CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 - Bijlage XVII planMER - Passende Beoordeling Duurzame Polder

Gemeenteraad 22 mei 2025, gemeente OssBij agendapunt: B Duurzame Polder - goedkeuring voorkeursalternatief27.241 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

In de NDFF database zijn binnen het plangebied in de afgelopen 10 jaar ook waarnemingen bekend van de krakeend (NDFF, 2024). Omdat de krakeend gedurende de nacht vliegt, en de kans op aanvaringen gedurende de nacht groter is door de dan verminderde zichtbaarheid van de windturbines is de kans relatief groot dat de krakeend effecten ondervindt van het plaatsen en in gebruik hebben van windmolens. In het Natura 2000-gebied Rijntakken wordt de instandhoudingsdoelstelling voor het aantal foeragerende individuen behaald (Sovon, 2024). Gedurende de afgelopen jaren zijn er gemiddeld 2.547 individuen waargenomen, ver boven de instandhoudingsdoelstelling van 340 individuen (SOVON, 2024). De afgelopen 12 jaar is een significante toename van meer dan 5 % per jaar in de aantalsveranderingen van de populatie. Hoewel verstoring en het doden van individuen tijdens de aanlegfase en de gebruiksfase niet

1

57/71

Kenmerk

R001-1295068NJE-V05-kzo-NL

uitgesloten kunnen worden is geen sprake van significant negatieve effecten doordat de instandhoudingsdoelstelling van de soort ruim behaald wordt. Het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit is niet noodzakelijk. Wintertaling (niet-broedvogel) De wintertaling komt in het gehele Natura 2000-gebied voor (Provincie Gelderland, 2018). De maximale foerageerafstand van de wintertaling is 9 kilometer. Doordat het plangebied op minder dan 4 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied Rijntakken gelegen is, ligt dit binnen de maximale foerageerafstand van de wintertaling. Het grasland binnen en in de omgeving van het plangebied vormt geen ideaal foerageerhabitat voor de wintertaling, maar de soort komt er wel voor (Ministerie van LNV, 2008). Het binnen het plangebied voorkomen van foeragerende en overvliegende individuen van de soort kan daarom niet uitgesloten worden. In de NDFF database zijn in de afgelopen 10 jaar ook binnen het plangebied bekend waarnemingen van de wintertaling (NDFF, 2024). Omdat de wintertaling gedurende de nacht vliegt, en de kans op aanvaringen gedurende de nacht groter is door de dan verminderde zichtbaarheid van de windturbines is de kans relatief groot dat de wintertaling effecten ondervindt van het plaatsen en in gebruik hebben van windmolens.

In het Natura 2000-gebied Rijntakken wordt de instandhoudingsdoelstelling voor het aantal foeragerende individuen behaald (Sovon, 2024). Gedurende de afgelopen jaren zijn er gemiddeld 1.203 individuen waargenomen, boven de instandhoudingsdoelstelling van 1.100 individuen ligt (SOVON, 2024). De afgelopen 12 jaar is er een significante toename van minder dan 5 % per jaar in de aantalsverandering van de populatie. Hoewel verstoring en het doden van individuen tijdens de aanlegfase en de gebruiksfase niet uitgesloten kunnen worden is geen sprake van significant negatieve effecten doordat de instandhoudingsdoelstelling van de soort ruim behaald wordt. Het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit is niet noodzakelijk. Wilde eend (niet-broedvogel) De wilde eend komt in het gehele Natura 2000-gebied voor (Provincie Gelderland, 2018). De maximale foerageerafstand van de wilde eend is 26 kilometer. Doordat het plangebied op minder dan 4 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied Rijntakken gelegen is, ligt dit binnen de maximale foerageerafstand van de wilde eend. Het grasland binnen en in de omgeving van het plangebied vormt geen ideaal foerageerhabitat voor de wilde eend, maar de soort komt er wel voor (Ministerie van LNV, 2008).

Het voorkomen van binnen het plangebied foeragerende en overvliegende individuen van de soort kan daarom niet uitgesloten worden. In de NDFF database zijn in de afgelopen 10 jaar ook waarnemingen van de wilde eend binnen het plangebied bekend (NDFF, 2024). Omdat de wilde eend gedurende de nacht vliegt, en de kans op aanvaringen gedurende de nacht groter is door de dan verminderde zichtbaarheid van de windturbines is de kans relatief groot dat de wilde eend effecten ondervindt van het plaatsen van windmolens. In het Natura 2000-gebied Rijntakken wordt de instandhoudingdoelstelling voor het aantal foeragerende individuen niet behaald (Sovon, 2024). Gedurende de afgelopen jaren zijn er gemiddeld 3.710 individuen waargenomen, ver onder de instandhoudingsdoelstelling van 6.100 individuen (SOVON, 2024). De afgelopen 12 jaar is er een significante afname van minder dan 5 % per jaar in de aantalsveranderingen van de populatie. Doordat de instandhoudingsdoelstelling

1

58/71

Kenmerk

R001-1295068NJE-V05-kzo-NL

van de soort niet behaald wordt en verstoring en doden van individuen tijdens de aanlegfase en gebruiksfase niet uitgesloten kunnen worden is de kans op significant negatieve effecten groot. Wanneer de uitvoeringsplannen voor de windturbines concreet zijn, dient deze passende beoordeling aangevuld te worden om de eventuele significantie van de negatieve effecten uit te sluiten danwel vast te stellen. Hieruit zal blijken of het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit noodzakelijk is. Scholekster (niet-broedvogel) De scholekster komt in het gehele Natura 2000-gebied voor (Provincie Gelderland, 2018). De maximale foerageerafstand van de scholekster is 15 kilometer. Doordat het plangebied op minder dan 4 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied Rijntakken gelegen is, ligt dit binnen de maximale foerageerafstand van de scholekster. Het grasland binnen en in de omgeving van het plangebied vormt geschikt foerageerhabitat voor de scholekster waar de soort kan foerageren op regenwormen en insecten (Ministerie van LNV, 2008). Het voorkomen van foeragerende en overvliegende individuen van de soort kan daarom niet uitgesloten worden binnen het plangebied. In de NDFF database zijn binnen het plangebied in de afgelopen 10 jaar ook waarnemingen van de scholekster bekend (NDFF, 2024).

Omdat de scholekster gedurende de nacht vliegt, en de kans op aanvaringen gedurende de nacht groter is door de dan verminderde zichtbaarheid van de windturbines is de kans relatief groot dat de scholekster effecten ondervindt van het plaatsen en in gebruik hebben van windmolens. In het Natura 2000-gebied Rijntakken wordt de instandhoudingsdoelstelling voor het aantal foeragerende individuen niet behaald (Sovon, 2024). Gedurende de afgelopen jaren zijn er gemiddeld 130 individuen waargenomen, wat ver onder het instandhoudingsdoel van 340 individuen ligt (SOVON, 2024). De afgelopen 12 jaar is er een significante afname van meer dan 5 % van de populatie. Doordat de instandhoudingsdoelstelling van de soort niet behaald wordt en verstoring en doden van individuen tijdens de aanlegfase en gebruiksfase niet uitgesloten kunnen worden is de kans op significant negatieve effecten groot. Wanneer de uitvoeringsplannen voor de windturbines concreet zijn, dient deze passende beoordeling daarom aangevuld te worden om de eventuele significantie van de negatieve effecten uit te sluiten danwel vast te stellen. Hieruit zal blijken of het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit noodzakelijk is. Goudplevier (niet-broedvogel) De goudplevier komt in het gehele Natura 2000-gebied voor (Provincie Gelderland, 2018).

De maximale foerageerafstand van de goudplevier is 15 kilometer. Doordat het plangebied op minder dan 4 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied Rijntakken gelegen is, ligt dit binnen de maximale foerageerafstand van de goudplevier. Het grasland binnen en in de omgeving van het plangebied vormt geschikt foerageerhabitat voor de goudplevier waar de soort kan foerageren op regenwormen en insecten (Ministerie van LNV, 2008). Het voorkomen van binnen het plangebied foeragerende en overvliegende individuen van de soort kan daarom niet uitgesloten worden. In de NDFF database zijn in de afgelopen 10 jaar ook waarnemingen van de goudplevier binnen het plangebied bekend (NDFF, 2024). Omdat de goudplevier gedurende de nacht vliegt, en de kans op aanvaringen gedurende de nacht groter is door de dan verminderde zichtbaarheid van de windturbines is de kans relatief groot dat de goudplevier effecten ondervindt van het plaatsen en

1

59/71

Kenmerk

R001-1295068NJE-V05-kzo-NL

in gebruik hebben van windmolens. In het Natura 2000-gebied Rijntakken wordt de instandhoudingsdoelstelling voor het aantal foeragerende individuen niet behaald (Sovon, 2024). Gedurende de afgelopen jaren zijn er gemiddeld 52 individuen waargenomen, ver onder de instandhoudingsdoelstelling van 140 individuen (SOVON, 2024). De afgelopen 12 jaar is er geen trend aantoonbaar in het verloop van de populatie. Doordat de instandhoudingsdoelstelling van de soort niet behaald wordt en verstoring en doden van individuen tijdens de aanlegfase en gebruiksfase niet uitgesloten kunnen worden is de kans op significant negatieve effecten groot. Wanneer de uitvoeringsplannen voor de windturbines concreet zijn, dient deze passende beoordeling daarom aangevuld te worden om de eventuele significantie van de negatieve effecten uit te sluiten danwel vast te stellen. Hieruit zal blijken of het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit noodzakelijk is. Kievit (niet-broedvogel) De kievit komt in het gehele Natura 2000-gebied voor (Provincie Gelderland, 2018). Er wordt verwacht dat de soort op vergelijkbare afstanden foerageert als de wulp. De maximale foerageerafstand van de kievit wordt daarom ingeschat op 15 kilometer.

