CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2A Toelichting - bijlage 17 Oude Molenweg 5 Herpen

Gemeenteraad 12 december 2024, gemeente OssBij agendapunt: A Herstelbesluit vaststelling bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’32.873 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Ruimtelijke onderbouwing Oude Molenweg 5, Herpen, pag. 24 van 47 4 september 2017

3.4.2 Toekomstvisie Oss op weg naar 2020 De toekomstvisie ‘Oss op weg naar 2020’ (2004) is richtinggevend voor de beleidsontwikkeling op de langere termijn. Eén van de potenties van Oss ligt volgens deze visie in het gevarieerde landelijk gebied waarin zich tal van kleine kernen bevinden. Uitgangspunt is het werken aan het behoud van het platteland met zijn rust en ruimte, aantrekkelijke kleinschalige toeristische voorzieningen en aan de ontplooiing van levenskrachtige dorpen. Een andere potentie ligt in het werken aan een duurzame gemeente. Duurzame ontwikkeling van natuur, landschap en ecologie draagt bij aan de leefkwaliteit. De toekomstvisie stelt dat Oss vele ‘kostbare’ plekjes kent en een groots landschap, met ruimte voor landbouw en natuur. ‘Het bewaren van dat kostbare voor de toekomst is een opdracht die we onszelf stellen’. Initiatief Een van de thema’s in de toekomstvisie is werken. Niet alleen de stad Oss kent de nodige bedrijvigheid, ook in de dorpen is volop activiteit. Vaak gaat het dan om kleinschalige bedrijvigheid of om werken aan huis. Ook in de dorpen is het van groot belang om economische activiteit in de eigen kern te houden. Bedrijven zorgen voor activiteit, levendigheid en ondersteunen het sociale leven in de kern. Het is belangrijk om de ontwikkeling te laten aansluiten bij de schaal van het dorp.

Grootschalige bedrijven horen thuis in de stad Oss, op de daarvoor bestemde bedrijventerreinen. Kleinschalige bedrijvigheid willen we in de dorpen stimuleren door met (potentiële) ondernemers mee te denken en mogelijkheden te zoeken. Zeker als het gaat om bedrijvigheid die ook het voorzieningenniveau in de kern ten goede komt (winkels en diensten) stimuleren wij deze zo veel mogelijk. 3.4.3 Nota Landschapsbeleid - 2015 Binnen de gemeente Oss bestaat grote aandacht voor het landschap en het landelijke gebied. De Nota Landschapsbeleid -2015 zorgt voor een beleidskader welke een sturende werking heeft bij ruimtelijke ontwikkeling in het buitengebied. Ruimtelijke ingrepen en nieuwe functies in het buitengebied hebben een grote uitstraling naar de omgeving. Dit betekent dat bij deze ingrepen (bijvoorbeeld de bouw van agrarische bedrijfsgebouwen) eisen aan de landschappelijke inpassing van objecten moeten worden gesteld. De gemeente wordt verder geconfronteerd met de aanleg (of juist verwijdering) van (landschaps)elementen door particulieren op agrarische percelen in het buitengebied. Dergelijke initiatieven komen vaak niet overeen met de ter plaatse aanwezige en te behouden landschappelijke kwaliteit (bijvoorbeeld behoud van openheid of gebruik van niet-inheemse boomsoorten).

Goede toetsingskaders en sturingsinstrumenten zijn voor bescherming maar ook voor ontwikkeling van het landschap onmisbaar. In de Nota Landschapsbeleid - 2015 wordt per deelgebied beschreven wat de landschappelijke visie is. De verschillende deelgebieden zijn: - Uiterwaarden - Oeverwal - Komgebied - Dekzandrand - Dekzandrug Per deelgebied wordt aangegeven wat de ontwikkelingsvisie is. Daarbij worden aandachtspunten voor uitwerking en uitvoering geschetst. Initiatief De planlocatie is gelegen aan de rand van het deelgebied Dekzandrand. De dekzandrand is een overgangszone van het lagergelegen kleigebied naar de hoger gelegen dekzandrug. De dekzandgebieden zijn van oudsher de meest geschikte bewoningsplaatsen. De dekzandranden kenmerken zich van oorsprong door een kleinschalige opbouw, met een half-open tot besloten karakter en met nabij de kernen een onregelmatig verkavelingspatroon. Het contrast tussen de historisch gegroeide patronen van de oude verbindingswegen en rafelige dorpsranden en de rationele lineaire elementen van de grootschalige ontginningen geven dit gebied een eigen ruimtelijke karakteristiek.

Ruimtelijke onderbouwing Oude Molenweg 5, Herpen, pag. 25 van 47 4 september 2017

Ontwikkelingsvisie De gebieden op de dekzandrand kunnen een transformatie aan. Verandering van het landschap is hier mogelijk. Op de dekzandrand kan een afwisselend en groen beeld worden gerealiseerd. Zo kan het kleinschalige en halfopen (tot besloten) karakter weer worden teruggebracht. Het terugbrengen van de kleinschaligheid kan plaatsvinden door de aanplant van opgaand groen. Voor het verkavelingspatroon in deze overgangszone geldt dat gestreefd moet worden om bij de kernen en clusters de onregelmatige blokverkaveling te behouden en versterken. Als hier een afwisselend, kleinschalig landschap ontstaat, dan kan dit gebied zeer aantrekkelijk worden voor de recreant. De dekzandrand is een aantrekkelijk uitloopgebied voor de bewoners van de kernen. Nieuwe functies kunnen bijdragen aan de gewenste landschappelijke verbeteringen. De slagenverkaveling met kavelrandbeplanting kan hierbij prima dienen als casco. Erfinrichting De inrichting van een (agrarisch) bouwperceel bestaat veelal uit een bedrijfswoning, een aantal bedrijfsgebouwen en een erf. De bebouwing en de nokrichting ligt in de verkavelingsrichting van het landschap of eventueel loodrecht daarop. De vaak langgerekte verkaveling die hier door de nattere omstandigheden tot stand is gekomen vraagt om een zorgvuldige plaatsing van toekomstige bebouwing en de situering van beplanting.

Beplanting moet geplaatst worden in de lengterichting, met de richting van de verkaveling mee. Te gebruiken bomen in houtwallen en –singels zijn els, es, esdoorn en eik. Nabij het bos op de dekzandrug wordt veel eik toegepast. De toepassing van elzensingels is op de nattere gronden voor de hand liggend. Overeenkomstig het hiervoor gestelde zal het toekomstig bouwperceel bestaan uit een bedrijfswoning met erf aan de voorzijde, met daarachter de bedrijfsgebouwen. De nokrichting van de bestaande gebouwen ligt loodrecht op de verkavelingsrichting. De nokrichting van de woning sluit hier op aan en ligt tegelijk in de verkavelingsrichting. De woning ligt op een zodanige afstand tot de weg dat de kruin van de bestaande boom in de berm niet in het geding is. Zie hiervoor verder de situatietekening in bijlage 1. Hierop staat ook de te realiseren beplanting, aan de achterzijde bestaande uit de aanplant van struweel en 3 zomereiken. Concluderend kan gesteld worden dat met de erfinrichting en landschappelijke inpassing, voldaan wordt aan het gestelde in de nota. 3.4.4 Archeologie en Cultuurhistorie Archeologie: wettelijk kader De gemeente is op basis van artikel 38a van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) verplicht om rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten.

