CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2A Toelichting - bijlage 13 Maadijk 11 Neerloon

Gemeenteraad 12 december 2024, gemeente OssBij agendapunt: A Herstelbesluit vaststelling bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’28.037 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

De toekomstvisie stelt dat Oss vele ‘kostbare’ plekjes kent en een groots landschap, met ruimte voor landbouw en natuur. ‘Het bewaren van dat kostbare voor de toekomst is een opdracht die we onszelf stellen’. In de toekomstvisie Oss op weg naar 2020 geeft de gemeente Oss aan in het buitengebied de recreatie te willen versterken waaronder de extensieve recreatieve zoals wandelen. Tevens wordt aangegeven dat versterking van de ecologische waarden van belang wordt gevonden. De ontwikkeling van Landgoed Kromme Hoek past binnen bovenstaande doelen uit de toekomstvisie Oss.

Ruimtelijke onderbouwing Landgoed Kromme Hoek, pag. 24 van 39 Oktober 2017

3.4.3 Nota Landschapsbeleid - 2015 Binnen de gemeente Oss bestaat grote aandacht voor het landschap en het landelijke gebied. De Nota Landschapsbeleid -2015 zorgt voor een beleidskader welke een sturende werking heeft bij ruimtelijke ontwikkeling in het buitengebied. Ruimtelijke ingrepen en nieuwe functies in het buitengebied hebben een grote uitstraling naar de omgeving. Dit betekent dat bij deze ingrepen (bijvoorbeeld de bouw van agrarische bedrijfsgebouwen) eisen aan de landschappelijke inpassing van objecten moeten worden gesteld. De gemeente wordt verder geconfronteerd met de aanleg (of juist verwijdering) van (landschaps)elementen door particulieren op agrarische percelen in het buitengebied. Dergelijke initiatieven komen vaak niet overeen met de ter plaatse aanwezige en te behouden landschappelijke kwaliteit (bijvoorbeeld behoud van openheid of gebruik van niet-inheemse boomsoorten). Goede toetsingskaders en sturingsinstrumenten zijn voor bescherming maar ook voor ontwikkeling van het landschap onmisbaar. In de Nota Landschapsbeleid - 2015 wordt per deelgebied beschreven wat de landschappelijke visie is. De verschillende deelgebieden zijn: Uiterwaarden Oeverwal Komgebied Dekzandrand Dekzandrug Per deelgebied wordt aangegeven wat de ontwikkelingsvisie is. Daarbij worden aandachtspunten voor uitwerking en uitvoering geschetst.

Figuur 8. Kaart Nota Landschapsbeleid met plangebied.

Het plangebied is gelegen in het landschapstype ‘oeverwal’. De oeverwal is een hoger gelegen rug in het landschap en ligt hoog en droog, binnendijks op enige afstand van de rivier de Maas. Het karakter van de oeverwal is kleinschalig en halfopen tot besloten. Het verkavelingspatroon op de oeverwal is blokvormig en overwegend regelmatig. Bebouwing (veelal geconcentreerd in kleine kernen en in bebouwingslinten),

Ruimtelijke onderbouwing Landgoed Kromme Hoek, pag. 25 van 39 Oktober 2017

beplantingselementen (houtwallen, een enkele boomgaard) en grondgebruik (grasland, bouwland) bepalen hier de maat van de ruimte. Voor de oeverwal worden in de Nota Landschapsbeleid een aantal kansen beschreven waar Landgoed Kromme Hoek invulling aan geeft: - Terugbrengen hoogstamboomgaarden. - Recreatieve uitloop kleine kernen. - Ontwikkeling nieuwe landgoederen. In het inrichtings- en beeldkwaliteitsplan dat als bijlage bij onderhavig plan hoort is nader onderbouwd op welke wijze de ontwikkeling van Landgoed Kromme Hoek past binnen de visie op de oeverwal zoals beschreven in de Nota Landschapsbeleid.

3.4.4 Visie Toerisme en Recreatie In de nota toerisme & recreatie staat de economische ontwikkeling en het behoud van de leefbaarheid centraal. Daarbij wordt met name gericht op het landelijk gebied in de gemeente Oss en de voormalige gemeente Lith. Binnen de gemeenten wordt onderscheid tussen verschillende zones. Deze zones zijn de Maasrand, het poldergebied, de stad Oss, Herperduin en de stadsrand. Per zone worden de sterke en zwakke punten beschreven, maar ook de onderlinge relatie tussen de verschillende zones. Het plangebied is in de Beleidsnota Toerisme en Recreatie gemeenten Oss en Lith gelegen in het gebied Maasrand. In het gebied Maasrand ligt voor de gemeente Oss de prioriteit wat betreft het toeristischrecreatief beleid. In dit gebied zet de gemeente in op het verbeteren van recreatief medegebruik, ontwikkeling van verblijfsrecreatie, kwaliteitsverbetering van recreatieve voorzieningen etc. Op Landgoed Kromme Hoek worden wandelpaden gerealiseerd waarmee invulling wordt gegeven aan het beleid van de gemeente Oss zoals geformuleerd in de Beleidsnota Toerisme en Recreatie. 3.4.5 Archeologie en Cultuurhistorie Archeologie: wettelijk kader De gemeente is op basis van artikel 38a van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) verplicht om rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten.

Archeologie: gemeentelijk en provinciaal beleid Beleidsmatig heeft de gemeente Oss voornoemde wettelijke plicht vertaald in de nota ‘Archeologiebeleid gemeente Oss 2010’, vastgesteld door de gemeenteraad op 14 oktober 2010. Voor wat betreft het grondgebied van de voormalige gemeente Lith, is er nog geen vastgesteld archeologiebeleid maar wel een conceptversie die bruikbaar is als onderbouwing in bestemmingsplantoelichtingen. In de beleidsnota is het grondgebied van de gemeente onderverdeeld in gebieden met verschillende (archeologische) verwachtingswaarden. Er kan sprake zijn van een hoge, een middelhoge of een lage verwachtingswaarde. In het beleid is vastgelegd welke acties moeten worden ondernomen bij voorgenomen ontwikkelingen/werkzaamheden. Een en ander is afhankelijk van de gebiedscategorie (laag, middelhoog, hoog: zie verderop) waarin de voorgenomen ontwikkeling is gelegen. Zo moet in gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde onderzoek uitgevoerd worden indien de oppervlakte van de ontwikkeling 18 m² of meer bedraagt en de bodem dieper dan 30 cm geroerd wordt. In gebied met een middelhoge verwachtingswaarde is het criterium een oppervlakte van 1000 m² of meer en dieper dan 30 cm roering. Voor bepaalde ook anderszins waardevolle gebieden, zoals historische stadskernen en beschermde stadsgezichten, gelden weer andere criteria.

Het verdient aanbeveling om aan de ‘voorkant’, dat wil zeggen voordat de ruimtelijke onderbouwing of plantoelichting wordt opgesteld, onderzoek te doen. Afhankelijk van de verwachtingswaarde van het gebied waarin de ontwikkeling is voorgenomen, kan dat een bureauonderzoek, een booronderzoek, een proefsleuvenonderzoek of een daadwerkelijk opgravingsonderzoek zijn. In geval van onderzoek vooraf is wellicht, uiteraard afhankelijk van de uitkomst daarvan, geen bescherming nodig door het opnemen van een zogenaamde dubbelbestemming in de planregels. Daarover hieronder meer. Indien vooraf geen onderzoek is gedaan is het in elk geval noodzakelijk dat de archeologische (verwachtings)waarde beschermd wordt door borging in de planregels. Het provinciale archeologisch beleid is neergelegd in de Verordening ruimte en op de provinciale Cultuurhistorische waardenkaart 2010. Hierin is de bescherming van aardkundig waardevolle gebieden en archeologische landschappen geregeld.

