Bijlage 3. Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Oss 2026
Tekst van het document
Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Oss 2026 Intitulé Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Oss 2026 Het college van burgemeester en wethouders, In zijn vergadering van 26 mei 2026 Gezien het voorstel met registratienummer 1056 Besluit 1.
De Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Oss 2026 vast te stellen.
2.
De Nadere regels en beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Oss 2021 in te trekken.
INLEIDING De gemeenteraad heeft ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015) de taak een verordening vast te stellen. In de verordening maatschappelijke ondersteuning Oss 2026 (hierna: verordening) heeft de gemeenteraad de kaders vastgesteld waarbinnen het college uitvoering geeft aan het raadsbeleid op grond van de Wmo 2015. Het college heeft bij de uitvoering rekening te houden met de kaders in de verordening en met de taken en bevoegdheden die in de Wmo 2015 rechtstreeks aan het college worden verstrekt en de daarbij geldende kaders. De beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Oss 2026 (hierna: beleidsregels) zijn een uitwerking van de aan het college toebedeelde bevoegdheden en van de beleidsruimte die de wetgever en de gemeenteraad aan het college laat. De beleidsregels bevatten afwegingskaders die gelden bij het inzetten van passende ondersteuning (algemene- en maatwerkvoorzieningen). In de verordening en ook in de beleidsregels is een belangrijke rol weggelegd voor het proces om te komen tot een passende oplossing voor problemen die inwoners ondervinden bij zelfredzaamheid en participatie.
Bij de afweging over maatwerkvoorzieningen wordt altijd nagegaan wat de mogelijkheden van inwoners zelf zijn (eigen kracht), wat het sociaal netwerk aan ondersteuning kan bieden, of er mogelijkheden zijn op basis van andere wettelijke regelingen en tenslotte of er algemene voorzieningen zijn die de hulpvraag kunnen oplossen. Dit afwegingsproces is waar nodig per voorziening uitgewerkt in de beleidsregels. Uitgangspunt is de persoonlijke situatie van iedere inwoner. Dit betekent dat in de beleidsregels niet tot in detail is vastgelegd hoe het college in concrete situaties zal handelen. De beleidsregels bieden ruimte om in te spelen op persoonlijke mogelijkheden en omstandigheden.
1
HOOFDSTUK 1 Strategisch kader Wmo Oss1 1.1 De visie van de Gemeente Oss Meedoen mogelijk maken is dé missie van het sociaal domein Oss. Al onze inwoners moeten de mogelijkheid hebben om mee te doen aan onze samenleving. Meedoen mogelijk maken gebeurt zoveel mogelijk door mensen en hun verschillende sociale netwerken. Wij helpen de samenleving daarbij waar we kunnen. En als inwoners daarnaast ondersteuning nodig hebben, dan bieden we deze samen met onze partners. Hierbij behandelen we mensen als mensen en vertrouwen we op het goede van de mens. Vanuit deze missie staan drie grote bewegingen centraal: 1.
Normaliseren; bewustwording van dat kwetsbaarheden horen bij het alledaagse leven en moet worden omgegaan met tegenslag. Zodat inclusie, kansengelijkheid en welzijn toeneemt en het beroep op betaalde zorg afneemt.
2.
Voorkómen; de beweging om niet pas in actie komen als er een probleem is, maar te kiezen voor gezond leven en samenleven.
3.
Substitutie; beweging van (zware) ondersteuning door professionals naar lichte of collectieve basishulp.
Basishulp gaat voor intensieve en betaalde ondersteuning (substitutie) We willen inwoners passend helpen met oplossingen die horen bij het alledaagse leven en inwoners helpen om om te gaan met tegenslag die bij het leven hoort (normaliseren). Bij hulpvragen van inwoners kijken we altijd naar mogelijkheden vanuit de sociale basis of basishulp (zoals informele, lichte of collectieve hulp). We kijken hierbij wat voor het alledaagse leven belangrijk is, zoals wonen, leren, een daginvulling, werken of inkomen. Deze basis gaat altijd vóór individuele ondersteuning door beroepskrachten. Normaliseren, het voorkomen van problemen en substitutie zijn nodig om ondersteuning toekomstbestendig en betaalbaar te houden. Betrokkenheid, legitimiteit en rendement In sommige situaties zit regelgeving een oplossing in de weg en is maatwerk nodig. Daar waar regelgeving binnen het sociaal domein leidt tot onbedoelde en ongewenste effecten, maken we gebruik van de Waardendriehoek: legitimiteit, rendement en betrokkenheid2. -
Betrokkenheid; hoe draagt de oplossing eraan bij dat de inwoner zelf meer regie krijgt over zijn leven?
-
Legitimiteit: Welke regels zijn van toepassing? Wat is de bedoeling van een regel? Zijn er uitzonderingsgronden? Verdelen we de middelen rechtvaardig/eerlijk volgens de regels?
-
Rendement: Wat kost de huidige situatie? Wat gaat het kosten als er niks gebeurt? Wat kost de oplossing? Staan de kosten van de oplossing in verhouding tot de toegevoegde waarde?
Door gebruik te maken van de Waardendriehoek kan, wanneer noodzakelijk, gemotiveerd worden afgeweken worden van het systeem of regels.
1 Beleidskader Wmo Oss ‘Meedoen mogelijk maken’ 2025-2029 2 Instituut Publieke Waarden
2
1.2 Ambities en doelen3 We hebben de volgende ambities: 1.
In Oss helpen inwoners elkaar en mag iedereen meedoen (sociale basis).
2.
Inwoners van Oss die dat nodig hebben, krijgen passende ondersteuning waarbij lichte, informele of collectieve hulp de basis is.
3.
Voorzieningen zijn vindbaar, toegankelijk, betaalbaar en kwalitatief goed.
Route tot ondersteuning en de Samenwerkwijze De ondersteuning aan inwoners verloopt volgens de Route tot ondersteuning en de Samenwerkwijze. De Route tot ondersteuning beschrijft de weg die de vraag van de inwoner doorloopt. Het kent een logische opbouw, maar wordt niet strikt lineair doorlopen. De Samenwerkwijze beschrijft hoe professionals binnen deze route werken. Samen vormen zij de basis van onze dienstverlening. We kennen binnen deze werkwijze een aantal basisprincipes: •
De vraag reist, niet de inwoner: De vraag van de inwoner staat centraal. De professional die de vraag oppakt blijft verantwoordelijk voor het begeleiden van deze vraag binnen de route tot ondersteuning. Dat betekent dat: o
de inwoner zijn verhaal niet telkens opnieuw hoeft te vertellen;
o
de ondersteuning zo dicht mogelijk bij de inwoner wordt georganiseerd;
o
de professional de regie houdt op de voortgang van de vraag en zo min mogelijk overdraagt.
•
De vraag start met het verkennen van de vraag en wordt verdiept via vraagverheldering over verschillende leefgebieden. Vraagverheldering is een continu-proces dat door alle fases loopt.
•
Iedere hulpvraag die vraagt om ondersteuning wordt vastgelegd in een samenwerkplan. Het samenwerkplan vormt de basis voor de uitvoering, samenwerking en evaluatie van de ondersteuning. In een samenwerkplan staat: o
wat de inwoner wil;
o
wat de inwoner en/of het netwerk zelf kan doen;
o
wat aanvullend nodig is.
Deze manier draagt bij aan een andere manier van denken, niet vanuit problemen of aanbod, maar vanuit de gewenste situatie en de mogelijkheden van de inwoner. •
Wanneer de vraag om meerdere perspectieven of andere expertise vraagt, wordt samengewerkt met andere professionals, het netwerk en de inwoner. Gezamenlijk wordt bepaald wat nodig is.
•
De afspraken uit het samenwerkplan worden uitgevoerd en geëvalueerd. Er wordt gestreefd naar een oplossing binnen zes weken. Op basis van de evaluatie wordt bepaald of de ondersteuning kan worden afgerond of dat er nog verdere ondersteuning nodig is.