Archeologie: gemeentelijk en provinciaal beleid Beleidsmatig heeft de gemeente Oss voornoemde wettelijke plicht vertaald in de nota ‘Archeologiebeleid gemeente Oss 2010’, vastgesteld door de gemeenteraad op 14 oktober 2010. Voor wat betreft het grondgebied van de voormalige gemeente Lith, is er nog geen vastgesteld archeologiebeleid maar wel een conceptversie die bruikbaar is als onderbouwing in bestemmingsplantoelichtingen. In de beleidsnota is het grondgebied van de gemeente onderverdeeld in gebieden met verschillende (archeologische) verwachtingswaarden. Er kan sprake zijn van een hoge, een middelhoge of een lage verwachtingswaarde. In het beleid is vastgelegd welke acties moeten worden ondernomen bij voorgenomen ontwikkelingen/werkzaamheden. Een en ander is afhankelijk van de gebiedscategorie (laag, middelhoog, hoog: zie verderop) waarin de voorgenomen ontwikkeling is gelegen. Zo moet in gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde onderzoek uitgevoerd worden indien de oppervlakte van de ontwikkeling 18 m² of meer bedraagt en de bodem dieper dan 30 cm geroerd wordt. In gebied met een middelhoge verwachtingswaarde is het criterium een oppervlakte van 1000 m² of meer en dieper dan 30 cm roering. Voor bepaalde ook anderszins waardevolle gebieden, zoals historische stadskernen en beschermde stadsgezichten, gelden weer andere criteria.

Het verdient aanbeveling om aan de ‘voorkant’, dat wil zeggen voordat de ruimtelijke onderbouwing of plantoelichting wordt opgesteld, onderzoek te doen. Afhankelijk van de verwachtingswaarde van het gebied waarin de ontwikkeling is voorgenomen, kan dat een bureauonderzoek, een booronderzoek, een proefsleuvenonderzoek of een daadwerkelijk opgravingsonderzoek zijn. In geval van onderzoek vooraf is wellicht, uiteraard afhankelijk

Ruimtelijke onderbouwing Oude Molenweg 5, Herpen, pag. 26 van 47 4 september 2017

van de uitkomst daarvan, geen bescherming nodig door het opnemen van een zogenaamde dubbelbestemming in de planregels. Daarover hieronder meer. Indien vooraf geen onderzoek is gedaan is het in elk geval noodzakelijk dat de archeologische (verwachtings)waarde beschermd wordt door borging in de planregels. Het provinciale archeologisch beleid is neergelegd in de Verordening ruimte en op de provinciale Cultuurhistorische waardenkaart 2010. Hierin is de bescherming van aardkundig waardevolle gebieden en archeologische landschappen geregeld. Het gemeentelijk archeologisch beleid is veel gedetailleerder dan het algemene provinciale beleid op dit punt en prevaleert daarom ook boven het provinciale archeologisch beleid. Overigens is het gemeentelijk beleid getoetst door de provincie en akkoord bevonden. Archeologie: bestemmingsplanregels en regels in provinciale Verordening ruimte Zoals hierboven ook al kort aangestipt vertaalt de gemeente Oss de wet (Wamz) en het archeologisch beleid ook door in standaard bestemmingsplanregels. Zo heeft de gemeente bestemmingsplanregels (dubbelbestemmingen: dat wil zeggen dat deze naast de hoofdbestemming gelden) voor bescherming van historische kernen, beschermde monumenten, monumenten en voor gebieden met een middelhoge of hoge archeologische verwachtingswaarde.

Met deze regels kan, ter bescherming van archeologische waarden, worden bepaald wanneer er een omgevingsvergunning voor bepaalde werkzaamheden nodig is, wanneer dat niet het geval is en onder welke omstandigheden en met welke nadere eisen en voorwaarden een omgevingsvergunning kan worden verleend. Ook de provinciale Verordening ruimte bevat regels ter bescherming van aardkundig waardevolle gebieden en archeologische landschappen. Bescherming van deze laatste categorie geschiedt doordat de ‘vlakken’ met aanduiding archeologisch landschap overeenkomen met de aanduiding aardkundig waardevolle gebieden in de Verordening ruimte. Cultuurhistorie In 2004 heeft de gemeente het ‘Erfgoedplan gemeente Oss’ opgesteld. In dit Erfgoedplan wordt zo goed mogelijk in beeld gebracht welke monumentale, archeologische, cultuurhistorische en landschappelijke waarden de gemeente kent. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met de aanwezige cultuurhistorische waarden. Een belangrijk aspect in dit beleid is een integrale aanpak van het erfgoed in de gemeente. Hieronder vallen monumentenzorg, archeologie en cultuurhistorische waarden in het landschap. Dat wil zeggen, het behoud en beheer van het monumentale gebouw of object blijft alle aandacht en zorg houden, maar de methoden om dit behoud te garanderen zijn in een groter verband geplaatst.

Om deze reden is sprake van een ontwikkeling van zorg voor gebouwen naar integraal beheer van cultuurhistorisch erfgoed. De zorg en zorgvuldige omgang met archeologische en landschappelijke waarden speelt hierin mee. Door deze gewijzigde benadering is het van belang in een vroeg stadium van stadsontwikkeling of gebiedsverandering de positie van monumenten en van archeologische en cultuurhistorische landschappelijke waarden zo optimaal mogelijk te bepalen. Positief gevolg hiervan is dat monumenten, archeologische gegevens en landschap meewegen en zo mogelijk het uitgangspunt gaan vormen voor ruimtelijke ontwikkelingen. De bescherming van rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten is geregeld in de Monumentenwet 1988 en in de Monumentenverordening Oss die in 2010 is vastgesteld. In de verordening zijn verbodsbepalingen met betrekking tot beschermde monumenten opgenomen. De beschermde monumenten staan vermeld in de gemeentelijke monumentenlijst. De monumenten zijn tevens opgenomen in de Welstandsnota gemeente Oss. Ze vallen als specifieke objecten onder welstandsniveau 1. De bescherming van monumenten vindt aldus via twee sporen plaats. Voor het bouwen op, bij, aan of in een monument is altijd een omgevingsvergunning nodig. De welstandstoetsing maakt deel uit van de omgevingsvergunningsprocedure.

Wanneer een te verbouwen bouwwerk onder de werking valt van de Monumentenwet 1988 of van een gemeentelijke verordening is, naast een omgevingsvergunning voor het bouwen tevens een ‘monumentenvergunning’ nodig. Beide toetsen verschillen inhoudelijk. De ‘monumentale’ toetsing vindt plaats aan de hand van de redengevende beschrijving die ten grondslag heeft gelegen aan de aanwijzing tot monument. De wijziging aan het bouwwerk wordt beoordeeld binnen het kader van de monumentale en historische waarde ervan zoals vastgelegd in de beschrijving. In de welstandstoetsing wordt het te wijzigen bouwwerk beoordeeld naar redelijke eisen van welstand van het bouwwerk op zichzelf (aan de hand van de in de welstandsnota vastgelegde welstandscriteria) en in relatie tot zijn omgeving. Met betrekking tot dat laatste aspect is in de welstandsnota geregeld dat bij

