Bijlage 2A Toelichting - bijlage 17 Oude Molenweg 5 Herpen
Tekst van het document
BESTEMMINGSPLAN Buitengebied Oss - 2020 Bijlagen bij toelichting
Bijlage 17 - ruimtelijke onderbouwing Oude Molenweg 5 , Herpen
Gemeente Oss | Raadhuislaan 2 | 5341 GM | Oss | T: 14 0412 | F: 0412 642605 | www.oss.nl |
Ruimtelijke onderbouwing Oude Molenweg 5, Herpen, pag. 1 van 47 4 september 2017
Ruimtelijke onderbouwing Oude Molenweg 5, Herpen
Gemeente Oss, 4 september 2017
Ruimtelijke onderbouwing Oude Molenweg 5, Herpen, pag. 2 van 47 4 september 2017
Ruimtelijke onderbouwing Oude Molenweg 5, Herpen, pag. 3 van 47 4 september 2017
INHOUDSOPGAVE Ruimtelijke onderbouwing Hoofdstuk 1
Inleiding .......................................................................................................................... 6
1.1
Aanleiding ................................................................................................................................... 6
1.2
Begrenzing plangebied .............................................................................................................. 6
1.3
Vigerend bestemmingsplan....................................................................................................... 7
Hoofdstuk 2
Bestaande situatie en programma ............................................................................... 8
2.1
Ontstaansgeschiedenis ............................................................................................................. 8
2.2
Bestaande situatie ...................................................................................................................... 8
2.3
Beoogde situatie ......................................................................................................................... 9
2.4
Stedenbouwkundige karakteristiek .......................................................................................... 9
2.5
Functionele karakteristiek ....................................................................................................... 10
2.7
Beeldkwaliteit ............................................................................................................................ 10
Hoofdstuk 3
Beleidskader ................................................................................................................ 11
3.1
Wettelijk kader .......................................................................................................................... 11
3.2
Rijksbeleid ................................................................................................................................. 12
3.3
Provinciaal beleid ..................................................................................................................... 14
3.4
Gemeentelijk beleid .................................................................................................................. 22
Hoofdstuk 4
Verantwoording ........................................................................................................... 30
4.1
Milieu- en omgevingsaspecten ............................................................................................... 30
4.2
Waarden..................................................................................................................................... 40
4.3
Defensie ..................................................................................................................................... 46
4.4
Milieueffectrapportage (M.e.r.) ................................................................................................ 46
Hoofdstuk 5
Haalbaarheid ................................................................................................................ 47
5.1
Economische uitvoerbaarheid ................................................................................................ 47
5.2
Inspraak ..................................................................................................................................... 47
5.3
Vooroverleg ............................................................................................................................... 47
BIJLAGEN Bijlage 1
Situering en opzet woning
Bijlage 2
Akoestisch onderzoek
Bijlage 3
Bodemonderzoek
Bijlage 4
Bijlage meldingsformulier
Ruimtelijke onderbouwing Oude Molenweg 5, Herpen, pag. 4 van 47 4 september 2017
Ruimtelijke onderbouwing Bestemmingsplan Oude Molenweg 5, Herpen
Ruimtelijke onderbouwing Oude Molenweg 5, Herpen, pag. 5 van 47 4 september 2017
Ruimtelijke onderbouwing Oude Molenweg 5, Herpen, pag. 6 van 47 4 september 2017
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Voorliggende ruimtelijke onderbouwing is opgesteld voor het realiseren van een bedrijfswoning op het perceel Oude Molenweg 5 te Herpen. Op de locatie is al langere tijd sprake van een bedrijf dat zich bezig houdt met de verhuur van horecabenodigdheden voor feesten en evenementen. Gelet op de onregelmatige werktijden en de benodigde aanwezigheid, ook na reguliere kantoortijden, is het sterk gewenst om bij het bedrijf te wonen. Verder is door de groei van het bedrijf, het gehele perceel in gebruik genomen voor de opslag. Dit deels in tenten achterop het perceel waar geen bestemmingsvlak aanwezig is. Om deze reden wordt met onderhavige ontwikkeling direct het bestemmingsvlak vergroot. Ook wordt het hiermee mogelijk om de bedrijfsbebouwing uit te breiden. De gemeente Oss stelt in haar reactie op het principeverzoek dat gelet op de ligging van de locatie in een bebouwingslint en bestaand stedelijk gebied een woon-werkkavel beter past dan alleen een bedrijfshal. De kleinere bouwmassa van een woning past beter in het bebouwingslint en onttrekt de bedrijfshal deels aan het zicht. De beperkt beschikbare ruimte vraagt wel om een maatwerkoplossing. Voor het betrekken van het achterste deel van het perceel met een agrarische bestemming bij het bedrijf moet wel een ruimtelijke inpassing en kwaliteitsverbetering plaats vinden.
Verder moet ook gekeken worden naar de (milieu) effecten die de uitbreiding van de loods op achterste deel van het perceel kan hebben op de te realiseren woningen aan de achterzijde. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing is opgesteld om aan te tonen dat er ruimtelijk en milieuhygiënisch geen belemmeringen zijn voor het wijzigen van de bestemming, het toestaan van een bedrijfswoning en het uitbreiden van de bedrijfsbebouwing op het perceel Oude Molenweg 5 te Herpen. 1.2
Begrenzing plangebied
Het plangebied beslaat de gronden zoals weergegeven in navolgende figuur. Het plangebied omvat het perceel aan de Oude Molenweg 5 te Herpen, meer specifiek de gebouwen en ondergrond op het perceel kadastraal bekent als gemeente Ravenstein, sectie G, nummer 324, en het agrarisch perceel G 1030.
Ligging plangebied (rood omcirkeld)
Ruimtelijke onderbouwing Oude Molenweg 5, Herpen, pag. 7 van 47 4 september 2017
1.3
Vigerend bestemmingsplan
Voor de locatie aan de Oude Molenweg 5 te Herpen vigeert het bestemmingsplan “Buitengebied Oss – 2010”, in werking getreden op 21 januari 2011 en de “Partiële herziening 1 Buitengebied Oss – 2010”. De locatie heeft in voornoemd bestemmingsplan de enkelbestemming ‘Bedrijf’ met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ en de functieaanduidingen ‘bedrijfswoning uitgesloten’ en ‘specifieke vorm van bedrijf - niet agrarisch-technisch en niet agrarisch gerelateerd bedrijf’. Het direct achter het bedrijf gelegen perceel heeft de enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschap’. Zie onderstaande afbeelding. Daar weer achter zijn woonbestemmingen gelegen. In bijlage 5 van de regels zijn de toegestane oppervlaktes bedrijfsgebouwen opgenomen. Op het adres Oude Molenweg 5 staat als bestemmingscode/aard bedrijf genoemd ‘B (sb-b2) Horecagroothandel’ met 2 een toegestane oppervlakte van 567 m . Op de kaart ‘Functionele zonering’ in bijlage 7 van de regels waarop de bebouwingsconcentraties zijn aangeduid, is de planlocatie gelegen in ‘bebouwingsconcentraties extensiveringsgebied intensieve veehouderij’.