Doordat het plangebied op minder dan 4 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied Rijntakken gelegen is, ligt dit binnen de maximale foerageerafstand van de kievit. Het grasland binnen en in de omgeving van het plangebied vormt geschikt foerageerhabitat voor de kievit waar de soort kan foerageren op ongewervelden (Ministerie van LNV, 2008). Het binnen het plangebied voorkomen van foeragerende en overvliegende individuen van de soort kan daarom niet uitgesloten worden. In de NDFF database zijn in de afgelopen 10 jaar ook waarnemingen van de kievit binnen het plangebied bekend (NDFF, 2024). Omdat de kievit gedurende de nacht vliegt, en de kans op aanvaringen gedurende de nacht groter is door de dan verminderde zichtbaarheid van de windturbines is de kans relatief groot dat de scholekster effecten ondervindt van het plaatsen en in gebruik hebben van windmolens. In het Natura 2000-gebied Rijntakken wordt de instandhoudingsdoelstelling voor het aantal foeragerende individuen niet behaald (Sovon, 2024). Gedurende de afgelopen jaren zijn er gemiddeld 2.115 individuen waargenomen, ver onder de instandhoudingsdoelstelling van 8.100 individuen (SOVON, 2024). De afgelopen 12 jaar is er een significante afname van meer dan 5 % van de populatie.

Doordat de instandhoudingsdoelstelling van de soort niet behaald wordt en verstoring en doden van individuen tijdens de aanlegfase en gebruiksfase niet uitgesloten kunnen worden is de kans op significant negatieve effecten groot. Wanneer de uitvoeringsplannen voor de windturbines concreet zijn, dient deze passende beoordeling daarom aangevuld te worden om de eventuele significantie van de negatieve effecten uit te sluiten danwel vast te stellen. Hieruit zal blijken of het aanvragen van een omgevingsvergunning voor deze soort noodzakelijk is. Kemphaan (niet-broedvogel) De kemphaan komt verspreid in het hele Natura 2000-gebied voor (Provincie Gelderland, 2018). De maximale foerageerafstand van de kemphaan is 15 kilometer. Doordat het plangebied op minder dan 4 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied Rijntakken gelegen is, ligt dit binnen de maximale foerageerafstand van de kemphaan. Het grasland binnen en in de omgeving van het plangebied vormt geschikt foerageerhabitat voor de kemphaan waar de soort kan foerageren op

1

60/71

Kenmerk

R001-1295068NJE-V05-kzo-NL

bodemfauna (Ministerie van LNV, 2008). Het voorkomen van binnen het plangebied foeragerende en overvliegende individuen van de soort kan daarom niet uitgesloten worden. In de NDFF database zijn in de afgelopen 10 jaar ook veel waarnemingen bekend van de kemphaan binnen het plangebied (NDFF, 2024). Omdat de kemphaan zowel overdag als ‘s nachts vliegt, en de kans op aanvaringen gedurende de nacht groter is door de dan verminderde zichtbaarheid van de windturbines is de kans relatief groot dat de kemphaan effecten ondervindt van het plaatsen en in gebruik hebben van windmolens. In het Natura 2000-gebied Rijntakken wordt de instandhoudingsdoelstelling voor het aantal foeragerende individuen niet behaald (Sovon, 2024). In het Natura 2000-gebied Rijntakken wordt de instandhoudingsdoelstelling voor het aantal foeragerende individuen bij lange na niet behaald (Sovon, 2024). In 2021/2022 zijn slechts 15 foeragerende individuen waargenomen, bij een instandhoudingsdoelstelling van 1.000 individuen. De trendlijn laat zien dat sinds 1975 de instandhoudingsdoelstelling voor de soort niet meer is behaald. Doordat de instandhoudingsdoelstelling van de soort niet behaald wordt en verstoring en doden van individuen tijdens de aanlegfase en gebruiksfase niet uitgesloten kunnen worden is de kans op significant negatieve effecten groot.

Wanneer de uitvoeringsplannen voor de windturbines concreet zijn, dient deze passende beoordeling daarom aangevuld te worden om de eventuele significantie van de negatieve effecten uit te sluiten danwel vast te stellen. Hieruit zal blijken of het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit noodzakelijk is. Grutto (niet-broedvogel) De grutto komt verspreid in het hele Natura 2000-gebied voor (Provincie Gelderland, 2018). De maximale foerageerafstand van de grutto is 15 kilometer. Doordat het plangebied op minder dan 4 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied Rijntakken gelegen is, ligt dit binnen de maximale foerageerafstand van de grutto. Het grasland binnen en in de omgeving van het plangebied vormt geschikt foerageerhabitat voor de grutto waar de soort kan foerageren op kleine ongewervelden (Ministerie van LNV, 2008). Het voorkomen van binnen het plangebied foeragerende en overvliegende individuen van de soort kan daarom niet uitgesloten worden. In de NDFF database zijn in de afgelopen 10 jaar binnen het plangebied ook veel waarnemingen bekend van de grutto (NDFF, 2024). Omdat de grutto gedurende de dag vliegt, en de kans op aanvaringen gedurende de dag relatief klein zijn is de kans op aanvaringsslachtoffers minimaal.

In het Natura 2000-gebied Rijntakken wordt de instandhoudingsdoelstelling voor het aantal foeragerende individuen bij lange na niet behaald (Sovon, 2024). In 2021/2022 zijn slechts 45 foeragerende individuen waargenomen, bij een instandhoudingsdoelstelling van 690 individuen. De trendlijn laat zien dat sinds 1975 de instandhoudingsdoelstelling voor de soort niet meer is behaald. Doordat de instandhoudingsdoelstelling van de soort niet behaald wordt, maar de kans op aanvaringsslachtoffers gedurende de dag minimaal is, is er hoogstens een geringe kans op significant negatieve effecten. Wanneer de uitvoeringsplannen voor de windturbines concreet zijn, dient deze passende beoordeling daarom aangevuld te worden om de eventuele significantie van de negatieve effecten uit te sluiten danwel vast te stellen. Hieruit zal blijken of het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit noodzakelijk is.

1

61/71

Kenmerk

R001-1295068NJE-V05-kzo-NL

Wulp (niet-broedvogel) De wulp komt verspreid in het hele Natura 2000-gebied voor (Provincie Gelderland, 2018). De maximale foerageerafstand van de wulp is 15 kilometer. Doordat het plangebied op minder dan 4 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied Rijntakken gelegen is, ligt dit binnen de maximale foerageerafstand van de wulp. Het grasland binnen en in de omgeving van het plangebied vormt geschikt foerageerhabitat voor de wulp waar de soort kan foerageren op bodemfauna (Ministerie van LNV, 2008). Het voorkomen van binnen het plangebied foeragerende en overvliegende individuen van de soort kan daarom niet uitgesloten worden. In de afgelopen 10 jaar zijn binnen het plangebied ook veel waarnemingen van de wulp bekend (NDFF, 2024). Omdat de wulp gedurende de dag en de nacht vliegt, en de kans op aanvaringen gedurende de nacht groter is door de dan verminderde zichtbaarheid van de windturbines is de kans relatief groot dat de wulp effecten ondervindt van het plaatsen van windmolens op de vliegroute. In het Natura 2000-gebied Rijntakken wordt de instandhoudingsdoelstelling voor het aantal foeragerende individuen niet behaald (Sovon, 2024). In 2021/2022 zijn 561 foeragerende individuen waargenomen, terwijl als instandhoudingsdoelstelling 850 individuen zijn bepaald. De trendlijn laat zien dat sinds 1975 de instandhoudingsdoelstelling voor de soort niet zijn behaald.

Doordat de instandhoudingsdoelstelling van de soort niet behaald wordt en verstoring en doden van individuen tijdens de aanlegfase en gebruiksfase niet uitgesloten kunnen worden is de kans op significant negatieve effecten groot. Wanneer de uitvoeringsplannen voor de windturbines concreet zijn, dient deze passende beoordeling daarom aangevuld te worden om de eventuele significantie van de negatieve effecten uit te sluiten danwel vast te stellen. Hieruit zal blijken of het aanvragen van een omgevingsvergunning voor deze soort noodzakelijk is.

