Bijlage 2A Toelichting - bijlage 13 Maadijk 11 Neerloon
Tekst van het document
BESTEMMINGSPLAN Buitengebied Oss - 2020 Bijlagen bij toelichting
Bijlage 13 - ruimtelijke onderbouwing Maasdijk 11, Neerloon
Gemeente Oss | Raadhuislaan 2 | 5341 GM | Oss | T: 14 0412 | F: 0412 642605 | www.oss.nl |
Ruimtelijke onderbouwing Landgoed Kromme Hoek, pag. 1 van 39 Oktober 2017
Ruimtelijke onderbouwing Landgoed Kromme Hoek, Neerloon
Gemeente Oss, Oktober 2017
Ruimtelijke onderbouwing Landgoed Kromme Hoek, pag. 2 van 39 Oktober 2017
Contactpersoon: Drs. G. Stoffelen Bezoek- en postadres: St. Stevenskerkhof 2 6511 VZ NIJMEGEN T: 06 20070879 E: info@pouderoyen.nl I: www.pouderoyen.nl
Ruimtelijke onderbouwing Landgoed Kromme Hoek, pag. 3 van 39 Oktober 2017
INHOUDSOPGAVE Ruimtelijke onderbouwing Hoofdstuk 1
Inleiding ........................................................................................................................................... 5
1.1
Aanleiding .................................................................................................................. 5
1.2
Begrenzing plangebied .................................................................................................. 5
1.3
Vigerend bestemmingsplan ............................................................................................. 5
Hoofdstuk 2
Bestaande situatie en programma ................................................................................................ 6
2.1
Ontstaansgeschiedenis .................................................................................................. 6
2.2
Bestaande situatie ........................................................................................................ 6
2.3
Beoogde situatie .......................................................................................................... 7
2.4
Stedenbouwkundige karakteristiek ................................................................................... 7
2.5
Functionele karakteristiek ............................................................................................... 7
2.6
Groen en water ............................................................................................................ 7
2.7
Beeldkwaliteit .............................................................................................................. 7
Hoofdstuk 3
Beleidskader ................................................................................................................................... 8
3.1
Wettelijk kader ............................................................................................................. 8
3.2
Rijksbeleid ................................................................................................................. 10
3.3
Provinciaal beleid ........................................................................................................ 12
3.4
Gemeentelijk beleid ...................................................................................................... 22
Hoofdstuk 4
Verantwoording ............................................................................................................................ 29
4.1
Milieu- en omgevingsaspecten ........................................................................................ 29
4.3
Waarden .................................................................................................................... 36
4.3.4
Defensie ................................................................................................................. 38
4.3.5
Milieueffectrapportage (M.e.r.)...................................................................................... 38
Hoofdstuk 5
Haalbaarheid ................................................................................................................................. 39
5.1
Economische uitvoerbaarheid ........................................................................................ 39
5.2
Zienswijzen ................................................................................................................ 39
BIJLAGEN - Inrichtings- en beeldkwaliteitsplan Landgoed Kromme Hoek, Praedium oktober 2017. - Flora- en faunaquickscan Maasdijk 11 te Neerloon, Faunaconsult 18 januari. - Watertoets, Waterschap Aa en Maas januari 2016. - Verkennend bodemonderzoek, G&O Consult januari 2016. - Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek, verkennende/karterende fase Landgoed ‘Kromme Hoek’ te Neerloon, Archeodienst januari 2016.
Ruimtelijke onderbouwing Landgoed Kromme Hoek, pag. 4 van 39 Oktober 2017
Figuur 1. Luchtfoto met plangebied.
Figuur 2. Topografische kaart met plangebied.