Ruimtelijke onderbouwing Oude Molenweg 5, Herpen, pag. 27 van 47 4 september 2017

toetsing van een bouwplan aan omliggende panden, binnen een straal van 25 meter van een monument rekening dient te worden gehouden met de uitstraling van het monument. De bescherming van gemeentelijke stads- of dorpsgezichten is eveneens geregeld in de Monumentenverordening 2010. Hierin is opgenomen dat de gemeenteraad ter bescherming van een beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht een bestemmingsplan vaststelt. Initiatief Archeologie Op de archeologische beleidsadvieskaart is de planlocatie gelegen in de archeologische verwachting hoog. Doelstelling is hier behoud in huidige staat van eventuele resten. Voorwaarde is bij projectgebieden 2 groter dan 100 m geen bodemingrepen dieper dan 30 cm onder het maaiveld. Onderhavige planlocatie 2 is groter dan genoemde 100 m , en er zullen na de verlening van een omgevingsvergunning voor de 2 bouw van de woning en loods bodemingrepen plaatsvinden met een oppervlak groter dan 100 m . Of deze ook dieper zullen gaan dan 30 cm, moet dan blijken. In dat geval zal op dat moment een archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Een archeologisch onderzoek is in het kader van onderhavige ruimtelijke procedure niet benodigd. In het bestemmingsplan zal ter bescherming van de archeologische waarde de dubbelbestemming ‘Waarde – archeologie’ opgenomen blijven.

Uittreksel archeologische beleidsadvieskaart

Cultuurhistorie Op de locatie is geen cultuurhistorische bebouwing aanwezig.

3.4.5 Verkeer Mobiliteitsvisie, Balans in beweging In de mobiliteitsvisie (2009) staan drie begrippen centraal; bereikbaarheid, verkeersveiligheid en leefbaarheid. Het centrale doel van de mobiliteitsvisie is het in balans brengen van de bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid in de gemeente, nu en in de toekomst. Om deze balans te bereiken streeft de

Ruimtelijke onderbouwing Oude Molenweg 5, Herpen, pag. 28 van 47 4 september 2017

gemeente naar een verschuiving in het gebruik van vervoerswijzen. Een groter deel van de verplaatsingen moet plaats gaan vinden met de fiets of met het openbaar vervoer. Dit is nodig om Oss bereikbaar en leefbaar te houden. Oss wil de verschuiving bereiken door het gebruik van fiets en openbaar vervoer te stimuleren. Deze vervoerswijzen moeten veilig en comfortabel zijn en men moet snel op de plaats van bestemming kunnen komen. De goede bereikbaarheid is met name gericht op de economisch belangrijke gebieden van Oss. De bedrijventerreinen vallen hieronder. De doorstroming op de wegen naar de bedrijventerreinen (i.c. N329) moet optimaal zijn. Hoewel de bereikbaarheid van de economisch belangrijke gebieden voor alle vervoerswijzen goed moet zijn, streeft de gemeente wel naar een verschuiving van vervoerswijze. Korte verplaatsingen moeten bij voorkeur per fiets of te voet afgelegd worden en niet per auto. Voor het vervoer van goederen zal het gebruik van water en spoor verder gestimuleerd worden. In de uitwerkingsfase zullen de doelstellingen uit de visie langs drie lijnen worden uitgewerkt: infrastructuur, gedrag en organisatie. Er heeft inmiddels een uitwerking plaatsgevonden in de deelplannen Wegen, Fiets, Openbaar Vervoer en Gedrag. Categorisering Het volgende overzicht geeft inzicht in de categorisering met bijbehorende intensiteiten conform het mobiliteitsplan gemeente Oss.

Wegvak Oude Molenweg

Categorisering ETW type 2, 30 km/uur

Intensiteit categorisering i < 4.000

Kencijfers Ten aanzien van de verkeersgenererende werking kunnen voor de functie hoofdgroep “wonen, werken en voorzieningen” kencijfers worden gevonden in CROW-publicatie 317 (oktober 2012). Voor het bepalen van de parkeerbehoefte wordt gebruik gemaakt van de Nota Parkeernormen Oss (A). Voor het bepalen van eventuele compenserende parkeercapaciteit op eigen terrein wordt gebruik gemaakt van Oss Parkeernormen Nota (2006). Verkeersgeneratie Op basis van de planindeling, de functietypes en de kencijfers vanuit CROW-publicatie 317 (oktober 2012) wordt de verkeersgenererende werking bepaald. De voorgestane uitbreidingen hebben een te verwachten verkeersgenererende werking van in totaal 34 mvt/gem. weekdag. Vanuit het verkeersmodel gemeente Oss (basisjaar 2015) is op de Oude Molenweg een intensiteit voorzien van 200 mvt/gem. weekdag. Dit maakt dat de nieuwe totale verwachte verkeersintensiteit op de Oude Molenweg komt op 238 mvt/gem. weekdag. Hoewel het om een procentuele toename gaat van ca. 19% blijft de totale te verwachten intensiteit ruim binnen de bij de wegencategorisering van de Oude Molenweg behorende intensiteit van 4.000 mvt/gem. werkdag. Parkeren De laatst vastgestelde nota voor de parkeernormen is “Oss Parkeernormen nota (2006)”. In 2016 heeft er ten aanzien van de parkeernormen een actualisatie plaatsgevonden.

De actualisatie is ambtelijk afgerond maar de actualisatie is nog niet bestuurlijk vastgesteld. Ambtelijk is afgesproken bij doorrekeningen de geactualiseerde normen te gebruiken. Deze normen zijn vastgelegd in “Nota Parkeernormen Oss (A)”. Deze nota is een afgeleide van de parkeernormen zoals deze zijn opgenomen in CROW-publicatie 317. Nota Parkeernormen Oss (A) Stedelijkheidsgraad: 5 Ligging: kernen Functie: woning (koop, vrijstaand) en loods (bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief) Binnen de Nota Parkeernormen Oss (A) zijn voor beide functies parkeernormen opgenomen. Voor de functie koop, vrijstaand is op basis van bovenstaande stedelijkheidsgraad en ligging een parkeernorm van 2,3 parkeerplaats per woning te herleiden. Voor de functie bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief is op basis van bovenstaande stedelijkheidsgraad en ligging een parkeernorm van 1,1 2 parkeerplaats per 100m bruto vloeroppervlak te herleiden. De locatie van de uitbreiding is en blijft voorzien van een garage met oprit met een diepte van tenminste 11m.

Ruimtelijke onderbouwing Oude Molenweg 5, Herpen, pag. 29 van 47 4 september 2017

Op basis van de Nota Parkeernormen Oss (A) bedraagt de parkeerbehoefte voor de woning van het type koop, vrijstaand in totaal 2 parkeerplaatsen. Voor de functie van de uitbreiding van de loods bedraagt de parkeerbehoefte 5 parkeerplaatsen. De totale parkeerbehoefte bedraagt daarmee 7 parkeerplaatsen. Parkeercapaciteit In totaal wordt in 5 parkeerplaatsen naast de inrit op eigen terrein voorzien. Conform Oss Parkeernota (2006) kan ten gevolge van de garage met oprit van tenminste 11 meter diep in (afgerond) 2 extra parkeerplaatsen op eigen terrein worden voorzien. De totale parkeercapaciteit op eigen terrein komt daarmee op 7. De parkeerbehoefte is daarmee gelijk aan de parkeercapaciteit. Verkeer: ontsluitingswegen De Oude Molenweg is geen knelpunt dan wel ontsluitingsweg. De weg is te typeren als een erftoegangsweg type II (Bibeko 30 km/h). De capaciteit voldoet. 3.4.6 Beleid aan huis gebonden activiteiten Op 22 november 2012 heeft de gemeenteraad het Beleid aan huis gebonden activiteiten - Actualisatie 2012 vastgesteld. Het beleid voor aan huis gebonden activiteiten is opgesteld om mogelijkheden te bieden aan ondernemen vanuit de eigen woning. Door de jaren heen zijn de activiteiten die aan huis worden ondernomen steeds meer divers geworden. Het gaat allang niet meer alleen om een huisarts of accountant aan huis. Er is een breed scala dat aan huis uitgeoefend kan worden.