1

62/71

Kenmerk

R001-1295068NJE-V05-kzo-NL

7 Mogelijkheden voor mitigatie Uit de passende beoordeling blijkt dat significante effecten van het ‘Ontwerp Programma Duurzame Polder’ niet helemaal kunnen worden uitgesloten. De effecten op een aantal Natura 2000-gebieden door een tijdelijke toename van stikstofdepositie zijn mogelijk significant. Bij het bepalen van effecten en het beoordelen van de mogelijke significantie daarvan is nog geen rekening gehouden met mogelijkheden voor mitigerende maatregelen. Mitigerende maatregelen zijn maatregelen die de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling in elk geval verkleinen en mogelijk zelfs voorkomen. Mitigerende maatregelen zijn nodig om significante effecten te kunnen voorkomen dan wel uit te sluiten. Of een combinatie van maatregelen nodig is zal afhangen van de mogelijkheden om in een gebied maatregelen te treffen. De mitigerende maatregelen zijn uitvoerbaar. Ze dienen in de vervolgfase (Project-MER) te worden uitgewerkt en nader te worden onderzocht. In het navolgende worden enkele mogelijkheden voor mitigatie genoemd. Onderscheid wordt gemaakt in mitigatie van effecten van stikstofdepositie en mitigatie van effecten op vogels. Mogelijkheden voor mitigatie van effecten van stikstofdepositie Effecten van stikstofdepositie zijn in dit geval tijdelijk en beperkt tot de aanlegfase (aanbrengen fundering, aanvoer materialen, aanbrengen fundering, opbouw windmolens).

Reductie van effecten van stikstofdepositie is als volgt mogelijk:  Interne saldering. Hierop wordt ook ingegaan in paragraaf 5.3. Interne saldering mag worden betrokken tijdens de voortoets en kan dus ook gevolgen hebben voor de aard en de omvang 

van significante effecten Beperking emissies werkzaamheden. In toenemende mate is het mogelijk elektrisch aangedreven materieel te gebruiken voor de aanvoer van bouwmaterialen, het aanbrengen van funderingen en het opbouwen van de windmolens. Wanneer dat mogelijk is reduceert dat uiteraard de emissie van vooral stikstofoxiden en daarmee de omvang van de stikstofdepositie in daarvoor gevoelige Natura 2000-gebieden. De ontwikkelingen met betrekking tot emissiearm of -vrij materieel gaan momenteel erg snel. De verwachting is dan ook dat beperking van emissies mogelijk is. Omdat de beschikbaarheid van zulk emissievrij materieel nog wel erg beperkt is en de vraag groot kan dit een prijsopdrijvend en/of een

vertragend effect hebben Planning. Door werkzaamheden meer in de tijd te spreiden neemt de stikstofdepositie per jaar af. Dit reduceert de stikstofvracht (de totale hoeveelheid stikstof die wordt uitgestoten) dus niet maar zorgt ervoor dat de berekende toename per jaar in stikstofgevoelige Natura 2000gebieden wat kleiner wordt, waardoor de haalbaarheid toeneemt Externe saldering. Dit is het ‘per saldo’ reduceren van de omvang van stikstofdepositie door het tijdelijk of permanent opkopen en saneren van andere bronnen van stikstofemissies. Aangetoond moet worden dat de opkoop van emissierechten niet nodig is als ‘passende maatregel’ in Natura 2000-gebieden. Hiervoor moet voldaan worden aan het ‘additionaliteitsvereiste’; dit is een onderzoek dat antwoord moet geven op de vraag of reductie van stikstofdepositie niet eerst noodzakelijk is voor het terugdringen van de ‘deken van depositie’ over Natura 2000-gebieden. De ervaring leert dat dit lastig aantoonbaar is in

1

63/71

Kenmerk

R001-1295068NJE-V05-kzo-NL

gebieden waar al langdurig sprake is van te veel depositie. Veel provincies zijn daardoor momenteel erg terughoudend met het vergunnen van projecten die tijdelijk of permanent tot stijging van de hoeveelheid depositie leiden De genoemde mogelijkheden zouden, zo nodig in combinatie, afdoende moeten zijn om een tijdelijke toename van de depositie in Natura 2000-gebieden te kunnen voorkomen. Mogelijkheden voor mitigatie van effecten op vogels Effecten op vogels bestaan uit de kans op aanvaringen met turbinebladen. Deze effecten treden vrijwel uitsluitend op tijdens de gebruiksfase en zijn dus in beginsel blijvend van aard. Reductie van effecten op vogels is als volgt mogelijk: 

De opstelling van de windturbines aanpassen aan de belangrijkste vliegroutes van vogels. Gedacht kan worden aan opstellingen parallel met belangrijke vliegroutes in plaats van haaks daarop. De vliegroutes zijn op dit moment nog niet nauwkeurig bekend en moeten dus nader

worden onderzocht om er goed rekening mee te kunnen houden Het tijdelijk stilzetten van windturbines in perioden met veel vliegbewegingen van vogels. Hiermee is inmiddels enige ervaring opgedaan. Het stilzetten is met name effectief wanneer

de vliegbewegingen sterk geconcentreerd in tijd en ruimte plaatsvinden Het realiseren van voor vogels aantrekkelijke habitats om zo vliegbewegingen door opstellingen van windturbines en dus aanvaringsslachtoffers te beperken. De mogelijkheden voor zulke maatregelen verschillen per soort en gebied. Dit kan wellicht worden gecombineerd met en versterkt worden door de ontwikkelkansen/maatregelen uit het Ontwerp Programma

Er zijn voldoende mogelijkheden voor mitigerende maatregelen om significante effecten op zowel vogels als stikstofgevoelige habitats te voorkomen. Dit moet nog nader worden onderzocht tijdens het uitvoeren van een projectMER inclusief passende beoordeling op basis van de omgevingsvergunningaanvraag. Eindconclusie Er is op basis van deze passende beoordeling geen indicatie dat de voorgestelde ontwikkelingen in de Duurzame Polder op voorhand niet uitvoerbaar zouden zijn.

1

64/71

Kenmerk

R001-1295068NJE-V05-kzo-NL

8 Samenvatting De gemeenten Oss en ’s-Hertogenbosch werken sinds 2017 samen met provincie Noord-Brabant en het Rijk aan plannen voor het opwekken van duurzame energie in de Duurzame Polder. De Duurzame Polder bestaat uit de Lithse, Geffense, Rosmalense en Nulandse polder. Dit is het gebied tussen Oss, ’s-Hertogenbosch en de Maas. Beide gemeenteraden hebben de Duurzame Polder aangewezen als gebied voor grootschalige opwekking van duurzame energie met windturbines. Het project Duurzame Polder bestaat echter niet alleen uit de oprichting van windturbines. Beide gemeenten hebben de ambitie om in de Duurzame Polder tot een integrale gebiedsontwikkeling te komen, waarbij de opgave voor het opwekken van duurzame energie wordt beschouwd in samenhang met andere belangen, zoals klimaatadaptatie, wonen, landbouw, natuur, recreatie en cultuurhistorie. De plannen kunnen gevolgen hebben voor Natura 2000-gebieden in de omgeving. Deze gevolgen zijn daarom nader onderzocht. Dit rapport geeft de resultaten van dit onderzoek naar de mogelijke effecten van het plaatsen en in gebruik hebben van 30 windturbines in het plangebied op beschermde gebieden met de Natura 2000-status. Het onderzoek bestond uit een tweetal stappen, namelijk een voortoets en een passende beoordeling.

Voortoets Een voortoets is een verkennend onderzoek naar de mogelijke (en dus nader te onderzoeken) effecten op Natura 2000-gebieden. Alle mogelijke ‘storingsfactoren’ zijn daarbij onderzocht. De belangrijkste resultaten van de voortoets waren:  Effecten van stikstofdepositie zijn mogelijk op zeven Natura 2000-gebieden  

Effecten op vogels afkomstig uit drie Natura 2000-gebieden zijn mogelijk en moeten nader onderzocht worden Alle overige effecten konden in deze stap wel worden uitgesloten, zowel tijdens de aanlegfase als tijdens de fase waarin windturbines in gebruik zijn

Negatieve effecten door stikstofdepositie konden in eerste instantie niet uitgesloten worden in de volgende Natura 2000-gebieden:  Rijntakken  Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek   

Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen Kampina & Oisterwijkse Vennen Kolland & Overlangbroek

 

Lingegebied & Diekdijk-Zuid Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem

1

65/71

Kenmerk

R001-1295068NJE-V05-kzo-NL

Negatieve effecten op vogels konden in eerste instantie niet uitgesloten worden op:  

De broedvogel aalscholver afkomstig uit Natura 2000-gebied Biesbosch De niet-broedvogel taigarietgans afkomstig uit Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen

De niet-broedvogels kleine zwaan, wilde zwaan, toendrarietgans, kolgans, grauwe gans, brandgans, smient, krakeend, wintertaling, wilde eend, scholekster, goudplevier, kievit, kemphaan, grutto en wulp afkomstig uit Natura 2000-gebied Rijntakken

Al deze effecten zijn in de passende beoordeling nader onderzocht en beoordeeld. Passende beoordeling. Een passende beoordeling is een onderzoek naar alle effecten die mogelijk significant zijn. Significante effecten maken een ruimtelijke ontwikkeling vergunningplichtig. Ook kunnen bepaalde vervolgstappen noodzakelijk zijn. Alle effecten waarvan in de voortoets was aangegeven dat deze mogelijk significant zouden kunnen zijn, zijn in de passende beoordeling nader onderzocht. De bevindingen uit de passende beoordeling zijn de volgende: Stikstofdepositie De uitgevoerde AERIUS-berekening laat zien dat effecten kunnen optreden in zeven voor stikstofdepositie gevoelige Natura 2000-gebieden. De kans op significante effecten van de tijdelijke toename van de stikstofdepositie zijn per Natura 2000-gebied onderzocht. Daaruit blijkt de kans op effecten in de zeven Natura 2000-gebieden sterk uiteen loopt. Tabel 8.1 geeft een overzicht van de Natura 2000-gebieden en de aantallen habitattypen/ leefgebieden. Vooral de Natura 2000-gebieden Loonse en Drunense duinen & Leemkuilen en ’Kampina en Oisterwijkse vennen’ vallen op door de relatief grote aantallen habitattypen en leefgebieden met een meer dan kleine kans op effecten.

