CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 - Bijlage XVII planMER - Passende Beoordeling Duurzame Polder

Gemeenteraad 22 mei 2025, gemeente OssBij agendapunt: B Duurzame Polder - goedkeuring voorkeursalternatief27.241 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

De KDW van habitattypen en die van leefgebieden van soorten is gerapporteerd (Wamelink et al., 2023). Leefgebieden van soorten en hun gevoeligheid voor stikstofdepositie zijn overgenomen uit

1

30/71

Kenmerk

R001-1295068NJE-V05-kzo-NL

(ministerie van LNV, 2012). De KDW van de (naderend) overbelaste habitattypen en leefgebieden van de relevante Natura 2000-gebieden zijn opgenomen in tabel 6.1. AERIUS Calculator maakt onderscheid tussen hexagonen met een (naderende) overbelasting (dat wil zeggen dat de ADW nog net niet hoger is dan de KDW) en hexagonen zonder overbelasting. Voor de ‘naderende overbelasting’ wordt een bandbreedte van 70 mol (1 kg) N/ha/jaar onder de KDW aangehouden. Cumulatieve effecten De beoordeling van effecten (zowel op zichzelf als cumulatief) is ingeval van een nog niet overbelaste situatie alleen relevant indien de achtergronddepositie (ADW) inclusief het projecteffect (vermeerderd met eventuele cumulatieve effecten van alle vergunde/vastgestelde, maar nog niet gerealiseerde plannen/projecten) alsnog zouden leiden tot een overbelaste situatie. De gehanteerde bandbreedte van 70 mol N/ha/jaar is ruim voldoende om een eventuele verhoging van de ADW door cumulatie met andere plannen/projecten op te vangen. Dit betekent dat een toename op zichzelf én in cumulatie met andere plannen/projecten niet tot significante gevolgen kan leiden. Dat geldt ook wanneer de ADW in combinatie met de toename dicht bij een naderend overbelaste situatie zit.

Nader onderzoek in de vorm van een passende beoordeling is voor een nog niet overbelaste situatie niet noodzakelijk omdat er geen reële kans is dat de KDW overschreden wordt en significante effecten dus kunnen worden uitgesloten. In de navolgende paragrafen worden daarom alleen (naderend) overbelaste situaties behandeld. Het betreft uitsluitend de aanlegfase; tijdens de gebruiksfase is geen sprake van relevante emissies van stikstofoxiden en/of ammoniak en kunnen significante effecten daarom op voorhand worden uitgesloten. 6.2.2 Resultaten AERIUS-berekening Om de effecten van stikstofdepositie van het ‘Ontwerp Programma Duurzame Polder’ te bepalen is door Witteveen+Bos een AERIUS berekening gemaakt voor de aanlegfase (rekenjaar 2025). Deze fase is qua stikstofdepositie met afstand de belangrijkste; van de gebruiksfase (met alleen beperkte verkeersbewegingen voor bv. beheer en onderhoud) worden geen significante effecten verwacht. De onderbouwing van de invoergegevens van de AERIUS berekening is beschreven in de notitie van het stikstofonderzoek (Witteveen+Bos, 2023). De AERIUS berekening uit deze notitie is uitgevoerd met AERIUS Calculator versie 2023.2. De AERIUS berekening vormt de basis voor deze (passende) beoordeling van effecten van stikstofdepositie.

Daarbij is nog geen rekening gehouden met de effecten van eventuele mitigerende maatregelen; hierop wordt nader ingegaan in hoofdstuk 7. Er is als gevolg van het ‘Ontwerp Programma Duurzame Polder’ (het plaatsen en in gebruik nemen van de windturbines) een tijdelijke toename van stikstofdepositie in 7 Natura 2000-gebieden berekend. Tabel 6.1 toont de resultaten van de AERIUS berekening voor de aanlegfase per instandhoudingsdoelstelling op Natura 2000-gebieden.

1

31/71

Kenmerk

R001-1295068NJE-V05-kzo-NL

Tabel 6.1 Toenamen van stikstofdepositie volgens de AERIUS berekening voor de aanlegfase (rekenjaar 2025) op Natura 2000-gebieden op naderend overbelaste en overbelaste situaties (habitattypen waarop geen stikstofdepositie is berekend zijn niet in het overzicht opgenomen; effecten op deze typen zijn op voorhand uitgesloten). Bronnen: Arcadis, 2023a, 2023b, 2023c, 2023d, 2023e, 2023f; Provincie Utrecht, 2023; Ministerie van LNV, 2017) Habitattypen/leefgebied

KDW

Gemiddelde

Maximale

Oppervlakte

Stikstof-

Relevante VR

3

toename

toename

(naderend

vracht

(naderend)

(naderend)

overbelast +

(naderend

en HR

overbelast

overbelast

overbelast)

overbelast +

(mol/ha/jaar)

(mol/ha/jaar)

(ha)

overbelast)

soorten*

(mol/jaar) Rijntakken ZGLg08 Nat, matig

1571.0

0,03

0,13

1,24

0,04

voedselrijk grasland

Kwartelkoning (b), watersnip (b)

ZGLg11 Kamgrasweide &

1357.0

0,04

0,14

50,13

1,58

Bloemrijk

Kwartelkoning (b)

weidevogelgrasland van het rivieren- en zeekleigebied H6510A Glanshaver- en

1357.0

0,08

0,12

10,97

0,64

1286.0

0,02

0,05

4,83

0,10

1357.0

0,04

0,04

0,06

0,00

vossenstaarthooilanden (glanshaver) H6120 Stroomdalgraslanden Lg11 Kamgrasweide & Bloemrijk

Kwartelkoning (b)

weidevogelgrasland van het rivieren- en zeekleigebied H91F0 Droge

2071.0

0,02

0,02

0,65

0,01

0,05

0,08

2,23

0,10

hardhoutooibossen Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek H6510A Glanshaver- en

1357.0

Pimpernelblau

vossenstaarthooilanden

wtje, donker

(glanshaver)

pimpernelblau wtje

H6410 Blauwgraslanden

786.0

0,03

0,06

20,84

0,63

Pimpernelblau wtje

3

De stikstofvracht betreft de totale stikstofdepositie op een habitattype of een leefgebied van een soort met een instandhoudingsdoelstelling in een heel Natura 2000-gebied (in mol per jaar). De stikstofvracht per gebied is berekend omdat er binnen één Natura 2000-gebied grote verschillen kunnen zijn in de mate van toename van stikstofdepositie. Door ook de stikstofvracht weer te geven is de toename op Natura 2000-gebiedsniveau inzichtelijk. In de beoordeling van de effecten als gevolg van stikstofdepositie wordt echter uitsluitend uitgegaan van de berekende toename per habitattype of leefgebied

1

32/71

Kenmerk

R001-1295068NJE-V05-kzo-NL

Habitattypen/leefgebied

KDW

Gemiddelde

Maximale

Oppervlakte

Stikstof-

Relevante VR

3

toename

toename

(naderend

vracht

(naderend)

(naderend)

overbelast +

(naderend

en HR

overbelast

overbelast

overbelast)

overbelast +

(mol/ha/jaar)

(mol/ha/jaar)

(ha)

overbelast)

0,05

0,05

soorten*

(mol/jaar) Lg03 Zwakgebufferde

1786.0

0,00

0,00

sloot

Bittervoorn, drijvende waterweegbre e

H6230dka Heischrale

714.0

0,02

0,06

3,29

0,08

714.0

0,00

0,05

2,15

0,01

500.0

0,03

0,04

0,23

0,01

graslanden, droog kalkarm H6230vka Heischrale graslanden, vochtig kalkarm H3140hz Kranswierwateren, op hogere zandgronden Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen H4030 Droge heiden

714.0

0,02

0,06

2,57

0,06

H2330 Zandverstuivingen

714.0

0,02

0,06

141,49

2,40

H2310 Stuifzandheiden

714.0

0,01

0,06

83,49

1,20

H9190 Oude eikenbossen

1071.0

0,03

0,06

150,10

4,49

Lg02 Geïsoleerde

2143.0

0,02

0,02

0,06

0,00

met struikhei

meander en petgat

Kamsalamand er, drijvende waterweegbre e

H91E0C Vochtige

1857.0

0,03

0,04

66,85

1,82

1071.0

0,02

0,04

71,26

1,76

1429.0

0,02

0,04

11,95

0,19

500.0

0,01

0,02

6,98

0,10

alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) H9120 Beukeneikenbossen met hulst H9160A Eikenhaagbeukenbossen (hogere zandgronden) H3130 Zwakgebufferde vennen H6410 Blauwgraslanden

1

Kamsalamand er

786.0

0,02

0,02

0,10

0,00

33/71

Kenmerk

R001-1295068NJE-V05-kzo-NL

Habitattypen/leefgebied

KDW

Gemiddelde

Maximale

Oppervlakte

Stikstof-

Relevante VR

3

toename

toename

(naderend

vracht

(naderend)

(naderend)

overbelast +

(naderend

en HR

overbelast

overbelast

overbelast)

overbelast +

(mol/ha/jaar)

(mol/ha/jaar)

