CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage_3_Ongelijk_getroffen_ongelijk_gesteund.PDF

Adviescommissie Sociaal Bestuurlijk 4 november 2021, gemeente OssBij agendapunt: Agenda gerelateerde Raadsinformatiebrief bij programma 3 Voorzieningen voor Ontmoeten-Sport-Cultuur32.732 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund Effecten van de coronacrisis in de culturele sector

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund Effecten van de coronacrisis in de culturele sector

Amsterdam, 27 mei 2021 René Goudriaan (SiRM) Michiel Slag (SiRM) Rogier Brom (Boekmanstichting) Maartje Goedhart (Boekmanstichting) Maxime van Haeren (Boekmanstichting) Lisa Wolters (bureau Lisa Wolters) Dionne Faber (Significant APE) Maartje Gielen (Significant APE)

Inhoud Managementsamenvatting

1

2

3

4

5

Inhoud van het onderzoek

5

Gevolgen voor de baten en de lasten

5

Gevolgen voor het financieel resultaat

6

Inleiding

8

1.1

Aanleiding

8

1.2

Indeling en leeswijzer

8

De steunmaatregelen

10

2.1

Inleiding

10

2.2

Generieke steunmaatregelen

10

2.3

Specifieke steunmaatregelen

12

2.4

Zzp’ers

13

2.5

Conclusies

14

Onderzoeksaanpak

15

3.1

Inleiding

15

3.2

Uitgangspunten en opzet van de coronamonitor

17

3.3

Steekproefkader

19

3.4

Respons

21

3.5

Opschaling naar totaalcijfers op nationaal niveau

24

3.6

De situatie in het kalenderjaar 2019

25

3.7

Verdiepende interviews

25

3.8

Conclusies

26

Totaaloverzicht culturele sector

28

4.1

Inleiding

28

4.2

De situatie in het kalenderjaar 2019

28

4.3

Ontwikkeling van de eigen inkomsten

31

4.4

Ontwikkeling van de omzet na coronasteun

32

4.5

Ontwikkeling van de totale lasten

33

4.6

Ontwikkeling van de personele lasten

35

4.7

Effecten van de coronasteun

36

4.8

Resultaat per eigeninkomstenklasse

40

4.9

Conclusies

41

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Inhoud

1

5

6

7

8

Meerjarig gesubsidieerde dans

43

5.1

Inleiding

43

5.2

De situatie in het kalenderjaar 2019

43

5.3

Ontwikkeling van de eigen inkomsten per grootteklasse

44

5.4

Ontwikkeling van de omzet na coronasteun per grootteklasse

44

5.5

Ontwikkeling van de totale lasten per grootteklasse

45

5.6

Ontwikkeling van de personele lasten per grootteklasse

45

5.7

Effecten van de coronasteun per grootteklasse

46

5.8

Resultaat per eigeninkomstenklasse

47

5.9

Conclusies

48

Meerjarig gesubsidieerd theater

50

6.1

Inleiding

50

6.2

De situatie in het kalenderjaar 2019

50

6.3

Ontwikkeling van de eigen inkomsten per grootteklasse

51

6.4

Ontwikkeling van de omzet na coronasteun per grootteklasse

52

6.5

Ontwikkeling van de totale lasten per grootteklasse

52

6.6

Ontwikkeling van de personele lasten

53

6.7

Effecten van de coronasteun per grootteklasse

53

6.8

Resultaat per eigeninkomstenklasse

55

6.9

Conclusies

56

Meerjarig gesubsidieerd muziektheater

57

7.1

Inleiding

57

7.2

De situatie in het kalenderjaar 2019

57

7.3

Ontwikkeling van de eigen inkomsten per grootteklasse

58

7.4

Ontwikkeling van de omzet na coronasteun per grootteklasse

59

7.5

Ontwikkeling van de totale lasten per grootteklasse

59

7.6

Ontwikkeling van de personele lasten per grootteklasse

60

7.7

Effecten van de coronasteun per grootteklasse

60

7.8

Resultaat per eigeninkomstenklasse

62

7.9

Conclusies

63

Meerjarig gesubsidieerde muziek

64

8.1

Inleiding

64

8.2

De situatie in het kalenderjaar 2019

64

8.3

Ontwikkeling van de eigen inkomsten per grootteklasse

65

8.4

Ontwikkeling van de omzet na coronasteun per grootteklasse

66

8.5

Ontwikkeling van de totale lasten per grootteklasse

66

8.6

Ontwikkeling van de personele lasten per grootteklasse

67

8.7

Effecten van de coronasteun per grootteklasse

68

8.8

Resultaat per eigeninkomstenklasse

69

8.9

Conclusies

70

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Inhoud

2

9

10

11

12

13

Meerjarig gesubsidieerde presentatie-instellingen en medialabs

71

9.1

Inleiding

71

9.2

De situatie in het kalenderjaar 2019

71

9.3

Ontwikkeling van de eigen inkomsten per grootteklasse

72

9.4

Ontwikkeling van de omzet na coronasteun per grootteklasse

73

9.5

Ontwikkeling van de totale lasten per grootteklasse

74

9.6

Ontwikkeling van de personele lasten per grootteklasse

74

9.7

Effecten van de coronasteun per grootteklasse

75

9.8

Resultaat per eigeninkomstenklasse

76

9.9

Conclusies

77

Poppodia

79

10.1 Inleiding

79

10.2 De situatie in het kalenderjaar 2019

79

10.3 Ontwikkeling van de eigen inkomsten per grootteklasse

80

10.4 Ontwikkeling van de omzet na coronasteun per grootteklasse

81

10.5 Ontwikkeling van de totale lasten per grootteklasse

82

10.6 Ontwikkeling van de personele lasten per grootteklasse

82

10.7 Effecten van de coronasteun per grootteklasse

83

10.8 Resultaat per eigeninkomstenklasse

84

10.9 Conclusies

85

Vrije producenten

86

11.1 Inleiding

86

11.2 De situatie in het kalenderjaar 2019

86

11.3 Ontwikkeling van de eigen inkomsten per grootteklasse

87

11.4 Ontwikkeling van de omzet na coronasteun per grootteklasse

88

11.5 Ontwikkeling van de totale lasten per grootteklasse

88

11.6 Ontwikkeling van de personele lasten per grootteklasse

89

11.7 Effecten van de coronasteun per grootteklasse

90

11.8 Conclusies

91

Reflecties vanaf de werkvloer

93

12.1 Inleiding

93

12.2 Effecten van steunmaatregelen

93

12.3 Effecten op personele lasten

96

12.4 Doorwerking in de keten

97

Conclusies

99

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Inhoud

3

Bijlage I: Verdiepende interviews

101

Gespreksleidraad

101

Overzicht van geïnterviewde organisaties

102

Literatuur

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Inhoud

103

4

Managementsamenvatting Inhoud van het onderzoek Het onderzoek richt zich op de gevolgen van de coronacrisis voor organisaties in de culturele en creatieve sector in 2020. Het is financieel mogelijk gemaakt door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW). Met de coronamonitor brengen we zowel de schade voor de organisaties en de zzp’ers binnen de sector in beeld als de effecten van de steunmaatregelen. Dit geschiedt op basis van een naar deelsector en grootteklasse gestratificeerde steekproef onder circa de helft van de organisaties in de geselecteerde delen van de sector. Niet in alle onderzochte delen van de sector bleek de bereidheid of de mogelijkheid om deel te nemen aan de coronamonitor even groot. Daarom blijft de presentatie van de onderzoeksresultaten beperkt tot de zeven deelsectoren met een voldoende grote respons. Voor deze deelsectoren hebben we de steekproefresultaten opgeschaald naar totaalcijfers op nationaal niveau.