3 Beleidskader Wmo Oss ‘Meedoen mogelijk maken’ 2025-2029
3
HOOFDSTUK 2 Begripsbepalingen In deze beleidsregels wordt verstaan onder: •
Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;
•
Verordening: de geldende Verordening maatschappelijke ondersteuning Oss;
•
Besluit: de geldende Nadere regels maatschappelijke ondersteuning Oss;
Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Wet, het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, de Algemene wet bestuursrecht, de verordening en de nadere regels.
HOOFDSTUK 3 Procedure De wet kent een uitgebreide toegangsprocedure tot (maatwerk)voorzieningen die bestaat uit drie onderdelen: Melding en onderzoek, aanvraag en besluit en bezwaar, beroep en hoger beroep. Onder toegang verstaan we het proces vanaf het moment waarop inwoners zich melden bij de gemeente. 3.1 Melding Een melding in de zin van artikel 2.1 van de verordening kan worden gedaan op de volgende wijze: 1.
Mondeling bij het sociale gebiedsteam in de buurt waar de inwoner woont;
2.
Telefonisch bij de Toegang Zorg en Welzijn.
Het college zal zich na de melding een beeld moeten vormen van de ondersteuningsbehoefte van de inwoner. Het is daarbij van belang dat het college in dit stadium een zorgvuldige inschatting maakt van de problematiek van de inwoner en op zoek gaat naar de mogelijke vraag achter de vraag. Soms is informatie en advies voldoende om een hulpvraag te beantwoorden. Niet bij elke melding is een uitgebreid onderzoek nodig. Wanneer de inwoner voldoende bekend is en zijn persoonlijke situatie niet aanzienlijk is veranderd, kan direct een aanvraag voor een maatwerkvoorziening volgen. 3.1.1 Spoedeisende noodzaak
Volgens artikel 2.3.3 van de wet moet in spoedeisende gevallen een tijdelijke maatwerkvoorziening worden verstrekt. Met spoedeisende wordt bedoeld die situaties waarin direct ondersteuning noodzakelijk is, al dan niet in verband met risico's voor de veiligheid als gevolg van huiselijk geweld. Het college moet in deze gevallen direct in actie komen door een passende tijdelijke maatregel te treffen. De noodzaak om met spoed een tijdelijke maatwerkvoorziening te verstrekken, zal slechts in bijzondere gevallen aanwezig zijn. Het betreft situaties waarbij acuut iets geregeld moet worden. Denk bijvoorbeeld aan:
4
•
Ontslag uit het ziekenhuis of instelling is alleen mogelijk wanneer een maatwerkvoorziening wordt verstrekt;
•
Het is medisch noodzakelijk dat er meteen een maatwerkvoorziening wordt verstrekt;
•
De mantelzorger moet meteen worden ontlast of is plotseling uitgevallen waardoor er een maatwerkvoorziening nodig is;
•
De inwoner heeft een zeer korte levensverwachting en ondersteuning is direct noodzakelijk;
•
Plotselinge uitval van een ouder met (jonge) kinderen in een eenoudergezin of uitval van beide ouders waardoor ondersteuning nodig is.
Naast boven genoemde situaties, kan de spoedprocedure ook ingezet worden voor indicaties die gesteld moeten worden bij zorgmijders. Wanneer er sprake is van een spoedprocedure wordt uiterlijk binnen twee weken na de melding een besluit genomen tot het verstrekken van een tijdelijke maatwerkvoorziening. Een tijdelijke maatwerkvoorziening wordt niet langer dan twaalf weken ingezet. 3.1.2 Persoonlijk plan
Nadat de inwoner zich heeft gemeld en duidelijk is dat verder onderzoek nodig is, wijst het college op de mogelijkheid om een persoonlijk plan in te dienen. De inwoner kan binnen zeven dagen na de melding een persoonlijk plan inleveren. Met het indienen van een persoonlijk plan is overigens niet gezegd dat het college gehouden is, (volledig) tegemoet te komen aan de wensen zoals in het persoonlijk plan beschreven. Het college zal het persoonlijk plan meenemen in de afwegingen om te komen tot een besluit. 3.1.3 Onafhankelijke cliëntondersteuning
Onafhankelijke cliëntondersteuning is ondersteuning van de inwoner met informatie en advies die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie. Een cliëntondersteuner kan de inwoner in het gesprek helpen zijn hulpvraag te verwoorden en keuzes te maken. Het college moet ervoor zorgen dat deze cliëntondersteuning beschikbaar is voor hen die maatschappelijke ondersteuning nodig hebben of problemen hebben op andere terreinen binnen het sociale domein. In de afspraakbevestiging wijst het college erop dat de inwoner gebruik kan maken van kosteloze onafhankelijke cliëntondersteuning. 3.2 Onderzoek Na bevestiging van de melding wordt een afspraak gemaakt voor een gesprek. Het gesprek is een belangrijk onderdeel van het onderzoek. Bij het gesprek kunnen ook andere personen dan de inwoner aanwezig zijn, zoals een mantelzorger of personen uit zijn sociaal netwerk. 3.2.1 Het gesprek
In het gesprek wordt samen met de inwoner gekeken wat zijn problemen en leefomstandigheden zijn, en hoe zijn sociale omgeving (gezin en sociaal netwerk) eruitziet. Er wordt bekeken welk resultaat hij wil bereiken ten aanzien van zijn zelfredzaamheid en participatie en welke oplossingen passend zouden kunnen zijn. Er wordt ook gekeken in hoeverre eigen mogelijkheden, gebruikelijke
5
hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk en algemene voorzieningen kunnen helpen. Mantelzorg In het geval van mantelzorg wordt ook de mantelzorger uitgenodigd voor het gesprek. Het is namelijk van belang om te weten of de mantelzorger behoefte heeft aan ondersteuning in verband met het verlenen van mantelzorg. Een mantelzorger kan zelf ook een gesprek aanvragen. Om te zorgen dat de mantelzorger de juiste ondersteuning krijgt informeert de consulent de mantelzorger over mantelzorg-ondersteuning en respijtzorg. Respijtzorg is het tijdelijk overnemen van de zorg om de mantelzorger ‘op adem te laten komen’. Een voorbeeld is kortdurend verblijf. Ook dagbesteding kan worden ingezet als respijtzorg. De consulent verwijst indien nodig door of legt contact met de lokale mantelzorgpunten. Ook als de mantelzorger niet bij het gesprek aanwezig is wordt aan de inwoner gevraagd naar de mogelijkheden en behoeften van de mantelzorger. Persoonsgebonden budget (pgb) Wanneer de inwoner een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wil, moet er een pgb-plan worden opgesteld. Er vindt ook een apart gesprek plaats. Dit gesprek is bedoeld om te informeren over de voorwaarden en te onderzoeken of een pgb passend is bij de situatie. 3.2.2 Sociaal medisch advies
Het college kan om advies van deskundigen vragen voor zover dit van belang is voor het onderzoek of de beoordeling van de aanvraag. Het college kan onder andere advies vragen bij de volgende situaties: •
de sociaal medische situatie van belanghebbende geeft daarvoor aanleiding of;
•
wanneer er sprake is van moeilijk objectiveerbare aandoeningen of;
•
wanneer het voornemen bestaat de gevraagde voorziening om medische redenen af te wijzen of;
•
wanneer de mogelijkheden van gebruikelijke hulp moeten worden vastgesteld of;
•
bij twijfels of iemand in aanmerking komt voor een indicatie op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz);
•
wanneer het college dat gewenst vindt.
Het college beoordeelt het advies en kijkt of er aanleiding bestaat tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening. 3.2.3 Het onderzoeksverslag
Het onderzoek wordt afgesloten met een onderzoeksverslag. In het verslag worden de ondersteuningsbehoeften beschreven. Ook worden de oplossingen verwoord die in samenspraak met de inwoner en zijn omgeving tot stand zijn gekomen. Als er na het gesprek nog aanvullend onderzoek heeft plaatsgevonden wordt het onderzoek en de uitkomst hiervan ook opgenomen in het verslag. In het verslag komt in ieder geval aan de orde: •
de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de inwoner;
6
•
de mogelijkheden van de inwoner om op eigen kracht, of met gebruikelijke hulp, dan wel met mantelzorg of hulp van andere personen, dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren;
•
de mogelijkheden van ondersteuning van de mantelzorger van de inwoner;
•
als een persoonlijk plan is overhandigd, de reactie van de gemeente op het persoonlijk plan;
•
de uitkomst van het gesprek;
•
de procedure na ontvangst van het ondertekende verslag.