Tabel 8.1 Overzicht van aantallen habitattypen8 en leefgebieden van soorten met kans op significante effecten door een tijdelijke toename van stikstofdepositie tijdens de aanlegfase (per Natura 2000-gebied) Natura 2000-

Effecten op habitattypen

Effecten op Hrl-

Effecten op Vrl-

soorten

soorten

gebied D (kans

E

F (kans

Kans

Kans

Kans

Kans

E

uiterst

(kans

op

‘aanwezig’

uiterst

‘aanwezig’

‘aanwezig’

(kans

gering)

klein)

effecten)

Rijntakken

0x

3x

0x

0x

0x

0x

0x

2x

Vlijmens Ven,

1x

2x

1x

0x

1x

3x

0x

0x

gering

klein)

Moerputten en Bossche Broek

8

Onderscheid is gemaakt in habitattypen en zoekgebieden voor habitattypen. De beoordeling van de kans op effecten verschilt namelijk in sommige situaties

1

66/71

Kenmerk

R001-1295068NJE-V05-kzo-NL

Natura 2000-

Effecten op habitattypen

Effecten op Hrl-

gebied

Effecten op Vrl-

soorten

Loonse en

D (kans

E

soorten

F (kans

Kans

Kans

Kans

Kans

E

‘aanwezig’

uiterst

‘aanwezig’

‘aanwezig’

(kans

uiterst

(kans

op

gering)

klein)

effecten)

0x

0x

9x

0x

1x

1x

0x

0x

1x

11x

13x

0x

1x

4x

0x

0x

0x

1x

0x

0x

0x

0x

0x

0x

1x

4x

1x

1x

0x

0x

0x

0x

2x

1x

0x

0x

0x

0x

0x

0x

gering

klein)

Drunense Duinen & Leemkuilen Kampina & Oisterwijkse vennen Kolland & Overlangbroek Lingegebied & Diefdijk Zuid Loevestein, Pompveld en Kornsche Boezem

Aanvaringen van vogels met turbinebladen De voortoets laat zien dat in drie Natura 2000-gebieden instandhoudingsdoelstellingen gelden voor één of meer vogels die op basis van literatuur over pendelvluchten tussen broedgebieden, slaapplaatsen en foerageergebieden en de daarbij maximaal afgelegde ‘foerageerafstanden’ ook in het plangebied kunnen voorkomen. De kans op significante effecten op vogels zijn per Natura 2000-gebied en per soort onderzocht. Daaruit blijkt: 

Dat significante effecten op de aalscholver (afkomstig uit de Biesbosch) uitgesloten zijn, vooral omdat de soort overdag vliegt en de windturbines dan onder normale omstandigheden goed kan waarnemen. Ook op andere vogelsoorten met een instandhoudingsdoelstelling in Natura 2000-gebied Biesbosch zijn effecten uitgesloten Dat significante effecten op de taigarietgans (afkomstig uit het Natura 2000-gebied Kampina en Oisterwijkse vennen) uitgesloten zijn omdat het plangebied weliswaar geschikt is als foerageergebied maar toch geen waarde heeft voor deze soort omdat geen waarnemingen bekend zijn. Ook op andere vogelsoorten met een instandhoudingsdoelstelling in Natura 2000-gebied Kampina en Oisterwijkse vennen zijn effecten uitgesloten

Dat significante effecten op een aantal soorten in het Natura 2000-gebied Rijntakken niet zijn uitgesloten. Het niet kunnen uitsluiten van significante effecten heeft te maken met de periode waarin de soort de meeste pendelvluchten uitvoert (overdag of juist ’s nachts), in hoeverre de instandhoudingsdoelstelling van de soort wordt gehaald en welke trend de aantallen van de soort vertonen. Op de volgende soorten kunnen significante effecten niet op voorhand uitgesloten worden: -

1

Wilde eend

67/71

Kenmerk

R001-1295068NJE-V05-kzo-NL

-

Scholekster

-

Goudplevier Kievit Kemphaan

-

Wulp Kleine zwaan Wilde zwaan

-

Toendrarietgans Smient

Op alle overige soorten en habitattypen zijn significante effecten wél uitgesloten. Om de mogelijke effecten te reduceren zijn mitigerende maatregelen mogelijk. Welke maatregelen er precies toegepast en uitgevoerd gaan worden is nog niet bekend. In het rapport noemen we enkele mogelijke maatregelen waaraan kan worden gedacht. Daar is onderscheid gemaakt in mitigerende maatregelen om de effecten van stikstofdepositie te verkleinen en maatregelen om de effecten op vogels te verkleinen. Er zijn voldoende mogelijkheden voor mitigerende maatregelen om significante effecten op zowel vogels als stikstofgevoelige habitats te voorkomen. Dit moet nog nader worden onderzocht tijdens het uitvoeren van een projectMER inclusief passende beoordeling op basis van de omgevingsvergunningaanvraag. Eindconclusie Er is op basis van deze passende beoordeling geen indicatie dat de voorgestelde ontwikkelingen in de Duurzame Polder op voorhand niet uitvoerbaar zouden zijn.

1

68/71

Kenmerk

R001-1295068NJE-V05-kzo-NL

9 Literatuur Arcadis, 2023a. Natuurdoelanalyse Rijntakken (38). Eindconcept, d.d. 26 mei 2023. Arcadis, 2023b. Natuurdoelanalyse 132 Vlijmens Ven, Moerputten en Bossche Broek. d.d. 28 februari 2023. Arcadis, 2023c. Natuurdoelanalyse 131 Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen. d.d. 28 februari 2023. Arcadis, 2023d. Natuurdoelanalyse 133 Kampina & Oisterwijkse Vennen. d.d. 28 februari 2023. Arcadis, 2023e. Natuurdoelanalyse Lingegebied & Diefdijk-Zuid. d.d. 26 mei 2023. Arcadis, 2023f. Natuurdoelanalyse Loevestein, Pompveld en Kornsche Boezem (71). d.d. juni 2023. Gemeente ’s-Hertogenbosch, 2022. Slagkracht en ambitie. Met lef en energie de toekomst in. Bestuursakkoord gemeente ‘s-Hertogenbosch 2022-2026. Haarsma, A-J, 2011. De meervleermuis in Nederland. Rapport van de Zoogdiervereniging in opdracht van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw, en Innovatie, augustus 2011. Haarsma, A-J, 2015. Doe meer met vliegroutes van de meervleermuis. In: VLEN Nieuwsbrief 74 (1): 5-11. Heijligers, W., J. Tilborghs & R. van der Vliet, 2011. Maximale foerageerafstanden. Op een rij gezet voor 97 beschermde vogelsoorten. Vakblad toets, editie 0411, d.d. december 2011. Heijligers, W. en C. Wegstapel, 2016. Effecten 380 kV-hoogspanningsverbinding op vogels door aanvaringen Ministerie van LNV, 2008. Profieldocumenten van habitattypen, Habitatrichtlijnsoorten en Vogelrichtlijnsoorten.

Ministerie van LNV, 2012. Bijlagen Deel II. Stikstofgevoeligheid van leefgebieden van soorten. Versie november 2012. Ministerie van LNV, 2014. Definitief aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebied Rijntakken. Bekendmaking gepubliceerd in de Staatscourant van 29 april 2014 (nr. 12056). De aanwijzing betekende dat vier tot dan in het rivierengebied onderscheiden Natura 2000-gebieden werden samengevoegd tot één.

1

69/71

Kenmerk

R001-1295068NJE-V05-kzo-NL

Ministerie van LNV, 2017. PAS gebiedsanalyse 071 Loevestein, Pompveld en Kornsche Boezem. D.d. 15 december 2017. Provincie Gelderland, 2018. Beheerplan Natura 2000 Rijntakken (038). Vastgesteld door de Gedeputeerde Staten van Gelderland op 30-10-208, Gedeputeerde Staten van Overijssel d.d. 412-2018, Gedeputeerde Staten van Utrecht d.d. 27-11-2018, Ministerie van LNV d.d. 3-12-2018, Ministerie van L&W d.d. 17-12-2018. Provincie Noord-Brabant, 2017. Beheerplan Biesbosch Provincie Noord-Brabant, 2017. Beheerplan Kampina & Oisterwijkse Vennen Provincie Utrecht, 2023. Natuurdoelanalyse Natura 2000, Kolland en Overlangbroek (81). Eindversie, d.d. 31 maart 2023. Sijpe, Marc van de & Ludo Holsbeek, 2007. Hunting strategy and tympanate moth predation by the pond bat (Myotis dasycneme). In: Lutra 50 (2): 91-106. Sierdsema, H., van Els, P., van Irsel, J., (Sovon), 2019. Vogels van de Beerse Overlaat en analyse verstoring van vogels door windturbines. Waardenburg Ecology, 2024. Ecologische risicoanalyse windenergie Duurzame Polder. Onderzoek in het kader van de Omgevingswet en provinciaal beleid. Rapport i.o.v. gemeente Oss, samenstelling door ing. M.L.A. Disco. Wamelink, Wieger, Han van Dobben, Friso van der Zeeuw, Arjen van Hinsberg en Roland Bobbink, 2023. Overzicht van kritische depositiewaarden voor stikstof, toegepast op habitattypen en leefgebieden van Natura 2000.

