CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2b b NL IMRO 0828 BPtveldgff-ON01 tb.PDF

Adviescommissie Ruimte 23 juni 2022, gemeente OssBij agendapunt: B Ontwerpbestemmingsplan en ontwerpbesluit hogere waarde t Veld Geffen20.621 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

BESTEMMINGSPLAN ‘t Veld Geffen - 2022 Bijlagen bij toelichting

Gemeente Oss | Raadhuislaan 2 | 5341 GM | Oss | T: 14 0412 | F: 0412 642605 | www.oss.nl |

Bestemmingsplan ’t Veld Geffen – 2022 Index bijlagen bijlagenboek

Bijlage 1: QuickScan Wet natuurbescherming noordelijk deel Bijlage 2: QuickScan Wet natuurbescherming zuidelijk deel Bijlage 3: Voortoets stikstofdepositie Bijlage 4: Archeologisch onderzoek Bijlage 5: Proefsleuvenonderzoek Bijlage 6: Verkeersonderzoek Bijlage 7: Waterparagraaf Bijlage 8: Memo gemengd gebied Bijlage 9: Akoestisch onderzoek milieuzonering Bijlage 10: Bodemonderzoek Veldstraat 30 Bijlage 11: Bodemonderzoek noordelijk deel Bijlage 12: Bodemonderzoek zuidelijk deel Bijlage 13: Geuronderzoek Bijlage 14: Akoestisch onderzoek wegverkeer t Veld Geffen Bijlage 15: GGD advies Bijlage 16: Omgevingsdialoog Bijlage 17: QuickScan Wet natuurbescherming oostelijk deel Bijlage 18: Bodemonderzoek Heesterseweg 35 Bijlage 19: Bodemonderzoek Heesterseweg 35A Bijlage 20: Gebiedsvisie Geffen t Veld Bijlage 21: Geffen t Veld Nota van vooroverleg Bijlage 22: Aanmeldnotitie mer versie 7 april 2022 Besluit hogere waarden

Bestemmingsplan ’t Veld Geffen – 2022 Index bijlagen bijlagenboek

Bijlage 1:

QuickScan Wet natuurbescherming noordelijk deel

RAPPORT Quickscan natuurwetgeving Brempad e.o. te Geffen

Opdrachtgever Accent Adviseurs Luchthavenweg 13E 5657 EA Eindhoven Projectnummer Aeres Milieu projectnummer AM19562 Status rapport Definitief Autorisatie Opsteller rapport: Contactgegevens Aeres Milieu B.V. Noordhoven 4 6042 NW Roermond (t) 0475 – 320 000 e-mail: info@aeres-milieu.nl www.aeres-milieu.nl

datum

ir. C. de Koning ir. J.P.M. Hovens (Faunaconsult)

23 januari 2020

Kwaliteitscontrole:

datum

ing. G. Reuver

23 januari 2020

Quickscan natuurwetgeving Brempad e.o. te Geffen / AM19562

INHOUDSOPGAVE 1. INLEIDING 3 1.1 Aanleiding ....................................................................................................................................... 3 1.2 Doel en status van dit document .................................................................................................... 3 1.3 Leeswijzer ...................................................................................................................................... 3 2. WET- EN REGELGEVING 4 2.1 Inleiding .......................................................................................................................................... 4 2.2 Bescherming van Natura 2000-gebieden ...................................................................................... 4 2.3 Natuurnetwerk Nederland .............................................................................................................. 4 2.4 Beschermde planten en dieren ...................................................................................................... 5 3. WERKWIJZE 6 3.1 Beschrijving van de voorgenomen werkzaamheden ..................................................................... 6 3.2 Werkwijze quickscan ...................................................................................................................... 6 4.

AANWEZIGE BESCHERMDE NATUURWAARDEN 7 4.1 Beschrijving plangebied ................................................................................................................. 7 4.3 Natuurnetwerk Brabant .................................................................................................................. 9 4.4 Beschermde planten en dieren .................................................................................................... 10 5. MOGELIJKE EFFECTEN OP BESCHERMDE NATUURWAARDEN 14 5.1 Natura 2000 .................................................................................................................................. 14 5.2 Natuurnetwerk Brabant ................................................................................................................ 14 5.3 Beschermde planten en dieren .................................................................................................... 14 6. CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN 16 6.1 Natura 2000 .................................................................................................................................. 16 6.2 Natuurnetwerk Brabant ................................................................................................................

16 6.3 Beschermde planten en dieren .................................................................................................... 16 LITERATUUR BIJLAGE 1. Toelichting per beschermingsregime

18 19

Pagina 2 van 22

Quickscan natuurwetgeving Brempad e.o. te Geffen / AM19562

1.

INLEIDING

1.1

Aanleiding

In opdracht van Accent Adviseurs heeft Aeres Milieu in samenwerking met Faunaconsult een quickscan natuurwetgeving uitgevoerd op een locatie gelegen aan het Brempad en omgeving te Geffen (Gemeente Oss, Provincie Noord-Brabant), zie figuur 1.1. Hier wordt woningbouw gerealiseerd. De voorgenomen ontwikkeling heeft aanleiding gegeven voor deze quickscan natuurwetgeving. Hierin is nagegaan welke effecten de ingreep heeft op lokaal voorkomende beschermde flora en fauna. Daarnaast is nagegaan welke invloed de ingreep heeft op beschermde Natura 2000-gebieden en overige beschermde natuurgebieden. 1.2

Doel en status van dit document

Het risico bestaat dat het plangebied deel uitmaakt van leefgebieden van diverse beschermde soorten. Dit document geeft inzicht in de mogelijke knelpunten in het kader van natuurwetgeving en -beleid en mogelijke effecten als gevolg van het project. Het doel van dit document is om vast te stellen of de natuurwetgeving de geplande ontwikkeling in de weg staat. De ingreep kan een negatief effect hebben op beschermde natuurwaarden (plant- en diersoorten en bijbehorende leefgebieden) en beschermde gebieden. Dit document geeft aan of en welke vervolgstappen noodzakelijk zijn om te voldoen aan de minimale onderzoekinspanning vanuit de Wet natuurbescherming (Wnb) en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Daarnaast worden mitigerende (verzachtende) maatregelen aangegeven om significant negatieve effecten op voorhand te voorkomen en daarmee te voldoen aan de natuurwetgeving. 1.3

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt een korte beschrijving gegeven van de relevante wet- en regelgeving. Hoofdstuk 3 beschrijft de geplande werkzaamheden en de werkwijze van de inventarisaties van de natuurwaarden. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van de beleids- en veldinventarisaties weergegeven. Hoofdstuk 5 beschrijft de effecten van de voorgenomen ingreep op Natura 2000- gebieden, de in en nabij het plangebied aanwezige natuurwaarden, evenals de mogelijke overtredingen op de Wnb. Hoofdstuk 6 geeft de conclusies en aanbevelingen weer.