Gevolgen voor de baten en de lasten Tabel 1 geeft een overzicht van de organisaties in de onderzochte deelsectoren en de gevolgen van de coronacrisis. Met uitzondering van de poppodia en de dertien vrije producenten, die sterk afhankelijk zijn van hun eigen inkomsten, bevatten de overige deelsectoren alleen meerjarig gesubsidieerde organisaties (met een * aangegeven). De tabel toont steeds de procentuele verandering in de laatste drie kwartalen van 2020 ten opzichte van dezelfde periode in 2019. Daarmee brengen we de gevolgen van de coronacrisis in beeld. Tabel 1

Ontwikkeling van baten en lasten per deelsector in de laatste drie kwartalen van 2020 ten opzichte van laatste drie kwartalen van 2019a Verandering per deelsector (%) Eigen inkomsten

Omzet (na coronasteun)

Lasten van zzp’ers

Totaal personele lasten

Totale lasten

Dans*

-78

-11

-21

-14

-26

Theater*

-67

-7

-49

-17

-31

Muziektheater*

-81

-16

-58

-23

-27

Muziek*

-78

-10

-36

-10

-20

Presentatie-instellingen en medialabs*

-47

-14

-16

5

-4

Poppodia

-95

-48

-80

-25

-31

Vrije producenten

-94

-80

-97

-74

-72

Totaal/gemiddeld

-85

-25

-55

-20

-30

b

a

Bij de met een * aangeduide deelsectoren betreft het organisaties met een meerjarige subsidie van het ministerie van OCW of de cultuurfondsen van het Rijk.

b

Uitsluitend de dertien van de dertig VVTP-leden met bruikbare respons aan de coronamonitor.

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Managementsamenvatting

5

Eigen inkomsten De eigen inkomsten zijn in de laatste drie kwartalen van 2020 met gemiddeld 85% gedaald ten opzichte van dezelfde periode in 2019, vooral door de vrijwel weggevallen publieksinkomsten. De daling van de eigen inkomsten loopt uiteen van 47% bij de presentatie-instellingen en medialabs – organisaties met het laagste aandeel publieksinkomsten – tot 94% en 95% bij de vrije producenten en poppodia – met het hoogste aandeel publieksinkomsten. Grotere organisaties, die het meest afhankelijk zijn van de publieksinkomsten, ervaren een sterkere krimp van de eigen inkomsten dan kleinere organisaties die minder afhankelijk zijn van de publieksinkomsten. Omzet De totale omzet (na coronasteun) krimpt veel minder sterk dan de eigen inkomsten (25% versus 85%). Dat komt zowel door de stabiliserende werking van de meerjarige subsidies als door de ontvangen coronasteun. Bij de vrije producenten en de poppodia vallen de omzetten door de grotendeels weggevallen publieksinkomsten terug met 80% en 48%. De omzet van middelkleine organisaties is sterk teruggelopen door een daling van de incidentele subsidies. Personele lasten In reactie op de omzetdaling reduceren culturele organisaties hun personele lasten met gemiddeld 20%. Vrije producenten – met de grootste omzetdaling – verminderen hun personele lasten met 74%.

Presentatie-instellingen en medialabs bezuinigen per saldo niet op hun personeel. Lasten van zzp’ers Binnen de personele lasten brengen culturele organisaties (en vooral grote organisaties) de lasten van zzp’ers het meest terug: een bezuiniging van gemiddeld 55% op zzp’ers tegenover een bezuiniging van 3% op het personeel in loondienst. Alleen kleine organisaties ontzien hun zzp’ers. Vrije producenten, die in 2019 nog voor 60% draaien op de inzet van zzp’ers, brengen de lasten van zzp’ers zelfs met 97% terug. De diverse steunmaatregelen hebben het verlies aan werkgelegenheid van zzp’ers niet kunnen voorkomen. Totale lasten Culturele organisaties hebben hun totale lasten gemiddeld met 30% verminderd, meer dan de omzetdaling (gemiddeld 25%). De lastendaling komt voort uit een bezuiniging van 56% op de materiele lasten (inclusief huisvesting) en van 20% op de personele lasten. Deze bezuiniging werkt door in de gehele keten. Vrije producenten brengen – vanwege de forse omzetdaling – hun totale lasten het meest terug (met 72%).

Gevolgen voor het financieel resultaat Financieel resultaat vóór coronasteun Zonder de coronasteun zouden de 258 culturele organisaties in de laatste drie kwartalen van 2020 samen een negatief resultaat uit de gewone bedrijfsvoering boeken van € 67,4 mln. (Tabel 2). Het

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Managementsamenvatting

6

leeuwendeel daarvan komt voor rekening van de poppodia en de vrije producenten, die sterk afhankelijk zijn van de publieksinkomsten en daardoor bijna al hun eigen inkomsten en het grootste deel van hun omzet hebben verloren. Tabel 2

Resultaat uit de gewone bedrijfsvoering in de laatste drie kwartalen van 2020 vóór en na coronasteuna Bedragen per deelsector (x € 1 mln.)b Resultaat vóór coronasteun en -lasten

Generieke coronasteun

Specifieke coronasteun

Dans*

-3,2

1,4

5,7

3,8

Theater*

8,2

0,6

15,2

22,3

Muziektheater*

-1,7

0,3

9,1

6,2

Muziek*

-5,0

0,1

13,9

9,1

Presentatie-instellingen en medialabs*

-3,5

0,3

3,2

0,0

Poppodia

-53,7

18,7

16,8

-19,7

Vrije producenten

-8,4

5,6

0,0

-2,9

Totaal

-67,4

27,1

64,0

18,7

c

Resultaat na coronasteun en -lasten

a

Bij de met een * aangeduide deelsectoren betreft het organisaties met een meerjarige subsidie van het ministerie van OCW of de cultuurfondsen van het Rijk.

b

Door afrondingen in de presentatie hoeven de totalen niet exact overeen te komen met de som van de gepresenteerde cijfers. De extra lasten als gevolg van corona zijn in de meeste deelsectoren beperkt. Bij de generieke coronasteun betreft het voorlopige bedragen.

c

Uitsluitend de dertien van de dertig VVTP-leden met bruikbare respons aan de coronamonitor.

Coronasteun Vanwege de sterk teruggevallen omzet kunnen de poppodia en de vrije producenten een beroep doen op generieke steunmaatregelen, zoals Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor Werkgelegenheid (NOW) en de Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL). Dat geldt in mindere mate voor de meerjarig gesubsidieerde organisaties, die beperkt in aanmerking komen voor generieke coronasteun. Zij krijgen vooral (sector)specifieke coronasteun van het ministerie van OCW, de gemeenten en de provincies. Vrije producenten hebben in 2020 geen specifieke coronasteun ontvangen. Financieel resultaat na coronasteun Na de coronasteun verbetert het financiële resultaat over de hele linie en bedraagt het resultaat gemiddeld 5% van de omzet. Als percentage van de omzet varieert het resultaat tussen -35 (vrije producenten) en 23 (meerjarig gesubsidieerd theater). Door de coronasteun schrijven de organisaties in de meerjarig gesubsidieerde podiumkunsten gemiddeld zwarte cijfers en spelen de meerjarig gesubsidieerde presentatie-instellingen en medialabs gemiddeld vrijwel quitte. Alleen de poppodia (€ -19,7 mln.) en de dertien vrije producenten (€ -2,9 mln.) blijven opereren in de rode cijfers. Organisaties in deze deelsectoren zijn het meest afhankelijk van hun eigen inkomsten en ontvangen in verhouding tot hun verlies aan eigen inkomsten weinig coronasteun.

Meer in het algemeen worden organisaties die in 2019 relatief veel eigen inkomsten hadden, het hardst getroffen door de coronacrisis. De coronasteun brengt daar in 2020 geen verandering in.

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Managementsamenvatting

7

1

Inleiding

1.1

Aanleiding

Op 12 maart 2020 is het culturele leven samen met vele andere delen van de samenleving abrupt stil komen te liggen. De indamming van het coronavirus had en heeft ingrijpende gevolgen voor de culturele en creatieve sector. Het is nog onduidelijk wat de gevolgen daarvan op langere termijn zijn. Sindsdien zoeken partijen uit de sector en de overheden naar mogelijkheden om de consequenties inzichtelijk te maken. Voor de korte termijn hebben verschillende partijen, zoals brancheverenigingen en de taskforce culturele en creatieve sector, zo goed mogelijk inschattingen gemaakt van de omvang van de schade en wat dit voor de nabije toekomst betekent. Een samenhangend en empirisch onderbouwd beeld van de gevolgen van de coronacrisis op de culturele en creatieve sector ontbreekt op dit moment nog. Om hierin te voorzien heeft de Boekmanstichting in samenwerking met de bureaus SiRM – Strategies in Regulated Markets en Significant APE de Monitor cultuur en corona (verder: coronamonitor) ontwikkeld. Via de coronamonitor willen wij meer inzicht verschaffen in de gevolgen van de coronacrisis voor de culturele en creatieve sector. De coronamonitor wordt uitgevoerd in nauwe afstemming met de taskforce en met financiële steun van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW).