Uitsnede verbeelding bestemmingsplan
Ruimtelijke onderbouwing Oude Molenweg 5, Herpen, pag. 8 van 47 4 september 2017
Hoofdstuk 2 2.1
Bestaande situatie en programma
Ontstaansgeschiedenis
Onderhavig plangebied is gelegen in het uitloopgebied van Herpen. Het landschap kan getypeerd worden als dekzandrand. De dekzandrand is een overgangszone van het lagergelegen kleigebied naar de hogergelegen dekzandrug. De dekzandgebieden zijn van oudsher de meest geschikte bewoningsplaatsen. Er zijn daarom ook veel archeologische waardevolle nederzettingsresten gevonden (en nog te verwachten), evenals oude verkavelingspatronen, (hout)walstructuren en oude boerderijen, met name in de noordelijke rand van de stad Oss. In en rond de kernen en buurtschappen bevinden zich oude ontginningen en ontginningspatronen. Op grotere afstand van deze kernen en buurtschappen zijn later ontstane nieuwere, grootschaliger ontginningen te vinden. De dekzandranden kenmerken zich van oorsprong door een kleinschalige opbouw, met een half-open tot besloten karakter en met nabij de kernen een onregelmatig verkavelingspatroon. Het contrast tussen de historisch gegroeide patronen van de oude verbindingswegen en rafelige dorpsranden en de rationele lineaire elementen van de grootschalige ontginningen geven dit gebied een eigen ruimtelijke karakteristiek.
Omgeving plangebied (rood omcirkeld) 1950
Op onderhavige locatie is sinds 2003 een bedrijfsloods aanwezig. Voordien betrof het agrarische grond, aan weerszijde reeds omsloten door agrarische bebouwing. Het agrarisch bedrijf ten zuiden is recent beëindigd. In ruil mogen woningen op het perceel worden opgericht. Het agrarisch bedrijf ten westen is omgezet naar een bedrijfsbestemming. Conform het vigerende bestemmingsplan is hier toegestaan een ‘Varkenshandel/distributiebedrijf’. Blijkens het internet zit er op de locatie een auto diagnose centrum. 2.2
Bestaande situatie 2
Op onderhavig perceel bevindt zich een bedrijfsloods met een omvang van circa 563 m . Daarvoor ligt erfverharding en een grasperk. Aan de achterzijde van de loods staan een aantal tenten. In de loods en de tenten worden horecabenodigdheden opgeslagen, zoals tenten, stoelen en tafels.
Ruimtelijke onderbouwing Oude Molenweg 5, Herpen, pag. 9 van 47 4 september 2017
Luchtfoto planlocatie
2.3
Beoogde situatie
De tenten achter de loods staan in agrarisch gebied, wat niet is toegestaan. Dit deel van het perceel met 2 een oppervlak van 558 m zal binnen de bestemming ‘Bedrijf’ worden opgenomen. Daarnaast wenst initiatiefnemer genoemde tenten te vervangen door een loods overeenkomstig de aanwezige loods. Deze 2 2 zal een oppervlak krijgen van circa 422 m , waarmee de totale bedrijfsbebouwing op 985 m komt. Verder is voor het toezicht op het komen en gaan van transporteurs en ter preventie van diefstal noodzakelijk dat er zeker na de uitbreiding ter plaatse gewoond kan worden. Hiertoe wenst initiatiefnemer een woning op te richten voor op het perceel. Voor de situering en opzet van de woning wordt verwezen naar bijlage 1. 2.4
Stedenbouwkundige karakteristiek
De locatie bevindt zich in het uitloopgebied van de kern Herpen. De locatie ligt naast een niet-agrarisch bedrijf met verder rondom burgerwoningen. Enkel tegenover de locatie bevindt zich nog een agrarisch bedrijf met kassen. Dit bedrijf zal in de nabije toekomst verdwijnen in ruil voor een burgerwoning. Verder ten noorden ligt de bebouwde kom van Herpen.
Luchtfoto omgeving plangebied (rood omcirkeld)
Ruimtelijke onderbouwing Oude Molenweg 5, Herpen, pag. 10 van 47 4 september 2017
Door de realisatie van eenzelfde loods aan de achterzijde van de bestaande loods, verandert de ruimtelijke karakteristiek niet. Deze wijzigt wel in positieve zin door de realisatie van een bedrijfswoning. Door het toevoegen van een woning op het perceel met de bedrijfshal ontstaat een woonwerkkavel. Ruimtelijk gezien past dit beter in dit landelijke bebouwingslint aan de rand van het dorp dan alleen een bedrijfsloods. De kleinere bouwmassa van een woning onttrekt de bedrijfshal deels aan het zicht. Wel zal de totale bebouwing met de uitbreiding van de loods en de realisatie van de bedrijfswoning verdubbelen. De locatie ligt in een overgangsgebied van woongebied naar een omgeving welke meer gericht is op bedrijvigheid. Er vinden ook meerdere ontwikkelingen, gericht op bedrijvigheid, plaats in de omgeving. Hierdoor ontstaat een sterk gemengd gebied met een vrij hoge bebouwingsdichtheid. Dit is in principe passend voor een bebouwingsconcentratie als ‘Kernrand Herpen’. Met gebruikmaking van een passende landschappelijke inpassing voor de planlocatie, zal de toekomstige bebouwing nog meer ingepast worden in de omgeving. Hiervoor wordt verwezen naar bijlage 1. 2.5
Functionele karakteristiek
Op onderhavige locatie is reeds sprake van een bedrijfsbestemming. Hier komt een woonfunctie bij in de vorm van een bedrijfswoning. In de omgeving is naast een bedrijfsfunctie op het naastliggende perceel vooral sprake van woonfuncties. Enkel ten noorden bevindt zich nog een agrarisch bedrijf dat inmiddels beëindigd is. Ten noorden bevindt zich ook de kern Herpen. 2.6
Groen en water
In onderhavig plan gaat het om een wijziging van agrarisch grond naar een bedrijfsbestemming voor de oprichting van een loods. Verder wordt er een bedrijfswoning opgericht. Qua bebouwing treden er dus veranderingen op. Er zijn dan ook waterhuishoudkundige gevolgen. Hier zal nader op worden ingegaan in paragraaf 4.1.9. Verder zal de planlocatie landschappelijk worden ingepast met bomen aan voor- en achterzijde, wat het ‘groen’ ten goede komt. Aan de voorzijde gaat het vooral om het behoud van aanwezige bomen. Aan de achterzijde worden 3 Zomereiken geplant. Verder wordt aan de achterzijde struweelbeplanting gerealiseerd. Zie hiervoor blad07 in bijlage 1. 2.7 Beeldkwaliteit U hoeft niets te doen, de gemeente vult deze paragraaf in. .
Ruimtelijke onderbouwing Oude Molenweg 5, Herpen, pag. 11 van 47 4 september 2017
Hoofdstuk 3 3.1
Beleidskader
Wettelijk kader
3.1.1 Wet ruimtelijke ordening Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening in werking getreden. De hoofdlijnen van de nieuwe wet zijn samengevat: - Decentraal wat kan en centraal wat moet: rijk en provincie moeten en mogen niet meer regelen dan wat de taak van deze overheden direct met zich brengt; - Rijk, provincie en gemeente hebben gelijke instrumenten en kunnen die inzetten voor de eigen taken op het gebied van de ruimtelijke ordening: structuurvisie, bestemmingsplan en projectafwijkingsbesluit; - Rijk en provincie kunnen zaken voor gemeente dwingend voorschrijven via een verordening en via een aanwijzing; - Er is een strikte scheiding tussen beleid en bestemmingsplan; beleidsdocumenten hebben geen directe juridische werking meer; - De goedkeuring van de provincie op bestemmingsplannen is vervallen; - De gemeente moet meer werk maken van de herziening van bestemmingsplannen: o Er komt een sanctie op verouderde bestemmingsplannen: geen legesheffing meer mogelijk; o Voor de realisering van projecten kan een projectafwijkingsbesluit genomen worden; - Voor gebieden waar geen ruimtelijke ontwikkelingen spelen kan de gemeente kiezen om een beheersverordening te maken in plaats van een bestemmingsplan; - Er is een drempel voor planschade van 2%; - De mogelijkheid van kostenverhaal bij grondexploitatie is verbeterd; - Bestemmingsplannen moeten analoog en digitaal worden gemaakt.
