Bijlage 3 - Bijlage XVII planMER - Passende Beoordeling Duurzame Polder
Tekst van het document
Passende beoordeling ‘Ontwerp Programma Duurzame Polder’ Onderzoek naar mogelijke effecten op Natura 2000-gebieden 25 oktober 2024
Kenmerk
R001-1295068NJE-V05-kzo-NL
Verantwoording Titel
Passende beoordeling 'Ontwerp Programma Duurzame Polder'
Opdrachtgever
Gemeente Oss en ’s-Hertogenbosch
Projectleider
Sietse-Jelle Bijkerk
Auteur(s)
Niels Jeurink, Sharon ter Haar en Floor Reijngoudt
Tweede lezer
Niels Jeurink
Kenmerk
R001-1295068NJE-V05-kzo-NL
Aantal pagina’s
72 (exclusief bijlagen)
Datum
25 oktober 2024
Handtekening
Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.
Colofon TAUW bv Handelskade 37 Postbus 133 7400 AC Deventer T +31 57 06 99 91 1 E info.deventer@tauw.com
2/71
Kenmerk
R001-1295068NJE-V05-kzo-NL
Inhoud 1
2
3
Inleiding ..................................................................................................................................... 5 1.1
Aanleiding en doel .............................................................................................................. 5
1.2
Leeswijzer .......................................................................................................................... 5
Huidige situatie en planvoornemen ........................................................................................... 7 2.1
Huidige situatie ................................................................................................................... 7
2.2
Planvoornemen .................................................................................................................. 7
Wettelijk kader ........................................................................................................................... 9 3.1
Inleiding: bescherming van natuurgebieden in Nederland ................................................. 9
3.2
Europese natuurbescherming: Natura 2000 ...................................................................... 9
3.3
Nationale natuurbescherming: Omgevingswet ................................................................ 11
4
De waarde van de Natura 2000-gebieden in de omgeving voor soorten en habitattypen ...... 13
5
Voortoets ................................................................................................................................. 17 5.1
Inleiding ............................................................................................................................ 17
5.2
Selectie relevante storingsfactoren .................................................................................. 17
5.2.1
Relevante Natura 2000-gebieden ............................................................................. 17
5.2.2
Storingsfactoren ........................................................................................................ 18
5.2.3
Oppervlakteverlies .................................................................................................... 22
5.2.4
Versnippering ............................................................................................................ 22
5.2.5
Stikstofdepositie (verzuring en vermesting door N-depositie uit de lucht) ................ 24
5.2.6
Verontreiniging .......................................................................................................... 24
5.2.7
Verdroging................................................................................................................. 24
5.2.8
Verstoring door geluid ............................................................................................... 25
5.2.9
Verstoring door licht .................................................................................................. 26
5.2.10
Verstoring door trilling............................................................................................ 26
5.2.11
Optische verstoring................................................................................................ 27
5.2.12
Verstoring door mechanische effecten en verandering in populatiedynamiek ...... 28
5.3 6
1
Interne saldering .............................................................................................................. 29
Passende beoordeling stikstofdepositie en aanvaringen van vogels met windturbines .......... 30 6.1
Inleiding ............................................................................................................................ 30
6.2
Stikstofdepositie ............................................................................................................... 30
3/71
Kenmerk
R001-1295068NJE-V05-kzo-NL
6.2.1
Inleiding ..................................................................................................................... 30
6.2.2
Resultaten AERIUS-berekening ............................................................................... 31
6.2.3
Bespreking van de effecten op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden per
Natura 2000-gebied ................................................................................................................. 37 6.2.4 Beoordeling van de kans op ecologische effecten door stikstofdepositie per Natura 2000-gebied............................................................................................................................. 40 6.3
Aanvaringen van vogels met windturbines ....................................................................... 51
6.3.1
Inleiding ..................................................................................................................... 51
6.3.2
Natura 2000-gebied Biesbosch ................................................................................. 51
6.3.3
Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse vennen............................................... 52
6.3.4
Natura 2000-gebied Rijntakken................................................................................. 53
7
Mogelijkheden voor mitigatie ................................................................................................... 63
8
Samenvatting........................................................................................................................... 65
9
Literatuur ................................................................................................................................. 69
Bijlage 1
Maximale foerageerafstanden vogelsoorten van Natura 2000-gebieden
Bijlage 2 Beoordelingsschema’s stikstofgevoelige habitattypen, Habitatrichtlijnsoorten en Vogelrichtlijnsoorten Bijlage 3
1
Gebiedsinformatie beoordeling stikstofdepositie Natura 2000-gebieden
4/71
Kenmerk
R001-1295068NJE-V05-kzo-NL
1 Inleiding 1.1
Aanleiding en doel
De gemeenten Oss en ’s-Hertogenbosch werken sinds 2017 samen met provincie Noord-Brabant en het Rijk aan plannen voor het opwekken van duurzame energie in de Duurzame Polder. De Duurzame Polder bestaat uit de Lithse, Geffense, Rosmalense en Nulandse polder. Dit is het gebied tussen Oss, ’s-Hertogenbosch en de Maas (een overzicht hiervan is te vinden in figuur 2.1). Beide gemeenteraden hebben de Duurzame Polder aangewezen als gebied voor grootschalige opwekking van duurzame energie met windturbines. Het project Duurzame Polder bestaat echter niet alleen uit de oprichting van windturbines. Beide gemeenten hebben de ambitie om in de Duurzame Polder tot een integrale gebiedsontwikkeling te komen, waarbij de opgave voor het opwekken van duurzame energie wordt beschouwd in samenhang met andere belangen, zoals klimaatadaptatie, wonen, landbouw, natuur, recreatie en cultuurhistorie. In de RES 1.0 zijn voor de gemeenten Oss en ’s-Hertogenbosch energiedoelstellingen opgesteld voor het opwekken van duurzame energie met wind en zon. Gemeente Oss wil met windturbines in de Duurzame Polder 0,514 petajoule (PJ) opwekken. Hoeveel windturbines hiervoor nodig zijn hangt uiteraard af van het opgestelde vermogen, de grootte van de windturbine. Het vermogen van de windturbines is nog niet precies bekend en wordt overgelaten aan initiatiefnemers.
De gemeente ’s-Hertogenbosch wil 16 windturbines op haar grondgebied realiseren in de Duurzame Polder (gemeente ’s-Hertogenbosch, 2022), waarmee meer dan de RES-opgave wordt gedaan. Dit rapport is de weerslag van een onderzoek naar de mogelijke effecten van het plaatsen en in gebruik hebben van windturbines in het plangebied op beschermde gebieden met de Natura 2000-status. De aanleg van andere voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie, zoals zonnepanelen, maken geen deel uit van deze toetsing. Daarnaast is onderzoek gedaan naar de mogelijke effecten van de Duurzame Polder op regionaal beschermde gebieden die deel uitmaken van het Natuur Netwerk Brabant (NNB) en overige (natuur)gebieden met een beschermde status. Deze mogelijke effecten worden in een separate rapportage beschreven en beoordeeld. Er is geen onderzoek gedaan naar de mogelijke effecten op beschermde en/of bedreigde planten- en diersoorten of beschermde houtopstanden.
1.2
Leeswijzer
Dit rapport beschrijft de effecten van het ‘Ontwerp Programma Duurzame Polder’ op beschermde Natura 2000-gebieden. In hoofdstuk 2 is het voornemen beschreven. Hoofdstuk 3 beschrijft het wettelijk kader waaraan getoetst wordt. Zoals ook daar te lezen is, beperkt dit document zich tot de mogelijke effecten op beschermde Natura 2000-gebieden. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de waarde van in de omgeving liggende Natura 2000-gebieden voor soorten en habitattypen met een instandhoudingsdoelstelling. In hoofdstuk 5, de ‘voortoets’, wordt in beeld gebracht of het ‘Ontwerp Programma Duurzame Polder’ kan leiden tot (significante) negatieve effecten in Natura 2000-gebieden, en zo ja op
1
5/71
Kenmerk
R001-1295068NJE-V05-kzo-NL
welke. Deze gevolgen worden veroorzaakt door een aantal storingsfactoren, die in de ‘voortoets’ verkend worden. Uit de voortoets blijkt dat voor bepaalde storingsfactoren de conclusie is dat significante negatieve effecten niet met zekerheid kunnen worden uitgesloten. De kans op effecten worden in de passende beoordeling in hoofdstuk 6 nader beschouwd.