Voorbeelden zijn een adviesbureau, pedicure of afslanksalon. Ook komen er steeds vaker vragen om kleinschalige cursussen te mogen geven, voor kleinschalige kinderopvang, ambachtelijke bedrijfjes of een bed en breakfast. Met het beleid wordt ingespeeld op de veranderende inzichten over aan huis gebonden activiteiten. Er wordt ruimte gegeven aan deze nieuwe vormen om vanuit de thuissituatie te werken. Het gaat dus altijd om een bewoner die de activiteit uitvoert. Een andere belangrijke voorwaarde is steeds dat de activiteit zich goed verhoudt met de woonomgeving. Het beleid aan huis gebonden activiteiten is er op gericht om zoveel mogelijk rechtstreeks toe te staan. Er is een lijst opgesteld met een breed scala aan activiteiten die rechtstreeks mogen worden uitgeoefend in de woning. Deze lijst is als bijlage opgenomen in de toelichting van het bestemmingsplan. Bij het opstellen van de lijst van rechtstreeks toegestane activiteiten is de woonomgeving het uitgangspunt geweest. Dit houdt in dat er geen bedrijven op staan die veel verkeer aantrekken of activiteiten die milieuhinder veroorzaken, die niet past in een woonomgeving. Het oppervlak van de 2 rechtstreeks toegestane activiteiten is 35m . Maar niet alle activiteiten kunnen rechtstreeks in een woning worden uitgevoerd. Soms is een toetsing vooraf nodig.

Als dit positief is, wordt toestemming verleend in de vorm van een ‘omgevingsvergunning waarbij van het bestemmingsplan wordt afgeweken’. Bij deze afweging spelen publieksaantrekkende werking en milieu- en verkeersaspecten altijd een rol. Voorbeelden van activiteiten waarbij een toetsing vooraf nodig is zijn: een groter oppervlak dan het 2 toegestane 35 m , andere activiteiten dan die in de lijst zijn opgenomen of groepsmatige activiteiten. In het nieuwe beleid worden de mogelijkheden voor dit afwijkend gebruik beschreven. Voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik moet de aanvrager een concrete aanvraag om toestemming bij de gemeente indienen. Initiatief Er is geen sprake van een aan huis gebonden activiteit.

Ruimtelijke onderbouwing Oude Molenweg 5, Herpen, pag. 30 van 47 4 september 2017

Hoofdstuk 4

Verantwoording

4.1 Milieu- en omgevingsaspecten In deze paragraaf wordt ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten die verband houden met, of betrekking hebben op de ruimtelijke ontwikkeling. Het gaat daarbij meestal om de wisselwerking met de omgeving. Welke gevolgen heeft het initiatief voor de omgeving en omwonenden? Maar ook, welke gevolgen hebben activiteiten in de omgeving voor de mogelijkheden op de projectlocatie? Achtereenvolgens komen de volgende aspecten aan bod: - Bedrijven en milieuzonering (§ 4.1.1) - Bodem (§ 4.1.2) - Externe veiligheid (§ 4.1.3) - Geurhinder: agrarisch (§ 4.2.4) - Geur: industrieel (§ 4.1.5) - Luchtkwaliteit (§ 4.1.6) - Mobiliteit en parkeren (§ 4.1.7) - Straling (§ 4.1.8) - Water (§ 4.1.9) - Weg-, spoor-, en industrielawaai (§ 4.1.10) 4.1.1 Bedrijven en milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten van bedrijven en gevoelige functies, zoals woningen. Het doel van milieuzonering is om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast kan milieuzonering bedrijven voldoende zekerheid bieden om hun activiteiten duurzaam uitvoeren. De handreiking Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft richtafstanden om de milieuzonering van bedrijven te kunnen bepalen.

Initiatief In de directe omgeving is slechts één bedrijf gelegen op de naastgelegen locatie Oude Molenweg 7. Hier wordt een autodiagnosecentrum gevestigd. Dit wordt eveneens meegenomen in de herziening van het bestemmingsplan. Een autodiagnosecentrum is op basis van de VNG-brochure ‘bedrijfs- en milieuzonering’ te scharen onder de categorie ‘handel in auto’s en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven’. Voor deze categorie geldt een grootste richtafstand ten opzichte van omliggende milieugevoelige functie (woningen) van 30 meter. In praktijk zullen ter plaatse nauwelijks herstelwerkzaamheden plaatsvinden, waardoor de milieuhinder voor de omgeving nog minder zal zijn. Mede gelet op de ligging in een gemengd gebied kan daarom voor de richtafstand een categorie lager oftewel 10 meter worden aangehouden. De woning wordt gesitueerd op 11,7 meter van de perceelgrens, waarmee voldaan wordt aan de richtafstand. De afstand tot de bedrijfsloods is met circa 50 meter feitelijk nog groter. De activiteiten van onderhavig bedrijf betreffen opslagactiviteiten. Opslaggebouwen behoren tot categorie 2 bedrijven en hebben een grootste richtafstand ten opzichte van omliggende milieugevoelige functie (woningen) voor het aspect geluid van 30 meter. Gelet op de ligging in een gemengd gebied kan voor deze richtafstand een categorie lager oftewel 10 meter worden aangehouden.

De loods komt op minimaal 5 meter van de perceelgrens. Verder wordt dit deel van de loods specifiek enkel voor opslag benut. Daarmee wordt geborgd dat in deze loods geen geluidproducerende activiteiten plaats vinden anders dan intern transport. Ook zal deze opslagloods aan de achter- en zijzijden voorzien worden van sandwichpanelen of een spouwmuurconstructie zonder te openen delen. Met de realisatie van deze loods zal er geen buitenopslag (meer) plaats vinden. Alles gebeurd in de toekomstige situatie inpandig. Dit heeft een sterkere geluidsreductie tot gevolg. Gelet op het geheel aan maatregelen en afstanden mag aangenomen worden dat ter plaatse van omliggende (nog te realiseren) gevoelige functies sprake zal van een acceptabel woon- en leefklimaat.

Ruimtelijke onderbouwing Oude Molenweg 5, Herpen, pag. 31 van 47 4 september 2017

4.1.2 Bodem Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht, moet in planvorming rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. In de Bouwverordening van de gemeente Oss is geregeld dat onder bepaalde omstandigheden het oprichten van gebouwen pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij iedere nieuwbouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld. Initiatief Voor de ruimtelijke procedure is een bodemonderzoek volgens de NEN5725 uitgevoerd, zie de bijlagen. Hierin zijn geen bezwaren naar voren gekomen voor onderhavige ontwikkeling. Voor de omgevingsvergunning bouwen voor de woning zal wel een bodemonderzoek volgens de NEN5740 moeten worden uitgevoerd. Er is hier namelijk sprake van de realisatie van een voor de mens gevoelige bestemming. Het bodembeleid van de gemeente Oss volgt wat dat aangaande nog steeds de landelijke richtlijnen. Op dit moment wordt wel gewerkt aan een gemeentelijk bodembeleid met de intentie om voor dergelijke aanvragen te volstaan met een historische bodemtoets. Voor de bouw van de nieuwe (opslag)loods is, aangezien daar geen kantoor o.i.d. in wordt gerealiseerd, geen bodemonderzoek noodzakelijk.