Pagina 3 van 22

Quickscan natuurwetgeving Brempad e.o. te Geffen / AM19562

2.

WET- EN REGELGEVING

2.1

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt een korte toelichting gegeven op de juridische bescherming van de Nederlandse natuur. De Wet natuurbescherming (Wnb), die per 1 januari 2017 is ingegaan, vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en Faunawet en de Boswet. De Natuurbeschermingswet 1998 zorgde voor de bescherming van (natuur)gebieden en de Flora- en faunawet regelde de bescherming van alle in het wild levende planten- en diersoorten, dus ook buiten de beschermde gebieden. Bij werkzaamheden met betrekking tot ruimtelijke ingrepen, moest worden nagegaan of deze negatieve gevolgen zouden kunnen hebben voor beschermde soorten en/of beschermde gebieden. Bij kap van bomen moest worden bepaald of de Boswet van toepassing was (de Boswet regelde het behoud van bosopstanden of compensatie ervan). De basis van de nieuwe wetgeving blijft in grote lijnen gelijk, al verandert er wel een aantal zaken. 2.2

Bescherming van Natura 2000-gebieden

Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Wat betreft gebiedsbescherming, vervalt de bescherming van de Beschermde natuurmonumenten. Deze vallen echter vrijwel altijd (op enkele kleine gebieden na) binnen Natura 2000 of het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen EHS) en houden dus indirect wel bescherming, zij het niet in dezelfde mate. De provincies hebben daarnaast de bevoegdheid om bijzondere provinciale landschappen of bijzondere provinciale natuurgebieden aan te wijzen. Zij kunnen in een later stadium door de Minister worden toegevoegd aan Natura 2000-gebieden. Verder verandert er voor Natura 2000-gebieden weinig. De bescherming van deze gebieden is namelijk gebaseerd op internationale verplichtingen en die zijn niet veranderd. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning op de Wnb wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn opgenomen in Natura 2000-beheerplannen.

Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Wetlands worden beschermd door het internationale Ramsar-verdrag. Het zijn ook Natura 2000-gebieden en daardoor beschermd door de Wnb. Toetsing van de voorgenomen werkzaamheden in het plangebied aan de Wnb wat betreft Natura 2000gebieden is opgenomen in hoofdstuk 5. 2.3

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), vroeger de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genoemd, is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het NNN is gebaseerd op provinciale regelgeving, die met ingang van de Wnb niet is veranderd. In het Natuurnetwerk Nederland liggen: • bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; • gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; • landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; • ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee; • alle Natura 2000-gebieden.

Pagina 4 van 22

Quickscan natuurwetgeving Brempad e.o. te Geffen / AM19562

Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijk voor de begrenzing en ontwikkeling van dit natuurnetwerk. Tot die tijd was de Rijksoverheid hiervoor verantwoordelijk. In het Natuurpact hebben de provincies met het rijk afgesproken om tot 2027 80.000 hectare natuur in te richten. Het NNN moet uiteindelijk samen met de natuurgebieden in andere Europese landen het aaneengesloten pan-Europees Ecologisch Netwerk (PEEN) vormen. De provincies hebben – zoals ook al in paragraaf 2.2 aangegeven - de bevoegdheid om bijzondere provinciale landschappen of bijzondere provinciale natuurgebieden aan te wijzen. Veel provincies hebben de Nationale Landschappen (sinds 2011 geen onderdeel meer van nationaal beleid) in hun provinciale beleid opgenomen. De toetsing van de voorgenomen werkzaamheden in het plangebied aan het provinciale beleid is opgenomen in hoofdstuk 5. 2.4

Beschermde planten en dieren

De lijsten met beschermde soorten zijn veranderd. Er zijn soorten die voorheen beschermd waren en onder de Wnb niet meer en andersom. Zo zijn een aantal soorten orchideeën, de kleine modderkruiper en rode bosmieren sinds 1 januari 2017 niet meer beschermd. De Wnb kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming behoeven (zie bijlage 1 voor een toelichting op verboden handelingen, afwijkingsmogelijkheden en criteria voor ontheffing/vrijstelling per beschermingsregime): - Vogels alle vogels in de zin van de Vogelrichtlijn (paragraaf 3.1 van de Wnb). Verder nemen de meeste provincies de onder de Flora- en faunawet benoemde vogelsoorten waarvan het nest jaarrond werd beschermd over. Voor een aantal vogelsoorten geldt dat hun nesten jaarrond beschermd zijn, ook als de soort op het moment van de handeling geen gebruik maakt van het nest. Dit is het geval wanneer een vogelsoort jaarlijks terugkeert naar zijn nest en niet of nauwelijks in staat is om elders in zijn leefgebied een vervangend nest te vinden of te maken.

- Internationaal beschermde soorten alle dieren en planten, genoemd in de bijlagen bij de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (paragraaf 3.2 van de Wnb); - Overige beschermde soorten soorten genoemd in de bijlage bij de Wnb, die niet onder de reikwijdte van paragraaf 3.2 vallen (paragraaf 3.3 van de Wnb). Hieronder vallen onder meer de ‘algemene’ soorten die onder de Flora- en faunawet bij ruimtelijke ingrepen waren vrijgesteld. Vrijwel al deze soorten zijn door alle provincies eveneens voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld (een uitzondering geldt bijvoorbeeld voor de mol, die onder de Wnb niet meer is beschermd). De beschermde status van soorten kan echter per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten (Provinciale staten van Noord-Brabant, 2016). Er is dan geen ontheffing nodig voor werkzaamheden. Voor soorten die ook niet in de bijlagen van de Wnb worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1.11 Wnb) als vangnet. Op grond van deze bepaling moeten schadelijke handelingen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in beginsel achterwege worden gelaten, dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te voorkomen.

