Bijlage 3. Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Oss 2026
Tekst van het document
o
de gezondheidssituatie van de partner;
o
de aanwezigheid en afstand tot voorzieningen (winkels, ziekenhuis etc.);
•
Werksituatie;
•
Verandering in woonlasten. De financiële gevolgen van een verhuizing moeten binnen aanvaardbare grenzen vallen;
•
Wooncomfort. Denk hierbij aan een verhuizing van een groot gezin waarbij alle kinderen een eigen slaapkamer hebben naar een woning verhuizen waarbij de kinderen een slaapkamer moeten delen;
•
Is de inwoner huurder of eigenaar van de woning. Verhuizen vanuit een koopwoning heeft vaak meer consequenties.
Als blijkt dat een verhuizing mogelijk is en verlangd mag worden van de inwoner, betekent dit niet dat hij ook verplicht kan worden om die andere woning te betrekken. Het betekent wel dat in die situatie de gevolgen van de keus die de inwoner maakt voor diens rekening komen en blijven. Vaak zal dit betekenen dat de aanpassing van de huidige woning wordt geweigerd dan wel wordt volstaan met een bijdrage in de kosten van de aanpassingen tot maximaal de hoogte van de verhuiskostenvergoeding. Mits de bestaande woning naar het oordeel van het college adequaat wordt aangepast. 5.4.4 Verhuiskostenvergoeding
Wanneer een verhuizing niet op eigen kracht gerealiseerd kan worden, een woning niet (eenvoudig) kan worden aangepast of de kosten van een woningaanpassing hoger zijn dan €7.500,- én er geen redenen zijn om niet te verhuizen, dan kan het college een verhuizing mogelijk maken. In een programma van eisen wordt aangegeven waar de nieuwe woning aan moet voldoen. Het kan bijvoorbeeld gaan om een woning waarbij geen trappen hoeven te worden belopen of een woning die al is aangepast met bijvoorbeeld een traplift of een aangepaste keuken. Ook kan bijvoorbeeld worden gesteld dat de woning rolstoelgeschikt of toe- en doorgankelijk moet zijn.
23
Als de inwoner verhuist naar een geschikte of eenvoudig geschikt te maken woning, dan ontvangt de inwoner een verhuiskostenvergoeding. Deze is bedoeld als tegemoetkoming in de kosten van het verhuizen en het opnieuw inrichten van de woning. Een toekenning van een verhuiskostenvergoeding is twaalf maanden geldig, ervan uitgaande dat het medisch noodzakelijk is om binnen deze termijn te verhuizen. Als binnen deze termijn nog niet is verhuisd, kan een nieuwe melding worden gedaan. De verhuiskostenvergoeding wordt pas aan de inwoner uitbetaald nadat de woning is goedgekeurd door het college. De hoogte van de verhuiskostenvergoeding is vastgelegd in de nadere regels.
5.4.5 Voorzienbaarheid
Van inwoners mag worden verwacht dat zij, voor zover redelijk, maatregelen treffen om hun woning zo mogelijk af te stemmen op hun situatie, beperkingen en levensfase. Daar hoort bij dat bij een verhuizing, bij de keuze voor een woning en bij de aanschaf van een woonvoorziening rekening gehouden wordt met de gezondheidssituatie en te verwachten beperkingen. Wanneer een inwoner bij een verhuizing of bij de aanschaf van een woonvoorziening onvoldoende rekening heeft gehouden met een bestaande beperking en of met te verwachten ontwikkelingen daarvan, kan een aanvraag voor een woningaanpassing of andere maatwerkvoorziening worden geweigerd. Een voorbeeld hiervan kan zijn; een inwoner met een loopbeperking verhuist naar een woning met een (steile) trap. Wanneer een inwoner bewust een keuze maakt die voorzienbaar leidt tot een concreet probleem, mag ervan worden uitgegaan dat de inwoner dit had kunnen voorzien. In dergelijke gevallen kan een aanvraag voor een voorziening worden afgewezen. Beoordeling voorzienbaarheid Bij de beoordeling van een aanvraag onderzoekt het college of het probleem voorzienbaar was. Daarbij wordt onder meer meegewogen (niet limitatief): 1.
Was de problematiek van de inwoner al bekend;
2.
Wat waren de te verwachten ontwikkelingen naar aanleiding van de problematiek;
3.
Was al duidelijk welke ondersteuning of oplossing passend zou zijn;
4.
Of van de inwoner redelijkerwijs verwacht kon worden dat hij zich tijdig heeft georiënteerd op mogelijke oplossingen;
5.
Of de woning die wordt verlaten passend is of passend te maken is;
6.
Of de beoogde woning passend is of passend te maken is;
7.
Of het sociaal netwerk van de inwoner een bijdrage kon leveren.
Als de hulpvraag wel voorzienbaar was, maar het niet redelijk is van de inwoner te verwachten dat hij de situatie geheel had kunnen voorkomen, kan alsnog een maatwerkvoorziening worden verstrekt. 5.5 Sportvoorziening Een sportvoorziening, waaronder een sportrolstoel, kan bijdragen aan de participatie van een inwoner. Uitgangspunt hierbij is dat men in principe zelf verantwoordelijk is voor de aanschaf van 24
zaken die nodig zijn voor de sportbeoefening. Wanneer vanwege de beperking extra kosten worden gemaakt, kan een financiële tegemoetkoming worden verstrekt. De financiële tegemoetkoming is gemaximeerd en wordt maximaal eens in de vier jaar verstrekt ten behoeve van de aanschaf, het onderhoud en reparatie. De hoogte van de financiële tegemoetkoming is opgenomen in de nadere regels. Voor alle sportvoorzieningen geldt een eigen bijdrage (ook voor sportrolstoelen). 5.5.1 Beoordeling van een aanvraag voor een sportvoorziening
Omdat het te behalen resultaat op maatschappelijke participatie is gericht, worden in ieder geval de volgende factoren betrokken bij de afweging of een financiële tegemoetkoming kan worden verstrekt: •
op welke andere wijze de inwoner participeert en welke meerwaarde de sportactiviteit levert;
•
of er een historie is met de betreffende sportactiviteit dan wel sport in zijn algemeenheid; en
•
of er sprake is van structureel (wekelijks) sporten of sporten in verenigd verband. Het kan hierbij gaan om sporten in verenigingsverband, maar ook om sporten in georganiseerd en structureel verband lijkend op een vereniging zoals een trainingsgroep onder leiding van een professional.
Sportvoorzieningen voor gezamenlijk of collectief gebruik komen niet voor individuele compensatie in aanmerking. Dit geldt ook voor sportvoorzieningen specifiek voor het kunnen sporten op een hoog niveau. 5.6 Kortdurend verblijf Een belangrijke vorm van ondersteuning kan zijn het bieden van respijtzorg. Respijtzorg wil zeggen: zorg waardoor de mantelzorger tijdelijk wordt ontlast van zijn taak. Bij kortdurend verblijf wordt de inwoner verblijf geboden in een accommodatie waar onder (professionele) verantwoordelijkheid 24-uurs zorg wordt geleverd. Het verblijf is voor een korte periode. Kortdurend verblijf kan bijvoorbeeld worden ingezet als de mantelzorger door een operatie tijdelijk niet in staat is zijn taken te verrichten. Of door een vakantie van de mantelzorger. 5.6.1 Beoordeling van een aanvraag voor kortdurend verblijf
De belangrijkste afweging is of er sprake is van dreigende of al aanwezige overbelasting van de mantelzorger. Het gaat in de praktijk bijna altijd om intensieve mantelzorg, waarbij de zorgvrager intensieve verzorging, begeleiding en/of toezicht nodig heeft, gedurende de hele dag. Bij de afweging gelden de volgende voorwaarden: •
De persoon voor wie de mantelzorger de verantwoordelijkheid draagt komt niet in aanmerking voor een Wlz-indicatie;
•
De mantelzorger kan geen beroep doen op een vorm van respijtzorg op grond van zijn aanvullende zorgverzekering;
•
Zijn andere vormen van respijt bieden aan de mantelzorger mogelijk? Kortdurend verblijf in een instelling is pas aan de orde als andere vormen van overname van zorgtaken van de mantelzorger niet toereikend zijn. Duidelijk moet zijn dat dit niet te realiseren valt of onvoldoende is om overbelasting te voorkomen;
25
•
De persoon voor wie de mantelzorger de verantwoordelijkheid draagt is aangewezen op zorg die gepaard gaat met toezicht op regelmatige en onregelmatige momenten.
