Bijlage 2A Toelichting - bijlage 13 Maadijk 11 Neerloon
Tekst van het document
Sfeerbeeld bloemrijk grasland
Sfeerbeeld kleinschalig landschap
10
Sfeerbeeld meidoornhaag
Sfeerbeeld hoogstamfruitboomgaard
Inrichtings- en beeldkwaliteitsplan
Landgoed Kromme Hoek
De nieuwe woningen staan net andersom dan de bestaande boerderij en de andere bestaande bebouwing in het gebied. Hierdoor wordt duidelijk dat het een nieuwe toevoeging betreft. Tegelijkertijd biedt het omdraaien van de woningen twee voordelen. Door de interne gerichtheid wordt de samenhang in het cluster versterkt. Tegelijkertijd wordt het mogelijk een stevig boskader te ontwikkelen tussen de dijk, de belangrijkste belevingslijn van het landschap, en de woningen. Hierdoor liggen de woningen grotendeels verscholen achter bos, waardoor de invloed van de nieuwe woningen op het landschap beperkt is. Het boskader sluit de twee nieuwe woonkavels slechts aan twee zijden in. Hierdoor
Het cluster woningen bestaat enerzijds uit de bestaande boerderij en anderzijds uit de nieuw toegevoegde landgoedkavels. Centraal in dit deel ligt de hoogstamfruitboomgaard. Deze vormt enerzijds de begrenzing van het achtererf van de boerderij en is tegelijk de “voortuin” van de nieuwe landgoedwoningen, die met hun voorzijde hierop gericht zijn. De nieuwe woningen, de bestaande boerderij en de boomgaard vormen op deze manier een samenhangend cluster.
Cluster van woningen
Kenmerkend voor deze zone is de afwisseling tussen open en gesloten delen, waardoor zichtlijnen ontstaan op het open deel van het landgoed en verder. Zichtlijn A biedt met name zicht op het open landschap van het landgoed, maar ook het open landschap daarachter. Zichtlijn B biedt zicht op het dassenbosje. Zichtlijn C biedt zicht op de kleinschalige zone zoals deze zich naar het zuiden uitstrekt onderlangs de dijk. Zichtlijn D loopt tussen het bestaande bosje ten noorden van de boerderij en het nieuwe bos tussen de nieuwe woningen en de dijk en biedt zicht op de ontsluiting van de nieuwe woningen. Zichtlijn E tenslotte biedt zicht op de kleinschalige zone onderlangs de dijk, tot aan Neerloon.
Kleinschalige zone onderlangs de dijk
Het plan bestaat uit verschillende delen: • de kleinschalige zone onderlangs de dijk; • het cluster van woningen, dat feitelijk deel uitmaakt van de kleinschalige zone; • het grootschalige landbouwgebied.
3.2 Beschrijving
Tenslotte wordt in de noordwestelijke hoek van het oostelijk gelegen landbouwperceel een amfibieënpoel gegraven.
11
Bijzonder element in het open landbouwkundige deel van het landgoed is het dassenbosje. Dit is een hogere plek, waarop zich in de loop der tijd een bosje heeft ontwikkeld. Hier is al sinds lange tijd een dassenfamilie actief. Ter bescherming en stimulering van de dassenburcht wordt voorgesteld in de nabijheid van het bosje enkele fruitbomen aan te planten.
In de akkerranden is ruimte om op een aantal plekken spontaan opgeslagen meidoorn een kans te geven om tot ontwikkeling te komen. Deze meidoornstruwelen dragen bij aan de natuurlijke uitstraling van de landbouwpercelen en daarmee aan een samenhangend beeld voor het gehele landgoed.
Reguliere landbouw maakt deel uit van het toekomstige landgoed Kromme Hoek. In het ontwerp voor het landgoed is er voor gekozen de landbouw een plek te geven in het grootschalige open gebied. Om toch de samenhang met de rest van het landgoed te borgen worden rondom de landbouwpercelen bloemrijke akkerranden gerealiseerd. Op deze manier wordt een sfeerbepalend element, bloemrijke grasland, uit de kleinschalige zone herhaald als rand in het grootschalige deel.
Grootschalige landbouwpercelen
De ontsluiting van het cluster vindt plaats vanuit de plek onderaan de dijk. OP deze plek onderaan de dijk splits de ontsluiting in enerzijds de ontsluiting van de bestaande boerderij en anderzijds in de ontsluiting naar de twee toekomstige woningen. De ontsluiting vindt zo plaats dat de bestaande kastanjes kunnen blijven staan.
wordt het mogelijk dat de toekomstige woningen een prachtig uitzicht hebben over het omgevende landschap.
12
Artist impression woongedeelte landgoed
Inrichtings- en beeldkwaliteitsplan
Landgoed Kromme Hoek
e. Uitstraling en materialisering Het uitgangspunt voor beide kavels laat zich het beste omschrijven als ‘landelijke bouwstijl’. De materialisering moet hierbij aansluiten, zie onderdeel “Materialen en kleuren”.
d. Massa (hoofdgebouwen en aan- en bijgebouwen) De massa voor het hoofdbouwvolume en het bijgebouw is rechthoekig van vorm, bestaande uit één bouwlaag met daarop een zadeldak. Aan de lange gevel is een uitbouw mogelijk met een doorgeschoten kap. De kap loopt dus in dezelfde lijn en met dezelfde hellingshoek door over deze uitbreiding. Het bijgebouw heeft ook een rechthoekige vorm van één bouwlaag met een zadeldak. Door de kleinere voetprint van het gebouw zal dit gebouw ondergeschikt zijn aan het hoofdbouwvolume.
c. Voorkant / achterkant Voor beide percelen geldt dat de voorzijde gericht is op de boomgaard en dus de achterzijde en één van de zijkanten op groen (graslanden of bos)
b. Rooilijnen De rooilijnen van beide percelen liggen verschoven ten opzichte van elkaar. Dit zorgt voor contact met het omliggende landschap voor beide percelen.
Goot- en nokhoogten (maximaal in meters) • hoofdgebouw: 3,5m – 8,0m; • bijgebouw: 3,0m – 6,0.
a. Oriëntatie Vanwege de smallere vorm van perceel A, is de oriëntatie van het hoofdgebouw haaks op de dijk aan de noordzijde. Het bijgebouw staat hier parallel aan. Perceel B is breder van vorm en minder diep dan perceel A. De oriëntatie van het hoofdgebouw is daarom evenwijdig aan de dijk aan de noordzijde. Het bijgebouw staat hier haaks op. De hoofdbebouwing in verschillende richtingen geeft variatie in de ruimtelijke opzet. Toch is er een samenhang voelbaar, zoals bij een boerenerf waar in de loop der tijd verschillende bouwwerken rondom zijn geplaatst. Het verschuiven van de hoofdvolumes ten opzichte van elkaar draagt zorg voor zicht op de omgeving voor beide percelen.
13
Erfgrenzen • erfgrensscheidingen uit te voeren als hagen. De toegangspoort uit te voeren als stalen of houten poort met maximale transparantie. De draaiende poortdelen te bevestigen tussen gemetselde, bakstenen penanten. Uitstraling moet een relatie aangaan met de woning; • de erfgrens aan de achterzijde wordt gevormd door het bosblok.
Materialen en kleuren • gevels: baksteen (vormbak of handvorm), kleur: aansluitend bij omgeving (grijs rood-bruin) , trasraam of plint in contrasterende kleur metselwerk en houtac centen zijn denkbaar; • daken: keramische pannen, kleur: aansluitend bij omgeving (grijs – rood – bruin); • rietaccenten zijn mogelijk, zoals te zien bij bestaande boerderij; • kozijnen: hout , luiken zijn voorstelbaar; • dakkapellen worden niet toegepast, of zo min mogelijk; • entree: hekwerk staal of hout, tussen gemetselde bakstenen penanten, tot 1 m hoog; • verhardingen; toegangsweg halfverharding tot aan einde perceel A, vanaf daar onverhard pad. Erf halfverhard uitvoeren met verharding in de vorm van tegels t.p.v. de zonterrassen.
