappen meer dan twee keer zo groot is als bij de middelkleine en (middel)grote gezelschappen (34% tegen 15% en 16%). Dat komt vooral door de sterk afgenomen inzet van zzp’ers bij de kleine gezelschappen (in 2019 nog goed voor twee derde van het personeel). De theatergezelschappen bezuinigen veel sterker op de inzet van zzp’ers dan op de inzet van het personeel in loondienst (49% versus 1%). Daardoor komt bijna de gehele bezuiniging op de personele lasten voor rekening van de zzp’ers. Ondanks de coronasteun is de daling van de lasten van zzp’ers in elke grootteklasse groter dan de daling van de totale personele lasten. Dit verschil is het grootst bij (middel)grote gezelschappen, waar de lasten van zzp’ers meer dan drie keer zo sterk zijn teruggebracht dan de totale personele lasten. Figuur 6.5

Theater: ontwikkeling van de personele lasten per grootteklasse Theater: gemiddelde verandering van de personele lasten per grootteklasse (%)

klein

-34% -53% -15%

middelklein (middel)groot

-25% -16% -54%

totaal

-17%

-49% Totale lasten personeel

6.7

Lasten zzp'ers

Effecten van de coronasteun per grootteklasse

Theatergezelschappen doen een beperkt beroep op de generieke coronasteunmaatregelen, zoals de NOW-regeling en de TVL (Figuur 6.6). Dat geldt niet alleen voor de kleine en middelkleine theatergezelschappen – met overwegend flexibele arbeidskrachten – maar ook voor de (middel)grote gezelschappen, waar de meerderheid van de werkenden in loondienst is. Specifieke coronasteun van het ministerie van OCW, gemeenten en provincies is voor theatergezelschappen vele malen belangrijker dan de generieke coronasteun. Een kanttekening bij de gepresenteerde resultaten is dat de coronasteun berust op een voorlopige opgave van de gezelschappen. De definitieve steunbedragen van bijvoorbeeld de NOW-regeling moeten nog worden vastgesteld. Dit leidt mogelijk tot terugbetalingen.

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Meerjarig gesubsidieerd theater

53

Figuur 6.6

Theater: generieke en specifieke coronasteun per grootteklasse Theater: generieke en specifieke coronasteun (x € 1 mln.)

klein

middelklein

(middel)groot

0,1 0,6 0,4 1,2 0,1 13,4 0,6

totaal

15,2

Coronasteun - generiek

Coronasteun - specifiek

Door de sterke reductie van de totale lasten zouden de theatergezelschappen in elke grootteklasse – zelfs zonder de coronasteun en -lasten – in de laatste drie kwartalen van 2020 een positief resultaat boeken (Figuur 6.7). Bij de kleine en middelkleine gezelschappen is het positieve resultaat in absolute termen kleiner dan bij de (middel)grote gezelschappen. Door de coronasteun (voorlopige bedragen) neemt het financieel resultaat van theatergezelschappen in alle grootteklassen verder toe (Figuur 6.8). Voor alle gezelschappen samen komt het resultaat uit op ruim € 22 mln. (= 23% van de omzet). Figuur 6.7

Theater: opbouw voorlopig resultaat in de laatste drie kwartalen van 2020 per grootteklasse vóór coronasteun en -lasten Theater: opbouw voorlopig resultaat laatste drie kwartalen van 2020 zonder coronasteun en -lasten (x € 1 mln.) 2,8

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=c47e0807-873e-452c-b2d1-34d0df46cc35