5.6.2 Basis en extra
Kortdurend verblijf kent twee niveaus: basis en extra. Basis Kortdurend verblijf basis is kortdurend verblijf zonder individuele ondersteuning. Wanneer de inwoner in de thuissituatie individuele ondersteuning krijgt, dan wordt verwacht dat deze ondersteuning wordt gecontinueerd tijdens het kortdurend verblijf. Extra Kortdurend verblijf extra is kortdurend verblijf met individuele ondersteuning. Wanneer de inwoner individuele ondersteuning nodig heeft, maar dit in de thuissituatie wordt opgelost zonder maatwerkvoorziening (bijvoorbeeld door mantelzorg), dan kan hiervoor kortdurend verblijf extra worden toegekend. 5.6.3 Vervoer
De inwoner is zelf verantwoordelijk voor vervoer naar de instelling voor kortdurend verblijf. Daarbij dient in de eerste plaats gebruik gemaakt te worden van eigen vervoer of van hulp uit het eigen netwerk. Het is ook mogelijk om gebruik te maken van de Regiotaxi. Wanneer geen van deze vormen van vervoer tot voldoende oplossing leiden, kan aanvullend vervoer worden toegekend. 5.7 Gespecialiseerde dagbesteding Dagbesteding is een Wmo-voorziening die geboden wordt aan inwoners die als gevolg van een beperking of specifieke omstandigheid onvoldoende zelfredzaam zijn op het gebied van een zinvolle invulling van de dag, het hebben van sociale contacten en maatschappelijke deelname. Dagbesteding begeleidt de inwoner bij het bevorderen en behouden van zelfredzaamheid en biedt begeleiding bij achteruitgang van zelfredzaamheid. Een inwoner kan ook in aanmerking komen voor dagbesteding als overbelasting van mantelzorgers daarmee wordt voorkomen. Dagbesteding wordt aangeboden in een groep, of is gericht op het hebben van contacten met meerdere personen. De begeleiding is deskundig in het bieden van passende activiteiten, structuur, toezicht en/of zorg en richt zich daarnaast ook op een afgewogen samenstelling van de groep en de omgeving waarin de dagbesteding plaatsvindt.
Het gaat bij gespecialiseerde dagbesteding om ondersteuning bij activiteiten voor inwoners met een sterk verminderde zelfregie als gevolg van psychiatrische, psychogeriatrische, verstandelijke of lichamelijke beperkingen. Het aanbod is gericht op: •
stimuleren van sociale contacten;
•
voorkomen van sociaal isolement;
•
ontlasten van mantelzorgers;
•
aanleren/behouden van dagstructuur en -ritme;
•
leren omgaan met fysieke en/of cognitieve beperkingen; 26
•
handhaven en bevorderen van het zo zelfstandig mogelijk functioneren;
•
voorkomen van achteruitgang in fysieke, cognitieve en sociaal-emotionele vaardigheden;
•
ontwikkelingsgerichte activiteiten, indien mogelijk gericht op toeleiding naar vrijwilligerswerk;
•
arbeidsmatige dagbesteding of (begeleid) werk. Hierbij kan de ondersteuning gericht zijn op het geven van handvatten aan de mantelzorger en de (nieuwe) omgeving van de inwoner;
•
gezondheidsbevorderende activiteiten.
5.7.1 Voorwaarden voor verstrekking
Dagbesteding wordt geboden aan inwoners die beperkingen hebben bij een zinvolle tijdsbesteding met sociale contacten en maatschappelijk verkeer. Als de ondersteuningsvraag op het gebied van dagbesteding niet met eigen kracht, het sociale netwerk of met voorliggende voorzieningen is op te lossen, kan een aanvraag worden gedaan voor de maatwerkwerkvoorziening gespecialiseerde dagbesteding. Bij de beoordeling van de aanvraag blijft het versterken van de eigen kracht en het inzetten van voorliggende oplossingen het uitgangspunt. De geboden ondersteuning wordt niet zwaarder of langer ingezet dan nodig is. Inzetten van eigen kracht Hierbij kan gedacht worden aan oplossingen die iemand al had ingezet voordat de beperking optrad, het deelnemen aan activiteiten voor en door bewoners in de buurt, aansluiting vinden bij verenigingen en sportclubs, het volgen van cursussen, het uitbouwen van hobby’s, het zoeken van vrijwilligerswerk, onderwijs of een reguliere baan. Het vergroten van de inzet van het eigen sociaal netwerk Hierbij kan gedacht worden aan familieleden, vrienden of kennissen die een vorm van dagbesteding organiseren voor de inwoner, zoals iemand die een vast dagdeel op bezoek komt, iemand die de inwoner meeneemt naar een sociale gelegenheid of een vrijwilliger die wekelijks met de inwoner gaat wandelen.
Voor zover het gebruikelijk is dat partners, ouders, inwonende kinderen en/of andere huisgenoten elkaar bepaalde begeleiding bieden, is ondersteuning vanuit de Wmo niet aan de orde. Een beroep doen op andere wetgeving De Wet langdurige zorg (Wlz) en de Zorgverzekeringswet (Zvw) kunnen voorliggend zijn op ondersteuning vanuit de Wmo. De Wlz kan voorliggend zijn als blijvend 24 uur per dag zorg in de nabijheid en/of permanent toezicht nodig is. De Zvw kan voorliggend zijn als behandeling mogelijk is. Na of tijdens Zvw-behandeling kan de inwoner behoefte hebben aan dagbesteding. Als de zelfredzaamheid van de inwoner naar verwachting onvoldoende blijft dan is ondersteuning vanuit de Wmo een mogelijkheid. Wanneer de doelgroep te maken heeft met meervoudige domeinoverstijgende problematiek op het terrein van de Jeugdwet, de Wet maatschappelijke ondersteuning of de Participatiewet wordt voor een goede afstemming van de ondersteuning gezorgd.
27
Het gebruik maken van algemene voorzieningen Algemene voorzieningen in de wijk kunnen een oplossing bieden voor de problemen op het gebied van dagbesteding. Hierbij kan gedacht worden aan activiteiten voor en door bewoners zoals eettafels, koffieochtenden en wandelgroepen. Maar ook aan activiteiten gericht op het met elkaar kennis laten maken van mensen uit de buurt of buurtgebonden voorzieningen zoals het Huis van de wijk. Afbakening dagbesteding met individuele ondersteuning Individuele ondersteuning en dagbesteding onderscheiden zich in de te behalen resultaten en de aard van de begeleiding. Daar waar individuele ondersteuning zich richt op de beperkingen bij het zelfstandig functioneren van de inwoner die zonder ondersteuning risico loopt om de zelfredzaamheid te verliezen, richt dagbesteding zich op het hebben van sociale contacten en zinvolle activiteiten. Daarbij vindt de begeleiding bij individuele ondersteuning individueel plaats en bij dagbesteding in groepsverband of in ieder geval in contact met anderen. 5.7.2 Basis en extra
Gespecialiseerde dagbesteding kent twee niveaus: Basis Dagbesteding met ondersteuning die is gericht op het stabiliseren en/of bevorderen van het zo zelfstandig mogelijk functioneren, het voorkomen van verergering van klachten en het leren omgaan met beperkingen. De dagbesteding ziet toe op het aanleren/behouden van dagstructuur en dagritme en het vergroten van de zelfredzaamheid. Het programma zal bijdragen aan verlichting van sociaal isolement van de inwoner en/of aan verlichting van de zorg thuis door de mantelzorger. De ondersteuning wordt wanneer nodig aangevuld met assistentie bij persoonlijke zorg. De ondersteuning kan gericht zijn op het versterken van de mantelzorger en de (nieuwe) omgeving in de omgang met de inwoner om, waar mogelijk, te komen tot een zinvolle dagbesteding en afbouw van professionele hulp. Extra Dagbesteding extra is met name gericht op het stabiliseren van het functioneren, het voorkomen van verergering en het leren omgaan met beperkingen. Er is sprake van intensieve ondersteuning voor inwoners met een matig of slecht ziekte-inzicht dan wel inwoner en met op meerdere leefgebieden problemen waarbij een achteruitgang te verwachten is én waarbij niet ondersteunen leidt tot crisissituaties. Het gaat om inwoners die niet in staat zijn zelfstandig activiteiten uit te voeren en voortdurend ondersteuning nodig hebben. 5.7.3 Vervoer
Bij een indicatie voor gespecialiseerde dagbesteding wordt onderzocht of de inwoner in staat is om de locatie van de dagbesteding te bereiken. Wanneer een inwoner in staat is met het openbaar vervoer te reizen (eventueel na oefenen onder begeleiding) of met de fiets of een ander vervoermiddel zelfstandig (of onder begeleiding van mantelzorg of vrijwilliger, indien beschikbaar) de dagbesteding kan bereiken dan is dat voorliggend. Voor vervoer naar de dagbesteding mag geen gebruik worden gemaakt van de Wmo-regiotaxipas waarmee met gereduceerd tarief kan
28
worden gereisd. Als vervoer naar de dagbesteding nodig is dan maakt het onderdeel uit van het totale arrangement van gespecialiseerde dagbesteding. De aanbieder is dan voor het vervoer verantwoordelijk. 5.8 Individuele ondersteuning Individuele ondersteuning wordt geboden aan inwoners met een ondersteuningsvraag op het gebied van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie en vindt plaats op individuele basis. Individuele ondersteuning is gericht op de volgende resultaten: •
grip op het dagelijks leven en persoonlijk functioneren;
•
opbouwen en onderhouden sociaal netwerk;
•
deelnemen aan het maatschappelijk leven.