Wageningen University & Research i.o.v. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Witteveen + Bos, 2023. Stikstofdepositieberekeningen aanlegfase. Projectcode 134741, d.d. september 2023. Sovon Vogelonderzoek Nederland, 2022. A701 Taigarietgans niet-broedvogel (Bouwsteen ten behoeve van het Strategisch Plan Natura 2000) Sovon Vogelonderzoek Nederland, 2022. A037 Kleine Zwaan niet-broedvogel (Bouwsteen ten behoeve van het Strategisch Plan Natura 2000) TAUW, 2024-a. Passende beoordeling Duurzame Polder. Rapport TAUW in opdracht van de gemeenten Oss en ’s-Hertogenbosch, kenmerk R001-1296287NJE-V04-sss-NL.

1

70/71

Kenmerk

R001-1295068NJE-V05-kzo-NL

TAUW, 2024-b. Nee-tenzijtoets Duurzame Polder. Rapport TAUW in opdracht van de gemeenten Oss en ’s-Hertogenbosch, kenmerk R002-1296287STH-V04-sss-NL. Webpagina’s:  www.duurzamepolder.nl  

www.natura2000.nl Nationale Databank Flora en Fauna, 2024 www.NDFF.nl www.ndff-ecogrid.nl

 

www.synbiosys.alterra.nl www.sovon.nl

1

71/71

Kenmerk

R001-1295068NJE-V05-kzo-NL

Bijlage 1

Maximale foerageerafstanden vogelsoorten van Natura 2000gebieden

Tabel 9.1 Maximale foerageerafstand van aangewezen Vogelrichtlijnsoorten van Natura 2000-gebieden rondom het plangebied. Aan de hand van de foerageerafstand is bepaald of de vogelsoort voor kan komen binnen het plangebied (Bron: Heiligers, Tilborghs & van der Vliet, 2011) Vogelsoort

Maximale

Voorkomen binnen

foerageerafstand

plangebied

Natura 2000-gebied Maasduinen (39 km tot plangebied) Broedvogels A004 Dodaars

0 km, gebiedsgebonden

Uitgesloten vanwege afstand

A008 Geoorde fuut

0 km, gebiedsgebonden

Uitgesloten vanwege afstand

A224 Nachtzwaluw

6 km

Uitgesloten vanwege afstand

A236 Zwarte specht

0 km, gebiedsgebonden

Uitgesloten vanwege afstand

A246 Boomleeuwerik

0 km, gebiedsgebonden

Uitgesloten vanwege afstand

A249 Oeverzwaluw

6 km

Uitgesloten vanwege afstand

A276 Roodborsttapuit

0 km, gebiedsgebonden

Uitgesloten vanwege afstand

A338 Grauwe klauwier

0 km, gebiedsgebonden

Uitgesloten vanwege afstand

Natura 2000-gebied Biesbosch (35 km tot plangebied) Broedvogels A017 Aalscholver

70 km

Kans op voorkomen binnen

A021 Roerdomp

0,4 km

Uitgesloten vanwege afstand

A081 Bruine kiekendief

5 km

Uitgesloten vanwege afstand

A119 Porseleinhoen

0 km, gebiedsgebonden

Uitgesloten vanwege afstand

A229 IJsvogel

0 km, gebiedsgebonden

Uitgesloten vanwege afstand

A272 Blauwborst

0 km, gebiedsgebonden

Uitgesloten vanwege afstand

A292 Snor

0 km, gebiedsgebonden

Uitgesloten vanwege afstand

A295 Rietzanger

0 km, gebiedsgebonden

Uitgesloten vanwege afstand

A005 Fuut

0 km, gebiedsgebonden

Uitgesloten vanwege afstand

A017 Aalscholver

20 km

Uitgesloten vanwege afstand

A027 Grote zilverreiger

15 km

Uitgesloten vanwege afstand

A034 Lepelaar

15 km

Uitgesloten vanwege afstand

A037 Kleine zwaan

12 km

Uitgesloten vanwege afstand

A041 Kolgans

30 km

Uitgesloten vanwege afstand

A043 Grauwe gans

30 km

Uitgesloten vanwege afstand

A045 Brandgans

30 km

Uitgesloten vanwege afstand

A050 Smient

11 km

Uitgesloten vanwege afstand

A051 Krakeend

5 km

Uitgesloten vanwege afstand

plangebied

Niet-broedvogels

Opmerking

Kenmerk

R001-1295068NJE-V05-kzo-NL

Vogelsoort

Maximale

Voorkomen binnen

foerageerafstand

plangebied

A052 Wintertaling

9 km

Uitgesloten vanwege afstand

A053 Wilde eend

26 km

Uitgesloten vanwege afstand

A054 Pijlstaart

2 km

Uitgesloten vanwege afstand

A056 Slobeend

1 km

Uitgesloten vanwege afstand

A059 Tafeleend

15 km

Uitgesloten vanwege afstand

A061 Kuifeend

15 km

Uitgesloten vanwege afstand

A068 Nonnetje

5 km

Uitgesloten vanwege afstand

Opmerking

aanname: als middelste zaagbek

A070 Grote zaagbek

5 km

Uitgesloten vanwege afstand

aanname: middelste zaagbek

A075 Zeearend

11 km

Uitgesloten vanwege afstand

aanname: als visarend

A094 Visarend

11 km

Uitgesloten vanwege afstand

A125 Meerkoet

0 km, gebiedsgebonden

Uitgesloten vanwege afstand

A156 Grutto

15 km

Uitgesloten vanwege afstand

Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse vennen (19 km tot plangebied) Broedvogels A004 Dodaars

0 km, gebiedsgebonden

Uitgesloten vanwege afstand

A276 Roodborsttapuit

0 km, gebiedsgebonden

Uitgesloten vanwege afstand

30 km

Kans op voorkomen binnen

Aanname: als

plangebied

kolgans en grauwe

Niet-broedvogels A039 Taigarietgans

gans Natura 2000-gebied Strabrechtse heide en Beuven (39 km tot plangebied) Broedvogels A021 Roerdomp

0,4 km

Uitgesloten vanwege afstand

A002 Woudaap

0 km, gebiedsgebonden

Uitgesloten vanwege afstand

6 km

Uitgesloten vanwege afstand

Niet-broedvogels A127 Kraanvogel

Natura 2000-gebied Leenderbos, Groote heide en de Plateaux (42 km tot plangebied) Broedvogels A224 Nachtzwaluw

6 km

Uitgesloten vanwege afstand

A246 Boomleeuwerik

0 km, gebiedsgebonden

Uitgesloten vanwege afstand

A276 Roodborsttapuit

0 km, gebiedsgebonden

Uitgesloten vanwege afstand

Natura 2000-gebied Rijntakken (3,8 km tot plangebied) Broedvogels A004 Dodaars

0 km gebiedsgebonden

Uitgesloten vanwege afstand

A017 Aalscholver

70 km

Kans op voorkomen binnen plangebied

A021 Roerdomp

0,4 km

Uitgesloten vanwege afstand

A022 Woudaap

0 km, gebiedsgebonden

Uitgesloten vanwege afstand

Kenmerk

R001-1295068NJE-V05-kzo-NL

Vogelsoort

Maximale

Voorkomen binnen

foerageerafstand

plangebied

A119 Porseleinhoen

0 km

Uitgesloten vanwege afstand

A122 Kwartelkoning

0 km, gebiedsgebonden

Uitgesloten vanwege afstand

A153 Watersnip

0 km, gebiedsgebonden

Uitgesloten vanwege afstand

A197 Zwarte stern

2 km

Uitgesloten vanwege afstand

A229 IJsvogel

0 km, gebiedsgebonden

Uitgesloten vanwege afstand

A249 Oeverzwaluw

6 km

Uitgesloten vanwege ontbreken

Opmerking

foerageergebied A272 Blauwborst

0 km, gebiedsgebonden

Uitgesloten vanwege afstand

A298 Grote karekiet

0 km, gebiedsgebonden

Uitgesloten vanwege afstand

A005 Fuut

0 km, gebiedsgebonden

Uitgesloten vanwege afstand

A017 Aalscholver

20 km

Kans op voorkomen in

A037 Kleine zwaan

12 km

A038 Wilde zwaan

10 km

Niet-broedvogels

plangebied Kans op voorkomen binnen plangebied Kans op voorkomen binnen plangebied A039 Toendrarietgans