De toetsing van de voorgenomen werkzaamheden in het plangebied aan de Wnb wat betreft flora en fauna is opgenomen in hoofdstuk 5.

Pagina 5 van 22

Quickscan natuurwetgeving Brempad e.o. te Geffen / AM19562

3.

WERKWIJZE

3.1

Beschrijving van de voorgenomen werkzaamheden

De bestaande bebouwing op perceel B 1277 wordt gesloopt. Op de overige percelen wordt de bestemming gewijzigd van ‘Agrarisch’ naar ‘Wonen’. Daarna zal er op alle percelen nieuwbouw worden gerealiseerd. Er is geen ontwerp van de voorgestane inrichting voorhanden. 3.2

Werkwijze quickscan

Deze quickscan natuurwetgeving is uitgevoerd door middel van een veldbezoek en een literatuurstudie. Op 20 januari 2020 heeft Faunaconsult het plangebied en de omgeving ervan bezocht voor een habitatgeschiktheidsonderzoek. Hierbij werd beoordeeld voor welke plant- en diersoorten het plangebied een geschikte habitat biedt. Waarnemingen van soorten in het plangebied zijn genoteerd. Met betrekking tot zoogdieren werd speciaal gelet op pootafdrukken, krabsporen, wissels, uitwerpselen, haren, graafsporen, holen en potentieel geschikte verblijfplaatsen. Alle te slopen gebouwen werden van binnen en buiten met behulp van een zaklamp, ladder en boomcamera geïnspecteerd. Daarnaast werd er in een straal van 100 meter rond het plangebied gezocht naar uilennesten. Het bureauonderzoek is gebaseerd op vrij verkrijgbare verspreidingsbronnen en waarnemingen van soorten: - Synbiosys alterra (www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/gebiedendatabase). - RAVON (www.ravon.nl). Verspreidingsgegevens van amfibieën, reptielen en vissen. - FLORON (www.floron.nl) - SOVON (www.sovon.nl) - Zoogdiervereniging (www.zoogdiervereniging.nl) - NDFF Verspreidingsatlas (www.verspreidingsatlas.nl)

Pagina 6 van 22

Quickscan natuurwetgeving Brempad e.o. te Geffen / AM19562

4.

AANWEZIGE BESCHERMDE NATUURWAARDEN

4.1

Beschrijving plangebied

Het plangebied (zie figuur 4.1.1) ligt in het oosten van de bebouwde kom van Geffen. De noordwestzijde en een gedeelte van de zuidzijde grenzen aan een woonwijk. De overige zijdes van het plangebied grenzen aan akkers en weilanden. Aan de Veldstraat 30 bevindt zich een woning (zie foto rechtsonder voorzijde) met een bijgebouw (zie figuur 4.1.2) en voormalige paardenstallen (zie foto linksboven voorzijde). Het grootste deel van het plangebied bestaat uit voormalige weilanden (zie grote foto voorzijde), die momenteel afwisselend als maïsakker en als grasland worden ingericht. Tijdens het veldbezoek was het grootste deel van het plangebied begroeid met Engels raaigras, met verder soorten als smalle weegbree, zachte ooievaarsbek, duizendblad, Jacobskruiskruid, paarse dovenetel en vogelmuur. Rond de voormalige weilanden bevinden zich droge greppels. Verder groeien er her en der bramen en soorten als witte dovenetel. Op twee ratelpopulieren na zijn bomen in het plangebied afwezig.

Figuur 4.1.1. Het plangebied (rood omlijnd).

Pagina 7 van 22

Quickscan natuurwetgeving Brempad e.o. te Geffen / AM19562

Figuur 4.1.2. Het bijgebouw.

4.2 Natura 2000-gebieden Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ is het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, op een afstand van ruim 10 kilometer ten noordwesten van het plangebied. Overige Natura 2000-gebieden liggen op nog grotere afstand van het plangebied, evenals Wetlands (zie figuur 4.2).

Pagina 8 van 22

Quickscan natuurwetgeving Brempad e.o. te Geffen / AM19562

Figuur 4.2. Ligging van het plangebied (rode stip) ten opzichte van Natura 2000-gebieden (geel weergegeven). Bron: www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/.

4.3

Natuurnetwerk Brabant

Op circa 665 meter ten zuiden van het plangebied ligt het dichtstbijzijnde onderdeel van het Natuurnetwerk Brabant (NNB). Dit bestaat uit het beheertype ‘Droog bos met productie’ (zie figuur 4.3).

Figuur 4.3. Ligging van het plangebied (rode stip) ten opzichte van het NNB (lichtgroen gekleurd). Bron: website Provincie Noord-Brabant (www.kaartbank.brabant.nl/viewer/app/natuurbeheerplan/).

Pagina 9 van 22

Quickscan natuurwetgeving Brempad e.o. te Geffen / AM19562

4.4

Beschermde planten en dieren

In het plangebied bevinden zich een aantal gebouwen die worden gesloopt. Deze zijn weergegeven in figuur 4.4.1.

Figuur 4.4.1. Te slopen gebouwen. 1 = Woonhuis; 2 = Bijgebouw; 3 = Paardenstallen.

Alleen in het bijgebouw (2 in figuur 4.4.1) zijn open stootvoegen aanwezig. Deze bevinden op circa 30 cm boven het maaiveld; voor vleermuizen zijn deze te laag om als invliegopening te dienen. Overige kleine zoogdieren (bosmuis of huisspitsmuis) kunnen hier wel de spouw in. Het bijgebouw heeft een plat bitumen dak en de boeiboorden kieren nergens met de gevel. Het is dus uitgesloten dat er vleermuizen of vogelnesten in het bijgebouw aanwezig zijn. Het woonhuis (1 in figuur 4.4.1) heeft een pannendak en onder de onderste rij dakpannen is een lat aangebracht die voorkomt dat er vogels het dak in kunnen (zie figuur 4.4.2). Onder de onderste rij dakpannen op de lagere aanbouw zijn vogelnesten afwezig (geïnspecteerd). Het dak op de paardenstallen (3 in figuur 4.4.1) is enkelwandig. In de zuidelijkste punt van het dak op de paardenstallen is een voormalig nest van een holenduif aanwezig. Jaarrond beschermde vogelnesten zijn in de paardenstallen echter afwezig. Op de kopse kanten van het woonhuis en de paardenstallen bevinden zich dakoverstekken. Tussen de overstekken en de gevels zijn meerdere openingen aanwezig (zie figuur 4.4.3), die groot genoeg zijn om vleermuizen of andere kleine zoogdieren toegang te verlenen tot de spouw. Massa-winterverblijven van vleermuizen zijn, vanwege de afwezigheid van grote spleetvormige ruimten, echter niet te verwachten.