Nadat de inwoner het verslag heeft ontvangen is het in principe zijn verantwoordelijkheid om zelf te beslissen of een aanvraag wordt ingediend. Dit kan hij doen door het verslag ondertekend terug te sturen. Als de inwoner niet akkoord is dan kan hij dit aangeven op het verslag met daarbij wat de reden is. Als de inwoner van mening is dat hij wel in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, kan hij dit aangeven op het door hem ondertekende verslag. Het verslag wordt in deze situatie aangemerkt als aanvraagformulier. De cliëntondersteuner kan hier eventueel een rol bij spelen. Als het college het onderzoek niet binnen de wettelijke termijn van zes weken afrondt, kan de inwoner toch een aanvraag indienen. Daarop moet binnen twee weken worden besloten. Met een goed uitgevoerd onderzoek wordt recht gedaan aan het belang van de inwoner die zich met een hulpvraag heeft gemeld. Dit geldt ook in het geval van een (gedeeltelijke) afwijzing van de aanvraag. Het onderzoek biedt een zorgvuldige basis voor besluitvorming. 3.3 Aanvraag en besluit 3.3.1 De aanvraag
Na het onderzoek kan de inwoner besluiten al dan niet over te gaan tot het indienen van een aanvraag op een door het college daartoe vastgesteld aanvraagformulier of door ondertekening van het gespreksverslag. 3.3.2 Het besluit
Het college neemt naar aanleiding van de aanvraag een besluit. Dit besluit staat in een beschikking. In de beschikking staat: de aanvraag- of meldingsdatum, het besluit, de motivering van het besluit en een bezwaarclausule. Bij de toekenning van een maatwerkvoorziening wordt in de beschikking vermeld: wat inwoner eventueel zelf kan oplossen, welke voorziening wordt toegekend en het beoogde resultaat daarvan, de omvang en de duur van de voorziening, de wijze van verstrekking (zorg in natura of persoonsgebonden budget), de eventueel van toepassing zijnde voorwaarden en de uitvoering van het besluit. Voor een persoonsgebonden budget geldt dat de hoogte van het pgb, de kwaliteitseisen en de wijze van verantwoording van het pgb ook in de beschikking worden vermeld. Wordt er een andere ondersteuningsbehoefte geïndiceerd dan waarom de inwoner heeft verzocht dan wordt gemotiveerd waarom we hiervoor hebben gekozen. Verder wordt in de beschikking toekenning gemeld of de inwoner een bijdrage moet betalen.
7
Bij een afwijzing wordt aangegeven waarom de gevraagde maatwerkvoorziening niet noodzakelijk is voor de inwoner. Bijvoorbeeld omdat hij zonder de gevraagde voorziening in voldoende mate zelfredzaam is of participeert. Wanneer een maatwerkvoorziening in de vorm van hulp bij het huishouden wordt toegekend, maakt de zorgaanbieder samen met de inwoner een ondersteuningsplan. In dit ondersteuningsplan staan de resultaatafspraken waarop de ondersteuning is gericht, de gemiddelde omvang per week en de frequentie van de activiteiten. Het ondersteuningsplan maakt onderdeel uit van de beschikking. 3.4 Bezwaar, beroep en hoger beroep Als het genomen besluit afwijkt van de uitkomst van het gesprek wordt de inwoner voor verzending van de beschikking telefonisch geïnformeerd over de aard van de beslissing. Als de inwoner van mening is dat het college hem ten onrechte geen maatwerkvoorziening verstrekt of dat de maatwerkvoorziening onvoldoende bijdraagt aan de zelfredzaamheid of participatie, kan de inwoner daartegen bezwaar maken en daarna eventueel in beroep gaan.
HOOFDSTUK 4 Algemene beoordeling van maatwerkvoorzieningen Het beoordelingskader en de toegangsvoorwaarden voor aanspraak op een maatwerkvoorziening worden bepaald door de wet (zoals de doelgroep en de eigen verantwoordelijkheid), de verordening (voorwaarden om in aanmerking te komen voor een maatwerkvoorziening), de nadere regels en de onderhavige beleidsregels. 4.1 Algemeen beoordelingskader In de wet is vastgelegd dat het college bij het beoordelen van een aanvraag, onderzoek doet naar: 1.
Is de inwoner ingezetene van de gemeente?
2.
Behoort de inwoner tot de doelgroep van de Wmo (art. 1.2.1 en 1.2.2 van de wet)?
3.
Zijn er andere mogelijkheden, zoals eigen kracht, mantelzorg of hulp van iemand uit het sociale netwerk?
4.
Is er sprake van gebruikelijke hulp?
5.
Zijn er (deels) voorliggende voorzieningen beschikbaar?
6.
Zijn er (deels) algemeen gebruikelijke voorzieningen beschikbaar?
7.
Zijn er (deels) algemene voorzieningen beschikbaar?
4.1.1 Ingezetene
Eén van de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een maatwerkvoorziening is dat de inwoner ingezetene is van de gemeente Oss. Om vast te stellen of een inwoner ingezetene is van de gemeente Oss moet de gemeente een onderzoek doen. Hierbij wordt gekeken naar of de inwoner staat ingeschreven in de BRP, maar ook waar de persoon feitelijk zijn woonplaats heeft, dat wil zeggen waar de inwoner gelet op alle omstandigheden daadwerkelijk woont. De BRP is hierin niet doorslaggevend. 8
Voor beschermd wonen en maatschappelijke opvang geldt niet dat de inwoner ingezetene moet zijn, hiervoor geldt een landelijke toegankelijkheid. 4.1.2 Eigen kracht
De eigen kracht van de inwoner is een belangrijke pijler van de wet. Het uitgangspunt van de wet is immers dat de inwoner eerst kijkt in hoeverre hij zelf, of samen met zijn sociaal netwerk als dat mogelijk is, een bijdrage kan leveren aan het verbeteren van zijn situatie. De inwoner wordt gestimuleerd om zelf de regie te voeren en eigen mogelijkheden te benutten. Hiertoe behoort ook dat hij een beroep doet op familie en vrienden – zijn eigen sociaal netwerk – alvorens hij bij de gemeente aanklopt voor hulp. Het is immers normaal dat mensen iets doen voor hun partner, familielid of vriend als deze persoon niet geheel op eigen kracht kan deelnemen aan de samenleving. Het uitgangspunt is dus dat iedere inwoner eerst kijkt wat hij zelf kan doen, wat zijn sociale omgeving voor hem kan doen of wat hij zelf voor een ander kan doen. Oplossingen die een inwoner zelf redelijkerwijs kan realiseren gaan voor op het verstrekken van een maatwerkvoorziening. Eigen verantwoordelijkheid betekent bijvoorbeeld ook de aanschaf en het gebruik van zoveel mogelijk strijkvrije kleding om onnodig beroep op een hulp te voorkomen. Ook nieuwe technische mogelijkheden kunnen worden betrokken bij de afwegingen. Via algemene voorlichting kunnen inwoners worden geïnformeerd over hun eigen verantwoordelijkheid voor het tijdig nemen van maatregelen die leiden tot zelfredzaamheid en participatie.