30 km

Kans op voorkomen binnen

aanname: als

plangebied

grauwe gans en kolgans

A041 Kolgans

30 km

Kans op voorkomen binnen

A043 Grauwe gans

30 km

A045 Brandgans

30 km

A048 Bergeend

3 km

Uitgesloten vanwege afstand

A050 Smient

11 km

Kans op voorkomen binnen

A051 Krakeend

5 km

A052 Wintertaling

9 km

A053 Wilde eend

26 km

A054 Pijlstaart

2 km

Uitgesloten vanwege afstand

A056 Slobeend

1 km

Uitgesloten vanwege afstand

A059 Tafeleend

15 km

Uitgesloten vanwege ontbreken

plangebied Kans op voorkomen binnen plangebied Kans op voorkomen binnen plangebied

plangebied Kans op voorkomen binnen plangebied Kans op voorkomen binnen plangebied Kans op voorkomen binnen plangebied

foerageergebied A061 Kuifeend

15 km

Uitgesloten vanwege ontbreken foerageergebied

Kenmerk

Vogelsoort

R001-1295068NJE-V05-kzo-NL

Maximale

Voorkomen binnen

Opmerking

foerageerafstand

plangebied

A068 Nonnetje

5 km

Uitgesloten vanwege ontbreken

aanname: als

foerageergebied

middelste zaagbek

A125 Meerkoet

0 km, gebiedsgebonden

Uitgesloten vanwege afstand

A130 Scholekster

15 km

Kans op voorkomen binnen plangebied

A140 Goudplevier

15 km

Kans op voorkomen binnen plangebied

A142 Kievit

15 km

A151 Kemphaan

15 km

A156 Grutto

15 km

A160 Wulp

15 km

A162 Tureluur

2 km

Kans op voorkomen binnen

aanname: als wulp

plangebied Kans op voorkomen binnen

aanname: als wulp

plangebied Kans op voorkomen binnen plangebied Kans op voorkomen binnen plangebied Uitgesloten vanwege afstand

aanname: als wulp

Kenmerk

Bijlage 2

R001-1295068NJE-V05-kzo-NL

Beoordelingsschema’s stikstofgevoelige habitattypen, Habitatrichtlijnsoorten en Vogelrichtlijnsoorten

Kenmerk

R001-1295068NJE-V05-kzo-NL

Figuur B2.1 Systematiek beoordeling habitattypen

Figuur B2.2 Systematiek beoordeling Habitatrichtlijnsoorten

Kenmerk

R001-1295068NJE-V05-kzo-NL

Figuur B2.9.1 Systematiek beoordeling Vogelrichtlijnsoorten

Kenmerk

R001-1295068NJE-V05-kzo-NL

Bijlage 3

Gebiedsinformatie beoordeling stikstofdepositie Natura 2000-gebieden

Natura 2000-gebied Rijntakken In tabel B3.1 is de landelijke staat van instandhouding, kwaliteit, voorkomen en trend van de (naderend)overbelaste habitattypen en bijbehorende Vogelrichtlijnsoorten waarvoor instandhoudingsdoelstellingen gelden in Natura 2000-gebied Rijntakken. In tabel B3.2 zijn de knelpunten van de (naderend)overbelaste habitattypen en bijbehorende Vogelrichtlijnsoorten waarvoor instandhoudingsdoelstellingen gelden opgenomen. In tabel B3.3 zijn de totale oppervlakten en de oppervlakte met een toename van stikstofdepositie op ((naderend) overbelaste hexagonen) voor de aanlegfase voor stikstofgevoelige habitattypen en bijbehorende broedvogelsoorten van Natura 2000-gebied Rijntakken weergegeven. Tabel B3.1 landelijke staat van instandhouding, kwaliteit, voorkomen en trend van (naderend)overbelaste habitattypen en bijbehorende Vogelrichtlijnsoorten van Natura 2000-gebied Rijntakken (Arcadis, 2023a) Habitattype/

Omschrijving

soort

Landelijke

Kwaliteit in

Voorkomen

staat van

Natura

(ha)

instandhouding

2000-

(2008)*

gebied*

Trend**

Habitattype H6120

Stroomdalgraslanden

--

- of +

60

+

H6510A

Glanshaver- en

-

?

221

- of +

--

-

27

-

vossenstaarthooilanden (glanshaver) H91F0

Droge hardhoutooibossen

Broedvogel A122

Kwartelkoning

-

0 of +

Onbekend

--

A153

Watersnip

--

--

Onbekend

-

* ++ = zeer goede kwaliteit, + = goede kwaliteit, 0 = matige kwaliteit, - = slechte kwaliteit, -- = zeer slechte kwaliteit, ? = kwaliteit onbekend. Bij ‘of’ situaties wordt uitgegaan van de worst case scenario ** ++ = zeer positieve trend, + = positieve trend, 0 = stabiele trend, - = negatieve trend, - - = zeer negatieve trend Tabel B3.2 knelpunten van (naderend)overbelaste habitattypen en bijbehorende Vogelrichtlijnsoorten van Natura 2000-gebied Rijntakken (Arcadis, 2023a) Habitattype/soort

Omschrijving

Knelpunten

Stroomdalgraslanden

Habitattypen H6120

Verzuring als gevolg van verminderde rivierdynamiek en stikstofdepositie

Vermesting als gevolg van aanvoer van of overstroming met voedselrijk water/sediment en stikstofdepositie

Kenmerk

R001-1295068NJE-V05-kzo-NL

Habitattype/soort

Omschrijving

H6510A

Knelpunten 

Inadequaat beheer

Kwetsbaarheid door gering oppervlak

Verlies habitat door inrichtingsmaatregelen

Mechanische effecten

(natuurlijke) successie

Glanshaver- en

Verdroging als gevolg van lage rivierstanden

vossenstaarthooilanden

Verzuring als gevolg van verminderde

(glanshaver)

rivierdynamiek en stikstofdepositie 

Vermesting als gevolg van aanvoer van of overstroming met voedselrijk water/sediment en stikstofdepositie

H91F0

Droge hardhoutooibossen

Inadequaat beheer

Kwetsbaarheid door gering oppervlak

Verlies habitat door inrichtingsmaatregelen

Mechanische effecten

(natuurlijke) successie

Verzuring als gevolg van verminderde rivierdynamiek en stikstofdepositie

Vermesting als gevolg van aanvoer van of overstroming met voedselrijk water/sediment en stikstofdepositie

Inadequaat beheer

Kwetsbaarheid door gering oppervlak

Beperking door inrichting

Vermesting door stikstofdepositie

Inadequaat beheer

Natuurlijke successie pioniersituaties

Intensieve begrazing

Verstoring door recreatie

Versnippering leefgebied

Verdroging als gevolg van lage rivierstanden

Vermesting door aanvoer van of overstroming

Broedvogels A122

A153

Kwartelkoning

Watersnip

met voedselrijk water/sediment 

Verstoring door recreatie

Versnippering leefgebied

Kenmerk

R001-1295068NJE-V05-kzo-NL

Tabel B3.3 Totale oppervlakte en oppervlakte met toename stikstofdepositie op ((naderend) overbelaste hexagonen) voor de aanlegfase voor stikstofgevoelige aangewezen habitattypen en bijbehorende Vogelrichtlijnsoorten van Natura 2000-gebied Rijntakken (Arcadis, 2023a) Habitattype

Omschrijving

Totale oppervlakte

Ingetekende

% relevant

in Natura 2000-

oppervlakte

effect (%)

gebied (ha)

(nader) overbelast (ha)

H6120

Stroomdalgraslanden

60

4,83

8,05

H6510A

Glanshaver- en

221

10,97

4,96

27

0,65

2,41

vossenstaarthooilanden (glanshaver) H91F0

Droge hardhoutooibossen

A122

Kwartelkoning

Onbekend

Onbekend

Onbekend

A153

Watersnip

Onbekend

Onbekend

Onbekend

Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek In tabel B3.4 is de landelijke staat van instandhouding, kwaliteit, voorkomen en trend van de (naderend)overbelaste habitattypen en bijbehorende Habitatrichtlijnsoorten waarvoor instandhoudingsdoelstellingen gelden in Natura 2000-gebied Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek. In tabel B3.5 zijn de knelpunten van de (naderend)overbelaste habitattypen en bijbehorende Habitatrichtlijnsoorten waarvoor instandhoudingsdoelstellingen gelden opgenomen. In tabel B3.6 zijn de totale oppervlakten en de oppervlakte met een toename van stikstofdepositie op ((naderend) overbelaste hexagonen) voor de aanlegfase voor stikstofgevoelige habitattypen en bijbehorende Habitatrichtlijnsoorten van Natura 2000-gebied Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek weergegeven. Tabel B3.4 landelijke staat van instandhouding, kwaliteit, voorkomen en trend van (naderend)overbelaste habitattypen en bijbehorende Habitatrichtlijnsoorten van Natura 2000-gebied Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek (Arcadis, 2023b) Habitattype/

Omschrijving

soort

H3140hz

Kranswierwateren, op

Landelijke

Kwaliteit in

Voorkomen

staat van

Natura

(ha)

instandhouding

2000-

(2008)*

gebied*

Trend**

Matig ongunstig

++

1-1,5

?

hogere zandgronden H6230

Heischrale graslanden

Zeer ongunstig

- of +

1,5-5

?