In de paardenstallen en in het woonhuis kunnen wel zomer-, winter-, kraam- en/of paarverblijven van laatvlieger, gewone dwergvleermuis en of ruige dwergvleermuis voorkomen. Wegens de afwezigheid van holle bomen of opgaande lijnvormige beplantingen, zijn overige vleermuisverblijven, vaste vliegroutes of belangrijke foerageergebieden van vleermuizen elders in het plangebied niet te verwachten.

Pagina 10 van 22

Quickscan natuurwetgeving Brempad e.o. te Geffen / AM19562

Figuur 4.4.2. Onder de onderste rij dakpannen op het woonhuis bevindt zich een lat die voorkomt dat vogels het dak in kunnen.

Figuur 4.4.3. Op de kopse kanten van woonhuis (links) en paardenstallen (rechts) bevinden zich openingen (weergegeven met rode pijlen) die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot de spouw.

Pagina 11 van 22

Quickscan natuurwetgeving Brempad e.o. te Geffen / AM19562

Ten zuiden van het plangebied (in de achtertuin van Veldstraat 36) bevindt zich een schuurtje waaraan een steenuilennestkast is opgehangen (zie figuur 4.4.4). Deze nestkast is tijdens het veldbezoek geïnspecteerd en sporen of uitwerpselen van steenuilen waren afwezig. Volgens de eigenaar (Christon van Oorschot) heeft er nog nooit een steenuil in de nestkast gebroed. In het plangebied en in een straal van 100 meter rondom het plangebied zijn roofvogelnesten en uilennesten afwezig. Het is echter mogelijk dat er in het broedseizoen algemene vogels in als grasland in begroeide delen van het plangebied, of in de paardenstallen gaan broeden.

Figuur 4.4.4. De steenuilennestkast op het erf van Veldstraat 36 is niet in gebruik.

Op de hooizolder in het zuidelijk deel van de paardenstal werd tijdens het veldbezoek een latrine van een volwassen steenmarter aangetroffen (zie figuur 4.4.5). Ook werden op deze hooizolder twee gepredeerde kippeneieren gevonden, waarvan er één de tandafdrukken van een volwassen steenmarter bevatte (zie figuur 4.4.5). De zolder van de paardenstal dient duidelijk als dagrustplaats van volwassen steenmarter(s), maar niet als kraamverblijf (geen uitwerpselen van jonge steenmarters aanwezig). De steenmarter(s) kunnen de paardenstal in via de opening onder het dak aan de zuidoostzijde. Dassenburchten, dassenwissels of sporen van dassen zijn in en rond het plangebied afwezig. In het plangebied werden molshopen (de mol is niet beschermd en daarom niet in tabel 4.4 opgenomen) en konijnenholen en keutels waargenomen (zie tabel 4.4). Voor kleine marterachtigen is er te weinig dekking in het plangebied aanwezig.

Pagina 12 van 22

Quickscan natuurwetgeving Brempad e.o. te Geffen / AM19562

Figuur 4.4.5. Steenmarterlatrine (links) en door steenmarter gepredeerde kippeneieren (rechts). De onderste eierschaal bevat twee gaatjes die door steenmarterhoektanden zijn gemaakt.

In het plangebied zijn alleen algemene, niet beschermde planten waargenomen. Omdat het plangebied vrijwel volledig is begroeid met Engels raaigras, zijn bijzondere of beschermde planten niet te verwachten. Wateren (die als voortplantingswater voor amfibieën kunnen dienen) zijn afwezig. Wel is het mogelijk dat meerdere algemene amfibieënsoorten de begroeide delen van het plangebied als landhabitat gebruiken. Reptielen zijn afwezig en andere soorten, die beschermd zijn onder de Wnb, zijn niet te verwachten in het plangebied. Tabel 4.4 geeft de beschermde soorten weer die (mogelijk) een vaste voortplantings- of rustplaats in het plangebied hebben. Nederlandse naam en wetenschappelijke naam

Vogels met jaarrond beschermd nest

Internationaal beschermde soorten

Overige beschermde soorten

Aardmuis (Microtus agrestis)

X

Veldmuis (Microtus arvalis)

X

Bosmuis (Apodemus sylvaticus)

X

Haas (Lepus europeus)

X

Konijn (Oryctolagus cuniculus)

X

Steenmarter (Martes foina)

X

Gewone pad (Bufo bufo)

X

Bruine kikker (Rana temporaria)

X

Huisspitsmuis (Crocidura russula)

X

Laatvlieger (Eptesicus serotinus)

X

Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii)

X

Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus)

X

Tabel 4.4. (Potentieel) in het gebied voorkomende beschermde soorten. Het beschermingsregime van de soorten in de Wnb is eveneens weergegeven.

Pagina 13 van 22

Quickscan natuurwetgeving Brempad e.o. te Geffen / AM19562

5.

MOGELIJKE EFFECTEN OP BESCHERMDE NATUURWAARDEN

5.1

Natura 2000

Door de voorgenomen werkzaamheden kan verstoring door geluid en beweging optreden. Deze effecten zijn zeer lokaal; bovendien ligt het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ op een afstand van ruim 10 kilometer van het plangebied. De afstand van het plangebied tot dit Natura 2000-gebied is meerdere kilometers en bovendien ligt tussen het gebied ‘Rijntakken’ en het plangebied in een gedeelte van de bebouwde kom van Geffen en Maren-Kessel, diverse agrarische bedrijven en een spoorlijn. Hierdoor verwachten wij van de voorgenomen werkzaamheden geen effect op bovengenoemde Natura 2000-gebieden. Het hierboven genoemde Natura 2000-gebied bevat tenminste één stikstofgevoelig habitattype, dat te maken heeft met overbelasting door stikstof. De bouw en het gebruik van de woningen zal leiden tot extra stikstofuitstoot. Het is daarom mogelijk dat er een significant effect op bovengenoemd (en verder van het plangebied gelegen) Natura 2000-gebieden zal optreden. 5.2