1
6/71
Kenmerk
R001-1295068NJE-V05-kzo-NL
2 Huidige situatie en planvoornemen 2.1
Huidige situatie
De globale ligging van het zoekgebied is weergegeven in figuur 2.1. Het zoekgebied voor windturbines in de Duurzame Polder is gelegen in de Lithse, Geffense, Rosmalense en Nulandse polder. Dit poldergebied ligt ten noordwesten van Oss, ten noordoosten van Rosmalen en ten noorden van Nuland en Geffen. Binnen het plangebied zijn agrarische percelen gelegen met woningen en agrarische bedrijven. Het betreft zowel akker- als graslandpercelen. Meerdere wegen en watergangen doorsnijden het plangebied.
Figuur 2.1 Globale begrenzing plangebied (rood omkaderd), zoekgebied (groen omkaderd) en voorkeursalternatief (oranje omkaderd) voor windturbines
2.2
Planvoornemen
Het planvoornemen betreft het ‘Ontwerp Programma Duurzame Polder’. Het Ontwerp Programma gaat uit van het realiseren van meerdere windturbines binnen het plangebied in een integrale gebiedsontwikkeling. Het exacte aantal windturbines is nog niet bekend. Voor de windturbines worden 2 typen onderzocht in het Plan-MER, het is niet bekend welk type/welke combinatie van typen uiteindelijk zal worden toegepast in het plangebied. In figuur 2.2 zijn de 2 typen weergegeven. Voor de windturbines zijn plaatsingszones aangewezen binnen het VKA-gebied voor windenergie.
1
7/71
Kenmerk
R001-1295068NJE-V05-kzo-NL
Om de gevolgen van de werkzaamheden van het planvoornemen te kunnen toetsen zijn uitgangspunten gehanteerd. Deze uitgangspunten zijn gelijk aan de uitgangspunten van het stikstofdepositieonderzoek (Witteveen+Bos, 2023). Als uitgangspunt is aangehouden dat 30 windturbines binnen het plangebied worden gerealiseerd. De windturbines worden met behulp van het volgend materieel geplaatst: Dumper, inclusief trekker Kiepbakken
Heimachine Hijskranen Graafmachines
Laadschoppen Vorkheftrucs Walsen
Vrachtverkeer
Voor nadere informatie over de uitgangspunten voor de inzet van materieel wordt verwezen naar het stikstofonderzoek (Witteveen+Bos, 2023).
Figuur 2.2 typen windturbines die mogelijk (eventueel in combinatie) worden toegepast in het plangebied (www.duurzamepolder.nl)
De vergunningverlening met betrekking tot windturbines is voorzien in 2025. Realisatie is naar verwachting in de periode 2028 tot en met 2029.
1
8/71
Kenmerk
R001-1295068NJE-V05-kzo-NL
3 Wettelijk kader 3.1
Inleiding: bescherming van natuurgebieden in Nederland
Om de biodiversiteit te behouden en waar nodig te herstellen wordt in Nederland gewerkt aan een stelsel van natuurgebieden (Natuur Netwerk Nederland, in de provincie Noord-Brabant het Natuur Netwerk Brabant of NNB genoemd). Uitgangspunt is dat bestaande natuurgebieden behouden blijven en waar dat kan of voor de biodiversiteit nodig is vergroot en versterkt worden door knelpunten op te lossen. De natuurgebieden worden onderling verbonden door verbindingszones. Veel van de natuurgebieden in het NNN/ NNB zijn van een zodanig groot belang dat ze het Europese predicaat ‘Natura 2000’ hebben gekregen. Aanvullend zijn er op regionale schaal gebieden aangewezen waar maatregelen zijn of worden genomen om specifieke soorten of soortgroepen te stimuleren, zoals weidevogels, akkervogels, ganzen en smienten e.d. De bescherming van al die gebieden gaat uit van een ‘nee-tenzij’ principe. Plannen en projecten die niet noodzakelijk zijn voor het behoud of het herstel van de biodiversiteit zijn niet per se uitgesloten maar zijn wel aan diverse randvoorwaarden gebonden. De randvoorwaarden verschillen per type bescherming. Wanneer zulke plannen of projecten de biodiversiteit kunnen schaden moet die schade in beginsel worden voorkomen of waar dat om wat voor reden ook niet mogelijk is ongedaan worden gemaakt of gecompenseerd.
Het ligt in de rede daarbij niet specifiek naar één beschermingscategorie te kijken maar effecten in samenhang te beschouwen met de mogelijke effecten op andere beschermde natuurgebieden. In dit document wordt specifiek ingegaan op de mogelijke effecten op Natura 2000-gebieden. De effecten zijn in samenhang beschouwd met de effecten op het NNN/ NNB. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Rijntakken; voor de mogelijke effecten op het NNN/ NNB wordt verwezen naar de ‘nee-tenzijtoetsect’ (TAUW, 2024-b).
3.2
Europese natuurbescherming: Natura 2000
De Europese biodiversiteit wordt door de Europese Unie beschermd en waar nodig hersteld door het beschermen van planten- en diersoorten en door het beschermen van gebieden. Samen vormen die gebieden een samenhangend netwerk, ‘Natura 2000’ geheten. De bescherming is wettelijk geregeld via een tweetal Europese richtlijnen, de Vogelrichtlijn uit 1979 en de Habitatrichtlijn uit 1992. De lidstaten van de Europese Unie hebben zich verplicht tot het aanwijzen en beschermen van de soorten en de gebieden en het verwerken van de beide Europese richtlijnen in de nationale wet- en regelgeving. In Nederland is dat sinds 2005 het geval. In totaal hebben ongeveer 160 natuurgebieden een beschermde status als Natura 2000-gebied. Voor elk Natura 2000-gebied gelden specifieke instandhoudingsdoelstellingen. ► Omgevingswet: artikel 2.44 Ow Vergunningplicht Om schade aan Natura 2000-gebieden te voorkomen geldt een vergunningplicht voor projecten die significante gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. Indien een plan of een
1
9/71
Kenmerk
R001-1295068NJE-V05-kzo-NL
project significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied dient een passende beoordeling opgesteld te worden. Een plan mag uitsluitend vastgesteld worden indien uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat de ‘natuurlijke kenmerken van het gebied’ niet worden aangetast (lees: geen (significante) effecten heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied). ► Omgevingswet: artikel 16.53c Ow Voortoets Om te beoordelen of er mogelijk significante gevolgen kunnen zijn is eerst een voortoets uitgevoerd (hoofdstuk 5). In deze voortoets is beoordeeld of de herinrichting van het plangebied leidt tot mogelijke effecten of dat deze op grond van objectieve gegevens op voorhand kunnen worden uitgesloten. Er is sprake van een mogelijk effect indien er overlap bestaat van de reikwijdte van effecten in ruimte en tijd en het voorkomen van relevante kwalificerende natuurwaarden. Aan het einde van de voortoets is duidelijk of effecten voor (bepaalde) kwalificerende natuurwaarden – de natuurlijke kenmerken van het gebied – zijn uitgesloten. De effecten die niet op voorhand uitgesloten zijn, worden deze in hoofdstuk 6 (passende beoordeling) nader onderzocht en beoordeeld.
Passende beoordeling In een passende beoordeling wordt uiteindelijk gedetailleerd in kaart gebracht wat de effecten (kunnen) zijn op de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden en welke verzachtende (mitigerende) maatregelen mogelijk genomen moeten worden. Hierbij wordt rekening gehouden met de instandhoudingsdoelstellingen. De significantie van de gevolgen moet worden beoordeeld in het licht van de specifieke milieukenmerken en omstandigheden van het betreffende Natura 2000-gebied. Ook moet rekening worden gehouden met cumulatieve effecten van andere (goedgekeurde maar nog niet uitgevoerde) plannen of projecten. ► Omgevingswet: artikel 16.53c Ow Referentiesituatie Voor het bepalen van de effecten van dit plan/ project is de referentiesituatie uiteraard cruciaal. Voor plannen als deze wordt daarbij uitgegaan van de feitelijk bestaande, planologisch legale situatie. Na voltooiing van het plan worden de maximale effecten ervan vergeleken met de referentiesituatie. Het verschil tussen de effecten van de beide situaties is de toename van de effecten die door het plan verwacht mag worden. Deze is de basis voor de passende beoordeling en, uiteindelijk, de vergunningaanvraag.