Bijvoorbeeld bij het organiseren van zorg, het aanschaffen van hulpmiddelen en het geschikt maken en houden van hun woningen. Maar ook over het tijdig verhuizen naar een meer geschikte woning zodra er beperkingen ontstaan. De eigen verantwoordelijkheid komt tijdens het gesprek met de inwoner aan de orde. Sociaal netwerk Het sociaal netwerk bestaat uit personen uit de huiselijke kring (familieleden, huisgenoten, de (voormalig) echtgenoot en mantelzorgers) en andere personen met wie de inwoner een sociale relatie onderhoudt. Deze laatstgenoemde personen zijn personen met wie de inwoner regelmatig contacten onderhoudt, zoals bijvoorbeeld buren, collega’s en medeleden van een vereniging. 4.1.3 Gebruikelijke hulp
Er bestaat geen aanspraak op een maatwerkvoorziening als de inwoner huisgenoten heeft die in staat zijn hulp te bieden bij bijvoorbeeld het voeren van een gestructureerd huishouden of het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen. Dit wordt gebruikelijke hulp genoemd (zie Bijlage 2). 4.1.4 Voorliggende voorzieningen
Voorliggende voorzieningen zijn voorzieningen op grond van een andere wet- of regelgeving die een passende en toereikende oplossing kunnen bieden. Bij voorliggende voorzieningen kan onder andere gedacht worden aan: •
zittend ziekenvervoer op grond van de Zorgverzekeringswet;
•
hulpmiddelen en behandeling op grond van de Zorgverzekeringswet;
9
•
verblijfsindicatie op grond van de Wet langdurige zorg (hierop bevat de wet wel een aantal uitzonderingen);
•
opvoedondersteuning vanuit de Jeugdwet.
Er moet in elke individuele situatie worden beoordeeld of de voorliggende voorziening toereikend en passend is. Is dat niet of deels het geval, dan moet alsnog een (aanvullende) maatwerkvoorziening worden geboden. Als de inwoner geen gebruik wenst te maken van een voorliggende voorziening, kan dat niet tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening leiden. Of de inwoner dan daadwerkelijk de betreffende voorliggende voorziening zal gaan gebruiken behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner. 4.1.5 Algemeen gebruikelijke voorzieningen
Er bestaat geen recht op een maatwerkvoorziening als deze voor de inwoner algemeen gebruikelijk is. Hiermee voorkomen we dat het college een voorziening verstrekt waarvan het logisch is dat de inwoner daarover, ook als hij geen problemen had, zou (hebben kunnen) beschikken. Bij het bepalen of een noodzakelijke voorziening voor de inwoner algemeen gebruikelijk is, wegen we of de voorziening: •
niet specifiek bedoeld is voor mensen met een beperking;
•
daadwerkelijk beschikbaar is;
•
een passende bijdrage levert aan een situatie waarin de inwoner zelfredzaam kan zijn of kan participeren;
•
met een inkomen op minimumniveau kan worden aangeschaft (hierbij mag het college rekening houden met tweedehands aanbod).
In elke situatie wordt beoordeeld of de voorziening voor die inwoner algemeen gebruikelijk is. Zie hiervoor Bijlage 1. Uitzondering In bepaalde situaties kan een algemeen gebruikelijke voorziening toch niet algemeen gebruikelijk zijn. Deze uitzondering kan zich bijvoorbeeld voordoen als: •
De inwoner een inkomen heeft dat onder de voor hem/haar geldende bijstandsnorm ligt;
•
Een nog niet afgeschreven voorziening door een plotseling optredende lichamelijke beperking niet meer geschikt is en moet worden vervangen door een andere voorziening.
4.1.6 Algemene voorzieningen
Een algemene voorziening is een aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder diepgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning. De gemeente kan overigens na het onderzoek dat volgt op een melding nog steeds verwijzen naar een algemene voorziening. Bij algemene voorzieningen gaat het vaak om voorzieningen die op laagdrempelige wijze via dienstverlening worden aangeboden. Van een algemene voorziening is alleen sprake als deze wordt geleverd door een aanbieder. Als een voorziening door een private partij wordt geleverd en de gemeente dus geen overeenkomst heeft gesloten met de aanbieder, is dit geen algemene voorziening. 10
Voorbeelden van algemene voorzieningen kunnen zijn: •
klussendienst;
•
buurtinloop- en/of ontmoetingsactiviteiten;
•
dagbestedingsactiviteiten;
•
maatschappelijk werk;
•
welzijnswerk;
•
huishoudelijke hulp;
•
dag- en nachtopvang.
De inwoner komt niet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening als er een algemene voorziening is die: •
daadwerkelijk beschikbaar is voor de inwoner; en
•
financieel gedragen kan worden door de inwoner: het college moet beoordelen of de inwoner in redelijkheid de algemene voorziening kan betalen als er een bijdrage wordt gevraagd. Het is vervolgens aan de inwoner om dit te weerleggen. De inwoner moet aannemelijk maken dat de algemene voorziening financieel niet gedragen kan worden; en
•
passend en toereikend is voor de inwoner.
4.2 Algemene criteria voor maatwerkvoorzieningen Naast het algemene beoordelingskader gelden er criteria op basis waarvan wordt bepaald of een inwoner een maatwerkvoorziening krijgt. 4.2.1 Langdurig noodzakelijk
In de verordening is aangegeven dat een maatwerkvoorziening slechts wordt verstrekt wanneer sprake is van een langdurige noodzaak. Deze bepaling geeft een tweetal begrenzingen aan met betrekking tot het verstrekken van voorzieningen, te weten een begrenzing in tijd en de noodzakelijkheid. Voor het criterium ‘langdurig noodzakelijk’ is ook gekozen vanwege het nadrukkelijkere beroep op de inwoner om problemen zelf of met het netwerk op te lossen, zeker als die problemen kortdurend zijn. Begrenzing in tijd Langdurig betekent dat de inwoner de voorziening voor langere tijd nodig moet hebben. Een inwoner die alleen tijdelijk beperkingen heeft, komt niet voor een voorziening in aanmerking. Denk bijvoorbeeld aan een iemand die door een ongeluk tijdelijk beperkt is. Voor tijdelijke hulpmiddelen kan de inwoner een beroep doen op de Zorgverzekeringswet. Eén manier om te bepalen of een voorziening langdurig noodzakelijk is, is door te kijken naar de termijn die in de Zorgverzekeringswet (Zvw) geldt. De Zvw geeft rolstoelen, drempelhulpen, transferhulpmiddelen alleen voor beperkte of onzekere duur. Hiermee wordt een termijn van ten hoogste 26 weken bedoeld. Een tweede manier om de langdurige noodzaak te beoordelen is door te kijken naar de tijdelijkheid van de beperking. De voorspelling van de ontwikkeling van de beperking is daarbij van belang.
Als die is dat de inwoner na enige tijd zonder de benodigde hulpmiddelen of aanpassingen kan 11
functioneren, dan gaat het college van een kortdurende noodzaak uit. Er wordt dan geen voorziening verstrekt. Is er een wisselend beeld waarbij verbetering in de situatie wordt gevolgd door situaties van terugval, dan kan worden uitgegaan van een langdurige noodzaak. Een uitzondering op de regel dat de aangevraagde voorziening langdurig noodzakelijk moet zijn, kan worden gevormd door situaties waarin voor een afzienbare periode hulp bij het huishouden nodig is, bijvoorbeeld bij een ontregeld huishouden of na een ongeplande ziekenhuisopname. Bij geplande ziekenhuisopname mag van de inwoner worden verwacht dat hij zelf een oplossing vindt voor deze tijdelijke situatie. Noodzakelijkheid Een voorziening wordt alleen verstrekt als duidelijk is dat de voorziening noodzakelijk is om beperkingen te compenseren en zo te zorgen voor een aanvaardbaar niveau van zelfredzaamheid en participatie. Het streven is om de inwoner op het niveau van participatie en zelfredzaamheid te brengen dat bij zijn situatie past. Daarbij zijn van belang de situatie van de inwoner voordat er beperkingen waren, evenals de situatie van personen in vergelijkbare omstandigheden en in dezelfde leeftijdscategorie die geen beperkingen hebben. Aanvaardbaar wil aan de andere kant zeggen, dat de inwoner zich er soms bij neer moeten leggen dat er belemmeringen blijven.