Natuurnetwerk Brabant

Het plangebied ligt op circa 665 meter afstand van het dichtstbijzijnde onderdeel van het Natuurnetwerk Brabant (NNB), bestaande uit het beheertype ‘Droog bos met productie’. Omdat dit een weinig stikstofgevoelige biotoop is en vanwege de afstand tussen het NNB en het plangebied verwachten wij dat de plannen geen effect op het NNB zullen hebben. 5.3

Beschermde planten en dieren

Als gevolg van de werkzaamheden kunnen onderstaande effecten op beschermde flora en fauna optreden: • Bij de werkzaamheden kunnen vaste voortplantings- of rustplaatsen van algemene beschermde zoogdieren en amfibieën worden aangetast. Individuen kunnen hierbij worden verwond of gedood. • Als de met gras begroeide delen tijdens het broedseizoen worden gemaaid/vergraven, of als de opgaande beplantingen tijdens het broedseizoen worden verwijderd, kunnen broedende vogels worden verstoord (hun jongen kunnen hierdoor te lang worden achtergelaten en eieren kunnen te lang niet worden bebroed) of vernietigd. • De hooizolder op de paardenstallen dient als dagrustverblijf van volwassen steenmarter(s). Het vernietigen van de paardenstallen leidt tot het verlies van dit steenmarterverblijf. Er bestaat een kans dat steenmarters de hooizolder in de toekomst als kraamverblijf gaan gebruiken. Steenmarters werpen in maart of april en zogen hun jongen gedurende 2 maanden. Het vernietigen van de stallen kan in de periode 1 maart – 30 juni leiden tot het doden, verwonden of ernstig verstoren of van jonge steenmarters. • De te slopen woning en paardenstallen bevatten mogelijk zomerverblijven, winterverblijven, kraamverblijven en/of paarverblijven van verschillende soorten vleermuizen. Door deze gebouwen te slopen, verdwijnen mogelijk vaste voortplantings- of rustplaatsen.

Eventueel aanwezige vleermuizen kunnen bij de sloop worden gestoord, verwond en/of gedood. In tabel 5.3 zijn de mogelijke overtredingen van de verbodsbepalingen van de Wnb weergegeven. In hoofdstuk 6 wordt uitgelegd hoe deze overtredingen kunnen worden voorkomen.

Pagina 14 van 22

Quickscan natuurwetgeving Brempad e.o. te Geffen / AM19562

Soort

Beschermingsregime Wnb

Algemene vogels

Vogels

Vleermuizen

Internationaal beschermde soorten

Steenmarter

Overige soorten

Art. 3.1 lid 1 X

Art. 3.1 lid 2 X

Art. 3.5 lid 1

Art. 3.5 lid 2

X

X

Art. 3.5 lid 3

Art. 3.5 lid 4

Art. 3.10 lid 1

X X

Algemeen voorkomende Overige soorten X grondgebonden zoogdieren en amfibieën Tabel 5.3. Mogelijke overtredingen van algemene verbodsbepalingen van de Wnb. Zie bijlage 1 voor een verklaring van de beschermingscategorieën en een overzicht van alle verbodsbepalingen. Artikel 3.1 (m.b.t. Vogels) - lid 1: het opzettelijk doden en vangen van vogels - lid 2: het opzettelijk vernielen en beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren en het wegnemen van nesten Artikel 3.5 (m.b.t. Internationaal beschermde soorten): - lid 1: het opzettelijk doden of vangen van habitatsoorten - lid 2: het opzettelijk verstoren van habitatsoorten - lid 3: het opzettelijk vernielen en rapen van eieren van habitatsoorten - lid 4: het beschadigen en vernielen van de voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van habitatsoorten Artikel 3.10 lid 1 (m.b.t. A-soorten): het is verboden (a) in het wild levende A-soorten opzettelijk te doden of te vangen; (b) de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de A-soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen; en De onder (a) en (b) genoemde verboden zijn niet van toepassing op de bos-, huisspits- en veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende ervan of roerende zaken bevinden (artikel 3.10 lid 3 Wnb).

Pagina 15 van 22

Quickscan natuurwetgeving Brempad e.o. te Geffen / AM19562

6.

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN

6.1

Natura 2000

De plannen hebben mogelijk een effect op de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden. Het is daarom zinvol de te verwachten stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden te laten bepalen. Indien daaruit blijkt dat er een significante toename is te verwachten, is er een vergunning nodig op grond van de Wnb. 6.2

Natuurnetwerk Brabant

Omdat er geen negatieve effecten op het NNN zijn te verwachten, zijn er op dit punt geen bezwaren vanuit het provinciale natuurbeleid. 6.3 Beschermde planten en dieren Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Wnb zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in de provincie Noord-Brabant een algemene vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst. Vleermuizen Het woonhuis en de paardenstallen bevatten mogelijk vleermuisverblijven. Het slopen van deze gebouwen kan daarom leiden tot verstoring en/of vernietiging van vleermuizen en hun verblijven.

Omdat alle vleermuissoorten streng zijn beschermd, dient het voorkomen van dergelijke verblijven conform het vleermuisprotocol (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus en Zoogdiervereniging, 2017) te worden onderzocht. Volgens het vleermuisprotocol zijn daartoe 4 onderzoeksronden (met telkens 2 personen) nodig: 2 ronden (2 avonden) onderzoek met batdetectors in de kraamtijd (periode 15 mei – 15 juli, waarbij er minimaal 30 dagen zit tussen de twee bezoeken); 2 ronden (1 avond en 1 ochtend) onderzoek met batdetectors in de paartijd (15 augustus – 1 oktober, waarbij er minimaal 20 dagen zit tussen de twee bezoeken). Indien blijkt dat er vleermuisverblijven aanwezig zijn, dient de functionaliteit daarvan te worden gewaarborgd. Dit houdt in dat er op aangepaste wijze wordt gesloopt (zodat er geen vleermuizen worden gedood) en dat er nieuwe vleermuisverblijven gecreëerd moeten worden. Om vertraging te voorkomen, is het verstandig om vooruitlopend op de resultaten van het vleermuizenonderzoek alvast vleermuiskasten verspreid over de wijk op te hangen. Gewone dwergvleermuizen hebben bijvoorbeeld de tijd nodig om aan nieuwe verblijfplaatsen te wennen. Gedurende deze gewenningsperiode moeten zowel de oorspronkelijke situatie als de nieuw aangebrachte vervangende voorzieningen beide aanwezig zijn (BIJ12, 2017).