3.1.2 Grondexploitatiewet Tegelijk met de Wet ruimtelijke Ordening is de nieuwe Grondexploitatiewet (Grex-wet) in werking getreden. De grondexploitatiewet is als paragraaf 6.4 in de nieuwe Wet ruimtelijke ordening opgenomen. De Grex-wet is noodzakelijk omdat eerdere wettelijke instrumenten voor kostenverhaal, te weten de exploitatieverordening en de baatbelasting, niet toereikend bleken. Doelstelling van de nieuwe wet is een goede regeling voor kostenverhaal, binnenplanse verevening en enkele locatie-eisen bij particuliere grondexploitatie. Onder de Grex-wet is kostenverhaal mogelijk via het privaatrechtelijke spoor (door middel van een vrijwillige samenwerkingsovereenkomst) en door middel van het publiekrechtelijke spoor. Eén van de belangrijkste vernieuwingen die de wet brengt, is het verplichtende karakter van kostenverhaal. Privaatrechtelijke afspraken hebben de voorkeur. Maar als een gemeente er niet in geslaagd is met alle particuliere eigenaren in een gebied een overeenkomst te sluiten over grondexploitatie moet de gemeente publiekrechtelijk kosten verhalen bij partijen waarmee geen contract is gesloten. Dit publiekrechtelijke verhaal gaat door middel van een exploitatieplan, waarvan de totstandkoming gelijk op moet lopen met een bestemmingsplan. De verplichting tot een publiekrechtelijke regeling is gekoppeld aan twee voorwaarden: 1.
In de eerste plaats is een ruimtelijk besluit op grond van de Wet ruimtelijke ordening nodig. Het publiekrechtelijk instrumentarium is alleen van toepassing bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijziging van een bestemmingsplan, of een projectafwijkingsbesluit. 2. De tweede voorwaarde is dat het ruimtelijk besluit voorziet in nieuwbouw of in belangrijke en omvangrijke verbouwplannen met functiewijzigingen. De bouwplannen waar het om gaat zijn in het Besluit ruimtelijke ordening aangewezen. Dit bestemmingsplan voorziet in nieuwe bouwmogelijkheden. De Grondexploitatie-wetgeving is van toepassing. Met de gemeente zal een exploitatieovereenkomst worden gesloten voor het kostenverhaal.
Ruimtelijke onderbouwing Oude Molenweg 5, Herpen, pag. 12 van 47 4 september 2017
3.1.3 Wet op de archeologische monumentenzorg In de Wet op de archeologische monumentenzorg, aangenomen in 2006, is het doel van het in 1992 gesloten Verdrag van Valletta (Malta) verwerkt: bescherming van het archeologische erfgoed als bron van het Europese gemeenschappelijke geheugen en als middel voor geschiedkundige en wetenschappelijke studie. Om dat doel te bereiken moet de wetgever het archeologisch erfgoed betrekken bij de ruimtelijke ordening. Met de wet wordt het Verdrag van Valletta in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De kern van de wet is dat gemeenten verantwoordelijk worden voor de archeologische monumentenzorg binnen de gemeentegrenzen. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient de gemeente rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden. 3.1.4 Flora- en faunawet Met het inwerking treden van de Flora- en faunawet is het soortenbeleid uit de Vogelrichtlijn van 1979 en de Habitatrichtlijn van 1992 van de Europese Unie in de nationale wetgeving verwerkt. Achter de Flora- en faunawet staat het idee van de zorgplicht voor in het wild levende dieren en planten (zowel beschermde als onbeschermde) en hun leefomgeving.
Die zorgplicht houdt in ieder geval in dat iedereen die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen nadelige gevolgen heeft voor flora of fauna, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten. Diegene moet alle maatregelen nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verwacht om die nadelige gevolgen te voorkomen, zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken (artikel 2). Volgens de Flora- en faunawet is het verboden om beschermde planten te verwijderen of te beschadigen (artikel 8), beschermde dieren te doden, te verwonden, te vangen (artikel 9) of opzettelijk te verontrusten (artikel 10) en voortplantings- of vaste rusten verblijfplaatsen te beschadigen (artikel 1). Ook het rapen of beschadigen van eieren van beschermde dieren is verboden (artikel 12). Voor een goede instandhouding van een diersoort is echter ook behoud van foerageergebied en migratieroutes nodig. Aan soorten van de Rode lijst dient ook aandacht te worden geschonken. Hierop staan Nederlandse soorten die bijzondere aandacht nodig hebben. Deze soorten worden bedreigd, zijn zeldzaam of erg kwetsbaar of nemen sterk in aantal af. De Rode lijsten zijn officieel door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit vastgesteld (Besluit Rode lijsten flora en fauna, november 2004). 3.2
Rijksbeleid
3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 heeft de minister van Infrastructuur en Ruimte de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. De visie stelt het (integrale) kader voor het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau in Nederland. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR drie Rijksdoelen geformuleerd: - Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijkeconomische structuur van Nederland. (concurrerend) - Het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat. (bereikbaar) - Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke cultuurhistorische waarden behouden zijn. (leefbaar en veilig) De SVIR vervangt onder meer de volgende nota’s: - de Nota Ruimte; - de Structuurvisie Randstad 2040; - de Nota Mobiliteit; - de MobiliteitsAanpak; - de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Verder vervallen met de SVIR de ruimtelijke doelen en uitspraken uit de Agenda Landschap, Agenda Vitaal Platteland en Pieken in de Delta.
Ruimtelijke onderbouwing Oude Molenweg 5, Herpen, pag. 13 van 47 4 september 2017
Oplossingsrichtingen Verstedelijkings- en landschapsbeleid wordt overgelaten aan gemeenten en provincies. Gemeenten krijgen ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei geënt op het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen. Bij het beheren en ontwikkelen van natuur krijgen boeren en particulieren in het landelijk gebied een grotere rol. Bij gebiedsontwikkelingen moet de daadwerkelijke vraag van bewoners, bedrijven en organisaties leidend worden. Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen wordt een ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd: eerst kijken of er vraag is naar een bepaalde nieuwe ontwikkeling, vervolgens kijken of het bestaande stedelijk gebied of bestaande bebouwing kan worden hergebruikt en, mocht nieuwbouw echt nodig zijn, altijd zorgen voor een optimale (multimodale) bereikbaarheid. Bij het verbeteren van de bereikbaarheid wordt sterk gelet op het samenspel tussen alle modaliteiten (weg, spoor, water) in samenhang met ruimtelijke ontwikkeling. Er moet innovatief worden omgegaan met de benutting van de infrastructuur. Het Rijk kiest voor een selectieve inzet van rijksbeleid op dertien nationale belangen. Voor die belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaat boeken. Buiten deze dertien belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. De 13 nationale belangen zijn: Vergroten van de concurrentiekracht van Nederland 1.
Een excellente ruimtelijk-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in en goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio’s met een concentratie van topsectoren. 2. Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie. 3. Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen. 4. Efficiënt gebruik van de ondergrond. Verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid. 5. Een robuust hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio’s inclusief de achterlandverbindingen. 6. Betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem. 7. Het instandhouden van het hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen om het functioneren van het mobiliteitssysteem te waarborgen. Waarborgen kwaliteit leefomgeving 8. Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico’s. 9. Ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en kaders voor klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling. 10. Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten. 11. Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten. 12.