(ha)

overbelast)

soorten*

(mol/jaar) Kampina & Oisterwijkse Vennen ZGH2310

714.0

0,02

0,04

5,79

0,11

Stuifzandheiden met

Roodborsttap uit (b)

struikhei H3160 Zure vennen

714.0

0,02

0,04

41,01

0,77

Dodaars (b)

Lg04 Zuur ven

1071.0

0,02

0,04

10,15

0,19

Dodaars (b)

ZGH7110B Actieve

714.0

0,03

0,04

0,10

0,00

Dodaars (b)

714.0

0,02

0,04

1,76

0,04

L4030 Droge heiden

714.0

0,01

0,04

91,72

1,26

ZGH91D0

1786.0

0,03

0,04

8,63

0,12

714.0

0,02

0,04

17,68

0,37

1000.0

0,01

0,04

36,61

0,48

1786.0

0,02

0,03

0,36

0,01

1857.0

0,02

0,03

12,87

0,23

hoogvenen (heideveentjes) H7110B Actieve hoogvenen (heideveentjes) Roodborsttap uit (b)

Hoogveenbossen H2310 Stuifzandheiden met struikhei Lg09 Droog

Roodborsttap uit (b)

struisgrasland Lg03 Zwakgebufferde sloot H91E0C Vochtige

Drijvende

alluviale bossen

waterweegbre

(beekbegeleidende

e

bossen) H2330 Zandverstuivingen

714.0

0,03

0,03

0,17

0,00

ZGH3160 Zure vennen

714.0

0,02

0,03

8,13

0,15

Dodaars (b)

H4030 Droge heiden

714.0

0,01

0,03

155,86

2,10

Roodborsttap uit (b)

H7150 Pioniervegetaties

1071.0

0,01

0,03

21,11

0,29

1071.0

0,01

0,03

57,48

0,83

500.0

0,01

0,03

5,93

0,06

met snavelbiezen H4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden) ZGH3130 Zwakgebufferde vennen

Roodborsttap uit (b) Gevlekte witsnuitlibel, kamsalamand

1

34/71

Kenmerk

R001-1295068NJE-V05-kzo-NL

Habitattypen/leefgebied

KDW

Gemiddelde

Maximale

Oppervlakte

Stikstof-

Relevante VR

3

toename

toename

(naderend

vracht

(naderend)

(naderend)

overbelast +

(naderend

en HR

overbelast

overbelast

overbelast)

overbelast +

(mol/ha/jaar)

(mol/ha/jaar)

(ha)

overbelast)

soorten*

(mol/jaar) er, drijvende waterweegbre e ZGH7150

1071.0

0,01

0,02

9,11

0,10

1857.0

0,02

0,02

19,91

0,24

1071.0

0,02

0,02

2,06

0,05

Pioniervegetaties met snavelbiezen

ZGH91E0C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) L4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden)

Roodborsttap uit (b)

H91D0 Hoogveenbossen

1786.0

0,02

0,02

8,22

0,15

H9120 Beuken-

1071.0

0,02

0,02

6,81

0,12

H9190 Oude eikenbossen

1071.0

0,01

0,02

9,20

0,14

H3130 Zwakgebufferde

500.0

0,01

0,02

19,62

0,18

eikenbossen met hulst

vennen

Gevlekte witsnuitlibel, kamsalamand er, drijvende waterweegbre e

H6410 Blauwgraslanden

786.0

0,02

0,02

2,31

0,04

ZGH9190 Oude

1071.0

0,01

0,02

18,08

0,21

429.0

0,01

0,02

4,72

0,06

Roodborsttap uit (b)

eikenbossen H3110 Zeer zwakgebufferde vennen

Drijvende waterweegbre e

ZGH4010A Vochtige

1071.0

0,01

0,02

23,10

0,24

heiden (hogere

Roodborsttap uit (b)

zandgronden) ZGH4030 Droge heiden

714.0

0,01

0,01

1,73

0,02

Roodborsttap uit (b)

H7210

1429.0

0,01

0,01

0,11

0,00

Galigaanmoerassen

1

35/71

Kenmerk

R001-1295068NJE-V05-kzo-NL

Habitattypen/leefgebied

KDW

Gemiddelde

Maximale

Oppervlakte

Stikstof-

Relevante VR

3

toename

toename

(naderend

vracht

(naderend)

(naderend)

overbelast +

(naderend

en HR

overbelast

overbelast

overbelast)

overbelast +

(mol/ha/jaar)

(mol/ha/jaar)

(ha)

overbelast)

soorten*

(mol/jaar) Kolland & Overlangbroek H91E0C Vochtige

1857,0

0,01

0,01

3,73

0,05

2000,0

0,01

0,01

0,68

0,00

1857.0

0,01

0,02

2,27

0,02

1357.0

0,01

0,02

7,57

0,06

H7230 Kalkmoerassen

1143.0

0,01

0,02

1,34

0,02

H6510A Glanshaver- en

1357.0

0,01

0,02

5,86

0,03

1857.0

0,01

0,01

0,07

0,00

2000.0

0,00

0,01

0,07

0,00

1571.0

0,00

0,01

0,89

0,00

0,01

0,01

1,42

0,01

alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) Lingegebied & Diefdijk-Zuid H91E0B Vochtige alluviale bossen (esseniepenbossen) H91E0C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) ZGH6510A Glanshaveren vossenstaarthooilanden (glanshaver)

vossenstaarthooilanden (glanshaver) ZGH91E0C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) ZGH91E0B Vochtige alluviale bossen (esseniepenbossen) H6510B Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (grote vossenstaart) Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem H91E0C Vochtige

1857.0

alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)

1

36/71

Kenmerk

R001-1295068NJE-V05-kzo-NL

Habitattypen/leefgebied

KDW

Gemiddelde

Maximale

Oppervlakte

Stikstof-

Relevante VR

3

toename

toename

(naderend

vracht

(naderend)

(naderend)

overbelast +

(naderend

en HR

overbelast

overbelast

overbelast)

overbelast +

(mol/ha/jaar)

(mol/ha/jaar)

(ha)

overbelast)

1357.0

0,01

0,01

0,40

0,00

1286.0

0,01

0,01

0,03

0,00

soorten*

(mol/jaar) H6510A Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver) H6120 Stroomdalgraslanden

* b = broedvogel, nb = niet-broedvogel

6.2.3

Bespreking van de effecten op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden per Natura 2000-gebied

Beoordelingssystematiek Bij de ecologische beoordeling zijn een aantal uitgangspunten en generieke redeneerlijnen gehanteerd. De generieke redeneerlijnen en systematieken zijn uitsluitend als hulpmiddel gebruikt ten behoeve van een zo eenduidig mogelijke werkwijze. Toepassing heeft zonder uitzondering plaatsgevonden door ter zake kundige ecologen en op basis van aanvullende gebiedsspecifieke kennis. Bij twijfel over de toepasbaarheid van een generiek inzicht is dit in het ecologische oordeel beschreven en zo nodig is hiervan beredeneerd (op basis van expert judgement) afgeweken. Uitgangspunten:  Op basis van de uitgevoerde AERIUS-berekeningen zijn alleen de situaties beoordeeld waarin sprake is van stikstofgevoelige4 habitattypen en leefgebieden van Habitatrichtlijn- en Vogelrichtlijnsoorten waarin tevens sprake is van een naderende of actuele overbelasting door stikstofdepositie (= overschrijding van de KDW). Ieder berekend effect groter dan 0,00 mol N/ha/jaar is beoordeeld. In alle andere gevallen zijn significant negatieve effecten

uitgesloten. Alleen indien de KDW wordt overschreden kan extra stikstofdepositie tot een negatief effect leiden op de daarvoor gevoelige soorten en/of habitattypen De informatie uit de meest actuele vastgestelde Natura 2000-beheerplannen en de natuurdoelanalyses (NDA’s) is beschouwd als de op dit moment best beschikbare kennis. Er is van uitgegaan dat hierin zorgvuldig gebruik is gemaakt van onderliggende gegevensbronnen en wetenschappelijke kennis

Bij de beoordeling is gebruik gemaakt van de beste wetenschappelijke kennis; de beoordeling geschiedt op basis van de waarschijnlijkheid dat een ecologisch effect op kan treden (kans op ecologisch effect). Het ecologisch eindoordeel is op basis daarvan onderverdeeld in drie klassen: ‘kans is uiterst gering tot afwezig’, ‘kans is klein’ en ‘kans is aanwezig’

4

Een habitattype of leefgebied wordt als stikstofgevoelig aangemerkt als de KDW onder de 2400 mol/ha/jaar ligt. In niet stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden met een KDW van 2400 mol/ha/jaar of hoger speelt atmosferische stikstofdepositie geen rol van betekenis op basis van de best beschikbare wetenschappelijke kennis (Wamelink et al., 2023).