Het is daarom beter om voor zekerheid te gaan en alvast 4 vleermuiskasten van types als VK WS 02, VK MP 02 of VK WS 07 Vleermuizenkast (te bestellen bij vivarapro.nl) of VMT1 (te bestellen bij faunaprojecten.nl) op te hangen. Dit dient te gebeuren aan niet te slopen panden binnen een straal van 100 à 200 meter van het plangebied (BIJ12, 2017), onder begeleiding van een deskundige. Als blijkt dat er vleermuisverblijven aanwezig zijn die door de werkzaamheden zullen worden vernietigd, wordt vertraging van de werkzaamheden (in verband met de gewenningsperiode) in de meeste gevallen voorkomen. De voorgenoemde type vleermuiskasten zijn uitwendige modellen, die in principe niet geschikt zijn als permanente vervanging. Indien blijkt dat er in de te slopen gebouwen vleermuisverblijven aanwezig zijn, dan dient er een veelvoud van het aantal gevonden vleermuisverblijven in de nieuwbouw te worden gerealiseerd. Pagina 16 van 22

Quickscan natuurwetgeving Brempad e.o. te Geffen / AM19562

Steenmarter In de te slopen stallen bevindt zich een dagrustplaats (het betreft hier zeker geen kraamverblijf) van de steenmarter. De steenmarter is in de Provincie Noord-Brabant niet vrijgesteld voor ruimtelijke ontwikkelingen. Ten aanzien van steenmarters geldt dat er vervangende verblijfplaatsen moeten worden gerealiseerd en een aangepaste werkwijze moet worden gehanteerd. Er dient buiten de periode 1 maart – 30 juni te worden gesloopt en er dienen voor de sloop 3 steenmarterhuisjes te worden aangelegd (zoals beschreven door Zoogdiervereniging, 2009), binnen een afstand van 200 meter rondom het plangebied. Dit dient te gebeuren onder ecologische begeleiding. Tevens dient, voordat de paardenstallen mogen worden gesloopt, een ontheffing ten aanzien van deze soort te worden aangevraagd. Vogels In de paardenstallen, opgaande vegetaties en akker/graslandvegetatie komen in het broedseizoen mogelijk beschermde vogelnesten voor. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd en waarvoor geen omgevingscheck nodig is. Doden en vernielen van broedvogels/eieren/jongen moet worden voorkomen door bomen buiten het broedseizoen te rooien; akker-/graslandvegetatie buiten broedseizoen te verwijderen en de paardenstallen buiten het broedseizoen te slopen (buiten de periode 15 maart – 15 juli).

Door naleving van deze mitigerende maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen van de Wnb begaan.

Pagina 17 van 22

Quickscan natuurwetgeving Brempad e.o. te Geffen / AM19562

LITERATUUR • • • •

•

BIJ12. 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus. Versie 1.0. Ministerie van Economische Zaken, 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. Provincie Noord-Brabant, 2016. Nieuwsbrief Wet natuurbescherming, december 2016. Provinciale staten van Noord-Brabant. 2016. Verordening van Provinciale Staten van de provincie Noord-Brabant houdende regels ter bescherming van de natuur (Verordening natuurbescherming Noord-Brabant). Link: http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/XHTMLoutput/Historie/NoordBrabant/600901/CVDR600901_1.html Zoogdiervereniging. 2009. www.zoogdiervereniging.nl; Startpagina Steenmarter; brochure Steenmarters in en om het huis. 13-02-2019. https://www.zoogdiervereniging.nl/sites/default/files/imce/nieuwesite/Zoogdiersoorten/Steenmarter/dow nloads/Brochure-steenmarters-inenomhethuis-2007.pdf

Pagina 18 van 22

Quickscan natuurwetgeving Brempad e.o. te Geffen / AM19562

BIJLAGE 1. Toelichting per beschermingsregime Vogels Verbodsbepalingen en afwijkingsmogelijkheden Het beschermingsregime voor vogels is neergelegd in de artikelen 3.1 tot en met 3.4 van de Wnb. Deze bepalingen gelden voor alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Op grond van de artikelen 3.1 en 3.2 gelden voor deze vogels de volgende verboden: • het opzettelijk doden en vangen van vogels (artikel 3.1 lid 1 Wnb) • het opzettelijk vernielen en beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren en het wegnemen van nesten (artikel 3.1 lid 2 Wnb) • het rapen en houden van eieren (artikel 3.1 lid 3 Wnb) • het opzettelijk storen van vogels indien dit van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende soort (artikel 3.1 lid 4 en 5 Wnb) • het verkopen, vervoeren voor verkoop, onder zich hebben voor verkoop of ten verkoop aanbieden van (gemakkelijk herkenbare delen of producten van) dode of levende vogels (artikel 3.2 lid 1 Wnb) • het, anders dan voor verkoop, houden en vervoeren van (gemakkelijk herkenbare delen of producten van) dode of levende vogels (artikel 3.2 lid 6 Wnb) • het, voor zover bij of krachtens de Wnb toegestaan, vangen of doden van vogels met – kort gezegd – verboden middelen en het achtervolgen met behulp van in de Vogelrichtlijn genoemde vervoermiddelen overeenkomstig

de in de Vogelrichtlijn omschreven wijze (artikel 3.4 lid 1 Wnb). Het beschermingsregime gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. Dit betekent dat de genoemde schadelijke handelingen verboden zijn, tenzij het bevoegd gezag een afwijking van het verbod toestaat. Die toestemming kan worden verleend door middel van een ontheffing of vrijstelling. Criteria voor ontheffing of vrijstelling Gedeputeerde staten (‘GS’) kunnen van vrijwel alle hierboven omschreven verboden ontheffing verlenen. Provinciale staten (‘PS’) kunnen daarnaast bij verordening vrijstelling verlenen van deze verboden. Voor een paar specifieke verboden is de minister van Economische Zaken (de ‘minister’) het bevoegd gezag, namelijk de verboden die zien op de verkoop en het vervoer van vogels. Indien een afwijking van een verbodsbepaling wordt toegestaan, moet daarbij in ieder geval worden bepaald op welke soort de afwijking betrekking heeft, welke middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden zijn toegestaan en welke voorwaarden gelden ter beperking van de risico’s en met betrekking tot het tijdstip en de plaats van de handeling. Daarnaast moet voor de verlening van een ontheffing of vrijstelling aan een aantal cumulatieve criteria zijn voldaan.