Inhoud (bruto inhoud in meters) De gezamenlijke bruto inhoud van hoofd- en bijgebouw is maximaal 1.500m3, daarbij geldt: • hoofdgebouw maximaal 1.250m3; • bijgebouw maximaal 350m3.
4.2 Architectonische uitgangspunten
Stedenbouw en architectuur
4.1 Stedenbouwkundige visie
4.
14
Verharding • spaarzaam omgaan met verharding; • halfverharding (grind, split, houtsnippers); • gebakken klinkers; • natuursteen (kinderkopjes).
Erfinrichting • inheemse sortiment in een tuinstijl die aansluit bij de landschappelijke ligging (geen heidetuin of japanse tuin); • veel gras met enkele grote bomen (bij voorbeeld in de vorm van een solitaire notenboom of linde); • zo veel mogelijk natuurlijke erfinrichting, waarbij de akker die grenst aan kavel A, de woning als het ware raakt.
Erfafscheiding • groene erfafscheiding in de vorm van hagen (eventueel kan in de haag een hek werk verwerkt worden); • de hoogte van de erfafscheiding voor de voorgevelrooilijn is maximaal 1m; • sortiment voor de hagen bestaat uit inheems plantmateraal (wel: beuk, haag beuk, meidoorn, veldesdoorn; niet: taxus, coniferen, laurier); • tussen de beide percelen wordt de erfgrens deels uitgevoerd als houtwal, waarbij het sortiment bestaat uit inheemse plantmateriaal zoals meidoorn, hazelaar, eik, veldesdoorn, lijsterbes; • poorten zijn van hout of staal en transparant uitgevoerd (zie ook beeldkwaliteit architectuur); • Groene erfafscheiding in de vorm van hagen. Naast hagen zijn meer natuurlijke erfafscheidingen als houtwallen met struiken en boomvormers gewenst.
Belangrijk voor de beeldkwaliteit is dat aangesloten wordt bij de landschappelijke setting. Dit betekent:
4.3 Beeldkwaliteit en erfinrichting
Uitsnede artist impression woongedeelte landgoed
Inrichtings- en beeldkwaliteitsplan
Inrichting en beheer natuur
Landgoed Kromme Hoek
Bosstroken en bosje (14.570m2) • aanplant van 2 of 3-jarig bosplantsoen bestaande uit inheemse bomen en struiken (bedekkingsgraad = minimaal 80%) passend in het rivierenlandschap. Boomsoorten: gewone esdoorn en zomereik. Struiken: eenstijlige meidoorn, gewone vlier, gewone vogelkers, hondsroos, hazelaar, rode kornoelje, wilde lijsterbes, sleedoorn, egelantier, Gelderse roos; • bij beweiding van aanliggende gronden is een raster aanwezig zodat vraatschade aan stammen wordt voorkomen; • plantverband minimaal 1,25m x 1,25m en maximaal 1,5m x 1,5m; • snoeiwerkzaamheden worden verricht in de periode tussen 1 november en 15 maart; • dassenbosje: Aanplant van enkele fruitbomen in de nabijheid van het dassen bosje.
Hoogstamfruitboomgaard (2.880m2) • inzaaien met kruidenrijk grasmengsel; • aanplant van diverse soorten fruitbomen; • plantafstand ca 10 x 10 m; • circa 30 bomen; • kroon begint op een hoogte van minimaal 150 cm; • mogelijke soorten: appel, peer, pruim, kers; • de ondergroei wordt als grasland beheerd; • de bomen worden periodiek gesnoeid.
De inrichtings- en beheermaatregelen van de nieuwe natuur op het landgoed bestaan uit:
5.1 Inrichtings- en beheermaatregelen
5.
15
Kruidenrijke akkerranden (lengte circa 1.300 m) • akkerranden die jaarlijks bewerkt en ingezaaid worden met een akkerkruidenmengsel, breedte randen minimaal 6 meter; • gewassen worden niet geoogst, maar blijft in de winter staan en pas het volgen de jaar ondergewerkt; • de rand kan worden gebruikt als (struin-)pad; • mechanische onkruidbestrijding en het gebruik van chemische bestrijdingsmid delen is niet toegestaan m.u.v. pleksgewijze bestrijding van akkerdistel, ridderzu ring en Jacobskruiskruid.
Poel (270m2) • wordt gegraven met flauwe taluds (minimaal 1:3 aan zuidzijde en 1:5 aan noordzijde); • diepte maximaal 2.0m, oppervlak circa 270m2; • circa 25% van de oever mag begroeid worden door houtige gewassen; • beheer bestaat uit periodiek uitmaaien (eens in de 5 jaar) en uitbaggeren (eens in de 10 jaar). Schoningswerkzaamheden worden uitgevoerd in de periode 1 september - 15 oktober.
Naast de beeldbepalende boerderij is een populierenbosje gelegen. De populieren in dit bosje zijn aan het eind van hun levensduur en zullen binnenkort worden verwijderd. Andere, langer levende, waardevolle bomen blijven hierbij gespaard. Op het landgoed worden vier bosjes aangeplant die het verlies van het populierenbosje compenseren.
Bloemrijk grasland (37.395m2 = inclusief akkerranden) • inzaaien met kruidenrijk grasmengsel; • het grasland wordt één (najaar) of twee keer per jaar (1x april, 1x september) gemaaid en afgevoerd. Bepaalde delen van het perceel (circa 10%) worden later gemaaid om eventueel in het gras aanwezige diersoorten een vluchtplaats te kunnen bieden en om bijzondere planten met een afwijkende bloeitijd toch tot zaadzetting te laten komen • Minimale bemesting i.v.m. verschraling terrein. Incidentele bemesting met ruige stalmest en eventueel nabeweiding (volgens normen provincie: 1,5 GVE per ha)
16
Inrichtings- en beeldkwaliteitsplan
Ten behoeve van de realisatie van Landgoed Kromme Hoek moet het bestemmingsplan buitengebied van de gemeente Oss worden herzien. Naast de planologische zekerstelling wordt een privaatrechtelijke overeenkomst gesloten tussen de gemeente Oss en de eigenaar van Landgoed Kromme Hoek. Op deze overeenkomst is een kettingbeding van toepassing, waardoor ook toekomstige eigenaren of gebruikers gehouden zijn aan deze afspraken. In deze overeenkomst worden een aantal afspraken zoals openstelling voor publiek, realisatie van de nieuwe natuur alvorens te starten met de bouw van de landhuizen vastgelegd. Tevens wordt de inrichting en het beheer vastgelegd bij het Kadaster middels een kwalitatieve verplichting.
Landgoed Kromme Hoek zal worden opengesteld voor publiek, waardoor het landgoed een bijdrage levert aan de extensieve recreatieve mogelijkheden voor de inwoners van Neerloon en wellicht ook zelfs voor het nabij gelegen Overlangel en Ravenstein. De openstellingregels voor Landgoed Kromme Hoek zijn conform de algemene regels voor openstelling van natuurgebieden. Dit wil zeggen: • het landgoed is opengesteld op wegen en paden van zonsopgang tot zonsonder gang; • het is verboden voor motoren, ander gemotoriseerd vervoer en mountainbikers; • honden zijn toegelaten, mits aangelijnd.
Opengestelde wandelpaden
5.3 Duurzame instandhouding
5.2 Openstelling
Uitgangspunten bestemmingsplan
Landgoed Kromme Hoek
Overige uitgangspunten • voorwaardelijke verplichting opnemen in de regels waarin is geregeld dat de in richting van het landgoed gerealiseerd moet zijn voordat de landgoedwoningen gebouwd mogen worden; • in de bouwregels opnemen dat gebouwd moet worden conform het inrichtings- en beeldkwaliteitsplan; • het gehele landgoed krijgt de dubbelbestemming Waarde-Landgoed; • bij bestaande boerderij 380m2 aan bijgebouwen mogelijk maken. Dir is conform huidige situatie, maar één van de bijgebouwen moet worden verplaatst vanwege de nieuwe inrit voor de landgoedwoningen waardoor het overgangsrecht niet afdoende is.
Bijgebouw • bouwhoogte max 6 meter; • goothoogte max 3 meter; • oppervlak max 100 m2.