1

37/71

Kenmerk

R001-1295068NJE-V05-kzo-NL

Generieke redeneerlijnen: 1

De kwaliteit en de trend van een habitattype of leefgebied met een instandhoudingsdoelstelling zijn, in samenhang, een belangrijke factor bij het bepalen van ecologische effecten. Als de kwaliteit van een habitattype of leefgebied goed is en er sprake is van een positieve trend dan is er doorgaans geen twijfel dat de kans op een ecologisch effect door een kleine tijdelijke toename van stikstofdepositie zeer klein is. Naarmate de kwaliteit en/of de trend slechter scoren, neemt de kans op effecten duidelijk toe

2

De mate waarin stikstof een knelpunt vormt voor een bepaald habitattype/leefgebied in het Natura 2000-gebied is eveneens een belangrijke factor bij het bepalen van ecologische effecten, met name wanneer de kwaliteit en de trend niet zodanig positief zijn dat daarmee de kans op een effect op voorhand beperkt is. Bij stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden speelt een te hoge stikstofbelasting in beginsel altijd een mogelijke rol. Op zichzelf kan en mag deze rol op basis van gebiedsspecifieke omstandigheden worden genuanceerd. Daarbij is in dit onderzoek echter wel rekening gehouden met de wetenschap dat zaken zoals gangbaar regulier beheer en gangbare abiotische processen mede de basis vormen voor het vaststellen van KDW’s en daarom niet als nuancering gebruikt kunnen worden. In het geval dat het Natura 2000-beheerplan of de natuurdoelanalyse aannemelijk maakt dat stikstofdepositie geen belangwekkend knelpunt vormt, dan is de kans op ecologisch relevante effecten door een beperkte toename van de stikstofdepositie uiterst klein tot afwezig. Ook hier vormt dat dan het eindoordeel over de kans op een ecologisch effect. In het geval stikstofdepositie wel een knelpunt is (al of niet in combinatie met andere negatieve factoren), dan is een effect zeker niet op voorhand uit te sluiten en vindt een nadere beoordeling plaats

3

op basis van het volgende criterium Ten slotte is de mate waarin (ruimtelijk gezien) sprake is van relevante effecten, dus op basis van relatieve oppervlakten, eveneens als factor meegenomen bij het bepalen van ecologische effecten. In dit geval is sprake van een uitgestrekt effectgebied dat meerdere Nederlandse Natura 2000-gebieden beslaat. De oppervlakte waarop een relevant effect optreedt wordt daarom hoofdzakelijk bepaald door de mate van overbelasting door de heersende achtergronddepositie (ADW). Een beperkte relatieve oppervlakte betekent dus dat slechts een klein deel van het habitattype of leefgebied in het betreffende Natura 2000-gebied (naderend) overbelast is en de rest dus niet. De insteek daarbij is dat naarmate een kleiner deel van een leefgebied of habitattype overbelast is en ‘wordt geraakt’ door de toename in stikstofdepositie, de kans op een ecologisch effect op gebiedsniveau afneemt. Bij een toenemende oppervlakte neemt het belang van stikstofdepositie logischerwijs toe en dus ook de kans op een ecologisch effect. In combinatie met de overige criteria leidt de relatieve oppervlakte uiteindelijk tot een eindoordeel over de kans op een ecologisch effect als dat niet al op basis van voorgaande criteria als uiterst klein tot afwezig was beoordeeld

De ecologische afweging, zoals hiervoor beschreven, is voor het project vertaald in een drietal beoordelingsschema’s (zie figuur 6.2, 6.3 en 6.4) die als hulpmiddel tijdens de beoordeling zijn gebruikt. De beoordelingsschema’s zijn ook in groot formaat opgenomen in bijlage 2.

1

38/71

Kenmerk

R001-1295068NJE-V05-kzo-NL

Doordat de kwaliteit en trend van leefgebieden van soorten (Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn) niet altijd eenduidig zijn beschreven, zijn hiervoor in de schema’s aanvullende interpretatiemethoden opgenomen. In deze gevallen wordt de kwaliteit afgeleid uit de instandhoudingsdoelstelling in relatie tot de trend. Mogelijke effecten op habitattypen/leefgebieden met een verbeterdoelstelling voor kwaliteit zijn met name aan de orde wanneer er op voorhand zorg is over de kwaliteit.

Figuur 6.2 Systematiek beoordeling habitattypen

Figuur 6.3 Systematiek beoordeling Habitatrichtlijnsoorten

Figuur 6.4 Systematiek beoordeling Vogelrichtlijnsoorten

Ecologisch onderzoek  In het ecologisch onderzoek is (als hulpmiddel) een consistente, objectieve en navolgbare methodiek gehanteerd. Per relevant habitattype en leefgebied is op basis van de beschikbare informatie gekeken naar de kwaliteit, de trend in kwaliteit, de knelpunten en de relatie tussen de knelpunten en stikstofdepositie en de relatieve oppervlakte die wordt beïnvloed 

1

Op basis hiervan is een oordeel gevormd over de kans dat de stikstoftoename een ecologisch effect kan veroorzaken

39/71

Kenmerk

R001-1295068NJE-V05-kzo-NL

Waar als uitkomst van de ecologische beoordeling is geconcludeerd dat er geen of slechts een uiterst gering risico is op ecologische effecten, achten wij voor dat betreffende habitattype/ leefgebied geen noodzaak aanwezig voor een verdere verdieping in deze passende beoordeling. Waar deze kans wel aanwezig is vormt dit ecologisch onderzoek de basis

6.2.4

Beoordeling van de kans op ecologische effecten door stikstofdepositie per Natura

2000-gebied In bijlage 3 zijn overzichtstabellen opgenomen met de landelijke staat van instandhouding, kwaliteit, voorkomen, trends en knelpunten van de aangewezen habitattypen, Habitatrichtlijnsoorten, broedvogels en niet-broedvogels van de zeven in dit onderzoek relevante Natura 2000-gebieden te vinden. Het betreft de gebieden:  Rijntakken   

Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen Kampina & Oisterwijkse Vennen

  

Kolland & Overlangbroek Lingegebied & Diefdijk-Zuid Loevestein en Pompveld & Kornsche Boezem

Aan de hand van deze overzichtstabellen is de kans op een ecologisch effect voor de aangewezen habitattypen, Habitatrichtlijnsoorten en Vogelrichtlijnsoorten beoordeeld. Natura 2000-gebied Rijntakken In tabel 6.5 is de kans op een ecologisch effect door stikstofdepositie beoordeeld voor de (naderend) overbelaste habitattypen en bijbehorende Vogelrichtlijnsoorten voor Natura 2000gebied Rijntakken. Voor de habitattypen stroomdalgraslanden (H6120), glanshaver- en vossenstaarthooilanden (H6510A) en droge hardhoutooibossen (H91F0) is een kleine kans op een ecologisch effect aanwezig. Ook voor de Vogelrichtlijnsoorten kwartelkoning en watersnip is de kans op een ecologisch effect klein. Tabel 6.5 Beoordeling trend/kwaliteit, stikstof knelpunt, % relevant project en kans op ecologisch effect voor de aangewezen habitattypen, Habitatrichtlijnsoorten en Vogelrichtlijnsoorten van Natura 2000-gebied Rijntakken Habitattype

H6120

Omschrijving

Stroomdalgraslanden

Beoordeling

Stikstof

% relevant

Kans op ecologisch

trend/kwaliteit

knelpunt?

project

effect*

B

Ja, maximale

< 25 %

toename 0,05

E, Kans op ecologisch effect is klein

mol/ha/jaar H6510A

1

Glanshaver- en

C

Ja, maximale

vossenstaarthooilanden

toename 0,12

(glanshaver)

mol/ha/jaar

<5%

E, Kans op ecologisch effect is klein

40/71

Kenmerk

Habitattype

H91F0

R001-1295068NJE-V05-kzo-NL

Omschrijving

Droge

Beoordeling

Stikstof

% relevant

Kans op ecologisch

trend/kwaliteit

knelpunt?

project

effect*

C

hardhoutooibossen

Ja, maximale

<5%

toename 0,02

E, Kans op ecologisch effect is klein

mol/ha/jaar A122

5

Kwartelkoning

C

Leefgebied is

Onbekend,

E, Kans op ecologisch

gevoelig,

vanwege

effect is klein

maar KDW

onbekende

wordt niet

oppervlakte

overschreden,

leefgebied

maximale toename van 0,14 mol/ha/jaar A153

Watersnip

C

Leefgebied is

Onbekend,

E, Kans op ecologisch

gevoelig,

vanwege

effect is klein

maar KDW

onbekende

wordt niet

oppervlakte

overschreden,

leefgebied

maximale toename van 0,14 mol/ha/jaar

Toelichting * Voor de Vogelrichtlijnsoorten zijn de oppervlakten van het leefgebied niet bekend waardoor % relevant project voor de soort niet berekend kan worden. Vanwege de lagere beoordeling (C) en de weliswaar tijdelijke toename van stikstofdepositie is geconcludeerd dat sprake kan zijn van een ecologisch effect. Natura 2000-gebied Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek In tabel 6.6 is de kans op een ecologisch effect door stikstofdepositie beoordeeld voor de (naderend) overbelaste habitattypen en bijbehorende Habitatrichtlijnsoorten voor Natura 2000gebied Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek. Voor het habitattype kranswierwateren (H3140) en de Habitatrichtlijnsoort bittervoorn is de kans op een ecologisch effect door stikstofdepositie uiterst gering tot afwezig. Voor de habitattypen blauwgraslanden (H6410) en glanshaver- en vossenstaarthooilanden (H6510A) is een kleine kans op een ecologisch effect door stikstofdepositie aanwezig.

