Bijlage 2b b NL IMRO 0828 BPtveldgff-ON01 tb.PDF
Tekst van het document
Aangezien er slechts sprake is van enkele bomen en zeer beperkt struikgewas, welke niet in verbinding staan met een bosrijke omgeving, is functioneel leefgebied van de rode eekhoorn uitgesloten. Negatieve effecten ten aanzien van de rode eekhoorn zijn uitgesloten. Het voorkeurshabitat van de steenmarter betreft een kleinschalig parklandschap. De soort wordt met name aangetroffen nabij steden, dorpen en boerderijen. Geschikte leefgebieden bestaan voornamelijk uit kleinschalige landbouw met oude schuren, heggen en geriefhoutbosjes (Zoogdiervereniging steenmarter, 2021). Aangezien bij het eerder onderzochte deel van de planlocatie reeds onderzoek naar marterachtigen uitgevoerd dient te worden, wordt geadviseerd deze planlocatie bij dit onderzoek te betrekken (zie Vervolgstappen). De planlocatie heeft verder mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name haas, konijn, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen.
Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Omgevingsverordening van de provincie vallen (zie Wnb art 3.10). Effecten op beschermde grondgebonden zoogdieren zijn uitgesloten.
6
Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis (NDFF 20112021). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd. Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). Op de planlocatie staat slechts een enkele zomereik waarin geen holtes zijn waargenomen waar boombewonende vleermuizen vaste rust- en/of verblijfplaatsen kunnen vinden. Derhalve zijn negatieve effecten op boombewonende vleermuizen uitgesloten. Uit het onderzoek uitgevoerd door Aeres Milieu B.V. (2020) blijkt dat de bebouwing mogelijk geschikt is als rust- en verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen. Hier dient aanvullend onderzoek plaats te vinden. Op overige delen van de planlocatie is wegens het ontbreken van bebouwing geen sprake van vaste rust- en/of verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen. Aangezien de planlocatie slechts zeer beperkt beschikt over opgaande begroeiing is er geen sprake van essentieel foerageergebied.
Aangezien de randen van de planlocatie slechts op enkele delen struiken bevatten en geen sprake is van lijnvormige structuren is uitgesloten dat er op de planlocatie sprake is van een essentiële vliegroute. In de luwte van opgaande vegetatie of bebouwing kunnen vliegbewegingen en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Hierbij kan sprake zijn van tijdelijke verstoring van vleermuizen ten gevolge van werkzaamheden of lichtgebruik. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. De omvang en het gebruik van een gebied alsmede de jachttechniek en prooien verschillen per soort. Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast. Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang. Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd.
Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bruine kikker gewone pad en kleine watersalamander (NDFF 2011-2021). Voor al deze soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming, maar vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën aangetroffen op de planlocatie. De planlocatie betreft een akker- en weideperceel waarbij oppervlaktewater volledig ontbreekt. Derhalve is functioneel leefgebied van beschermde amfibieën uitgesloten. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten. Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de levendbarende hagedis (NDFF 2011-2021). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen.
De levendbarende hagedis komt voor op structuurrijke open plaatsen zoals heidevelden en open plaatsen in bossen. Aangezien de planlocatie een agrarisch weideperceel en maisakker betreft zonder enige vorm van afwisselende structuren is er geen sprake van functioneel leefgebied van de levendbarende hagedis. Derhalve is het voorkomen van de levendbarende hagedis uitgesloten van de planlocatie. Negatieve effecten op beschermde reptielen zijn derhalve uitgesloten.
7
Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de grote modderkruiper (NDFF 20112021). De grote modderkruiper komt voor in (kavel)sloten en watergangen met voldoende watervegetatie. Aangezien er op de planlocatie geen sprake is van oppervlaktewater is voorkomen van de grote modderkruiper per definitie uitgesloten. Negatieve effecten op (beschermde) vissen zijn uitgesloten. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde insecten of ongewervelden niet bekend (NDFF 2011-2021). Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: heggemus, houtduif, kauw, koolmees en merel. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat.
1 t/m 4) Gedurende het veldbezoek zijn geen individuen, nesten en/of sporen aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermd nestlocatie en/of leefgebied. Wegens het volledig ontbreken van bebouwing op de planlocatie zijn nesten van (beschermde) in gebouw broedende vogelsoorten zoals gierzwaluw, huismus, kerkuil en steenuil per definitie uitgesloten. Voor huismus is derhalve potentie voor essentieel leefgebied direct uitgesloten. In de directe omgeving zijn verschillende waarnemingen van kerkuil en steenuil bekend, echter betreft de planlocatie een grasweide en maisakker te midden van landelijk gebied. Derhalve is, wegens de aanwezigheid van overweldigend veel alternatief (en beter geschikt) leefgebied, uitgesloten dat er sprake is van essentieel leefgebied. Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. Zoals hiervoor benoemd is wegens het grote aanbod vergelijkbaar en beter geschikt leefgebied, geen sprake van essentieel leefgebied. Derhalve zijn negatieve effecten op roofvogelen uilensoorten uitgesloten. Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels met jaarrond beschermde nestlocaties en functioneel leefgebied is geen sprake.
Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode en bij ecologisch zwaarwegende redenen) De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken en bomen vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.
8
Beoordeling (b) gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Natuurnetwerk Brabant. Op een afstand van circa 10,2 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (figuur 4). Op een afstand van circa 600 m ligt het Natuurnetwerk Brabant (figuur 5).
Figuur 4
De planlocatie ligt op een afstand van circa 10,2 km tot het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (bron: kaartbank.brabant).
Figuur 5
De planlocatie ligt op een afstand van circa 600 m tot het Natuurnetwerk Brabant (bron: kaartbank.brabant).
Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Brabant geldt dat van effecten door externe werking (geluid, trillingen, schaduwwerkingen en betreding) geen sprake is.