Hoofdgebouw • bouwhoogte max 8 meter; • goothoogte max 3,5 meter; • inhoud maximaal 1.500 m3.
De nieuwe bouwvlakken van de landgoedwoningen liggen buiten de dubbelbestemming zone Waterstaat-Waterkering waarbinnen niet gebouwd mag worden.
6.
17
Flora- en faunaquickscan Maasdijk 11 te Neerloon
In opdracht van: Familie Van Heumen 18 januari 2016 J.P.M. Hovens, P. op het Veld en G. Hovens
Faunaconsult Tegelseweg 3 5951 GK Belfeld Tel: 077-4642999 www.faunaconsult.nl
Flora- en faunaquickscan Maasdijk 11 te Neerloon Opdrachtgever: Opstellers/controle: Veldwerk:
Familie Van Heumen dhr. ir. J.P.M. Hovens en mw. ir. G. Hovens dhr. ir. J.P.M. Hovens en dhr. P. op het Veld
Faunaconsult is lid van het Netwerk Groene Bureaus, de landelijke brancheorganisatie voor kwaliteitsbevordering en belangenbehartiging van ecologische advies- en -onderzoeksbureaus. Het Netwerk Groene Bureaus hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden van het netwerk aan te spreken op de kwaliteit van hun werk en aangeleverde producten.
Flora- en faunaquickscan Maasdijk 11 te Neerloon
1
Inhoud 1 2
Inleiding........................................................................................................................................... 3 Beleidskader .................................................................................................................................... 4 2.1 Inleiding................................................................................................................................... 4 2.2 Flora- en faunawet ................................................................................................................... 4 2.3 Natuurbeschermingswet 1998 ................................................................................................. 5 2.4 Natuurnetwerk Nederland ....................................................................................................... 6 3 Werkwijze ....................................................................................................................................... 7 3.1 Beschrijving van het plangebied ............................................................................................. 7 3.2 Veldinventarisatie ....................................................................................................................
7 4 Resultaten inventarisatie.................................................................................................................. 8 4.1 Resultaten beleidsinventarisatie .............................................................................................. 8 4.2 Resultaten veldinventarisatie ................................................................................................... 8 5 Effecten van de voorgenomen ingreep .......................................................................................... 11 5.1 De ingreep ............................................................................................................................. 11 5.2 Effecten op algemene beschermde soorten ........................................................................... 11 5.3 Effecten op das en steenuil .................................................................................................... 11 5.4 Effecten op de ekster ............................................................................................................. 12 5.5 Effecten op algemene vogels ................................................................................................. 12 5.6 Effecten op het NN ................................................................................................................
12 6 Consequenties vanuit de wet- en regelgeving ............................................................................... 13 6.1 Flora- en faunawet ................................................................................................................. 13 6.2 Overige regelgeving .............................................................................................................. 13 Literatuur ............................................................................................................................................... 14
Flora- en faunaquickscan Maasdijk 11 te Neerloon
2
1
Inleiding
Onderzoeksvragen Praedium Coöperatie u.a. heeft namens de familie Van Heumen aan ecologisch adviesbureau Faunaconsult opdracht gegeven een flora- en faunaquickscan uit te voeren aan de Maasdijk 11 te Neerloon. Hier wil men de boerderij met circa 12 hectare landbouwgrond omvormen naar een nieuw landgoed, conform het landgoederenbeleid in de provincie Noord-Brabant. Faunaconsult is gevraagd het volgende aan te geven: - welke beschermde dieren en planten komen voor in het plangebied - welke effecten heeft de voorgenomen ingreep - kunnen eventuele negatieve effecten zoveel mogelijk worden gemitigeerd (verzacht) - welke eventuele gevolgen zijn er met betrekking tot de Vogel- en Habitatrichtlijn, de Natuurbeschermingswet en het Natuurnetwerk Nederland (NN). Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van het huidige beleidskader met betrekking tot de bescherming van natuurwaarden. Hoofdstuk 3 beschrijft het plangebied en de werkwijze van de inventarisaties van de natuurwaarden. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van de beleids- en veldinventarisaties weergegeven en in hoofdstuk 5 de effecten van de voorgenomen ingreep op de aanwezige natuurwaarden. Hoofdstuk 6 behandelt de consequenties van wet- en regelgeving.
Flora- en faunaquickscan Maasdijk 11 te Neerloon
3
2
Beleidskader
2.1
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op het natuurbeleid van de diverse overheden, dat van belang is bij de voorgenomen werkzaamheden in het plangebied. Het natuur- en soortenbeleid is in Nederland geregeld in de Wet op de Ruimtelijke Ordening, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Flora- en faunawet. Hiermee wordt onder andere invulling gegeven aan de Europese wet- en regelgeving, zoals de Vogel- en Habitatrichtlijn.
2.2
Flora- en faunawet
De Flora- en faunawet (Stb. 1998, 402) is op 1 april 2002 in werking getreden. Deze wet bundelt onder meer de bepalingen over soortenbescherming die voorheen in verschillende wetten waren opgenomen, namelijk de Vogelwet 1936, de Jachtwet, (de oude) Natuurbeschermingswet, de Nuttige Dierenwet 1914 en de Wet bedreigde uitheemse dier- en plantensoorten. De Flora- en faunawet richt zich op de bescherming van circa 500 plant- en diersoorten. Het gaat hierbij om alle inheemse zoogdieren (uitgezonderd bruine rat, zwarte rat en huismuis), alle inheemse vogelsoorten, alle amfibieën en reptielen, een aantal vissen en enkele bij AMvB (Stb. 523, 2000) speciaal aangewezen plant- en diersoorten. Uitgangspunt van de wet is het ‘nee, tenzij’- beginsel. Slechts voor een beperkt aantal handelingen kan op basis van artikel 75 van de Flora- en faunawet ontheffing worden verleend van de verboden uit artikel 8 t/m 11 van de wet (voor zover hiervoor niet reeds op basis van een ander artikel vrijstelling of ontheffing kan worden verleend). Voorwaarde daarbij is dat met de voorgenomen activiteit geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort.
Kort gezegd worden de onder de Flora- en faunawet beschermde plant- en diersoorten in drie categorieën opgedeeld, met elk een ander regime wat betreft ontheffingen: algemene soorten (FF1); overige soorten (FF2); streng beschermde soorten (FF3). De categorie ‘algemene soorten’ –zoals mol en konijn - is voor de meeste activiteiten vrijgesteld voor een ontheffingsaanvraag. De categorie ‘overige soorten’ is eveneens voor de meeste activiteiten vrijgesteld voor een ontheffingsaanvraag, mits die activiteiten worden uitgevoerd op basis van een door het Ministerie van Economische zaken goedgekeurde gedragscode. In zo'n code geeft een sector zelf aan welke gedragslijnen men volgt om het schaden van beschermde soorten zo veel mogelijk te voorkomen, bijvoorbeeld: altijd eerst inventariseren waar de soorten precies voorkomen en daar met de werkzaamheden rekening mee houden, bijvoorbeeld door een hol af te schermen of de standplaats van planten aan te geven. Voor ingrepen waarvoor geen goedgekeurde gedragscode bestaat, moet ten aanzien van verblijfplaatsen van beschermde soorten uit de categorie ‘overige soorten’, een ontheffing worden aangevraagd. Daarbij kan worden volstaan met een zogenaamde lichte toetsing. Dat houdt in dat de voorgenomen maatregelen ‘geen afbreuk doen aan gunstige staat van instandhouding van de soort’.
De categorie ‘streng beschermde soorten’ omvat de soorten die worden genoemd in bijlage 4 van de Habitatrichtlijn of bijlage 1 van AMvB artikel 75 van de Flora- en faunawet. Voor de categorie ‘streng beschermde soorten’ wordt slechts in een beperkt aantal situaties een vrijstelling verleend. Voor bijlage 1 soorten wordt getoetst aan de volgende drie criteria (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2005): 1) er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort 2) er is geen goed alternatief 3) de activiteit past binnen een van de hierna genoemde belangen:
Flora- en faunaquickscan Maasdijk 11 te Neerloon
4
Onderzoek en onderwijs; Repopulatie en herintroductie; Bescherming van flora en fauna; Veiligheid van het luchtverkeer; Volksgezondheid of openbare veiligheid; Dwingende redenen van openbaar belang; Voorkomen van ernstige schade aan vormen van eigendom; Belangrijke overlast veroorzaakt door dieren; Uitvoering van werkzaamheden in het kader van bestendig beheer en onderhoud in de landbouw en bosbouw; Bestendig gebruik; Uitvoering in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling.