5

Zowel de kwartelkoning als de watersnip komen in het Natura 2000-gebied Rijntakken voor in natte, matig voedselrijke graslanden (leefgebied LG08) en in glanshaver- en vossenstaarthooilanden (H6510B). Dit habitat is ‘gevoelig’ voor stikstofdepositie (Wamelink et al., 2023), maar de KDW wordt niet overschreden

1

41/71

Kenmerk

R001-1295068NJE-V05-kzo-NL

Voor het habitattype heischrale graslanden (H6230) is de kans op een ecologisch effect door stikstofdepositie aanwezig. Voor de Habitatrichtlijnsoorten pimpernelblauwtje, donker pimpernelblauwtje en drijvende waterweegbree is de kans op een ecologisch effect aanwezig. Tabel 6.6 Beoordeling trend/kwaliteit, stikstof knelpunt, % relevant project en kans op ecologisch effect voor de (naderend) overbelaste habitattypen en bijbehorende Habitatrichtlijnsoorten van Natura 2000-gebied Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek Habitattype

H3140hz

Omschrijving

Kranswierwateren, op

Beoordeling

Stikstof

% relevant

Kans op

trend/kwaliteit

knelpunt?

project

ecologisch effect*

B

hogere zandgronden

Ja, maximale

< 25 %

D, Kans op

toename van

ecologisch effect is

0,04 mol/ha/jaar

uiterst gering tot afwezig

H6230

Heischrale graslanden

C

Ja, maximale

< 50 % - ≥50 %

F, Kans op

toename van

ecologisch effect is

0,05 - 0,06

aanwezig

mol/ha/jaar H6410

H6510A

Blauwgraslanden

Glanshaver- en

B

C

vossenstaarthooilanden Pimpernelblauwtje

< 25 % - <50 %

toename van

ecologisch effect is klein

Ja, maximale

< 5 % - <25 %

Ja, maximale

E, Kans op ecologisch effect is

0,08 mol/ha/jaar B–C

E, Kans op

0,06 mol/ha/jaar toename van

(glanshaver) H1059

Ja, maximale

klein Onbekend

Kans op ecologisch

toename van

effect aanwezig door

0,08 en 0,06

afname kwantiteit en

mol/ha/jaar

kwaliteit voedselplanten en beschikbaarheid gastheer

H1061

Donker

B–C

pimpernelblauwtje

Ja, maximale

Onbekend

Kans op ecologisch

toename van

effect aanwezig door

0,08 mol/ha/jaar

afname kwantiteit en kwaliteit voedselplanten en beschikbaarheid gastheer

H1134

Bittervoorn

C

Nee

n.v.t.

D, Kans op ecologisch effect is uiterst gering tot afwezig

1

42/71

Kenmerk

Habitattype

H1831

R001-1295068NJE-V05-kzo-NL

Omschrijving

Drijvende

Beoordeling

Stikstof

% relevant

Kans op

trend/kwaliteit

knelpunt?

project

ecologisch effect*

C

waterweegbree

Ja, maximale

Onbekend

Kans op ecologisch

toename van

effect aanwezig door

0,05 mol/ha/jaar

concurrentie doorandere waterplanten

Toelichting * Voor de Habitatrichtlijnsoorten zijn de oppervlakten van het leefgebied niet bekend waardoor % relevant project voor de soort niet berekend kan worden. Vanwege de lagere beoordeling (B-C) en de toename van stikstofdepositie is geconcludeerd dat sprake kan zijn van een ecologisch effect. Natura 2000-gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen In tabel 6.7 is de kans op een ecologisch effect door stikstofdepositie beoordeeld voor de (naderend) overbelaste habitattypen en bijbehorende Habitatrichtlijnsoorten voor Natura 2000gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen. Voor de Habitatrichtlijnsoort kamsalamander (H1166) is de kans op een ecologisch effect door stikstofdepositie uiterst gering tot afwezig. Voor de habitattypen stuifzandheiden met struikhei (H2310), zandverstuivingen (H2330), zwakgebufferde vennen (H3130), droge heiden (H4030), blauwgraslanden (H6410), vochtige alluviale bossen (H91E0C), beuken-eikenbossen (H9120), eiken-haagbeukenbossen (H9160A) en oude eikenbossen (H9190) is de kans op een ecologisch effect door stikstofdepositie aanwezig. Voor de Habitatrichtlijnsoort drijvende waterweegbree is de kans op een ecologisch effect eveneens aanwezig.

Tabel 6.7 Beoordeling trend/kwaliteit, stikstof knelpunt, % relevant project en kans op ecologisch effect voor de (naderend) overbelaste habitattypen en bijbehorende Habitatrichtlijnsoorten van Natura 2000-gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen Habitattype

H2310

Omschrijving

Stuifzandheiden met

Beoordeling

Stikstof

% relevant

Kans op

trend/kwaliteit

knelpunt?

project

ecologisch effect*

C

struikhei

Ja, maximale

≥ 50 %

toename van 0,06 mol/ha/jaar

H2330

Zandverstuivingen

C

Ja, maximale

aanwezig ≥ 50 %

toename van Zwakgebufferde

C

vennen H4030

1

Droge heiden

C

Ja, maximale

F, Kans op ecologisch effect is

0,06 mol/ha/jaar H3130

F, Kans op ecologisch effect is

aanwezig ≥ 50 %

F, Kans op

toename van

ecologisch effect is

0,02 mol/ha/jaar

aanwezig

Ja, maximale

≥ 50 %

F, Kans op

toename van

ecologisch effect is

0,06 mol/ha/jaar

aanwezig

43/71

Kenmerk

Habitattype

H6410

H91E0C

R001-1295068NJE-V05-kzo-NL

Omschrijving

Beoordeling

Stikstof

% relevant

Kans op

trend/kwaliteit

knelpunt?

project

ecologisch effect*

Blauwgraslanden

Vochtige alluviale

B

C

Ja, maximale

≥ 50 %

F, Kans op

toename van

ecologisch effect is

0,02 mol/ha/jaar

aanwezig

Ja, maximale

≥ 50 %

F, Kans op

bossen

toename van

ecologisch effect is

(beekbegeleidende

0,04 mol/ha/jaar

aanwezig

bossen) H9120

Beuken-eikenbossen

C

met hulst

Ja, maximale

≥ 50 %

toename van

F, Kans op ecologisch effect is

0,04 mol/ha/jaar H9160A

H9190

H1166

Eiken-

C

Ja, maximale

aanwezig ≥ 50 %

F, Kans op

haagbeukenbossen

toename van

ecologisch effect is

(hogere zandgronden)

0,04 mol/ha/jaar

aanwezig

Oude eikenbossen

Kamsalamander

C

A

Ja, maximale

≥ 50 %

F, Kans op

toename van

ecologisch effect is

0,06 mol/ha/jaar

aanwezig

n.v.t.

n.v.t.

D, Kans op ecologisch effect is uiterst gering tot afwezig

H1813

Drijvende waterweegbree

C

Ja, maximale

Onbekend

Kans op ecologisch

toename van 0,2

effect aanwezig door

mol/ha/jaar

concurrentie door andere waterplanten

Toelichting * Voor de Habitatrichtlijnsoorten zijn de oppervlakten van het leefgebied niet bekend waardoor % relevant project niet berekend kan worden voor de soort. Vanwege de lagere beoordeling (B-C) en de toename van stikstof is geconcludeerd dat sprake kan zijn van een ecologisch effect. Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen In tabel 6.8 is de kans op een ecologisch effect door stikstofdepositie beoordeeld voor de (naderend)overbelaste habitattypen en bijbehorende Habitatrichtlijnsoorten voor Natura 2000gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen. Voor het habitattype beuken-eikenbossen met hulst (H9120) en de gevlekte witsnuitlibel is de kans op een ecologisch effect door stikstofdepositie uiterst gering tot afwezig. Voor de volgende habitattypen is de kans op ecologische effecten klein:  

1

H2310 Stuifzandheiden met struikhei H2330 Zandverstuivingen

44/71

Kenmerk

R001-1295068NJE-V05-kzo-NL

H3110 Zeer zwakgebufferde vennen

  

H3130 Zwakgebufferde vennen H4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden) H4030 Droge heiden

  

H7110B Actieve hoogvenen (heideveentjes) ZGH9190 Oude eikenbossen H91D0 Hoogveenbossen

H91E0C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) en ZGH91E0C

Voor de volgende habitattypen is de kans op ecologische effecten aanwezig:   

ZGH2310 Stuifzandheiden met struikhei ZGH3130 Zwakgebufferde vennen H3160 Zure vennen en ZGH3160 Zure vennen

  

ZGH4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden) ZGH4030 Droge heiden H6410 Blauwgraslanden

  

ZGH7110B Actieve hoogvenen (heideveentjes) H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen ZGH7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen

  

H7210 Galigaanmoerassen H9190 Oude eikenbossen ZGH91D0 Hoogveenbossen

Voor de Habitatrichtlijnsoorten kamsalamander en drijvende waterweegbree en de Vogelrichtlijnsoorten dodaars en roodborsttapuit is de kans op een ecologisch effect aanwezig. Tabel 6.8 Beoordeling trend/kwaliteit, stikstof knelpunt,% relevant project en kans op ecologisch effect voor de (naderend)overbelaste habitattypen en bijbehorende Habitatrichtlijnsoorten van Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen Habitattype