De ondersteuning beperkt zich in die zin tot wat noodzakelijk is in het licht van zelfredzaamheid en participatie. De ondersteuning gaat niet zover dat het college rekening moet houden met alle wensen van de inwoner wat betreft persoonlijke voorkeuren, smaak, gewoontes en comfort. Het betekent bijvoorbeeld ook niet per definitie dat de inwoner alle hobby's moet kunnen uitoefenen die hij voorheen uitoefende of dat een inwoner een fietsvoorziening krijgt in plaats van een andere vervoersvoorziening omdat hij liever fietst. Er wordt uitgegaan van de goedkoopst adequate oplossing. 4.2.2 Goedkoopst adequate voorziening
Maatwerkvoorzieningen die worden verstrekt dienen naar objectieve maatstaven gemeten zowel adequaat (geschikt) als de meest goedkope maatwerkvoorziening te zijn. Zijn er twee of meer maatwerkvoorzieningen geschikt, dan zal gekozen worden voor de goedkoopste maatwerkvoorziening. Als de inwoner een duurdere voorziening wil (die eveneens geschikt is) komen de meerkosten van die duurdere voorziening voor rekening van de inwoner. In dergelijke situaties zal de verstrekking, als de inwoner met een pgb kan omgaan, plaatsvinden in de vorm van een pgb gebaseerd op de goedkoopst adequate voorziening. 4.2.3 Voorzienbaarheid
Als het college van oordeel is dat een inwoner zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning redelijkerwijs van tevoren had kunnen voorzien en dit met zijn beslissing had kunnen voorkomen door rekening te houden met zijn beperkingen en de te verwachten ontwikkelingen daarvan, kan het college besluiten dat de inwoner niet in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening met betrekking tot zelfredzaamheid of participatie.
12
Bij een beroep op maatschappelijke opvang, kan bijvoorbeeld worden gekeken of iemand zelf zijn huur heeft opgezegd of zijn herkomstland heeft verlaten zonder maatregelen te treffen om zich in onze regio te vestigen. Voorzienbaarheid moet goed worden onderzocht en in kaart gebracht. Voorzienbaarheid is namelijk moeilijk vast te stellen. Van belang is wanneer en wat de inwoner had kunnen weten. Het college kan voorzieningen weigeren als iemand iets aanschaft of verhuist zonder rekening te houden met zijn beperkingen en de te verwachten ontwikkelingen daarvan. Er is dan al sprake van beperkingen. Het college kan niet van inwoners eisen dat preventief maatregelen worden getroffen en investeringen worden gedaan die moeten voorkomen dat mogelijke beperkingen in de toekomst, bijvoorbeeld als gevolg van het ouder worden, leiden tot een beroep op de Wmo. Er is dan namelijk nog geen sprake van beperkingen. 4.2.4 Eerder verstrekte voorziening
Er bestaat geen aanspraak op een maatwerkvoorziening als de aanvraag betrekking heeft op een al eerder verstrekte voorziening in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling én de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet is verstreken. Een uitzondering kan worden gemaakt als de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de inwoner zijn toe te rekenen. Het is ook redelijk te achten dat de inwoner – als een ander dan hijzelf schade heeft veroorzaakt – diegene aansprakelijk stelt. Normale afschrijvingstermijn Het college verstaat onder de normale afschrijvingsduur de technische afschrijvingsduur. Dit houdt in dat het college niet gehouden is een economisch afgeschreven voorziening, die nog in goede staat is en passend voor de inwoner, in te nemen en een nieuwe maatwerkvoorziening te verstrekken. In de nadere regels is de technische afschrijvingsduur van hulpmiddelen opgenomen. 4.2.5 Geen aanleiding voor verhuizing, tenzij belangrijke reden
Aanvragen die het gevolg zijn van een verhuizing vanuit een voor de inwoner geschikte woning en waarvoor dus geen noodzaak bestaat, leiden tot afwijzing van een maatwerkvoorziening. Dat is anders als er een belangrijke reden voor de verhuizing bestaat. Als belangrijke redenen kunnen worden aangemerkt: samenwoning, huwelijk en het aanvaarden van werk verder weg. In geval van samenwoning of huwelijk houdt het college ook rekening met de keuze die de inwoner maakt in welke woning hij gaat samenwonen. Ook in dat geval moet er een belangrijke reden zijn waarom hij naar de woning verhuist waar mogelijk meer aanpassingen moeten worden verricht. Het college betrekt daarbij ook de mogelijkheden die van de partner van de inwoner kunnen worden gevergd.
13
HOOFDSTUK 5 Specifieke beoordeling van voorzieningen Algemene en maatwerkvoorzieningen kennen verschillende verschijningsvormen, passend bij het resultaat dat behaald moet worden. Naast het algemene beoordelingskader en de algemene criteria zoals beschreven in hoofdstuk 4 van deze beleidsregels, wordt bij de beoordeling van een aanvraag voor een maatwerkvoorziening het specifieke afwegingskader van de betreffende maatwerkvoorziening betrokken. Het specifieke afwegingskader voor de algemene voorziening huishoudelijke hulp staat hier ook beschreven. Voor de maatwerkvoorzieningen die behoren tot het Regionale vangnet zijn de specifieke afwegingskaders opgenomen in aparte (regionaal geldende) beleidsregels. 5.1 Hulp bij het huishouden Het kunnen voeren van een huishouden vergroot de zelfredzaamheid en maakt langer zelfstandig wonen in de eigen leefomgeving mogelijk. Hulp bij het huishouden is een vorm van ondersteuning die ervoor zorgt dat inwoners een gestructureerd huishouden kunnen voeren. 5.1.1 Wat valt onder de reikwijdte van de Wmo?
De Wmo 2015 geeft geen concrete definitie van een gestructureerd huishouden. Uit uitspraken van de Centrale Raad van Beroep blijkt dat het voeren van een gestructureerd huishouden in ieder geval inhoudt, de zorg voor: •
het schoon en op orde houden van het huishouden (een schoon en leefbaar huis);
•
het kunnen beschikken over schone kleding en beddengoed.
Een schoon en leefbaar huis Een huis is schoon en leefbaar als het normaal bewoond en gebruikt kan worden en voldoet aan basale hygiëne-eisen. Schoon staat voor: een basishygiëne borgen waarbij vervuiling van het huis en gezondheidsrisico’s van inwoners worden voorkomen. Leefbaar staat voor: opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. Een schoon en leefbaar huis heeft betrekking op een schone woonkamer, slaapvertrek(ken), keuken, sanitaire ruimtes en gang/trap. Het gaat hier alleen om ruimten die ook daadwerkelijk in gebruik zijn. Het schoonmaken van de buitenruimte bij het huis (ramen, tuin, balkon etc.) maakt geen onderdeel uit van de huishoudelijke hulp. Huishoudelijke activiteiten Om de resultaten een schoon en leefbaar huis en het kunnen beschikken over schone kleding en beddengoed te bereiken kunnen verschillende huishoudelijke activiteiten nodig zijn: •
Basisactiviteiten: Deze activiteiten dienen regelmatig uitgevoerd te worden. Het gaat hier om: stoffen, stofzuigen, dweilen, keuken en sanitair schoonmaken, bed verschonen, de was doen en afval opruimen.
•
Incidentele activiteiten: Deze activiteiten worden slechts één of enkele malen per jaar uitgevoerd. Het betreft: ramen wassen aan de binnenzijde, raambekleding wassen, binnenzijde
14
keukenkastjes afnemen, keukenapparatuur (bijv. koelkast) schoonmaken, deurposten en tegelwanden afnemen. 5.1.2 Beoordeling van een aanvraag voor hulp bij het huishouden
1. Allereerst beoordeelt het college wat de mogelijkheden van de inwoner zijn. 2. Daarna beoordeelt het college of er sprake is van gebruikelijke hulp vanuit het gezin/huisgenoten en de mogelijkheden van mantelzorg vanuit het sociaal netwerk. Hiervoor kan gebruik gemaakt worden van het Protocol Gebruikelijke hulp (Bijlage 2). 3. Vervolgens onderzoekt het college of er andere eigen mogelijkheden zijn. Het college kijkt hierbij naar voorliggende en algemeen gebruikelijke voorzieningen en of deze beschikbaar zijn en een oplossing bieden. 4. Als al het voorafgaande niet geleid heeft tot een oplossing van de situatie, zal het college beoordelen of de inwoner gebruik kan maken van de algemene voorziening hulp bij huishouden. Als de inwoner hier gebruik van kan maken volgt er een verwijzing richting de aanbieder. 5. In de gevallen waarbij inzet van de algemene voorziening niet toereikend is, zoals bij regieprobleem wordt er maatwerk ingezet. Let op: mocht iemand uit het netwerk de regie over kunnen nemen waardoor er geen sprake meer is van een regieprobleem, dan kan een algemene voorziening alsnog toereikend zijn. 6. De maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning kan door het college worden toegekend in zorg in natura (ZIN) of in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). 7.