Ruimtelijke onderbouwing Landgoed Kromme Hoek, pag. 26 van 39 Oktober 2017

Het gemeentelijk archeologisch beleid is veel gedetailleerder dan het algemene provinciale beleid op dit punt en prevaleert daarom ook boven het provinciale archeologisch beleid. Overigens is het gemeentelijk beleid getoetst door de provincie en akkoord bevonden. Archeologie: bestemmingsplanregels en regels in provinciale Verordening ruimte Zoals hierboven ook al kort aangestipt vertaalt de gemeente Oss de wet (Wamz) en het archeologisch beleid ook door in standaard bestemmingsplanregels. Zo heeft de gemeente bestemmingsplanregels (dubbelbestemmingen: dat wil zeggen dat deze naast de hoofdbestemming gelden) voor bescherming van historische kernen, beschermde monumenten, monumenten en voor gebieden met een middelhoge of hoge archeologische verwachtingswaarde. Met deze regels kan, ter bescherming van archeologische waarden, worden bepaald wanneer er een omgevingsvergunning voor bepaalde werkzaamheden nodig is, wanneer dat niet het geval is en onder welke omstandigheden en met welke nadere eisen en voorwaarden een omgevingsvergunning kan worden verleend. Ook de provinciale Verordening ruimte bevat regels ter bescherming van aardkundig waardevolle gebieden en archeologische landschappen.

Bescherming van deze laatste categorie geschiedt doordat de ‘vlakken’ met aanduiding archeologisch landschap overeenkomen met de aanduiding aardkundig waardevolle gebieden in de Verordening ruimte. Cultuurhistorie In 2004 heeft de gemeente het ‘Erfgoedplan gemeente Oss’ opgesteld. In dit Erfgoedplan wordt zo goed mogelijk in beeld gebracht welke monumentale, archeologische, cultuurhistorische en landschappelijke waarden de gemeente kent. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met de aanwezige cultuurhistorische waarden. Een belangrijk aspect in dit beleid is een integrale aanpak van het erfgoed in de gemeente. Hieronder vallen monumentenzorg, archeologie en cultuurhistorische waarden in het landschap. Dat wil zeggen, het behoud en beheer van het monumentale gebouw of object blijft alle aandacht en zorg houden, maar de methoden om dit behoud te garanderen zijn in een groter verband geplaatst. Om deze reden is sprake van een ontwikkeling van zorg voor gebouwen naar integraal beheer van cultuurhistorisch erfgoed. De zorg en zorgvuldige omgang met archeologische en landschappelijke waarden speelt hierin mee. Door deze gewijzigde benadering is het van belang in een vroeg stadium van stadsontwikkeling of gebiedsverandering de positie van monumenten en van archeologische en cultuurhistorische landschappelijke waarden zo optimaal mogelijk te bepalen.

Positief gevolg hiervan is dat monumenten, archeologische gegevens en landschap meewegen en zo mogelijk het uitgangspunt gaan vormen voor ruimtelijke ontwikkelingen. De bescherming van rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten is geregeld in de Monumentenwet 1988 en in de Monumentenverordening Oss die in 2010 is vastgesteld. In de verordening zijn verbodsbepalingen met betrekking tot beschermde monumenten opgenomen. De beschermde monumenten staan vermeld in de gemeentelijke monumentenlijst. De monumenten zijn tevens opgenomen in de Welstandsnota gemeente Oss. Ze vallen als specifieke objecten onder welstandsniveau 1. De bescherming van monumenten vindt aldus via twee sporen plaats. Voor het bouwen op, bij, aan of in een monument is altijd een omgevingsvergunning nodig. De welstandstoetsing maakt deel uit van de omgevingsvergunningsprocedure. Wanneer een te verbouwen bouwwerk onder de werking valt van de Monumentenwet 1988 of van een gemeentelijke verordening is, naast een omgevingsvergunning voor het bouwen tevens een ‘monumentenvergunning’ nodig. Beide toetsen verschillen inhoudelijk. De ‘monumentale’ toetsing vindt plaats aan de hand van de redengevende beschrijving die ten grondslag heeft gelegen aan de aanwijzing tot monument.

De wijziging aan het bouwwerk wordt beoordeeld binnen het kader van de monumentale en historische waarde ervan zoals vastgelegd in de beschrijving. In de welstandstoetsing wordt het te wijzigen bouwwerk beoordeeld naar redelijke eisen van welstand van het bouwwerk op zichzelf (aan de hand van de in de welstandsnota vastgelegde welstandscriteria) en in relatie tot zijn omgeving. Met betrekking tot dat laatste aspect is in de welstandsnota geregeld dat bij toetsing van een bouwplan aan omliggende panden, binnen een straal van 25 meter van een monument rekening dient te worden gehouden met de uitstraling van het monument. De bescherming van gemeentelijke stads- of dorpsgezichten is eveneens geregeld in de Monumentenverordening 2010. Hierin is opgenomen dat de gemeenteraad ter bescherming van een beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht een bestemmingsplan vaststelt.

Ruimtelijke onderbouwing Landgoed Kromme Hoek, pag. 27 van 39 Oktober 2017

Figuur 9. Gemeentelijke archeologische verwachtingskaart met plangebied.

Figuur 10. Provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) met plangebied.

Het plangebied is op de gemeentelijke archeologische beleidskaart gelegen in een gebied met hoge archeologische verwachtingswaarde. In paragraaf 4.3.1 van onderhavig plan wordt nader ingegaan op de archeologische verwachtingswaarde.

Ruimtelijke onderbouwing Landgoed Kromme Hoek, pag. 28 van 39 Oktober 2017

De bestaande boerderij binnen het plangebied heeft in het vigerend bestemmingsplan de functieaanduiding ‘cultuurhistorische waarden’. Bij gebouwen met deze aanduiding is behoud en herstel van cultuurhistorische waarden van belang. Op de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie is de bestaande boerderij aangeduid als ‘overige bouwkunst'. De dijk die aan de noord en oostzijde van het plangebied is gelegen is aangeduid als een lijnelement met zeer hoge historisch geografische waarden. De ontwikkeling van Landgoed Kromme Hoek brengt geen wijzigingen aan de bestaande boerderij met zich mee. De nieuwe landgoedwoningen worden zodanig geclusterd met de bestaande boerderij dat ze passen binnen de karakteristieke rand van bebouwing en kleinschalige kavels op de oeverwal. Voor de voorgenomen ontwikkeling binnen het plangebied is cultuurhistorie geen belemmerend aspect. 3.4.6 Verkeer Mobiliteitsvisie, Balans in beweging In de mobiliteitsvisie (2009) staan drie begrippen centraal; bereikbaarheid, verkeersveiligheid en leefbaarheid. Het centrale doel van de mobiliteitsvisie is het in balans brengen van de bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid in de gemeente, nu en in de toekomst. Om deze balans te bereiken streeft de gemeente naar een verschuiving in het gebruik van vervoerswijzen.