H2310

Omschrijving

Stuifzandheiden met

Beoordeling

Stikstof

% relevant

Kans op ecologisch

trend/kwaliteit

knelpunt?

project

effect*

C

struikhei

Ja, maximale

< 25 %

toename van

E, Kans op ecologisch effect is klein

0,04 mol/ha/jaar ZGH2310

Stuifzandheiden met

C

struikhei

Ja, maximale

≥ 50 %

toename van

F, Kans op ecologisch effect is aanwezig

0,04 mol/ha/jaar H2330

Zandverstuivingen

C

Ja, maximale toename van

1

<5%

E, Kans op ecologisch effect is klein

45/71

Kenmerk

Habitattype

R001-1295068NJE-V05-kzo-NL

Omschrijving

Beoordeling

Stikstof

% relevant

Kans op ecologisch

trend/kwaliteit

knelpunt?

project

effect*

0,03 mol/ha/jaar H3110

Zeer zwakgebufferde

B

vennen

Ja, maximale

< 25 %

toename van

E, Kans op ecologisch effect is klein

0,02 mol/ha/jaar H3130

Zwakgebufferde

B

vennen

Ja, maximale

< 50 %

toename van

E, Kans op ecologisch effect is klein

0,02 mol/ha/jaar ZGH3130

Zwakgebufferde

B

vennen

Ja, maximale

≥ 50 %

toename van

F, Kans op ecologisch effect is aanwezig

0,03 mol/ha/jaar H3160

Zure vennen

C

Ja, maximale

< 50 %

toename van

F, Kans op ecologisch effect is aanwezig

0,04 mol/ha/jaar ZGH3160

Zure vennen

C

Ja, maximale

≥ 50 %

toename van

F, Kans op ecologisch effect is aanwezig

0,03 mol/ha/jaar H4010A

Vochtige heiden

C

(hogere

Ja, maximale

< 25 %

toename van

zandgronden)

E, Kans op ecologisch effect is klein

0,03 mol/ha/jaar

ZGH4010A

Vochtige heiden

C

(hogere

Ja, maximale

≥ 50 %

toename van

zandgronden)

F, Kans op ecologisch effect is aanwezig

0,02 mol/ha/jaar

H4030

Droge heiden

B

Ja, maximale

< 50 %

toename van

E, Kans op ecologisch effect is klein

0,03 mol/ha/jaar ZGH4030

Droge heiden

B

Ja, maximale

≥ 50 %

toename van

F, Kans op ecologisch effect is aanwezig

0,01 mol/ha/jaar H6410

Blauwgraslanden

C

Ja, maximale toename van

1

< 50 %

F, Kans op ecologisch effect is aanwezig

46/71

Kenmerk

Habitattype

R001-1295068NJE-V05-kzo-NL

Omschrijving

Beoordeling

Stikstof

% relevant

Kans op ecologisch

trend/kwaliteit

knelpunt?

project

effect*

0,02 mol/ha/jaar H7110B

Actieve hoogvenen

C

(heideveentjes)

Ja, maximale

<5%

toename van

E, Kans op ecologisch effect is klein

0,04 mol/ha/jaar ZGH7110B

Actieve hoogvenen

C

(heideveentjes)

Ja, maximale

≥ 50 %

toename van

F, Kans op ecologisch effect is aanwezig

0,04 mol/ha/jaar H7150

Pioniervegetaties met

B

snavelbiezen

Ja, maximale

≥ 50 %

toename van

F, Kans op ecologisch effect is aanwezig

0,03 mol/ha/jaar ZGH7150

Pioniervegetaties met

B

snavelbiezen

Ja, maximale

≥ 50 %

toename van

F, Kans op ecologisch effect is aanwezig

0,02 mol/ha/jaar H7210

Galigaanmoerassen

C

Ja, maximale

< 50 %

toename van

F, Kans op ecologisch effect is aanwezig

0,01 mol/ha/jaar H9120

Beuken-eikenbossen

B

met hulst

Ja, maximale

<5%

D, Kans op ecologisch

toename van

effect is uiterst gering tot

0,02

afwezig

mol/ha/jaar H9190

Oude eikenbossen

B

Ja, maximale

≥ 50 %

toename van

F, Kans op ecologisch effect is aanwezig

0,02 mol/ha/jaar ZGH9190

Oude eikenbossen

B

Ja, maximale

< 50 %

toename van

E, Kans op ecologisch effect is klein

0,02 mol/ha/jaar H91D0

Hoogveenbossen

C

Ja, maximale

< 25 %

toename van

E, Kans op ecologisch effect is klein

0,02 mol/ha/jaar ZGH91D0

Hoogveenbossen

C

Ja, maximale toename van

1

< 50 %

F, Kans op ecologisch effect is aanwezig

47/71

Kenmerk

Habitattype

R001-1295068NJE-V05-kzo-NL

Omschrijving

Beoordeling

Stikstof

% relevant

Kans op ecologisch

trend/kwaliteit

knelpunt?

project

effect*

0,04 mol/ha/jaar H91E0C

Vochtige alluviale

B

bossen

Ja, maximale

< 50 %

toename van

(beekbegeleidende

E, Kans op ecologisch effect is klein

0,02

bossen) Gevlekte witsnuitlibel

effect is klein

mol/ha/jaar B

bossen

H1042

E, Kans op ecologisch

0,03

bossen) Vochtige alluviale

< 50 %

toename van

(beekbegeleidende ZGH91E0C

Ja, maximale

mol/ha/jaar C

Nee

n.v.t.

D, Kans op ecologisch effect is uiterst gering tot afwezig

H1166

Kamsalamander

C

Ja, maximale

Onbekend

Kans op ecologisch effect

toename van

aanwezig door

0,03 en 0,02

fysiologische problemen

mol/ha/jaar H1831

Drijvende

C

waterweegbree

Ja, maximale

Onbekend

toename van

aanwezig door

0,03 en 0,02

concurrentie door andere

mol/ha/jaar A004

Dodaars

C

Kans op ecologisch effect

Ja, maximale

waterplanten Onbekend

Kans op ecologisch effect

toename van

aanwezig door afname

0,04 en 0,03

nestgelegenheid

mol/ha/jaar A276

Roodborsttapuit

C

Ja, maximale

Onbekend

Kans op ecologisch effect

toename van

aanwezig door afname

0,04, 0,03,

prooibeschikbaarheid

0,02 en 0,01 mol/ha/jaar

Toelichting * Voor de Habitatrichtlijnsoorten en Vogelrichtlijnsoorten zijn de oppervlakten van het leefgebied niet bekend waardoor % relevant project niet voor de soort berekend kan worden. Vanwege de lagere beoordeling (B-C) en de toename van stikstofdepositie is geconcludeerd dat sprake kan zijn van een ecologisch effect. Natura 2000-gebied Kolland & Overlangbroek In tabel 6.9 is de kans op een ecologisch effect door stikstofdepositie beoordeeld voor de (naderend) overbelaste habitattypen en bijbehorende Habitatrichtlijnsoorten voor Natura 2000-

1

48/71

Kenmerk

R001-1295068NJE-V05-kzo-NL

gebied Kolland & Overlangbroek. Voor het habitattype vochtige alluviale bossen (H91E0C) is de kans op een ecologisch effect door stikstofdepositie uiterst gering tot afwezig. Tabel 6.9 Beoordeling trend/kwaliteit, stikstof knelpunt,% relevant project en kans op ecologisch effect voor de (naderend)overbelaste aangewezen habitattypen van Natura 2000-gebied Kolland & Overlangbroek Habitattype

H91E0C

Omschrijving

Vochtige alluviale

Beoordeling

Stikstof

% relevant

Kans op

trend/kwaliteit

knelpunt?

project

ecologisch effect

C

Ja, maximale

< 25 %

E, Kans op

bossen

toename van

ecologisch effect is

(beekbegeleidende

0,01 mol/ha/jaar

klein

bossen)

Natura 2000-gebied Lingegebied & Diefdijk-Zuid In tabel 6.10 is de kans op een ecologisch effect door stikstofdepositie beoordeeld voor de (naderend) overbelaste habitattypen voor Natura 2000-gebied Lingegebied & Diefdijk-Zuid. Voor het habitattype kalkmoerassen (H7230) is de kans op een ecologisch effect door stikstofdepositie uiterst gering tot afwezig. Voor het habitattype glanshaver- en vossenstaarthooilanden (H6510A en ZGH6510A) en vochtige alluviale bossen (H91E0B en H91E0C) is de kans op een ecologisch effect klein. Voor het habitattype glanshaver- en vossenstaarthooilanden H6510A) is de kans op een ecologisch effect aanwezig. Voor de zoekgebieden vochtige alluviale bossen (ZGH91E0B en ZGH91E0C) is de kans op een ecologisch effect niet bekend, omdat de oppervlakten van de zoekgebieden niet bekend zijn. Tabel 6.10 Beoordeling trend/kwaliteit, stikstof knelpunt, % relevant project en kans op ecologisch effect voor de (naderend)overbelaste aangewezen habitattypen van Natura 2000-gebied Lingegebied & Diefdijk-Zuid Habitattype

H6510A

Omschrijving

Glanshaver- en

Beoordeling

Stikstof

% relevant

Kans op

trend/kwaliteit

knelpunt?

project

ecologisch effect

C

vossenstaarthooilanden

H6510B

H7230

Glanshaver- en

≥ 50 %

toename van

(glanshaver) ZGH6510A

Ja, maximale 0,02 mol/ha/jaar

C

Ja, maximale

F, Kans op ecologisch effect is aanwezig

< 25 %

E, Kans op

vossenstaarthooilanden

toename van

ecologisch effect is

(glanshaver)

0,02 mol/ha/jaar

klein

Glanshaver- en

C

Ja, maximale

< 25 %

E, Kans op

vossenstaarthooilanden

toename van

ecologisch effect is

(grote vossenstaart)

0,01 mol/ha/jaar

klein

Kalkmoerassen

A

Ja, maximale

n.v.t.