Ruimtelijke onderbouwing Landgoed Kromme Hoek, pag. 5 van 39 Oktober 2017
Hoofdstuk 1
Inleiding
1.1 Aanleiding De familie Van Heumen is voornemens om op haar gronden bij de boerderij aan de Maasdijk 11 te Neerloon een nieuw landgoed te ontwikkelen. De boerderij heeft een agrarische bestemming en is als kleinschalig agrarisch bedrijf in gebruik. De ontwikkeling van een nieuw landgoed past goed binnen het beleid van de gemeente Oss voor het oeverwalgebied waarbinnen het plangebied is gelegen. Om de ontwikkeling van het landgoed mogelijk te maken is een bestemmingswijziging nodig. 1.2 Begrenzing plangebied Het plangebied is gelegen aan de Maasdijk 11 te Neerloon. Op figuur 1 en 2 zijn een luchtfoto en een topografische kaart opgenomen waarop het plangebied is ingetekend. Het plangebied bestaat uit de kadastrale percelen Ravenstein E114, E1039, E1040, E1343, E1344 en E520. 1.3 Vigerend bestemmingsplan Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan Buitengebied Oss 2010 en de partiële herziening 1 Buitengebied Oss 2010. Het plangebied kent de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ waarbij de boerderij op een bouwvlak is gelegen. Dit bouwvlak heeft de functieaanduiding ‘Cultuurhistorische waarden’. Het gehele plangebied kent de dubbelbestemming ‘Waarde – archeologie 2’ en langs de dijk ligt de dubbelbestemming ‘Waterstaat- waterkering’.
Figuur 3. Vigerend bestemmingsplan met plangebied.
Ruimtelijke onderbouwing Landgoed Kromme Hoek, pag. 6 van 39 Oktober 2017
Hoofdstuk 2
Bestaande situatie en programma
2.1 Ontstaansgeschiedenis Het plangebied is in het rivierengebied gelegen op de oeverwal van de Maas. Na de laatste ijstijd zette de rivier de Maas in het rivierengebied tijdens overstromingen zand en klei af. De grote zwaardere zanddeeltjes werden dicht bij de oever afgezet. De kleine lichte kleideeltjes werden tijdens de overstroming op grotere afstand van de rivierbedding gedeponeerd. Zo ontstonden de oeverwallen en de komgronden. De oeverwallen waren van oudsher populaire vestigingsplaatsen. De oeverwallen zijn door bewoners intensief in cultuur gebracht waardoor het landschap een kleinschalig en halfopen tot besloten karakter had.
Figuur 4. Historische kaart van rond 1900 met plangebied
2.2 Bestaande situatie In de huidige situatie zijn binnen het plangebied vrijwel geen landschapselementen meer aanwezig. Alleen bij de boerderij zijn erfbeplanting en een populierenopstand aanwezig. Achter de boerderij ligt nog een klein bosje op een dassenburcht. De boerderij is momenteel als agrarische bedrijfswoning in gebruik. In de stal bij de boerderij, waarop een milieuvergunning rust uit 2001, worden vleeskoeien en schapen gehouden. De gronden binnen het plangebied zijn in gebruik als gras- en akkerland.
Ruimtelijke onderbouwing Landgoed Kromme Hoek, pag. 7 van 39 Oktober 2017
2.3 Beoogde situatie 1 Voor Landgoed Kromme Hoek is een inrichtings- en beeldkwaliteitsplan uitgewerkt door Praedium. De beoogde situatie is in dit plan dat als bijlage bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing hoort uitgewerkt.
Figuur 5. Inrichtingsschets Landgoed Kromme Hoek.
2.4 Stedenbouwkundige karakteristiek De stedenbouwkundige karakteristek van Landgoed Kromme Hoek is in het inrichtings- en beeldkwaliteitsplan uitgewerkt in paragraaf 4.1 Stedenbouwkundige visie. 2.5 Functionele karakteristiek In de toekomstige situatie wordt 5,51 hectare nieuwe natuur gerealiseerd in de vorm van landschapselementen zoals een boomgaard, bosjes en struweelhagen en bloemrijk grasland. Tevens worden 2 landgoedwoningen gerealiseerd en wordt het plangebied met een wandelpad ontsloten. Het plangebied ligt in het buitengebied. 2.6 Groen en water In de toekomstige situatie wordt 5,51 hectare nieuwe natuur gerealiseerd binnen het plangebied. Daarbij wordt ook een poel gerealiseerd. 2.7 Beeldkwaliteit PM gemeente.
1
Inrichtings- en beeldkwaliteitsplan Landgoed Kromme Hoek, Praedium maart 2017.