1
10/71
Kenmerk
R001-1295068NJE-V05-kzo-NL
Cumulatie De wettelijke bescherming van de Natura 2000-gebieden schrijft voor dat plannen of projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden ‘passend beoordeeld’ moeten worden. Daarbij moeten niet alleen de mogelijke effecten van het beoordeelde plan of project worden beschouwd maar ook (aanvullende) effecten van eventuele andere plannen of projecten. Denkbaar is immers dat het beoordeelde plan of project zelfstandig niet maar in cumulatie met andere plannen of projecten wel tot significante effecten leidt. Het wettelijke kader hiervoor is artikel 6-3 Habitatrichtlijn, in Nederland conform verwerkt in de Omgevingswet. Vaste jurisprudentie is dat bij een onderzoek naar eventuele cumulatieve effecten alleen de effecten van plannen en projecten betrokken hoeven te worden die wel zijn goedgekeurd maar nog niet (volledig) zijn uitgevoerd. Er zijn ons echter geen plannen of projecten bekend die de mogelijke effecten van het plaatsen van windturbines in de Duurzame Polder kunnen versterken en gezamenlijk tot significante effecten kunnen leiden. Instandhoudingsdoelstellingen Voor elk Natura 2000-gebied zijn in het aanwijzingsbesluit ‘instandhoudingsdoelstellingen’ geformuleerd, ook wel de ‘natuurlijke kenmerken van het gebied’ genoemd.
Er kunnen instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd zijn voor: Habitattypen: habitattypen zijn clusters van vegetatietypen; de instandhoudingsdoelstellingen hebben betrekking op de oppervlakte binnen het gebied en de kwaliteit ervan. Voor habitattypen zijn in ‘profielen’ ‘typische soorten’ benoemd die (mede) de kwaliteit van een habitattype duiden
Broedvogels: instandhoudingsdoelstellingen voor broedvogels hebben betrekking op een omvang en kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor een populatie van een bepaald aantal broedparen
Niet-broedvogels: instandhoudingsdoelstellingen hebben betrekking op een omvang en kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor een populatie van een bepaald aantal exemplaren. Het doel kan betrekking hebben op zowel een slaap- of rustfunctie als een
foerageerfunctie van het gebied voor de soort Habitatrichtlijnsoorten (niet-vogels): instandhoudingsdoelstellingen hebben betrekking op de omvang en kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor een populatie
► Omgevingswet: artikel 3.58 Bkl Als basis voor dit onderzoek zijn de instandhoudingsdoelstellingen gebruikt die in de aanwijzingsbesluiten zijn vermeld van de Natura 2000-gebieden waar effecten niet kunnen worden uitgesloten. Ook latere wijzigingen van die aanwijzingsbesluiten zijn bij het onderzoek betrokken; het betreft wijzigingsbesluiten waarbij de begrenzing van gebieden is aangepast of waardoor soorten en/of habitattypen zijn toegevoegd of juist geschrapt.
3.3
Nationale natuurbescherming: Omgevingswet
Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. De Omgevingswet is het wettelijke stelsel voor de bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden in Nederland. De genoemde Europese richtlijnen zijn in de Omgevingswet overgenomen.
1
11/71
Kenmerk
R001-1295068NJE-V05-kzo-NL
In dit rapport wordt nagegaan welke effecten het ‘Ontwerp Programma Duurzame Polder’ kan hebben op Natura 2000-gebieden. Beoordeeld wordt of de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden worden aangetast.
1
12/71
Kenmerk
R001-1295068NJE-V05-kzo-NL
4 De waarde van de Natura 2000-gebieden in de omgeving voor soorten en habitattypen Het plangebied ligt op korte afstand van het Natura 2000-gebied Rijntakken. Voor het Natura 2000-gebied Rijntakken zijn in het aanwijzingsbesluit instandhoudingsdoelstellingen opgenomen voor de aangewezen habitattypen, Habitatrichtlijnsoorten, broedvogels en niet-broedvogels (ministerie van LNV, 2014). De landelijke staat van instandhouding en instandhoudingsdoelstellingen voor de aangewezen habitattypen zijn weergegeven in tabel 4.1. In de tabellen 4.2 – 4.4 zijn de landelijke staat van instandhouding en instandhoudingsdoelstellingen opgenomen voor respectievelijk de aangewezen Habitatrichtlijnsoorten, de aangewezen broedvogels en de aangewezen niet-broedvogels. Tabel 4.1 Instandhoudingsdoelstellingen kwalificerende habitattypen Natura 2000-gebied Rijntakken (Bron: www.natura2000.nl) Habitattype
Landelijke staat van
Doel
Doel
Doel
instandhouding*
verspreiding**
oppervlak**
kwaliteit**
-
=
>
>
-
=
>
=
H3270 – Slikkige rivieroevers
-
=
>
>
H6120 - *Stroomdalgrasland
--
=
>
>
H6430A – Ruigten en zomen,
+
=
=
=
-
=
=
=
-
=
>
>
-
=
>
>
--
=
>
>
-
=
=
=
-
=
=
>
--
=
>
>
H3150 – Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden H3260B – Beken en rivieren met waterplanten, grote fonteinkruiden
moerasspirea H6430B – Ruigten en zomen, harig wilgenroosje H6430C – Ruigten en zomen, droge bosranden H6510A – Glanshaver- en vossenstaarthooilanden – glanshaver H6510B – Glanshaver- en vossenstaarthooilanden – grote vossenstaart H9120 – Beuken-eikenbossen met hulst H91E0A - *Vochtige alluviale bossen, zachthoutooibossen H91E0B - *Vochtige alluviale bossen, essen-iepenbossen
1
13/71
Kenmerk
R001-1295068NJE-V05-kzo-NL
Habitattype H91E0C - *Vochtige alluviale
Landelijke staat van
Doel
Doel
Doel
instandhouding*
verspreiding**
oppervlak**
kwaliteit**
-
=
>
>
--
=
>
>
bossen, beekbegeleidende bossen H91F0 – Droge hardhoutooibossen
* Staat van Instandhouding: + gunstig; - matig ongunstig, - - zeer ongunstig ** Doel: = behoud, > uitbreiding/ verbetering Tabel 4.2 Instandhoudingsdoelstellingen kwalificerende Habitatrichtlijnsoorten Natura 2000-gebied Rijntakken (Bron: www.natura2000.nl) Habitatrichtlijnsoort
Landelijke staat
Doel
Doel
Doel
Doel
van
verspreiding**
omvang
kwaliteit
populatie**
leefgebied**
leefgebied**
H1095 - Zeeprik
instandhouding* -
=
>
>
>
H1099 - Rivierprik
-
=
>
>
>
H1102 - Elft
--
=
=
=
>
H1106 - Zalm
--
=
=
=
>
H1134 - Bittervoorn
-
=
=
=
=
H1145 – Grote
-
>
>
>
>
+
=
=
=
=
-
=
=
=
=
-
>
>
>
>
H1318 - Meervleermuis
-
=
=
=
=
H1337 - Bever
-
=
=
>
>
modderkruiper H1149 – Kleine modderkruiper H1163 Rivierdonderpad H1166 Kamsalamander
Toelichting * Staat van Instandhouding: + gunstig; - matig ongunstig, - - zeer ongunstig ** Doel: = behoud, > uitbreiding/ verbetering
Tabel 4.3 Instandhoudingsdoelstellingen kwalificerende vogelrichtlijnsoorten (broedvogel) Natura 2000-gebied Rijntakken (Bron: www.natura2000.nl) Vogelsoort
Landelijke staat
Doel omvang
Doel
Omvang
Doel
van
populatie**