D, Kans op

toename van

ecologisch effect is

0,02 mol/ha/jaar

uiterst gering tot afwezig

1

49/71

Kenmerk

Habitattype

H91E0B

ZGH91E0B

R001-1295068NJE-V05-kzo-NL

Omschrijving

Vochtige alluviale

Beoordeling

Stikstof

% relevant

Kans op

trend/kwaliteit

knelpunt?

project

ecologisch effect

B

Ja, maximale

< 25 %

E, Kans op

bossen (essen-

toename van

ecologisch effect is

iepenbossen)

0,01 mol/ha/jaar

klein

Vochtige alluviale

B

Ja, maximale

Onbekend

Onbekend, doordat

bossen (essen-

toename van

oppervlakte

iepenbossen)

0,01 mol/ha/jaar

zoekgebied niet bekend is

H91E0C

Vochtige alluviale

C

Ja, maximale

< 25 %

E, Kans op

bossen

toename van

ecologisch effect is

(beekbegeleidende

0,02 mol/ha/jaar

klein

bossen) ZGH91E0C

Vochtige alluviale

C

Ja, maximale

Onbekend

Onbekend, doordat

bossen

toename van

oppervlakte

(beekbegeleidende

0,01 mol/ha/jaar

zoekgebied niet

bossen)

bekend is

Natura 2000-gebied Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem In tabel 6.11 is de kans op een ecologisch effect door stikstofdepositie beoordeeld voor de (naderend) overbelaste habitattypen voor Natura 2000-gebied Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem. Voor de habitattypen stroomdalgraslanden (H6120) en glanshaver- en vossenstaarthooilanden (H6510A) is de kans op een ecologisch effect door stikstofdepositie uiterst gering tot afwezig. Voor het habitattype vochtige alluviale bossen (H91E0C) is de kans op een ecologisch effect klein. Tabel 6.11 Beoordeling trend/kwaliteit, stikstof knelpunt, % relevant project en kans op ecologisch effect voor de (naderend)overbelaste aangewezen habitattypen van Natura 2000-gebied Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem Habitattype

H6120

Omschrijving

Stroomdalgraslanden

Beoordeling

Stikstof

% relevant

Kans op

trend/kwaliteit

knelpunt?

project

ecologisch effect

C

Nee

n.v.t.

D, Kans op ecologisch effect is uiterst gering tot afwezig

H6510A

Glanshaver- en

C

Nee

n.v.t.

D, Kans op

vossenstaarthooilanden

ecologisch effect is

(glanshaver)

uiterst gering tot afwezig

1

50/71

Kenmerk

Habitattype

H91E0C

R001-1295068NJE-V05-kzo-NL

Omschrijving

Beoordeling

Stikstof

% relevant

Kans op

trend/kwaliteit

knelpunt?

project

ecologisch effect

Vochtige alluviale

C

Ja, maximale

< 25 %

E, Kans op

bossen

toename van

ecologisch effect is

(beekbegeleidende

0,01 mol/ha/jaar

klein

bossen)

6.3

Aanvaringen van vogels met windturbines

6.3.1

Inleiding

In de voortoets is geconcludeerd dat aanvaringsslachtoffers onder vogels6 van enkele soorten niet uitgesloten kunnen worden. Het betreft vogels met een instandhoudingsdoelstelling in drie Natura 2000-gebieden, te weten:   

De broedvogel aalscholver van Natura 2000-gebied Biesbosch De niet-broedvogel taigarietgans van Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen De niet-broedvogels kleine zwaan, wilde zwaan, toendrarietgans, kolgans, grauwe gans, brandgans, smient, krakeend, wintertaling, wilde eend, scholekster, goudplevier, kievit, kemphaan, grutto en wulp van Natura 2000-gebied Rijntakken

Op de mogelijke effecten op deze soorten wordt in het navolgende ingegaan. 6.3.2

Natura 2000-gebied Biesbosch

De afstand tussen het Natura 2000-gebied Biesbosch en het plangebied bedraagt circa 34 kilometer. Aalscholver (broedvogel) Omdat de Aalscholver tijdens het broedseizoen tot maar liefst 70 kilometer afstand van de broedlocatie kan foerageren kunnen negatieve effecten op overvliegende aalscholvers die afkomstig zijn uit de Biesbosch als gevolg van het plaatsen van windmolens binnen het plangebied niet op voorhand helemaal uitgesloten worden. Effecten op alle andere soorten met een instandhoudingsdoelstelling zijn wel uitgesloten. Aalscholvers worden met enige regelmaat binnen het plangebied waargenomen (NDFF, 2024). Omdat de aalscholver een dagvlieger is en windturbines onder normale omstandigheden goed kunnen waarnemen zal de hoeveelheid aanvaringsslachtoffers relatief gezien laag zijn. Binnen de Biesbosch werden gedurende de afgelopen 5 jaar gemiddeld 4 broedparen waargenomen, ver onder de instandhoudingsdoelstelling van 310 paren (Sovon, 2024). Er is gedurende de laatste 12 jaar geen trend aantoonbaar. Omdat de aalscholver 34 kilometer moet overbruggen voordat de soort in het plangebied komt en hierdoor de kans klein is dat aalscholvers uit de Biesbosch daadwerkelijk regelmatig binnen het

6

De bijbehorende storingsfactoren zijn ‘verstoring door mechanische effecten’ en ‘verandering in populatiedynamiek’

1

51/71

Kenmerk

R001-1295068NJE-V05-kzo-NL

plangebied aanwezig zijn en de soort overdag vliegt zijn significant negatieve effecten op de aalscholver uit de Biesbosch niet te verwachten. 6.3.3 Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse vennen De afstand tussen het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse vennen en het plangebied bedraagt circa 19 kilometer. Taigarietgans (niet-broedvogel) De taigarietgans maakt binnen het Natura 2000-gebied vooral gebruik van de noordelijke Huisvennen, het Meeuwenven en het Ganzenven (Provincie Noord-Brabant, 2017). Van de Taigarietgans wordt aangenomen dat deze foerageert tot op afstanden vergelijkbaar met de kolgans en grauwe gans. Omdat deze soorten foerageren tot op 30 kilometer afstand kunnen negatieve effecten op overvliegende taigarietganzen niet op voorhand helemaal uitgesloten worden. Effecten op alle andere soorten met een instandhoudingsdoelstelling zijn wel uitgesloten. Het grasland binnen en in de omgeving van het plangebied vormt geschikt foerageerhabitat voor de taigarietgans waar de soort kan foerageren op gras en oogstresten (Ministerie van LNV, 2008). Het voorkomen van binnen het plangebied foeragerende en overvliegende individuen van de soort kan daarom niet helemaal uitgesloten worden. De taigarietgans is in de afgelopen 10 jaar niet binnen het plangebied waargenomen (NDFF, 2024).

Omdat de taigarietgans zowel overdag als ‘s nachts vliegt (TAUW, 2016), en de kans op aanvaringen gedurende de nacht groter is, is de kans relatief groot dat de taigarietgans op een vliegroute effecten ondervindt van het plaatsen van windmolens. Binnen Kampina & Oisterwijkse vennen werd gedurende de afgelopen 5 jaar gemiddeld 1 individu waargenomen, wat ver onder de instandhoudingsdoelstelling van 300 individuen ligt (Sovon, 2024). Er is gedurende de laatste 12 jaar geen trend aantoonbaar. Doordat de soort in de afgelopen 10 jaar niet is waargenomen binnen het gebied zijn negatieve effecten als gevolg van het voornemen niet te verwachten. Volgens het bouwsteendocument (Sovon, 2022) is er geen reden om aan te nemen dat het leefgebied van de taigarietgans niet op orde is binnen Nederland. De grote drukfactor wordt gezocht in bejagingsdruk. Er is ruim voldoende geschikt gebied aanwezig. Het ongeschikt maken van het plangebied zal daarom geen effect hebben op de geschiktheid van het Natura 2000gebied als leefgebied en is niet de sturende factor waarom het instandhoudingsdoel niet gehaald wordt. Het niet halen van een instandhoudingsdoelstelling in een bepaald gebied verplicht de lidstaat om naast instandhoudingsmaatregelen ook ‘passende maatregelen’ te treffen. Tezamen zouden die maatregelen voldoende moeten zijn om de instandhoudingsdoelstellingen wél te halen.