Deze drie criteria vormen de zg. uitgebreide toets en aan alle drie moet worden voldaan. Als het gaat om een ontheffingsaanvraag in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en het gaat om streng beschermde soorten en/of vogels, dan wordt extra getoetst op een vierde criterium: 4) de werkzaamheden moeten zodanig uitgevoerd worden dat er sprake is van ‘zorgvuldig handelen’ Voor ruimtelijke maatregelen kan men ten aanzien van streng beschermde soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn ontheffing krijgen op grond van belangen die zijn opgenomen in de Habitatrichtlijn. Dat zijn: Bescherming van flora en fauna; Volksgezondheid of openbare veiligheid; Dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en voor het milieu wezenlijke gunstige effecten. Voor ruimtelijke maatregelen kan men ten aanzien van vogels ontheffing krijgen op grond van belangen die zijn opgenomen in de Vogelrichtlijn. Dat zijn: Bescherming van flora en fauna; Veiligheid van het luchtverkeer; Volksgezondheid of openbare veiligheid.
2.3
Natuurbeschermingswet 1998
Natuurbeschermingswet 1998 beschermt verschillende soorten gebieden De eerste Natuurbeschermingswet in Nederland dateert van 1967, deze wet maakte het mogelijk om natuurgebieden en soorten te beschermen, onder andere door het aanwijzen van beschermde natuurmonumenten. Deze oorspronkelijke natuurbeschermingswet is in 1998 vervangen en sindsdien richt de wet zich nog uitsluitend op de bescherming van gebieden. Waar in dit rapport gesproken wordt over de Natuurbeschermingswet, wordt telkens Natuurbeschermingswet 1998 bedoeld. De bepalingen van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn (tezamen genoemd “Natura 2000”) zijn geïmplementeerd in de Natuurbeschermingswet. Zodoende is het Europese beleid ten aanzien van natuurbescherming in de Nederlandse wet verankerd. De Natuurbeschermingswet regelt de aanwijzing en bescherming van de volgende soorten gebieden: Vogel- en Habitatrichtlijngebieden (samen zijn dit de Natura 2000-gebieden); Beschermde natuurmonumenten; Wetlands (RAMSAR Conventie). De Vogelrichtlijn De Vogelrichtlijn (Richtlijn 79/409/EEG) richt zich op de bescherming van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten en in het bijzonder op de leefgebieden van bedreigde en kwetsbare vogelsoorten.
Flora- en faunaquickscan Maasdijk 11 te Neerloon
5
In de richtlijn worden nadere regels gesteld aan de bescherming, het beheer en de regulering van vogelsoorten. Een aantal gebieden is hierbij aangewezen als speciale beschermingszone. Deze gebieden maken onderdeel uit van Natura 2000, het ecologische netwerk van natuurgebieden in Europa. Voor beschermde vogelsoorten kan geen ontheffing worden aangevraagd voor uitvoering van werkzaamheden. De Habitatrichtlijn De Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG) richt zich op de instandhouding van natuurlijke habitats, habitats van soorten en de bescherming van plant- en diersoorten, met uitzondering van vogels. In bijlage I van deze richtlijn worden speciale beschermingszones aangewezen voor kwetsbare, bedreigde of zeldzame habitattypen. Bijlage II vermeldt de kwetsbare, bedreigde of zeldzame dier- en plantensoorten die beschermd moeten worden door speciale beschermingszones aan te wijzen. Bijlage IV vermeldt in het wild voorkomende kwetsbare, bedreigde of zeldzame dier- en plantensoorten die strikt beschermd moeten worden. Natura 2000 De Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn vormen samen Natura 2000. Alle lidstaten van de Europese Unie wijzen beschermde natuurgebieden aan die waardevol zijn voor het behoud van biodiversiteit in Europa.
Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging maken rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de minister van LNV. Daarnaast zal Nederland in de komende jaren voor alle gebieden die samen Natura 2000 vormen, beheersplannen opstellen. Deze beheersplannen maken duidelijk welke activiteiten wel en niet mogelijk zijn in en om die gebieden. Beschermde natuurmonumenten Met de aanwijzing van Natura 2000-gebieden zullen Beschermde Natuurmonumenten die overlappen met zo'n aanwijzing komen te vervallen. De buiten de Natura 2000 gebieden gelegen Beschermde Natuurmonumenten blijven bestaan. Beschermde Natuurmonumenten zijn als zodanig aangewezen vanwege de aanwezigheid van grote ecologische waarden. Wetlands (RAMSAR Conventie) De Ramsar-conventie is een internationale overeenkomst inzake watergebieden (draslanden) die van internationale betekenis zijn, in het bijzonder als woongebied voor watervogels. Een groot deel van deze beschermde wetlands is in Nederland ook al als Natura 2000 gebied aangewezen.
2.4
Natuurnetwerk Nederland
Het Natuurnetwerk Nederland, vroeger de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genoemd, is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. In het Natuurnetwerk Nederland liggen: bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden. Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijk voor de begrenzing en ontwikkeling van dit natuurnetwerk. Tot die tijd was de Rijksoverheid hiervoor verantwoordelijk. In het Natuurpact hebben de provincies met het rijk afgesproken om tot 2027 80.000 hectare natuur in te richten. Het Natuurnetwerk Nederland moet uiteindelijk samen met de natuurgebieden in andere Europese landen het aaneengesloten pan-Europees Ecologisch Netwerk (PEEN) vormen.
Flora- en faunaquickscan Maasdijk 11 te Neerloon
6
3
Werkwijze
3.1
Beschrijving van het plangebied
Figuur 1 geeft de ligging van het plangebied weer. Het plangebied bestaat grotendeels uit weilanden die tijdens het veldbezoek met schapen werden begraasd. Daarnaast is er een boerderij met bijbehorende tuin en erf, een populierenopstand, garage, koeienstal en een bosje met wat meidoorns en gele kornoelje. De boerderij en de koeienstal blijven behouden en vallen daarom in feite buiten het plangebied. Het plangebied ligt aan de Maasdijk, deze dijk begrenst de oude Maasarm naast natuurgebied Keent. De omgeving van het plangebied is agrarisch ingericht, met weilanden, akkers en boerderijen.
Figuur 1. Het plangebied (rood omlijnd).
3.2
Veldinventarisatie
Op 14 januari 2016 heeft Faunaconsult het plangebied bezocht. Daarbij werden de aanwezige biotopen beoordeeld op hun geschiktheid als habitat voor beschermde diersoorten. Alle bovengronds aanwezige beschermde planten in het plangebied werden in kaart gebracht. Tevens werd er gezocht naar (tekenen van aanwezigheid van) beschermde zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën. Met betrekking tot zoogdieren werd speciaal gelet op pootafdrukken, krabsporen, wissels, uitwerpselen, haren, graafsporen, holen, en potentieel geschikte verblijfplaatsen. Ook werd het plangebied afgezocht naar jaarrond beschermde vogelnesten, dassenholen, dassenwissels en mogelijke vleermuisverblijven. Aan de hand van relevante verspreidingsgegevens (RAVON, 2006, 2007, 2010, 2011, 2013) en de waarnemingsoverzichten op www.ravon.nl/tijdschrift en www.waarneming.nl is vervolgens ingeschat welke beschermde soorten mogelijk in het plangebied voorkomen.
Flora- en faunaquickscan Maasdijk 11 te Neerloon
7
4
Resultaten inventarisatie
4.1
Resultaten beleidsinventarisatie
Figuur 2 laat de ligging van het plangebied ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland (NN) zien.
Figuur 2. NN ten opzichte van het plangebied (rood omlijnd). Het plangebied ligt op ruime afstand (meer dan 10 kilometer) van Natura 2000-gebieden, beschermde Natuurmonumenten en wetlands. Ook is het plangebied geen onderdeel van een Nationaal Landschap.