Om te voorzien in de behoefte aan samenhangende informatie voor de sector, brengt het onderzoek – op een uniforme en tussen deelsectoren vergelijkbare wijze – de gevolgen voor een groot deel van de sector in kaart. In het onderzoek staan de volgende drie vragen centraal: • Wat is de omvang van de financiële schade in de sector als gevolg van de coronacrisis en verschilt deze tussen organisaties in de verschillende deelsectoren en tussen organisaties van uiteenlopende grootte? • Komt de coronasteun terecht bij de organisaties die het hardst worden getroffen door de coronacrisis? Bestaat er een verschil tussen organisaties die relatief sterk afhankelijk zijn van de eigen inkomsten en organisaties die relatief sterk afhankelijk zijn van overheidssubsidies? • In hoeverre sijpelt de financiële steun aan de organisaties door naar zelfstandige makers en andere zzp’ers?

1.2

Indeling en leeswijzer

1.2.1

Indeling van het rapport

Het rapport start in hoofdstuk 2 met een schets van de verschillende steunmaatregelen waarvan organisaties en zelfstandigen in de culturele en creatieve sector gebruik kunnen maken. Deze achtergrond is van belang voor de interpretatie de onderzoeksresultaten. Hoofdstuk 3 behandelt de onderzoeksaanpak en de scope van het onderzoek. Daarna biedt hoofdstuk 4 een totaalbeeld van de gevolgen van de coronacrisis in de onderzochte delen van de sector. Het hoofdstuk geeft zowel een overzicht van de ontwikkelingen per deelsector als per grootteklasse van de organisaties. De

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Inleiding

8

hoofdstukken 5 tot en met 11 brengen de gevolgen van de coronacrisis in de verschillende deelsectoren in beeld. De volgende deelsectoren komen daarin achtereenvolgens aan de orde:1 • Meerjarig gesubsidieerde dans (inclusief jeugddans); • Meerjarig gesubsidieerd theater (inclusief jeugdtheater); • Meerjarig gesubsidieerd muziektheater; • Meerjarig gesubsidieerde muziek (ensembles, koren en orkesten); • Meerjarig gesubsidieerde presentatie-instellingen en medialabs; • Poppodia (leden van de Vereniging Nederlandse Poppodia en Festivals); • Vrije producenten (een deel van de leden van de Vereniging Vrije Theater Producenten). Hoofdstuk 12 behandelt in aanvulling op de voorgaande hoofdstukken een aantal voorbeelden uit de praktijk van culturele organisaties. Hoofdstuk 13 sluit het rapport af met de hoofdlijnen van de conclusies en een aantal aanbevelingen. 1.2.2

Leeswijzer

Het voorliggende rapport is omvangrijk geworden. Lezers met weinig tijd en met vooral behoefte aan informatie op hoofdlijnen kunnen zich beperken tot hoofdstukken 4 (totaaloverzicht culturele sector) en 13 (conclusies), en afhankelijk van de belangstelling eventueel een hoofdstuk met detailinformatie voor een deelsector. Voor lezers met meer tijd en een brede belangstelling zijn hoofdstuk 2 (steunmaatregelen) en de hoofdstukken 4 en volgend relevant. Degenen die meer willen weten over de gevolgde onderzoeksaanpak en de respons van organisaties op de coronamonitor kunnen daarnaast hoofdstuk 3 lezen.

1

Paragraaf 3.3.2 en 3.4.2 geven meer informatie over de uiteindelijke selectie van de deelsectoren..

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Inleiding

9

2 De steunmaatregelen 2.1

Inleiding

In dit hoofdstuk bespreken we de coronasteunmaatregelen voor de geleden schade in de culturele en creatieve sector, waarbij we zowel steunpakketten voor organisaties als voor zelfstandigen in de sector kort behandelen.2 We beginnen met de generieke steunmaatregelen voor instellingen, gevolgd door sectorspecifieke steunmaatregelen. Daarna beschouwen we de positie van zelfstandigen in de sector en de steunmaatregelen waarvan zij gebruik kunnen maken.

2.2

Generieke steunmaatregelen

Culturele organisaties maken vooral gebruik van de generieke steunmaatregelen voor de doorbetaling van personeel en – in mindere mate – voor de compensatie van directe schade die ondernemers oplopen door de coronamaatregelen, respectievelijk de Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid (NOW) en de Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL). De laatste regeling is een voortzetting van de Tegemoetkoming Ondernemers Getroffen Sectoren (TOGS). Tabel 2.1 geeft een overzicht van de generieke steunmaatregelen voor organisaties en bedrijven in 2020. Tabel 2.1

Overzicht van generieke steunmaatregelen voor bedrijven en organisaties in 2020

Maart 2020 – juni 2020

Juni 2020 – september 2020

Oktober 2020 – januari 2021

TOGS

TVL1

TVL Q4

NOW1

NOW2

NOW 3.1

De TOGS en TVL zijn beschikbaar voor een beperkt aantal SBI-codes.3 Van de 225.035 bedrijven in de culturele en creatieve sector, vallen er 150.060 binnen de SBI-codes die aanspraak kunnen maken op de TOGS. Van deze organisaties hebben er 16.065 (11%) een TOGS ontvangen.4 Dat is een beduidend kleiner aandeel dan de 26% van het totaal aantal bedrijven in Nederland dat een TOGS heeft ontvangen (CBS 2020).5 Hoeveel geld hiermee precies is gemoeid, is moeilijk te bepalen, omdat deze informatie alleen globaal is geïnventariseerd. Bij de TVL heeft het CBS dit echter wel gepubliceerd. Daaruit blijkt dat via de eerste versie van de TVL (TVL1) meer culturele organisaties voor een hoger bedrag zijn ondersteund dan bij de tweede versie (TVL Q4).6 Bij het totaal

Met culturele en creatieve sector verwijzen we naar de indeling die het CBS gebruikt in de maatwerktabellen voor de sector. De sector bestaat uit de deelsectoren ‘kunsten’, ‘media en entertainment’ en ‘creatieve zakelijke dienstverlening’ (zie onder andere CBS 2020b). 3 SBI staat voor standaard bedrijfsindeling. Deze code geeft de activiteit van een bedrijf aan. 4 Hierbij is gekeken naar de SBI-codes die binnen de Monitor Creatieve Industrie tot de creatieve industrie worden gerekend (Rutten et al. 2020). 5 Voor de gegevens binnen deze CBS tabel zijn bedrijven meegenomen die per 15 mei 2020 gebruik maken van de TOGS. 6 Hierbij moet worden opgemerkt dat de voorwaarden voor de TVL niet in iedere periode gelijk zijn. Er zijn tussentijds verscheidene bijstellingen geweest, zoals een verruiming van SBI-codes (Keijzer 2021). 2

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – De steunmaatregelen

10

aantal bedrijven is dit juist andersom, met een hoger aantal én een hoger bedrag in het vierde kwartaal (Figuur 2.1). Figuur 2.1

Aantal bedrijven met TVL en steunbedragen per 31 december 2020

TVL 1 - aantal

38.765

4.520

TVL 1 - € mln

525

82

TVL Q4 - aantal

44.345

3.205

TVL Q4 - € mln

759

66

0%

20%

40%

Totaal Nederland

60%

80%

100%

Totaal culturele sector

Bron: CBS 2021a

Bij de verschillende versies van de NOW valt in de culturele sector over de gehele linie een daling van het gebruik van de regeling te zien (Figuur 2.2).7 Een mogelijke verklaring hiervoor is dat de (gesubsidieerde) culturele organisaties wellicht terughoudender zijn geworden om de NOW aan te vragen, omdat de coronasteun tot de omzet moet worden gerekend. De omzet moet ten minste met 20% zijn gedaald om in aanmerking te komen voor de NOW-regeling. Figuur 2.2

Aantal bedrijven met NOW en bedragen per 31 december 2020

NOW 1 - aantal

120.970

6.070

NOW 1 - € mln

7.894

335

NOW 2.0 - aantal

54.255

3.860

NOW 2.0 - € mln

4.283

266

NOW 3.1 - aantal

68.050

3.350

NOW 3.1 - € mln

1.711

85

0%

20%

40%

Totaal Nederland

60%

80%

100%

Totaal culturele sector

Bron: CBS 2020b en CBS 2021a.