kwaliteit**
populatie
gehaald?***
instandhouding*
1
A004- Dodaars
+
=
=
45
ja
A017- Aalscholver
+
=
=
660
nee
A021- Roerdomp
--
>
>
20
nee
A022- Woudaapje
--
>
>
20
nee
A119- Porseleinhoen
--
>
>
40
nee
14/71
Kenmerk
R001-1295068NJE-V05-kzo-NL
Vogelsoort
Landelijke staat
Doel omvang
Doel
Omvang
Doel
van
populatie**
kwaliteit**
populatie
gehaald?***
instandhouding* A122- Kwartelkoning
-
>
>
160
nee
A153- Watersnip
--
=
=
17
nee
A197- Zwarte stern
--
=
=
240
nee
A229- IJsvogel
+
=
=
25
ja
A249- Oeverzwaluw
+
=
=
680
ja
A272- Blauwborst
+
=
=
95
ja
A298- Grote karekiet
--
>
>
70
nee
Toelichting * Staat van Instandhouding: + gunstig; - matig ongunstig, - - zeer ongunstig ** Doel: = behoud, > uitbreiding/ verbetering *** Ja = Doel gehaald op basis van telgegevens Sovon, 2018-2022
Tabel 4.4 Instandhoudingsdoelstellingen kwalificerende Vogelrichtlijnsoorten (niet-broedvogels) Natura 2000-gebied Rijntakken (Bron: www.natura2000.nl) Vogelsoort
Landelijke staat
Doel omvang
Doel
Omvang
Doel
van
leefgebied**
kwaliteit**
populatie
gehaald?***
instandhouding* A005- Fuut
-
=
=
570
Ja
A017- Aalscholver
+
=
=
1300
Nee
A037- Kleine zwaan
-
=
=
100
Nee
A038- Wilde zwaan
-
=
=
30
Nee
A039- Toendrarietgans
+
=
=
Foerageergebied
Nee
125
Nee
Rust- en slaapplaats 2800 A041- Kolgans
+
=
=
Foerageergebied
Nee
35.400
Nee
Rust- en slaapplaats 180.100 A043- Grauwe gans
+
=
=
Foerageergebied 8.300
Ja Nee
Rust- en slaapplaats 21.500 A045- Brandgans
+
=
=
Foerageergebied
Ja
920
Ja
Rust- en slaapplaats 5.200 A048- Bergeend
1
+
=
=
120
Nee
15/71
Kenmerk
Vogelsoort
R001-1295068NJE-V05-kzo-NL
Landelijke staat
Doel omvang
Doel
Omvang
Doel
van
leefgebied**
kwaliteit**
populatie
gehaald?***
instandhouding* A050- Smient
+
=
=
17.900
Nee
A051- Krakeend
+
=
=
340
Ja
A052- Wintertaling
-
=
=
1.100
Ja
A053- Wilde eend
+
=
=
6.100
Nee
A054- Pijlstaart
-
=
=
130
Nee
A056- Slobeend
+
=
=
400
Ja
A059- Tafeleend
--
=
=
990
Nee
A061- Kuifeend
-
=
=
2.300
Nee
A068- Nonnetje
-
=
=
40
Nee
A125- Meerkoet
-
=
=
8.100
Nee
A130- Scholekster
--
=
=
340
Nee
A140- Goudplevier
--
=
=
140
Nee
A142- Kievit
-
=
=
8.100
Nee
A151- Kemphaan
-
=
=
1.000
Nee
A156- Grutto
--
=
=
690
Nee
A160- Wulp
+
=
=
850
Nee
A162- Tureluur
-
=
=
65
Nee
Toelichting * Staat van Instandhouding: + gunstig; - matig ongunstig, - - zeer ongunstig ** Doel: = behoud, > uitbreiding/ verbetering *** Ja = Doel gehaald op basis van telgegevens Sovon, seizoenen 2016/2017-2020/2021
In de aanwijzingsbesluiten van andere Natura 2000-gebieden zijn eveneens instandhoudingsdoelstellingen te vinden voor de soorten en/of habitattypen waarvoor die gebieden van groot belang zijn. Deze zijn in dit onderzoek eveneens betrokken.
1
16/71
Kenmerk
R001-1295068NJE-V05-kzo-NL
5 Voortoets 5.1
Inleiding
Op voorhand is niet uit te sluiten dat het ‘Ontwerp Programma Duurzame Polder’ tot effecten leidt in Natura 2000-gebieden. Het ‘Ontwerp Programma Duurzame Polder’ kan effecten hebben op Natura 2000-gebieden als gevolg van diverse storingsfactoren. In deze voortoets is allereerst beoordeeld of het ‘Ontwerp Programma Duurzame Polder’ significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden, en zo ja voor welke. De hoofdvraag luidt: kan het voornemen leiden tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van Natura 2000gebieden, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen die voor de gebieden zijn geformuleerd? Deze voortoets heeft als doel om te bepalen of er aanvullend onderzoek nodig is, en zo ja voor welke Natura 2000-gebieden en voor welke bijbehorende natuurwaarden.
5.2
Selectie relevante storingsfactoren
5.2.1
Relevante Natura 2000-gebieden
Rijntakken Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is het gebied Rijntakken. Dit Natura 2000-gebied ligt op circa 3,8 kilometer afstand ten noorden van het plangebied. Vanwege de aard van de werkzaamheden zijn effecten op dit Natura 2000-gebied niet op voorhand uit te sluiten. De relevante storingsfactoren worden in dit hoofdstuk verder toegelicht. Kampina & Oisterwijkse vennen Het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen ligt op 19 kilometer afstand tot het plangebied. Door de afstand tussen het Natura 2000-gebied en het plangebied is met zekerheid uitgesloten dat verstoringsfactoren zoals geluid, licht en verstoring door trillingen tot negatieve effecten op de aangewezen habitattypen, Habitatrichtlijnsoorten en de meeste Vogelrichtlijnsoorten. De enige uitzondering daarop is de taigarietgans. Voor deze nietbroedvogelsoort zijn negatieve effecten niet op voorhand uitgesloten, doordat het plangebied binnen de maximale foerageerafstand van de soort ligt (zie bijlage 1). Dit betekent dat de soort foeragerend en overvliegend voor kan komen binnen het plangebied. Voor deze soort worden de relevante storingsfactoren in dit hoofdstuk daarom verder toegelicht. Negatieve effecten door stikstofdepositie tijdens de aanlegfase op voor stikstof gevoelige habitattypen en leefgebieden kunnen in dit gebied ook nog niet met zekerheid worden uitgesloten.
Voor de habitattypen, Habitatrichtlijnsoorten en Vogelrichtlijnsoorten wordt de verstoringsfactor ‘vermesting en verzuring door N-depositie uit de lucht’ behandeld.
1
17/71
Kenmerk
R001-1295068NJE-V05-kzo-NL
Biesbosch Het Natura 2000-gebied Biesbosch ligt op 35 kilometer afstand tot het plangebied. Door de afstand tussen het Natura 2000-gebied en het plangebied is met zekerheid uitgesloten dat verstoringsfactoren zoals geluid, licht en verstoring door trillingen tot negatieve effecten op de aangewezen habitattypen, Habitatrichtlijnsoorten en Vogelrichtlijnsoorten leiden. De enige uitzondering daarop is de aalscholver. Voor deze broedvogelsoort zijn negatieve effecten door storingsfactoren niet op voorhand uitgesloten, doordat het plangebied binnen de maximale foerageerafstand van de soort ligt (zie bijlage 1). Dit betekent dat exemplaren van de soort die afkomstig zijn uit de Biesbosch theoretisch ook foeragerend en overvliegend voor kunnen komen binnen het plangebied. Voor deze soort worden de relevante storingsfactoren daarom in dit hoofdstuk verder toegelicht. Negatieve effecten door stikstofdepositie tijdens de aanlegfase op voor stikstof gevoelige habitattypen en leefgebieden kunnen ook nog niet met zekerheid worden uitgesloten. Voor de habitattypen, Habitatrichtlijnsoorten, broedvogels en niet-broedvogels wordt de verstoringsfactor ‘vermesting en verzuring door N-depositie uit de lucht’ daarom behandeld.