Grip op het dagelijks leven en persoonlijk functioneren Dit resultaat richt zich op het bieden van ondersteuning bij het uitvoeren en structureren van dagelijkse, praktische vaardigheden op alle voor de inwoner relevante levensgebieden. Het hebben of het creëren van een stabiele leefsituatie waarbij de administratie en andere zaken op orde zijn, maakt hiervan onderdeel uit. De inwoner wordt, waar nodig, ondersteund bij het uitvoeren van activiteiten, het aanleren van vaardigheden en het nemen van besluiten. Als de inwoner tijdens het werken aan doelen uit het ondersteuningsplan beperkingen ondervindt door zijn gedrag, kan het verkrijgen van inzicht in het effect van dit gedrag onderdeel uitmaken van de ondersteuning. Opbouwen en onderhouden sociaal netwerk Dit resultaat richt zich op het bieden van ondersteuning bij het aangaan en onderhouden van sociale contacten, om eenzaamheid te voorkomen en het sociaal netwerk te vergroten, zodat het sociaal netwerk van de inwoner ook zoveel mogelijk steun en een positieve bijdrage aan de zelfredzaamheid en participatie van de inwoner kan leveren. Het verkrijgen van inzicht in het effect van het sociaal netwerk op het persoonlijk functioneren van de inwoner kan onderdeel van de individuele ondersteuning zijn. Deelnemen aan het maatschappelijk leven Dit resultaat betreft het bieden van ondersteuning bij participatie in de samenleving.
De inwoner wordt ondersteund bij het realiseren en behouden van wat hij wil en kan bijdragen aan de samenleving. Denk hierbij bijvoorbeeld aan deelnemen aan buurtactiviteiten, groepsactiviteiten, vrijwilligerswerk, betaald werk, dagbesteding, opleiding, etc. De inwoner krijgt ondersteuning bij het vinden en ondernemen van passende activiteiten waarmee hij (zo goed mogelijk) in staat is om deel te nemen aan het maatschappelijke leven. 5.8.1 Voorwaarden voor verstrekking
Individuele ondersteuning wordt geboden aan inwoners die beperkingen hebben bij het zelfstandig functioneren of zonder de ondersteuning risico lopen om hun zelfredzaamheid te verliezen. Bij individuele ondersteuning wordt eerst gekeken naar wat de inwoner zelf kan en welke ondersteuning zijn sociaal netwerk kan bieden. De mate van zelfredzaamheid van de inwoner wordt onderzocht en gestimuleerd. Op basis daarvan wordt vastgesteld welke ondersteuning vanuit de 29
gemeente aanvullend noodzakelijk is. De geboden ondersteuning wordt niet zwaarder of langer ingezet dan nodig is. Het inzetten van eigen kracht Hierbij kan in dit kader gedacht worden aan het handhaven van voorzieningen die al ingezet waren, zoals een belastingadviseur. Denk ook aan praktische oplossingen, zoals het kopen van een agenda en het plakken van briefjes ter herinnering aan taken. Onderzocht wordt op welke wijze de inwoner door zijn netwerk ondersteund kan worden, bijvoorbeeld door familieleden, vrienden of buren. Het gaat hier allereerst om de zogenoemde gebruikelijke hulp (zie Bijlage 2). Daarnaast wordt in het persoonlijke netwerk van de inwoner gezocht naar aanvullende ondersteuning op basis van vrijwilligheid of wederkerigheid. Hierbij kan gedacht worden aan één van de kinderen die de inwoner helpt bij het maken van en begeleiden naar afspraken, een tante die ondersteunt bij de administratie of buren die telefonisch de ‘vinger aan de pols’ houden. Ook kan gedacht worden aan een maatje dat de inwoner ergens heen begeleidt, een telefooncirkel en het inschakelen van een sport-, muziek- of andere vereniging. Een beroep doen op andere wetgeving In sommige situaties kan voor een oplossing een beroep worden gedaan op andere wet- of regelgeving: •
Als een inwoner een Wlz indicatie heeft of daarvoor in aanmerking komt, vindt de benodigde individuele begeleiding in het kader van de Wlz plaats en niet in het kader van de Wmo.
•
Maatschappelijke dienstverlening is een voorliggende voorziening op individuele ondersteuning. Bij maatschappelijke dienstverlening in de wijken kunnen inwoners op een laagdrempelige manier met kortdurende problemen terecht, bijvoorbeeld bij problemen met het omgaan met geld of omgaan met conflictsituaties. Inwoners worden geholpen deze te ordenen en op te lossen zodat ze het voortaan zelf weer kunnen. Als taken overgenomen moeten worden, onder begeleiding uitgevoerd of thuis getraind moeten worden, dan is individuele ondersteuning passender.
•
Bij inwoners die uitsluitend beperkingen ervaren ten aanzien van het doen van het huishouden wordt de voorziening hulp bij huishouden ingezet. Als de inwoner alleen regie over huishoudelijke taken nodig heeft en geen hulp bij het huishouden, wordt individuele ondersteuning ingezet. Hierbij valt te denken aan het plannen en voorbespreken van huishoudelijke activiteiten waarna de inwoner deze zelfstandig kan uitvoeren. Een individueel ondersteuner voert geen huishoudelijke taken uit.
•
Of de inwoner is aangewezen op individuele ondersteuning of gespecialiseerde dagbesteding, wordt bepaald door de afweging wat zorginhoudelijk het meest doelmatig is. Ondersteuning in groepsverband is voorliggend op individuele ondersteuning als hetzelfde doel wordt beoogd. Wanneer de ondersteuning gericht is op het bieden van een dagstructuur, is ondersteuning in groepsverband de aangewezen vorm. Wanneer de zorgbehoefte gelegen is in het een of meerdere keren per week bieden van hulp bij het doornemen van de dag- of weekstructuur en
30
de zorgbehoefte niet gelegen is in het daadwerkelijk bieden van die dagstructuur, dan is ondersteuning in individuele vorm aangewezen. •
Persoonlijke verzorging betreft meestal het overnemen van zelfzorg die de inwoner niet meer kan doen, al dan niet in combinatie met de regievoering over deze activiteiten. Het gaat bijvoorbeeld om in- en uit bed gaan, wassen, lichamelijke verzorging, bewegen, toiletgang, eten/drinken, aan- en uitkleden. Als er sprake is van het structureren, organiseren of aansporen van persoonlijke verzorging door een regieprobleem kan dit onderdeel uitmaken van de individuele ondersteuning binnen de Wmo. In dit geval heeft de inwoner naar verwachting ook beperkingen bij de uitvoering en regievoering van andere dagelijkse activiteiten waarvoor individuele ondersteuning nodig is. In alle andere situaties valt persoonlijke verzorging onder de Zorgverzekeringswet. Inname, attenderen op, aanreiken en toedienen van medicatie zijn altijd handelingen binnen de persoonlijke verzorging onder de Zorgverzekeringswet. Het toekennen van alléén persoonlijke verzorging is vanuit de Wmo niet mogelijk.