Een groter deel van de verplaatsingen moet plaats gaan vinden met de fiets of met het openbaar vervoer. Dit is nodig om Oss bereikbaar en leefbaar te houden. Oss wil de verschuiving bereiken door het gebruik van fiets en openbaar vervoer te stimuleren. Deze vervoerswijzen moeten veilig en comfortabel zijn en men moet snel op de plaats van bestemming kunnen komen. De goede bereikbaarheid is met name gericht op de economisch belangrijke gebieden van Oss. De bedrijventerreinen vallen hieronder. De doorstroming op de wegen naar de bedrijventerreinen (i.c. N329) moet optimaal zijn. Hoewel de bereikbaarheid van de economisch belangrijke gebieden voor alle vervoerswijzen goed moet zijn, streeft de gemeente wel naar een verschuiving van vervoerswijze. Korte verplaatsingen moeten bij voorkeur per fiets of te voet afgelegd worden en niet per auto. Voor het vervoer van goederen zal het gebruik van water en spoor verder gestimuleerd worden. In de uitwerkingsfase zullen de doelstellingen uit de visie langs drie lijnen worden uitgewerkt: infrastructuur, gedrag en organisatie. Er heeft inmiddels een uitwerking plaatsgevonden in de deelplannen Wegen, Fiets, Openbaar Vervoer en Gedrag. De voorgenomen ontwikkeling brengt een beperkt aantal extra verkeersbewegingen met zich mee.

Per nieuwe landgoedwoning wordt maximaal 8,6 x 2 = 17,4 extra verkeersbewegingen verwacht conform de Handreiking Verkeersgeneratie voorzieningen, kengetallen gemotoriseerd verkeer (CROW). De Maasdijk waar het plangebied aan is gelegen is in het Mobiliteitsplan 2020 Oss opgenomen als erftoegangsweg type II. De verkeersintensiteit die op dit soort wegen aanvaardbaar is maximaal 4000 motorvoertuigbewegingen per etmaal. De Maasdijk kan het geringe aantal extra verkeersbewegingen naar verwachting makkelijk aan.

Parkeren Op 22 augustus 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders de nota “parkeernormen voor woonwijken” vastgesteld. In deze notitie staat beschreven welke parkeernormen gehanteerd moeten worden bij nieuwe projecten (zowel uitbreidingen als herstructurering). Uitgangspunt voor herontwikkeling is dat het parkeren op eigen terrein dient te worden opgelost. Per landgoedwoning wordt voorzien in 2 parkeerplaatsen binnen ieder bestemmingsvlak ‘Wonen’. Hiermee wordt voldaan aan de parkeernorm voor woningen in het centrum en in de schil zoals opgenomen in de nota ‘parkeernormen voor woonwijken’.

Ruimtelijke onderbouwing Landgoed Kromme Hoek, pag. 29 van 39 Oktober 2017

Hoofdstuk 4

Verantwoording

4.1 Milieu- en omgevingsaspecten In deze paragraaf wordt ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten die verband houden met, of betrekking hebben op de ruimtelijke ontwikkeling. Het gaat daarbij meestal om de wisselwerking met de omgeving. Welke gevolgen heeft het initiatief voor de omgeving en omwonenden? Maar ook, welke gevolgen hebben activiteiten in de omgeving voor de mogelijkheden op het plangebied? Achtereenvolgens komen de volgende aspecten aan bod: Bedrijven en milieuzonering (§ 4.1.1) Bodem (§ 4.1.2) Externe veiligheid (§ 4.1.3) Geurhinder: agrarisch (§ 6.2.4) Geur: industrieel (§ 4.1.5) Luchtkwaliteit (§ 4.1.6) Mobiliteit en parkeren (§ 4.1.7) Straling (§ 4.1.8) Water (§ 4.1.9) Weg-, spoor-, en industrielawaai (§ 4.1.10) 4.1.1 Bedrijven en milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten van bedrijven en gevoelige functies, zoals woningen. Het doel van milieuzonering is om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast kan milieuzonering bedrijven voldoende zekerheid bieden om hun activiteiten duurzaam uitvoeren. De handreiking Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft richtafstanden om de milieuzonering van bedrijven te kunnen bepalen.

Bij het realiseren van nieuwe bestemmingen dient gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: - past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); - laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De voorgenomen ontwikkeling van Landgoed Kromme Hoek brengt geen nieuwe bedrijvigheid met zich mee. Derhalve wordt het woon- en leefklimaat van omwonenden niet aangetast. Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de planologisch ‘nieuwe’ gevoelige functies binnen het plangebied; de landgoedwoningen, hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. In de directe omgeving van de nieuwe landgoedwoningen bevindt zich aan de Loonsestraat 15, op meer dan 500 meter afstand, een bedrijf waar conform het vigerende bestemmingsplan een loonwerkbedrijf en een veehouderij toegestaan is. De richtafstand van dit bedrijf is, conform de richtafstandenlijst uit de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’van de VNG (2009), 50 meter.

De bouwkavels van de nieuwe landgoedwoningen zijn niet gelegen binnen deze richtafstand. Tevens ligt op meer dan 250 meter afstand een bedrijf waar conform het vigerende bestemmingsplan een intensieve veehouderij is toegestaan. De richtafstand van dit bedrijf is 200 meter. De bouwkavels van de nieuwe landgoedwoningen zijn niet gelegen binnen deze richtafstand. Geconcludeerd kan worden dat de nieuwe landgoedwoningen geen hinder ondervinden van omliggende bedrijven.

Ruimtelijke onderbouwing Landgoed Kromme Hoek, pag. 30 van 39 Oktober 2017

4.1.2 Bodem Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht, moet in planvorming rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. In de Bouwverordening van de gemeente Oss is geregeld dat onder bepaalde omstandigheden het oprichten van gebouwen pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij iedere nieuwbouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld. 2

Door G&O Consult is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd voor de locaties van de landgoedwoningen. Het onderzochte plangebied komt niet helemaal overeen met de locatie waar de bouwvlakken van de landgoedwoningen zijn gesitueerd. De bouwvlakken liggen ongeveer 25 meter verder naar het westen dan de onderzoekslocatie. Dit komt doordat het ontwerp van het landgoed in overleg met de gemeente is gewijzigd. Uit het bodemonderzoek komt naar voren dat er geen aanwijzingen zijn voor een afwijkende milieukwaliteit van de bodem ter plaatse van de bouwvlakken ten opzichte van de onderzoekslocatie. Uit het bodemonderzoek komt tevens naar voren dat de milieukwaliteit van de bodem van de onderzoekslocatie de nieuwe woonfuncties in het plangebied niet in de weg. Ervan uit gaand dat de kwaliteit ter plekke van de bouwvlakken gelijk is aan de kwaliteit van ter plekke van de onderzoekslocatie kan gesteld worden dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. Bij de aanvraag bouwvergunning zal een aanvullend onderzoek worden uitgevoerd op die plaatsen waar daadwerkelijk gebouwd gaat worden en die nu niet zijn onderzocht.

4.1.3 Externe veiligheid Rijkskader Externe veiligheid behandelt de risico's die ontstaan als gevolg van opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico’s kunnen hun weerslag hebben op de omgeving. Het wettelijke kader voor externe veiligheid bestaat onder meer uit: - het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) - de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (cRNVGS) - het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Enerzijds gaat het over de risicobronnen (bedrijven of transportroutes). Anderzijds gaat het over de risicoontvangers (omstanders die niets met de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen te maken hebben). Wat betreft de risico-ontvangers maakt de wetgeving onderscheid in kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbare objecten zijn gebouwen, waarin (of waarbij) groepen van circa 50 personen of groter, gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. Ook sommige gebouwen waarin/waarbij kleinere groepen verblijven, worden als kwetsbaar object gezien, wanneer die personen beperkt zelfredzaam zijn (zoals zieken, bejaarden of gehandicapten). Beperkt kwetsbare objecten zijn verspreid liggende woningen en bedrijven waarin/waarbij groepen van minder dan 50 personen gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven.