Andere Natura 2000-gebieden Alle andere Natura 2000-gebieden liggen op meer dan 5 kilometer afstand van het plangebied en buiten de maximale foerageerafstand van aangewezen Vogelrichtlijnsoorten en/of het ontbreekt aan geschikt habitat door het ontbreken van (visrijke) grote waterlichamen (zie bijlage 1). Hierdoor is met zekerheid uitgesloten dat verstoringsfactoren zoals geluid, licht en verstoring door mechanische effecten tot negatieve effecten op de aangewezen habitattypen, Habitatrichtlijnsoorten en Vogelrichtlijnsoorten in deze Natura 2000-gebieden leiden. Negatieve effecten door stikstofdepositie tijdens de aanlegfase op voor stikstof gevoelige habitattypen en leefgebieden kunnen echter nog niet met zekerheid worden uitgesloten. Voor de habitattypen, Habitatrichtlijnsoorten en Vogelrichtlijnsoorten van de andere Natura 2000-gebieden wordt daarom alleen de verstoringsfactor ‘vermesting en verzuring door N-depositie uit de lucht’ behandeld. 5.2.2 Storingsfactoren In figuur 5.1 is de effectenindicator opgenomen van Natura 2000-gebied Rijntakken voor de activiteit ‘Weg’ en in figuur 5.2 voor de activiteit ‘Windturbines’. In figuur 5.3 is de effectenindicator opgenomen van de taigarietgans (niet-broedvogel) in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse vennen voor de activiteit ‘Weg’ en ‘Windturbines’.
In de effectenindicator zijn de gevoeligheden van de habitattypen, Habitatrichtlijnsoorten en Vogelrichtlijnsoorten voor de storingsfactoren behorend bij de activiteiten ‘Windturbines’ en ‘Weg’ weergegeven. Voor de broedvogelsoort aalscholver in het Natura 2000-gebied Biesbosch gelden dezelfde gevoeligheden als in het Natura 2000-gebied Rijntakken (zie figuur 5.1 en 5.2).
1
18/71
Kenmerk
R001-1295068NJE-V05-kzo-NL
De storingsfactoren van de activiteit ‘Weg’ sluiten aan op de verstoring die kan plaatsvinden tijdens de aanlegfase. De storingsfactoren behorend bij de activiteit ‘Windturbines’ sluiten aan op de verstoring die kan plaatsvinden tijdens de gebruiksfase. Aanvullend op de activiteit ‘Windturbines’ wordt voor de gebruiksfase ook getoetst aan de storingsfactor verstoring door licht, omdat op de windturbines rode lampen worden aangebracht die als waarschuwing dienen voor luchtverkeer en deze tot verstoring van dieren zouden kunnen leiden. De relevante storingsfactoren zijn:
Aanlegfase: Oppervlakteverlies Versnippering -
Verzuring door N-depositie uit de lucht Vermesting door N-depositie uit de lucht Verontreiniging
-
Verdroging Verstoring door geluid Verstoring door licht
-
Verstoring door trilling Optische verstoring Verandering in populatiedynamiek
Gebruiksfase: Oppervlakteverlies Versnippering -
Verstoring door geluid Verstoring door licht Verstoring door trilling
-
Optische verstoring Verstoring door mechanische effecten Verandering in populatiedynamiek
Andere storingsfactoren dan opgenomen in figuur 5.1, 5.2 en 5.3 zijn voor dit onderzoek niet relevant gebleken en zullen, individueel beschouwd of in cumulatie nooit tot significante effecten kunnen leiden. De effecten van deze storingsfactoren zijn daarom niet nader onderzocht.
1
19/71
Kenmerk
R001-1295068NJE-V05-kzo-NL
Figuur 5.1 Effectenindicator Natura 2000-gebied Rijntakken voor activiteit ‘Weg’ (Bron: www.synbiosys.alterra.nl)
1
20/71
Kenmerk
R001-1295068NJE-V05-kzo-NL
Figuur 5.2 Effectenindicator Natura 2000-gebied Rijntakken voor activiteit ‘Windturbines’ (Bron: www.synbiosys.alterra.nl)
1
21/71
Kenmerk
R001-1295068NJE-V05-kzo-NL
Figuur 5.3 Effectenindicator taigarietgans voor activiteit ‘Weg’ (links) en activiteit ‘Windturbines’ (rechts) (Bron: www.synbiosys.alterra.nl)
5.2.3 Oppervlakteverlies Oppervlakteverlies treedt op wanneer sprake is van een afname van beschikbaar oppervlak van leefgebied van soorten en/of habitattypen. Alle habitattypen, Habitatrichtlijnsoorten, broedvogels en een deel van de aangewezen niet-broedvogels zijn gevoelig tot zeer gevoelig voor oppervlakteverlies (figuur 5.1, 5.2 en 5.3). Doordat noch tijdens de aanlegfase noch tijdens de gebruiksfase werkzaamheden plaatsvinden binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebied Rijntakken of andere Natura 2000-gebieden, zijn negatieve effecten door oppervlakteverlies voor habitattypen, Habitatrichtlijnsoorten en Vogelrichtlijnsoorten uitgesloten. Een toetsing van de effecten van deze storingsfactor is zodoende niet noodzakelijk. 5.2.4 Versnippering Wanneer tijdens werkzaamheden barrières voor planten of dieren worden gevormd kan versnippering optreden, wat betekent dat leefgebied van soorten uiteenvalt. Alle habitattypen en Habitatrichtlijnsoorten en een deel van de Vogelrichtlijnsoorten zijn gevoelig tot zeer gevoelig voor versnippering (figuur 5.1, 5.2 en 5.3). Habitattypen Doordat geen werkzaamheden worden uitgevoerd binnen het Natura 2000-gebied Rijntakken zijn negatieve effecten door versnippering voor habitattypen uitgesloten, zowel tijdens de aanlegfase als tijdens de gebruiksfase.
Een toetsing van de effecten van de storingsfactor versnippering is voor de habitattypen zodoende niet noodzakelijk.
1
22/71
Kenmerk
R001-1295068NJE-V05-kzo-NL
Habitatrichtlijnsoorten Tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied Rijntakken zijn geen barrières aanwezig voor de aangewezen Habitatrichtlijnsoorten. Doordat geen werkzaamheden plaatsvinden binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebied Rijntakken en geen werkzaamheden plaatsvinden aan watergangen die in directe verbinding staan met de waterlichamen van het Natura 2000-gebied worden geen verbindingszones aangetast van de watergebonden Habitatrichtlijnsoorten (bever, bittervoorn, elft, grote modderkruiper, kamsalamander, kleine modderkruiper, rivierdonderpad, rivierprik, zalm en zeeprik). De meervleermuis gebruikt het Natura 2000-gebied Rijntakken als migratieroute tussen zomer- en winterverblijven en foerageergebied. Dit maakt het gehele Natura 2000-gebied Rijntakken geschikt als vliegroute en migratieroute voor de soort. Het foerageren vindt voornamelijk plaats vlak boven het wateroppervlak van grote waterlichamen zoals rivierlopen en grote plassen (Haarsma, 2011). Tijdens het foerageren is de vlieghoogte soms maar 0,5 meter (van de Sijpe & Holsbeek, 2007). Boven land vliegt de soort laag, tot maximaal 7 meter hoogte (Haarsma, 2015). De exacte ligging van de vliegroutes en migratieroutes en verblijfplaatsen is niet bekend. Wel is zeker dat een deel van de migratieroutes en verblijfplaatsen buiten het Natura 2000-gebied ligt (Provincie Gelderland, 2018).
Zelfs indien het kleinste type windturbine binnen het plangebied wordt toegepast, type 1, draait deze nog zeer ruim boven de maximale vlieghoogte van de meervleermuis op meer dan 75 meter hoogte. Hierdoor is uitgesloten dat de windturbines in de aanlegfase en de gebruiksfase een barrière vormen voor de meervleermuis. Negatieve effecten door versnippering is voor alle Habitatrichtlijnsoorten van Natura 2000-gebied Rijntakken uitgesloten. Een toetsing van de effecten van de storingsfactor versnippering is voor de Habitatrichtlijnsoorten zodoende niet noodzakelijk. Vogelrichtlijnsoorten Voor de niet-broedvogelsoorten kleine zwaan, wilde zwaan, toendrarietgans, kolgans, grauwe gans, brandgans, smient, krakeend, wintertaling, wilde eend, scholekster, goudplevier, kievit, kemphaan, grutto en wulp is geschikt foerageergebied aanwezig binnen het plangebied. In het beheerplan van het Natura 2000-gebied Rijntakken zijn echter geen foerageergebieden buiten de begrenzing van Natura 2000-gebieden genoemd die van groot belang zijn voor de aangewezen niet-broedvogels om de instandhoudingsdoelstellingen te kunnen behalen (Provincie Gelderland, 2018). Van de toendrarietgans, kolgans, grauwe gans, brandgans en smient is wel bekend dat deze zowel binnen als buiten het Natura 2000-gebied Rijntakken foerageren.