Ruimte voor militaire terreinen en activiteiten. Overkoepelend 13. Zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. 3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Indien nationale belangen met het oog op een goede ruimtelijke ordening dat vergen, kan de minister regels stellen aan de inhoud van bestemmingsplannen. Dit heeft de minister, in de vorm van een algemene maatregel van bestuur, gedaan in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Op 30 december 2011 is dit besluit in werking getreden. Het kabinet heeft in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld dat voor een aantal onderwerpen verdere regels gesteld moeten worden. In het Barro komen dertien nationale belangen als titels terug. De volgende kunnen relevant zijn voor ruimtelijke plannen in de gemeente Oss: - Rijksvaarwegen - Grote rivieren
Ruimtelijke onderbouwing Oude Molenweg 5, Herpen, pag. 14 van 47 4 september 2017
-
Defensie Hoofdwegen en hoofdspoorwegen Elektriciteitsvoorziening Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen Ecologische hoofdstructuur Primaire waterkeringen buiten het kustfundament
De regels in het besluit zijn concreet normstellend benoemd en moeten direct of indirect (door tussenkomst van de provincie) doorwerken tot het niveau van de lokale besluitvorming. De indirecte doorwerking komt enkel bij de Ecologische Hoofdstructuur en de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarden voor. Het Barro voorziet verder in een hoofdstuk overige bepalingen en gaat gepaard met meerdere bijlagen. In deze bijlagen worden onder andere de belangen van de grote rivieren en defensie geografisch begrensd. Bij het opstellen van bestemmingsplannen (en andere ruimtelijke besluiten) dient rekening te worden gehouden met de bepalingen van het Barro. Voor de gemeente Oss zijn met name de titels met betrekking tot de rijksvaarwegen, de grote rivieren, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en defensie (rechtstreeks) van belang. De regels in titel 2.4 Grote rivieren vormen feitelijk de doorwerking van de Beleidsregels Grote rivieren. Ten aanzien van titel 2.6 Defensie wordt de enige mogelijke beperking gevormd door de bescherming van het radarverstoringsgebied van de vliegbasis Volkel. 3.2.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Op 1 oktober 2012 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, en is ‘de ladder voor duurzame verstedelijking’ daaraan toegevoegd.
De ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van overprogrammering en de keuzes die daaruit volgen (Bro, artikel 3.1.d). Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van ruimte in stedelijke gebieden. Overheden dienen nieuwe stedelijke ontwikkeling te motiveren met de drie opeenvolgende stappen: a) er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte (trede 1); b) indien uit de beschrijving, bedoeld onder a, blijkt dat van een actuele regionale behoefte sprake is, dan wordt beschreven in hoeverre in die behoefte kan worden voorzien in bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins (trede 2); c) blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio plaats kan vinden, dan wordt beschreven in hoeverre in die behoefte wordt voorzien op locaties die, gebruik makend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld (trede 3) Initiatief Voorliggende ontwikkeling gaat gepaard met nieuwe bebouwingsmogelijkheden. Blijkens de aanwezige tenten op het perceel is hier ook duidelijk behoefte aan.
Het gaat naast het extra bestemmingsoppervlak 2 2 bedrijf van 558 m met hierop de uitbreiding van de loods met 422 m , om één bedrijfswoning die gerealiseerd zal worden. Er kan hiermee niet gesproken worden van een woningbouwlocatie en bedrijventerrein als bedoeld in het begrip ‘stedelijke ontwikkeling’ in het artikel 1.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening. Aangezien er verder sprake is van een bestaande bedrijfslocatie in bestaand stedelijk gebied, is er sprake van een duurzame ontwikkeling.
3.3
Provinciaal beleid
3.3.1 Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010 – partiële herziening 2014 Op 19 maart 2014 hebben Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2014 vastgesteld. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die in 2010 werd vastgesteld. Met deze structuurvisie geeft de provincie de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijke beleid tot 2025, met een doorkijk naar 2040. De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie en vormt de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten die de Wet ruimtelijke ordening biedt inzet.
Ruimtelijke onderbouwing Oude Molenweg 5, Herpen, pag. 15 van 47 4 september 2017
Naast de Structuurvisie stelt de provincie een verordening ruimte op. In deze verordening vertaalt de provincie de kaderstellende elementen uit het provinciaal beleid in regels die van toepassing zijn op (gemeentelijke) bestemmingsplannen. Aanvullend zijn ook gebiedspaspoorten opgesteld. Deze vormen een uitwerking van de visie en bevatten de landschapskenmerken die bepalend zijn voor de kwaliteit van een gebied of een landschapstype en hoe ruimtelijke ontwikkelingen kunnen bijdragen aan het behoud en versterking daarvan. De provincie kiest met de structuurvisie voor een duurzame ontwikkeling waarin de kwaliteiten van de provincie sturend zijn bij de ruimtelijke keuzes die de komende jaren op de provincie af komen. Nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan de kracht en identiteit van Noord-Brabant. Provinciale belangen en ruimtelijke keuzes De provincie wil sturen op ruimtelijke kwaliteit. De ruimtelijke keuzes geven inhoud aan het streven naar ruimtelijke kwaliteit en zijn van provinciaal belang. De belangrijkste keuzes voor de gemeente Oss zijn: - Regionale contrasten De provincie wil de contrasten tussen klei, zand en veenontginningen versterken. - Een multifunctioneel landelijk gebied De provincie kiest voor een integrale aanpak. Waar de landbouw de drager van het landschap is wordt ruimte gegeven aan optimale en duurzame ontwikkeling van de aanwezige landbouwsector.
In de jonge rivierkleigebieden moet de agrarische functie (rundveehouderij) behouden blijven. Op de oeverwallen langs de rivieren wordt ruimte geboden voor menging van landbouw, natuur, landschap, recreatie, wonen, werken en zorg. Dit is van belang voor de plattelandseconomie. - Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem Het patroon van beken en kreken moet beter beleefbaar worden. De ecologische hoofdstructuur wordt versterkt door het natuursysteem nog beter aan het watersysteem te koppelen. - Een betere waterveiligheid door preventie Gestreefd wordt naar vergroting van de watervoerende capaciteit van het rivierbed in combinatie met het concept van de doorbraakvrije dijk. - Concentratie van verstedelijking Brabant heeft de ambitie zich te ontwikkelen tot een top kennis- en innovatieregio op Europees niveau. De provincie vindt het daarom belangrijk dat er verschil blijft tussen de steden en de kernen in het landelijk gebied, de zogenaamde mozaïekstructuur. - Sterk stedelijk netwerk De provincie wil een sterk stedelijk netwerk van Brabantse steden. Goede bereikbaarheid tussen de steden onderling en andere omliggende stedelijke netwerken is belangrijk. - Groene geledingszones tussen steden De provincie zet in op behoud en ontwikkeling van groene geledingszones tussen de stedelijke kernen.