Voor het initiatief geldt verder dat er geen vermoeden bestaat voor wat betreft de aanwezigheid van niet gesprongen explosieven. 4.1.3

Externe veiligheid

Rijkskader Externe veiligheid behandelt de risico's die ontstaan als gevolg van opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico’s kunnen hun weerslag hebben op de omgeving. Het wettelijke kader voor externe veiligheid bestaat onder meer uit: - het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) - het Besluit externe veiligheid transportassen. - het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Enerzijds gaat het over de risicobronnen (bedrijven of transportroutes). Anderzijds gaat het over de risicoontvangers (omstanders die niets met de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen te maken hebben). Wat betreft de risico-ontvangers maakt de wetgeving onderscheid in kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbare objecten zijn gebouwen, waarin (of waarbij) groepen van circa 50 personen of groter, gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. Ook sommige gebouwen waarin/waarbij kleinere groepen verblijven, worden als kwetsbaar object gezien, wanneer die personen beperkt zelfredzaam zijn (zoals zieken, bejaarden of gehandicapten). Beperkt kwetsbare objecten zijn verspreid liggende woningen en bedrijven waarin/waarbij groepen van minder dan 50 personen gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. In de landelijke wetgeving wordt meer gedetailleerd beschreven wat er onder kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten wordt verstaan.

Belangrijk is hierbij dat de opsomming in de wetgeving niet limitatief is, zodat er in de verdere uitwerking van het beleid nog enige vrijheid rest. Verder maakt de wetgever onderscheid tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald

Ruimtelijke onderbouwing Oude Molenweg 5, Herpen, pag. 32 van 47 4 september 2017

binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Gemeentelijk kader Ook in de gemeente Oss zijn risicobronnen aanwezig in de vorm van transportassen en stationaire activiteiten. Dit vraagt om een gemeentelijke visie. Op 19 mei 2011 heeft de gemeenteraad de Beleidsvisie Externe veiligheid vastgesteld. Deze beleidsvisie beschrijft op welke manier de gemeente Oss externe veiligheid in haar afwegingen betrekt. Initiatief Er is gekeken op de risicokaart van Nederland of in de omgeving van het op te richten beperkt kwetsbare object op de planlocatie, sprake is van risicovolle inrichtingen (bijv. lpg-stations), vervoer van gevaarlijke stoffen (per weg, water, rails of lucht) en (transport) leidingen (bijv. aardgas en elektriciteit) aanwezig zijn. Blijkens de volgende figuur zijn in de directe omgeving geen risicovolle inrichtingen gelegen. Op een afstand van circa 640 meter is de Rijksweg A50 gelegen waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaats vindt. Er is verder geen leiding met transport van gevaarlijke stoffen in de omgeving gelegen.

Uitsnede risicokaart omgeving planlocatie (zwart omcirkeld)

In de gemeentelijke beleidsvisie is voor de spoor- en rijkswegen een zone-indeling weergegeven waarin eisen zijn gesteld aan de omgeving. Onderhavige locatie is gelegen in zone IV > 300 meter. Door het volgen van de zonering wordt door middel van ruimtelijke scheiding tussen risicobron en ontvangers en het optimaliseren van de beheersbaarheid in het ruimtelijke plan bewerkstelligd, dat externe veiligheid op een juiste wijze is geborgd. Verantwoording Ontwikkeling groepsrisico Indien een ruimtelijk plan tot toename van de personendichtheid leidt, betekent dit dat: • vanwege de afstand tot de plaats van het mogelijke incident, • de aard van incident (blootstelling aan toxisch gas), het groepsrisico niet significant zal toenemen.

Ruimtelijke onderbouwing Oude Molenweg 5, Herpen, pag. 33 van 47 4 september 2017

Mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is geen item. • Toename van de personendichtheid heeft geen significant effect op het groepsrisico. • De kans op overlijden door een incident met gevaarlijke stoffen is hier bijzonder klein. Hier is de kans op overlijden van een persoon ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen vele malen kleiner dan één op één miljoen. De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Voor deze gebieden speelt het bestrijdbaarheidsvraagstuk niet. De bestrijding vindt plaats bij de bron, op afstand van deze gebieden. Ten aanzien van de algemene mogelijkheden van de bestrijdbaarheid wordt verwezen naar het door de regionale brandweer/de Veiligheidsregio opgestelde 'risicoprofiel'. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario is, biedt ‘schuilen’ de beste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Bij bestaande bouwwerken worden geen aanvullende maatregelen getroffen om mogelijke indringing van toxisch gas te verminderen.

Aanpassing van bijvoorbeeld oude woningen op dit punt is ingrijpend en kostbaar. Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas. Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelinginstallatie, waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen. Van belang is dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS29 als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding. De zone III gebieden in de bebouwde kom van Oss vallen geheel binnen het dekkingsgebied van het WAS. Voor de Veiligheidsregio is er geen reden voor een advies omdat de ontwikkeling geen nadelige gevolgen heeft t.a.v. de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid in en om het plangebied.

Anderzijds is gekeken naar de invloed van de huidige en toekomstige activiteiten op onderhavige locatie en de invloed daarvan op de omgeving. Gesteld kan worden dat voor de toekomstige activiteiten geen risicocontour benodigd is. Het gaat enkel om een loods bedoeld voor opslag. In het kader van externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor onderhavig initiatief. 4.1.4

Geurhinder: agrarisch

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is het beoordelingskader voor geur bij milieuvergunningen, bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Het gaat uitdrukkelijk om agrarische geur van landbouwhuisdieren uit dierstallen. De wet maakt onderscheid tussen geurnormen voor intensieve en extensieve veehouderijen. De geurbelasting van intensieve veehouderijen wordt berekend en uitgedrukt in de vorm van een geurcontour. De geurbelasting van extensieve veehouderijen wordt uitgedrukt in vaste afstanden. De gemeente Oss heeft op basis van de wet een eigen geurbeleid opgesteld. Het geurbeleid bestaat uit twee delen: de “Geurgebiedsvisie 2013” en de “Agrarische geurverordening gemeente Oss 2013”. Het hanteert per soort gebied een eigen geurnorm en streeft de volgende doelen na: - de burger beschermen tegen geurhinder - de veehouderijen niet onnodig beperken - ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken, onder de voorwaarde dat er een aanvaardbaar woonen leefklimaat is. De gemeentelijke “Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder” is van belang voor de vraag of een ruimtelijke ontwikkeling kan plaatsvinden. De beleidsregel geeft aan wanneer sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Ruimtelijke onderbouwing Oude Molenweg 5, Herpen, pag. 34 van 47 4 september 2017

In de geurverordening wordt uitgegaan van normen voor de maximale geurbelasting in de vorm van voorgrond- en achtergrondbelasting. Bij het stellen van deze normen worden verschillende gebiedstypen onderscheiden: stedelijke woonkern, landelijke woonkern, buitengebied, landbouwontwikkelingsgebied etc. Verder wordt bij het stellen van normen gekeken naar het aantal (intensieve) veehouderijen in de omgeving en hun omvang. Initiatief In een straal van 500 meter rondom onderhavige locatie zijn een drietal veehouderijen gelegen. Het dichtstbij gelegen is de veehouderij op het naastgelegen perceel Oude Molenweg 7. Op deze locatie is vergunning aanwezig voor het houden van 15 paarden. Dit gebruik is echter strijdig met de aanwezige bestemming ‘Bedrijf’. Ook is een dergelijk aantal paarden niet aanwezig. De andere veehouderijen bevinden zich op grotere afstand aan de Erfdijk. De op te richten woning dient aangemerkt te worden als een geurgevoelig object; gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt.