•
Individuele ondersteuning bedoeld als behandeling valt onder de Zorgverzekeringswet. Als het gaat om oefenen, ondersteuning bij inslijten van vaardigheden, handelingen, gedrag en ondersteuning bij het aanbrengen van structuur of het voeren van regie, kan dit ook onder individuele ondersteuning vanuit de Wmo vallen. Behandeling en individuele ondersteuning kunnen naast elkaar bestaan en elkaar versterken. Behandeling kan invloed hebben op de intensiteit en duur van de individuele ondersteuning. Van de inwoner wordt verwacht dat hij zo optimaal mogelijk gebruik maakt van bestaande behandelmogelijkheden. Bij twijfel of er nog behandeling mogelijk is, kan een medisch advies worden opgevraagd.
•
Als de inwoner gebruik maakt van de voorziening beschermd wonen, geldt dat geen individuele ondersteuning ingezet kan worden. Beschermd wonen is namelijk een totaalpakket waarbij de ondersteuning (bij beschermd wonen begeleiding genoemd) al 24 uur per dag beschikbaar is.
5.8.2 Waakvlam, basis, extra, beschermd thuis en eerst een thuis
Individuele ondersteuning kent vijf niveaus: Waakvlam Laagintensieve ondersteuning bedoeld om de inwoner te volgen en tijdig problemen te signaleren, meestal na afloop van een intensieve ondersteuningsperiode. Het is bedoeld als een afbouw na een ondersteuningsperiode (nazorg) of als stabilisatie zodat terugval wordt voorkomen. Basis Individuele ondersteuning waarbij het accent ligt op het stabiliseren en/of bevorderen van het zo zelfstandig mogelijk functioneren, het aanleren/behouden van dagstructuur en dagritme, het vergroten van de zelfredzaamheid en het verlichten van sociaal isolement. Het betreft ondersteuning bij de alledaagse bezigheden en, waar nodig, ondersteuning bij het vergroten van het netwerk en het begeleiden naar activiteiten in de wijk. Ook wordt er gewerkt aan de afbouw van professionele hulp, bijvoorbeeld door het bieden van advies en ondersteuning aan de leefomgeving en/of het (opbouwen van een beter functionerend) sociaal netwerk van de inwoner. Indien nodig hoort hulp bij de persoonlijke verzorging tot de ondersteuning. 31
Extra De omschrijving bij ‘basis’ is van toepassing met het verschil dat er sprake is van: •
multiproblematiek waarvoor intensieve individuele ondersteuning in het kader van de Wmo nodig is en/of
•
de veiligheid van de inwoner of zijn omgeving in het geding is en hiervoor geen voorliggende voorziening beschikbaar is. Onder veiligheid wordt verstaan; afwezigheid van onaanvaardbare risico’s op lichamelijke en/of psychische en/of sociale schade.
Beschermd thuis Beschermd thuis biedt intensieve ondersteuning aan volwassenen met psychische of psychosociale problematiek in hun eigen woning, met als doel het bevorderen van zelfredzaamheid en het voorkomen van instroom in zwaardere zorgvoorzieningen. De ondersteuning is flexibel, duurt maximaal twee jaar en richt zich op dagelijkse structuur, sociale participatie en het versterken van vaardigheden. In aanvulling op artikel 4.2 van de Verordening is beschermd thuis bedoeld voor een inwoner van 18 jaar en ouder: •
die beperkt zelfredzaam is; en
•
waarbij sprake is van psychische problematiek en/of psychosociale problematiek in de thuissituatie; en
•
waarbij er complexe en veelomvattende problematiek speelt op meerdere leefgebieden; en
•
die weinig tot goed belastbaar is, weinig tot normale leefbaarheid en/of weinig tot voldoende intellectueel vermogen heeft; en
•
die de wens en vaardigheden heeft of kan ontwikkelen om duurzaam zelfstandig te wonen in de wijk; en
•
die met intensieve ondersteuning regie kan voeren over het eigen leven; en
•
die niet in staat is om zijn hulpvraag uit te stellen tot het volgende geplande ondersteuningsmoment. De fysieke opvolging kan wel uitgesteld worden tot het volgende dagdeel; en
•
die leerbaar is door intensieve herhaling; en/of
•
woont op een zelfstandige woonplek en/of een zelfstandige huishouding voert.
Bij de doelgroep kan sprake zijn van één of meer van de onderstaande problemen: •
psychische/psychiatrische problematiek;
•
verslavingsproblematiek;
•
gedrags-/agressiereguleringsproblematiek;
•
licht verstandelijke beperking;
•
forensisch (uitbehandeld bij Justitie);
•
meervoudige problematiek.
32
Eerst een thuis Eerst een thuis maakt het mogelijk dat kwetsbare inwoners die met dakloosheid worden geconfronteerd vanuit een stabiele situatie aan hun herstel kunnen werken in een eigen woning die fungeert als basis van veiligheid en privacy om van daaruit eventueel behandeling, schuldhulp en een zinvolle dagbesteding op te pakken. Doel hierbij is dat dakloosheid van de inwoner met een intensieve hulpvraag duurzaam wordt beëindigd. De eigen keuze en regie van de inwoner is het vertrekpunt waarbij er respect is voor de wijze waarop de inwoner invulling wil geven aan het leven en wonen. De ondersteuning sluit daarop aan. Inwoners komen in aanmerking voor eerst een thuis nadat een brede vraagverheldering is gedaan door de gemeente van herkomst. De lokale gemeente, in samenspraak met de aanbieder en de regionale toegang, stellen de indicatie voor het begeleidingstraject. Het streven is om te zoeken naar een passende woonplek in of zo dicht mogelijk bij de gemeente van herkomst. De eerste indicatie geldt voor maximaal twee jaar. In overleg met de lokale gemeente kan deze verlengd worden. Binnen acht weken na de start van de ondersteuning stelt de aanbieder een trajectplan op met de inwoner. In aanvulling op artikel 4.2 van de verordening is eerst een thuis bedoeld voor een inwoner van 18 jaar en ouder; •
die beperkt zelfredzaam is; en
•
die langdurig of herhaaldelijk (dreigend) dak- of thuisloos is en waarbij er complexe en veelomvattende problematiek speelt op meerdere leefgebieden; en
•
voor wie maatschappelijke opvang of wonen in een groepssetting niet passend is, of voorkomen kan worden; en
•
die aan de voorwaarden kan gaan voldoen om ondersteuning te accepteren en met ondersteuning zorg kan dragen voor huurbetaling en zich kan houden aan goed huurderschap; en
•
die de wens en vaardigheden heeft of kan ontwikkelen om duurzaam zelfstandig te wonen in de wijk; en
•
die met intensieve ondersteuning regie kan voeren over het eigen leven; en
•
die niet in staat is om de hulpvraag uit te stellen tot het volgende geplande ondersteuningsmoment. De fysieke opvolging kan wel uitgesteld worden tot het volgende dagdeel; en
•
die woont of gaat wonen op een zelfstandige woonplek en/of een zelfstandige huishouding voert.