Tijdens het vaststellen van het beheerplan is vastgesteld dat voldoende foerageergebied binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebied aanwezig is voor de soorten om instandhoudingsdoelstellingen te kunnen behalen (Provincie Gelderland, 2018). Het ongeschikt(er) raken van het plangebied als foerageergebied voor de soorten door het realiseren van windturbines leidt daarom niet tot een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen voor soorten doordat het foerageergebied versnipperd raakt, omdat deze gebieden niet noodzakelijk zijn om de instandhoudingsdoelstellingen te behalen.
1
23/71
Kenmerk
R001-1295068NJE-V05-kzo-NL
Daarnaast blijven veel alternatieve geschikte foerageergebieden in de directe omgeving van het plangebied behouden voor de niet-broedvogelsoorten. Ditzelfde geldt ook voor de andere nietbroedvogelsoorten van Natura 2000-gebied Rijntakken, de broedvogel aalscholver van Natura 2000-gebied Biesbosch en de niet-broedvogel taigarietgans van Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen. Negatieve effecten door versnippering van leefgebied van niet-broedvogels zijn zowel voor de aanlegfase als gebruiksfase uitgesloten. Een toetsing van de effecten van de storingsfactor versnippering is voor de Vogelrichtlijnsoorten zodoende niet noodzakelijk. 5.2.5
Stikstofdepositie (verzuring en vermesting door N-depositie uit de lucht)
De meeste habitattypen en Habitatrichtlijnsoorten en een deel van de broedvogels en nietbroedvogels zijn gevoelig tot zeer gevoelig voor verzuring en vermesting door N-depositie uit de lucht (figuur 5.1, 5.2 en 5.3). Door de uitvoering van de werkzaamheden in de aanlegfase is sprake van een tijdelijke toename van NOx- en NH3-emissies. Om die reden worden effecten door stikstofdepositie nader beschouwd op basis van de resultaten van de AERIUS berekening (Witteveen+Bos, 2023). In hoofdstuk 6 wordt per Natura 2000-gebied aangegeven welke effecten mogelijk significant zijn en waarom. Voor de gebruiksfase is geen stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd (Witteveen+Bos, 2023). De verwachting is dat geen sprake zal zijn van effecten op Natura 2000-gebieden doordat het in werking hebben van de windturbines slechts een beperkte stikstofemissie hebben (door bijvoorbeeld beheer- en onderhoudswerkzaamheden). Om deze reden zijn negatieve effecten door stikstofdepositie tijdens de gebruiksfase uitgesloten. 5.2.6 Verontreiniging Wanneer tijdens werkzaamheden gebruik gemaakt wordt van gebiedsvreemde stoffen en deze in de bodem terecht zouden komen kan verontreiniging optreden. Alle habitattypen, habitatrichtlijnsoorten, broedvogels en niet-broedvogels zijn gevoelig tot zeer gevoelig voor verontreiniging (figuur 5.1, 5.2 en 5.3).
Tijdens de aanlegfase en tijdens de gebruiksfase wordt in beginsel geen gebruik gemaakt van gebiedsvreemde stoffen die in de bodem terecht komen en die uit kunnen spoelen richting Natura 2000-gebieden zoals Rijntakken, Biesbosch en Kampina & Oisterwijkse vennen. Effecten zijn daarom uitgesloten. Een toetsing van de effecten van deze storingsfactor is zodoende niet noodzakelijk. 5.2.7 Verdroging Door bemaling kan tijdelijk verdroging optreden in en rond het werkgebied. Een deel van de habitattypen, Habitatrichtlijnsoorten en Vogelrichtlijnsoorten is gevoelig tot zeer gevoelig voor verdroging (figuur 5.1, 5.2 en 5.3).
1
24/71
Kenmerk
R001-1295068NJE-V05-kzo-NL
Mogelijk wordt bemaling toegepast in de aanlegfase voor de plaatsing van fundamenten van de windturbines. Doordat de bemaling zeer lokaal en tijdelijk plaatsvindt en het plangebied op ten minste 3,8 kilometer afstand is gelegen tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (Rijntakken) zijn negatieve effecten door verdroging in de aanlegfase uitgesloten. Het plangebied staat namelijk niet in directe verbinding met watergangen van het Natura 2000-gebied waardoor watergebonden soorten van Natura 2000-gebied Rijntakken niet in het plangebied worden verwacht en het plangebied in de beheerplannen niet is opgenomen als een gebied dat van groot belang is voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van de aangewezen nietbroedvogels (Provincie Gelderland, 2018). Het tijdelijk ongeschikt(er) raken van het plangebied door plaatselijke bemaling tijdens de aanlegfase leidt daarom niet tot een negatief effect op de Vogelrichtlijnsoorten (zie ook paragraaf 5.2.4). In de gebruiksfase vindt geen bemaling plaats en zijn negatieve effecten door verdroging op voorhand uit te sluiten. Een toetsing van de effecten van de storingsfactor verdroging is zodoende niet noodzakelijk. 5.2.8 Verstoring door geluid Verstoring door geluid heeft betrekking op onnatuurlijke geluidsbronnen, zoals het geluid dat vrijkomt tijdens bouwwerkzaamheden.
De Habitatrichtlijnsoorten en een deel van de broedvogels en niet-broedvogels zijn gevoelig tot zeer gevoelig voor verstoring door geluid (figuur 5.1, 5.2 en 5.3). Van de kamsalamander is de gevoeligheid voor verstoring door geluid niet bekend. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden in de aanlegfase worden geluiden geproduceerd (bijvoorbeeld heien voor aanbrengen van fundamenten). Ook produceren de windturbines geluid in de gebruiksfase. Doordat de uitstoot van geluid zeer lokaal plaatsvindt en het plangebied op ten minste 3,8 kilometer afstand is gelegen tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (Rijntakken) zijn negatieve effecten door verstoring door geluid in de aanlegfase uitgesloten. Het plangebied staat niet via watergangen in directe verbinding met het Natura 2000-gebied waardoor watergebonden soorten van Natura 2000-gebied Rijntakken niet worden verwacht in het plangebied. Grote waterlichamen die kunnen dienen als foerageergebied voor de meervleermuis ontbreken en het plangebied is niet in de beheerplannen opgenomen als een gebied dat van groot belang is voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van de aangewezen nietbroedvogels (Provincie Gelderland, 2018). Habitatrichtlijnsoorten met een instandhoudingsdoelstelling in Natura 2000-gebied Rijntakken zullen daardoor niet of hoogstens bij uitzondering tot in het plangebied kunnen voorkomen.
Het tijdelijk ongeschikt(er) raken van het plangebied door plaatselijke verstoring door geluid tijdens de aanlegfase leidt daarom niet tot een negatief effect op de Habitat- en Vogelrichtlijnsoorten in Natura 2000-gebied Rijntakken (zie paragraaf 5.2.4). Negatieve effecten door geluidsverstoring worden in de gebruiksfase ook uitgesloten voor de Habitatrichtlijnsoorten en Vogelrichtlijnsoorten, omdat deze zeer beperkt zijn. Een toetsing van de effecten van de storingsfactor verstoring door geluid is zodoende niet noodzakelijk.