In de landelijke wetgeving wordt meer gedetailleerd beschreven wat er onder kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten wordt verstaan. Belangrijk is hierbij dat de opsomming in de wetgeving niet limitatief is, zodat er in de verdere uitwerking van het beleid nog enige vrijheid rest. Verder maakt de wetgever onderscheid tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald 2

Verkennend bodemonderzoek, Maasdijk 11 te Neerloon, G&O Consult januari 2016.

Ruimtelijke onderbouwing Landgoed Kromme Hoek, pag. 31 van 39 Oktober 2017

binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Gemeentelijk kader Ook in de gemeente Oss zijn risicobronnen aanwezig in de vorm van transportassen en stationaire activiteiten. Dit vraagt om een gemeentelijke visie. Op 19 mei 2011 heeft de gemeenteraad de Beleidsvisie Externe veiligheid vastgesteld. Deze beleidsvisie beschrijft op welke manier de gemeente Oss externe veiligheid in haar afwegingen betrekt.

Figuur 10. Risicokaart met plangebied.

Bij het toekennen van bepaalde bestemmingen dient onderzocht te worden: • of voldoende afstand in acht wordt genomen tussen (beperkt) kwetsbare objecten enerzijds en risicovolle inrichtingen anderzijds in verband met het plaatsgebonden risico; • of (beperkt) kwetsbare objecten liggen in het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen en zo ja, wat de bijdrage is aan het groepsrisico. De nieuwe landgoedwoningen die binnen Landgoed Kromme Hoek worden ontwikkeld vallen onder de beperkt kwetsbare objecten uit het Bevi. In de nabije omgeving van het plangebied zijn echter geen risicovolle inrichtingen gelegen, zie figuur 10. Buiten de dijk rondom het plangebied bestaat een grote kans op overstroming. Het plangebied is wel gelegen binnen het invloedsgebied van de Maas maar vanwege de dijk is de kans op overstroming klein. Het aspect externe veiligheid is niet belemmerend voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.1.4 Geurhinder: agrarisch De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is het beoordelingskader voor geur bij milieuvergunningen, bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Het gaat uitdrukkelijk om agrarische geur van landbouwhuisdieren uit dierstallen. De wet maakt onderscheid tussen geurnormen voor intensieve en

Ruimtelijke onderbouwing Landgoed Kromme Hoek, pag. 32 van 39 Oktober 2017

extensieve veehouderijen. De geurbelasting van intensieve veehouderijen wordt berekend en uitgedrukt in de vorm van een geurcontour. De geurbelasting van extensieve veehouderijen wordt uitgedrukt in vaste afstanden. De gemeente Oss heeft op basis van de wet een eigen geurbeleid opgesteld. Het geurbeleid bestaat uit twee delen: de “Geurgebiedsvisie 2013” en de “Agrarische geurverordening gemeente Oss 2013”. Het hanteert per soort gebied een eigen geurnorm en streeft de volgende doelen na: de burger beschermen tegen geurhinder de veehouderijen niet onnodig beperken ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken, onder de voorwaarde dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is. De gemeentelijke “Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder” is van belang voor de vraag of een ruimtelijke ontwikkeling kan plaatsvinden. De beleidsregel geeft aan wanneer sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Figuur 11. Uitsnede concept kaarten ‘achtergrondbelasting’ uit het MER bestemmingsplan Buitengebied .

De nieuwe landgoedwoningen die binnen Landgoed Kromme Hoek worden ontwikkeld en de bestaande woning Maasdijk 11 vallen onder de geurgevoelige objecten in de zin van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). De woningen liggen op meer dan 250 meter afstand van het bedrijf aan de Maasdijk 8 waar conform het vigerende bestemmingsplan een intensieve veehouderij is toegestaan. Dit is een grotere afstand dan de adviesafstand van 250 meter die in de geurgebiedsvisie Oss 2013 is opgenomen. Ook uit berekeningen van de achtergrondbelasting welke in het kader van het MER van bestemmingsplan Buitengebied zijn gemaakt komt naar voren dat in het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Zie bovenstaande uitsnede uit de concept-kaarten van het MER. Het aspect geur vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

Ruimtelijke onderbouwing Landgoed Kromme Hoek, pag. 33 van 39 Oktober 2017

4.1.6 Luchtkwaliteit Het beleid en de regelgeving over luchtkwaliteit heeft tot doel om mensen te beschermen tegen de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging. Ze bevatten luchtkwaliteitsnormen voor verschillende stoffen. Ruimtelijke plannen of projecten die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, zoals bestemmingsplannen, dienen getoetst te worden aan de Wet milieubeheer (afdeling 5.2.). Deze wet bevat grenswaarden voor de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijn stof, lood, benzeen en koolmonoxide in de buitenlucht. In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Overschrijding van de grenswaarden van andere stoffen komt bijna niet voor. De wet maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Kleine projecten zijn projecten die de luchtkwaliteit niet ‘in betekende mate’ (NIBM) verslechteren. Deze projecten hoeven niet meer beoordeeld te worden op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Er is geen belemmering als een klein project niet of nauwelijks bij draagt aan luchtverontreiniging, óók niet in overschrijdingsgebieden (gebieden met te veel luchtvervuiling). De ministeriële Regeling NIBM geeft aan in welke gevallen een nieuw project in ieder geval een NIBMproject is.

Dit is bijvoorbeeld het geval als er minder dan 500 woningen worden gebouwd bij minimaal één ontsluitingsweg, of minder dan 1.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Het Besluit gevoelige bestemmingen beperkt de vestiging van zogeheten ‘gevoelige bestemmingen’, zoals een school, in de nabijheid van provinciale en rijkswegen. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. Waar in zo’n onderzoekszone de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming’ niet toenemen. Dit wordt bereikt door op zo’n plek de vestiging van bijvoorbeeld een school niet toe te staan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.

Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien. De gemeente heeft geen eigen regelgeving en beleid over luchtkwaliteit. De nieuwe landgoedwoningen genereren in de toekomstige situatie gemiddeld 17,4 verkeersbewegingen per woning per dag. Zie paragraaf 3.4.6 Verkeer. De toename aan verkeersbewegingen is dermate beperkt dat er sprake is van een NIBM-project. Het aspect luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.1.8 Straling Het beleid voor elektromagnetische velden is opgenomen in het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4), de Toekomstagenda Milieu en de beleidsnota Nuchter Omgaan met Risico's, beslissen met gevoel voor onzekerheden (2004). Het ministerie van Infrastructuur en milieu heeft het beleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen uitgewerkt in een advies van oktober 2005. Dit advies is verder toegelicht in een brief van november 2008. De gemeente Oss heeft in het Milieubeleidsplan 2010-2014 het rijksadvies vastgelegd als beleidsuitgangspunt. Dit houdt in dat er bij nieuwbouwplannen of het realiseren van nieuwe hoogspanningslijnen voorkomen dient te worden dat er gevoelige bestemmingen terecht komen in een zone waar het magnetische veld gemiddeld over een jaar hoger is dan de norm van 0,4 microtesla. Het plangebied is niet gelegen binnen een zone van 80 meter van een bovengrondse hoogspanningslijn. Het aspect straling is derhalve niet belemmerend voor de voorgenomen ontwikkeling.