5.8.3 Specialistische begeleiding voor zintuiglijk gehandicapten
Gemeenten zijn op grond van de Wmo 2015 ook verantwoordelijk voor de ondersteuning van inwoners met een zintuiglijke beperking (visueel, doofblind, vroegdoof). Een klein deel van deze groep heeft specialistische begeleiding nodig die slechts door enkele aanbieders in Nederland wordt geleverd. Deze behoefte is er omdat deze mensen vaak, naast de zintuiglijke beperking, te maken hebben met andere (vaak verstandelijke en/of psychiatrische) beperkingen. Om de continuïteit van zorg te garanderen voor mensen die deze vorm van specialistische begeleiding afhankelijk zijn, is door de VNG met een aantal specialistische aanbieders landelijke inkoopafspraken gemaakt. Deze 33
afspraken zijn vastgelegd in een raamovereenkomst. De gemeente Oss maakt gebruik van deze raamovereenkomst en leidt een inwoner die tot deze groep behoort, toe naar een van de aanbieders waarmee een raamovereenkomst gesloten is. 5.9 Beschermd wonen en maatschappelijke opvang Onder beschermd wonen wordt verstaan: ‘het wonen in een beschermde leefomgeving met daarbij behorend toezicht en begeleiding gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing, maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de inwoner of anderen.’ Onder maatschappelijke opvang wordt verstaan: ‘het tijdelijk bieden van opvang en/of ondersteuning (met inbegrip van screening en advisering) aan volwassenen en gezinnen die, door meerdere problemen, al dan niet gedwongen, de thuissituatie hebben of dreigen te verlaten en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving en waarvoor geen andere oplossing mogelijk of beschikbaar is'. Oss is centrumgemeente voor de uitvoering van beschermd wonen en maatschappelijke opvang. Het beleid voor beschermd wonen en maatschappelijke opvang is vastgelegd in de Beleidsregels beschermd wonen en maatschappelijke opvang Oss 2026.
5.10 Mantelzorg Mantelzorg is onbetaalde, vaak langdurige zorg voor een chronisch zieke, gehandicapte of kwetsbare naaste (partner, familielid, vriend of buur). Het gaat verder dan gebruikelijke hulp en komt voort uit de persoonlijke relatie, niet uit een beroepsmatige rol. De taken van een mantelzorger kunnen onder andere bestaan uit hulp bij medische verzorging, persoonlijke verzorging, het regelen van geldzake en administratie, het verzorgen van maaltijden, hulp bieden bij het huishouden, (begeleiding bij) vervoer en het bieden van gezelschap, troost en afleiding. 5.10.1 Mantelzorgondersteuning
Mantelzorgondersteuning is bedoeld om bij te dragen aan het verlichten van mantelzorgtaken én om de mantelzorgtaken beter te kunnen combineren met het dagelijks leven. Mantelzorgondersteuning wordt geboden door persoonlijk contact, inloopspreekuren en gerichte verwijzing naar passende ondersteuning. Dit omvat onder meer de inzet van mantelzorgondersteuners, onafhankelijke cliëntondersteuning, trainingen, het sociale gebiedsteam, praktische hulp, de boodschappenservice, ergotherapie en ondersteuning bij regeltaken. 5.10.2 Mantelzorgwaardering
Er zijn in onze gemeente lokale en wijkgerichte activiteiten en initiatieven die mantelzorgers dichtbij huis waarderen en ondersteunen. Deze worden georganiseerd rondom onder andere de Week van de Jonge Mantelzorger en de Dag van de Mantelzorg.
34
5.10.3 Respijtzorg
Er zijn diverse vormen van respijtzorg die mantelzorgers kunnen ontlasten. Voorbeelden zijn; dagopvang, dagbesteding, kortdurend verblijf, thuisrespijt, de inzet van vrijwilligers en andere vormen van tijdelijke vervanging van mantelzorg.
HOOFDSTUK 6 Verstrekkingsvormen Het uitgangspunt is dat een inwoner een maatwerkvoorziening in natura krijgt. De inwoner kan ook verzoeken om een persoonsgebonden budget. Het college is verplicht de inwoner te informeren over de mogelijkheden om te kiezen voor een pgb en over de gevolgen van de keuze hiervoor. 6.1 Maatwerkvoorziening in natura Verstrekking van een maatwerkvoorziening in natura betekent dat de gemeente zorgt voor de verstrekking van de maatwerkvoorziening. De inwoner hoeft dit niet zelf te regelen. De vorm waarin de voorziening kan worden verstrekt: •
in eigendom;
•
in bruikleen;
•
in de vorm van dienstverlening.
Verstrekking in bruikleen is het uitgangspunt voor hulpmiddelen. De gemeente heeft overeenkomsten met leveranciers van hulpmiddelen die deze in bruikleen verstrekken aan inwoners. De leverancier sluit een bruikleenovereenkomst af met de inwoner. Het voordeel van bruikleen is dat de leverancier eigenaar blijft van de voorziening. Dit maakt het mogelijk om de voorziening in te nemen als deze niet meer wordt gebruikt en deze daarna aan een andere inwoner te verstrekken. Soms kan een maatwerkvoorziening ook in eigendom worden verstrekt. Dit is bijvoorbeeld het geval bij minder kostbare voorzieningen én hoge kosten voor het opnieuw verstrekken aan een andere inwoner. Maar ook wanneer de voorziening niet herbruikbaar is. Bij maatwerkvoorzieningen in de vorm van dienstverlening sluit de gemeente overeenkomsten met aanbieders van diensten. Hulp bij het huishouden, gespecialiseerde dagbesteding en individuele ondersteuning zijn hier voorbeelden van. De ondersteuning wordt dan rechtstreeks door de gemeente betaald aan de door de inwoner gekozen gecontracteerde aanbieder. 6.2 Persoonsgebonden budget Het uitgangspunt is dat een maatwerkvoorziening in natura wordt verstrekt. Als de inwoner dit wenst bestaat de mogelijkheid om (onder voorwaarden) te kiezen voor een persoonsgebonden budget (pgb).
Een pgb kan bijdragen aan de mogelijkheden van de inwoner om regie te voeren over het eigen leven. Duidelijke voorlichting aan inwoners over de mogelijkheden en voorwaarden van een pgb is belangrijk.
35
Een pgb is een geldbedrag bedoeld om zelf een maatwerkvoorziening in te kopen of aan te schaffen. De keuze voor een pgb betekent dat de inwoner zelf (of een vertegenwoordiger namens de inwoner) de toegekende maatwerkvoorziening inkoopt én verantwoordelijk is voor alle zaken die daarbij horen. 6.2.1 Voorwaarden, weigeringsgronden en verplichtingen
Nadat de noodzaak voor maatwerkondersteuning is vastgesteld kan de inwoner de keuze maken deze ondersteuning te verzilveren via een persoonsgebonden budget (pgb). Om een pgb te kunnen krijgen moet de inwoner aan een aantal voorwaarden voldoen. Er volgt een apart gesprek waarin deze voorwaarden worden besproken. De inwoner stelt een pgb-plan op waarin doelen, activiteiten, inzet, frequentie, motivatie, tarieven en wie de hulp gaat bieden worden opgenomen. Als voorbereiding op het gesprek kunnen inwoners en hun eventuele vertegenwoordiger de zelftest van Per Saldo doen. Voor eenmalige pgb’s voor hulpmiddelen kan een offerte en een programma van eisen volstaan. Voorwaarden In de wet en in de verordening zijn bepalingen opgenomen met voorwaarden om voor een pgb in aanmerking te komen. 1.
De inwoner moet als pgb-houder bekwaam zijn, dat wil zeggen dat hij op eigen kracht of met hulp van iemand uit zijn sociale netwerk of een vertegenwoordiger, op verantwoorde wijze een pgb kan beheren. Deze bekwaamheid wordt vooraf beoordeeld door het college. Het college sluit aan bij de landelijke afspraken met betrekking tot pgb-vaardigheden die zijn gemaakt met het ministerie van VWS, zorgverzekeraars, zorgkantoren, gemeenten en Per Saldo en beoordeelt of: •
de pgb-houder zelf of met hulp uit het sociaal netwerk in staat is de eigen situatie te overzien en zelf de benodigde hulp te kiezen, te regelen en te sturen;
•
de pgb-houder goed op de hoogte is van de rechten en plichten die horen bij het beheer van het pgb en hij hiermee kan omgaan;
•
de pgb-houder in staat is de opdrachtgeverstaak op zich te nemen en de volgende taken uit te voeren: o
een pgb-plan opstellen waarin staat hoe het pgb besteed gaat worden;
o
hulp inkopen en regelen (hulp kiezen, zorgovereenkomst afsluiten, kwaliteit van de hulp controleren);
o
administratie en financiën bijhouden (digitale administratie bijhouden, facturen controleren en kosten declareren bij de SVB) en hierover verantwoording afleggen;
o
werkgeverschap (fungeren als werkgever of opdrachtgever voor de hulp, inclusief het doorgeven van wijzigingen in facturen).