Het college houdt bij de afwegingen rekening met de belangen van mantelzorgers en diens dreigende overbelasting. 5.1.3 Hulp bij het huishouden als algemene voorziening
Doelgroep Inwoners die als gevolg van een lichamelijke beperking of chronisch psychisch of psychosociaal probleem niet in staat zijn (een deel van) de huishoudelijke taken uit te voeren, maar zelf nog in staat zijn om regie te voeren over het huishouden. Deze inwoners hebben een relatief eenvoudige ondersteuningsvraag. Of een inwoner tot de doelgroep behoort en in aanmerking komt voor de algemene voorziening hulp bij huisouden, wordt een lichte toets uitgevoerd. Resultaten 1. Het schoon en leefbaar houden van de woning 2.
Het zorgen voor schoon beddengoed en kleding (exclusief strijken)
Inhoud van de hulp De algemene voorziening hulp bij huishouden betreft 52 uur hulp per jaar, verdeeld over iedere twee weken twee uur hulp. Aan de hand van de persoonlijke situatie van de inwoner gaat de zorgaanbieder in overleg met de inwoner om te bepalen welke activiteiten moeten worden overgenomen.
15
Voor de algemene voorziening wordt geen beschikking, geen ondersteuningsplan en geen einddatum afgegeven, maar een verwijzing naar een zorgaanbieder. De algemene voorziening hulp bij huishouden kan niet in de vorm van een persoonsgebonden budget worden ingezet. De algemene voorziening hulp bij huishouden is voorliggend op een maatwerkvoorziening hulp bij huishouden. 5.1.4 Hulp bij het huishouden als maatwerkvoorziening
Doelgroep Hulp bij huishouden als maatwerkvoorziening is bedoeld voor inwoners die als gevolg van een beperking of chronisch psychisch of psychosociaal probleem niet meer in staat zijn (een deel) van de huishoudelijke taken uit te voeren en waarbij de noodzakelijke ondersteuning de algemene voorziening overstijgt of waarbij de inwoner niet in staat is de regie te voeren over het huishouden en er niemand uit de omgeving de regie kan overnemen. Schoon en leefbaar houden en wasverzorging Bij de maatwerkvoorziening hulp bij huishouden gaat het in ieder geval om huishoudelijke werkzaamheden gericht op het schoon en leefbaar houden van de woning. Het betreft hier overname van huishoudelijke taken genoemd onder de basisactiviteiten en incidentele activiteiten en wanneer nodig overname van de wasverzorging. Strijken wordt in de regel niet gedaan. De inwoner kan gebruik maken van strijkvrije kleding. Organisatie van het huishouden Wanneer sprake is van een verminderde regie kan hulp ingezet worden bij de organisatie van het huishouden. Het gaat dan om: •
het plannen en beheren van de middelen met betrekking tot het huishouden, alsook het verkrijgen van structuur hierbij; of
•
advies, instructie en voorlichting gericht op het huishouden, zoals instructie over en/of het aanleren hoe en wanneer je huishoudelijke activiteiten uitvoert. Meestal gaat het hier om een tijdelijke indicatie.
Hulp bij het doen van boodschappen en/of maaltijden Wanneer een inwoner niet in staat is boodschappen te doen en/of maaltijden te bereiden dan kan gebruik gemaakt worden van een boodschappendienst en/of kant-en-klaar maaltijden. Er zijn diverse boodschappendiensten en maaltijdservices in de gemeente Oss beschikbaar. Deze zijn voorliggend op hulp bij het huishouden en worden in de regel als algemeen gebruikelijke voorzieningen beschouwd. Wanneer een inwoner aansporing nodig heeft bij de maaltijden dan valt dit onder individuele ondersteuning. Wanneer een inwoner hulp nodig heeft bij het eten zelf dan valt dit onder persoonlijke verzorging (Zorgverzekeringswet). In zeer uitzonderlijke situaties wanneer niemand in de omgeving kan helpen, er geen voorliggende wet- en regelgeving is (bijvoorbeeld een Wlz-indicatie), er geen gebruik gemaakt kan worden van
16
vrijwilligers, samen-eet-voorzieningen, hulpmiddelen, maaltijdservices e.d., kan hulp bij het huishouden worden ingezet bij de maaltijden. Het kan dan gaan om het bereiden van een broodmaaltijd, op- en afruimen van de tafel, koffie- en theezetten of een maaltijd opwarmen. Bijzondere situaties: zorg voor kinderen die tot het gezin behoren De zorg voor kinderen die tot het huishouden behoren is in eerste instantie een taak van de ouders. Zo moeten werkende ouders er zorg voor dragen dat er op tijden dat zij beiden werken opvang voor de kinderen is. De Wmo is niet bedoeld om kinderopvang te financieren, daar zijn andere regelingen voor (bijvoorbeeld Wet kinderopvang). Van ouders wordt bijvoorbeeld ook verwacht gebruik te maken van ouderschapsverlof, zorgverlof en mogelijkheden binnen het sociaal netwerk. De Wmo kan in uitzonderlijke en onverwachte situaties tijdelijk hulp bieden zodat ruimte ontstaat om zelf naar een al dan niet structurele oplossing te zoeken. Het gaat dan alleen om zorgtaken, vervoer naar zwemles e.d. vallen hier niet onder. 5.1.5 Frequentie en normering van hulp bij het huishouden (maatwerkvoorziening)
Het college heeft met diverse zorgaanbieders overeenkomsten. De zorgaanbieder van wie de inwoner hulp bij het huishouden wil ontvangen, krijgt van het college de opdracht om samen met de inwoner een ondersteuningsplan te maken gebaseerd op het resultaatgebied/de resultaatgebieden waarop de hulp bij het huishouden gericht moet zijn. In het ondersteuningsplan wordt in ieder geval benoemd: •
welke concrete huishoudelijke activiteiten de inwoner en/of huisgeno(o)t(en) zelf kunnen doen;
•
welke activiteiten eventueel door een mantelzorger worden overgenomen; en
•
welke activiteiten de aanbieder overneemt en met welke frequentie en ureninzet deze activiteiten worden uitgevoerd.
Een ondersteuningsplan is altijd maatwerk en verschilt per individuele situatie. Het college betrekt het ondersteuningsplan bij het besluit op de aanvraag voor hulp bij het huishouden. Als de inwoner de hulp bij het huishouden wil ontvangen in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) dan maakt de inwoner samen met de hulp een pgb-plan. Hiervoor geldt net als bij hulp van een gecontracteerde aanbieder dat in het pgb-plan in ieder geval benoemd moet staan welke concrete huishoudelijke activiteiten worden overgenomen en met welke frequentie en ureninzet deze activiteiten worden uitgevoerd. Ook moet duidelijk zijn wie de hulp gaat bieden (professional, zzp’er of een informele hulpverlener). De hoogte van het pgb is afgestemd op de kosten van huishoudelijke hulp in natura. (Zie ook paragraaf 6.2 over pgb). Voor de onderbouwing van de maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden wordt gebruik gemaakt van het Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning4. Dit normenkader wordt gebruikt om: •
4
te beoordelen of de algemene voorziening Hulp bij huishouden passend en toereikend is;
Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning Bureau HHM 2025
17
•
om te toetsen of de ondersteuning in het ondersteuningsplan of pgb-plan voldoet aan de algemeen aanvaarde normen voor huishoudelijke ondersteuning zoals gesteld in het Normenkader (Bijlage 3).