In artikel 3 lid 2 van de Wet geurhinder en veehouderij is gesteld; De afstand tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, en een geurgevoelig object bedraagt: a. ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en b. ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Onderhavige locatie is buiten de bebouwde kom gelegen. Er dient dus voldaan te worden aan een afstand van 50 meter tussen de woning en omliggende veehouderijen. Aan deze afstand wordt voldaan. De verdere veehouderijen aan de Erfdijk zijn op ruim voldoende afstand gelegen. Hier bevinden zich (ook) een beperkt aantal dieren met een emissiefactor. Deze zijn meegenomen in de berekening van de achtergrondbelasting in de geurgebiedsvisie Oss 2013. Woon- en leefklimaat 3 Uit navolgende figuur 1 volgt dat de achtergrondbelasting 7,5 tot 13,1 ou/m bedraagt. Voor objecten in het buitengebied geldt vanuit de Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder dat de achtergrondbelasting daarmee voldoende is. Dit betekent dat het aspect geur geen belemmering vormt voor het plan.

Ten aanzien van de voorgrondbelasting en vaste afstandsnormen zijn, in samenhang met het intrekken van de rechten voor het houden van dieren aan de Oude Molenweg 7, ook geen belemmeringen voor het plan. Conclusie Onderhavig initiatief leidt niet tot belemmering van omliggende veehouderijen voor het aspect geur. Anderzijds is op de locatie sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarmee zijn er voor het aspect geur geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.

Ruimtelijke onderbouwing Oude Molenweg 5, Herpen, pag. 35 van 47 4 september 2017

Uitsnede bijlage 1 ‘Beoordeling leefklimaat op basis van de indicatieve achtergrondbelasting ten aanzien van geurhinder’ van de Actualisatie geurgebiedsvisie gemeente Oss 2015.

4.1.5 Geur: industrieel Het nationale industriële geurbeleid is vastgelegd in de Nederlandse emissierichtlijn (NeR). De brief van het ministerie van Infrastructuur en Milieu van 30 juni 2005 stelt het rijksbeleid in grote lijnen vast. Het algemene uitgangspunt is het voorkomen van (nieuwe) hinder. Dit uitgangspunt vormt samen met het toepassen van de Beste Beschikbare Techniek (BBT) de kern van het geurbeleid. Uitgangspunten van het rijksbeleid zijn: - als er geen hinder is, zijn maatregelen niet nodig; - als er wel hinder is, worden maatregelen getroffen op basis van het Beste Beschikbare Techniekprincipe; - de gemeente stelt vast welke mate van hinder acceptabel is. Gemeenten en provincies hebben de bevoegdheid om een eigen geurbeleid vast te stellen. De provincie Noord-Brabant heeft een eigen geurbeleid voor provinciale bedrijven, de Beleidsregel beoordeling geurhinder omgevingsvergunningen industriële bedrijven Noord-Brabant. De gemeente Oss heeft geen eigen industrieel geurbeleid. Per situatie stelt de gemeente Oss vast of sprake is van een acceptabel geurniveau. Er zijn verschillen in het niveau van bescherming mogelijk. Voor een bedrijfswoning kan bijvoorbeeld een hogere geurbelasting gehanteerd worden dan voor aaneengesloten woonbebouwing.

Gelet op de afstand tot industriële locaties en de ligging van de locatie nabij de kern Herpen, wordt aangenomen dat sprake is van een acceptabel geurniveau. Mede daar het een bedrijfswoning betreft.

Ruimtelijke onderbouwing Oude Molenweg 5, Herpen, pag. 36 van 47 4 september 2017

4.1.6 Luchtkwaliteit Het beleid en de regelgeving over luchtkwaliteit heeft tot doel om mensen te beschermen tegen de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging. Ze bevatten luchtkwaliteitsnormen voor verschillende stoffen. Ruimtelijke plannen of projecten die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, zoals bestemmingsplannen, dienen getoetst te worden aan de Wet milieubeheer (afdeling 5.2.). Deze wet bevat grenswaarden voor de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijn stof, lood, benzeen en koolmonoxide in de buitenlucht. In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Overschrijding van de grenswaarden van andere stoffen komt bijna niet voor. De wet maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Kleine projecten zijn projecten die de luchtkwaliteit niet ‘in betekende mate’ (NIBM) verslechteren. Deze projecten hoeven niet meer beoordeeld te worden op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Er is geen belemmering als een klein project niet of nauwelijks bij draagt aan luchtverontreiniging, óók niet in overschrijdingsgebieden (gebieden met te veel luchtvervuiling). De ministeriële Regeling NIBM geeft aan in welke gevallen een nieuw project in ieder geval een NIBMproject is.

Dit is bijvoorbeeld het geval als er minder dan 500 woningen worden gebouwd bij minimaal één ontsluitingsweg, of minder dan 1.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Het Besluit gevoelige bestemmingen beperkt de vestiging van zogeheten ‘gevoelige bestemmingen’, zoals een school, in de nabijheid van provinciale en rijkswegen. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. Waar in zo’n onderzoekszone de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming’ niet toenemen. Dit wordt bereikt door op zo’n plek de vestiging van bijvoorbeeld een school niet toe te staan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.

Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien. De gemeente heeft geen eigen regelgeving en beleid over luchtkwaliteit. Initiatief In de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Per 1 augustus 2009 geldt als NIBM 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 3 microgram/m voor zowel fijn stof en NO2. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. De realisatie van één (bedrijfs)woning kan worden aangemerkt als NIBM.

Met de uitbreiding van het bestemmingsvlak en de realisatie van een loods is er meer ruimte voor opslag, maar wijzigt er niets in de verkeerstromen en daarmee de luchtkwaliteit. Blijkens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN) van het RIVM is 3 de concentratie fijn stof (PM10) in Oss en omgeving 22-24 µg/m . Hiermee wordt voldaan aan de norm in 3 de Verordening ruimte 2014 van maximaal 31,2 µg/m op gevoelige objecten. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het initiatief.

Ruimtelijke onderbouwing Oude Molenweg 5, Herpen, pag. 37 van 47 4 september 2017

4.1.8 Straling Het beleid voor elektromagnetische velden is opgenomen in het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4), de Toekomstagenda Milieu en de beleidsnota Nuchter Omgaan met Risico's, beslissen met gevoel voor onzekerheden (2004). Het ministerie van Infrastructuur en milieu heeft het beleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen uitgewerkt in een advies van oktober 2005. Dit advies is verder toegelicht in een brief van november 2008. De gemeente Oss heeft in het Milieubeleidsplan 2010-2014 het rijksadvies vastgelegd als beleidsuitgangspunt. Dit houdt in dat er bij nieuwbouwplannen of het realiseren van nieuwe hoogspanningslijnen voorkomen dient te worden dat er gevoelige bestemmingen terecht komen in een zone waar het magnetische veld gemiddeld over een jaar hoger is dan de norm van 0,4 microtesla. Initiatief De planlocatie is niet gelegen binnen een zone van 80 meter van een bovengrondse hoogspanningslijn. De straling van bovengrondse hoogspanningslijnen is geen beperkende factor voor het initiatief. 4.1.9 Water De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de Waterwet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets verplicht voor ruimtelijke plannen waarin waterbelangen spelen. De watertoets bewaakt de waterkwaliteit en waterkwantiteit.