- Gedifferentieerd aanbod goed bereikbare vrijetijdsvoorzieningen Een kwalitatief goede vrijetijdsbesteding is een belangrijke voorwaarde voor het realiseren van een goed leef-, werk- en vestigingsklimaat. Belangrijk aandachtspunt daarbij is dat er een breed aanbod aan vrijetijdsvoorzieningen is met een goede toegankelijkheid en bereikbaarheid. Zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit Nieuwe ontwikkelingen bieden een kans voor behoud en ontwikkeling van het landschap. De hoofdregel is dat ontwikkelruimte dient bij te dragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit. Het ontwikkelen van landschap reikt verder dan vasthouden aan wat er is, ontwikkelen van het landschap gaat ook om het toevoegen van nieuwe kwaliteiten. De zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit bepaalt dat: - er zorgvuldig wordt omgegaan met het ruimtegebruik; - er rekening wordt houden met de omgeving; - de ontwikkeling bijdraagt aan het behoud of de versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Dit principe is van toepassing op zowel het stedelijk als het landelijk gebied en wordt uitgewerkt in de Verordening ruimte 2012. Zorgvuldig ruimtegebruik De provincie wil dat gemeenten bij ruimtelijke afwegingen het principe van zorgvuldig ruimtegebruik toepassen. Nieuw ruimtebeslag moet zoveel mogelijk voorkomen worden. In eerste instantie krijgen
Ruimtelijke onderbouwing Oude Molenweg 5, Herpen, pag. 16 van 47 4 september 2017
initiatieven een plek binnen bestaand bebouwd gebied. Pas als hier geen mogelijkheden zijn of de kwaliteiten van de geplande ontwikkeling hier niet bij passen, wordt er in de omgeving gezocht naar de best mogelijke plek. Naast zuinig ruimtegebruik richt de provincie zich ook op herstructurering en hergebruik van verouderde locaties in het stedelijk gebied en op sanering van ongewenste functies in het buitengebied. Rekening houden met de omgeving Gebiedskenmerken en omliggende waarden, gebaseerd op de lagenbenadering, zijn leidend bij de vraag “waar” en “hoe” de nieuwe ruimte wordt aangesneden. De ruimtelijke onderbouwing van een ontwikkeling geeft aan hoe is omgegaan met de ambities zoals verwoord in de structuren en in de gebiedspaspoorten. Hierbij wordt een relatie gelegd tussen de ruimtelijke ontwikkeling en de gebiedskenmerken van de plek. Kwaliteitsverbetering van het landschap Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wil de provincie dat de initiatiefnemer zorgt voor een kwaliteitsverbetering van het landschap om daarmee het verlies aan omgevingskwaliteit te beperken. Dit uitgangspunt geldt voor ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied én buiten de ecologische hoofdstructuur en maakt de principes van ontwikkelingsplanologie toepasbaar. Concreet betekent dit dat passende functies zich kunnen ontwikkelen als er ook een prestatie voor het landschap tegenover staat.
Daardoor wordt aantasting van de basiskwaliteit (bodem, water) en verlies aan ecologische, cultuurhistorische en landschappelijke waarden voorkomen. Ontwikkelingen die passen bij de aard, schaal en functie van het landelijk gebied, zoals agrarische en recreatieve ontwikkelingen en kleinschalige dienstverlening zijn mogelijk. Ook de ontwikkeling van andere (rode) functies is onder voorwaarden mogelijk. De ruimtelijke onderbouwing van een besluit geeft aan welke bijdrage wordt geleverd aan de kwaliteitsverbetering van het landschap en hoe dit is geborgd. In principe gaat de provincie uit van de realisering van een fysieke prestatie op de projectlocatie en/of de directe projectomgeving. Indien dat niet mogelijk is, is de vorming van gemeentelijk of regionaal landschapsfonds een optie. Structuren: ambitie, beleid en uitvoering De structuren geven een hoofdkoers aan, een ruimtelijk ontwikkelingsperspectief voor een combinatie van functies. Maar ook waar functies worden uitgesloten of welke randvoorwaarden de provincie aan functies stelt. Binnen de structuren is ruimte voor regionaal maatwerk. De volgende vier structuren worden onderscheiden. - De groenblauwe structuur - Het landelijk gebied - De stedelijke structuur - De infrastructuur
Structurenkaart
De groenblauwe structuur Deze omvat de samenhangende gebieden in Noord-Brabant waar natuur- en waterfuncties behouden en ontwikkeld worden. Niet alleen in, maar ook buiten de natuurgebieden. Er is ruimte voor de ontwikkeling van een natuurlijk en robuust watersysteem. Het vormt de groenblauwe ruggengraat van het landschap en is van belang voor een goede, aantrekkelijke en gezonde woon- en werkomgeving in Noord-Brabant. Binnen deze groenblauwe structuur wil de provincie het volgende bereiken:
Ruimtelijke onderbouwing Oude Molenweg 5, Herpen, pag. 17 van 47 4 september 2017
1. Positieve ontwikkeling van de biodiversiteit, natuur- en watersystemen zijn beschermd en worden verbeterd door een goede onderlinge verbinding; 2. Een robuuste en veerkrachtige structuur. 3. De natuurlijke basis en landschappelijke contrasten versterken. Versterken van de identiteit van de landschappen; 4. Gebruikswaarde van natuur en water verbeteren. De gebieden in de groenblauwe structuur zijn belangrijk voor recreatie en toerisme. In de groenblauwe structuur worden drie perspectieven onderscheiden: - Het kerngebied groenblauw Natuurgebieden in de ecologische hoofdstructuur, robuuste ecologische verbindingszones en belangrijke waterstructuren horen in dit perspectief. De hoofdfunctie is behoud en ontwikkeling van het natuur- en watersysteem. - De groenblauwe mantel Overwegend gemengd landelijk gebied met belangrijke nevenfunctie voor natuur en water. Gebieden grenzend aan het kerngebied die bijdragen aan de bescherming van de waarden. Het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, water(-beheer) en landschap is in de groenblauwe mantel een belangrijke opgave. Vormen van grondgebonden agrarisch gebruik zijn van blijvend belang voor de ontwikkeling van groene en blauwe waarden. Verder liggen er kansen voor recreatie en toerisme.
- De gebieden voor waterberging Deze gebieden zijn van belang voor hoogwaterbescherming (ruimte voor de rivier) en waterberging (regionale waterberging). Het landelijk gebied Het landelijk gebied omvat het gebied buiten de groenblauwe structuur en de stedelijke structuur zoals steden, dorpen en bedrijventerreinen. Het gebied biedt een multifunctionele gebruiksruimte. Naast landen tuinbouw is er ruimte voor niet-agrarische functies. Binnen het landelijk gebied wil de provincie het volgende bereiken: 1. Ruimte voor een breed georiënteerde plattelandseconomie; 2. Ruimte voor duurzame agrarische ontwikkeling; 3. Versterking van het landschap. Er worden binnen het landelijk gebied twee perspectieven onderscheiden: Gemengd landelijk gebied De provincie beschouwt het hele landelijk gebied als een gebied waarbinnen een menging van functies aanwezig is: het gemengd landelijk gebied. Binnen dit gebied wordt de agrarische functie vaak in samenhang met andere functies (in de omgeving) uitgeoefend. Hier kan worden voldaan aan de vraag naar kleinschalige stedelijke voorzieningen, recreatie en ondernemingen in een groene setting. Daarnaast wil de provincie ook dat er ruimte beschikbaar blijft om de agrarische productiestructuur te behouden en te versterken.
Dat betekent dat (stedelijke) functies die ten koste gaan van de ruimte voor agrarisch gebruik of die strijdig zijn met de landbouw in die gebieden geweerd worden. Hierdoor blijft er ruimte gereserveerd voor agrarische ontwikkelingen. De provincie vraagt aan gemeenten om deze gebieden vast te leggen en te beschermen. De landbouwontwikkelingsgebieden en de vestigingsgebieden glastuinbouw beschouwt de provincie in ieder geval als primair agrarisch gebied. Ook delen van het verwevingsgebied richten zich vaak primair op agrarische ontwikkeling. Accentgebied agrarische ontwikkeling Binnen deze gebieden ziet de provincie ruimte en kansen om de agrarische productiestructuur te verduurzamen en te versterken. Op de structurenkaart zijn vanuit een regionaal schaalniveau vier accentgebieden agrarische ontwikkeling aangeduid. De komgebieden van de gemeente Lith maken hiervan deel uit. Hier liggen mogelijkheden voor schaalvergroting en intensivering van de landbouw.