4.2
Resultaten veldinventarisatie
Zoogdieren In het plangebied bevinden zich twee dassenburchten: een grotere burcht met meerdere belopen/vergraven pijpen; het gaat hier duidelijk om een hoofd- of familieburcht en een kleinere burcht met zo’n drie pijpen. Vanwege de korte afstand tot de hoofdburcht (zo’n 45 meter) en vanwege het feit dat de pijpen van de kleinere burcht niet recent zijn belopen (deels verzakt) gaat het hier duidelijk om een bijburcht of kraamburcht, die niet permanent wordt bewoond. De weilanden en (in mindere mate) akkers rond deze burchten hebben een belangrijke functie als foerageergebied voor de dassen van deze burchten. Beide burchten zijn weergegeven in figuur 3.
Flora- en faunaquickscan Maasdijk 11 te Neerloon
8
Verder werden er tijdens het veldbezoek meerdere konijnenpijpen en enkele keutels van de bruine rat (niet beschermd) aangetroffen. Holle bomen zijn afwezig, evenals lijnvormige opgaande boomvegetaties. In de te slopen garage bevinden zich geen openingen die geschikt zijn voor vleermuizen. Sporen, wissels, uitwerpselen etc. van zoogdieren, die behoren tot de categorieën ‘streng beschermde soorten’ of ‘overige soorten’ zijn afwezig. Tabel 1 geeft de zoogdiersoorten weer die mogelijk een vaste rust- en verblijfplaats in of nabij het plangebied hebben. Tabel 1. Beschermde zoogdiersoorten die (mogelijk) een vaste rust- en verblijfplaats in het plangebied hebben. De status van de soorten in de Flora- en faunawet is eveneens weergegeven. Nederlandse naam en wetenschappelijke naam FF1 FF2 FF3 Aardmuis (Microtus agrestis) Bosmuis (Apodemus sylvaticus) Rosse woelmuis (Clethrionomys glareolus) Gewone bosspitsmuis (Sorex araneus) Huisspitsmuis (Crocidura russula) Veldmuis (Microtus arvalis) Mol (Talpa europea) Konijn (Oryctolagus cuniculus) Haas (Lepus europeus) Egel (Erinaceus europeus) Das (Meles meles)
X X X X X X X X X X X
FF1 = algemene soorten FF2 = overige soorten FF3 = streng beschermde soorten
Vogels In een hoek van de koeienstal bevonden zich tijdens het veldbezoek verschillende steenuilbraakballen en vele uilenuitwerpselen. Nadere inspectie van de ruimte tussen het eternieten golfplaten dak en de zuidelijke zijgevel resulteerde in de vondst van een nestholte en een wegvliegende steenuil. Het is duidelijk dat hier een steenuilennest aanwezig is. Steenuilennesten zijn jaarrond beschermd (Dienst Regelingen, 2009b). De locatie van het steenuilennest is weergegeven in figuur 3. Ook werden er tijdens het veldbezoek twee eksternesten aangetroffen; een in de te rooien populieren en een in een meidoornstruik (beide locaties zijn weergegeven in figuur 3). De ekster is een categorie 5 soort; dat zijn soorten waarvan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland eist dat er wordt aangetoond dat er op de langere termijn voldoende nestgelegenheid in de omgeving van het plangebied aanwezig blijft (Dienst Regelingen, 2009b). Bomen met holten zijn in het plangebied afwezig. Overige categorie 5 soorten zijn daarom niet te verwachten. Wel is het aannemelijk dat er in de opgaande vegetaties in het broedseizoen algemene vogels als merel en winterkoning broeden. Overige beschermde soorten Beschermde plantensoorten zijn in het plangebied niet aangetroffen. Mogelijk fungeren de tuin en sloten als landhabitat voor verschillende soorten amfibieën.
Omdat de greppels in het plangebied het grootste deel van het jaar (in de zomer) droog staan, fungeren deze niet als voortplantingswater voor amfibieën. Wegens de afwezigheid van geschikte voortplantingswateren zijn bijzondere amfibieën niet in het plangebied te verwachten. Overige beschermde soorten zijn evenmin te verwachten. Tabel 3 geeft de mogelijk voorkomende beschermde soorten weer.
Flora- en faunaquickscan Maasdijk 11 te Neerloon
9
Tabel 3. (Potentieel) in het werkterrein voorkomende overige soorten. De status van de soorten in de Flora- en faunawet is eveneens weergegeven. Nederlandse naam en wetenschappelijke naam FF1 FF2 FF3 Gewone pad (Bufo bufo) X Bruine kikker (Rana temporaria) X FF1 = algemene soorten FF2 = overige soorten FF3 = streng beschermde soorten
Figuur 3. Bijzondere natuurwaarden in het plangebied.
Flora- en faunaquickscan Maasdijk 11 te Neerloon 10
5
Effecten van de voorgenomen ingreep
5.1
De ingreep
De boerderij met circa 12 hectare landbouwgrond worden omgevormd naar een nieuw landgoed, conform het landgoederenbeleid in de provincie Noord-Brabant. Dit houdt in dat de twee betonnen voerkuilen, de garage, de populierenopstand en een klein deel van de weilanden wordt omgevormd tot 2 woningen met bijbehorende tuinen en erven. Het grootste deel van de weilanden wordt omgezet in bloemrijk grasland (weiland) en voorzien van struweelhagen. Enkele weilanden worden omgevormd tot hoogstamboomgaard. Figuur 4 geeft de voorgestane situatie weer.
Figuur 4. De voorgestane situatie.
5.2
Effecten op algemene beschermde soorten
Door de werkzaamheden kunnen holen en individuen van algemeen voorkomende zoogdieren en amfibieën mogelijk worden verstoord of verdwijnen.
5.3
Effecten op das en steenuil
De dassenburchten en de koeienstal met het steenuilennest worden niet geschonden en de weilanden nabij beide dassenburchten en nabij het steenuilennest worden in de toekomst niet meer als akker gebruikt. Doordat deze weilanden voortaan als begraasd bloemrijk grasland worden beheerd en voorzien worden van struweelhagen, neemt hun waarde als foerageergebied voor de das en de steenuil flink toe (meer dekking en variatie in voedselaanbod). De omvorming van een deel van de weilanden in hoogstamboomgaard is eveneens zeer gunstig voor de das en de steenuil. De omvorming van een deel van het erf (betonnen voerkuilen, garage, populierenopstand) en een klein deel van de weilanden (op respectievelijk 175 meter afstand van de hoofdburcht en 75 meter van het steenuilennest) heeft geen noemenswaardige gevolgen voor de das en de steenuil. De afstanden zijn bovendien ruim genoeg om directe verstoring van de dassenburchten en het steenuilennest te
Flora- en faunaquickscan Maasdijk 11 te Neerloon 11
voorkomen. Volgens drs. P.F.M. Beersma (eerste auteur van het boek ‘Steenuilen’ ) dient er namelijk, om verstoring van nesten te voorkomen, bij nieuwbouw te worden uitgegaan van minimaal 50 – 60 meter afstand tot het invlieggat van het steenuilennest (pers. med.). Dhr. H. Thoonen (uilenexpert en uitvinder van de Thoonen-steenuilenkast) adviseert eveneens een afstand van minimaal 50 meter (pers. med.).
5.4
Effecten op de ekster
Het oude eksternest zal met de kap van de populieren verdwijnen. Doordat er voldoende hoge bomen en struiken aanwezig zijn, blijft er voldoende nestgelegenheid voor de ekster over. Dit blijkt ook uit de aanwezigheid van een tweede eksternest (dat zal worden behouden) in het plangebied. De aanplant van struweelhagen levert bovendien extra nestgelegenheid voor de ekster op. Het lokale voortbestaan van de ekster komt door de plannen dus niet in gevaar.
5.5
Effecten op algemene vogels
Door de te verwijderen bomen en struiken buiten het broedseizoen te kappen (buiten de periode 15 maart – 15 juli) wordt verstoring of vernietiging van nesten van algemene vogelsoorten voorkomen.