H6410

Blauwgraslanden

Zeer ongunstig

- of +

50-100

0 of +

H6510A

Glanshaver- en

Matig ongunstig

0 of +

25-50

?

Zeer ongunstig

- of 0

Onbekend

0

vossenstaarthooilanden (glanshaver) H1059

Pimpernelblauwtje

Kenmerk

Habitattype/

R001-1295068NJE-V05-kzo-NL

Omschrijving

soort

H1061

Landelijke

Kwaliteit in

Voorkomen

staat van

Natura

(ha)

instandhouding

2000-

(2008)*

gebied*

Donker

Trend**

Zeer ongunstig

?

Onbekend

--

pimpernelblauwtje H1134

Bittervoorn

Matig ongunstig

0

Onbekend

?

H1831

Drijvende

Matig ongunstig

-- of -

Onbekend

--

waterweegbree * ++ = zeer goede kwaliteit, + = goede kwaliteit, 0 = matige kwaliteit, - = slechte kwaliteit, -- = zeer slechte kwaliteit, ? = kwaliteit onbekend. Bij ‘of’ situaties wordt uitgegaan van de worst case scenario ** ++ = zeer positieve trend, + = positieve trend, 0 = stabiele trend, - = negatieve trend, - - = zeer negatieve trend Tabel B3.5 knelpunten van (naderend)overbelaste habitattypen en bijbehorende Habitatrichtlijnsoorten van Natura 2000-gebied Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek (Arcadis, 2023b) Habitattype

Omschrijving

Knelpunten

H3140hz

Kranswierwateren, op hogere

Beheer van watergangen

zandgronden

Onvoldoende toevoer van basenrijke kwel en te hoge voedselrijkdom

H6230

Heischrale graslanden

Vegetatiekundige kwaliteit onbekend

Typische soorten in beperkte mate aanwezig

Verdroging door droge jaren

Ontbreken gegeven van abiotiek, structuur en functie

Beperkte aanvoer van basenrijke kwel uit grondwater en wegzakkende grondwaterstanden

H6410

Blauwgraslanden

Betreding door recreanten

Vegetatiekundige kwaliteit onbekend

Ontbreken van gegevens over abiotiek, structuur en functie

H6510A

Glanshaver- en

Vegetatiekundige kwaliteit onbekend

vossenstaarthooilanden

Typische soorten niet aanwezig

(glanshaver)

Te hoge stikstofdepositie

Afwezigheid van basenrijk grondwater

Ontbreken van gegevens van abiotiek, structuur en functie

H1059

Pimpernelblauwtje

Klimaat

Ontwatering

Kwelinvloed is verkleund

Inundatie met regenwater

Beheer

Connectiviteit

Kenmerk

R001-1295068NJE-V05-kzo-NL

Habitattype

Omschrijving

H1061

Donker pimpernelblauwtje

Knelpunten 

Aanwezigheid waardmieren

Kwetsbare omvang metapopulatie

Beheer

Inrichting natuurontwikkelingsterreinen

Geen bronpopulatie

H1134

Bittervoorn

Watergangen zijn te ondiep, te dichtbegroeid

H1831

Drijvende waterweegbree

Exoten (watercrassula)

Dominantie riet en liesgras

en hebben een te dikke sliblaag

Tabel B3.6 Totale oppervlakte en oppervlakte met toename stikstofdepositie op ((naderend) overbelaste hexagonen) voor de aanlegfase voor stikstofgevoelige aangewezen habitattypen en bijbehorende Habitatrichtlijnsoorten van Natura 2000-gebied Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek (Arcadis, 2023b) Habitattype

Omschrijving

Totale oppervlakte

Ingetekende

% relevant

in Natura 2000-

oppervlakte

effect (%)

gebied (ha)

(nader) overbelast (ha)

H3140hz

Kranswierwateren, op

1-1,5

0,23

15,33 – 23,00

hogere zandgronden H6230

Heischrale graslanden

1,5-5

2,15 – 3,29

43- 219,33

H6410

Blauwgraslanden

50-100

20,84

20,84-41,68

H6510A

Glanshaver- en

25-50

2,23

4,46-8,92

vossenstaarthooilanden (glanshaver) H1059

Pimpernelblauwtje

Onbekend

Onbekend

Onbekend

H1061

Donker

Onbekend

Onbekend

Onbekend

pimpernelblauwtje H1134

Bittervoorn

Onbekend

Onbekend

Onbekend

H1831

Drijvende

Onbekend

Onbekend

Onbekend

waterweegbree

Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen In tabel B3.7 is de landelijke staat van instandhouding, kwaliteit, voorkomen en trend van de (naderend)overbelaste habitattypen en bijbehorende Habitatrichtlijnsoorten waarvoor instandhoudingsdoelstellingen gelden in Natura 2000-gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen. In tabel B3.8 zijn de knelpunten van de (naderend)overbelaste habitattypen en bijbehorende Habitatrichtlijnsoorten waarvoor instandhoudingsdoelstellingen gelden opgenomen. In tabel B3.9 zijn de totale oppervlakten en de oppervlakte met een toename van stikstofdepositie op ((naderend) overbelaste hexagonen) voor de aanlegfase voor stikstofgevoelige habitattypen en bijbehorende Habitatrichtlijnsoorten van Natura 2000-gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen weergegeven.

Kenmerk

R001-1295068NJE-V05-kzo-NL

Tabel B3.7 landelijke staat van instandhouding, kwaliteit, voorkomen en trend van (naderend)overbelaste habitattypen en bijbehorende Habitatrichtlijnsoorten van Natura 2000-gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen (Arcadis, 2023c) Habitattype/

Omschrijving

soort

H2310

Stuifzandheiden met

Landelijke

Kwaliteit in

Voorkomen

staat van

Natura

(ha)

instandhouding

2000-

(2008)*

gebied*

Trend**

Zeer ongunstig

?

113,3

-

struikhei H2330

Zandverstuivingen

Zeer ongunstig

?

146,7

0

H3130

Zwakgebufferde

Matig ongunstig

?

5,8

- of 0

Zeer ongunstig

?

1,5

?

vennen H4030

Droge heiden

H6410

Blauwgraslanden

Zeer ongunstig

- of 0

0,1

0

H91E0C

Vochtige alluviale

Matig ongunstig

?

118,9

0

Matig ongunstig

?

72,6

?

Zeer ongunstig

- of +

13,7

?

?

162,5

0

bossen (beekbegeleidende bossen) H9120

Beuken-eikenbossen met hulst

H9160A

Eikenhaagbeukenbossen (hogere zandgronden)

H9190

Oude eikenbossen

Matig ongunstig

H1166

Kamsalamander

Matig ongunstig

+

Onbekend

0

H1813

Drijvende

Matig ongunstig

- of 0

Onbekend

-

waterweegbree * ++ = zeer goede kwaliteit, + = goede kwaliteit, 0 = matige kwaliteit, - = slechte kwaliteit, -- = zeer slechte kwaliteit, ? = kwaliteit onbekend. Bij ‘of’ situaties wordt uitgegaan van de worst case scenario ** ++ = zeer positieve trend, + = positieve trend, 0 = stabiele trend, - = negatieve trend, - - = zeer negatieve trend Tabel B3.8 knelpunten van (naderend)overbelaste habitattypen en bijbehorende Habitatrichtlijnsoorten van Natura 2000-gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen (Arcadis, 2023c) Habitattype

Omschrijving

Knelpunten

H2310

Stuifzandheiden met struikhei

Hoge recreatiedruk

Verzuring en vermesting door stikstofdepositie

Droogte/lage grondwaterstanden

Visie voor verstuiving ontbreekt op lange termijn

Exoten

Kenmerk

R001-1295068NJE-V05-kzo-NL

Habitattype

Omschrijving

Knelpunten

H2330

Zandverstuivingen

Hoge recreatiedruk

Verzuring en vermesting door stikstofdepositie

Droogte/lage grondwaterstanden

Visie voor verstuiving ontbreekt op lange termijn

H3130

Zwakgebufferde vennen

Exoten

Droogte/lage grondwaterstanden

Eutrofiëring door bomen, stikstofdepositie en mogelijk instroom van grondwater en oppervlaktewater

H4030

Droge heiden

Onvoldoende aanvoer bufferrijk grondwater

Hoge recreatiedruk

Verzuring en vermesting door stikstofdepositie

Droogte/lage grondwaterstanden

Visie voor verstuiving ontbreekt op lange termijn

H6410

Blauwgraslanden

Exoten

Klein oppervlak, geïsoleerde ligging

Mogelijke eutrofiëring door stikstofdepositie, grondwater en nalevering uit het verleden

H91E0C

Vochtige alluviale bossen

Exoten

Beperkt oppervlak, versnippering en

(beekbegeleidende bossen)

geïsoleerde ligging 

Mogelijke eutrofiëring door stikstofdepositie en nalevering uit het verleden

H9120

Beuken-eikenbossen met hulst

Exoten

Beperkt oppervlak, versnippering en geïsoleerde ligging

Mogelijke eutrofiëring door stikstofdepositie en nalevering uit verleden

H9160A

Eiken-haagbeukenbossen (hogere

Exoten

Beperkt oppervlak, versnippering en

zandgronden)

geïsoleerde ligging 

Mogelijke eutrofiëring door stikstofdepositie en nalevering uit verleden

H9190

H1166

Oude eikenbossen

Kamsalamander

Hoge recreatiedruk

Verzuring door stikstofdepositie

Droogte/lage grondwaterstanden

Exoten

Aanwezigheid exoten (watercrassula en rivierkreeften)