Ruimtelijke onderbouwing Landgoed Kromme Hoek, pag. 34 van 39 Oktober 2017

4.1.9 Water De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de Waterwet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets verplicht voor ruimtelijke plannen waarin waterbelangen spelen. De watertoets bewaakt de waterkwaliteit en waterkwantiteit. Een watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten zijn onder meer veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verzilting en verdroging. De watertoets heeft betrekking op alle wateren: rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. De relevante beleidsstukken van het waterschap zijn: het waterbeheerplan 2016-2021 en de Keur 2015. De keur stelt regels met betrekking tot hemelwater neutraal ontwikkelen. Projecten met een verhardingstoename < 2000 m2 zijn hiervan vrijgesteld. De gemeente Oss heeft in 2013 een integraal plan Watertaken vastgesteld. Het plan bestaat uit twee delen. Het “verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan” (vGRP) regelt de zorg voor inzameling en transport van afvalwater. Ook regelt het vGPR een doelmatige verwerking van afvloeiend hemelwater en overtollig grondwater. Daarnaast biedt het plan Watertaken een kader voor de andere watertaken van de gemeente. De gemeente is verantwoordelijk voor de openbare ruimte.

Het gaat vooral om de zorg voor oppervlaktewater in bebouwd gebied. De gemeente is ook verantwoordelijk voor een goede ruimtelijke ordening. Het gaat om voldoende ruimte voor water in ruimtelijke plannen. De watertoets is opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Beleid van gemeente, provincie en rijk is van toepassing bij een watertoets. Toetsing van uw waterparagraaf gebeurt op kwaliteit en kwantiteit. De verwerking van hemelwater, afvalwater en planologische ‘waterbestemmingen’ komen aan bod.

Figuur 12. Keur kaart Waterschap Aa en Maas met plangebied.

De bestaande boerderij binnen het plangebied is aangesloten op de riolering. De capaciteit van deze drukriolering is beperkt. De memo “Capaciteit drukriolering” van de gemeente Oss is van toepassing. In principe worden de nieuwe landgoedwoningen op de bestaande drukriolering aangekoppeld. 3 Voor de nieuwe landgoedwoningen is de watertoets ingevuld. Uit de watertoets komt naar voren dat het waterbelang van het bestemmingsplan voor Landgoed Kromme Hoek groot is. Het plangebied zou volgens de uitkomst van de watertoets gelegen zijn in een ‘ Primaire waterkeringszone’. Bij de situering van de bestemmingsvlakken van de nieuwe landgoedwoningen is er echter rekening mee gehouden dat de bestemmingsvlakken buiten deze zone, die in het vigerend 3

Watertoets Landgoed Kromme Hoek, januari 2016.

Ruimtelijke onderbouwing Landgoed Kromme Hoek, pag. 35 van 39 Oktober 2017

bestemmingplan de dubbelbestemming ‘Waterstaat-Waterkering’ hebben, zijn gelegen. Werkzaamheden zoals bouwen zijn in deze zone niet toegestaan. In september 2016 heeft een overleg plaatsgevonden met Waterschap Aa en Maas en Gemeente Oss over de ontwikkeling van Landgoed Kromme Hoek en de regels voor beplanting nabij de waterkering. Het plan voor Landgoed Kromme Hoek is niet in strijd met deze regels (beleidsregels voor waterkering, waterkwantiteit en grondwater artikel 21.4.2). De regels bepalen dat geen beplanting aanwezig mag zijn op het talud van de waterkering. Het plangebied voor Landgoed Kromme Hoek ligt buiten het talud van de waterkering en heeft derhalve niet met deze regels te maken. Uit de watertoets komt tevens naar voren dat er leggerwatergangen in het plangebied zijn gelegen. Het betreft primaire en secundaire leggerwatergangen. De voorgenomen ontwikkelingen hebben geen betrekking op de regels voor leggerwatergangen. De primaire leggerwatergangen zijn ingetekend op de verbeelding van het bestemmingsplan waar onderhavige ruimtelijke onderbouwing onderdeel van uitmaakt. Langs de leggerwatergangen ligt aan beide zijden een beschermingszone van 5 meter vanaf de insteek. 2 2 De toename van het verhard oppervlak is 1.000 m . Dit oppervlak blijft onder het oppervlak van 2.000 m dat vrijgesteld is van regels voor hemelwaterberging.

Binnen het plangebied worden wel waterbergingsvoorzieningen gerealiseerd. Aan de hand van de watertoets is bepaald dat per woning 3 30m waterbergingscapaciteit voldoende is. De waterbergingscapaciteit wordt gerealiseerd middels twee zaksloten waarvan de capaciteit boven de GHG (+/- 140 cm-mv volgens Wateratlas Brabant) is gelegen. Binnen de doeleindenomschrijving van de bestemming ‘Wonen’ wordt ten behoeve van de realisatie van de zaksloten ‘water en waterhuishoudkundige voorzieningen’ opgenomen.

4.1.10 Weg-, spoor- en industrielawaai De Wet geluidhinder (Wgh) biedt bescherming tegen (spoor)weglawaai en tegen industrielawaai van inrichtingen voor zover gelegen op een gezoneerd industrieterrein. In de Wgh wordt een beperkt aantal typen objecten beschermd, de zogenoemde geluidgevoelige objecten. De Wet geluidhinder kent een stelsel van normen ter voorkoming van geluidhinder. Ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen zijn grenswaarden opgenomen. Hierbij is een ondergrens (voorkeursgrenswaarde) en een bovengrens (maximaal toelaatbare grenswaarde) opgenomen. De Wgh biedt gemeenten de mogelijkheid om gericht in te spelen op de lokale situatie door maatwerk te leveren. Burgemeester en wethouders kunnen een hogere waarde vaststellen dan de ondergrens, maar mogen daarbij de bovengrens niet overschrijden. In 2010 heeft de gemeenteraad van Oss de geluidsnota “Geluidskwaliteit in de leefomgeving” vastgesteld. De gemeente Oss maakt hierbij gebruik van gebiedsgericht geluidbeleid. Per gebied wordt een geluidskwaliteit nagestreefd. Zo zijn er ‘rustige gebieden’, ‘dynamische gebieden’ en er zijn gebieden die ten aanzien van geluid onder druk staan. De geluidsnota gaat ook in op de realistische inzet van onderzoek, het stellen van eigen criteria voor het toestaan van een hogere waarde en bedrijfswoningen op industrieterreinen.

De gemeente Oss streeft naar een leefbare woonsituatie, ook op locaties met een hoge geluidsbelasting. Deze leefbaarheid wordt bereikt door terughoudend te zijn met hogere grenswaarden en door hieraan voorwaarden te verbinden. Deze voorwaarden leggen de initiatiefnemer of de beheerder een inspanning op voor een leefbare woonomgeving als compensatie voor het bouwen en het veroorzaken van een lawaaiige situatie. Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. Ook in Oss is er een aantal gezoneerde industrieterreinen. Met zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel bedrijven als aan bewoners/gebruikers van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Bedrijven kunnen aan de ene kant hun geluidsproducerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen te veel oprukken naar de bedrijven toe. In de toekomstige situatie zijn de twee landgoedwoningen volgens de Wgh geluidgevoelige objecten.