9
Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Blom Ecologie B.V. adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden te beoordelen middels de AERIUS Calculator. Doel daarvan is vast te stellen of significante effecten kunnen worden uitgesloten. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van een woonwijk. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ingreep tot een toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben. Gedurende de aanlegfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en transportbewegingen (het ‘projecteffect’). Ondanks dat er sprake is van een grote afstand (10,2 km) is tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’, wordt geadviseerd om een berekening met de AERIUS Calculator uit te voeren wegens de grootschaligheid van de beoogde ontwikkeling.
Hiermee kan inzichtelijk gemaakt worden of er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen van Natura 2000-gebieden.
Beoordeling (c) houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is niet noodzakelijk. Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten echter vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.
10
Conclusies Samenvatting (a) Soortenbescherming Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar marterachtigen (bunzing, hermelijn en steenmarter). Dit kan gecombineerd worden met het aanbevolen marteronderzoek voor de overige delen van het plangebied. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Brabants Natuurnetwerk. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie dienen de effecten van stikstofemissie inzichtelijk gemaakt te worden. Dit kan middels de AERIUS Calculator. Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk (c) Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Tabel 2
Overzicht van de Soortenbescherming. Voor de benoemde soorten geldt dat aanvullend onderzoek benodigd is. soortenbescherming soortgroep beschermingssoortspecifiek mogelijk functie regime Wet nb onderzoek plangebied vaatplanten grondgebonden zoogdieren
n.v.t. artikel 3.10
nee ja
vleermuizen amfibieën reptielen vissen insecten en andere ongewervelden vogels
n.v.t.* n.v.t n.v.t. n.v.t. n.v.t.
nee nee nee nee nee
verblijfplaatsen en essentieel leefgebied -
n.v.t. nee * de bebouwing, dat reeds onderzocht is door Aeres Milieu B.V. biedt mogelijk wel vaste rust- en verblijfplaatsen voor vleermuizen, hier dient aanvullend onderzoek plaats te vinden.
Tabel 3
Overzicht van de Gebiedsbescherming.
gebiedsbescherming
afstand
effecten
nader onderzoek
Natura 2000
10,2 km
geen
n.v.t.
Brabants Natuurnetwerk
600 m
geen
n.v.t.
Tabel 4
Overzicht van de Houtopstanden.
houtopstanden
aanwezig
kap
melding
struiken
ja
ja
n.v.t.
bomen
ja
ja
n.v.t.
Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van houtopstanden in het kader van de Wnb. Er dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de Algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te slopen bebouwing een relevante functie heeft voor marterachtigen (soortenbescherming). Om negatieve effecten omtrent gebiedsbescherming uit te sluiten, dient vooraf een berekening door middel van de AERIUS Calculator uitgevoerd te worden. Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kan bevoegd gezag onder voorwaarden een ontheffing verlenen. De voorwaarden betreffen: er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort.
11
Gezien het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen, er sprake is van een gedegen alternatievenafweging en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden. Conclusie De ontwikkeling van een nieuwbouwwijk tussen de Veldstraat en Heesterseweg te Geffen is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).
Vervolgstappen • Er dient aanvullend onderzoek naar de marterachtigen (bunzing, hermelijn en steenmarter) uitgevoerd te worden om vast te stellen of het plangebied deel uitmaakt van het functioneel leefgebied. Ten aanzien van de bunzing en wezel wordt het gebruik van cameravallen geadviseerd. Voor kleine marterachtigen wordt geadviseerd om een cameraval te plaatsen in een marterbox. Ten tijde van de actieve periode, respectievelijk maart – augustus, dienen de cameravallen minsten zes weken in het gebied te worden geplaatst. Buiten de actieve periode dienen de cameravallen minsten twaalf weken geplaatst te worden. Voor het aantal te plaatsen cameravallen en marterboxen is maatwerk benodigd. • Voor de beoogde ontwikkeling dient rekenkundig inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een verhoging van stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen van Natura 2000-gebieden. Dit kan middels de AERIUS calculator.
Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a.
op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.
12
Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Das Meles meles, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Levendbarende hagedis Zootoca vivipara, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Rugstreeppad Epidalea calamita (voorheen Bufo calamita), versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Ruige dwergvleermuis Pipistrellus nathusii, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Diepenbeek, A., 1999. Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij 5e druk 2015, Zeist. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011.
Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.kaartbank.brabant.nl www.nationaalgeoregister.nl www.ndff.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.vlinderstichting.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl
13
We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,
Blom Ecologie B.V., ing. M.A. Brinkbaumer Auteur
Blom Ecologie B.V., ing. G. Fairhurst Collegiale toets
Bijlage 1 Fotografische impressie Bijlage 2 Vervolgstappen Wet natuurbescherming
© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46A - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.
14
Bijlage 1 Fotografische impressie
15
Figuur 1
De planlocatie is gelegen tussen de Veldstraat en Heesterseweg te Geffen en betreft grotendeels agrarische weidepercelen.
Figuur 2
Een deel van de planlocatie bestaat uit paardenbakken met rondom hekken.
16
Figuur 3
De grasweiden zijn omrand door afwateringsgreppels welke mogelijk gebruikt wordt door klein wild.
Figuur 4
Structuren zoals weergegeven kunnen mogelijk dienen als vaste rust- of verblijfplaats voor marterachtigen.
Bijlage 2 Vervolgstappen Wet natuurbescherming Als uit het oriënterend onderzoek is gebleken dat effecten op beschermde soorten naar aanleiding van de beoogde ingreep niet uitgesloten zijn, dient een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd. Uit dit vervolgonderzoek blijkt of desbetreffende soort aanwezig is en welke functie de planlocatie al dan niet heeft voor de soort. Met onderstaand stappenplan, overgenomen uit ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van Economische Zaken, wordt inzichtelijk gemaakt welke consequenties dit heeft voor het project.
17
Stap 4b. Is er sprake van een wettelijk belang? Vogelrichtlijnsoort In het kader van de Vogelrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.3, lid 4b).
Habitatrichtlijnsoort In het kader van de Habitatrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.8, lid 5b).
18
Andere soort Ten aanzien van Andere soorten zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.10, lid 2).
19
Bestemmingsplan ’t Veld Geffen – 2022 Index bijlagen bijlagenboek
Bijlage 3:
Voortoets stikstofdepositie
Voortoets stikstofdepositie Geffen zuidoost Gemeente Oss
Voortoets stikstofdepositie Geffen zuidoost
1
Gegevens over het plan: Plannaam: Datum: Projectnummer Buro SRO:
Voortoets stikstofdepositie Geffen zuidoost 24-01-2022 89.03.08
Gegevens projectbetrokkenen: Opdrachtgever:
Gemeente Oss
Gegevens Buro SRO: Projectleider Buro SRO: Bezoekadres vestiging Arnhem: Telefoon: E-mail: Internet:
Dhr. L. Arends Sweerts de Landasstraat 50 6814 DG te Arnhem 026 – 35 23 125 arnhem@buro-sro.nl www.Buro-SRO.nl
Voortoets stikstofdepositie Geffen zuidoost
2
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1
Inleiding ................................................................................................................................. 5
1.1
Doelstelling onderzoek .......................................................................................................................... 5
1.2
Projectbeschrijving ................................................................................................................................ 5
1.3
Maatgevende Natura 2000-gebieden.................................................................................................... 6
Hoofdstuk 2
Wettelijk kader ...................................................................................................................... 8
2.1
Landelijke wet- en regelgeving .............................................................................................................. 8
2.2
Voortoets ............................................................................................................................................... 8
2.3
Passende beoordeling ........................................................................................................................... 9
2.4
Aanlegfase ............................................................................................................................................. 9
Hoofdstuk 3
Berekeningssystematiek ....................................................................................................... 10
3.1
Gebruikt rekenmodel........................................................................................................................... 10
3.2
Input rekenmodel ................................................................................................................................ 10
3.2.1 Toekomstig gebruik .............................................................................................................................. 10 Hoofdstuk 4
Resultaten berekening .......................................................................................................... 11
4.1 Gebruiksfase ................................................................................................................................................ 11 Hoofdstuk 5
Conclusies ............................................................................................................................. 15
Bijlagen
.............................................................................................................................................. 17
Bijlage 1: AERIUSberekening toekomstig gebruik ............................................................................................. 19
Voortoets stikstofdepositie Geffen zuidoost
3
Voortoets stikstofdepositie Geffen zuidoost
4
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Doelstelling onderzoek
In het zuidoosten van Geffen wordt een nieuwe woonwijk met maximaal 310 woningen gerealiseerd. Doel van dit onderzoek is toetsing van mogelijke (negatieve) effecten op Natura 2000-gebieden, als gevolg van de activiteiten die het bestemmingsplan mogelijk maakt, aan de Wet natuurbescherming. Ten behoeve van een voortoets in het kader van de Wet natuurbescherming is de toekomstige gewenste situatie gemodelleerd op basis van de aangeleverde gegevens door de opdrachtgever, ervaringscijfers en kengetallen. De depositie is op de omliggende Natura 2000-gebieden berekend en getoetst of het plan (mogelijke) significant negatieve effecten veroorzaakt op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000gebieden. Voorliggende rapportage geeft een overzicht van de gehanteerde uitgangspunten en rekenmethodiek, de berekende resultaten en de conclusie.
1.2
Projectbeschrijving
Het plangebied is gelegen aan de Heesterseweg te Geffen. Onderstaande afbeelding toont de ligging van het plangebied in de omgeving.
Voortoets stikstofdepositie Geffen zuidoost
5
Ligging van het plangebied In het zuidoosten van Geffen wordt de nieuwe woonwijk ’t Veld gerealiseerd met maximaal 310 woningen. Navolgende afbeelding toont een schetsontwerp van de locatie, welke het uitgangspunt voor de berekening vormt.
Schets van het plangebied
1.3
Maatgevende Natura 2000-gebieden
Voor het uitvoeren van de stikstofdepositieberekening moet rekening gehouden worden met Natura 2000gebieden. AERIUS toetst automatisch aan alle Natura 2000-gebieden in Nederland en aan nabijgelegen buitenlandse Natura 2000-gebieden. Het meest nabijgelegen en maatgevende Natura 2000-gebied voor dit
Voortoets stikstofdepositie Geffen zuidoost
6
project is Rijntakken. Deze ligt op een afstand van circa 10 km van het project. Op de afbeelding hieronder zijn het plangebied en de betreffende Natura 2000-gebieden weergegeven.
Ligging plangebied in relatie tot de maatgevende Natura 2000-gebieden
Voortoets stikstofdepositie Geffen zuidoost
7
Hoofdstuk 2 2.1
Wettelijk kader
Landelijke wet- en regelgeving
In het kader van de toets aan de Wet Natuurbescherming wordt bepaald of een project of plan (mogelijke) significant negatieve effecten veroorzaakt op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Voor plannen en projecten dient middels een voortoets, eventueel gevolgd door een passende beoordeling, getoetst te worden of het plan mogelijk significant negatieve effecten kan hebben op gevoelige habitattypen die gelegen zijn binnen omliggende Natura 2000-gebieden. De beoordeling van plannen, projecten en andere handelingen is uitgewerkt in paragraaf 2.3 van de Wet natuurbescherming. Met het verdwijnen van het Programma Aanpak Stikstof is de ontwikkelingsruimte en standaard grenswaarde voor projecten niet meer beschikbaar. Op 16 juni 2020 hebben provincies de geldende beleidsregels voor intern en extern salderen vastgesteld. Dit vormt het nieuwe beleid op basis waarvan de vergunningverlening binnen de Wet natuurbescherming met betrekking tot stikstofdepositie plaatsvindt.
2.2
Voortoets
Een voortoets heeft tot doel te onderzoeken of er sprake kan zijn van significante gevolgen voor beschermde Natura 2000 gebieden. De significantie van de gevolgen voor een gebied als gevolg van een plan worden afgezet tegen de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied. De instandhoudingsdoelstellingen zijn neergelegd in het aanwijzingsbesluit en zijn uitgewerkt in het beheerplan voor dat gebied. Wanneer een plan of project gevolgen heeft voor het gebied, maar de instandhoudingsdoelstellingen daarvan niet in gevaar brengt, zijn significante gevolgen uitgesloten. Bij de voortoets wordt bekeken of het bestemmingsplan afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben. In hoeverre stikstofdepositie voor significante gevolgen op Natura 2000-gebieden kan zorgen, wordt in eerste instantie bepaald door te bezien of de ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt tot een toename van stikstofdepositie leiden. Hierbij mag een vergelijking worden gemaakt met het bestaande gebruik binnen het project zelf (intern salderen) of mag met het stoppen van een stikstofuitstotende activiteit elders worden gecompenseerd (extern salderen).
Van plannen die ten opzichte van de feitelijke situatie geen toename van de stikstofdepositie veroorzaken op Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats waarvan de Kritische Depositie Waarde (KDW) wordt overschreden, zijn significante gevolgen met zekerheid uit te sluiten. In dat geval hoeft geen passende beoordeling te worden opgesteld. In het geval uit de voortoets blijkt dat: de ontwikkeling wel kan leiden tot een toename van stikstofdepositie op één of meer in het kader van Natura 2000 beschermde stikstofgevoelige habitat; van deze habitats de KDW al wordt overschreden of door de toename van de stikstofdepositie kan worden overschreden; dient een volgende stap gezet te worden. Op dat moment wordt door middel van een ecologische voortoets onderzocht of ecologische significante effecten uitgesloten kunnen worden. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om kleine deposities en/of deposities voor een korte tijd. Mocht dat laatste ook niet het geval zijn dan is een passende beoordeling noodzakelijk.
Voortoets stikstofdepositie Geffen zuidoost
8
2.3
Passende beoordeling
Wanneer een plan significante negatieve gevolgen kan hebben, moet het bestuursorgaan ingevolge de Wet natuurbescherming een passende beoordeling opstellen vóórdat het plan kan worden vastgesteld. Deze passende beoordeling moet de zekerheid geven dat de natuurlijke kenmerken van het betreffende gebied niet worden aangetast. Het bestemmingsplan zal rekening moeten houden met de in het aanwijzingsbesluit voor het betrokken gebied vastgestelde instandhoudingsdoelstellingen en de wijze waarop deze zijn uitgewerkt in het voor het gebied vastgestelde beheerplan. Als het bevoegd gezag (in veel gevallen Provinciale Staten) op grond van de passende beoordeling niet de vereiste zekerheid heeft verkregen dat een plan de natuurlijke kenmerken niet zal aantasten, kan het plan in beginsel niet worden vastgesteld. Dat is alleen anders als er geen alternatieve oplossingen beschikbaar zijn, sprake is van dwingende redenen van openbaar belang en compenserende maatregelen worden getroffen, dan kan een plan toch worden vastgesteld.
2.4
Aanlegfase
Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurherstel in werking getreden. Op basis van deze wet worden bepaalde bij algemene maatregel van bestuur aangewezen activiteiten in de bouwsector buiten beschouwing gelaten bij de toets of een plan (mogelijke) significant negatieve effecten veroorzaakt op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Het gaat om de volgende activiteiten in de bouwsector (conform het Besluit stikstofreductie en natuurherstel): het verrichten van een bouwactiviteit of een sloopactiviteit die het feitelijk verrichten van bouw- of sloopwerkzaamheden aan een bouwwerk betreft, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen; het aanleggen, veranderen of verwijderen van een werk, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen. De aanlegfase van het project hoeft daarom niet te worden gemodelleerd als onderdeel van deze voortoets stikstofdepositie.
Voortoets stikstofdepositie Geffen zuidoost
9
Hoofdstuk 3 3.1
Berekeningssystematiek
Gebruikt rekenmodel
In deze voortoets is gerekend met de AERIUS Calculator. De rekenkern van AERIUS wordt gevormd door het Operationeel Prioritaire Stoffen model (OPS) van het RIVM. Dit model berekent de verspreiding van stikstof door de lucht en de depositie. OPS houdt daarbij rekening met verschillende factoren die de verspreiding en depositie van stikstof beïnvloeden, bijvoorbeeld de windrichting en -kracht, de ruwheid van het terrein en de hoogte van de vegetatie. Voor wegverkeer wordt gebruikt gemaakt van Standaard Rekenmethode 2 (SRM2). Daarmee sluit AERIUS aan op de modellering in het Nationaal Samenwerkingsverband Luchtkwaliteit.
3.2
Input rekenmodel
Belangrijk voor elk rekenmodel is de kwaliteit van de input. In deze paragraaf wordt voor elk onderdeel de bijbehorende uitgangspunten beschreven en onderbouwd.
3.2.1 Toekomstig gebruik Verkeersbewegingen Met betrekking tot het beoogde plan is het van belang te kijken naar de verwachte toename van het aantal verkeersbewegingen. Voor het bepalen van de extra verkeersbewegingen wordt als worst case uitgegaan van 8 motorvoertuigbewegingen per woning per dag. Het plan gaat uit van 310 woningen waardoor het aantal verkeersbewegingen in de toekomstige situatie circa 2.480 zal bedragen. Deze verkeersbewegingen bestaan enkel uit licht verkeer. Verkeersbewegingen worden in AERIUS als lijnbronnen weergegeven. Deze lijnbronnen worden ingetekend van de woning tot het punt waar de verkeersbewegingen opgaan in het algemene verkeer. In dit geval gaan de verkeersbewegingen op in het algemene verkeer op de Veldstraat en de Heesterseweg op het punt waar het verkeer op snelheid is gekomen. Overige bronnen De woningen worden conform het Bouwbesluit gasloos uitgevoerd. Daarmee is er geen sprake van een verbrandingsinstallatie in het huis. Mogelijke stikstofuitstoot door de toekomstige woningen en bijgebouwen is kleinschalig en incidenteel en daardoor niet modelleerbaar, zoals ook beargumenteerd in de Handreiking woningbouw en AERIUS van de Rijksoverheid (januari 2020).
Voortoets stikstofdepositie Geffen zuidoost
10
Hoofdstuk 4
Resultaten berekening
4.1 Gebruiksfase In het model is de beoogde situatie ingevoerd. Op navolgende uitsnede zijn de bronnen weergegeven die van invloed zijn op de stikstofdepositie van het initiatief. Bron 1 t/m 9 betreft de verkeersbewegingen.
Afbeelding ingevoerde bronnen AERIUS gebruiksfase Toename emissies door verkeersbewegingen Uit de berekening volgt dat door het toekomstig aantal verkeersbewegingen (conform paragraaf 3.2.1) de uitstoot van NOx 76,2 kg/j bedraagt en de uitstoot van NH3 bedraagt 5,7 kg/j.
Voortoets stikstofdepositie Geffen zuidoost
11
Voortoets stikstofdepositie Geffen zuidoost
12
Voortoets stikstofdepositie Geffen zuidoost
13
Stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden De uitstoot van NOx als gevolg van het toekomstig gebruik zorgt niet voor een bijdrage hoger dan 0,00 mol/ha/j op Natura 2000-gebieden.
Voortoets stikstofdepositie Geffen zuidoost
14
Hoofdstuk 5
Conclusies
De berekening ten behoeve van de Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van een aanpassing van de bestemming. Het plan voorziet in het realiseren van een nieuwe woonwijk met maximaal 310 woningen ten zuidoosten van Geffen. Eindconclusie Als gevolg van de ontwikkelingen in het plangebied waarvoor de berekeningen zijn uitgevoerd neemt de stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden in de gebruiksfase niet toe. Er is dus geen sprake van mogelijke negatieve effecten op beschermde Natura 2000-gebieden. Het aanvragen van een Wnb-vergunning is daarom niet nodig voor dit project.
Voortoets stikstofdepositie Geffen zuidoost
15
Voortoets stikstofdepositie Geffen zuidoost
16
Bijlagen
Voortoets stikstofdepositie Geffen zuidoost
17
Voortoets stikstofdepositie Geffen zuidoost
18
Bijlage 1: AERIUSberekening toekomstig gebruik
Voortoets stikstofdepositie Geffen zuidoost
19
Projectberekening
Dit document geeft een overzicht van de invoer en rekenresultaten van een Projectberekening met AERIUS Calculator. De berekening is uitgevoerd binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, op rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant, en waar tevens sprake is van een overbelaste of bijna overbelaste situatie voor stikstof.
Overzicht Samenvatting situaties Resultaten Detailgegevens per emissiebron
Meer toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers
Projectberekening
Contactgegevens Rechtspersoon Inrichtingslocatie
Activiteit
Omschrijving Toelichting
Berekening
Buro SRO Oost Heesterseweg, Geffen, 5386KT Geffen Geffen zuid-oost Gebruiksfase
AERIUS kenmerk Datum berekening Rekenconfiguratie
RjE48R6EZGM7 24 januari 2022, 11:11 Wnb-rekengrid
Totale emissie
Rekenjaar 2023
Situatie 1 - Beoogd
Resultaten
Emissie NH3 < 0,1 ton/j
Hoogste depositie Hexagon Situatie 1 - Beoogd Gekarteerd oppervlak met toename (ha) 0,00 ha Gekarteerd oppervlak met afname (ha) 0,00 ha Grootste toename van depositie 0,00 mol/ha/j Grootste afname van depositie 0,00 mol/ha/j
RjE48R6EZGM7 (24 januari 2022)
Emissie NOx < 0,1 ton/j Gebied
2/6
Projectberekening
Situatie 1 (Beoogd), rekenjaar 2023 Emissiebronnen Verkeersnetwerk
RjE48R6EZGM7 (24 januari 2022)
Emissie NH3 < 0,1 ton/j
Emissie NOx < 0,1 ton/j
3/6
Projectberekening
Hoogste af- en toename op (bijna) overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden.
500 m Habitatrichtlijn Vogelrichtlijn
Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn Niet bepaald
Grootste afname van depositie Grootste toename van depositie Hoogste totale depositie De bronnen op de kaart horen bij de Beoogde situatie. RjE48R6EZGM7 (24 januari 2022)
4/6
Projectberekening
Resultaten stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden situatie "Situatie 1" (Beoogd) incl. saldering e/o referentie Totaal
RjE48R6EZGM7 (24 januari 2022)
Berekend (ha Hoogste totale Met toename Grootste gekarteerd) depositie (ha gekarteerd) toename (mol/ha/jr) (mol/ha/jr)
0,00
0,00
0,00
0,00
Met afname (ha Grootste gekarteerd) afname (mol/ha/jr)
0,00
0,00
5/6
Projectberekening
Situatie 1, Rekenjaar 2023 Disclaimer Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden. Rekenbasis Deze berekening is tot stand gekomen op basis van: AERIUS versie 2021_20220120_17ff380b1e Database versie 2021_17ff380b1e Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/
RjE48R6EZGM7 (24 januari 2022)
6/6
Voortoets stikstofdepositie Geffen zuidoost
20
Voortoets stikstofdepositie Geffen zuidoost
21
Voortoets stikstofdepositie Geffen zuidoost
22
Bestemmingsplan ’t Veld Geffen – 2022 Index bijlagen bijlagenboek
Bijlage 4:
Archeologisch onderzoek
Transect-rapport 3443 Geffen, Zuidoost Gemeente Oss (NB) Een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase
Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein
T: 030-7620705 E: informatie@transect.nl
Colofon Titel
Rapportnummer
Geffen, Zuidoost. Gemeente Oss (NB). Een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase. Transect-rapport 3443
Auteur
A.T.L.E. van Bussel, C. Brühl en T. Nales
Versie
Definitieve versie
Datum
29-09-2021
Projectnummer
21030092
Onderzoeksmelding
5080185100
Opdrachtgever
Buro SRO Sweerts de Landasstraat 50 6814 DG Arnhem
Uitvoerder
Transect b.v. Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein
Bevoegde overheid
Gemeente Oss
Beheer en plaats documentatie Toetsing rapport bevoegde overheid
Transect b.v., Nieuwegein Mevr. M. Peeters (gemeente Oss)
Status beoordeling
Beoordeeld en goedgekeurd
Omslagafbeelding
Foto van het plangebied ten tijde van het veldonderzoek (2206-2021).
Autorisatie Naam Drs. T. Nales Senior KNA Prospector
Datum 29-09-2021
Paraaf
ISSN: 2211-7067 © Transect b.v., Nieuwegein Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Transect aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.
Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein
T: 030-7620705 E: informatie@transect.nl
Samenvatting In opdracht van Buro SRO heeft Transect b.v. in juni 2021 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd voor het gebied ‘Geffen Zuidoost’ in Geffen (gemeente Oss). Het plangebied heeft een omvang van circa 8,7 ha. De aanleiding van het onderzoek is een bestemmingplanwijziging die bouwwerkzaamheden mogelijk moet maken. Het onderzoek is uitgevoerd in de vorm van een bureauonderzoek (BO) en een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase (IVO-O) door middel van boringen. Het doel van dit onderzoek is het specificeren van de archeologische verwachting van het plangebied en het toetsen van deze verwachting door middel van waarnemingen in het veld. Aan de hand van onderzoek wordt geprobeerd een antwoord te geven op de volgende onderzoeksvragen: • • • •
Hoe heeft het plangebied oorspronkelijk in het natuurlijk landschap gelegen? Zijn er binnen de bodemopbouw archeologisch relevante bodemniveaus te onderscheiden en hoe diep liggen deze? In hoeverre zijn de archeologisch relevante bodemniveaus nog intact (verstoring, erosie, afdekkend substraat)? Wat is de archeologische verwachting van het plangebied en in hoeverre is deze te differentiëren in laag, middelhoog en hoog?
Op grond van het bureauonderzoek ligt het plangebied in een gebied met dekzandwelvingen. Direct ten noorden ervan ligt de Veldsche Waterloop. Tot aan ongeveer de Late-Bronstijd had het plangebied vermoedelijk een goede waterhuishouding. Daarna heeft zich in de omgeving van Geffen vermoedelijk in de lage delen van het landschap veen gevormd. Of het hele landschap daarbij bedekt is geraakt met veen, is onbekend. Veen is in de omgeving van het plangebied tijdens archeologische onderzoeken niet (meer) aangetroffen. Dit kan erop duiden dat nooit veenvorming heeft plaatsgevonden, dan wel dat het veen is afgegraven. Mogelijk waren delen van het landschap met veen begroeid en bevonden zich te midden van het veen droge ‘eilandjes’. Vanwege de onbekendheid met de aan- of afwezigheid van veen in het plangebied geldt voor de periode van veenbedekking (de IJzertijd tot en met de Vroege-Middeleeuwen) in het plangebied een middelhoge archeologische verwachting. Het dekzand is in de omgeving van het plangebied afgedekt met een oud-bouwlanddek of een esdek in de Nieuwe tijd. Hierin komen onder meer pijpenkopjes voor. Het esdek heeft een gemiddelde dikte tussen 50 en 100 cm. Aan de hand van zowel oerbanken en gley-verschijnselen en verspoelde resten is in de omgeving sprake van een afwisselend dekzandlandschap.
Dit afwisselende landschap zal, in vergelijking tot hoger gelegen dekzandruggen in de omgeving niet het meest aantrekkelijke gebied zijn geweest voor bewoning. Bewoning is echter in elk geval in de periode Laat-Paleolithicum tot aan de Bronstijd vermoedelijk wel mogelijk geweest. Dit geldt tevens voor de Late-Middeleeuwen/Nieuwe tijd. Op basis hiervan geldt een middelhoge archeologische verwachting op resten uit deze perioden. Uit de Nieuwe tijd worden met name resten van landgebruik verwacht. Op historische kaarten staat immers geen bebouwing uit deze periode in het plangebied weergegeven. Voor wat betreft de overige perioden kan zowel sprake zijn van bebouwingsresten, als nederzettingsresten of resten van kampementen, sporen van landgebruik, grafvelden en vondstconcentraties. In hoeverre archeologische resten aanwezig kunnen zijn, is verder afhankelijk van de intactheid van de bodem. Uit het veldonderzoek blijkt dat het plangebied in een zwak glooiend dekzandgebied gelegen heeft, waarbinnen welvingen en lagere delen zich hebben afgewisseld. Ook blijkt uit de boringen een wisselende mate van intactheid van de ondergrond: zowel in de hogere als in de lagere delen zijn gebieden met inspoelingshorizonten aanwezig, die wijzen op een relatief hoge mate van intactheid van de top van het dekzand.
De horizonten, ook al liggen ze verspreid, geven aan dat ondanks de verploeging er niet zodanig diep geploegd is dat de gehele archeologisch relevante top van het
dekzand verdwenen hoeft te zijn. Ook blijkt uit het onderzoek dat in ieder geval in de lagere delen van het terrein relatief nat zijn geweest. De aanwijzing hiervoor wordt gevormd door de aanwezigheid van een dunne veenlaag, die zich waarschijnlijk vanaf de IJzertijd heeft gevormd. Archeologisch gezien is daarom een onderscheid gemaakt tussen de gereconstrueerde koppen in het terrein en de laagtes binnen het gebied. Aan de hoger gelegen terreindelen wordt voor de periode Neolithicum tot en met de Late-Middeleeuwen een middelhoge archeologische verwachting vastgesteld, dit in navolging van het bureauonderzoek. De hoge ligging van deze koppen, de vondst van een scherf en de intactheid van de top van het dekzand maken dat in deze gebiedsdelen archeologische resten uit de genoemde periode, die zich doorgaans kenmerken door grondsporen, aanwezig kunnen zijn. De ligging van deze koppen/hoge archeologische verwachtingsgebieden zijn weergegeven in bijlage 11. In de lagere gebieden tussen deze koppen is een lage archeologische verwachting toegekend. De kans dat hier resten uit de bovengenoemde periode voorkomen, is minder waarschijnlijk (doch niet volledig uitgesloten, zoals bijvoorbeeld sporen van landgebruik). Voor wat betreft resten uit de periode Paleolithicum-Bronstijd is de verwachting voor wat betreft vindplaatsen met vondstconcentraties naar laag bij te stellen.
Resten uit deze periode kenmerken zich doorgaans door een vondstconcentratie van bewerkt vuursteen, verbrand bot, houtskool en verkoolde nootresten en minder door grondsporen. Deze resten bevinden zich op een intacte, onverploegde top van het dekzand. Dit is in het plangebied amper het geval: lokaal is nog sprake van een intacte top (op de plek van de verteerde veenlagen), maar over het algemeen is de kans dat een vindplaats uit die tijd verploegd is geraakt, groot. Advies Er geldt op basis van onderhavig vooronderzoek in het plangebied een archeologische verwachting op resten uit de periode van het Neolithicum tot en met de Late-Middeleeuwen. Deze verwachting is in een hoge en een lage verwachting onder te verdelen. Het verdient zodoende de aanbeveling in het nieuwe bestemmingplan een waarde archeologie voor het plangebied uit te werken. De zones met de verschillende verwachtingen zijn weergegeven in bijlage 11. Voor de daadwerkelijke ontwikkeling van het plangebied verdient het de aanbeveling om in de zone van de hoge verwachting een inventariserend veldonderzoek, karterende/waarderende fase uit te voeren (in de vorm van een proefsleuvenonderzoek). Dit onderzoek richt zich daarmee op de dekzandwelvingen/koppen in het gebied en de daaraan grenzende flanken om zodoende de archeologische waarde van deze gebieden te bepalen.
De resultaten van dit onderzoek moeten ook indicatief zijn voor de waarde van de rest van het terrein. Het doel van dit onderzoek is om uiteindelijk tot een waardering te komen. Voor een proefsleuvenonderzoek is een Programma van Eisen (PvE) noodzakelijk waarin de opzet en wijze van onderzoek is vastgesteld. Dit document moet op voorhand van de uitvoering van het onderzoek door de gemeente als bevoegd gezag zijn goedgekeurd. Op grond van de resultaten van het rapport en het advies zal het bevoegd gezag (de gemeente Oss) een selectiebesluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied.
Inhoud 1.
Aanleiding.............................................................................................................................. 5
2.
Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek ............................................................. 6
3.
Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied ................................................................... 7
4.
Planvorming en consequenties toekomstig gebruik ............................................................. 9
5.
Beleidskader ........................................................................................................................ 10
6.
Landschap, geomorfologie en bodem ................................................................................. 11
7.
Archeologische waarden en onderzoeken .......................................................................... 14
8.
Historische situatie, huidig gebruik en bodemverstoringen ............................................... 18
9.
Gespecificeerde archeologische verwachting ..................................................................... 27
10.
Resultaten veldonderzoek ................................................................................................... 29
11.
Beantwoording onderzoeksvragen ..................................................................................... 33
12.
Conclusies en advies............................................................................................................ 34
13.
Geraadpleegde bronnen ..................................................................................................... 36
Archeologische periode-indeling voor Nederland .............................................................. 38 Luchtfoto ............................................................................................................................. 39 Waarde- en verwachtingskaart Maasdonk (2010) .............................................................. 40 Geomorfologische kaart ...................................................................................................... 42 Ontgrondingenkaart Provincie Noord-Brabant (2005)........................................................ 43 Maaiveldhoogte (AHN) ........................................................................................................ 44 Bodemkaart ......................................................................................................................... 45 Archeologische waarden en onderzoeken .......................................................................... 46 Boorpuntenkaart ................................................................................................................. 47 Resultatenkaart ................................................................................................................... 48 Verwachtingskaart ..............................................................................................................
49 Foto’s van de boringen ........................................................................................................ 50 Boorbeschrijvingen.............................................................................................................. 51
1. Aanleiding In opdracht van Buro SRO heeft Transect b.v.1 in juni 2021 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd voor het gebied ‘Geffen Zuidoost’ in Geffen (gemeente Oss). Het plangebied heeft een omvang van circa 8,7 ha. De aanleiding van het onderzoek is een bestemmingplanwijziging die bouwwerkzaamheden mogelijk moet maken. Het onderzoek is uitgevoerd in de vorm van een bureauonderzoek (BO) en een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase (IVO-O) door middel van boringen. Het doel van dit onderzoek is het specificeren van de archeologische verwachting van het plangebied en het toetsen van deze verwachting door middel van waarnemingen in het veld. Het onderzoek is uitgevoerd conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1 (KNA 4.1) en het voor het onderzoek opgestelde Plan van Aanpak (Nales, 2021).
1
Transect b.v. voldoet aan de eisen zoals gesteld in de kwaliteitsnorm ‘BRL SIKB 4000’, versie 4.1, en is gecertificeerd door middel van een procescertificaat. Transect b.v. is certificaathouder van de volgende protocollen: ‘KNA Protocol 4001 Programma van Eisen’, ‘KNA Protocol 4002 Bureauonderzoek’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Overig’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Proefsleuven’ en ‘Protocol 4004 Opgraven’, en staat geregistreerd bij het RCE en de SIKB.
5
2. Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek Het archeologisch vooronderzoek bestaat uit een gecombineerd onderzoek, te weten een archeologisch Bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase. Het doel van het archeologisch bureauonderzoek is het specificeren van de archeologische verwachting. Aan de hand van beschikbare informatie over de archeologie, cultuurhistorie, geomorfologie, bodemkunde en grondgebruik binnen en rondom het plangebied, wordt de kans bepaald dat binnen het plangebied archeologische resten kunnen voorkomen. Hiervoor is onder andere het centraal Archeologisch Informatiesysteem (Archis3) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geraadpleegd, waarin de Archeologische MonumentenKaart (AMK) en de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW) zijn opgenomen. Aanvullende (cultuur)historische informatie is verkregen uit divers voorhanden historisch kaartmateriaal. Om inzicht te krijgen in de opbouw en ontwikkeling van het landschap zijn onder andere de bodemkaart en beschikbaar geologisch-geomorfologisch kaartmateriaal geraadpleegd. Deze gegevens zijn aangevuld met relevante informatie uit achtergrondliteratuur. Het bouwarchief is niet geraadpleegd. Verder is contact opgenomen met de Heemkundewerkgroep ‘Vladerack’ per e-mail op 08-06-2021 (zie www.heemkundegeffen.nl).
Vanuit deze bron is ten tijde van het conceptrapport geen reactie gekomen. Eventuele aanvullende gegevens vanuit deze bron worden in de definitieve rapportversie verwerkt in hoofdstukken 7 en 8. Een volledige lijst met geraadpleegde bronnen is opgenomen in bijlage 13. Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen en waar mogelijk bijstellen van de gespecificeerde archeologische verwachting, door het verzamelen van informatie over de feitelijke bodemopbouw, bodemreliëf en bodemintactheid in het plangebied. Hiermee ontstaat inzicht in de landschapsvormende processen en landschappelijke eenheden uit het verleden. Op basis hiervan kan een oordeel worden gegeven over waar, wanneer en in hoeverre het gebied in het verleden geschikt was voor de mens. Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een booronderzoek (IVO-O). De werkwijze is nader toegelicht in hoofdstuk 10.
Het onderzoek probeert hiermee aan de hand van feitelijke informatie antwoord te geven op de volgende vragen: • Hoe heeft het plangebied oorspronkelijk in het natuurlijk landschap gelegen? • Zijn er binnen de bodemopbouw archeologisch relevante bodemniveaus te onderscheiden en hoe diep liggen deze? • In hoeverre zijn de archeologisch relevante bodemniveaus nog intact (verstoring, erosie, afdekkend substraat)? • Wat is de archeologische verwachting van het plangebied en in hoeverre is deze te differentiëren in laag, middelhoog en hoog? Het resultaat van het archeologisch vooronderzoek is dit rapport met een conclusie omtrent het risico dat eventueel aanwezige archeologische waarden in het plangebied worden verstoord als gevolg van de voorgenomen plannen. Op basis van dit rapport neemt het bevoegd gezag een beslissing in het kader van de vergunningverlening of planprocedure. Het rapport bevat waar mogelijk gegevens over de – verwachte – aan- of afwezigheid, aard, omvang, ouderdom, gaafheid, conservering en (relatieve) kwaliteit van archeologische waarden. Het onderzoek is uitgevoerd conform protocollen 4002 (bureauonderzoek) en 4003 (inventariserend veldonderzoek) van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1 (KNA 4.1).
6
3. Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied Plaats
Geffen
Toponiem
Geffen Zuidoost
Gemeente
Oss
Provincie
Noord-Brabant
Kaartblad
45E
Perceelnummer(s)
GFN00-B-1277 en GFN00-D nummers 315-316, 336-338, 340-341 en 788-789
Centrumcoördinaat
160.978 / 416.685
Oppervlakte
Circa 8,7 ha
Huidig gebruik
Bebouwd erf met tuin en oprit, Brempad, paardenwei, weilanden, akkers, sloten
Binnen het archeologisch onderzoek is onderscheid gemaakt tussen het plangebied en het onderzoeksgebied. Het plangebied is het gebied waarbinnen de bodemingrepen worden uitgevoerd. Het onderzoeksgebied omvat het plangebied en een deel van het direct omringende gebied, in een straal van circa 500 m, dat bij het onderzoek wordt betrokken om tot een beter inzicht te komen in de landschappelijke, archeologische en (cultuur)historische situatie in het plangebied. Het plangebied staat ook wel bekend als ‘Geffen Zuidoost’. Het ligt namelijk aan de zuidoostkant van Geffen (gemeente Oss). Het plangebied grenst direct aan de huidige bebouwde kom. De ligging van het plangebied is te zien in figuur 1 en bijlage 2. Het plangebied heeft een omvang van circa 8,7 ha. Het plangebied omvat een gebied dat al eerder middels een archeologisch bureauonderzoek is onderzocht in 2020 (in hetzelfde onderzoekkader; Hagens en Van der Feest, 2020 / Aeresprojectnummer AM195622). Dit gebied heeft een omvang van circa 5,6 ha en is in figuur 1 en bijlage 2 blauw omkaderd. Aanvullend omvat het plangebied circa 3,1 ha aan de zuidkant van dit gebied. Kadastraal gezien staat het plangebied bekend als perceel GFN00 sectie B nummer 1277 en percelen GFN00 sectie D nummers 31-316, 336-338, 340-341 en 788-789. Aan de west- en zuidkant wordt het plangebied begrensd door de Veldstraat.