5.2 Collectief en individueel vervoer Wanneer het reguliere openbaar vervoer niet voldoet voor verplaatsingen binnen de leefomgeving (straal van 25 kilometer vanaf het woonadres) en ook vervoer door het sociaal netwerk niet mogelijk of toereikend is, dan kan een vervoersvoorziening aan de orde zijn. Hierbij wordt eerst nagegaan of andere mogelijkheden een oplossing kunnen zijn. Bijvoorbeeld het vrijwilligersvervoer. Daarnaast kan een algemeen gebruikelijke voorziening soms ook het vervoersprobleem van de inwoner oplossen. Hierbij kan gedacht worden aan een elektrische fiets. Het resultaat van een vervoersvoorziening is met name sociaal recreatief. Het gaat daarbij onder andere om: •
het kunnen onderhouden van sociale contacten;
•
het kunnen deelnemen aan activiteiten binnen de leefomgeving;
•
de dagelijkse noodzakelijke verplaatsingen in en rondom de woning, zoals het kunnen bereiken van winkels;
•
een sport kunnen beoefenen; en
•
overige noodzakelijke verplaatsingen in het kader van het leven van alledag.
5.2.1 Collectief vervoer
Als vaststaat dat een vervoersvoorziening noodzakelijk is, wordt eerst beoordeeld of het verplaatsingsprobleem kan worden opgelost door gebruik te maken van het collectief vervoer. Collectief vervoer is een vorm van openbaar vervoer speciaal gericht op mensen met beperkingen en wordt uitgevoerd door de Regiotaxi Noordoost-Brabant. Het gaat om vervoer van deur tot deur via reservering. Er wordt gereden met een (rolstoel)- taxibusje of een gewone taxi (personenauto). Met dit vervoer kan een inwoner binnen een straal van 25 kilometer hemelsbreed vanaf het woonadres reizen tegen een tarief dat gerelateerd is aan de tarieven in het openbaar vervoer. De maximale afstand is bepaald op 25 kilometer per rit om te zorgen voor een goede aansluiting op het landelijk vervoerssysteem Valys. Per jaar kan 1500 kilometer worden gereisd met de Regiotaxi. Soms is het nodig dat een inwoner alleen reist per taxi of dat iemand voorin moet zitten of dat er een begeleider mee moet reizen. Of hier echt een noodzaak voor bestaat wordt door het college beoordeeld. •
Individueel vervoer: wanneer iemand om medische redenen niet kan omrijden en snel op de plaats van bestemming moet zijn of als er sprake is van gedragsproblemen.
•
Voorin zitten: extra (medische) indicatie voor reizigers die alleen voorin kunnen zitten. Meestal gaat het om personen die de benen niet kunnen buigen.
•
Verplichte (medische) begeleiding: de reiziger mag niet zonder begeleiding mee vanwege een medische noodzaak waarbij de begeleider moet kunnen ingrijpen of een gedragsmatige noodzaak waardoor tijdens het vervoer toezicht nodig is. Als (medische) begeleiding is geïndiceerd, kan niet zonder begeleider worden gereisd. De begeleider reist dan gratis.
18
Er kan altijd één persoon tegen betaling meereizen. De medereiziger betaalt hetzelfde reizigerstarief. 5.2.2 Individueel vervoer
Als de vervoersbehoefte niet of niet voldoende wordt opgelost met collectief vervoer, kan (in aanvulling op) het collectief vervoer een (individuele) vervoersvoorziening worden toegekend. Er wordt onderzocht waaraan de voorziening moet voldoen, zoals welk type voorziening en welke aanvullende functionele eisen noodzakelijk zijn om het resultaat te bereiken. Hierbij geldt het principe van goedkoopst adequaat. Denk hierbij onder meer aan scootmobielen, driewielfietsen en elektrische rolstoelen. Soms is een rijvaardigheidsbeoordeling nodig om de geschiktheid van een hulpmiddel te onderzoeken. Een individuele vervoersvoorziening wordt in de regel in bruikleen verstrekt via een leverancier waarmee de gemeente een overeenkomst heeft gesloten. De leverancier levert de voorziening aan de inwoner, is verantwoordelijk voor het afsluiten van een verzekering en draagt zorg voor onderhoud en reparatie van de voorziening. De gebruiker van de voorziening sluit met de leverancier een bruikleenovereenkomst af. De inwoner kan ook zelf met een persoonsgebonden budget een vervoersvoorziening aanschaffen. De budgethouder is met dit budget verantwoordelijk voor de aanschaf van de voorziening en voor verzekering, onderhoud en reparatie. Een pgb voor een vervoersvoorziening wordt in beginsel eenmaal in de zes jaar verstrekt.
Het kan voorkomen dat er door een veranderde situatie van deze termijn wordt afgeweken. De voorziening die met het pgb wordt aangeschaft, moet voldoen aan de in de beschikking gestelde eisen en moet het doel realiseren waarvoor de voorziening is toegekend. Scootmobiel Een scootmobiel is bedoeld voor vervoer op de korte en middellange afstanden en kan worden gebruikt als aanvulling op het collectief vervoer, bijvoorbeeld om zelf boodschappen te kunnen doen, familie te bezoeken of deel te nemen aan vrijetijdsbesteding en waarvoor andere vervoersmiddelen (eigen auto, (brom)fiets (met trapondersteuning) onvoldoende oplossing bieden. De inwoner dient over voldoende verkeersinzicht en rijvaardigheid te beschikken om veilig aan het verkeer deel te kunnen nemen. Wanneer uit het onderzoek naar de vervoersbehoefte van de inwoner blijkt dat het gebruik van een scootmobiel niet structureel van aard is (bijvoorbeeld enkel gebruik in de zomermaanden), zal afgewogen moeten worden of het noodzakelijk is om een scootmobiel toe te kennen. Stallen van scootmobielen (en andere elektrisch aangedreven vervoersmiddelen) Het college beoordeelt of de scootmobiel gestald kan worden in berging, schuur of garage. De ruimte moet voldoen aan de eisen voor brandveiligheid en toegankelijkheid (Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL), artikel 6.4 en 6.15a en de eisen die de leveranciers stellen).
Als stalling in een berging, schuur of garage niet mogelijk of geschikt is, beoordeelt het college of de scootmobiel in de woning gestald kan worden. Bijvoorbeeld in de hal, bijkeuken of logeerkamer.
19
Als er geen andere mogelijkheden zijn om een scootmobiel veilig te kunnen stallen dan onderzoekt het college de mogelijkheden voor plaatsing van een scootsafe in de buitenruimte. De scootsafe moet voldoen aan de eisen van de BBL, zoals brandveiligheid en veilige laadvoorziening. Wanneer geen veilige stallingsmogelijkheid in of rondom de woning kan worden gerealiseerd, kan het college een aanvraag voor een individuele vervoersvoorziening weigeren. Autoaanpassingen Autoaanpassingen zijn aanpassingen die het algemeen gebruikelijk karakter van een auto te boven gaan. Het betreft autoaanpassingen die functioneel noodzakelijk zijn voor mensen met een beperking. Faciliteiten die veelal in auto’s zijn ingebouwd kunnen ook door mensen zonder beperkingen worden gebruikt. Deze faciliteiten komen niet voor vergoeding in aanmerking. Het gaat hier bijvoorbeeld om elektrisch bedienbare ramen, verstelbare lendesteunen, neerklapbare achterbank, rembekrachtiging, schakelautomaat, airconditioning, stuurbekrachtiging, cruise control, inparkeerfunctie, achteruitrij-camera, etc. Of een inwoner in aanmerking komt voor een autoaanpassing wordt beoordeeld aan de hand van de volgende criteria: 1.
de inwoner heeft aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of beperking die het gebruik van het openbaar vervoer of het bereiken hiervan onevenredig moeilijk maken; en
2.
de inwoner kan geen gebruik maken van het collectief vervoerssysteem, taxi, rolstoeltaxi of ander vervoerssysteem of vervoersmiddel en is hierdoor aangewezen op het gebruik van de eigen auto; en
3.
de aanpassing is medisch noodzakelijk en niet algemeen gebruikelijk; en
4.
de auto wordt voornamelijk gebruikt om te kunnen participeren. Wordt de auto vooral gebruikt voor vervoer van en naar werk dan kan er een aanpassing vanuit het UWV worden verstrekt.