De woningen zijn gelegen op de grens van de geluidscontour 0-43 dB en de contour van de Maasdijk, 43-48

Ruimtelijke onderbouwing Landgoed Kromme Hoek, pag. 36 van 39 Oktober 2017

dB. In het gebied waarin het plangebied is gelegen: ‘Landelijk gebied met lage geluidsdruk, is de streefwaarde voor wegverkeerslawaai 45 dB. Vanwege de ligging van de landgoedwoningen op de grens van de genoemde geluidscontouren is de verwachting dat de geluidsdruk ter plekke van de landgoedwoningen niet hoger zal zijn dan de streefwaarde voor wegverkeerslawaai. Voor de voorgenomen ontwikkeling is geluid geen belemmerende factor. 4.3 Waarden Binnen het plangebied voorkomende waarden op het vlak van natuur, archeologie of cultuurhistorie dienen te worden gerespecteerd en beschermd, mogelijk zelfs bevorderd. Bij ontwikkelingen moet proactief rekening worden gehouden met de aanwezige waarden. Achtereenvolgens komen aan bod: Archeologie en cultuurhistorie (§ 4.3.1) Natuur (§ 4.3.2) Kwaliteitsverbetering van het landschap (§ 4.3.3) 4.3.1 Archeologie Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkelingen is een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek verkennende/karterende fase uitgevoerd binnen het plangebied.

Figuur 13. Deelgebieden archeologisch onderzoek op achterhaalde inrichtingsschets.

4

Ten behoeve van de landgoedontwikkeling is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. De in het onderzoek onderzochte gebieden zijn gebaseerd op een inmiddels achterhaalde inrichtingsschets, zie figuur 13. De toekomstige bouwvlakken liggen 25 meter noordelijker en 25 meter westelijker dan deelgebied 1 en 2 waar in het archeologisch onderzoek vanuit is gegaan. Ook de gebieden waar beplanting wordt aangelegd wijken af van de onderzochte gebieden. Het archeologisch onderzoek kan wel gebruikt worden om de archeologische verwachtingswaarde van de nieuwe bouwvlakken en de nieuwe locaties waar beplanting wordt gerealiseerd te bepalen. Uit het archeologisch onderzoek komt namelijk naar voren dat op grond van het veldonderzoek de hoge verwachting uit het bureauonderzoek voor de perioden Bronstijd tot en met Vroege-Middeleeuwen voor alle deelgebieden kan worden bijgesteld naar laag. Hetzelfde geldt voor de hoge verwachting uit het bureauonderzoek voor deelgebied 1 voor de perioden Late-Middeleeuwen tot en met Nieuwe tijd en de hoge verwachting uit het bureauonderzoek voor de deelgebieden 1, 3 en 5 wat de Nieuwe tijd betreft. De 4

Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, verkennende/karterende fase Landgoed Kromme Hoek te Neerloon, Archeodienst januari 2016.

Ruimtelijke onderbouwing Landgoed Kromme Hoek, pag. 37 van 39 Oktober 2017

lage verwachting uit het bureauonderzoek voor de deelgebieden 2-5 voor de Late-Middeleeuwen kan worden gehandhaafd evenals de lage verwachting uit het bureauonderzoek voor de deelgebieden 2 en 4 wat de Nieuwe tijd betreft. Er is geen reden om te veronderstellen dat de archeologische verwachtingswaarde van de nieuwe bouwvlakken en de nieuwe locaties waar beplanting wordt aangelegd, afwijkt van de lage verwachting voor de perioden Bronstijd tot en met Vroege-Middeleeuwen die voor alle onderzochte deelgebieden wordt voorgesteld. De hoge verwachtingswaarde voor de periode Late-Middeleeuwen tot en met Nieuwe tijd, waarvan voorgesteld wordt om deze naar laag bij te stellen, lag alleen op deelgebied 1 vanwege het feit dat hier al e in het begin van de 19 eeuw bebouwing aanwezig was. Er is dus geen reden om te veronderstellen dat deze hoge verwachtingswaarde buiten deelgebied 1 aan orde zou zijn. De hoge verwachtingswaarde voor de deelgebieden 1, 3 en 5 wat de Nieuwe tijd betreft, waarvan voorgesteld wordt om deze naar laag bij de stellen, lag alleen op deze deelgebieden vanwege de ligging grenzend aan een gebied waar bebouwing heeft gestaan of omdat er bebouwing heeft gestaan. Er is dus geen reden om te veronderstellen dat deze hoge verwachtingswaarde buiten deelgebied 1, 3 en 5 aan de orde zou zijn.

Op basis van bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect archeologie niet belemmerend is voor de voorgenomen ontwikkelingen. 4.3.2 Natuur Bij de bescherming van natuurwaarden gaat het enerzijds om soortenbescherming en anderzijds om gebiedsbescherming. Beschermde plant- en diersoorten ontlenen hun bescherming onder andere aan opname in de Flora- en faunawet. Deze bescherming moet er toe leiden dat het voortbestaan van de soort niet in gevaar komt. De gebiedsbescherming is verankerd in de Natuurbeschermingswet. Flora- en faunawet De Flora- en faunawet beschermt in het wild levende planten- en diersoorten. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen leiden tot verstoring, aantasting van broedplaatsen en vernietiging van verblijfplaatsen van beschermde soorten. De mate van bescherming hangt samen met de zeldzaamheid en kwetsbaarheid van de soort. Artikel 2 van de Flora- en faunawet houdt een algemene zorgplicht in. Op basis hiervan worden ook niet beschermde soorten zoveel mogelijk ontzien. De Flora- en faunawet hanteert het ‘nee, tenzij’ principe. Activiteiten die mogelijk leiden tot negatieve effecten op beschermde soorten zijn in principe verboden, tenzij maatregelen kunnen worden genomen om dit te voorkomen. In sommige gevallen dient voor een ruimtelijke ontwikkeling een ontheffing bij het ministerie te worden aangevraagd.

Deze ontheffing wordt alleen verleend, als aangetoond wordt dat de voorgenomen ruimtelijke ingreep geen afbreuk zal doen aan de gunstige staat van instandhouding van de beschermde soorten. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkelingen binnen het plangebied is een quickscan Flora & Fauna 5 uitgevoerd door Faunaconsult . In de quickscan is uitgegaan van een inrichting van het landgoed die iets afwijkt van de inrichting waar in voorliggende ruimtelijke onderbouwing vanuit wordt gegaan. Dit heeft te maken met een aanpassing van het ontwerp van het landgoed op verzoek van de gemeente Oss. De nieuwe inrichting gaat uit van hetzelfde principe waarbij landschapselementen en kruiden- en faunarijk grasland wordt gerealiseerd. De locatie van de bouwkavels verschilt van de locatie die in de quickscan is meegenomen. Op beide plekke is geen sprake van beschermde soorten. Het is aannemelijk dat de conclusies uit de quickscan bij de gewijzigde inrichting van het landgoed overeind blijven. Uit de quickscan komt naar voren dat ten behoeve van de voorgenomen ontwikkelingen geen ontheffing op de Flora- en faunawet hoeft te worden aangevraagd. Wel geldt de ‘algemene zorgplicht’ waarbij beschermde diersoorten die tijdens het werk worden aangetroffen, direct moeten worden gevangen en na afloop van de werkzaamheden in het aangrenzende gebied moeten worden vrijgelaten.