1
25/71
Kenmerk
5.2.9
R001-1295068NJE-V05-kzo-NL
Verstoring door licht
Verstoring door licht ontstaat door het toepassen van kunstmatige lichtbronnen. Een deel van de Habitatrichtlijnsoorten en Vogelrichtlijnsoorten is gevoelig tot zeer gevoelig voor verstoring door licht (figuur 5.1, 5.2 en 5.3). Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden in de aanlegfase wordt mogelijk gebruik gemaakt van bouwverlichting. Ook hebben de windturbines in de gebruiksfase rode lampen die het luchtverkeer attenderen op de aanwezigheid van de windturbines. Doordat de verlichting zeer lokaal aanwezig is en het plangebied op ten minste 3,8 kilometer afstand van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (Rijntakken) is gelegen zijn negatieve effecten door verstoring door licht in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase uitgesloten. Het plangebied staat niet via watergangen in directe verbinding met het Natura 2000-gebied waardoor watergebonden soorten van Natura 2000-gebied Rijntakken niet worden verwacht in het plangebied. Grote waterlichamen die kunnen dienen als foerageergebied voor de meervleermuis ontbreken en het plangebied is niet in de beheerplannen opgenomen als een gebied dat van groot belang is voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van de aangewezen nietbroedvogels (Provincie Gelderland, 2018).
Habitatrichtlijnsoorten met een instandhoudingsdoelstelling in Natura 2000-gebied Rijntakken zullen daardoor niet of hoogstens bij uitzondering tot in het plangebied kunnen voorkomen. Het tijdelijk ongeschikt(er) raken van het plangebied door plaatselijke verstoring door licht tijdens de aanlegfase leidt daarom niet tot een negatief effect op de Habitat- en Vogelrichtlijnsoorten in Natura 2000-gebied Rijntakken (zie paragraaf 5.2.4). Negatieve effecten door lichtverstoring worden in de gebruiksfase ook uitgesloten voor de Habitatrichtlijnsoorten en Vogelrichtlijnsoorten, omdat deze zeer beperkt zijn. Een toetsing van de effecten van de storingsfactor verstoring door licht is zodoende niet noodzakelijk. 5.2.10 Verstoring door trilling Deze storingsfactor treedt op wanneer door een menselijke activiteit trillingen in de bodem en in het water veroorzaakt worden. Een deel van de Habitatrichtlijnsoorten en Vogelrichtlijnsoorten is gevoelig tot zeer gevoelig voor verstoring door trillingen (figuur 5.1, 5.2 en 5.3). Van de kamsalamander, de kleine zwaan (niet-broedvogel), de roerdomp (broedvogel en nietbroedvogel), de woudaap (broedvogel) en de zwarte stern (broedvogel en niet-broedvogel) is de verstoringsgevoeligheid niet bekend. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden in de aanlegfase worden trillingen geproduceerd (bijvoorbeeld heien voor aanbrengen van fundamenten).
In de gebruiksfase is geen sprake van trillingen. Doordat de trillingen in de aanlegfase zeer lokaal plaatsvinden en het plangebied op ten minste 3,8 kilometer afstand is gelegen van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (Rijntakken) zijn negatieve effecten door verstoring door trillingen in de aanlegfase uitgesloten. Het plangebied staat niet via watergangen in directe verbinding met het Natura 2000-gebied waardoor watergebonden soorten van Natura 2000-gebied Rijntakken niet worden verwacht in het plangebied.
1
26/71
Kenmerk
R001-1295068NJE-V05-kzo-NL
Grote waterlichamen die kunnen dienen als foerageergebied voor de meervleermuis ontbreken en het plangebied is niet in de beheerplannen opgenomen als een gebied dat van groot belang is voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van de aangewezen niet-broedvogels (Provincie Gelderland, 2018). Habitatrichtlijnsoorten met een instandhoudingsdoelstelling in Natura 2000-gebied Rijntakken zullen daardoor niet of hoogstens bij uitzondering tot in het plangebied kunnen voorkomen. Het tijdelijk ongeschikt(er) raken van het plangebied door plaatselijke verstoring door trillingen tijdens de aanlegfase leidt daarom niet tot een negatief effect op de Habitat- en Vogelrichtlijnsoorten in Natura 2000-gebied Rijntakken (zie paragraaf 5.2.4). Negatieve effecten door verstoring door trillingen worden in de gebruiksfase ook uitgesloten voor de Habitatrichtlijnsoorten en Vogelrichtlijnsoorten, omdat deze zeer beperkt zijn. Een toetsing van de effecten van de storingsfactor verstoring door trillingen is zodoende niet noodzakelijk. 5.2.11 Optische verstoring Deze storingsfactor treedt op bij aanwezigheid van mensen, materieel of voorwerpen die niet thuishoren in het natuurlijke systeem. Alle habitattypen en een deel van de Habitatrichtlijnsoorten en Vogelrichtlijnsoorten zijn gevoelig tot zeer gevoelig voor optische verstoring (figuur 5.1, 5.2 en 5.3).
Van de Habitatrichtlijnsoorten elft, kamsalamander, rivierdonderpad, rivierprik, zalm en zeeprik is de gevoeligheid voor optische verstoring niet bekend. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden in de aanlegfase is sprake van optische verstoring door de aanwezigheid van personeel, materiaal en materieel in het plangebied. In de gebruiksfase is ook sprake van optische verstoring door de aanwezigheid van de windturbines. Doordat de optische verstoring in de aanlegfase zeer lokaal plaatsvindt en het plangebied op ten minste 3,8 kilometer afstand is gelegen tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (Rijntakken) zijn negatieve effecten door optische verstoring in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase uitgesloten. Het plangebied staat niet via watergangen in directe verbinding met het Natura 2000-gebied waardoor watergebonden soorten van Natura 2000-gebied Rijntakken niet worden verwacht in het plangebied. Grote waterlichamen die kunnen dienen als foerageergebied voor de meervleermuis ontbreken en het plangebied is niet in de beheerplannen opgenomen als een gebied dat van groot belang is voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van de aangewezen nietbroedvogels (Provincie Gelderland, 2018).
Habitatrichtlijnsoorten met een instandhoudingsdoelstelling in Natura 2000-gebied Rijntakken zullen daardoor niet of hoogstens bij uitzondering tot in het plangebied kunnen voorkomen. Het tijdelijk ongeschikt(er) raken van het plangebied door plaatselijke optische verstoring tijdens de aanlegfase en gebruiksfase leidt daarom niet tot een negatief effect op de Habitat- en Vogelrichtlijnsoorten in Natura 2000-gebied Rijntakken (zie paragraaf 5.2.4). Een toetsing van de effecten van de storingsfactor optische verstoring is zodoende niet noodzakelijk.
1
27/71
Kenmerk
5.2.12
R001-1295068NJE-V05-kzo-NL
Verstoring door mechanische effecten en verandering in populatiedynamiek
De storingsfactor verstoring door mechanische effecten treedt op wanneer door menselijke activiteiten verstoring optreedt, zoals betreding, golfslag en luchtwervelingen. De storingsfactor verandering in populatiedynamiek treedt op wanneer door een activiteit sprake is van een direct effect op de populatie-opbouw en/of de populatiegrootte van een soort. Voor beide storingsfactoren zijn alle habitattypen en Habitatrichtlijnsoorten en een deel van de Vogelrichtlijnsoorten gevoelig tot zeer gevoelig (figuur 5.1, 5.2 en 5.3). Van een deel van de Vogelrichtlijnsoorten is de mate van gevoeligheid niet bekend. Habitattypen Doordat geen werkzaamheden worden uitgevoerd binnen het Natura 2000-gebied Rijntakken zijn negatieve effecten door verstoring door mechanische effecten en verandering van populatiedynamiek voor habitattypen uitgesloten voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase. Een toetsing aan de storingsfactoren verstoring door mechanische effecten en verandering in populatiedynamiek is voor de habitattypen zodoende niet noodzakelijk. Habitatrichtlijnsoorten Verstoring door mechanische effecten kan optreden wanneer sprake is van aanvaringsslachtoffers. De dood van individuen kan vervolgens leiden tot een verandering in de populatiedynamiek.