Ruimtelijke onderbouwing Oude Molenweg 5, Herpen, pag. 18 van 47 4 september 2017
Transitie naar een zorgvuldige veehouderij De wens tot verduurzaming van de agrarische sector heeft geleid tot de denklijn ‘Ontwikkelruimte moet je verdienen en is niet onbegrensd’. De denklijn bestaat uit drie uitgangspunten: - ontwikkelruimte is alleen mogelijk als dit op bedrijfsniveau bijdraagt aan een verdere verduurzaming door het treffen van extra maatregelen; - de som van het effect van alle bedrijven in een gebied kan de draagkracht van een gebied te boven gaan; - door het bieden van een economisch perspectief aan de landbouw en agrofood door meer toegevoegde waarde van het product, transparantie en nieuwe verdienmodellen. De ontwikkeling van de agrarische sector is gericht op inpassing in het landschap en een transitie naar duurzame en zorgvuldige veehouderij. De stedelijke structuur De stedelijke structuur bestaat uit de steden en dorpen in Noord-Brabant. Binnen de stedelijke structuur heeft de provincie de volgende doelen: 1. Concentratie van verstedelijking 2. Inspelen op demografische ontwikkelingen 3. Zorgvuldig ruimtegebruik 4. Meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit 5. Betere verknoping van stedelijke ontwikkelingen aan de infrastructuur 6.
Versterking van de economische clusters Er worden binnen de stedelijke structuur twee perspectieven onderscheiden: - Stedelijk concentratiegebied In het stedelijk concentratiegebied met de bijhorende zoekgebieden voor verstedelijking wordt het merendeel van de verstedelijkingsopgave opgevangen. De groene ruimten tussen de steden worden open gehouden. - Kernen in landelijk gebied De kernen in het landelijk gebied worden zo veel mogelijk ontzien van verdere verstedelijking doordat daar alleen de opvang van de eigen verstedelijkingsbehoefte wordt opgevangen (migratiesaldo-nul). Initiatief De planlocatie is in de structuurvisie op de structurenkaart gelegen in ‘Kernen in het landelijk gebied’. Beleid kernen in het landelijk gebied: In de kernen in het landelijk gebied met de bijbehorende zoekgebieden voor verstedelijking wordt de lokale behoefte voor verstedelijking opgevangen (wonen, werken en voorzieningen). De provincie vraagt gemeenten om in regionaal verband afspraken te maken over de verdeling van het programma voor wonen, werken en voorzieningen. Voor de kernen die meer geleidelijk zijn gegroeid en hun dorpse karakter nog hebben behouden vraagt de provincie aandacht voor een goede ruimtelijke inpassing van nieuwe werklocaties in het dorp en het omliggende landschap.
De provincie vindt het daarnaast van belang dat in het regionale overleg gezocht wordt naar mogelijkheden voor de opvang van de behoefte aan werklocaties bij de meer suburbane kernen in de regio of op regionale bedrijventerreinen. Qua werken hanteert de provincie als uitgangspunt dat alleen bedrijven worden gevestigd die qua aard, schaal en functie in de omgeving passen. Gemeenten hebben ruimte voor vestiging van kleinschalige en middelgrote bedrijvigheid. Als doorgroei van bedrijven er toe leidt dat deze qua aard, schaal of functie niet meer passen in de omgeving, wil de provincie dat deze worden opgevangen op een daarvoor geschikt terrein in het stedelijk concentratiegebied. De planlocatie is gelegen tegen de kern Herpen. Er vindt een ontwikkeling plaats bij een bestaand en als zodanig bestemd niet-agrarisch bedrijf. Qua aard, schaal en functie blijft het bedrijf passend in het landschap. Met de landschappelijke inpassing wordt hier aan bijgedragen.
Ruimtelijke onderbouwing Oude Molenweg 5, Herpen, pag. 19 van 47 4 september 2017
3.3.2 Verordening ruimte 2014 In de Verordening ruimte 2014 vertaalt de provincie Noord-Brabant de kaderstellende elementen uit haar beleid en rijksbeleid, waaronder het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening, in regels die van toepassing zijn op (gemeentelijke) bestemmingsplannen. De Verordening ruimte 2014 geldt als vervanging van de Verordening ruimte 2012. In artikel 3 van de regels in de Verordening ruimte 2014 worden de algemene regels ten aanzien van het bevorderen van de ruimtelijke kwaliteit gegeven. In het algemeen houdt ruimtelijke kwaliteit in dat gebruikers van een gebied rekening houden met het karakter, de grootte en de functie ervan. De bevordering van de ruimtelijke kwaliteit is uiteengezet in drie artikelen: - Zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit Een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling moet bijdragen aan behoud en ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit. Er moet in ieder geval sprake zijn van een goede landschappelijke inpassing en zorgvuldig ruimtegebruik. Zorgvuldig ruimtegebruik is het gebruik van bestaande ruimte. Dit betekent dat gebruik gemaakt wordt van bestaande bouwpercelen en dat ontwikkelingen worden verantwoord middels de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’. Er moet ook rekening worden gehouden met de maat en schaal van de ontwikkeling en de impact op de omgeving.
- Kwaliteitsverbetering van het landschap Een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied moet gepaard gaan met een fysieke verbetering van het gebied of de omgeving. De verbetering moet zijn financieel, juridisch en feitelijk zijn geborgd en passen in het ruimtelijk beleid. Er moet ook verantwoord worden hoe de regionale afspraken over de kwaliteitsverbetering van het landschap worden nagekomen. - Afwijking in verband met maatwerk Bij ontwikkelingen van een groot openbaar belang kan worden afgeweken van provinciaal beleid. Nieuwvestiging is echter alleen mogelijk als aangetoond kan worden dat er geen mogelijkheden zijn voor vestiging. Deze algemene regels zijn van toepassing op zowel stedelijk, als landelijk gebied. Ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied: In de Verordening ruimte 2014 worden voor het buitengebied regels gesteld met betrekking tot ruimtelijke ontwikkeling binnen de volgende structuren: de ecologische hoofdstructuur de groenblauwe mantel het gemengd landelijk gebied Gemengd landelijk gebied Dit artikel geeft twee mogelijke ontwikkellijnen aan om op te nemen in een bestemmingsplan in agrarisch gebied: een gemengde plattelandseconomie en een agrarische economie. Gemeenten houden bij het bepalen van het lokale beleid rekening met de aard van de economieën die in een bepaald gebied aanwezig zijn.