Dit betekent dat er: • geen andere bevredigende oplossing mag bestaan, • de maatregelen niet mogen leiden tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort en • de ontheffing nodig is in verband met één van de volgende zes gronden: het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; ter bescherming van flora of fauna; voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten of voor de daarmee samenhangende teelt; of

Pagina 19 van 22

Quickscan natuurwetgeving Brempad e.o. te Geffen / AM19562

-

om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan.

Internationaal beschermde soorten Deze soorten worden in de praktijk vaak aangeduid als de ‘strikt beschermde soorten’, omdat voor deze soorten alleen onder strikte voorwaarden ontheffing van een verbodsbepaling kan worden verkregen. Bekende voorbeelden van habitatsoorten zijn de drijvende waterweegbree, de rugstreeppad en de zandhagedis. Verbodsbepalingen De belangrijkste verboden uit de Wnb zijn: • het opzettelijk doden of vangen van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 1 Wnb) • het opzettelijk verstoren van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 2 Wnb) • het opzettelijk vernielen en rapen van eieren van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 3 Wnb) • het beschadigen en vernielen van de voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 4 Wnb) • het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen en vernielen van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 5 Wnb) • het, anders dan voor verkoop, onder zich hebben of vervoeren van habitatsoorten (artikel 3.6 lid 2 Wnb). Criteria voor ontheffing of vrijstelling Gedeputeerde Staten kunnen van deze verboden ontheffing verlenen en Provinciale Staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van deze verboden (artikel 3.8 lid 2 en 3.9 lid 2 Wnb).

Er is een aantal (cumulatieve) criteria (opgesomd in artikel 3.8 lid 5 Wnb) om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen; deze worden slechts verleend indien: • er geen andere bevredigende oplossing bestaat (alternatieventoets); • er geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan; • de ontheffing of vrijstelling nodig is: in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten; of om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben,

onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben.

Pagina 20 van 22

Quickscan natuurwetgeving Brempad e.o. te Geffen / AM19562

Overige beschermde soorten Dit aanvullende beschermingsregime vloeit niet voort uit Europese wet- of regelgeving en beschermt alleen de in het wild levende diersoorten die worden genoemd in onderdeel A van de bijlage bij de Wnb. Voorbeelden zijn de hermelijn en de wezel (‘A-soorten’). Daarnaast worden vaatplanten beschermd van de soorten die worden genoemd in onderdeel B in de bijlage bij de Wnb, zoals de akkerboterbloem en de muurbloem (‘B-soorten’). Uit de wetsgeschiedenis is gebleken dat het nodig is om deze soorten bij wet aan te wijzen, omdat zij niet voldoende worden beschermd door enkel de zorgplicht. Het gaat daarbij in het bijzonder om soorten die in Nederland in hun voortbestaan worden bedreigd. Op de bijlagen zijn dan ook bijvoorbeeld de Rode Lijst-soorten aangewezen. Verboden handelingen Het is verboden op grond van artikel 3.10 lid 1 Wnb: (a) in het wild levende A-soorten opzettelijk te doden of te vangen; (b) de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de A-soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen en (c) B-soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

De onder (a) en (b) genoemde verboden zijn niet van toepassing op de bos-, huisspits- en veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende ervan of roerende zaken bevinden (artikel 3.10 lid 3 Wnb). Voor deze overige soorten gelden dus minder verboden dan voor de strikt beschermde soorten. Zo is bijvoorbeeld het (opzettelijk) verstoren van soorten niet verboden. Ruimere afwijkingsmogelijkheden Voor de overige soorten gelden bovendien ruimere afwijkingsmogelijkheden dan voor de strikt beschermde soorten. Artikel 3.8 Wnb (dat de afwijkingsmogelijkheden voor Habitatsoorten bepaalt) is grotendeels van overeenkomstige toepassing op de overige soorten.

Dit betekent dat een ontheffing of vrijstelling slechts wordt verleend indien: • er geen andere bevredigende oplossing bestaat (alternatieventoets); • er geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan; • de ontheffing of vrijstelling nodig is: in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten; of om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal

van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben.

Pagina 21 van 22

Quickscan natuurwetgeving Brempad e.o. te Geffen / AM19562

Anders dan voor Habitatsoorten, kan voor de overige soorten ook ontheffing of vrijstelling worden verleend als dit noodzakelijk is (artikel 3.8 lid 2): in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of ten behoeve van het algemeen belang. Overzicht verbodsbepalingen Wet natuurbescherming (Ministerie van Economische Zaken, 2016)

Pagina 22 van 22

Bestemmingsplan ’t Veld Geffen – 2022 Index bijlagen bijlagenboek

Bijlage 2:

QuickScan Wet natuurbescherming zuidelijk deel

broed

BURO SRO B.V. T.a.v. dhr. L. Arends Sweerts de Landasstraat 50 6814 DG Arnhem Datum

6 april 2021

Kenmerk

BE/2021/308/r

Uw kenmerk

Email d.d. 15 maart 2021

Auteur(s)

ing. M.A. Brinkbaumer

Collegiale toets

ing. G. Fairhurst

Quickscan Wet natuurbescherming Geffen Zuidoost Tussen de Veldstraat en Heesterseweg te Geffen is een maisakker en paardenweide gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens op de planlocatie woningbouw te realiseren. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ontwikkeling en dient derhalve te worden gewijzigd van ‘agrarisch’ naar ‘wonen’. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. In 2020 is door Aeres Milieu B.V. reeds een deel van het plangebied ecologisch onderzocht. Middels voorliggend ecologisch oriënterend onderzoek is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van de overige delen van de planlocatie voor deze soorten en overige natuurwaarde in kaart gebracht. Buro SRO B.V. begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie B.V. verzocht de overige delen van de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en deze vervolgens te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden en het geldende bestemmingsplan.