Daarnaast komt uit de quickscan naar voren dat de voorgenomen maatregelen naar verwachting een positief effect hebben op de natuurwaarden in de nabij gelegen EHS. Er zijn daarom vanuit het provinciale natuurbeleid geen bezwaren te verwachten. 5

Flora- en fauna quickscan Maasdijk 11 te Neerloon, Faunaconsult januari 2016.

Ruimtelijke onderbouwing Landgoed Kromme Hoek, pag. 38 van 39 Oktober 2017

Het aspect flora & fauna is niet belemmerend voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.3.3

Kwaliteitsverbetering van het landschap

Indien het plangebied buiten bestaand stedelijk is gelegen, moet aangegeven worden hoe met artikel 3.2 van de Verordening ruimte 2014 (regeling kwaliteitsverbetering van het landschap) wordt omgegaan. De tegenprestatie moet passen binnen de regionale afspraken. Conform artikel ‘7.9 Landgoederen’ lid 6 van de Verordening ruimte 2014 is artikel 3.2 (kwaliteitsverbetering landschap) niet van toepassing op een als zodanig aangewezen landgoed.

4.3.4 Defensie Uit oogpunt van defensie kunnen er beperkingen gesteld worden aan ruimtelijke ontwikkelingen in een gebied. Belangrijke aandachtspunten met betrekking tot het defensiebelang zijn: - Radarverstoringsgebieden; - Obstakelbeheergebieden; - Laagvliegroutes voor jachtvliegtuigen; - Geluidszones voor militaire luchtvaartterreinen. Het gehele plangebied is gelegen binnen het radarverstoringsgebied van een radar van de vliegbasis Volkel. Binnen dit gebied is het in beginsel niet toegestaan om hogere bebouwing op te richten dan 114 meter boven NAP. Indien er initiatieven zijn voor het oprichten van hogere bouwwerken of gebouwen, dan kan dit toegestaan worden als blijkt dat de radar niet onevenredig wordt verstoord. Dit kan door TNO worden berekend. Dit bestemmingsplan voorziet echter nergens in bouwmogelijkheden tot een dergelijke hoogte. Daarmee is het belang van het radarverstoringsgebied binnen dit bestemmingsplan voldoende gewaarborgd. Bij een eventueel toekomstig initiatief voor een bouwwerk met een hoogte tot 114 meter boven NAP of hoger dient het defensiebelang nadrukkelijk betrokken te worden bij de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling. Voor het overige geldt dat het plangebied niet gelegen is binnen een obstakelbeheergebied, een laagvliegroute voor jachtvliegtuigen of een geluidszone voor militaire luchtvaartterreinen.

Aan deze aspecten hoeft dan ook geen verdere aandacht besteed te worden. 4.3.5 Milieueffectrapportage (M.e.r.) Op grond van het Besluit milieueffectrapportage, mede in relatie tot bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling, moet voor bepaalde projecten een m.e.r. worden gemaakt of een m.e.r.-beoordeling worden uitgevoerd. Met een m.e.r. worden vooraf de milieugevolgen van een besluit in beeld gebracht. In het plangebied is sprake van de aanleg, wijziging of uitbreiding van een klein stedelijk ontwikkelingsproject. Het gaat om de realisatie van een nieuw landgoed waarbij twee landgoedwoningen in samenhang met 5 hectare nieuwe natuur worden gerealiseerd. Een dergelijk klein stedelijk ontwikkelingsproject valt onder de activiteit D.11.2. in bijlage II van het Besluit m.e.r. waarvoor de term 'stedelijke ontwikkeling' geldt. De drempelwaarde voor een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit van D.11.2. in bijlage II van het Besluit bedraagt: • Een oppervlakte van 100 ha of meer; • Een aangesloten gebied en 2000 of meer woningen. De ontwikkeling ligt ver beneden de drempelwaarde zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. Gevoelige gebieden In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied.

Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Het plangebied is niet gelegen in de nationaal natuurnetwerk (voorheen ecologische hoofdstructuur). Het plangebied is niet gelegen in een waterwingebied. Binnen het plangebied is een beschermingszone van

Ruimtelijke onderbouwing Landgoed Kromme Hoek, pag. 39 van 39 Oktober 2017

een primaire waterkering gelegen. De landgoedwoningen worden buiten deze zone gerealiseerd waardoor met betrekking tot het thema water geen specifieke belangen in het geding zijn. Milieugevolgen In voorgaande paragrafen van dit hoofdstuk zijn de verschillende milieueffecten beschouwd, zoals geluid, luchtkwaliteit etc. Hieruit blijkt dat er door de ontwikkeling geen sprake is van nadelige milieugevolgen. Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de onderzoeken van de verschillende milieuaspecten zoals deze in de voorgaande paragrafen zijn opgenomen. Voor de bestemmingswijziging is dan ook geen m.e.r.-procedure of m.e.r.-beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r.

Hoofdstuk 5

Haalbaarheid

5.1 Economische uitvoerbaarheid De voorgenomen ontwikkelingen betreffen in beginsel een particulier initiatief van de familie Van Heumen. De exploitatie van deze ontwikkelingen valt onder de verantwoordelijkheid van de familie Van Heumen. Exploitatieplan In de Wro is in afdeling 6.4 de regelgeving rondom de grondexploitatie opgenomen. Centrale doelstelling is om in de situatie van particuliere grondexploitatie te komen tot een verbetering van het gemeentelijk kostenverhaal en de versterking van de gemeentelijke regio bij locatieontwikkeling. • In artikel 6.12 Wro is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt voor gronden waarop een bouwplan is voorgenomen. • In artikel 6.2.1 Bro is vastgelegd wat onder een bouwplan wordt verstaan. De bouw van een of meerdere hoofdgebouwen is in het betreffende artikel van het Bro opgenomen. Een exploitatieplan dient tegelijkertijd met een bestemmingsplan te worden vastgesteld. In de Wro is tevens opgenomen, dat kan worden afgeweken van de verplichting tot het opstellen van een exploitatieplan indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is of indien er geen kostenverhaal nodig is. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan wordt dan expliciet het besluit genomen dat het niet noodzakelijk is om een exploitatieplan vast te stellen.

In het geval van het bestemmingsplan voor Landgoed Kromme Hoek wordt een verhaal van kosten van de grondexploitatie verzekerd middels een anterieure overeenkomst. 5.2 PM

Zienswijzen

Landgoed Kromme Hoek

Inrichtings- en beeldkwaliteitsplan maart 2017

Landgoed Kromme Hoek Inrichtings- en beeldkwaliteitsplan Familie van Heumen Maart 2017 Paul van Limpt (Praedium Coöperate UA) Gabi Stoffelen (Pouderoyen Compagnons bv) Praedium Coöperatie UA Huize Muyserick, Maurick 1, 5261 NA Vught

project onderwerp opdrachtgever datum opstellers contactgegevens

9 11

3.1 Concept 3.2 Beschrijving

6.

5.

4.

9

Ontwerp

3.

17

15 16 16

Uitgangspunten bestemmingsplan

15

Inrichting en beheer natuur

13 13 14

4.1 Stedenbouwkundige visie 4.2 Architectonische uitgangspunten 4.3 Beeldkwaliteit en erfinrichting

5.1 Inrichtings- en beheermaatregelen 5.2 Openstelling 5.3 Duurzame instandhouding

13

Stedenbouw en architectuur

7

Analyse van het plangebied

2.

5

Inleiding

1.