Een watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten zijn onder meer veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verzilting en verdroging. De watertoets heeft betrekking op alle wateren: rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. De gemeente Oss heeft in 2013 een integraal plan Watertaken vastgesteld. Het plan bestaat uit twee delen. Het “verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan” (vGRP) regelt de zorg voor inzameling en transport van afvalwater. Ook regelt het vGPR een doelmatige verwerking van afvloeiend hemelwater en overtollig grondwater. Daarnaast biedt het plan Watertaken een kader voor de andere watertaken van de gemeente. De gemeente is verantwoordelijk voor de openbare ruimte. Het gaat vooral om de zorg voor oppervlaktewater in bebouwd gebied. De gemeente is ook verantwoordelijk voor een goede ruimtelijke ordening. Het gaat om voldoende ruimte voor water in ruimtelijke plannen. De watertoets is opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Beleid van gemeente, provincie en rijk is van toepassing bij een watertoets. Toetsing van uw waterparagraaf gebeurt op kwaliteit en kwantiteit. De verwerking van hemelwater, afvalwater en planologische ‘waterbestemmingen’ komen aan bod.

Initiatief De gemeente Oss stelt in haar beleid dat in de omgang met hemelwater ook de inzet van bewoners en bedrijven vereist is. Vanuit een algemene zorgplicht voor hemelwater (uitgangspunt Waterwet) geldt ook voor particulieren dat zij hemelwater op eigen terrein verwerken. Dit kan door toevoeging van schoon hemelwater aan het grondwater (infiltreren) of bijvoorbeeld door het te bufferen in vegetatiedaken, een vijver of in regenwatergebruiksystemen (toiletspoeling, waswater). Ter voorkoming van overlast en schade op particulier terrein en uit oogpunt van doelmatigheid vertaald de gemeente een redelijke inspanning van particulieren als volgt. Bij ver- en nieuwbouw in bebouwd 2 gebied moet tenminste de eerste 10mm regen (10 liter per m afstromende verharding) van een bui op het eigen terrein kunnen worden vastgehouden en lokaal worden verwerkt door infiltratie of lozing op het oppervlak (vijver, wadi of lager gelegen grond). Als dit aantoonbaar niet mogelijk is dan is een directe of gebufferde afvoer vanaf het perceel bespreekbaar. 2

Onderhavige ontwikkeling betekent een uitbreiding van het bebouwd oppervlak met circa 550 m . Dit 3 betekent dat tenminste 5,5 m hemelwater op eigen terrein geïnfiltreerd dient te worden. Hiertoe is gekozen voor de realisatie van ondergrondse infiltratiekoffers. Het plangebied is verder gelegen binnen het beheersgebied van het waterschap Aa en Maas. Dit waterschap hanteert als uitgangspunt ondermeer hydrologisch neutraal bouwen. De precieze regels hieromtrent zijn vastgelegd in de Keur. Op grond van de Keur is het verboden om zonder watervergunning van het bestuur neerslag door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, versneld tot afvoer naar het oppervlaktewater te laten komen.

Ruimtelijke onderbouwing Oude Molenweg 5, Herpen, pag. 38 van 47 4 september 2017

Vrijstelling wordt verleend voor zover: 2 a. Het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m is, of; 2 b. De toename van verhard oppervlak maximaal 2.000 m is, of; c. De toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak. 2 2 d. De toename van verhard oppervlak tussen 2.000 m en 10.000 m is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met en minimale compensatie conform de rekenregel: 2

Onderhavig initiatief betreft de oprichting van circa 550 m bebouwing. Hiermee wordt voldaan aan het gestelde onder b. en kan er dus vrijstelling worden verleend van de Keur. Compenserende maatregelen zijn op grond van de Keur niet nodig. Echter zal conform het gemeentelijk beleid desondanks wel worden voorzien in infiltratiekoffers ter infiltratie van het hemelwater. Overtollig hemelwater zal via een overstort wegvloeien in de groenstrook aan zij –en achterzijde van de loods en de tuin rondom de woning. Het huishoudelijk afvalwater zal worden afgevoerd op het bestaande rioolstelsel ter plaatse. In de zogenaamde buitengebieden wordt gebruik gemaakt van mechanische riolering. Deze wordt aangelegd voor het inzamelen en transport van huishoudelijk afvalwater (of wat daar naar aard en omvang gelijk aan is) en geen afvoer van afstromend hemelwater! Uitgangspunt hierbij is de capaciteit die gelijk wordt 3 gesteld aan een maximaal debiet van 1 m /h en dat vervolgens maximaal 5 keer één uur per etmaal. Voornoemde capaciteit is voldoende voor de afvoer van het huishoudelijk afvalwater. Er is geen sprake van bedrijfsmatige lozingen op deze mechanische riolering. Ook zal het hemelwater niet wordt aangeboden op de riolering.

4.1.10 Weg-, spoor- en industrielawaai De Wet geluidhinder (Wgh) biedt bescherming tegen (spoor)weglawaai en tegen industrielawaai van inrichtingen voor zover gelegen op een gezoneerd industrieterrein. In de Wgh wordt een beperkt aantal typen objecten beschermd, de zogenoemde geluidgevoelige objecten. De Wet geluidhinder kent een stelsel van normen ter voorkoming van geluidhinder. Ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen zijn grenswaarden opgenomen. Hierbij is een ondergrens (voorkeursgrenswaarde) en een bovengrens (maximaal toelaatbare grenswaarde) opgenomen. De Wgh biedt gemeenten de mogelijkheid om gericht in te spelen op de lokale situatie door maatwerk te leveren. Burgemeester en wethouders kunnen een hogere waarde vaststellen dan de ondergrens, maar mogen daarbij de bovengrens niet overschrijden. In 2010 heeft de gemeenteraad van Oss de geluidsnota “Geluidskwaliteit in de leefomgeving” vastgesteld. De gemeente Oss maakt hierbij gebruik van gebiedsgericht geluidbeleid. Per gebied wordt een geluidskwaliteit nagestreefd. Zo zijn er ‘rustige gebieden’, ‘dynamische gebieden’ en er zijn gebieden die ten aanzien van geluid onder druk staan. De geluidsnota gaat ook in op de realistische inzet van onderzoek, het stellen van eigen criteria voor het toestaan van een hogere waarde en bedrijfswoningen op industrieterreinen.

De gemeente Oss streeft naar een leefbare woonsituatie, ook op locaties met een hoge geluidsbelasting. Deze leefbaarheid wordt bereikt door terughoudend te zijn met hogere grenswaarden en door hieraan voorwaarden te verbinden. Deze voorwaarden leggen de initiatiefnemer of de beheerder een inspanning op voor een leefbare woonomgeving als compensatie voor het bouwen en het veroorzaken van een lawaaiige situatie. Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. Ook in Oss is er een aantal gezoneerde industrieterreinen. Met zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel bedrijven als aan bewoners/gebruikers van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Bedrijven kunnen aan de ene kant hun geluidsproducerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen te veel oprukken naar de bedrijven toe.