Onderzoeksdoelen Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art. 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Brabant? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming te worden genomen, en zo ja, welke?

Planlocatie De planlocatie is gelegen tussen de Veldstraat en Heesterseweg te Geffen (figuur 1). Het betreft een paardenweide en agrarische maisakker met een aantal spillen en een oude zomereik. Langs de grenzen van de percelen lopen drooggevallen afwateringssloten en in de paardenweide staat een kleine overkapping. In figuur 2 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door landelijk gebied en ligt ten zuidoosten van Geffen. Op circa 1 km ten zuidoosten ligt de A59, op 1 km ten noordwesten loopt het spoor en op circa 1,4 km ten oosten ligt de Geffense Plas.

2

Figuur 1

De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan tussen de Veldstraat en Heesterseweg te Geffen (bron kaartmateriaal: arcgis.com).

Figuur 2

Fotografische indruk van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.

Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. In 2020 is een deel van de planlocatie onderzocht door Aeres Milieu B.V. Hieruit bleek dat de sanering van enkele opstallen en de beoogde ontwikkeling mogelijk leidt tot negatieve effecten op marterachtigen en gebouwbewonende vleermuizen. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van een woonwijk met als functie ‘woon en woon-werk’. Hierbij worden tevens enkele bomen gekapt. De exacte inpassing van het gebied is vooralsnog onbekend. De functie van het perceel dient te wijzigen van ‘agrarisch’ naar ‘wonen’. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • • • • •

saneren van bebouwing (onderzocht in 2020): algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; kappen van bomen: kapwerkzaamheden en afvoer hout; verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.

Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 23 maart 2021 en is uitgevoerd door ing. G. Fairhurst. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 7/8 bewolkt, 10 Celsius en windkracht 2 (Bft). Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.

Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998, vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. (a) Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht.

3

Van de verboden als bedoeld in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten. In de Omgevingsverordening Provincie Noord-Brabant is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Noord-Brabant. Aardmuis Gewone pad Ree Bastaardkikker

Haas

Rosse woelmuis

Bosmuis

Huisspitsmuis

Tweekleurige bosspitsmuis

Bruine kikker Dwergmuis Dwergspitsmuis

Kleine watersalamander Konijn Meerkikker

Egel Gewone bosspitsmuis

Ondergrondse woelmuis

Veldmuis Vos Wildzwijn Woelrat

(b) Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden en het Natuurnetwerk Brabant. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Natura-2000 gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn. Provinciaals beleid Binnen het Natuurnetwerk Brabant geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Brabant geldt dat externe werking als trillingen, geluid, licht, schaduwwerking en betreding kunnen leiden tot negatieve effecten. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden die onder provinciaals beleid valt dient tevens een vergunning voorhanden te zijn.

(c) Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare

per beplantingseenheid,

4

zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.

Beoordeling (a) soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘Andere soorten’) geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is. Vaatplanten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde vaatplanten niet bekend (NDFF 2011-2021). Gedurende het veldbezoek zijn geen beschermde planten en/of sporen hiervan aangetroffen. De planlocatie betreft een agrarisch grasperceel met enkele bomen en afwateringsgreppels. Wegens de functie als paardenweide en maisakker is er sprake van een vrij voedselrijke en verstoorde grond. Derhalve is er geen sprake van functionele groeiplaatsen van beschermde vaatplanten. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante vaatplanten zonder beschermde status.

Enkele waargenomen soorten betreffen: Engels raaigras, ereprijs, kluwenhoornbloem, postelein, paarse dovenetel, speenkruid, vogelmuur en witte dovenetel. Op en rondom de planlocatie staan enkele bomen en struiken, namelijk: gewone vlier, hazelaar, schietwilg en zomereik. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond of stikstofarme blauwe graslanden. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten derhalve kunnen worden uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: bunzing, das, egel, haas, hermelijn, konijn, mol, ree, rode eekhoorn, steenmarter en vos (NDFF 2011-2021). Voor de bunzing, das, hermelijn, rode eekhoorn en steenmarter geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren.

Kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) hebben een voorkeur voor een kleinschalig landschap met voldoende dekking en schuilgelegenheid. De hermelijn en in mindere mate de bunzing prefereren daarnaast waterrijke gebieden. De bunzing en wezel worden ook wel in bebouwde omgevingen met voldoende groen aangetroffen, de hermelijn vermijdt bebouwing (Zoogdiervereniging handleiding kleine marters, 2017). Langs de randen van de planlocatie loopt een afwateringsgreppel en op verschillende plaatsen is sprake van takkenrillen of strohopen. Deze greppel kan mogelijk de dekking bieden bij het verplaatsen over het landschap en de overige structuren kunnen mogelijk dienen als verblijfplaats (figuur 3).

5

Figuur 3

Aanwezige takkenril waarin kleine marterachtigen mogelijk verblijfplaatsen kunnen vinden.

Aangezien bij het eerder onderzochte deel van de planlocatie reeds onderzoek naar marterachtigen uitgevoerd dient te worden, wordt geadviseerd deze planlocatie bij dit onderzoek te betrekken (zie Vervolgstappen). De das leeft in gebieden die bestaan uit een combinatie van diverse habitattypen. Vaak zijn dit zowel hooggelegen als laaggelegen gronden die op korte afstand van elkaar liggen, in meestal kleinschalige akker- en weidelandschappen met voldoende bosjes, houtwallen, singels en heggen. Ondanks dat de planlocatie bestaat uit akker- en weidelandschap is er geen sprake van hoog- en laaggelegen gronden en is er onvoldoende sprake van aaneengesloten bosjes en houtwallen, welke in dekking voorzien. Verder zijn de alle waarnemingen gedaan zuidelijk van de A59 op een minimale afstand van 1 km van de planlocatie. Daarnaast zijn er geen sporen aangetroffen als dassenpijpen, wissels, latrines met uitwerpselen en neusputjes. Derhalve is uitgesloten dat de planlocatie onderdeel uitmaakt van essentieel leefgebied van de das. Negatieve effecten ten aanzien van de das in het kader van de beoogde ontwikkeling zijn derhalve uitgesloten. De rode eekhoorn komt uitsluitend voor in bossen of bosrijke omgevingen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=6b58fdf1-5312-4bc6-9ae7-a176b3953725