5.6
Effecten op het NN
Het plangebied ligt in de directe nabijheid van het NN. Doordat het grootste deel van de weilanden in het plangebied omgevormd zal worden in bloemrijk grasland met enkele struweelhagen en doordat een aantal weilanden omgevormd wordt in hoogstamboomgaard, zal dit leiden tot meer dekking en meer variatie in voedselaanbod. Dit heeft ook een positief effect op de natuurwaarden in het NN.
Flora- en faunaquickscan Maasdijk 11 te Neerloon 12
6
Consequenties vanuit de wet- en regelgeving
6.1
Flora- en faunawet
Beschermde dieren uit de categorie ‘algemene soorten’: vrijstelling Voor het vernietigen van holen etc. en verstoren van beschermde zoogdieren van de categorie ‘algemene soorten’ voor ruimtelijke ingrepen, bestaat een vrijstelling op grond van ‘AMvB artikel 75’ van de Flora- en faunawet (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2005). Er hoeft daarom geen ontheffing te worden aangevraagd. Vogels: werken buiten het broedseizoen Door het verwijderen van de vegetatie buiten de periode 15 maart tot 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) uit te voeren, wordt directe schade aan algemeen voorkomende vogels, hun nesten en eieren voorkomen. Er hoeft dus geen ontheffing voor algemene vogels te worden aangevraagd. Door het (buiten het broedseizoen) rooien van de populieren zal een van de twee eksternesten in het plangebied verdwijnen. De ekster is een categorie 5 soort; dat zijn soorten waarvan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland eist dat er wordt aangetoond dat er op de langere termijn voldoende nestgelegenheid in de omgeving van het plangebied aanwezig blijft (Dienst Regelingen, 2009b). In 5.4 is al uitgelegd dat dit het geval is. Dassen en steenuilen Omdat het plangebied er voor de das en steenuil fors op vooruit gaat, wordt er gewerkt volgens de soortenstandaarden van das en steenuil (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, 2014a en -b).
Er is dus geen ontheffing voor das of steenuil nodig. Voorkomen doden of verwonden dieren De in de Flora- en faunawet genoemde ‘algemene zorgplicht’ is ook op beschermde soorten uit de categorie ‘algemene soorten’ van toepassing. Beschermde diersoorten (ook die van de categorie ‘algemene soorten’) die tijdens het werk worden aangetroffen, moeten direct worden gevangen en na afloop van de werkzaamheden in het aangrenzende gebied worden vrijgelaten.
6.2
Overige regelgeving
Het plangebied ligt in de directe nabijheid van het NN. De voorgenomen maatregelen hebben naar verwachting een positief effect op de natuurwaarden in dit gebied. Er zijn daarom vanuit het provinciale natuurbeleid geen bezwaren te verwachten.
Flora- en faunaquickscan Maasdijk 11 te Neerloon 13
Literatuur
Dienst Regelingen. 2009a. Wijziging beoordeling ontheffing Flora- en faunawet bij ruimtelijke ingrepen. Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit. Dienst Regelingen. 2009b. Bijlage aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten. Ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep. Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit. Dienst Regelingen. 2009c. Uitleg Aangepaste beoordeling ontheffing ruimtelijke ingrepen Flora- en faunawet. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2005-A. Buiten aan het werk? Houd tijdig rekening met beschermde dieren en planten! Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Den Haag. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2005-B. Algemene Handreiking Natuurbeschermingswet 1998. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Den Haag. RAVON. 2001. Waarnemingsoverzichten. RAVON 4: 61-76. RAVON, 2003. Waarnemingenoverzicht 2001. RAVON, 5: 47-64. RAVON, 2004. Waarnemingenoverzicht 2002. RAVON, 6: 33-48. RAVON, 2006. Waarnemingenoverzicht 2005. RAVON, 24: 46-64. RAVON, 2007. Waarnemingenoverzicht 2006. RAVON, 27: 46-64. RAVON, 2010. Waarnemingenoverzicht 2007 en 2008. RAVON, 34: 61-80. RAVON, 2011. Waarnemingenoverzicht 2010. RAVON, 42: 105-119. RAVON, 2013. Waarnemingenoverzicht 2012. RAVON, 51: 119-132. Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. 2014a. Soortenstandaard das Meles meles.
Versie 2.0. Ministerie van Economische zaken, Den Haag. Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. 2014b. Soortenstandaard Steenuil. Athene noctua. Versie 1.1. Beersma, P., W. Beersma en A. van den Burg. 2007. Steenuilen. Vogelbescherming Nederland en Vogelbescherming België.
Flora- en faunaquickscan Maasdijk 11 te Neerloon 14
datum 18-1-2016 dossiercode 20160118-38-12278 Samenvatting uitkomsten digitale watertoets Algemene gegevens aanvrager Naam aanvrager: G. Stoffelen Organisatie: Praedium Straat/postbus: Maurick Huisnummer: 1 Postcode : 5261 NA Plaats : Vught Telefoon : 0620070879 E-mail : gstoffelen@praedium.eu Contactpersoon gemeente Gemeente : Oss Contactpersoon : E. Broeksteeg Telefoon : 14 0412 E-mail : E.Broeksteeg@oss.nl Algemene plangegevens Naam en/of omschrijving van het plan : Landgoed Kromme Hoek Straat : Maasdijk Huisnummer : 11 Postcode : 5371PD Plaats : Neerloon Kadastraal adres : Ravenstein E 1344 en E 1040 Plangebied oppervlak : 5027 m2 Kaartmateriaal Heeft het ingetekende plangebied een beperkingsgebied geraakt?ja Welke gemeente omvat het grootste deel van het door u getekende plangebied? Oss Vragen: Houdt het plan uitsluitend een interne functieverandering voor een gebouw in? Hierbij is ook geen sprake van een verhardingstoename en/of afkoppeling van hemelwater? nee Is er sprake van een directe lozing van afvalwater op oppervlaktewater? nee Vervolgvragen: Omvat het plan een verhardingstoename of een afkoppeling van hemelwater(oppervlak) waarbij het oppervlak 2000 m2 of meer bedraagt? nee Betreft het de bouw van minimaal 100 woningen en/of de (her)ontwikkeling van een bedrijventerrein? nee
Worden er in het plan wijzigingen in en rond het oppervlaktewatersysteem (let op keurzone van 5m) aangebracht? {keurzone} Is er sprake van een grondwateronttrekking (inclusief drainage)? nee Aanvullende vragen: Neemt de hoeveelheid verharding toe? Zo ja, hoeveel m2 ? 1000 m2 Wordt er verhard oppervlak afgekoppeld? Zo ja, hoeveel m2? 1000 Hoe groot is de berekende infiltratie-/waterbergingsbehoefte (m3)? 60 m3 Hoe wordt in het plan het hemelwater verwerkt? 1 Via een gescheidenstelsel: hemelwater wordt geinfiltreerdja 2 Via een gescheiden stelsel: hemelwater wordt vertraagd afgevoerd naar oppervlaktewater 3 Via een gemengd stelsel Worden er materialen gebruikt waardoor het afstromende hemelwater verontreinigd kan raken? nee De WaterToets 2014
datum 18-1-2016 dossiercode 20160118-38-12278 UITGANGSPUNTEN NOTITIE Uit de door u ingevulde gegevens blijkt dat het waterbelang groot is, in het plan. U moet dan ook contact opnemen met het waterschap. Hieronder volgt een opsomming van de waterbelangen die met het plan zijn gemoeid.
Het plan ligt binnen een zone die onderdeel uitmaakt van een waterkering Er zijn 3 soorten waterkeringen: ! primaire waterkeringen (Maaskeringen); ! regionale waterkeringen (keringen hoofdwatersysteem. Incl. compartimenteringswaterkeringen. Extra keringen gelegen
achter de primaire keringen ter bescherming vankwetsbare binnendijkse gebieden; ! overige keringen (bijvoorbeeld een dijk waarover een weg loopt ter bescherming tegen hoogwater).
De primaire waterkeringen zijn opgebouwd uit een kern-, beschermings- en buitenbeschermingszone met een afnemende beschermingsstatus (zie dwarsdoorsnede dijk). Voor werkzaamheden in een keringszone moet u contact op worden genomen met het waterschap.