Als de pgb-houder deze taken niet zelfstandig kan vervullen dan kan een vertegenwoordiger deze taken overnemen. De eisen waar de pgb-houder aan moet voldoen, gelden ook voor de eventuele vertegenwoordiger. De vertegenwoordiger van de pgb-houder kan niet de zorgverlener zijn, omdat hij ook verantwoordelijk is voor het borgen van de kwaliteit van de zorg en/of de juiste besteding van het budget. De vertegenwoordiger kan niet op een of andere 36
manier betrokken zijn bij de uitvoerende organisatie. Dit in verband met de onafhankelijke positie die de vertegenwoordiger moet kunnen innemen ten opzichte van de zorgverlener. 2.
De inwoner moet kunnen motiveren waarom een pgb een passende vorm van ondersteuning is. Het pgb moet een bewuste, vrijwillige en weloverwogen keuze van de inwoner zelf zijn. Een pgb willen omdat de zorgverlener geen zorg in natura kan leveren, valt daar niet onder.
3. Er gelden voor zowel professionele als informele zorgverleners kwaliteitseisen. De inwoner dient deze kwaliteitseisen vóór het aangaan van een zorgovereenkomst met de zorgverlener te delen en zich ervan te vergewissen dat de zorgverlener aan deze kwaliteitseisen voldoet. De kwaliteitseisen staan benoemd in het regionale kwaliteitskader. Het pgb moet volledig ten goede komen aan de ondersteuning zelf en mag niet worden besteed aan bijvoorbeeld bemiddelingskosten, reiskosten en administratiekosten. Weigeringsgronden In de wet en in de verordening zijn bepalingen opgenomen over situaties waarin een pgb wordt geweigerd. Ook kan het college het pgb gedeeltelijk weigeren wanneer de kosten van het pgb hoger zijn dan de maatwerkvoorziening in natura. De inwoner kan ervoor kiezen om zelf bij te betalen. Met een toegekende voorziening in de vorm van een pgb kan geen hulp worden ingekocht bij een persoon binnen de leefeenheid (zie bijlage 2 Gebruikelijke hulp). Verplichtingen De inwoner aan wie het pgb is toegekend is verplicht het pgb te besteden aan het doel waarvoor het is verstrekt. De inwoner aan wie een pgb is toegekend heeft verplichtingen richting het college. Zo moet de inwoner het college op de hoogte houden van belangrijke wijzigingen. Bijvoorbeeld als een hulpverlener wijzigt. De inwoner heeft ook verplichtingen richting de Sociale Verzekeringsbank (SVB).
Zo is de inwoner verplicht om inlichtingen aan de SVB te verstrekken als die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van het budgetbeheer. Denk bijvoorbeeld aan het doorgeven van een gewijzigd rekeningnummer. 6.2.2 Persoonsgebonden budget voor informele hulp
Een pgb kan worden ingezet voor hulp door een informele zorgverlener. Er wordt dan beoordeeld of de hulp door een informele hulpverlener passend en toereikend is gelet op de problematiek van de inwoner en de doelen en resultaten die behaald moeten worden. Het kan zijn dat, gelet op de problematiek van de inwoner, alleen professionele hulp een doeltreffende oplossing voor de hulpvraag biedt. Professionele hulp betekent niet alleen dat er aan de hand van bepaalde methoden wordt gewerkt en dat de professional de noodzakelijke diploma’s heeft. Het betekent ook dat de professional objectief en onafhankelijk kan handelen. Een familielid (of andere persoon uit het sociaal netwerk) kan door zijn persoonlijke relatie met de inwoner niet volledig objectief en
37
onafhankelijk handelen waardoor de kwaliteit van de ondersteuning die hij biedt in dat geval onvoldoende is. 6.2.3 Hoogte persoonsgebonden budget
De hoogte van het pgb moet in ieder geval toereikend zijn om de noodzakelijke ondersteuning in te kunnen kopen. De wijze waarop de hoogte van het pgb wordt vastgesteld is opgenomen in de verordening. De pgb-tarieven staan in de nadere regels. 6.2.4 Uitbetaling en beheer persoonsgebonden budget
De Sociale Verzekeringsbank (SVB) voert namens de gemeente de betalingen en het budgetbeheer van pgb’s uit. Als het college een pgb toekent, dan wordt het bedrag niet direct aan de inwoner betaald. De gemeente stort het budget op de rekening van de SVB. De SVB betaalt het bedrag direct aan de zorgverlener. Dat heet ook wel trekkingsrecht. Het trekkingsrecht geldt (vooralsnog) niet voor eenmalige pgb’s zoals pgb’s voor hulpmiddelen. Zorgovereenkomst De zorgovereenkomst is een overeenkomst tussen de pgb-houder en aanbieder waarin afspraken over de te verlenen ondersteuning worden vastgelegd. Vóór aanvang van de ondersteuning dient de pgb-houder bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB) een zorgovereenkomst aan te leveren. De SVB heeft hiervoor modelovereenkomsten. De zorgovereenkomst wordt vervolgens door het college gecontroleerd en bij akkoord goedgekeurd. Pas na deze goedkeuring kan de SVB tot uitbetaling overgaan. De SVB verzorgt de betalingen vanuit het pgb aan de zorgverlener van door de pgb-houder goedgekeurde declaraties. 6.2.5 Controle en heroverwegen pgb
In het pgb-gesprek spreken de inwoner en het college af binnen welke termijn (uiterlijk vijf jaar na indicatie) wordt geëvalueerd of de ingezette ondersteuning voldoende bijdraagt aan het behalen van de doelen en resultaten. Ook wordt bij de evaluatie opnieuw beoordeeld of de ingekochte ondersteuning aan de kwaliteitseisen voldoet. 6.2.6 Combinatie van zorg in natura en persoonsgebonden budget
Als een inwoner meerdere maatwerkvoorzieningen nodig heeft, is het mogelijk dat hij de ene voorziening in natura ontvangt en de andere voorziening met een pgb regelt. Het is niet mogelijk om één maatwerkvoorziening deels in natura en deels in de vorm van een pgb te ontvangen, tenzij hiervoor een gegronde en door het college goedgekeurde reden bestaat. 6.3 Financiële tegemoetkoming Een financiële tegemoetkoming is een geldbedrag dat een inwoner krijgt als tegemoetkoming in de kosten die gemaakt worden om een voorziening aan te schaffen of hulp te organiseren. De inwoner is vrij om zelf een aanbieder of leverancier te kiezen en afspraken te maken over de invulling van de te leveren hulp dan wel voorziening. In tegenstelling tot een pgb hoeft een financiële tegemoetkoming niet precies toereikend te zijn.
38
Maatwerkvoorzieningen bedoeld voor verhuizing en inrichting en om te kunnen sporten worden in de vorm van een financiële tegemoetkoming verstrekt. De hoogte hiervan is vastgelegd in de nadere regels. Ook voor financiële tegemoetkomingen geldt dat een eigen bijdrage wordt opgelegd.