Het stoppen van bejaging of andere vormen van verstoring kan een passende maatregel zijn, het optimaliseren van foerageergebied en/of slaapplaatsen een andere. De diverse maatregelen moeten in elk geval (ook) in het beheerplan voor een Natura 2000-gebied zijn uitgewerkt ‘in ruimte, omvang en tijd’. In een passende beoordeling voor een plan of project als dit wordt ervan uitgegaan dat de instandhoudingsdoelstellingen wél duurzaam worden gehaald.

1

52/71

Kenmerk

6.3.4

R001-1295068NJE-V05-kzo-NL

Natura 2000-gebied Rijntakken

Het Natura 2000-gebied Rijntakken ligt op beperkte afstand (bijna 4 kilometer) van het plangebied. Daardoor zijn er relatief veel soorten met een instandhoudingsdoelstelling in het Natura 2000gebied die (ook) in het plangebied kunnen voorkomen. Effecten op die soorten in het plangebied zouden daarom -theoretisch- ook gevolgen kunnen hebben in het Natura 2000-gebied Rijntakken. De soorten die het betreft zijn te vinden in de voortoets (paragraaf 5.2.12) en in bijlage 1. De mogelijke effecten op de aalscholver (met in Natura 2000-gebied Rijntakken een instandhoudingsdoelstelling zowel als broedvogel als niet-broedvogel) worden behandeld in paragraaf 6.3.2 (Biesbosch). Effecten op alle andere soorten met een instandhoudingsdoelstelling zijn wel uitgesloten. Hierna wordt nader ingegaan op de soorten met een instandhoudingsdoelstelling in Natura 2000-gebied Rijntakken die mogelijk effect ondervinden van het ‘Ontwerp Programma Duurzame Polder’. Kleine zwaan (niet-broedvogel) De kleine zwaan is een niet-broedvogel waarvoor een instandhoudingsdoelstelling geldt in het Natura 2000-gebied Rijntakken. De soort komt vooral voor rond de IJssel maar wordt ook waargenomen in andere delen van het Natura 2000-gebied (Provincie Gelderland, 2018). De maximale foerageerafstand van de kleine zwaan is 12 kilometer.

Doordat het plangebied op bijna 4 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied Rijntakken ligt, ligt het plangebied theoretisch binnen de maximale foerageerafstand van kleine zwanen uit de Rijntakken. Het grasland binnen en in de omgeving van het plangebied vormt geschikt foerageerhabitat voor de kleine zwaan waar de soort kan foerageren op gras en oogstresten (Ministerie van LNV, 2008). Het voorkomen van foeragerende en overvliegende individuen van de soort binnen het plangebied kan daarom niet uitgesloten worden. In de NDFF database zijn in de afgelopen 10 jaar ook waarnemingen van de kleine zwaan binnen het plangebied bekend (NDFF, 2024). Omdat de kleine zwaan overdag vliegt, en de kans op aanvaringen gedurende de dag relatief klein is de kans op aanvaringsslachtoffers minimaal. Er is al geruime tijd sprake van een daling van de in Nederland overwinterende aantallen kleine zwanen. Redenen die daarvoor genoemd worden zijn het milder worden van winters, waardoor de zwanen meer oostelijk overwinteren dan vroeger het geval was, en het (nog niet begrepen) kleiner worden van de flyway-populatie. De omvang en de kwaliteit van het Nederlandse leefgebied zouden echter geen knelpunten zijn (SOVON, 2022). Dit zal op termijn vermoedelijk betekenen dat de instandhoudingsdoelstellingen voor deze soort (naar beneden) worden bijgesteld.

Omdat daarvan vooralsnog geen sprake is wordt uitgegaan van de bestaande instandhoudingsdoelstelling (voor Natura 2000-gebied Rijntakken is dat voor de kleine zwaan als niet-broedvogel voldoende draagkracht voor een populatie van 100 vogels). Deze instandhoudingsdoelstelling wordt bij lange na niet gehaald (Sovon, 2024). Gedurende de afgelopen jaren zijn er gemiddeld 4 individuen waargenomen, ver onder de instandhoudingsdoelstelling van 100 individuen (SOVON, 2024). De afgelopen 12 jaar is de populatie binnen het Natura 2000-gebied significant, met meer dan 5 % per jaar afgenomen. Dit is ook erkend in het beheerplan voor het gebied (provincie Gelderland, 2019). Aangegeven wordt dat zowel kleine als wilde zwaan profiteren van plas-drassituaties en dus van projecten die ook leiden tot een toename van het oppervlak daarvan, met name de projecten in het kader van

1

53/71

Kenmerk

R001-1295068NJE-V05-kzo-NL

Ruimte voor de Rivier en projecten ten behoeve van het porseleinhoen7. Beide worden door het realiseren van het programma in de Duurzame Polder niet beïnvloed. Specifieke maatregelen ten behoeve van de beide soorten zwanen worden in het kader van het beheerplan voor Natura 2000gebied Rijntakken echter niet genomen (provincie Gelderland, 2019). Doordat de instandhoudingsdoelstelling van de soort weliswaar niet behaald wordt, maar de kans op aanvaringsslachtoffers gedurende de dag minimaal is, is er geen grote kans op negatieve effecten van de plaatsing van de windturbines in het plangebied. Wanneer de uitvoeringsplannen voor de windturbines concreet zijn, dient deze passende beoordeling aangevuld te worden om de eventuele significantie van de negatieve effecten uit te sluiten danwel vast te stellen. Hieruit zal blijken of het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit noodzakelijk is. Wilde zwaan (niet broedvogel) De wilde zwaan is een niet-broedvogel waarvoor een instandhoudingsdoelstelling geldt in het Natura 2000-gebied Rijntakken. De soort komt vooral voor rond de IJssel maar wordt ook waargenomen in andere delen van het Natura 2000-gebied (Provincie Gelderland, 2018). De maximale foerageerafstand van de wilde zwaan is 10 kilometer.

Doordat het plangebied op bijna 4 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied Rijntakken gelegen is, ligt deze binnen de maximale foerageerafstand van de wilde zwaan. Het grasland binnen en in de omgeving van het plangebied vormt geschikt foerageerhabitat voor de wilde zwaan waar de soort kan foerageren op gras en oogstresten (Ministerie van LNV, 2008). Het voorkomen van binnen het plangebied foeragerende en overvliegende individuen van de soort kan daarom niet uitgesloten worden. In de NDFF database zijn in de afgelopen 10 jaar waarnemingen van de wilde zwaan binnen het plangebied bekend (NDFF, 2024). Omdat de wilde zwaan zowel overdag als ‘s nachts vliegt, en de kans op aanvaringen gedurende de nacht groter is, is de kans relatief groot dat de wilde zwaan effecten ondervindt van het plaatsen van windmolens op de vliegroute. In het Natura 2000-gebied Rijntakken is de instandhoudingsdoelstelling voor het aantal foeragerende individuen bij lange na niet behaald (Sovon, 2024). Gedurende de afgelopen jaren is er gemiddeld 1 individu waargenomen, wat ver onder de instandhoudingsdoelstelling van 30 individuen ligt (SOVON, 2024). De afgelopen 12 jaar is de populatie binnen het gebied significant, met meer dan 5 % per jaar afgenomen.

Doordat de instandhoudingsdoelstelling van de soort weliswaar niet behaald wordt, maar de kans op aanvaringsslachtoffers gedurende de dag minimaal is, is er geen grote kans op negatieve effecten van de plaatsing van de windturbines in het plangebied. Wanneer de uitvoeringsplannen voor de windturbines concreet zijn, dient deze passende beoordeling aangevuld te worden om de eventuele significantie van de negatieve effecten uit te sluiten danwel vast te stellen. Hieruit zal blijken of het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit noodzakelijk is. Toendrarietgans (niet broedvogel) De toendrarietgans komt voor in het gehele Natura 2000-gebied (Provincie Gelderland, 2018). De maximale foerageerafstand van de toendrarietgans is 30 kilometer. Doordat het plangebied op 7

Maatregelen die hiervoor worden genomen zijn te vinden op blz. 82 van het beheerplan voor Natura 2000-gebied Rijntakken. De dichtstbijzijnde projecten zijn die langs de Waal, meer specifiek de Heesseltsche Uiterwaarden en de Hurwenensche Uiterwaarden juist ten oosten van Zaltbommel

1

54/71

Kenmerk

R001-1295068NJE-V05-kzo-NL

minder dan 4 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied Rijntakken gelegen is, ligt deze ruimschoots binnen de maximale foerageerafstand van de toendrarietgans. Het grasland binnen en in de omgeving van het plangebied vormt geschikt foerageerhabitat voor de toendrarietgans waar de soort kan foerageren op gras en oogstresten (Ministerie van LNV, 2008). Het voorkomen van binnen het plangebied foeragerende en overvliegende individuen van de soort kan daarom niet uitgesloten worden. In de NDFF database zijn in de afgelopen 10 jaar ook waarnemingen bekend van de toendrarietgans binnen het plangebied (NDFF, 2024). Omdat de toendrarietgans zowel overdag als ‘s nachts vliegt, en de kans op aanvaringen gedurende de nacht vanwege de verminderde zichtbaarheid van de windturbines groter is dan overdag is de kans relatief groot dat de toendrarietgans effecten ondervindt van het plaatsen van windmolens. In het Natura 2000-gebied Rijntakken is de instandhoudingsdoelstelling voor het aantal foeragerende individuen bij lange na niet behaald (Sovon, 2024). Gedurende de afgelopen jaren zijn er gemiddeld 63 individuen waargenomen, ver onder de instandhoudingsdoelstelling van 125 individuen (SOVON, 2024). De afgelopen 12 jaar is er geen trend aantoonbaar van het verloop van de populatie.