Het hemelwater moet vertraagd worden afgevoerd De ontwikkeling dient te voldoen aan het principe van 'hydrologisch neutraal ontwikkelen' (HNO). Dit wil zeggen: waar het verharde oppervlak toeneemt of verhard oppervlak wordt afgekoppeld, dienen maatregelen te worden genomen om afstromend hemelwater te verwerken. Algemeen dient te worden gestreefd naar het volgen van de trits 'hergebruiken-vasthouden-bergen-afvoeren'. Verder dient versnelde waterafvoer op het oppervlaktewatersysteem te worden voorkomen. De wateropgave (in m3) kan met de regels uit de Keur van het waterschap worden berekend en deze waterhoeveelheid dient te worden verwerkt.
Bij alle relevante bestemmingen in de planregels dient rekening te worden gehouden met water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Met het opnemen van water en waterhuishoudkundige voorzieningen in de verschillende relevante bestemmingsomschrijvingen, kan water op allerlei manieren in een plangebied worden toegepast. Om de flexibiliteit van de toepassing van water in een bestemmingsplan zo groot mogelijk te houden adviseert het waterschap 'water- en waterhuishoudkundige voorzieningen' in de verschillende relevante bestemmingsomschrijvingen op te nemen. Hiermee kan onnodige vertraging van projecten worden voorkomen. Mogelijk noodzakelijke aanvullende ruimtelijke planprocedures hoeven immers niet te worden gevoerd, als voldoende rekening is gehouden met water in het bestemmingsplan. Voor overige ruimtelijke plannen dient een soortgelijke systematiek te worden gevolgd. Categorie-A-watergangen dienen te worden aangegeven op de verbeelding Alle catergorie-A-watergangen dienen te worden aangegeven op de verbeelding.
Tot slot Is er sprake van een indirecte lozing in het kader van de wet Milieubeheer? Indirecte lozingen vallen met de inwerkingtreding van de Waterwet onder de verantwoordelijkheid van de gemeente. Eventueel benodigde vergunningen worden niet met deze waterparagraaf geregeld en zullen via daarvoor bedoelde procedures verkregen moeten worden. Voor het aanvragen van of informatie over een watervergunning dient u contact op te nemen met ons waterwetloket. E-mail: info@aaenmaas.nl Tel.: (073) 615 83 33 Team Watertoets, Waterschap Aa en Maas
Vragen? Heeft u vragen of opmerkingen over dit watertoetspakket? Laat het ons per mail weten info@aaenmaas.nl Voor dringende vragen zijn wij te bereiken onder telefoonnummer (073) 615 68 51 Ligging plangebied
Waterschap Aa en Maas streeft ernaar om correcte en actuele informatie in deze watertoetsapplicatie aan te bieden. Aan het beschikbaar gestelde kaartinformatie kunnen dan ook geen rechten worden ontleend. Waterschap Aa en Maas aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enige vorm van schade naar aanleiding van het gebruik of de informatie die via deze applicatie beschikbaar wordt gesteld. De WaterToets 2014
VERKENNEND BODEMONDERZOEK voor de locatie gelegen aan
MAASDIJK NABIJ NR 11 TE NEERLOON
29-1-2016
Colofon Rapport: Verkennend bodemonderzoek Maasdijk nabij nr 11 te Neerloon Rapportnummer: 2865bo0616 Status: definitief Datum: 29 januari 2016
Opdrachtgever M. van Heumen Vlierbosstraat 9 5371 PB Neerloon
Opdrachtnemer G&O Consult Postbus 12 5845 ZG Sint Anthonis www.go-consult.nl
Burgemeester Wijtvlietlaan 1 5764 PD De Rips
Contactpersoon De heer A.J. van den Broek Adviseur 0493 – 597 505 tvandenbroek@go-consult.nl
BRL -2000
©JANUARI 2016
G&O CONSULT, POSTBUS 12, NL-5845 ZG SINT ANTHONIS, TEL: (0493) 597505 FAX: (0493) 597509 WWW.GO-CONSULT.NL
ALLE RECHTEN VOORBEHOUDEN. NIETS UIT DEZE UITGAVE MAG WORDEN VERVEELVOUDIGD DOOR MIDDEL VAN DRUK, FOTOKOPIE, MICROFILM, GELUIDSBAND, ELEKTRONISCH OF OP WELKE ANDERE WIJZE DAN OOK, EN EVENMIN IN EEN GEAUTOMATISEERD GEGEVENSBESTAND WORDEN OPGESLAGEN, ZONDER VOORAFGAANDE SCHRIFTELIJKE TOESTEMMING VAN G&O CONSULT. AAN DE INHOUD VAN DIT RAPPORT KUNNEN GEEN RECHTEN WORDEN ONTLEEND. G&O CONSULT VERWERPT ELKE AANSPRAKELIJKHEID VOOR EEN ANDER GEBRUIK VAN DEZE TEKST DAN VOOR DE SITUATIE WAARVOOR HIJ WORDT UITGEBRACHT. DE INFORMATIE IN DEZE TEKST IS ONDER VOORBEHOUD EN KAN VERANDERD WORDEN ZONDER VOORAFGAANDE KENNISGEVING.
Verkennend bodemonderzoek Maasdijk nabij nr 11 te Neerloon
2
INHOUDSOPGAVE
HOOFDSTUK 1 HOOFDSTUK 2 2.1 2.2 2.3 2.4 HOOFDSTUK 3 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 HOOFDSTUK 4 4.1 4.2 4.3 HOOFDSTUK 5 5.1 5.2 5.3 HOOFDSTUK 6 6.1 6.2 6.3 6.4 HOOFDSTUK 7 7.1 7.2 7.3 7.4 HOOFDSTUK 8
INLEIDING ................................................................. 5 VOORONDERZOEK .................................................... 6 Topografische plaatsbepaling .................................. 6 Ligging perceel tov de omgeving.............................. 6 Maaiveldhoogte ....................................................... 7 Geohydrologische situatie ....................................... 8 GEGEVENS ONDERZOEKSLOCATIE ........................... 9 Historisch gebruik van de locatie ............................. 9 Huidige gebruik van de locatie ................................. 9 Toekomstige gebruik van de locatie ...................... 10 Uitgevoerde bodemonderzoeken .......................... 10 Bodembeleid/bodemkwaliteitskaart ..................... 11 Onderzoekshypothese ........................................... 11 ONDERZOEKSOPZET VELDWERKZAAMHEDEN....... 12 locatie ..................................................................... 12 Afwijkingen t.o.v. de gehanteerde norm ............... 12 Relatie tot de opdrachtgever ................................. 12 VELDWERKZAAMHEDEN ........................................ 13 Inleiding .................................................................. 13 Uitvoering Grondonderzoek .................................. 13 Uitvoering Grondwateronderzoek .........................