HOOFDSTUK 7 Toezicht en handhaving 7.1 Algemeen Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het toezicht op en de naleving van de wet. Hiertoe dient het college personen aan te wijzen die belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of op grond van de wet. Het college heeft ervoor gekozen om de GGD Hart voor Brabant en toezichthoudende ambtenaren binnen de gemeente op grond van artikel 6.1 Wmo 2015 aan te wijzen als Wmo-toezichthouder. Het Wmo-toezicht ziet toe op de kwaliteit van de geboden of te bieden ondersteuning en de uitvoering ervan door gecontracteerde aanbieders en pgb-aanbieders en ziet toe op de rechtmatige besteding van publieke middelen. Het toezicht bestaat uit reactief en proactief toezicht. Het Wmotoezicht legt de nadruk op het verbeteren van de kwaliteit van maatschappelijke ondersteuning en de rechtmatige besteding van zorggelden. Als daartoe aanleiding is formuleert de Wmo-toezichthouder verbeter- en/of handhavingsmaatregelen en adviseert het college daarover. Het college legt de verbetermaatregelen op/geeft opvolging aan de bevindingen van de toezichthouder. Het formuleren van verbetermaatregelen, eventueel gecombineerd met een handhavingsadvies richting het college, openbaarmaking van rapporten en de mededeling dat heronderzoek kan plaatsvinden, zijn stimulerende maatregelen die de toezichthouder kan inzetten richting aanbieders.
7.1.1 Toezicht
Toezicht is het verzamelen van de informatie over de vraag of een handeling, een dienst of een zaak voldoet aan de daaraan gestelde eisen, het zich daarna vormen van een oordeel daarover naar aanleiding daarvan het college adviseren over te nemen verbeter- en/of handhavingsmaatregelen. Het werk van een toezichthouder: •
Het verzamelen van informatie door bijvoorbeeld een bedrijfsbezoek;
•
Het analyseren van de verzamelde informatie en op basis daarvan een oordeel vormen;
•
Het formuleren van verbetermaatregelen en het college daarover adviseren.
7.1.2 Handhaving
Het doel van handhaven is: het bevorderen van nalevingsgedrag van aanbieders om risico’s te verminderen en de kwaliteit van de maatschappelijke ondersteuning te verbeteren. Het college kan naar aanleiding van advies van de toezichthouder handhavend optreden.
39
7.2 Proactief toezicht De wet geeft een aantal taken en bevoegdheden in het kader van proactief toezicht. Uitgaande van het risico op oneigenlijk gebruik- of onvoldoende kwaliteit van voorzieningen. Proactief toezicht vindt plaats op basis van vooraf vastgestelde prioriteiten, thema’s of risico’s. 7.3 Reactief toezicht Reactief toezicht is het toezicht dat wordt uitgevoerd naar aanleiding van een calamiteit of incident (calamiteitentoezicht) of signalen (signaal gestuurd toezicht). Aanbieders zijn verplicht calamiteiten te melden bij de GGD Hart van Brabant. 7.4 Collegebevoegdheden Maatwerkvoorzieningen die zijn verstrekt maar niet meer worden gebruikt, of zijn verstrekt op basis van onjuiste- of onvolledig verstrekte gegevens of die worden gebruikt voor een ander doel dan was beoogd of die worden gebruikt in strijd met gestelde voorwaarden, kan het college intrekken, opschorten/schorsen of herzien.
HOOFDSTUK 8 Slotbepalingen 8.1 Samenhang Bij deze beleidsregels horen de Verordening maatschappelijke ondersteuning Oss 2026, de Nadere regels maatschappelijke ondersteuning Oss 2026 en de Beleidsregels beschermd wonen en maatschappelijke opvang Oss 2026. 8.2 Intrekking De Nadere regels en beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Oss 2021 worden ingetrokken op het moment dat de beleidsregels als genoemd in artikel 8.3 in werking treden. 8.3 Inwerkingtreding Deze Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Oss 2026 treden in werking met ingang van 1 juli 2026. 8.4 Citeertitel Deze beleidsregels worden aangeduid als: Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Oss 2026. Ondertekening Aldus vastgesteld op 26 mei 2026. De burgemeester voornoemd, F.T de Jonge
40
BIJLAGE 1 Algemeen gebruikelijke voorziening 1.1 Inleiding Art. 2.3.5 lid 3 van de Wmo 2015 bepaalt dat als een inwoner zijn of haar beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie met een algemeen gebruikelijke voorziening kan verminderen of wegnemen, er geen maatwerkvoorziening verstrekt hoeft te worden. De achtergrond is dat algemeen gebruikelijke voorzieningen niet onder de compensatieplicht van het college vallen. Dat komt omdat iedereen ongeacht het hebben van beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie daarover beschikt of zou kunnen beschikken. In deze beleidsregels geeft het college invulling aan de wijze waarop beoordeeld wordt of een voorziening kan worden beschouwd als algemeen gebruikelijke voorziening. Het college is daarbij gebonden aan de criteria zoals die geformuleerd zijn in de rechtspraak. 1.2 Criteria algemeen gebruikelijke voorziening Een voorziening is algemeen gebruikelijk als deze: •
niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking, en;
•
daadwerkelijk beschikbaar is, en;
•
een passende bijdrage levert aan het zorgen voor een situatie waarin de inwoner zelfredzaam kan zijn of kan participeren, en;
•
met een inkomen op een minimumniveau financieel kan worden gedragen.
Deze criteria zijn cumulatief. Dat betekent dat een voorziening pas als algemeen gebruikelijk kan worden aangemerkt, als aan alle criteria wordt voldaan. In de navolgende onderdelen wordt ieder criterium toegelicht. 1.2.1 De voorziening is niet specifiek bedoeld voor mensen met een beperking
Het gaat bij dit eerste criterium om de vraag of op basis van maatschappelijke opvattingen (normen) kan worden gezegd dat een voorziening niet specifiek bedoeld is voor mensen met beperkingen. Dat wil zeggen: iedereen zou daarover kunnen beschikken ongeacht het hebben van beperkingen. Of een beoogde algemeen gebruikelijke voorziening niet specifiek bestemd is voor personen met een beperking is ook afhankelijk van technische ontwikkelingen en nieuwe maatschappelijke normen. In het algemeen zijn algemeen gebruikelijke voorzieningen in de reguliere handel verkrijgbaar. Voorbeelden zijn; een eenhendelmengkraan, toiletverhoger of wandbeugel. Deze zijn gewoon verkrijgbaar in de bouwmarkt. Maar ook een e-bike, fietskar, spoelföhninstallatie, strijkvrije kleding of een boodschappendienst zijn inmiddels gangbaar onder mensen zonder een beperking. 1.2.2 De voorziening is daadwerkelijk beschikbaar
Een voorziening kan alleen als algemeen gebruikelijk worden aangemerkt als de voorziening ook daadwerkelijk beschikbaar is. Wanneer de voorziening niet daadwerkelijk beschikbaar is voor de aanvrager, kan de voorziening niet als algemeen gebruikelijk worden aangemerkt. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een boodschappenservice die niet bezorgt in het buitengebied.
41
1.2.3 De voorziening levert een passende bijdrage
Binnen dit criterium moet worden bekeken of de voorziening een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner tot zelfredzaamheid en participatie in staat is. Of een voorziening passend is, hangt af van de concrete situatie van de inwoner. De Wmo 2015 verstaat het volgende onder zelfredzaamheid en participatie: •
Zelfredzaamheid: in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden;
•
Participatie: deelnemen aan het maatschappelijke verkeer.
Een fiets met trapondersteuning kan een inwoner bijvoorbeeld in staat stellen om zich weer te verplaatsen in zijn omgeving (participatie) en een verhoogd toilet kan betekenen dat een inwoner het toilet zelfstandig kan gebruiken en hiermee zelfredzaam blijft. 1.2.4 De voorziening kan financieel worden gedragen met een inkomen op minimumniveau
Tot slot gaat het nog om de vraag of de voorziening financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau. Het betreft een algemene toets waarbij de gemeente moet bepalen welke voorzieningen financieel draagbaar worden geacht met een inkomen op minimumniveau. Let wel, dit is een abstracte benadering, waarbij niet relevant is of het inkomen of vermogen van de inwoner daadwerkelijk toereikend is. De dienst, hulpmiddel, woningaanpassing of andere maatregel moet naar algemeen aanvaarde maatschappelijke opvattingen onder de gehele bevolking gangbaar worden geacht (CRvB 3-7-2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1362). Bij het criterium of een voorziening financieel draagbaar is met een minimuminkomen, kan ook rekening gehouden worden met tweedehands aanbod. Elektrische fietsen (al dan niet tweedehands) worden inmiddels door alle inkomensklassen en van jong tot oud gebruikt en kunnen daarom als gangbaar worden aangemerkt. 1.3 Voorbeelden van algemeen gebruikelijke voorzieningen In de Memorie van Toelichting (MvT) van de Wmo heeft de wetgever de volgende voorzieningen expliciet als algemeen gebruikelijk aangemerkt: fiets, schoonmaakmiddelen, wandelstok, eenvoudige rollator. Het is echter niet mogelijk om een volledig en actueel overzicht te geven van álle algemeen gebruikelijke voorzieningen.