Doordat de instandhoudingsdoelstelling van de soort niet behaald wordt en verstoring en doden van individuen tijdens de aanlegfase en gebruiksfase niet uitgesloten kunnen worden is er een reële kans op significant negatieve effecten op de soort. Wanneer de uitvoeringsplannen voor de windturbines concreet zijn, dient deze passende beoordeling aangevuld te worden om de eventuele significantie van de negatieve effecten uit te sluiten danwel vast te stellen. Hieruit zal blijken of het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit noodzakelijk is. Kolgans (niet broedvogel) De kolgans komt voor in het gehele Natura 2000-gebied (Provincie Gelderland, 2018). De maximale foerageerafstand van de kolgans is 30 kilometer. Doordat het plangebied op minder dan 4 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied Rijntakken gelegen is, ligt dit ruimschoots binnen de maximale foerageerafstand van de kolgans. Het grasland binnen en in de omgeving van het plangebied vormt geschikt foerageerhabitat voor de kolgans waar de soort kan foerageren op gras en oogstresten (Ministerie van LNV, 2008). Het voorkomen van binnen het plangebied foeragerende en overvliegende individuen van de soort kan daarom niet uitgesloten worden. In de NDFF database zijn binnen het plangebied in de afgelopen 10 jaar ook waarnemingen bekend van de kolgans (NDFF, 2024).

Omdat de kolgans zowel overdag als ‘s nachts vliegt, en de kans op aanvaringen gedurende de nacht groter is door de verminderde zichtbaarheid van de windturbines is de kans relatief groot dat de kolgans effecten ondervindt van het plaatsen van windmolens op de vliegroute. In het Natura 2000-gebied Rijntakken wordt de instandhoudingsdoelstelling voor het aantal foeragerende individuen van de kolgans behaald (Sovon, 2024). Gedurende de afgelopen jaren zijn er gemiddeld 37.727 individuen waargenomen, ver boven de instandhoudingsdoelstelling van 35.400 individuen (SOVON, 2024). De afgelopen 12 jaar is er geen significante aantalsverandering van de populatie. Doordat de instandhoudingsdoelstelling van de soort ruim behaald wordt is de kans op significant negatieve effecten op de soort klein.

1

55/71

Kenmerk

R001-1295068NJE-V05-kzo-NL

Grauwe gans (niet broedvogel) De grauwe gans komt ook in het winterseizoen in het gehele Natura 2000-gebied voor (Provincie Gelderland, 2018). De maximale foerageerafstand van de grauwe gans is 30 kilometer. Doordat het plangebied op minder dan 4 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied Rijntakken gelegen is, ligt dit ruimschoots binnen de maximale foerageerafstand van de grauwe gans. Het grasland binnen en in de omgeving van het plangebied vormt geschikt foerageerhabitat voor de grauwe gans waar de soort kan foerageren op gras en oogstresten (Ministerie van LNV, 2008). Het voorkomen van binnen het plangebied foeragerende en overvliegende individuen van de soort kan daarom niet uitgesloten worden. In de NDFF database zijn in de afgelopen 10 jaar ook binnen het plangebied waarnemingen van de grauwe gans bekend (NDFF, 2024). Omdat de grauwe gans zowel overdag als ‘s nachts vliegt, en de kans op aanvaringen gedurende de nacht groter is door de dan verminderde zichtbaarheid van de windturbines is de kans relatief groot dat de grauwe gans effecten ondervindt van het plaatsen van windmolens. In het Natura 2000-gebied Rijntakken wordt de instandhoudingsdoelstelling voor het aantal foeragerende individuen behaald (Sovon, 2024).

Gedurende de afgelopen jaren zijn er gemiddeld 13.729 individuen waargenomen, ver boven de instandhoudingsdoelstelling van 8.300 individuen ligt (SOVON, 2024). De afgelopen 12 jaar is er geen significante aantalsverandering van de populatie. Hoewel verstoring en het doden van individuen tijdens de aanlegfase en de gebruiksfase niet uitgesloten kunnen worden is de kans op significant negatieve effecten klein doordat de instandhoudingsdoelstelling van de soort ruim behaald wordt. Brandgans (niet broedvogel) De brandgans komt in het gehele Natura 2000-gebied voor (Provincie Gelderland, 2018). De maximale foerageerafstand van de brandgans is 30 kilometer. Doordat het plangebied op minder dan 4 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied Rijntakken gelegen is, ligt dit ruimschoots binnen de maximale foerageerafstand van de brandgans. Het grasland binnen en in de omgeving van het plangebied vormt geschikt foerageerhabitat voor de brandgans waar de soort kan foerageren op gras en oogstresten (Ministerie van LNV, 2008). Het voorkomen van binnen het plangebied foeragerende en overvliegende individuen van de soort kan daarom niet uitgesloten worden. In de NDFF database zijn in de afgelopen 10 jaar ook waarnemingen binnen het plangebied bekend van de brandgans (NDFF, 2024).

Omdat de brandgans zowel overdag als ‘s nachts vliegt, en de kans op aanvaringen gedurende de nacht groter is door de dan verminderde zichtbaarheid van de windturbines is de kans relatief groot dat de brandgans effecten ondervindt van het plaatsen en in werking hebben van windmolens. In het Natura 2000-gebied Rijntakken wordt de instandhoudingsdoelstelling voor het aantal foeragerende individuen ruimschoots behaald (Sovon, 2024). Gedurende de afgelopen jaren zijn er gemiddeld 5.093 individuen waargenomen, ver boven de instandhoudingsdoelstelling van 920 individuen (SOVON, 2024). De afgelopen 12 jaar is er geen trend aantoonbaar in de aantalsveranderingen van de populatie. Hoewel verstoring en het doden van individuen tijdens de aanlegfase en de gebruiksfase niet uitgesloten kunnen worden is de kans op significant negatieve effecten klein doordat de instandhoudingsdoelstelling van de soort ruim behaald wordt.

1

56/71

Kenmerk

R001-1295068NJE-V05-kzo-NL

Smient (niet-broedvogel) De smient komt in het gehele Natura 2000-gebied voor (Provincie Gelderland, 2018). De maximale foerageerafstand van de smient is 11 kilometer. Doordat het plangebied op minder dan 4 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied Rijntakken gelegen is, ligt dit ruimschoots binnen de maximale foerageerafstand van de smient. Het grasland binnen en in de omgeving van het plangebied vormt geschikt foerageerhabitat voor de smient waar de soort kan foerageren op gras en oogstresten (Ministerie van LNV, 2008). Het binnen het plangebied voorkomen van foeragerende en overvliegende individuen van de soort kan daarom niet uitgesloten worden. In de NDFF database zijn binnen het plangebied in de afgelopen 10 jaar ook waarnemingen bekend van de smient (NDFF, 2024). Omdat de smient gedurende de nacht vliegt, en de kans op aanvaringen gedurende de nacht groter is door de dan verminderde zichtbaarheid van windturbines is de kans relatief groot dat de smient effecten ondervindt van het plaatsen en in gebruik hebben van windmolens. In het Natura 2000-gebied Rijntakken wordt de instandhoudingsdoelstelling voor het aantal foeragerende individuen bij lange na niet behaald (Sovon, 2024). Gedurende de afgelopen jaren zijn er gemiddeld 3.351 individuen waargenomen, ver onder de instandhoudingsdoelstelling van 17.900 individuen (SOVON, 2024).

De afgelopen 12 jaar is er een significante afname van meer dan 5 % van de populatie. Doordat de instandhoudingsdoelstelling van de soort niet behaald wordt en verstoring en doden van individuen tijdens de aanlegfase en gebruiksfase niet uitgesloten kunnen worden is er een reële kans op significant negatieve effecten op de soort. Wanneer de uitvoeringsplannen voor de windturbines concreet zijn, dient deze passende beoordeling daarom aangevuld te worden om de eventuele significantie van de negatieve effecten uit te sluiten danwel vast te stellen. Hieruit zal blijken of het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit noodzakelijk is. Krakeend (niet-broedvogel) De krakeend komt in het gehele Natura 2000-gebied voor (Provincie Gelderland, 2018). De maximale foerageerafstand van de krakeend is 5 kilometer. Doordat het plangebied op minder dan 4 kilometer afstand tot het Natura 2000-gebied Rijntakken gelegen is, ligt dit deels binnen de maximale foerageerafstand van de krakeend. Het grasland binnen en in de omgeving van het plangebied vormt geen ideaal foerageerhabitat voor de krakeend, maar de soort komt er wel voor (Ministerie van LNV, 2008). Het binnen het plangebied voorkomen van foeragerende en overvliegende individuen van de soort kan daarom niet uitgesloten worden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=2bda3d38-917b-4e9f-9590-1b8803bfcfdd