Daarnaast laten de cijfers van UWV zien dat – ondanks de ambitie van de NOW om tijdelijke werkkrachten te behouden – toch een toename optreedt van het aantal nieuwe WW-uitkeringen

NOW2: De dataverzameling van het CBS is in principe afgerond per 30 november 2020. De cijfers geven daarmee de 'eindstand' van de voorschotregeling. Latere administratieve correcties zijn echter niet uitgesloten. NOW3: Complete dataverzameling met deelnames sinds de openstelling van de regeling met administratieve gegevens t/m 31 december 2020. 7

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – De steunmaatregelen

11

vanaf de tweede helft van maart (Reitsma et al. 2020). In eerste instantie is bij de omzetberekening voor de NOW ook de kwijtschelding van huur betrokken. Dit is later aangepast.8 Het is van belang te onderstrepen dat bij het schrijven van dit rapport de definitieve afrekening van de NOW nog niet is afgerond en het aannemelijk is dat verscheidene van de onderzochte organisaties inkomsten uit de NOW moeten terugbetalen.

2.3

Specifieke steunmaatregelen

In aanvulling op de generieke steunmaatregelen heeft het ministerie van OCW, naast coulancemaatregelen, twee steunpakketten gelanceerd om de culturele en creatieve sector specifiek te ondersteunen. Het eerste steunpakket bedroeg € 300 mln. en is in 2020 uitgekeerd (Tabel 2.2). De inzet van middelen binnen dit pakket richt zich op de ondersteuning van ‘vitale onderdelen van de culturele infrastructuur’, waarbij ‘extra ondersteuning aan de instellingen […] uiteindelijk terecht[komt] bij makers en uitvoerders in de sector’ (Engelshoven 2020a). Bij de uitvoering van dit steunpakket blijken de meeste middelen naar meerjarig gesubsidieerde instellingen te gaan (Engelshoven 2020b). Tabel 2.2

Totale investeringen eerste steunpakket OCW Bedragen (x € 1 mln.)

Aandeel (%)

Aanvullende subsidie meerjarig gesubsidieerde producerende instellingen

153,0

51

Opengestelde Monumenten Lening

50,0

17

Regionale infrastructuur: musea, (pop)podia en filmtheaters

48,5

16

Cultuur Opstart Lening

30,0

10

Rijkscultuurfondsen voor makers

11,8

4

Steunfonds Rechtensector

5,0

2

Uitvoeringskosten

1,7

1

300,0

100

Totaal

Bron: Engelshoven 2020 Een gedeelte van het beschikbare budget is ingezet om gemeenten te stimuleren om de middelen van de Rijksfinanciën te matchen. Dit wil zeggen dat wanneer een gemeente subsidie ontvangt, zij eenzelfde bedrag bijpassen. In hoeverre dit succesvol is geweest, is moeilijk te achterhalen. Bij het budget voor de gemeenten uit het tweede steunpakket kwamen geluiden naar buiten dat het geld op de rekeningen van de gemeenten bleef staan en niet werd uitgekeerd, zoals in Twente (Kleine 2021). Het is echter te vroeg om te concluderen dat dit daadwerkelijk het geval is. In een recent onderzoek naar de financiële effecten van de coronacrisis voor gemeenten komt dit beeld in ieder geval niet naar voren (Zoest et al. 2021). Om gemeenten beter te informeren over de mogelijkheden om de coronasteun in te zetten, schreef Berenschot in opdracht van de VNG een informatiegids over gemeentelijke coronasteun aan de lokale culturele infrastructuur (Wijn en Vinkenburg 2021). Daaruit blijkt onder andere dat de

Zie voor verdere toelichting bijvoorbeeld Wijn en Vinkenburg (2021) en de Kamerbrief ‘Bijlage III: Verduidelijking omzetbegrip binnen de NOW’ (2020). 8

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – De steunmaatregelen

12

gemeenten veel zeggenschap hebben over de inzet van de financiën: ‘met de regeling [werd] niet bepaald in welke vorm een additionele financiële bijdrage moest worden verstrekt. Het kan gaan om een aanvullende subsidie, maar bijvoorbeeld ook om het kwijtschelden van de huur die een instelling aan bijvoorbeeld de gemeente verschuldigd is’ (Wijn en Vinkenburg 2021, 19). Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelde in 2020 tweemaal € 60 mln. ter beschikking voor de borging van de lokale en regionale culturele infrastructuur. Het tweede steunpakket van het ministerie van OCW is omvangrijker dan het eerste steunpakket en wordt vanaf het eerste kwartaal 2021 uitgekeerd. Daarom is het tweede steunpakket niet in de cijfers van ons onderzoek terug te zien en wordt verder dan ook buiten beschouwing gelaten. Wel is het van belang om op te merken dat in de regeling voor aanvullende ondersteuning van de culturele en creatieve sector (8 juni 2020) wordt verwezen naar artikel 2.16 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid. Hierin staat vermeld dat wanneer een verleende subsidie na uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten nog niet geheel is besteed, het geld kan worden gereserveerd om later aan de gesubsidieerde activiteiten besteed te worden.

2.4

Zzp’ers

De coronacrisis en -maatregelen hebben niet alleen gevolgen voor de culturele instellingen, maar ook voor werkenden in de sector. Om het beoogde effect van een ‘trickle down’ van de middelen uit de steunmaatregelen naar zelfstandige makers en andere zzp’ers te kunnen waarnemen, is eerst inzicht nodig in de positie van deze groep en de beschikbaarheid van steunmaatregelen. Om hier zicht op te krijgen, combineren we informatie uit verschillende bronnen. Kunstenaars, acteurs, technici, muzikanten en de rest van het groeiende aantal zzp’ers in de sector, bevonden zich aan het begin van de coronacrisis al in een precaire positie (Rasterhoff en Schrijen 2020). Het aantal zzp’ers in de sector is toegenomen van 92.820 in 2010 naar 141.150 in 2018. En hoewel het aantal zzp’ers in deze periode in heel Nederland is gegroeid, is de stijging van de culturele zzp’ers duidelijk sterker (CBS 2021a). Een recent onderzoek naar flexibilisering en inkomen op de creatieve arbeidsmarkt bevestigt dit beeld. Het onderzoek merkt ook op dat het aantal ‘multiple job holders’ tussen 2010 en 2018 flink is toegenomen.9 In 2018 lag het aantal vaste contracten zelfs op gelijke hoogte met het aantal multiple job holders (Been en Keune 2021).

Daarnaast blijkt dat de inkomsten voor de zzp’ers in de culturele en creatieve sector over het geheel gezien niet hoog zijn: in 2019 bedroeg de mediane omzet uit hun werkzaamheden als zzp’er € 24.600. Dit betekent dat de helft van deze zzp’ers jaarlijks op een omzet op of onder dit bedrag zit. Bij het totaal aan zzp’ers in Nederland ligt dit bedrag aanzienlijk hoger: € 46.500. In 2020 lopen deze bedragen terug naar respectievelijk een mediane omzet van € 17.500 voor de culturele zzp’ers en € 44.900 voor het totaal aan zzp’ers. Binnen de subsector ‘kunsten’ is de daling het grootst: ruim twee derde van de zzp’ers kende een omzetdaling van gemiddeld 54% (CBS 2021b). Om de daling (of gebrek aan) inkomsten te ondervangen, kunnen zzp’ers tijdens de coronacrisis onder andere gebruik maken van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers

Een multiple job holder is iemand die meer banen of posities combineert. Dit is bijvoorbeeld iemand met twee banen in loondienst of iemand die zzp’er is in combinatie met een baan in loondienst (Been en Keune 2021). 9

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – De steunmaatregelen

13

(Tozo).10 Ten opzichte van het totaal aan MKB-bedrijven met één werkzaam persoon, maakten de ‘eenpitters’ binnen de culturele en creatieve sector bovengemiddeld gebruik van de Tozo1 (die liep van maart 2020 tot en met juni 2020, zie Tabel 2.3). Het betreft vooral beoefenaars van podiumkunsten, scheppend kunstenaars en dienstverleners van uitvoerende kunst (CBS 2021b). 11 Tabel 2.3

Overzicht tijdvakken Tozo in 2020

Maart 2020 – juni 2020

Juni 2020 – september 2020

Oktober 2020 – januari 2021

Tozo1

Tozo2

Tozo3

Voor Tozo2 en Tozo3 geldt dat slechts 25% van de zzp’ers in de sector ten minste één van Tozoregelingen ontvangt, zo blijkt uit een enquête die de Creatieve Coalitie begin 2021 heeft uitgezet. Hoewel de representativiteit van deze enquête moeilijk is te beoordelen, bevestigen de gegevens van het CBS dit beeld: na de Tozo1 zijn er in de Tozo2 nauwelijks zzp’ers bijgekomen (CBS 2021c en CBS 2021d).12 Daarnaast laat de enquête van de Creatieve Coalitie zien dat de helft van de culturele zzp’ers geen aanspraak kan maken op de eerder besproken TVL, vooral vanwege het criterium dat het bedrijfsadres niet overeen mag komen met het privéadres. Dit is lastig voor bijvoorbeeld uitvoerend kunstenaars die soms geen andere uitvalsbasis hebben, onder meer omdat dit voor hen geen toegevoegde waarde heeft, maar wel tot kosten leidt voor hun praktijk.

2.5

Conclusies

De culturele en creatieve sector heeft baat bij zowel de generieke en specifieke steunmaatregelen, al verschilt dit per type organisatie. Waar het eerste specifieke steunpakket vooral de infrastructuur van de gesubsidieerde instellingen overeind heeft gehouden, is het tweede steunpakket omvangrijker. De coronacrisis heeft daarentegen niet alleen effect op de culturele organisaties, maar ook voor de werkenden. Juist voor de groeiende groep culturele zzp’ers blijkt het lastig om het inkomen op hetzelfde niveau als in 2019 te houden. Hoofdstukken 4 en volgend tonen de effecten van de coronasteun voor culturele organisaties en geven inzicht in de gevolgen voor de positie van zzp’ers en andere werkenden.

Het succes van deze regeling is moeilijk te peilen. De regeling wordt uitgevoerd door gemeenten en de basisregistratie van aanvragen per huishouden is nog niet bij alle gemeenten volledig. Het CBS geeft wel inzicht in de gehonoreerde aanvragen tot en met september 2020 (Tozo 1 en Tozo 2). Ook is de regeling bijgesteld, bijvoorbeeld door invoering van de partnertoets. 11 Tot deze groep behoren bijvoorbeeld decorontwerpers en -bouwers, technici en festivalmedewerkers. 12 Het verschil tussen het gebruik van de Tozo 1 (CBS 2021c) en de som van Tozo 1 en 2 (CBS 2021d) is bij zowel het totaal aan Nederlandse zzp’ers als bij het culturele deel hiervan klein. Hoewel het voorlopige en indicatieve gegevens betreft, geeft dit een goed beeld van de ordegrootte van de ontwikkeling. Een waarschijnlijke verklaring voor de daling in het gebruik van de Tozo is de invoering van de partnertoets die vanaf de Tozo 2 wordt doorgevoerd. 10

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – De steunmaatregelen

14

3 Onderzoeksaanpak 3.1

Inleiding

3.1.1

Belang van een monitor

De culturele en creatieve sector kan – op enkele goede uitzonderingen na – niet bogen op een traditie van systematische en structurele dataverzameling. Daardoor bestaan witte vlekken in kennis over delen van de sector. Dat speelt de sector nadrukkelijk parten in tijden van coronacrisis. Juist nu is empirische en voor alle delen van de sector goed vergelijkbare kennis over de (gederfde) opbrengsten en (weggevallen) kosten onontbeerlijk: • Ten eerste kan met die kennis de omvang van de schade door de coronacrisis in de sector goed in kaart worden gebracht. • Ten tweede is die kennis noodzakelijk voor het ontwerp van gerichte steunpakketten. • Ten derde is die kennis noodzakelijk voor een beoordeling van de effectiviteit van de steunmaatregelen en een eventuele bijsturing daarvan. De Taskforce culturele en creatieve sector heeft het belang hiervan onderkend en het initiatief voor een monitor genomen. Het ministerie van OCW heeft dit initiatief financieel ondersteund via een subsidie aan de Boekmanstichting voor de Monitor cultuur en corona (verder: coronamonitor). De uitvoering van de coronamonitor geschiedt door de Boekmanstichting, SiRM – Strategies in Regulated Markets en Significant APE. De Boekmanstichting is verantwoordelijk voor de coördinatie van het onderzoek, het contact met (potentiële) deelnemers aan de monitor, de verdiepende interviews en een deel van de rapportage.

SiRM is verantwoordelijk voor de verwerking en analyse van de data van de coronamonitor inclusief de rapportage daarover. Significant APE is verantwoordelijk voor de uitvoering van de webenquête die ten grondslag ligt aan de coronamonitor. 3.1.2

Praktische complicaties

Het oorspronkelijke doel van de monitor was om via een webenquête bij organisaties in de sector op gezette tijden de gevolgen van de coronacrisis en de werkzaamheid van de daarvoor ingezette steunmaatregelen op een systematische en voor alle deelsectoren identieke wijze in kaart te brengen. Door de focus op vergelijkbare cijfers voor de verschillende delen van de sector zou de monitor als een thermometer voor de gehele sector in tijden van corona moeten fungeren. Lopende het onderzoek is gebleken dat dit doel te ambitieus is. Organisaties in de sector blijken voor een belangrijk deel onvoldoende in staat te zijn om frequent – bijvoorbeeld maandelijks of per kwartaal – de gevraagde informatie via een gestandaardiseerde webenquête te leveren. Daarom hebben we het oorspronkelijke idee van een thermometer voor de sector moeten laten varen en blijft de voorliggende rapportage beperkt tot een vergelijking van de (financiële) situatie in de laatste drie kwartalen van 2020 en dezelfde periode in 2019.

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Onderzoeksaanpak

15

Het is evenmin mogelijk om de coronamonitor over de volle breedte van de culturele en creatieve sector uit te voeren, aangezien daarvoor niet alleen de beschikbare gegevens en aanspreekpunten ontbreken, maar ook het draagvlak. De huidige monitor heeft daarom alleen betrekking op een deel van de culturele sector. En ook dat beeld is niet volledig. De Vereniging van Schouwburg- en Concertgebouwdirecties (VSCD) heeft bij de start van het onderzoek om hen moverende redenen aangegeven niet mee te willen werken aan de coronamonitor. Dat betekent dat de VSCD-podia – met uitzondering van de podia die tevens lid zijn van een andere brancheorganisatie – in het onderzoek buiten beschouwing blijven. Daardoor zijn we tot onze spijt niet in staat om de gehele keten van de podiumkunsten in beeld te brengen. De voorliggende rapportage bevat evenmin onderzoeksresultaten over musea. De Museumvereniging verleende om hen moverende redenen pas in een laat stadium medewerking aan het onderzoek. Daardoor ontvingen de geselecteerde leden van de Museumvereniging uiteindelijk eind december 2020 een verzoek tot deelname aan de coronamonitor. Sommige musea reageerden bliksemsnel, maar een heel groot deel van de benaderde musea reageerde in het geheel niet of onvolledig.

Daardoor was de respons van de musea te gering – aanzienlijk minder dan een derde van de benaderde musea – om betrouwbare resultaten te presenteren over de gevolgen van de coronacrisis bij musea (paragraaf 3.4). Verder ontbreken de festivals in de rapportage wegens de bescheiden respons. Veel festivalorganisaties zijn gedurende de coronacrisis zodanig sterk afgeschaald dat medewerking aan de monitor op problemen stuitte. Ten slotte was het oorspronkelijk bedoeling om via de coronamonitor een breder beeld van de sector te schetsen dan alleen van het meerjarig gesubsidieerde segment. Dat is lastig vanwege het ontbreken van goede aanspreekpunten bij de niet-meerjarig gesubsidieerde organisaties. We hebben wel voor een deel van de organisaties een poging gedaan via een aantal regionale of sectorspecifieke samenwerkingsverbanden, maar door de verwaarloosbare respons van de benaderde organisaties is dat niet gelukt. Om te voorzien in de informatiebehoefte over de gevolgen van de coronacrisis in de deelsectoren die niet of onvoldoende deelnemen aan de coronamonitor, hebben we – in aanvulling op de monitor – een aantal verdiepende interviews gehouden met organisaties uit deze deelsectoren. Via de interviews proberen we enige duiding en context voor de betreffende deelsectoren te bieden. 3.1.3

Indeling van het hoofdstuk

De verdere indeling van het hoofdstuk is als volgt. Paragraaf 3.2 schenkt aandacht aan de uitgangspunten van de coronamonitor en de opzet van de bijbehorende vragenlijst. Daarna komt in paragraaf 3.3 het steekproefkader en de gestratificeerde steekproef aan de orde. Via de gestratificeerde steekproef houden we rekening met de grote heterogeniteit van organisaties binnen de tien onderscheiden deelsectoren. Paragraaf 3.4 geeft een overzicht van de uitvoering van de coronamonitor en bespreekt tevens de respons van de geselecteerde organisaties in de verschillende deelsectoren. Vervolgens beschrijft paragraaf 3.5 de opschaling van de steekproefcijfers naar nationale totalen voor de behandelde deelsectoren. In paragraaf 3.6 gaan we in op de aanvullende informatiebronnen die zijn gebruikt om voor de organisaties in de verschillende deelsectoren een schets te geven van de situatie voorafgaande aan de coronacrisis. Paragraaf 3.7 behandelt daarna

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Onderzoeksaanpak

16

de opzet van de verdiepende interviews en de geanalyseerde deelsectoren. Ten slotte vat paragraaf 3.8 de belangrijkste conclusies van het hoofdstuk samen.

3.2

Uitgangspunten en opzet van de coronamonitor

3.2.1

Uitgangspunten van de coronamonitor

Sinds de start van de coronacrisis is de informatiebehoefte in de culturele sector groot. Tegelijkertijd kennen de professionals in de sector van oudsher weinig prioriteit toe aan de verzameling en verstrekking van gegevens waarmee zij hun eigen beleid en dat van de overheden beter kunnen onderbouwen. De administraties van veel culturele organisatie zijn beperkt ingericht op de verschaffing van actuele informatie. Dat klemt in tijden van corona, wanneer juist een ‘evidence-based’ onderbouwing van de steunpakketten ervoor kan zorgen dat de overheidssteun terecht komt op de plekken waar deze het hardst nodig is. Om gedurende de coronacrisis te voorzien in de informatiebehoefte van brancheverenigingen en overheden, zijn culturele organisaties het afgelopen jaar geconfronteerd met enquêtes van in termen van validiteit en betrouwbaarheid sterk wisselende kwaliteit en met een uiteenlopende vraagstelling.13 Daardoor is het buitengewoon lastig om de resultaten van onderzoeken naar de gevolgen van de coronacrisis in verschillende deelsectoren met elkaar te vergelijken. Gegeven deze omstandigheden hanteren wij in de coronamonitor de volgende uitgangspunten: 1 Een gestandaardiseerde enquête via de website www.cultuurencorona.nl, die voor alle organisaties in de culturele sector identiek is.

2 Een uniforme aanpak en een uniforme presentatie van de resultaten voor alle onderscheiden deelsectoren. 3 Een beperking van de administratieve lasten door niet alle organisaties te enquêteren, maar gebruik te maken van een gestratificeerde steekproef onder een deel van organisaties in combinatie met bestaande verantwoordings- of branche-informatie. 4 Hantering van een vooraf vastgesteld steekproefkader waarmee de steekproef onder culturele organisaties wordt gestratificeerd naar deelsector en grootte van de organisatie. 5 Beperking van de enquête tot gegevens over financiën en personeel om de deelnemende organisaties niet al te zeer te belasten. Standaardisering van de webenquête en een uniforme aanpak en presentatie zorgt ervoor dat de cijfers van alle deelsectoren op dezelfde uitgangspunten berusten en daardoor onderling goed vergelijkbaar zijn (zie de hoofdstukken 4 tot en met 11). Het is niet nodig om alle culturele organisaties te enquêteren om voldoende betrouwbare informatie te verkrijgen, zeker niet wanneer bij de vertaling van de steekproefresultaten naar nationaal niveau gebruik wordt gemaakt van bestaande verantwoordings- en branche-informatie. Hantering van een vooraf vastgesteld steekproefkader is nodig om een representatief beeld voor de gehele sector te kunnen schetsen, dat rekening houdt met de heterogeniteit van de culturele organisaties (paragraaf 3.3).

We hebben nadrukkelijk niet gekozen voor een ‘opt-in’, waarbij

13

Dat heeft ook invloed op de soms tegenvallende respons.

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Onderzoeksaanpak

17

organisaties zichzelf op basis van vrijwilligheid aanmelden voor deelname aan de coronamonitor. Dit levert vrijwel nooit representatieve resultaten op. 3.2.2

Opzet van de vragenlijst

De vragenlijst van de coronamonitor beperkt zich tot gegevens over de financiën en het personeel, met de nadruk op de financiën. Eerder hebben we overwogen in de enquête ook vragen te stellen over de activiteiten van de organisaties in tijden van corona. Die vragen hebben we echter bewust laten vallen, omdat de activiteiten sterk uiteenlopen tussen de deelsectoren en daardoor een disproportioneel effect hebben op de omvang van de toch al flinke vragenlijst. Bovendien kunnen de gevolgen van de crisis voor de omvang van de (betaalde) publieksactiviteiten ook worden benaderd via de ontwikkeling van de publieksinkomsten. Financiën Het onderdeel financiën van de vragenlijst heeft primair betrekking op de baten en lasten van de organisaties. Wij vragen organisaties in twee golven naar cijfers over de laatste drie kwartalen van 2019 en 2020. De coronamonitor biedt de mogelijkheid om deze informatie per maand of per kwartaal op te geven.14 Voor het jaar 2019 kunnen organisaties desgewenst ook jaarcijfers opgeven, met per baten- en lastencategorie een schatting van het procentuele aandeel van het bedrag per kwartaal. De batencategorieën in de coronamonitor hebben betrekking op de verschillende categorieën eigen inkomsten, waaronder de publieksinkomsten (inclusief de publieksgerelateerde inkomsten), en daarnaast de subsidies van de diverse overheden.

Voor het jaar 2020 zijn de batencategorieën uitgebreid met inkomsten uit de NOW-regeling, inkomsten uit overige generieke coronagerelateerde maatregelen, inkomsten uit coronasteun van het ministerie van OCW, en inkomsten uit coronasteun van gemeenten en/of provincies. Bij de lastencategorieën onderscheiden we de lasten van de diverse personeelscategorieën, waaronder vast dienstverband, tijdelijk dienstverband, zzp’ers, nulurencontracten, payrollers en uitzendkrachten, plus daarnaast de materiële lasten bestaande uit de huisvestingslasten en overige materiële lasten. De lastencategorieën voor het jaar 2020 zijn uitgebreid met de extra lasten als gevolg van de coronacrisis. Personeel Voor het personeel hanteren we in de coronamonitor dezelfde uitsplitsing in categorieën als bij de personele lasten. Deze is verder uitgebreid met vrijwilligers, stagiairs en overig personeel. Voor het jaar 2019 vragen we organisaties om voor elk van de drie laatste kwartalen het aantal fte’s op te geven per categorie werkende. Voor het jaar 2020 bieden we organisaties de mogelijkheid om maand- of kwartaalcijfers op te geven.

Het was oorspronkelijk de bedoeling om alle organisatie naar hun maandcijfers te vragen. De verstrekking van maandcijfers bleek echter voor veel organisaties niet haalbaar. 14

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Onderzoeksaanpak

18

3.3

Steekproefkader

3.3.1

Opstelling van het steekproefkader

Gezien onze keuze om de coronamonitor te baseren op een representatieve steekproef dient een steekproefkader te worden opgesteld. Ten eerste moet de steekproef een goede afspiegeling vormen van de te analyseren deelsectoren. Ten tweede varieert de (omzet)grootte van de organisaties sterk, ook binnen de deelsectoren. De grootte van de organisaties is doorgaans binnen alle onderscheiden deelsectoren een belangrijke bron van heterogeniteit. Daarmee dient bij de trekking van de steekproef rekening te worden gehouden. Gegeven deze overwegingen stratificeren we de steekproef naar tien deelsectoren en daarbinnen naar vier grootteklassen. Bij de uiteindelijke selectie van de te benaderen organisaties houden we ook globaal rekening met de regionale spreiding van de culturele organisaties (Randstad versus niet-Randstad).15 We hanteren de volgende indeling in grootteklassen op basis van de jaaromzet in 2019: 1 klein: tot € 0,5 mln. omzet; 2 middelklein: € 0,5 mln. tot € 1 mln. omzet; 3 middelgroot: € 1 mln. tot € 2,5 mln. omzet; 4 groot: € 2,5 mln. of meer omzet. Bij de meerjarig gesubsidieerde organisaties maken we voor de stratificatie van de steekproef gebruik van verantwoordingsinformatie over het jaar 2019 die de betreffende organisaties hebben verstrekt aan het ministerie van OCW en de cultuurfondsen van het Rijk.