Het artikel veronderstelt dat het bedoelde lokale beleid een ruimtelijke ontwikkelvisie op het agrarische gebied bevat, bij voorkeur gebaseerd op de gemeentelijke structuurvisie. De aanduiding van een gebied als gemengde plattelandseconomie impliceert meer ruimte voor niet-agrarische functies. Het gaat daarbij onder andere om het zoeken naar nieuwe economische dragers voor een vitaal platteland. Op delen van het gemengd landelijk gebied is een aanduiding zoekgebied stedelijke ontwikkeling of integratie stad-land gelegd. Indien toepassing wordt gegeven aan de mogelijkheden voor stedelijke ontwikkeling geldt deze bepaling niet. Binnen de structuur gemengd landelijk gebied worden kaders gegeven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Er worden regels gesteld voor: - beschrijving gemengd landelijk gebied - (vollegronds)teeltbedrijven - veehouderijen - afwijkende regels veehouderij
Ruimtelijke onderbouwing Oude Molenweg 5, Herpen, pag. 20 van 47 4 september 2017
-
glastuinbouwbedrijven overige agrarische bedrijven wonen ruimte-voor-ruimte landgoederen niet-agrarische functies afwijkende regels voor agrarisch-technische hulpbedrijven en agrarisch-verwante bedrijven afwijkende regels voor mestbewerking afwijkende regels recreatieve bedrijven afwijkende regels voor horecabedrijven en maatschappelijke voorzieningen afwijkende regels voor tuincentra kleinschalige voorzieningen watergebonden voorzieningen lawaaisporten wegen
De planlocatie is in de Verordening ruimte 2014 (geconsolideerde versie 01-01-2016) gelegen in ‘Bestaand stedelijk gebied, kern in landelijk gebied’. Een bestemmingsplan gelegen in een kern in 2 landelijk gebied bepaalt dat een bouwperceel van een bedrijf ten hoogste 5.000 m bedraagt. Hier wordt aan voldaan. De Verordening ruimte 2014 kent verder meerdere gebiedsaanduidingen en/of aandachtsvelden die doorwerking dienen te krijgen in bestemmingsplannen. Navolgend wordt aangegeven hoe aan de voorwaarden van de aanduidingen wordt voldaan. Ecologische Hoofdstructuur Met betrekking tot de ecologische hoofdstructuur (EHS) zijn er, naast de ecologische hoofdstructuur zelf, twee aanduidingen opgenomen in de Verordening ruimte: - ecologische verbindingszones; - attentiegebieden ecologische hoofdstructuur. Onderhavige locatie is niet gelegen in de EHS en grenst niet aan delen van de EHS. Water Ten aanzien van water zijn in de Verordening ruimte wateraanduidingen opgenomen. Deze aanduidingen zijn: - Regionale waterberging - Reservering waterberging - Waterwingebied - Grondwaterbeschermingsgebied - Aansluiting primaire waterkering - Rivierbed - Boringsvrije zone - Behoud en herstel van watersystemen Onderhavige locatie is niet gelegen in en grenst niet aan de hierboven genoemde wateraanduidingen.
Aardkunde en cultuurhistorie In de verordening stelt de provincie aanduidingen op ten aanzien van: - aardkundig waardevolle gebieden; - cultuurhistorische vlakken; - de Nieuwe Hollandse Waterlinie; - complexen van cultuurhistorisch belang. In het plangebied zijn geen onderdelen van de Nieuwe Hollandse Waterlinie gelegen. De betreffende regels van de verordening vinden dan ook geen doorwerking in dit bestemmingsplan.
Ruimtelijke onderbouwing Oude Molenweg 5, Herpen, pag. 21 van 47 4 september 2017
De planlocatie is in de Verordening ruimte niet gelegen in aardkundig waardevol gebied, een cultuurhistorisch vlak of een complex van cultuurhistorisch belang. Integratie stad – land Onder specifieke voorwaarden is stedelijke ontwikkeling mogelijk in gebieden met bijzondere landschappelijke kwaliteiten, de zogenoemde ‘gebieden integratie stad-land’. In deze gebieden kan stedelijke ontwikkeling plaatsvinden in samenhang met een groene en blauwe landschapsontwikkeling. Ontwikkeling van een middelzwaar of zwaar bedrijventerrein is nadrukkelijk uitgesloten. De voorwaarden waaronder stedelijke ontwikkeling mogelijk is, zijn: - de stedelijke ontwikkeling aansluit bij het bestaand stedelijk gebied of plaatsvindt in een nieuw cluster van stedelijke bebouwing - stedenbouwkundig en landschappelijk rekening houden met ruimtelijke kwaliteiten en structuren - de stedelijke ontwikkeling is in omvang en ruimtelijke kwaliteit evenredig met groene en blauwe landschapsontwikkeling Een bestemmingsplan dat ligt in een zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling kan voorzien in de nieuwbouw van één of meer woningen als het in een bebouwingsconcentratie ligt.
Voorwaarden hiervoor zijn: - verzekeren van een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woningen - geen sprake van aanzet tot stedelijke ontwikkeling (zoals bedoeld in artikel 4) - geen inbreuk wordt gedaan aan de artikelen 6.8 en 7.8 (ruimte-voor-ruimte). De planlocatie is niet gelegen binnen de aanduiding ‘integratie stad – land’, maar in bestaand stedelijk gebied. Binnen het bestaand stedelijk gebied is de gemeente in het algemeen vrij om te voorzien in stedelijke ontwikkeling; uiteraard binnen de grenzen van wetgeving en de regionale afspraken. Wel is in artikel 3.1 van de Verordening ruimte een aantal bepalingen opgenomen over zorgvuldig ruimtegebruik en de verantwoording die de provincie daarover vraagt aan gemeenten. Met de benutting van het bestaande perceel en de uitbreiding van de bebouwing direct aansluitend op de bestaande bebouwing, is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik. Een goede landschappelijke inpassing maakt deel uit van de zorg voor het behoud en de bevordering van ruimtelijke kwaliteit. Regionaal bedrijventerrein Bestemmingsplannen kunnen ter plaatse van de aanduiding regionaal bedrijventerrein voorzien in 2 bedrijfspercelen met een omvang groter dan 5000 m . Dit is niet van toepassing op onderhavig initiatief.
Agrarische gebieden Bestemmingsplannen kunnen gebieden aanduiden als: - Beperkingen veehouderij - Vestigingsgebied glastuinbouw - Doorgroeigebied glastuinbouw - Teel ondersteunende kassen - Teeltgebied Zundert - Maatwerk glastuinbouw Beperkingen veehouderij Voor de begrenzing van de gebieden met de aanduiding ‘beperkingen veehouderij’ is aangesloten bij de grenzen van het extensiveringsgebied die op grond van de Reconstructiewet waren vastgesteld. De regels binnen het gebied Beperkingen veehouderij gelden in tegenstelling tot de extensiveringsgebieden voor alle veehouderijen. Ook binnen de melkrundveehouderij, die van oudsher als extensief werd aangemerkt, is een tendens waar te nemen naar toenemende intensivering. Doel van de aanduiding is om een verdere intensivering vanwege ontwikkelingen in de veehouderij in de aangeduide gebieden tegen te gaan. Binnen het gebied wordt een uitzondering gemaakt voor grondgebonden veehouderijen; de voorwaarden die hieraan worden gesteld zijn voor alle veehouderijen gelijk. Onderhavige locatie voorziet niet in de vestiging, omschakeling of uitbreiding van een veehouderij.
Ruimtelijke onderbouwing Oude Molenweg 5, Herpen, pag. 22 van 47 4 september 2017
Sanerings- en verplaatsingslocatie Een bestemmingsplan kan in gebieden ter plaatse van de aanduiding sanerings- en verplaatsingslocatie voorzien in een passende herbestemming op locaties waar de volgende regelingen zijn toegepast: - Regeling Beëindiging Veehouderijtakken (RBV) - Subsidieregeling Beëindiging Intensieve Veehouderijen (BIV) - Subsidieregeling sanering glastuinbouwbedrijven in kwetsbare gebieden (GTB) - Verplaatsingsregeling Intensieve veehouderij (VIV) Dit is niet van toepassing op onderhavig initiatief. Zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling Ter plaatse van de aanduiding zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling kan worden voorzien in stedelijke ontwikkeling. Het geldende bestemmingsplan dient te verantwoorden dat: - de stedelijke ontwikkeling aansluit bij bestaand stedelijk gebied of plaatsvindt in een nieuw cluster van stedelijke bebouwing - bij stedenbouwkundige en landschappelijke inrichting rekening wordt gehouden met de aanwezige ruimtelijke kwaliteiten en structuren Een bestemmingsplan dat ligt in een zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling kan voorzien in de nieuwbouw van één of meer woningen als het in een bebouwingsconcentratie ligt.