Doordat de verstoring door mechanische effecten lokaal plaatsvinden en het plangebied op ten minste 3,8 kilometer afstand is gelegen tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (Rijntakken) zijn negatieve effecten door mechanische verstoring uitgesloten. Het plangebied staat niet via watergangen in directe verbinding met het Natura 2000-gebied waardoor watergebonden soorten van Natura 2000-gebied Rijntakken niet worden verwacht in het plangebied. Habitatrichtlijnsoorten met een instandhoudingsdoelstelling in Natura 2000-gebied Rijntakken zullen daardoor niet of hoogstens bij uitzondering tot in het plangebied kunnen voorkomen. Het tijdelijk ongeschikt(er) raken van het plangebied door plaatselijke verstoring door mechanische effecten tijdens de aanlegfase en gebruiksfase leidt daarom niet tot een negatief effect op de Habitatrichtlijnsoorten in Natura 2000-gebied Rijntakken. Negatieve effecten door lichtverstoring worden in de gebruiksfase ook uitgesloten voor de Habitatrichtlijnsoorten en Vogelrichtlijnsoorten, omdat deze zeer beperkt zijn. Een toetsing van de effecten van de storingsfactor verstoring door licht is zodoende niet noodzakelijk. De meervleermuis gebruikt de Rijntakken als migratieroute tussen zomer- en winterverblijven en foerageergebied. Dit maakt het gehele Natura 2000-gebied Rijntakken geschikt als vliegroute en migratieroute voor de meervleermuis.
Boven land vliegt de soort laag, tot maximaal 7 meter hoogte (Haarsma, 2015). De exacte ligging van de vliegroutes en migratieroutes en verblijfplaatsen zijn niet bekend. Wel is zeker dat een deel van de migratieroutes en verblijfplaatsen buiten het Natura 2000-gebied liggen (Provincie Gelderland, 2018). Het is mogelijk dat het plangebied deel uitmaakt van een vliegroute of migratieroute van de meervleermuis. Indien het kleinste type windturbine binnen het plangebied wordt toegepast, type 1, draait deze nog ruim boven de maximale vlieghoogte van de meervleermuis op meer dan 75 meter hoogte. Hierdoor is
1
28/71
Kenmerk
R001-1295068NJE-V05-kzo-NL
uitgesloten dat de windturbines in de aanlegfase en gebruiksfase aanvaringsslachtoffers veroorzaken van de meervleermuis. Negatieve effecten door verstoring door mechanische effecten en verandering in de populatiedynamiek is voor alle Habitatrichtlijnsoorten van Natura 2000-gebied Rijntakken uitgesloten. Een toetsing van de effecten van de storingsfactoren verstoring door mechanische effecten en verandering in de populatiedynamiek is voor de Habitatrichtlijnsoorten zodoende niet noodzakelijk. Vogelrichtlijnsoorten Het plangebied ligt binnen de maximale foerageerafstand en er is in het plangebied bovendien geschikt leefgebied van: De broedvogel aalscholver van Natura 2000-gebied Biesbosch
De niet-broedvogel taigarietgans van Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen De niet-broedvogels aalscholver, kleine zwaan, wilde zwaan, toendrarietgans, kolgans, grauwe gans, brandgans, smient, krakeend, wintertaling, wilde eend, scholekster, goudplevier, kievit, kemphaan, grutto en wulp van Natura 2000-gebied Rijntakken1
Van deze Vogelrichtlijnsoorten2 kan het voorkomen van overvliegende individuen in het plangebied niet uitgesloten worden. Het is mogelijk dat (sommige van) deze Vogelrichtlijnsoorten tegen de windturbines aanvliegen en overlijden. Hierom zijn negatieve effecten door mechanische verstoring niet uitgesloten, vooral tijdens de gebruiksfase. Afhankelijk van de hoeveelheid aanvaringsslachtoffers kan vervolgens een verandering in de populatiedynamiek van de soorten optreden (Sovon, 2019). Daarom kan een effect van deze storingsfactor voor deze vogelsoorten niet uitgesloten worden. In hoofdstuk 6 wordt daarom per Vogelrichtlijnsoort aangegeven welke effecten mogelijk significant zijn en waarom. Voor de overige Vogelrichtlijnsoorten van Natura 2000-gebieden zijn negatieve effecten door mechanische verstoring en verandering in populatiedynamiek voor zowel de aanlegfase als gebruiksfase uitgesloten (zie ook bijlage 1). Reden daarvan is dat het plangebied buiten de maximale foerageerafstand ligt van de vogelsoorten en/of geschikt foerageerhabitat van de vogelsoorten ontbreekt waardoor het foerageren en overvliegen van soorten wordt uitgesloten. Voor deze laatste soorten is een toetsing van effecten van de storingsfactoren verstoring door mechanische effecten en verandering in populatiedynamiek zodoende niet noodzakelijk.
5.3
Interne saldering
Het plaatsen van windturbines vraagt geen functiewijziging; de gronden houden hun agrarische bestemming. De plaatsing van de windturbines leidt daarom niet tot een blijvende daling van de uitstoot van stikstofoxiden en/of ammoniak. Daarom zijn er in dit geval geen mogelijkheden voor ‘interne saldering’.
1
In een uitgevoerd ecologisch onderzoek (Waardenburg Ecology, 2024) wordt daarnaast melding gemaakt van oeverzwaluw en zwarte stern, beide met een instandhoudingsdoelstelling als broedvogel. Op deze soorten wordt geen effect verwacht. Voor de zwarte stern komt dat door de relatief beperkte foerageerafstand (2 km), op de oeverzwaluw wordt geen effect verwacht vanwege het ontbreken van geschikt foerageergebied binnen 6 km afstand van broedplaatsen in het Natura 2000-gebied Rijntakken. 2 Zie bijlage 1 voor een overzicht van de maximale foerageerafstanden per vogelsoort
1
29/71
Kenmerk
R001-1295068NJE-V05-kzo-NL
6 Passende beoordeling stikstofdepositie en aanvaringen van vogels met windturbines 6.1
Inleiding
Om te kunnen beoordelen in hoeverre sprake is of kan zijn van significante effecten op Natura 2000-gebieden is eerst een ‘voortoets’ uitgevoerd. De resultaten daarvan zijn te vinden in hoofdstuk 5. De tussenconclusie uit de voortoets is dat het plaatsen van windturbines theoretisch weliswaar op veel verschillende manieren invloed zou kunnen hebben op Natura 2000-gebieden maar dat bij nadere beschouwing daarvan is gebleken dat alleen de storingsfactoren ‘mechanische effecten’ (het tegen wieken aanvliegen van vogels) en de effecten van stikstofdepositie mogelijk significant zijn. Beide effecten worden daarom in dit hoofdstuk ‘passend beoordeeld’. Van alle andere storingsfactoren is gebleken dat deze in deze situatie niet relevant zijn of met zekerheid geen significant effect hebben. Alle informatie daarover is te vinden in hoofdstuk 5.
6.2
Stikstofdepositie
6.2.1 Inleiding Stikstof is weliswaar een essentiële voedingsstof voor planten, maar een overmaat van stikstof kan leiden tot een verandering in de vegetatiesamenstelling door verzuring en/of vermesting. Snelgroeiende soorten zoals brandnetels en bepaalde grassen profiteren van een teveel van stikstofverbindingen en overwoekeren en verdringen plantensoorten met een voorkeur voor (meer) voedselarme milieus. Hierdoor kunnen bijzondere vegetaties van relatief voedselarme standplaatsen verruigen en kenmerkende (zeldzame) plantensoorten verdwijnen. Dit kan ertoe leiden dat habitattypen soortenarmer worden en uiteindelijk ook dat het areaal van habitattypen met die verdwijnende plantensoorten afneemt. Als gevolg van het afnemen of verdwijnen van plantensoorten kunnen ook insectensoorten (bijvoorbeeld vlinders) die afhankelijk zijn van de verdrongen planten verdwijnen. Dit kan weer schadelijk zijn voor vogels die op deze insecten jagen. Een overschot aan stikstof kan zo in een ecosysteem voor een algehele achteruitgang van biodiversiteit zorgen. Zo’n overschot wordt veroorzaakt door een overmaat van ammoniak en/of stikstofoxiden, stoffen die door de lucht worden verspreid en die (ook) in Natura 2000-gebieden deponeren.
Terminologie en uitgangspunten In dit onderzoek naar de mogelijke effecten van stikstofdepositie worden de volgende afkortingen gebruikt: ADW: Achtergrond DepositieWaarde, dat is de reeds aanwezige depositie die veroorzaakt
wordt door andere bronnen in en rond dit plangebied KDW: Kritische DepositieWaarde, dat is de mate van stikstofdepositie die een habitattype of leefgebied nog net kan verdragen zonder dat sprake is van significante effecten