Bij de poppodia berust de stratificatie van de steekproef op branche-informatie van de Vereniging Nederlandse Poppodia en -Festivals (VNPF) uit het Poppodia Analyse Systeem (PAS). Voor de musea is de stratificatie van de steekproef gebaseerd op branche-informatie van de Museumvereniging uit Museana. Voor de vrije muziek- en theaterproducenten ontbreekt de informatie om een gestratificeerde steekproef te kunnen trekken. Daarom heeft de steekproef betrekking op alle dertig leden van de Vereniging Vrije Theater Producenten (VVTP). Voor de organisaties in de regio die zijn benaderd via Cultuur Oost, Kunstraad Groningen, Kunstloc Brabant, Overleg Provinciale Erfgoedinstellingen Nederland (OPEN) en Cultuurconnectie beschikken we evenmin over voldoende informatie voor de trekking van een gestratificeerde steekproef. Daarom zijn de aangesloten organisaties via de genoemde koepels benaderd voor deelname aan de coronamonitor. Hun respons is echter verwaarloosbaar (paragraaf 3.4.2). Daarom blijven ze in de analyses buiten beschouwing. De steekproef moet recht doen aan de grote heterogeniteit binnen de culturele sector en voldoende groot zijn om eventuele non-respons van organisaties op te kunnen vangen. Daarom kiezen we voor een relatief grote steekproef van ruwweg 45% van het aantal organisaties (100% voor de vrije producenten).

Bij de gewenste minimumrespons van een derde van de organisaties in de steekproef berust de coronamonitor dan op ten minste 15% van de totale populatie culturele organisaties. De steekproef kent een lichte ‘oversampling’ van grote organisaties vanwege de kleine aantallen organisaties en de grote heterogeniteit binnen deze grootteklasse. Daarnaast

Het is denkbaar dat de verschillende regionale en lokale overheden qua steunverlening uiteenlopend reageren op de coronacrisis. 15

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Onderzoeksaanpak

19

vindt een ‘oversampling’ plaats van deelsectoren met een beperkt aantal organisaties, zoals muziektheater. Bij de ophoging naar nationale totalen passen we de verhoudingen tussen de organisaties weer aan, zodat deze weer precies corresponderen met de nationale totalen in 2019 (inclusief een correctie voor non-respons, zie paragraaf 3.5). 3.3.2

De gestratificeerde steekproef

Het steekproefkader resulteert in de in Tabel 3.1 getoonde steekproefomvang voor de tien deelsectoren. De totale steekproefomvang bedraagt 339 organisaties. Dat is 45% van de totale onderzoekspopulatie. Vanwege de te geringe respons (minder dan 20%) worden musea en festivals uiteindelijk niet in het onderzoek betrokken (paragraaf 3.4.2). Daarom bevat de tabel tevens een regel voor het totaal exclusief deze deelsectoren. De absolute steekproefomvang loopt sterk terug als we musea en festivals buiten beschouwing laten (van 339 naar 143 culturele organisaties). Exclusief musea en festivals is de steekproef goed voor 52% van de onderzoekspopulatie.16 Tabel 3.1

Steekproefomvang per deelsector Aantal organisaties

Meerjarig gesubsidieerde dans (inclusief jeugddans)a Meerjarig gesubsidieerd theater (inclusief jeugdtheater) Meerjarig gesubsidieerd muziektheater

11 28

a

11

a

Meerjarig gesubsidieerde muziek (ensembles, koren en orkesten) Meerjarig gesubsidieerde presentatie-instellingen en medialabs Meerjarig gesubsidieerde musea

16 23 16

a

Meerjarig gesubsidieerde festivals

a

a

a

22

Poppodia (VNPF-leden)

24

Vrije muziek- en theaterproducenten (VVTP-leden)

30

Overige musea

158

Totaal

339

Totaal exclusief musea en festivals

143

a

Meerjarig gesubsidieerd door het ministerie van OCW of de cultuurfondsen van het Rijk.

Tabel 3.2 brengt de steekproefomvang per grootteklasse in beeld. De tabel laat zien dat vooral het aantal kleine organisaties in de steekproef sterk vermindert als we de musea en festivals buiten beschouwing laten. Daarnaast wordt de spreiding van de organisaties over de grootteklassen in dat geval gelijkmatiger. Exclusief musea en festivals bevat de steekproef in alle grootteklassen uitgezonderd de klasse groot circa de helft van het bijbehorende aantal bestaande organisaties. Bij de grote organisaties heeft de steekproef betrekking op ruim 60% van het aantal organisaties.

De toename van de dekking van de steekproef bij weglating van musea en festivals heeft een aantal verschillende oorzaken. Ten eerste neemt het aandeel van de vrije producenten – met een dekking van 100% – in de steekproef toe. Ten tweede hebben we in de kleinere deelsectoren gekozen voor een relatief grotere steekproefomvang om rekening te houden met de onder meer door de schaal van de organisaties veroorzaakte heterogeniteit. Het is van belang dat de steekproef in elke cel – de combinatie van deelsector en grootteklasse – voldoende organisaties bevat. Ten derde is het aantal musea zodanig groot dat in verhouding met een kleinere steekproef kan worden volstaan. 16

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Onderzoeksaanpak

20

Tabel 3.2

Steekproefomvang per grootteklasse Aantal organisaties inclusief musea en festivals

Aantal organisaties exclusief musea en festivals

Klein

134

37

Middelklein

66

36

Middelgroot

66

37

Groot

73

33

Totaal

339

143

3.4

Respons

3.4.1

Uitvoering van de coronamonitor

De respons op de coronamonitor viel in eerste instantie niet mee en bleef tijdens de eerste ronde in november 2020 ruim onder het streefcijfer van ten minste een derde in alle tien geselecteerde deelsectoren.17 Daarom hebben we in samenwerking met de brancheverenigingen een groot aantal responsverhogende maatregelen genomen, zoals schriftelijke rappels en nabelrondes. Daarnaast hebben we de webenquête op www.cultuurencorona.nl extra lang open laten staan en van alle data gebruik gemaakt die de organisaties tot 1 april 2021 via de webenquête hebben verstrekt. Hierna geven we een kort overzicht van de uitvoering van de coronamonitor. Tijdens de eerste ronde van de coronamonitor ontvingen alle geselecteerde culturele organisaties – behalve de musea – op 3 november 2020 per e-mail een verzoek om de gevraagde informatie over het tweede en derde kwartaal van 2020 en 2019 via de genoemde webenquête te verstrekken. De musea werden door de Museumvereniging op 21 december 2020 benaderd met het verzoek tot deelname aan de coronamonitor. Omdat de respons op de webenquête in november sterk achterbleef, hebben we een belronde gehouden onder twintig organisaties om te bezien of de beantwoording van bepaalde vragen problemen opleverde, die eventueel via een verduidelijking van de vraagstelling konden worden opgelost.

Na enkele beperkte aanpassingen hebben we op 1 december 2020 een rappel verstuurd naar alle niet- of onvolledig responderende organisaties met het verzoek om alsnog gegevens over het tweede en derde kwartaal te verstrekken. Medio januari 2021 hebben we samen met de betrokken brancheverenigingen en de taskforce culturele en creatieve sector de niet- of onvolledig responderende organisaties opnieuw benaderd met het verzoek om gegevens over het tweede en derde kwartaal te leveren. Tijdens de tweede ronde van de coronamonitor zijn op 28 januari 2021 alle eerder geselecteerde culturele organisaties benaderd om de gegevens over het vierde kwartaal van 2020 en 2019 via de webenquête te verstrekken, en eventueel de ontbrekende gegevens over het tweede en derde kwartaal aan te vullen. In de tweede ronde hebben we de onderzoekspopulatie uitgebreid met organisaties in de regio benaderd via Cultuur Oost, Kunstraad Groningen, Kunstloc Brabant, Overleg Provinciale Erfgoedinstellingen Nederland (OPEN) en Cultuurconnectie.