Ruimtelijke onderbouwing Oude Molenweg 5, Herpen, pag. 39 van 47 4 september 2017

Initiatief Weglawaai Voor het initiatief is door G&O Consult een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Het rapport met nummer 3255ao0916 is opgenomen in de bijlage. Navolgend de verkorte versie van de conclusie. In opdracht van Bouman Horecaverhuur is een berekening wegverkeerslawaai uitgevoerd ten behoeve van de ontwikkeling van één woning aan de Oude Molenweg 5 te Herpen, gemeente Oss. Op basis van de beschikbaar gestelde verkeersgegevens is er een rekenmodel opgezet en is de gevelbelasting berekend. De betreffende woning is niet gelegen binnen een zone op basis van de Wet geluidhinder. Wel zijn de te ontwikkelen woning gelegen aan de Oude Molen-weg waarvoor een snelheidsregiem geldt van 30 km/uur. Het berekende geluidniveau afkomstig van de gecumuleerde geluidbelasting van de omliggende wegen op de gevels van de te ontwikkelen woning bedraagt ten hoogste 47 dB. Ten aanzien van een beoordeling in het kader van een goede ruimtelijke ordening is de geluidskwaliteit vastgesteld. Hieruit blijkt dat op de gronden rond de te ontwikkelen woning de geluidkwaliteit “Goed” is. De uitbreiding van de bedrijfsbebouwing is verder niet geluidgevoelig Hieruit kan worden geconcludeerd dat het aspect weglawaai een goede ruimtelijke ordening niet in de weg staat.

Industrielawaai Het gaat om de uitbreiding van een bedrijf dat zich bezig houdt met de verhuur van horeca benodigdheden en dergelijke. Hiervoor wordt extra opslagcapaciteit gerealiseerd achter op het perceel. Gelet op de aan die zijde te realiseren woningen en de verder in de omgeving aanwezige bestaande woningen dient akoestisch inzicht gegeven te worden in de bedrijfsactiviteiten en de te verwachten geluidsbelasting naar de omgeving. 2

In de bestaande situatie is er sprake van een bedrijfsloods met een omvang van 563 m . Hier komt 422 2 m bij aan de achterzijde. Deze loodsruimte wordt specifiek enkel voor opslag benut. Daarmee wordt geborgd dat in deze loods geen geluidproducerende activiteiten plaats vinden anders dan intern transport. Ook worden er geen geluidsbronnen (zoals condensors van airco-installaties) op het dak of aan de gevel geplaatst. Verder zal de nieuwe opslagloods aan de achter- en zijzijden voorzien worden van sandwichpanelen of een spouwmuurconstructie zonder te openen delen. Hiermee is er geen geluidsuitstraling van de nieuwe loods naar omliggende gevoelige objecten. Het laden en lossen blijft overeenkomstig de huidige situatie aan de voorzijde plaats vinden. Hier vindt geen wijziging in plaats. Met de huidige uitbreiding van de opslagcapaciteit nemen de vergunde laad- en losactiviteiten ook niet toe. Deze vinden enkel gedurende de dag plaats als weergegeven in de volgende tabel, afkomstig uit de bijlage meldingsformulier dat is opgenomen in bijlage 4. Er vinden geen laad- en losactiviteiten plaats in de avonduren en de nacht. Aan- en afvoer per personenauto bestelauto vrachtauto

Maximaal aantal per keer dag week maand 3 15 60 10 40 160

Aan – en afvoer tussen 07.00 en 19.00 19.00 en 23.00 23.00 en 07.00 3 per dag 10 per dag -

Gelet op voorgaande informatie dat er geen toename/wijziging in geluidrelevante activiteiten/bronnen is en het feit dat wordt voldaan wordt aan de richtafstand voor geluid van 10 meter tot omliggend gevoelige

Ruimtelijke onderbouwing Oude Molenweg 5, Herpen, pag. 40 van 47 4 september 2017

objecten, kan geconcludeerd worden dat het aspect industrielawaai een goede ruimtelijke ordening niet in de weg staat. 4.2 Waarden Binnen het plangebied voorkomende waarden op het vlak van natuur, archeologie of cultuurhistorie dienen te worden gerespecteerd en beschermd, mogelijk zelfs bevorderd. Bij ontwikkelingen moet proactief rekening worden gehouden met de aanwezige waarden. Achtereenvolgens komen aan bod: - Archeologie en cultuurhistorie (§ 4.3.1) - Natuur (§ 4.3.2) - Kwaliteitsverbetering van het landschap (§ 4.3.3) 4.2.1

Archeologie en cultuurhistorie

Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 3.4.4. met dezelfde titel. 4.2.2 Natuur Bij de bescherming van natuurwaarden gaat het enerzijds om soortenbescherming en anderzijds om gebiedsbescherming. Beschermde plant- en diersoorten ontlenen hun bescherming onder andere aan opname in de Flora- en faunawet. Deze bescherming moet er toe leiden dat het voortbestaan van de soort niet in gevaar komt. De gebiedsbescherming is verankerd in de Natuurbeschermingswet. Flora- en faunawet De Flora- en faunawet beschermt in het wild levende planten- en diersoorten. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen leiden tot verstoring, aantasting van broedplaatsen en vernietiging van verblijfplaatsen van beschermde soorten. De mate van bescherming hangt samen met de zeldzaamheid en kwetsbaarheid van de soort. Artikel 2 van de Flora- en faunawet houdt een algemene zorgplicht in. Op basis hiervan worden ook niet beschermde soorten zoveel mogelijk ontzien. De Flora- en faunawet hanteert het ‘nee, tenzij’ principe. Activiteiten die mogelijk leiden tot negatieve effecten op beschermde soorten zijn in principe verboden, tenzij maatregelen kunnen worden genomen om dit te voorkomen. In sommige gevallen dient voor een ruimtelijke ontwikkeling een ontheffing bij het ministerie te worden aangevraagd.

Deze ontheffing wordt alleen verleend, als aangetoond wordt dat de voorgenomen ruimtelijke ingreep geen afbreuk zal doen aan de gunstige staat van instandhouding van de beschermde soorten. Initiatief Onderhavige ontwikkeling betreft het positief bestemmen van een bestaande situatie. Er vindt geen sloop plaats. De nieuwe loods wordt opgericht achter op het perceel waar thans al opslag in tenten plaats vindt. Hier is geen (beschermde) flora en fauna aanwezig. Ook ter plaatse van de te realiseren woning is reeds in de bestaande situatie sprake van een intensief gebruik, waardoor hier geen (beschermde) flora en fauna aanwezig kan zijn. Door de realisatie van erfbeplanting, wordt wel extra leefgebied gerealiseerd voor flora en fauna. Om deze reden zijn er enkel positieve en geen negatieve gevolgen van onderhavig plan voor natuurwaarden in de omgeving. Natuurbeschermingswet 1998 De bescherming van specifieke natuurgebieden is geregeld in de Natuurbeschermingswet 1998. Het gaat om de volgende gebieden: Natura 2000-gebieden; Beschermde Natuurmonumenten; Aangewezen gebieden ter uitvoering van verdragen of andere internationale verplichtingen zoals Wetlands. De Natura 2000-gebieden zijn aangewezen op grond van de Vogel- en Habitatrichtlijn en genieten op basis daarvan wettelijke bescherming. Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=6a05b6ab-abe7-485a-aeb9-829925b975a8