Aanwezigheid van vis

Kenmerk

R001-1295068NJE-V05-kzo-NL

Habitattype

Omschrijving

H1813

Drijvende waterweegbree

Knelpunten 

Overgroeiing van wateren

Onvoldoende waterkwaliteit en kweldruk

Sucsessie

Aanwezigheid exoten (watercrassula)

Tabel B3.9 Totale oppervlakte en oppervlakte met toename stikstofdepositie op ((naderend) overbelaste hexagonen) voor de aanlegfase voor stikstofgevoelige aangewezen habitattypen en bijbehorende Habitatrichtlijnsoorten van Natura 2000-gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen (Arcadis, 2023c) Habitattype

Omschrijving

Totale oppervlakte

Ingetekende

% relevant

in Natura 2000-

oppervlakte

effect (%)

gebied (ha)

(nader) overbelast (ha)

H2310

Stuifzandheiden met

113,3

83,49

73,69

struikhei H2330

Zandverstuivingen

146,7

141,49

96,45

H3130

Zwakgebufferde vennen

5,8

6,98

120,34

H4030

Droge heiden

1,5

2,57

171,33

H6410

Blauwgraslanden

0,1

0,10

100,00

H91E0C

Vochtige alluviale bossen

118,9

66,85

56,22

72,6

71,26

98,15

13,7

11,95

87,22

(beekbegeleidende bossen) H9120

Beuken-eikenbossen met hulst

H9160A

Eikenhaagbeukenbossen (hogere zandgronden)

H9190

Oude eikenbossen

162,5

150,10

92,36

H1166

Kamsalamander

Onbekend

Onbekend

Onbekend

H1813

Drijvende

Onbekend

Onbekend

Onbekend

waterweegbree

Kampina & Oisterwijkse Vennen In tabel B3.10 is de landelijke staat van instandhouding, kwaliteit, voorkomen en trend van de (naderend)overbelaste habitattypen en bijbehorende Habitatrichtlijnsoorten en Vogelrichtlijnsoorten waarvoor instandhoudingsdoelstellingen gelden in Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen. In tabel B3.11 zijn de knelpunten van de (naderend)overbelaste habitattypen en bijbehorende Habitatrichtlijnsoorten en Vogelrichtlijnsoorten waarvoor instandhoudingsdoelstellingen gelden opgenomen. In tabel B3.12 zijn de totale oppervlakten en de oppervlakte met een toename van stikstofdepositie op ((naderend) overbelaste hexagonen) voor de aanlegfase voor stikstofgevoelige habitattypen en bijbehorende Habitatrichtlijnsoorten en Vogelrichtlijnsoorten van Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen weergegeven.

Kenmerk

R001-1295068NJE-V05-kzo-NL

Tabel B3.10 landelijke staat van instandhouding, kwaliteit, voorkomen en trend van (naderend)overbelaste habitattypen en bijbehorende Habitatrichtlijnsoorten en Vogelrichtlijnsoorten van Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen (Arcadis, 2023d) Habitattype/

Omschrijving

soort

H2310

Stuifzandheiden met

Landelijke

Kwaliteit in

Voorkomen

staat van

Natura

(ha)

instandhouding

2000-

(2008)*

gebied*

Trend**

Zeer ongunstig

?

170,68

?

Zeer ongunstig

?

4,82

?

struikhei ZGH2310

Stuifzandheiden met struikhei

H2330

Zandverstuivingen

Zeer ongunstig

?

26,60

0

H3110

Zeer zwakgebufferde

Zeer ongunstig

+

32,70

-

Matig ongunstig

?

41,66

+

Matig ongunstig

?

7,86

+

?

96,03

?

vennen H3130

Zwakgebufferde vennen

ZGH3130

Zwakgebufferde vennen

H3160

Zure vennen

Matig ongunstig

ZGH3160

Zure vennen

Matig ongunstig

?

8,72

?

H4010A

Vochtige heiden

Matig ongunstig

? of +

238,24

0

Matig ongunstig

? of +

23,09

0

(hogere zandgronden) ZGH4010A

Vochtige heiden (hogere zandgronden)

H4030

Droge heiden

Zeer ongunstig

?

367,69

+

ZGH4030

Droge heiden

Zeer ongunstig

?

1,73

+

H6410

Blauwgraslanden

Zeer ongunstig

?

8,92

-

H7110B

Actieve hoogvenen

Zeer ongunstig

?

42,78

0

Zeer ongunstig

?

0,10

0

Matig ongunstig

? of +

9,10

+

Matig ongunstig

? of +

9,10

+

(heideveentjes) ZGH7110B

Actieve hoogvenen (heideveentjes)

H7150

Pioniervegetaties met snavelbiezen

ZGH7150

Pioniervegetaties met snavelbiezen

H7210

Galigaanmoerassen

Matig ongunstig

?

0,37

0

H9120

Beuken-eikenbossen

Matig ongunstig

+

141,51

?

16,53

?

met hulst H9190

Oude eikenbossen

Matig ongunstig

+

ZGH9190

Oude eikenbossen

Matig ongunstig

+

25,63

?

H91D0

Hoogveenbossen

Matig ongunstig

?

112,35

?

ZGH91D0

Hoogveenbossen

Matig ongunstig

?

20,61

?

Kenmerk

Habitattype/

R001-1295068NJE-V05-kzo-NL

Omschrijving

soort

H91E0C

Vochtige alluviale

Landelijke

Kwaliteit in

Voorkomen

staat van

Natura

(ha)

instandhouding

2000-

(2008)*

gebied*

Trend**

Matig ongunstig

0

48,76

0

Matig ongunstig

0

44,55

0

bossen (beekbegeleidende bossen) ZGH91E0C

Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)

H1042

Gevlekte witsnuitlibel

Zeer ongunstig

?

Onbekend

?

H1166

Kamsalamander

Matig ongunstig

- of +

Onbekend

0

H1831

Drijvende

Matig ongunstig

?

Onbekend

0 of +

waterweegbree A004

Dodaars

Gunstig

?

Onbekend

--

A276

Roodborsttapuit

Gunstig

?

Onbekend

-

* ++ = zeer goede kwaliteit, + = goede kwaliteit, 0 = matige kwaliteit, - = slechte kwaliteit, -- = zeer slechte kwaliteit, ? = kwaliteit onbekend. Bij ‘of’ situaties wordt uitgegaan van de worst case scenario ** ++ = zeer positieve trend, + = positieve trend, 0 = stabiele trend, - = negatieve trend, - - = zeer negatieve trend Tabel B3.11 knelpunten van (naderend)overbelaste habitattypen en bijbehorende Habitatrichtlijnsoorten van Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen (Arcadis, 2023d) Habitattype

Omschrijving

Knelpunten

H2310

Stuifzandheiden met struikhei

Stikstofdepositie

ZGH2310

Stuifzandheiden met struikhei

Recreatie

Lage pH en extreme schraalheid

Kleine omvang

Recreatie

H2330

Zandverstuivingen

H3110

Zeer zwakgebufferde vennen

Aanvoer grondwater (buffering) beperkt

H3130

Zwakgebufferde vennen

Stikstofdepositie

ZGH3130

Zwakgebufferde vennen

Periodieke aanvoer uit de beek (buffering ontbreekt)

Grondwater uit omringend gebied stroomt anders uit

Aanwezigheid van bos

H3160

Zure vennen

Stikstofdepositie

ZGH3160

Zure vennen

Lokaal beperkt opbollen van grondwater door bos met lage grondwaterstanden

H4010A

Eutrofiëring door ganzen

Vochtige heiden (hogere

Mogelijk onvoldoende intensief beheer

zandgronden)

Stikstofdepositie

Kenmerk

R001-1295068NJE-V05-kzo-NL

Habitattype

Omschrijving

Knelpunten

ZGH4010A

Vochtige heiden (hogere

Verdroging

zandgronden)

Uitputting bodem door plaggen

Recreatie

H4030

Droge heiden

Stikstofdepositie

ZGH4030

Droge heiden

Recreatiedruk

Toename plaagsoorten

Verzuring door beperkte aanvoer buffering en

H6410

Blauwgraslanden

stikstofdepositie H7110B

Actieve hoogvenen (heideveentjes)

Verdroging

ZGH7110B

Actieve hoogvenen (heideveentjes)

Stikstofdepositie

H7150

Pioniervegetaties met snavelbiezen

Ontbreken van intensief beheer

ZGH7150

Pioniervegetaties met snavelbiezen

Verdroging

H7210

Galigaanmoerassen

Soortenrijkdom

Beheer noodzakelijk, mede door stikstofdepositie

H9120

Beuken-eikenbossen met hulst

Onbekend

H9190

Oude eikenbossen

Recreatie en dynamiek verstoren

ZGH9190

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=2bda3d38-917b-4e9f-9590-1b8803bfcfdd