We hebben de coronamonitor in twee uitvraagrondes uitgevoerd als uitvloeisel van het oorspronkelijke idee om van de coronamonitor een thermometer voor de sector te maken. 17

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Onderzoeksaanpak

21

Gedurende de maanden februari en maart 2021 zijn alle geselecteerde organisaties in samenwerking met de brancheverenigingen, de taskforce en andere samenwerkingsverbanden herhaaldelijk mondeling en schriftelijk gerappelleerd om de gevraagde gegevens te leveren dan wel de verstrekte gegevens te completeren. Deze acties hebben er uiteindelijk voor gezorgd dat in zeven deelsectoren de gewenste bruikbare respons van minimaal een derde op 31 maart 2021 is behaald (zie paragraaf 3.4.2). 3.4.2

Respons op de coronamonitor

Bij de organisaties die uitsluitend tijdens de tweede ronde zijn benaderd voor deelname aan de coronamonitor is de bruikbare respons verwaarloosbaar. Daarom is het niet zinvol om de respons en de non-respons van deze groep organisaties te analyseren.18 Voor de overige organisaties geeft Figuur 3.1 een overzicht van de respons per deelsector. De figuur maakt duidelijk dat de bruikbare respons bij de meerjarig gesubsidieerde musea en festivals ver onder het gewenste minimum van een derde ligt. Voor de overige musea geldt hetzelfde. Figuur 3.1

Overzicht van de respons per deelsectora Respons per deelsector (% van de steekproef) Dans

55

Theater

50

Muziektheater

Presentatie-instellingen en medialabs

48 19

Festivals

38 9

42

Vrije producenten

43 9

75 59 8

50 17 81

26

14

60

46 0

40

9

Totaal exclusief musea en festivals 10

Bruikbare respons

13 43

27

Poppodia

Totaal

36

6

14

Overige musea

29

27 50

Musea (meerjarig gesubsidieerd)

27

21

36

Muziek

a

18

20

18 30

40

Niet-bruikbare respons

50

36 60

70

80

90

100

Non-response

Uitgezonderd poppodia, vrije producenten en overige musea betreft het meerjarig gesubsidieerde organisaties.

De figuur onderscheidt per deelsector – naast de bruikbare respons – de niet-bruikbare respons en de non-respons. De categorie non-respons heeft betrekking op de geselecteerde culturele organisaties die – ondanks het belang van de coronamonitor voor de sector – geen poging hebben gedaan om de webenquête te openen. Het betreft 60% van de organisaties in de steekproef inclusief

Bij de centra voor de kunsten heeft slechts één organisatie bruikbare informatie verstrekt. Bij de provinciale erfgoedinstellingen bleef de bruikbare respons op drie organisaties steken. Bij de organisaties aangesloten bij Cultuur Oost, Kunstraad Groningen en Kunstloc Brabant bleef de teller van de bruikbare respons in totaal op zeven organisaties steken. 18

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Onderzoeksaanpak

22

musea en festivals. Dat is een teleurstellend resultaat. Bij weglating van de musea en festivals, die de gewenste bruikbare respons van een derde bij lange na niet halen, daalt de non-respons tot een aanvaardbaar percentage van 36. De categorie niet-bruikbare respons loopt uiteen van (vrijwel) niets ingevuld tot een zeer onvolledige of inconsistente invulling van de webenquête. Sommige organisaties die voor hun reguliere bedrijfsvoering niet gewend zijn om van kwartaal- of maandcijfers gebruik te maken, geven aan pas na afronding van de jaarrekening van 2020 cijfers te kunnen verstrekken over de laatste drie kwartalen van 2020. Daarnaast blijkt de gewenste detailinformatie voor sommige organisaties op problemen te stuiten. De niet-bruikbare respons betreft 14% van de geselecteerde organisaties inclusief musea en festivals. Organisaties in de categorie bruikbare respons hebben hun financiële gegevens in de webenquête behoudens een aantal slordigheden of onvolledigheden naar behoren ingevuld. 19 Dat is bij 26% van organisaties inclusief musea en festivals het geval. Exclusief musea en festivals stijgt de bruikbare respons binnen de steekproef naar 46%. Daarmee nemen we in totaal 24% (= 46% van 52%) van alle organisaties (binnen én buiten de steekproef) in de betreffende zeven deelsectoren in beschouwing.

Gezien de teleurstellende respons van musea en festivals blijven deze deelsectoren in het onderzoek verder buiten beschouwing. Dat geldt ook bij de presentatie van de respons per grootteklasse in Figuur 3.2. Figuur 3.2

Overzicht van de respons per grootteklasse (exclusief musea en festivals) Respons per grootteklasse (% van de steekproef) Klein

46

14

41

Middelklein

44

14

42

Middelgroot

32

30

Groot

38

64

Totaal

15

46 0

10

20

18 30

Bruikbare respons

40

50

Niet-bruikbare respons

21 36

60

70

80

90

100

Non-response

De bruikbare respons bij organisaties van verschillende grootte ligt ruim boven een derde behalve bij de middelgrote organisaties, waar de niet-bruikbare respons relatief groot is. Bij de opschaling

We maken in ons onderzoek beperkt gebruik van de ingevulde personele gegevens, omdat die vaak van mindere kwaliteit zijn dan de opgegeven financiële gegevens. Bovendien daalt de bruikbare respons als we de eis stellen dat zowel de ingevulde financiële als de personele gegevens volledig en van voldoende kwaliteit zijn. 19

Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund – Onderzoeksaanpak

23

naar nationale totalen en de presentatie van de resultaten houden we daarmee rekening. Vaak voegen we mede daarom de klassen middelgroot en groot bij de presentatie van de resultaten samen. De kleine organisaties, waar de non-respons vaak het hoogst ligt, doen het in de coronamonitor qua respons verrassend goed. De bruikbare respons is, zoals gebruikelijk in dit type onderzoek, het hoogst bij de grote organisaties, die daarvoor goed geëquipeerd zijn.

3.5

Opschaling naar totaalcijfers op nationaal niveau

Ons doel is om – op basis van de steekproefresultaten – de gevolgen van de coronacrisis en de effecten van de steunmaatregelen van de verschillende overheden op nationaal niveau in kaart te brengen. Daarvoor moet nog een aantal bewerkingen op de cijfers worden uitgevoerd. De drie redenen zijn: 1 In een aantal specifieke gevallen hebben we een ‘oversampling’ toegepast (paragraaf 3.3). 2 De respons op de coronamonitor is niet in elke deelsector en daarbinnen in elke grootteklasse gelijk (paragraaf 3.4). 3 De steekproefresultaten moeten worden opgeschaald naar totaalcijfers op nationaal niveau. De eerste twee punten kunnen worden geadresseerd door een zodanige herweging van de steekproefresultaten dat de verhoudingen tussen de deelsectoren en daarbinnen de grootteklassen precies overeenkomen met de cijfers op nationaal niveau. Het derde punt vergt een ophoging van de (al dan niet herwogen) steekproefresultaten. Wij kiezen ervoor om deze drie punten tegelijkertijd op te lossen. Voor elke cel – een grootteklasse binnen een deelsector – bepalen we met behulp van de verantwoordings- of branche-informatie de verhouding tussen de totale baten (lasten) van alle organisaties in een cel en de totale baten (lasten) van de responderende organisaties in de steekproef die tot deze cel behoren.

De op deze wijze verkregen verhoudingscijfers voor alle 28 cellen – zeven deelsectoren met vier grootteklassen – worden gebruikt om voor de organisaties in de steekproef de baten en de lasten afzonderlijk op te hogen. Daardoor komen de baten en de lasten van de opgehoogde steekproef overeen met de nationale totalen. Het volgende voorbeeld moge dit verduidelijken.

Een voorbeeld van de ophoging van de steekproefresultaten Vier grote organisaties in de deelsector muziek hebben bruikbare informatie verschaft aan de coronamonitor. In totaal telt deze grootteklasse op nationaal niveau tien organisaties voor muziek. De baten van alle tien organisaties samen zijn in 2019 2,42 keer zo hoog als de baten van de vier organisaties in de steekproef. Voor de lasten geldt een analoog bepaald verhoudingscijfer van 2,44. Beide verhoudingscijfers gebruiken we om respectievelijk de baten en de lasten van de vier organisaties in de steekproef op te hogen naar totaalcijfers op nationaal niveau. De ophoging van de organisaties in de overige 27 cellen vindt op dezelfde wijze plaats.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=c47e0807-873e-452c-b2d1-34d0df46cc35