13 LABORATORIUMONDERZOEK ................................ 15 Inleiding .................................................................. 15 Grondmonsters ...................................................... 15 Grondwatermonsters ............................................. 15 Monsteroverdracht ................................................ 16 RESULTATEN LABORATORIUMONDERZOEK .......... 17 Toetsingskader ....................................................... 17 Analyseresultaten grond(meng)monsters ............. 18 Analyseresultaten grondwatermonsters ............... 20 Toetsing gestelde hypothese ................................. 21 CONCLUSIE ............................................................. 22
Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6
Situering boringen en peilbuis Boorstaten Analysecertificaat grondmengmonsters Analysecertificaat grondwatermonsters Toetsingsresultaten compleet Verklaring externe functiescheiding
Verkennend bodemonderzoek Maasdijk nabij nr 11 te Neerloon
3
Samenvatting Algemeen Projectnummer: Soort onderzoek: Adres onderzoekslocatie: Gemeente: Kadastrale registratie:
2865o0616 Verkennend bodemonderzoek Maasdijk nabij nr 11 te Neerloon Oss Gemeente Ravenstein, sectie E, nr 1040 en 1344 X = 175.855 en Y = 421.978 5.000 m2 Wijziging bestemming M. van Heumen Vlierbosstraat 9 5371 PB Neerloon
Coördinaten: Oppervlakte: Aanleiding onderzoek: Opdrachtgever:
Onderzoekshypothese Hypothese conform NEN 5740:
onverdachte locatie (ONV)
Onderzoeksopzet Boringen tot 0,5 m-mv. : Boringen tot 2,0 m-mv. : Peilbuizen:
11 3 1
Zintuiglijke waarnemingen Bovengrond (0,0-0,5 m-mv.) : Ondergrond (0,5-2,0 m-mv.) : Grondwater :
geen bijzonderheden geen bijzonderheden geen bijzonderheden
2 mengmonsters 1 mengmonster 1 grondwatermonster
Laboratoriumonderzoek Bovengrond mm 1 Bovengrond mm 2 Ondergrond mm 3 Grondwater
- licht verontreinigd met zink, lood en cadmium - licht verontreinigd met cadmium en PAK - licht verontreinigd met cadmium - licht verontreinigd met barium en naftaleen
Aanbevelingen Noodzaak nader onderzoek / vervolgonderzoek : Beperking gebruik freatisch grondwater : Belemmeringen beoogd gebruik :
nee ja nee
Verkennend bodemonderzoek Maasdijk nabij nr 11 te Neerloon
4
HOOFDSTUK
1
INLEIDING
In dit rapport wordt verslag gedaan van een verkennend bodemonderzoek volgens de norm NEN 5740:2009. Dit onderzoek is uitgevoerd op de locatie lokaal bekend als Maasdijk nabij nr 11 te Neerloon, kadastraal bekend als gemeente Ravenstein, sectie E, nummers 1040 en 1344. Het onderzoek vindt plaats ten behoeve van het weergeven van de actuele bodemkwaliteit in verband met de beoogde ontwikkeling van 2 woningen op de locatie. Het onderzoek heeft derhalve zowel een prospectief als retrospectief karakter: • Ten aanzien van de wijziging wordt bekeken of het perceel geschikt is voor het beoogd gebruik; • Ten aanzien van zijn historische situatie zal worden bekeken of de in het verleden gebezigde activiteiten niet hebben geleidt tot het ontstaan van (ernstige) bodemverontreiniging. Als leidraad voor het uitvoeren van het onderzoek wordt verwezen naar: • NEN 5725, Bodem – Leidraad voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend, oriënterend en nader onderzoek; NNI, januari 2009; • NEN 5470, Bodem –Onderzoeksstrategie bij verkennend onderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische bodemkwaliteit van bodem en grond; NNI, januari 2009. De hypothese wordt getoetst aan de onderzoeksresultaten. Vervolgens wordt de gestelde hypothese aanvaard of verworpen en wordt een eindconclusie geformuleerd over de gebruiksmogelijkheden van de locatie binnen het kader van de geplande gebruiksoptie.
De veldwerkzaamheden welke in het onderhavig onderzoek zijn uitgevoerd, zijn uitgevoerd conform het protocol BRL-SIKB 2000, veldwerk bij milieuhygienische bodemonderzoek. Bemonsteringen en laboratoriumonderzoek vonden plaats in januari 2016. Het laboratoriumonderzoek is uitgevoerd door het AS3000 geaccrediteerd milieulaboratorium "AL-West B.V." te Deventer. Hierbij dient opgemerkt te worden dat, gezien de gevolgde onderzoeksstrategie welke is gericht op een indicatieve beoordeling van de milieuhygiënische bodemkwaliteit, er rekening moet worden gehouden met een zeker restrisico. Hierbij gaat het om voorkomen van lokale kernen zoals gedempte sloten, verontreinigde stoffen in verpakkingen, of slecht oplosbare verontreinigingkernen voor zover deze buiten het geheel van historische gegevens valt. Ten slotte wordt er op gewezen dat het uitgevoerde onderzoek een momentopname is. De onderzoeksresultaten zijn, mits ongewijzigd gebruik van de onderzoekslocatie, 5 jaar geldig.
Verkennend bodemonderzoek Maasdijk nabij nr 11 te Neerloon
5
HOOFDSTUK
2
2.1
VOORONDERZOEK
TOPOGRAFISCHE PLAATSBEPALING De regionale ligging van de onderzoekslocatie is in kaart gebracht in de Topografische kaart van Nederland en is aangegeven in onderstaande figuur. De topografische coördinaten van de onderzoekslocatie bedragen X = 175.855 en Y = 421.978. De kadastrale aanduiding van het perceel betreft gemeente Ravenstein, sectie E, nummers 1040 en 1344.
Figuur 1___________________ Topografische ligging onderzoekslocatie
2.2
LIGGING PERCEEL TOV DE OMGEVING Het perceel is ten oosten van de kern van Neerloon gelegen. De onderzoekslocatie wordt door weide en akkerland omgeven waarbij in de nabijheid enkele woningen zijn gelegen. Ten noordoosten is de rivier de Maas gelegen.
Verkennend bodemonderzoek Maasdijk nabij nr 11 te Neerloon
6
Figuur 2___________________ Luchtfoto (Bron: BAG-Viewer)
2.3
MAAIVELDHOOGTE De maaiveldhoogte bedraagt 7,3 m + NAP (bron www.ahn.nl).
Figuur 3___________________ Hoogtekaart (Bron: AHN.nl)
Verkennend bodemonderzoek Maasdijk nabij nr 11 te Neerloon
7
2.4
GEOHYDROLOGISCHE SITUATIE Uit de grondwaterkaart van Nederland (DGV-TNO) blijkt dat de regionale bodemopbouw kan worden omschreven zoals weergegeven in tabel 2.1.
Tabel 2.1___________________ Geohydrologische bodemopbouw
Diepte (m + NAP) + 7,3 t/m +3
Geologische omschrijving Deklaag: (Nuenen )groep Eerste watervoerend pakket:
+3 t/m -25
-25 t/m ?
Formatie van Veghel, Kreftenheye en Kie Slecht doorlatende scheidende laag: Marien Tertiair / Tegelen + continentaal Plioceen
samenstelling fijne slibhoudende zanden, zandige leem en klei of veen matig fijne tot grove grindhoudende zanden, met plaatselijk een kleilaag fijne slibhoudende zanden en kleien
De freatische grondwaterspiegel bevindt zich op ca. 2,35 m-mv. De regionale grondwaterstroming van het freatisch grondwater is volgens de grondwaterkaart (TNO/-DGV) overwegend noordelijk gericht. Voor zover bekend, vindt in de directe omgeving geen grootschalige grondwateronttrekking plaats en is de locatie niet binnen de grenzen van een drinkwaterwingebied gelegen. Circa 1900 meter ten westen van de onderzoekslocatie is een peilbuis aanwezig (nummer: B45F0652), welke in het verleden is gemonitoord. De stijghoogte van deze peilbuis is weergegeven in onderstaande figuur (bron www.dinoloket.nl). Figuur 4___________________ Stijghoogte peilbuis B45F0652 Bron: TNO Dino-loket
Verkennend bodemonderzoek Maasdijk nabij nr 11 te Neerloon
8
HOOFDSTUK
3
3.1
GEGEVENS ONDERZOEKSLOCATIE
HISTORISCH GEBRUIK VAN DE LOCATIE Om een goede indruk te krijgen van de onderzoekslocatie, is er ter plekke een indruk opgedaan van de locatie en haar directe omgeving. Hierbij is bij de opdrachtgever navraag gedaan. De onderzoekslocatie is in het verleden als weiland en akkerland in gebruik geweest. De eerste bebouwing ter hoogte van nr 11 dateert van rond 1850.
Figuur 5___________________ Topografische kaart 1850 Bron: www.topotijdreis.nl
3.2
HUIDIGE GEBRUIK VAN DE LOCATIE Op de onderzoekslocatie is in gebruik als weiland. Op de onderzoekslocatie hebben geen bovengrondse of ondergrondse tanks gelegen. Ook hebben geen activiteiten of calamiteiten plaatsgevonden waardoor de bodem mogelijk is verontreinigd.
Verkennend bodemonderzoek Maasdijk nabij nr 11 te Neerloon
9
3.3
TOEKOMSTIGE GEBRUIK VAN DE LOCATIE Het voornemen bestaat om op de onderzoekslocatie 2 woningen met tuin op te richten en het gebied eromheen als landgoed.