Als een inwoner een beroep doet op de Wmo dan toetst het college of de voorziening volgens de vier criteria hiervoor genoemd, algemeen gebruikelijk is. Daarbij zal het college na moeten gaan wat een reële richtprijs is voor de voorziening. 1.4 Beroep op privaatrechtelijke overeenkomst Bij de beoordeling of een aangevraagde voorziening algemeen gebruikelijk is kan relevant zijn of hiervoor een beroep kan worden gedaan op een privaatrechtelijke overeenkomst (CRvB 22-112006, ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3136, CRvB 20-12-2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5998). Bij een verhuurder kan op grond van de huurovereenkomst en het huurrecht bijvoorbeeld aanspraak worden gemaakt op een functionerende verwarming. Een verzakt tuinpad is bijvoorbeeld de verantwoordelijkheid van de eigenaar of verhuurder van een woning. Het is daarmee niet relevant of de inwoner de kosten van een voorziening kan dragen, maar wel of de inwoner daadwerkelijk een beroep kan doen op de privaatrechtelijke overeenkomst.
42
1.5 Individuele omstandigheden Individuele omstandigheden kunnen soms een rol spelen bij de afweging of een voorziening als algemeen gebruikelijk moet worden beschouwd. Bijvoorbeeld als een inwoner in een schuldsaneringstraject zit en kan aantonen dat hij de voorziening niet kan betalen. De bewijslast ligt dan bij de inwoner. 1.6 Aanpassingen aan algemeen gebruikelijke voorziening Als een algemeen gebruikelijke voorziening met aanpassingen een adequate oplossing biedt voor een probleem, komen, in overeenstemming met een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, alleen de aanpassingen voor vergoeding in aanmerking.
43
BIJLAGE 2 Protocol Gebruikelijke hulp In beginsel is álle hulp door ouders, door partners onderling, door inwonende kinderen en/of andere huisgenoten gebruikelijk als er sprake is van een kortdurende situatie met uitzicht op een dusdanig herstel van het probleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid, dat ondersteuning daarna niet langer is aangewezen. Daarbij gaat het over het algemeen over een periode van maximaal drie maanden. Als het gaat om een chronische, langdurige, situatie is de hulp van een volwassene gebruikelijk wanneer die hulp door iemand uit de leefeenheid wordt geboden bij maatschappelijke participatie en het bezoeken van familie, vrienden, huisarts enzovoorts en het overnemen van taken die bij een gezamenlijk huishouden horen, zoals het doen van het huishouden en de administratie. Ook het leren omgaan van derden met de inwoner met een beperking, chronisch psychische of psychiatrische aandoening, is gebruikelijke hulp. Van ouders wordt bijvoorbeeld verwacht dat ze professionals instrueren hoe om te gaan met de beperkingen van hun kind. Met het opstellen van een objectief afwegingskader wat betreft de afbakening en inzet van gebruikelijke hulp wordt voorkomen dat er in voorkomende gevallen sprake is van toeval of willekeur.
Echter elke individuele situatie vraagt om een zorgvuldige afweging, waarbij rekening wordt gehouden met de noodzaak tot ondersteuning en de specifieke omstandigheden van de inwoner, zoals zijn persoonskenmerken en gezinssituatie. 2.1 Juridisch kader Gebruikelijke hulp is de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten (artikel 1.1.1 Wmo 2015). Wat onder gebruikelijke hulp valt, wordt dus bepaald door wat op dat moment normaal is en kan in de loop van de tijd veranderen. Volgens de regering is het op dit moment in onze samenleving normaal dat de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten waar nodig en mogelijk hun rol nemen in bijvoorbeeld het huishouden, zeker wanneer er sprake is van een huisgenoot met een beperkte zelfredzaamheid. Of er sprake is van inwoning wordt naar de concrete feitelijke situatie beoordeeld. Uit een uitspraak van de CRvB (ECLI:NL:CRVB:2021:823) blijkt dat als meer hulp geboden moet worden dan gebruikelijk is, dit niet meteen betekent dat hiervoor Wmo-ondersteuning moet worden toegekend. Hierbij staat centraal, de vraag: is de huisgenoot in staat om de hulp te bieden (kan hij het, is er tijd voor en is hij niet overbelast)? Er wordt dus niet meer gesproken over ‘boven-gebruikelijke hulp’ waarvoor ondersteuning moet worden toegekend.
Er moet individueel afgewogen worden of huisgenoten in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden. 2.2 Van wie wordt gebruikelijke hulp verwacht? De leefeenheid van de inwoner die een beroep doet op ondersteuning is primair verantwoordelijk voor het functioneren van de leefeenheid. Dat betekent bijvoorbeeld dat van een leefeenheid wordt verwacht dat, bij uitval van één van de leden van die leefeenheid, gestreefd wordt naar een
44
herverdeling van de huishoudelijke taken binnen die leefeenheid. De huisgenoten moeten meewerken aan het onderzoek dat noodzakelijk is om te bepalen of er sprake is van gebruikelijke hulp. Daarbij moeten de huisgenoten alles aangeven wat van belang kan zijn voor het onderzoek. Doen zij dit niet, dan kan dat inhouden dat de gemeente de noodzaak tot of de omvang van de maatwerkvoorziening niet kan vaststellen. Dit kan dus betekenen dat er geen maatwerkvoorziening kan worden verstrekt. 2.2.1 Leefeenheid
De leefeenheid waartoe de inwoner behoort, bestaat, gelet op artikel 1.1.1 Wmo 2015, uit de: •
echtgenoot;
•
ouders;
•
inwonende kinderen; of
•
andere huisgenoten waarmee inwoner een gezamenlijke huishouding voert.
Gelet op de definitie van gebruikelijke hulp in de Wmo 2015, en Memorie van Toelichting, kunnen meer dan twee volwassen personen tot de leefeenheid behoren. Het begrip gezamenlijke huishouding heeft betekenis in relatie tot ‘andere huisgenoten’. Hiermee is bedoeld om bijvoorbeeld kamerhuurders uit te sluiten of personen die omwille van hun zorgbehoefte op één adres ieder zelfstandig wonen. Als de inwoner deel uitmaakt van een leefeenheid bestaande uit meerdere personen (meerpersoonshuishouden) moet de medewerker van de toegang vaststellen wat, gezien de samenstelling van die leefeenheid, in dat geval verstaan wordt onder gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar. 2.2.2 Hoofdverblijf in dezelfde woning
Het gaat erom dat men feitelijk zijn hoofdverblijf heeft in dezelfde woning. De enkele inschrijving in de Brp is onvoldoende om de vraag te beantwoorden waar iemand zijn woonadres heeft. Die vraag moet beantwoord worden aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Het enkele feit dat een persoon in het Brp is ingeschreven op het adres van de inwoner is onvoldoende om te spreken van hoofdverblijf in dezelfde woning. Soms kan er twijfel bestaan of het gaat om huisgenoten of dat men feitelijk in twee verschillende woningen verblijft. Denk hierbij aan de situatie waarbij iemand woont in een apart bijgebouw. In die situatie kunnen de volgende factoren onderzocht worden om te bepalen of het gaat om één leefeenheid: •
zijn de woningen kadastraal gesplitst?
•
hebben ze een eigen huisnummer?
•
is er sprake van een huurovereenkomst?
•
is het mogelijk om huurtoeslag aan te vragen voor de woning?
•
heeft de woning een eigen toegangsdeur?
2.2.3 Echtgenoot
Met een echtgenoot wordt gelijkgesteld (artikel 1.1.2 Wmo 2015): •
de geregistreerde partner;
•
de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad.