Bijlage 2b b NL IMRO 0828 BPtveldgff-ON01 tb.PDF
Tekst van het document
Aan de zuidoostkant ligt de Meesterseweg. De noordelijke begrenzing wordt gevormd door een sloot en de kadastrale grens in het verlengde ervan, langs het Brempad. De oostgrens van het plangebied wordt gevormd door de grenzen van de kadastrale percelen. Ten tijde van het archeologische onderzoek is het plangebied grotendeels in gebruik als weilanden. Deze weilanden worden doorkruist door verschillende sloten. Het zuidwestelijke weiland is in gebruik als een paardenwei. De twee meest zuidoostelijk gelegen percelen behelzen verder akkers. Verder ligt aan de westkant van het plangebied de Brempad, die ook een deel van het plangebied doorkruist. Aan de Veldstraat 30, in het westen, bevindt zich verder een woonerf (circa 1600 m2). Dit erf is deels verhard middels klinkerverharding, tegels en grind. Delen van het erf bestaan verder uit tuinen. Op het erf staan een woning en bijgebouwen. De gebouwen hebben binnen het plangebied een omvang van circa 390 m2.
2
Het onderzoek van Aeres is nooit aan de gemeente ter toetsing voorgelegd en hierover is dus ook nooit een besluit genomen (pers. comm. M. Peeters, gemeente Oss, 03-08-2021).
7
Figuur 1. De ligging van het plangebied op een topografische kaart. Onderhavig plangebied omvat zowel het rood omkaderde gebied als het eerder door Aeres onderzochte gebied (bron kaart: www.opentopo.nl).
8
4. Planvorming en consequenties toekomstig gebruik Planvorming
Bestemmingsplanwijziging
Aard bodemverstoringen
Onbekend, vermoedelijk nieuwbouwwerkzaamheden
Verstoringsoppervlakte
Circa 8,7 ha
Verstoringsdiepte
Onbekend
Voor het plangebied wordt een nieuw stedenbouwkundig plan en vervolgens een bestemmingsplan opgesteld. Hoe het plangebied zal worden ingericht, is ten tijde van het archeologisch vooronderzoek nog niet precies bekend. Waarschijnlijk zal voornamelijk woningbouw worden gerealiseerd (en eventueel woon-werkkavels en andere ondergeschikte functies). Gezien nog geen exacte uitspraken te doen zijn over de manier waarop het plangebied wordt ingericht, is niet bekend over welke oppervlakte en tot welke diepte bodemverstorende werkzaamheden plaatsvinden. Er zijn nog geen inrichtingstekeningen beschikbaar.
9
5. Beleidskader Onderzoekskader
Bestemmingsplanwijziging
Beleidskader
Bestemmingsplan ‘Kom Geffen – 2016’ Bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’
Onderzoeksgrens
Groter dan 100 m2 en dieper dan 30 cm -Mv
In 1992 heeft Nederland het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed ondertekend; ook wel het Verdrag van Malta of Valletta genoemd, naar het eiland en de plaats waar het is ondertekend. Het Verdrag is in 1998 geratificeerd en op 1 september 2007 via de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) geïmplementeerd. De Wamz is een wijzigingswet en omvat een wijziging van de Monumentenwet 1988, de Wet Milieubeheer, de Ontgrondingenwet en de Woningwet, op grond waarvan overheden onder andere bij bodemingrepen verplicht rekening moeten houden met het behoud van archeologische waarden. Met ingang van juli 2016 is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld, die naar verwachting in 2022 in werking zal treden. Het archeologiebeleid inzake het plangebied is vastgelegd in verschillende bestemmingsplannen: •
Op het Brempad en het deel van het plangebied dat ten westen van het plangebied ligt, is het bestemmingsplan ‘Kom Geffen – 2016’ van toepassing. In dit bestemmingsplan heeft het grootste deel van dit deel van het plangebied een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie verwachtingswaarde hoog’. Alleen het uiterste noordwesten van het plangebied heeft geen archeologische dubbelbestemming.
•
In het overig (oostelijk) deel van het plangebied vigeert het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’. Dit deel van het plangebied heeft volgens dit bestemmingsplan tevens een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie verwachtingswaarde hoog’.
De archeologische dubbelbestemming in de bestemmingsplannen is gebaseerd op de archeologische waarden- en verwachtingskaart van de voormalige gemeente Maasdonk (van Roode, 2010; bijlage 3). Op deze kaart ligt nagenoeg het gehele plangebied in een zone met een archeologische verwachting. De noordwestelijke punt van het plangebied heeft een onbekende archeologische verwachting vanwege de aanwezigheid van bebouwing. Inmiddels is een meer actuele archeologische beleidsadvieskaart vervaardigd voor de gemeente Oss (2016; bijlage 3). Ook op deze kaart heeft het grootste deel van het plangebied een ‘verwachtingswaarde hoog’. De meest noordwestelijke punt van het plangebied ligt in de bebouwde kom en heeft op de kaart een onbekende verwachtingswaarde. In het bestemmingsplan zijn aan de zoneringen van de waarden- en verwachtingskaart planregels verbonden, die voorschrijven wanneer een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. In het geval van een dubbelbestemming Waarde – Archeologie hoge verwachting is een archeologisch onderzoek verplicht bij bodemingrepen vanaf 100 m2, die dieper reiken dan 30 cm -Mv. Vermoedelijk zullen in het plangebied bodemroerende werkzaamheden plaatsvinden met een omvang groter dan 100 m 2 en een diepte groter dan 30 cm -Mv. Onderhavig onderzoek is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging.
Uit het onderzoek moet een specifieke verwachting van het plangebied blijken, om zo de bestemmingswaarde archeologie in het huidige bestemmingsplan te toetsen. Zo kan worden vastgesteld of het noodzakelijk is de dubbelbestemmingswaarde archeologie in het nieuwe bestemmingsplan te behouden dan wel te wijzigen. 10
6. Landschap, geomorfologie en bodem Geologie
Zuid-Nederlands Zandgebied
Geomorfologie
Dekzandwelvingen of golvende dekzandvlakten
Maaiveldhoogte
6,0-5,4 m +NAP
Bodem
Hoge zwarte enkeerdgronden in zwak siltig fijn zand
Grondwatertrap
VII
Landschap Het plangebied ligt in het zuidelijk zandgebied, op de overgang van dekzandgebied naar het Maasdal (ten noorden ervan; Berendsen, 2005). Het natuurlijke landschap zoals dat nu aanwezig is, is grotendeels ontstaan tijdens het Weichselien (circa 116000-11650 jaar geleden). Met name gedurende de koudste perioden van deze laatste ijstijd traden als gevolg van een zeer koud klimaat grootschalige verstuivingen van zand op. Het zand verstoof door sterke winden vanuit de drooggevallen beddingen van beken en rivieren en vanuit het drooggelegen Noordzee-bekken. Er was vanwege het barre klimaat geen vegetatie aanwezig die dergelijke verstuivingen kon voorkomen. Het zand werd als dekzand in een dunne deken op de oude rivierafzettingen afgezet in welvingen en (tegen het einde van het Weichselien) in hoge ruggen (Formatie van Boxtel; De Mulder et al., 2003). De vorming van dekzand vond plaats in verschillende fasen (Van Zijverden en de Moor, 2014; Schokker, 2003). Er is hierin onderscheid te maken tussen Jong Dekzand en Oud Dekzand. Jong Dekzand omvat daarbij zand dat volledig onder invloed van de wind is afgezet in de laatste koude periode van het Weichselien (vanaf circa 20000 jaar geleden). De verstuivingen waren toen zodanig dat dit heeft geleid tot de vorming van enkele zeer grote zuidwest - noordoost georiënteerde dekzandruggen, die dwars door Noord-Brabant lopen.
Het plangebied ligt niet op een dekzandrug, maar op een zuidwest-noordoost georiënteerde band van dekzandwelvingen. Het plangebied grenst daarbij direct aan het Holocene rivierengebied (Botman et al., 2009). Ook op lokaal niveau hebben zich duinen, ruggen en welvingen gevormd. Oud Dekzand is een verzamelnaam voor het lemige tot sterk lemige zand dat in de perioden daarvóór is afgezet. Hoewel het Oud Dekzand hoofdzakelijk onder invloed van de wind tot stand is gekomen, omvat het onder meer ook fluvio-periglaciale afzettingen, (dek)zand dat onder invloed van afstromend water is verplaatst en afgezet. Deze laatste karakteriseren zich veelal als zand- en leemlagen waarbinnen sprake is van verspoeld plantenmateriaal en een slechte sortering van het zand (De Mulder et al., 2003). Vanaf het begin van het Holoceen (vanaf circa 9700 v.Chr.) trad een drastische klimaatsverbetering op. De gemiddelde jaartemperaturen stegen en het werd vochtiger waardoor vegetatiegroei toenam. Hierdoor werd de zandverstuiving aan banden gelegd en trad in de top van het dekzand bodemvorming op (podzolering). In de lagere gebiedsdelen rondom de dekzandkoppen en -ruggen stroomden beken en kon als gevolg van de vernatting veenvorming optreden (Stouthamer et al., 2015; Vos, 2015). Veel van het oorspronkelijke veen in Noord-Brabant is afgegraven ten behoeve van de turfwinning.
Volgens De Bont (1993) en Vos en De Vries (2015) is het landschap in de omgeving van het plangebied omstreeks het begin van de Bronstijd (circa 2000 v.Chr.) dusdanig vernat dat hier veengroei mogelijk is geweest. Leenders en Renes (2004) vermoeden echter dat slechts een gedeelte van het landschap rond Geffen daarbij is overdekt geraakt met veen. In het veengebied waren waarschijnlijk dekzandeilanden aanwezig die niet overveend waren. Op deze hogere delen van het landschap is in de periode van veenvorming mogelijk wel degelijk bewoning mogelijk geweest. De veengroei duurde voort tot aan de ontginningen in de Late-Middeleeuwen. Uit een geologische boring die in het zuiden van de bebouwde kom van Geffen is gezet (circa 600 m ten westen van het 11
plangebied), blijkt dat in de omgeving van het plangebied in elk geval tot en met een diepte van 2,91 m +NAP (2,5 m -Mv) geen veen (meer) is aangetroffen. In een boring ten noorden van de bebouwde kom van Geffen is zelfs tot een diepte van 9,9 m -NAP (15,5 m -Mv) geen veen aanwezig. In beide gevallen komt onder het maaiveld uitsluitend zand voor (bron: www.dinoloket.nl, respectievelijk boring B45E0892 en boring B45E0300). Verder is ook tijdens archeologische onderzoeken in de omgeving van het plangebied – binnen een straal van 500 m – geen veen aangetroffen (zie ook hoofdstuk 7). De ontwatering van de natte gebieden vanaf de Late Middeleeuwen leidde tot een verdroging van de hoger gelegen gronden. Deze verdroging leidde tot een aanpassing in de landbouwstrategie, waarbij door middel van plaggenbemesting en het aanbrengen van potstal de gronden vruchtbaar gehouden moesten worden (Van Doesburg et al., 2007; Berendsen, 2005). Het steken van de heideplaggen had echter een verregaande uitputting van de directe omgeving tot gevolg, waarbij een evenzo toegenomen houtproductie uiteindelijk leidde tot kale vlaktes. Doordat vocht en begroeiing verdwenen waren, had de wind vrij spel en traden opnieuw verstuivingen op, zo ook op de hoger gelegen terreindelen rondom Geffen en Oss. Deze zandverstuivingen leidden in de LateMiddeleeuwen tot het ontstaan van stuifzandgebieden.
Geomorfologie en maaiveldhoogte Volgens de geomorfologische kaart ligt het plangebied in een gebied met dekzandwelvingen of golvende dekzandvlakten ‘al dan niet met een oud-bouwlanddek’ (Alterra, 2017, kaartcode 3L5; bijlage 4). Het uiterste westelijke deel van het plangebied is niet gekarteerd vanwege de ligging in de bebouwde kom van Geffen. Vermoedelijk komt op deze plek hetzelfde landschapstype voor (cf. Hagens en Van der Feest, 2020). In de omgeving van het plangebied worden dekzandwelvingen afgewisseld met verspoelde dekzandvlakten (kaartcode 2M9) en landduinen (kaartcode 4L8). Ten zuiden van de kern van Geffen liggen verder vierkante zones die zijn opgehoogd met puin, dan wel zijn afgegraven. Hoewel in de omgeving van het plangebied grote delen van het landschap volgens de Ontgrondingenkaart van de Provincie Noord-Brabant (2005) zijn afgegraven, zijn volgens deze kaart binnen het plangebied tussen 1950 en 1998 geen ontgrondingsvergunning(en) afgegeven (bron: Provincie Noord-Brabant, bijlage 5). Een duidelijk onderscheid tussen de ontgronde gebieden en nietontgronde gebieden is echter op basis van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN, versie 3 3) niet te maken (bron: www.ahn.nl; bijlage 6). De maaiveldhoogte in het plangebied varieert tussen circa 6,0 en 5,4 m +NAP. De maaiveldhoogte in de ontgronde zones varieert tussen circa 5,8 en 5,1 m +NAP.
In het westen van het plangebied bestaan relatief gezien de grootste verschillen in de maaiveldhoogte. Deze verschillen zijn deels te verklaren door ophogingen onder de bestaande bebouwing (in het verlengde van de, eveneens opgehoogde, bebouwde kom). Ten zuiden van deze bebouwing is (klaarblijkelijk) sprake van een verlaagde tuin. Andere hoogteverschillen volgen de taluds van bestaande en gedempte sloten, die op de perceelgrenzenliggen. Verder liggen de akkerbouwterreinen in het zuidoosten en de paardenwei in het zuidwesten enigszins hoger dan de weilanden in het noorden van het plangebied (gemiddeld 6,0-5,9 m +NAP ten opzichte van 5,9-5,5 m +NAP). Het hoogteverschil bedraagt tot circa 50 cm. Het langgerekte akkerperceel in het zuidoosten kan, op basis van de maaiveldhoogteverschillen, worden aangemerkt als ‘bolle akker’: het midden van de akker heeft een gemiddelde hoogte van 6,0 à 5,9 m +NAP, terwijl het maaiveld richting de sloottaluds (van gedempte sloten) aan weerskanten afloopt naar circa 5,8 m +NAP.
3
Dit onderzoek is uitgevoerd ten tijde van het gereedkomen van het AHN, versie 4. Ten tijde van onderhavig onderzoek was echter van het betreffende kaartblad nog geen vernieuwde versie beschikbaar. Er is dan ook gebruik gemaakt van het AHN3.
12
Bodem en grondwater Volgens de bodemkaart is in het hele plangebied sprake van hoge zwarte enkeerdgronden in zwak siltig fijn zand (Alterra, 2015, kaartcode zEZ21; bijlage 7). Dit type gronden bestaat uit zandgronden met een minstens 50 cm dikke humeuze bovenlaag die ontstaan is door ophoging met postalmest. Bij zwarte enkeerdgronden is hierbij vooral gebruik gemaakt van heideplaggen (De Bakker, 1966). De grondwatertrap geeft een indicatie van de maat van conservering van onverbrande organische vondsten zoals hout, leer en bot. Boven de gemiddeld laagste grondwaterstand treden schommelingen in grondwaterstand op, waardoor oxidatie van organische vondsten kan optreden. De grondwatertrap binnen het plangebied is VII. Dit betekent dat zowel de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) als de Gemiddeld Laagste Grondwaterstand (GLG) beneden 120 cm -Mv ligt. In de omgeving van het plangebied zijn geen recente grondwaterstandsmetingen bekend waaruit de exacte diepte van de grondwaterstand blijkt (bron: www.dinoloket.nl0. Onverbrande organische vondsten worden op basis van de grondwatertrap binnen 120 cm –Mv niet meer verwacht. Anorganische vondsten zoals (vuur)steen, aardewerk en metaal zouden nog wel aanwezig kunnen zijn binnen 120 cm -Mv.
13
7. Archeologische waarden en onderzoeken Wettelijk beschermde monumenten
Nee
AMK-terreinen
Nee
Archeologische waarden
Onderzoek: ja, waarden: vooralsnog onbekend
Archeologische verwachting Het plangebied staat niet gekarteerd op de huidige gemeentelijke archeologiekaarten van de gemeente Oss (Botman et al., 2009). Op de archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Oss (2016) heeft het plangebied grotendeels een archeologische ‘verwachtingswaarde hoog’. Deze verwachting is gebaseerd op de ligging van het plangebied in een gebied met dekzandwelvingen, die vermoedelijk bedekt zijn met een oud-bouwlanddek. Het oud-bouwlanddek kan eventuele archeologische resten in de top van het dekzand hebben behoed van bodemverstoringen. Het plangebied maakt geen deel uit van een Archeologisch Monumententerrein (AMK-terrein). Tevens bevinden zich in het plangebied geen cultuurhistorische of archeologische rijksbeschermde monumenten (bron: Archis3). Bekende archeologische informatie in het plangebied Het noordelijk deel van het plangebied (circa 5,6 van 8,7 ha) heeft in 2020 reeds deel uitgemaakt van een bureauonderzoek (Hagens en Van der Feest, 2020 / Aeres-projectnummer AM19562; onderzoekmeldingsnummer 4769632100). Op basis van dit onderzoek is voor het plangebied een lage archeologische verwachting vastgesteld op steentijdvindplaatsen. Deze verwachting is gebaseerd op de ligging van het plangebied in een overgangsgebied tussen hoge zandgronden en laaggelegen kleigronden in het stroomgebied van de Maas.
Het plangebied zal op basis van deze landschappelijke ligging niet de meest gunstige locatie hebben gevormd voor bewoning. Deze bevinding wordt volgens Hagens en Van der Feest (2020) onderstreept door het gegeven dat tot heden nog geen archeologische resten uit de perioden Laat-Paleolithicum en Mesolithicum in de omgeving zijn gevonden. Uit de periode Neolithicum tot en met de Vroege-Middeleeuwen kunnen volgens Hagens en Van der Feest (2020) wel archeologische resten in het plangebied verwacht worden. Ook in deze periode zullen de relatief laaggelegen dekzandgronden vermoedelijk niet de beste woonlocaties hebben gevormd. Op basis van onderzoeken in de omgeving heeft hier echter wel bewoning plaatsgevonden; in elk geval in de Bronstijd, IJzertijd en de Vroege-Middeleeuwen. Daarom geldt voor de gehele periode van het Neolithicum tot en met de Vroege-Middeleeuwen een middelhoge archeologische verwachting4. Voor de perioden Late-Middeleeuwen/Nieuwe tijd stellen Hagens en Van der Feest (2020) dat sprake is van een lage archeologische verwachting. Historische kaarten uit de 19e-20e eeuw geven geen indicaties dat bebouwing in het plangebied heeft gestaan. Eventueel kunnen uit deze periode wel resten van landgebruik voorkomen. Het bureauonderzoek van Hagens en Van der Feest (2020) is vooralsnog niet gecomplementeerd door een inventariserend veldonderzoek.
Verder hebben in het plangebied, afgezien van dit bureauonderzoek, geen andere archeologische onderzoeken plaatsgevonden. Tevens zijn in het plangebied geen vondstmeldingen gedaan of vondstlocaties bekend. Een informatieverzoek aan de Heemkundewerkgroep ‘Vladerack’ heeft vooralsnog ook geen aanvullende informatie opgeleverd met betrekking tot eventueel aanwezige archeologische waarden in het plangebied.
4
Uit een inventarisatie van gegevens in Archis blijkt echter niet dat tijdens archeologische onderzoeken binnen een straal van 500 m rond het plangebied archeologische resten gevonden zijn uit de Bronstijd, IJzertijd en de Vroege-Middeleeuwen. De door Hagens en Van der Feest (2020) genoemde resten zijn vermoedelijk op grotere afstand van het plangebied, binnen het dekzandlandschap van Oss, aangetroffen.
14
Bekende archeologische informatie in de omgeving van het plangebied In de omgeving van het plangebied zijn binnen een straal van 500 m verschillende archeologische onderzoeken bekend. Deze onderzoeken en meldingen zijn hieronder kort geïnventariseerd om tot een meer gerichte archeologische verwachting van het plangebied te komen. Alle onderzoeken en meldingen in de omgeving bevinden zich, net als het plangebied, in een gebied met dekzandwelvingen. Volgens Vos (2015) is daarbij het gebied vanaf circa 1,4 km ten westen tot in het plangebied tussen 2750 en 1500 v.Chr. (tijdens de Vroege-Bronstijd en Midden-Bronstijd-A) met veen overdekt geraakt Het gebied ten oosten van het plangebied (tot circa 2,7 km oostelijk) raakte met veen overdekt in de periode tussen 1500 en 500 v.Chr. (de Midden-Bronstijd-B tot en met de Vroege-IJzertijd). Westen (veen vanaf de Vroege-Bronstijd) In het gebied ten westen van het plangebied bevindt zich onder meer AMK-terrein 16836 ‘Geffen’. Dit AMK-terrein behelst de historische dorpskern van Geffen. Deze bewoningskern gaat volgens de AMK terug tot vóór 1250 na Chr. Met name binnen de contouren van dit AMK-terrein worden archeologische resten van bewoning uit de periode Vroege-Middeleeuwen tot Nieuwe tijd verwacht.
Verder grenst nagenoeg aan het zuidwesten van het plangebied een terrein waarin in 2009 een booronderzoek is uitgevoerd (‘Veldstraat 38’, onderzoekmeldingsnummer 2262308100). Dit terrein heeft een omvang van circa 1300 m2 en ligt op een NAP-hoogte van circa 6,0 m +NAP. Tijdens het booronderzoek is geconstateerd dat sprake is van een (nagenoeg) intacte bodemopbouw. Het dekzand is afgedekt met een esdek dat een dikte heeft (inclusief de moderne bouwvoor) van circa 65-100 cm. De moderne bouwvoor heeft gemiddeld een dikte van 30 cm. In het zuiden van het terrein is onder het esdek nog een restant van een podzol aangetroffen (een B-horizont). In de overige boringen is de podzol vermengd geraakt met het esdek. Op grond van de diepteligging van het dekzand in de intacte boring is echter vastgesteld dat ook in de rest van het onderzochte gebied het dekzand nagenoeg intact is (er zullen van de C-horizont slechts enkele centimeters zijn verdwenen). Vanwege het ontbreken van een podzol worden geen vondstconcentraties meer verwacht, maar er kunnen nog wel grondsporen aanwezig zijn. Het esdek dateert op basis van het vooronderzoek uit de Nieuwe tijd. In het esdek is namelijk een pijpenkopje aangetroffen (Van den Berkmortel, 2010). Circa 675 m ten noordwesten van het plangebied is verder in 2010 een booronderzoek gedaan (onderzoekmeldingsnummer 228659100).
Hier is bovenop het dekzand een ophogingspakket aangetroffen met een dikte tussen 100 en 170 cm. Dit ophogingspakket is vermoedelijk aangelegd ten behoeve van de huidige boerderij. Delen van het pakket zullen, getuige recent materiaal, zijn vergraven tijdens latere bouw- en sloopwerkzaamheden. Gezien de zandbrokken aan de onderkant van het opgebrachte pakket, is het eronder gelegen dekzand vermoedelijk vergraven. Er zijn geen archeologische indicatoren gevonden ouder dan de Nieuwe tijd. Om die reden is geadviseerd het gebied vrij te geven (Van der Zee, 2011). Een ander booronderzoek is uitgevoerd in diverse deelgebieden op 280 m ten noorden (deelgebied 5), 440 m ten noordwesten (deelgebieden 1 en 3) en circa 600 m ten noordwesten (deelgebieden 2 en 4) van onderhavig plangebied (onderzoekmeldingsnummers 2087421100, 2052818100 en 2052801100). Tijdens dit onderzoek is voor het meest dichtstbijzijnde deelgebied (deelgebied 5) geconstateerd dat vrijwel overal sprake is van een intacte B-horizont of een BC-horizont. Boven de podzol bevond zich een donker gekleurd ophogingspakket tot 40 à 60 cm -Mv / circa 5,25-4,26 m +NAP. De B-horizont had een dikte van circa 20 cm. Ook in deelgebied 3 (daarna het dichtstbijzijnd) is in drie boringen nog een BC-horizont gevonden. Deze bevond zich gemiddeld op een diepte van 50 cm -Mv / 5,54 à 4,76 m +NAP.
Deelgebieden 1 en 4 bleken volledig verstoord. Deelgebied 2 was op twee boringen na grotendeels verstoord. Er zijn geen archeologische indicatoren gevonden. Op grond van het ontbreken
15
van indicatoren is (ondanks dat het een verkennend onderzoek betrof) geadviseerd het gebied vrij te geven (Gheysen, 2004). Circa 50 m ten westen van het plangebied is een archeologische begeleiding uitgevoerd ten behoeve van de reconstructie van de Heegterstraat (onderzoekmeldingsnummer 2331855100). Tijdens dit onderzoek is geconstateerd dat geen esdek aanwezig is. Onder een 30 cm dikke bouwvoor ligt een laag gevlekt zand met rupsbandsporen. Vermoedelijk is dit wel een restant van esdek (of in elk geval opgebrachte grond), maar dit is niet meer als zodanig te herkennen. Onder deze vuile laag lag dekzand, waarin ook de Laag van Usselo is aangetroffen (een fossiele podzol, 5-10 cm dik). In de top van het dekzand – op de overgang van de verstoorde laag naar de C-horizont – kwamen ploegsporen voor en zijn esgreppels aangetroffen. Er kwam alleen vondstmateriaal voor in de bouwvoor en de verstoringslaag. Dit materiaal dateerde uit de 20e eeuw en is niet verzameld (Botermans en Van Malssen, 2012). Een ander gravend onderzoek is verricht circa 360 m ten zuidwesten van het plangebied in het tracé van de Runrotstraat (onderzoekmeldingsnummer 2378699100). Dit onderzoek is verricht in het kader van een aan te leggen riool. Tijdens het onderzoek is een verstoorde bovengrond waargenomen met eronder plaatselijk B-C en BC-C profielen.
In het dekzand bevonden zich karrensporen, kuilen, paalgaten, een greppel, een spitspoor en recente verstoringen. De sporen dateren uit de LateMiddeleeuwen/Nieuwe tijd (De Winter, 2013). Verder is circa 450 m ten noorden van het plangebied nog een bureau- en booronderzoek verricht aan de Bredweg 13 (onderzoekmeldingsnummer 2478977100). Op basis van de boringen hebben in het verleden egalisatiewerkzaamheden plaatsgevonden, waarbij de hoger gelegen delen van het oorspronkelijke landschap zijn afgetopt en de lagere delen zijn opgevuld. Plaatselijk zijn nog de oorspronkelijke A- en E-horizonten waargenomen. Op andere plekken is alleen nog van een A-C-profiel sprake. Er zijn geen archeologische indicatoren gevonden. Vanwege de intacte bodemopbouw is geadviseerd in het deel van het onderzochte gebied een vervolgonderzoek uit te voeren (Van der Feest en Hagens, 2015). Circa 530 m ten zuiden van het plangebied, en ten zuiden van de bebouwde kom van Geffen, is in een gebied van circa 2 ha een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd (onderzoekmeldingsnummer 4027436100). Hier bleek in het westen sprake van een A-C-profiel. In het oosten is nog een deel van de oorspronkelijke podzol gevonden. Plaatselijk komen oerbanken voor die duiden op wisselende grondwaterstanden. Door de lemigheid is het dekzand geïnterpreteerd als ‘Oud Dekzand’. Plaatselijk vertoont het dekzand kenmerken van verspoeling.
Boven het dekzand ligt een humeus dek van gemiddeld 50 cm dikte. In het dekzand zijn in totaal 15 grondsporen gevonden. De sporen zijn slecht te dateren vanwege het weinige vondstmateriaal. Verder is ook geen duidelijk samenhangend geheel gevonden. Op basis daarvan zijn de sporen geïnterpreteerd als ‘off-site fenomenen’. Er is geen aanvullend archeologisch onderzoek geadviseerd (Van der Leije, 2017). Verder is circa 200 m ten noorden van het plangebied nog een bureau- en booronderzoek gedaan (onderzoekmeldingsnummer 4867804100). Tijdens het booronderzoek is een bouwvoor gevonden van 20-30 cm dik. Daaronder bevond zich een opgebrachte laag, die reikte tot gemiddeld 30 à 60 cm -Mv. De oorspronkelijke podzol onder de opgebrachte lagen is nog (vrijwel) intact en bestaat uit een Ehorizont vermengd met een Bh-horizont, een Bs-horizont, een BC-horizont en de C-horizont. Er zijn geen archeologische indicatoren gevonden. Op grond van de intacte ondergrond is een vervolgonderzoek geadviseerd (Van der Klooster, 2020). Het proefsleuvenonderzoek heeft recentelijk plaatsgevonden (onderzoekmeldingsnummer 4929737100). Volgens de eerste bevindingen zijn in het oosten en zuidoosten van het gebied recente greppelsystemen gevonden. in dit gedeelte lagen verder ook recente verbrandingsgreppels en -kuilen. In de rest van het gebied lagen geen sporen maar
16