Inhoudsopgave

4

luchtfoto van het plangebied Inrichtings- en beeldkwaliteitsplan

Inleiding

Landgoed Kromme Hoek

Leeswijzer In dit plan komen een aantal zaken aan de orde: In hoofdstuk twee wordt een analyse gegeven van het plangebied. In hoofdstuk drie wordt het ontwerp voor Landgoed Kromme Hoek toegelicht. Hoofdstuk vier beschrijft de architectonische uitgangspunten van het landgoed. In hoofdstuk vijf wordt in gegaan op de inrichting en het beheer van de nieuwe natuur, inclusief de duurzame instandhouding van het landgoed. In hoofdstuk zes worden de uitgangspunten voor de bestemmingsplanregels behandeld.

Dit inrichtings- en beeldkwaliteitsplan is opgesteld in het kader van het bestemmingsplan voor de ontwikkeling van Landgoed Kromme Hoek. Opdrachtgever Familie van Heumen is voornemens een landgoed te ontwikkelen aan de Maasdijk te Neerloon. De ontwikkelingen binnen het plangebied van Landgoed Kromme Hoek bestaan uit de realisatie van 5,51 hectare nieuwe natuur, twee nieuwe landgoedwoningen en de recreatieve ontsluiting van het landgoed middels een wandelpad. Het plangebied is 12,3 hectare groot, ligt binnen de gemeente Oss en bestaat uit de kadastrale percelen Ravenstein E114, E1039, E1040, E1343, E1344 en E520.

1.

bestaande boerderij op het landgoed Kromme Hoek

5

Algemene hoogtekaart Nederland

Luchtfoto

6

Topografische kaart van rond 1900

Topografische kaart

Inrichtings- en beeldkwaliteitsplan

Analyse van het plangebied

Landgoed Kromme Hoek

In latere perioden kregen de komkleigebieden een steeds groter betekenis voor de landbouw. Maar door de slechte bewerkbaarheid (zware klei, nat) werden deze gronden vooral gebruikt als weidegrond en/of hooiland. De van oorsprong aanwezige bossen werden gekapt, waardoor een heel open grootschalig landschap ontstond dat rationeel werd verkaveld in grote percelen.

Op de oeverwallen liggen dan ook de oudste nederzettingen, omgeven door akkers en op grotere afstand de hooilanden en weidegronden in de komkleigebieden. Rond de oude boerderijen lagen vaak boomgaarden voor het fruit, moestuinen voor aardappels en groenten en kleine (hakhout)bosjes voor geriefhout. Kortom een kleinschalig landschap op de oeverwal.

De kleigebieden klinken in droge perioden vervolgens in. Dit gebeurt niet met zand en grind, waardoor de kleigebieden lager komen te liggen. Dit heeft tot gevolg dat dicht langs de rivier de hoger gelegen en zandiger oeverwallen liggen. Deze gebieden zijn van oudsher ideale vestigingsgebieden voor de mens: hoger en droger, vruchtbare en goed bewerkbare gronden en vlak bij de belangrijkste vervoersader, de rivier.

Landgoed Kromme Hoek ligt vlak bij Neerloon. Neerloon is ontstaan op de oeverwal van de Maas. De oeverwallen zijn de hoger gelegen zandige gebieden die vlak bij de rivier zijn afgezet in de tijd dat de rivieren nog regelmatig buiten hun oevers traden en niet werden ingeperkt door dijken en kades. Tijdens overstromingen bezinkt grind, zand en klei dat de rivier meevoert. Hoe lager de stroomsnelheid hoe kleiner de deeltjes die naar de bodem zakken. Dit betekent dat dicht bij de rivier de grofste deeltjes (grind en zand) worden afgezet en het verst van de rivier de fijnste deeltjes (klei).

2.

Landschappelijke inbedding landgoed Kromme Hoek

overgang naar

De boerderijen in dit gebied werden ontsloten door de dijk. In het geval van Neerloon ontstond hierdoor een lint van boerderijen met hun voorzijde gericht op de dijk en de achterzijde naar het landschap. Omdat het plangebied in de bocht van de dijk ligt ontstaat een patroon waarbij er in de kromming van de dijk een kleinschalig landschap ontstaat dat verder van de dijk grootschaliger wordt.

7

Dit onderscheid tussen een kleinschalig landschap op de oeverwallen en een open grootschalig landschap op de komklei is na de grote landbouwmechanisatie steeds minder groot geworden. Door het gebruik van moderne technieken konden de komkleigebieden ook gebruikt worden voor akkerbouw. Tegelijkertijd werden de kleine onregelmatige percelen op de oeverwallen herverkaveld en recht getrokken, zodat gemakkelijk bewerkbare grote percelen ontstonden.

8

Inrichtings- en beeldkwaliteitsplan

Ontwerp

Landgoed Kromme Hoek

Inrichtingsprincipe

Deze kleinschalige zone bestaat uit een afwisseling van (bloemrijke) graslanden en bossages en één cluster met woonfunctie. Verder van de dijk liggen vervolgens de open landbouwgronden. Om deze toch te betrekken bij het landgoed zijn de landbouwgronden omgeven door bloemrijke akkerranden en ligt er een wandelpad dat beide delen van het landgoed met elkaar verbindt.

Uitgangspunt voor de ontwikkeling van landgoed Kromme Hoek is de versterking van het onderliggende landschap. In dit geval betekent dit de ontwikkeling van een kleinschalig landschap in de zone onderlangs de dijk. De breedte van deze kleinschalige strook is daarbij afgeleid van de percelen ten westen en zuiden van het plangebied.

3.1 Concept

3.

9

Tenslotte wordt ook de beleefbaarheid van het landschap versterkt met de ontwikkeling van het landgoed. In de meest noordwestelijke punt worden enkele parkeerplaatsen ontwikkeld. Hiervandaan wordt het in de toekomst mogelijk een wandeling over het landgoed te maken, die via een grote lus rondom het grote landbouwperceel uiteindelijk weer naar de dijk leidt. Het laatste stukje van de wandeling loopt daarbij over het pad dat de twee nieuwe woonpercelen ontsluit.

Naast versterken van de ruimtelijke kwaliteit van het gebied wordt ook de natuurwaarde van gebied vergroot door de ontwikkeling van een nieuw landgoed op deze plek. Zo ontstaat de mogelijkheid voor: • de versterking van de aanwezige dassenburcht in het gebied door de aanleg van akkerranden met meidoornstruwelen en de aanplant van een enkele fruitboom in de nabijheid van “het dassenbosje”; • omvormen van de graslanden in de kleinschalige zone onderlangs de dijk naar bloemrijk grasland (N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland uit het Natuurbeheerplan); • ontwikkeling van bos in de zone onderlangs de dijk met goed ontwikkelde gradiënten van open grasland, via een mantel-zoom vegetatie naar gesloten bos; • graven van een amfibieënpoel in de noordoostelijke hoek van het grote land bouwperceel; • aanleg van een hoogstamboomgaard als verbindend element op het erf en extra foerageergebied voor de das; • realiseren van bloemrijke akkerranden langs de landbouwpercelen, waarmee niet alleen extra oppervlak natuurgebied wordt gerealiseerd, maar tevens wordt voorkomen dat meststoffen via oppervlakkige afspoeling direct in het slootwater terecht komen.

De nieuwe woningen worden zoveel mogelijk geclusterd rond de bestaande boerderij. Op deze manier blijft er een duidelijk onderscheid bestaan tussen woongebied en landbouw-/natuurgebied. Tegelijkertijd voegen de woningen extra kwaliteit toe aan de bestaande boerderij.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=b8eba05a-1651-422b-a02d-3730effe175b