Voorwaarden hiervoor zijn: - verzekeren van een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woningen - geen sprake van aanzet tot stedelijke ontwikkeling (zoals bedoeld in artikel 4) - geen inbreuk wordt gedaan aan de artikelen 6.8 en 7.8 (ruimte-voor-ruimte). De planlocatie is niet gelegen in een zoekgebied voor een stedelijke ontwikkeling, maar in bestaand stedelijk gebied. Zoekgebied voor windturbines De ontwikkeling van windturbines is mogelijk binnen de aanduiding ‘zoekgebied voor windturbines’ als de ontwikkeling aansluit bij het karakter en de kwaliteit van het landschap in Noord-Brabant. Binnen de gemeente Oss zijn echter geen gebieden aangewezen als zoekgebieden voor windturbines. Gelet op voorgaande uiteenzetting wordt voldaan aan de in de Verordening ruimte 2014 gestelde voorwaarden. 3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1 Structuurvisie Buitengebied Oss - 2015 De gemeente Oss heeft een omvangrijk buitengebied. In de afgelopen jaren zijn de buitengebieden van Oss, Lith en Geffen samengevoegd. Voor de afzonderlijke buitengebieden waren al structuurvisies opgesteld. Het is belangrijk dat de gemeente een integrale visie heeft op het totale buitengebied van de gemeente Oss. Deze visie is samengekomen in de ‘Structuurvisie Buitengebied Oss - 2015’. Het plangebied van deze structuurvisie is het totale buitengebied van de gemeente Oss, met uitzondering van motorcrosscircuit Nieuw-Zevenbergen en vakantiepark Herperduin. De structuurvisie biedt de juridische basis voor financiële bijdragen bij ruimtelijke ontwikkelingen. In de structuurvisie zijn doelstellingen opgenomen die moeten leiden tot een robuuste en duurzame ruimtelijke structuur voor een vitaal en multifunctioneel buitengebied.
Dit moet resulteren in: - Een vitaal buitengebied, waar een goed evenwicht is tussen alle aanwezige functies zoals landbouw, toerisme, recreatie, natuur, water en wonen - Een versterking van de ruimtelijke identiteit met aandacht voor verscheidenheid, ruimte en landelijkheid - Een versterking van de aanwezige landschapstypen: uiterwaarden, oeverwal, komgebied, dekzandrand en dekzandrug - Behoud, herstel en/of ontwikkeling van de landschappelijke, cultuurhistorische en ecologische structuren en elementen - Gebieden met blijvende ruimte en mogelijkheden voor (grondgebonden) landbouw, met name binnen het primaire agrarisch gebied
Ruimtelijke onderbouwing Oude Molenweg 5, Herpen, pag. 23 van 47 4 september 2017
-
-
Voldoende afstand tussen slecht verenigbare functies zoals wonen en intensieve veehouderij De instandhouding van de leefbaarheid door het zorgvuldig en afgewogen bieden van ruimte aan nieuwe economische dragers Nieuwe impulsen voor toerisme en recreatie, met bijzondere aandacht voor versterking van de recreatie in de Maashorst en het Maasgebied en het ontwikkelen van aantrekkelijke uitloopgebieden met natuur en recreatie nabij de stad Oss en toeristisch-recreatieve verbindingen tussen kernen op afstand van de Maas en de Maasdijk Het bieden van ruimte voor waterveiligheid, waterkwantiteit en waterkwaliteit
De bovenstaande doelstellingen worden door vertaald naar een ontwikkelingsvisie per landschapstype. We maken onderscheid tussen: - Uiterwaarden - Oeverwal - Komgebied - Dekzandrand - Dekzandrug - Primair agrarisch gebied Per landschapstype is een gebiedsbeschrijving, een ruimtelijke en een functionele visie opgenomen. Naast de visies per landschapstype zijn er ook ontwikkelingsvisies opgesteld per bebouwconcentratie. Per bebouwingsconcentratie is een beschrijving van de ruimtelijke situatie van het gebied gegeven, evenals een visie over landschappelijke kenmerken en de mogelijkheden voor ontwikkelingen en transformaties. We beschrijven in welke bebouwingsconcentraties de realisatie van nieuwe woningen ruimtelijk voorstelbaar is. Daarnaast geven we aan welke andere functies eventueel mogelijk zijn. Uitgangspunt is nieuwe burgerwoningen in het buitengebied niet gewenst zijn. In hoofdlijn zijn de mogelijkheden voor het bouwen van nieuwe burgerwoningen in het buitengebied beperkt tot drie mogelijkheden: in de vorm van een stedelijke ontwikkeling binnen zoekgebied verstedelijking, in de vorm van een ruimte-voor-ruimte woning binnen een bebouwingsconcentratie, of met de regeling kwaliteitsverbetering bebouwingsconcentraties binnen zoekgebied verstedelijking. Initiatief Onderhavige planlocatie is gelegen in bebouwingsconcentratie ‘Kernrand Herpen’.
Deze ligt als een schil om de kern Herpen heen en vormt de overgang tussen de bebouwde kom van Herpen en het buitengebied. Het gebied kent hierdoor ook meerdere soorten functies. In de Kernrand Herpen bevinden zich agrarische bedrijven, enkele niet-agrarische bedrijven en vooral woningen. Visie Kernrand Herpen De agrarische sector kent weinig ontwikkelingsperspectieven in de bebouwingsconcentratie van Herpen. Wel zijn er mogelijkheden voor verbreding en Vrijkomende Agrarische Bebouwing. Met de vermindering van agrarische activiteit en de invloed vanuit de bebouwde kom, ontstaat een spanningsveld; steeds meer functies en gebruik die vreemd zijn aan het buitengebied, oefenen een druk uit waardoor ‘verrommeling’ van het landschap kan optreden. Een enigszins ‘rommelige’ zone aan de rand van de bebouwde kom kan juist heel dorps zijn. Maar wanneer de schaal van nieuwe bebouwing te groot wordt of de verweving tussen bebouwing en landschap verdwijnt, is er sprake van een tendens waarbij de verrommeling een negatieve uitwerking krijgt. Dit zou een grote aantasting betekenen van de aanwezige zichtlijnen. Deze zichtlijnen moeten dan ook versterkt worden om de functie van overgangsgebied tussen buitengebied en kern op een kwalitatieve manier te handhaven.
De nog zichtbare elementen van de oude historische verkavelingsstructuur kunnen behouden worden, door de oude akkercomplexen open te laten en de oude wegen- en padenstructuur vanuit het dorp in stand te houden. Concluderend kan gesteld worden dat onderhavige ontwikkeling, de uitbreiding met een loods en realisatie van een bedrijfswoning bij een bestaand niet-agrarisch bedrijf, past binnen de kaders van de structuurvisie. De locatie ligt in een overgangsgebied van woongebied naar een omgeving welke meer gericht is op bedrijvigheid. Er vinden ook meerdere ontwikkelingen, gericht op bedrijvigheid, plaats in de omgeving. Hierdoor ontstaat een sterk gemengd gebied met een vrij hoge bebouwingsdichtheid. Dit is in principe passend voor een bebouwingsconcentratie als ‘Kernrand Herpen’. De landschappelijke inpassing is er op gericht het directe zicht op de bebouwing te breken.