Nadere voorwaarden aan het verlenen van aanpassing aan een eigen auto: 1.
De auto moet in goede staat verkeren en mag in de regel niet ouder zijn dan drie jaar;
2.
De auto mag geen leaseauto zijn;
3.
De kosten voor een autoaanpassing worden maximaal eens in de zeven jaar vergoed;
4.
Er moet een redelijke verhouding zijn tussen de kosten van de aanpassing en de redelijkerwijs te verwachten resterende levensduur van de auto. Als de aanpassing tegen geringe kosten te herplaatsen is in een andere auto (bijvoorbeeld bij een aangepaste autostoel) kan deze voorwaarde vervallen. In die gevallen komt men de eerstvolgende zeven jaar na deze autoaanpassing alleen voor de kosten van herplaatsing van die voorziening in aanmerking;
5.
Tussentijdse kosten als gevolg van autoschade worden door de inwoner of de verzekering van de inwoner zelf opgevangen.
De kosten voor het aanpassen van een auto worden vergoed aan de hand van een door het college goedgekeurde offerte.
20
5.3 Rolstoelvoorziening Een rolstoel is een voorziening om te kunnen verplaatsen over korte afstanden, van enkele tientallen meters tot enkele honderden meters. Wie door beperkingen geen andere mogelijkheid heeft zich te verplaatsen anders dan met een rolstoel, kan een rolstoel op grond van de Wmo krijgen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen rolstoelen voor continu en rolstoelen voor incidenteel gebruik. In beginsel komen alleen inwoners die vanwege beperkingen langdurig zijn aangewezen op een rolstoel hiervoor in aanmerking op grond van de Wmo. Rolstoelen die korter dan zes maanden nodig zijn, worden verstrekt op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw). 5.3.1 Beoordeling van een aanvraag voor een rolstoel
1. Allereerst beoordeelt het college wat de mogelijkheden van de inwoner zijn ten aanzien van verplaatsingen in en om de woning en verplaatsingen die nodig zijn voor primaire levensbehoeften. 2.
Daarna beoordeelt het college welke algemene en algemeen gebruikelijke voorzieningen beschikbaar zijn en in welke mate deze een oplossing bieden. Zo is een transportrolstoel voor tijdelijk gebruik beschikbaar bij een thuiszorgwinkel.
3.
Het college beoordeelt of er op grond van een andere wettelijke regeling recht bestaat op een rolstoel. Denk aan Wajong, WIA, Zvw, Wlz etc.
4.
Als er een noodzaak bestaat voor een rolstoel voor dagelijks gebruik wordt een programma van eisen opgesteld. Eventueel kan hiervoor advies worden ingewonnen bij de leverancier van de rolstoelvoorziening.
5.
Een rolstoel kan door het college worden verstrekt in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget.
6.
Aanpassingen en accessoires voor de rolstoel die niet noodzakelijk zijn, komen niet voor vergoeding in aanmerking.
7.
Er zal door het college rekening worden gehouden met de belangen van eventuele mantelzorgers. Dat bijvoorbeeld betekenen dat als de mantelzorger niet in staat is de rolstoel te duwen, er duwondersteuning op de rolstoel kan worden geplaatst.
5.4 Woonvoorzieningen Een woonvoorziening kent drie vormen: losse hulpmiddelen, woningaanpassingen en een verhuiskostenvergoeding voor het verhuizen naar een geschikte woning. Een woonvoorziening wordt verstrekt om normaal gebruik van de woning mogelijk te maken. Normaal gebruik van de woning Onder normaal gebruik van de woning wordt verstaan het kunnen verrichten van de elementaire woonfuncties. Dat zijn: slapen, eten en koken, lichaamsreiniging, toiletgebruik, huishoudelijke werkzaamheden en het veilig in en om de woning kunnen verplaatsen. Voor kinderen komt daar nog bij het veilig kunnen spelen in de woonruimte. Hobby- en studeerruimtes bijvoorbeeld behoren niet tot de elementaire woonfuncties. Dit geldt ook voor voorzieningen met een therapeutisch doel zoals een dialyseruimte en therapeutisch baden. Hiervoor wordt geen woonvoorziening verstrekt.
21
5.4.1 Losse hulpmiddelen
Onder losse hulpmiddelen worden onder meer verstaan: verrijdbare douchebrancards, verrijdbare douchetoiletstoelen of tilliften. Veel losse hulpmiddelen worden als algemeen gebruikelijk beschouwd. Denk aan toiletverhogers, toiletstoelen, douchekrukken etc. 5.4.2 Woningaanpassing
Het plaatsen van trapliften en het aanpassen van badkamers en keukens zijn voorbeelden van woningaanpassingen. Een aanpassing kan worden aangebracht in de woning: •
waar de inwoner zijn hoofdverblijf heeft. Een uitzondering is het aanpassen van een tweede woning voor een kind met gescheiden ouders in het kader van co-ouderschap of het aanpassen van een woning om deze bezoekbaar te maken voor een inwoner die in een Wlz-instelling verblijft (artikel 4.6 verordening); en
•
wanneer de ondervonden problemen niet voortvloeien uit de aard van de gebruikte materialen; en
•
wanneer de kosten van de woningaanpassing lager liggen dan €7.500,-. Boven de €7.500,wordt eerst gekeken of verhuizen naar een andere meer geschikte woning mogelijk is; en
•
wanneer dit een duurzame oplossing is voor de ondervonden beperkingen, er moet ook rekening gehouden worden met toekomstige te verwachten beperkingen.
Kwaliteitsniveau woningaanpassingen Voor het kwaliteitsniveau van de woningaanpassing wordt aangesloten bij het actuele Bouwbesluit en bij wat gangbaar is in de sociale woningbouw. Dit betekent bijvoorbeeld dat bij een badkameraanpassing eenvoudige standaard tegels gebruikt zullen worden. Een woningaanpassing dient te worden uitgevoerd door een (onafhankelijk) erkend bedrijf met het Bouwgarant keurmerk of vergelijkbaar. De gemeente heeft met diverse leveranciers overeenkomsten afgesloten zowel voor trapliften als voor andere woningaanpassingen. 5.4.3 Verhuizen of aanpassen (primaat van verhuizen)
Het primaat van verhuizen betekent dat het verstrekken van een verhuiskostenvergoeding voorrang heeft op het aanpassen van de woning. De achterliggende gedachte hierbij is dat er zo efficiënt mogelijk met de beschikbare middelen en woningvoorraad wordt omgegaan. Het is van belang dat het college in iedere situatie waarin overwogen wordt het primaat van verhuizen toe te passen, zorgvuldig de belangen afweegt en beoordeelt of het primaat van verhuizen een compenserende oplossing is. Allereerst moet duidelijk zijn wat het kost om de huidige woning adequaat aan te passen, rekening houdend met eventuele beperkingen in de toekomst. Deze kosten moeten worden vergeleken met de kosten om de inwoner te laten verhuizen. Komen de aanpassingskosten van een woning boven de €7500,- uit dan wordt onderzocht of het primaat van verhuizen kan worden opgelegd.
22
Beoordeling primaat van verhuizen Om te beoordelen of verhuizen redelijkerwijs verlangd kan en mag worden en of dit ook daadwerkelijk mogelijk is en een compenserende oplossing biedt, is een aantal aspecten van belang. Enkel de stelling dat men niet wil verhuizen, is niet voldoende. De volgende factoren worden meegewogen in het onderzoek: •
Aanwezigheid/beschikbaarheid van aangepaste of eenvoudig aan te passen woning;
•
Volkshuisvestelijke afwegingen (is er bijvoorbeeld al een aangepaste woning beschikbaar?);
•
Termijn waarbinnen het woonprobleem opgelost kan worden en is deze termijn medisch aanvaardbaar;
•
Sociale omstandigheden die een rol kunnen spelen bij de afweging wel of niet verhuizen. Denk hierbij aan: o
de binding die de inwoner heeft met de buurt;
o
de aanwezigheid van familie en vrienden;
o
valt er mantelzorg weg door een verhuizing;