Ruimtelijke onderbouwing Landgoed Kromme Hoek, pag. 8 van 39 Oktober 2017
Hoofdstuk 3 3.1
Beleidskader
Wettelijk kader
3.1.1 Wet ruimtelijke ordening Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening in werking getreden. De hoofdlijnen van de nieuwe wet zijn samengevat: Decentraal wat kan en centraal wat moet: rijk en provincie moeten en mogen niet meer regelen dan wat de taak van deze overheden direct met zich brengt; Rijk, provincie en gemeente hebben gelijke instrumenten en kunnen die inzetten voor de eigen taken op het gebied van de ruimtelijke ordening: structuurvisie, bestemmingsplan en projectafwijkingsbesluit; Rijk en provincie kunnen zaken voor gemeente dwingend voorschrijven via een verordening en via een aanwijzing; Er is een strikte scheiding tussen beleid en bestemmingsplan; beleidsdocumenten hebben geen directe juridische werking meer; De goedkeuring van de provincie op bestemmingsplannen is vervallen; De gemeente moet meer werk maken van de herziening van bestemmingsplannen: o Er komt een sanctie op verouderde bestemmingsplannen: geen legesheffing meer mogelijk; o Voor de realisering van projecten kan een projectafwijkingsbesluit genomen worden; Voor gebieden waar geen ruimtelijke ontwikkelingen spelen kan de gemeente kiezen om een beheersverordening te maken in plaats van een bestemmingsplan; Er is een drempel voor planschade van 2%; De mogelijkheid van kostenverhaal bij grondexploitatie is verbeterd; Bestemmingsplannen moeten analoog en digitaal worden gemaakt.
3.1.2 Grondexploitatiewet Tegelijk met de Wet ruimtelijke Ordening is de nieuwe Grondexploitatiewet (Grex-wet) in werking getreden. De grondexploitatiewet is als paragraaf 6.4 in de nieuwe Wet ruimtelijke ordening opgenomen. De Grex-wet is noodzakelijk omdat eerdere wettelijke instrumenten voor kostenverhaal, te weten de exploitatieverordening en de baatbelasting, niet toereikend bleken. Doelstelling van de nieuwe wet is een goede regeling voor kostenverhaal, binnenplanse verevening en enkele locatie-eisen bij particuliere grondexploitatie. Onder de Grex-wet is kostenverhaal mogelijk via het privaatrechtelijke spoor (door middel van een vrijwillige samenwerkingsovereenkomst) en door middel van het publiekrechtelijke spoor. Eén van de belangrijkste vernieuwingen die de wet brengt, is het verplichtende karakter van kostenverhaal. Privaatrechtelijke afspraken hebben de voorkeur. Maar als een gemeente er niet in geslaagd is met alle particuliere eigenaren in een gebied een overeenkomst te sluiten over grondexploitatie moet de gemeente publiekrechtelijk kosten verhalen bij partijen waarmee geen contract is gesloten. Dit publiekrechtelijke verhaal gaat door middel van een exploitatieplan, waarvan de totstandkoming gelijk op moet lopen met een bestemmingsplan. De verplichting tot een publiekrechtelijke regeling is gekoppeld aan twee voorwaarden: 1.
In de eerste plaats is een ruimtelijk besluit op grond van de Wet ruimtelijke ordening nodig. Het publiekrechtelijk instrumentarium is alleen van toepassing bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijziging van een bestemmingsplan, of een projectafwijkingsbesluit. 2. De tweede voorwaarde is dat het ruimtelijk besluit voorziet in nieuwbouw of in belangrijke en omvangrijke verbouwplannen met functiewijzigingen. De bouwplannen waar het om gaat zijn in het Besluit ruimtelijke ordening aangewezen. Onderhavige ruimtelijke onderbouwing voorziet in bouwmogelijkheden voor twee landgoedwoningen. Met de gemeente is overleg gevoerd over het kostenverhaal.
Ruimtelijke onderbouwing Landgoed Kromme Hoek, pag. 9 van 39 Oktober 2017
3.1.3 Wet op de archeologische monumentenzorg In de Wet op de archeologische monumentenzorg, aangenomen in 2006, is het doel van het in 1992 gesloten Verdrag van Valletta (Malta) verwerkt: bescherming van het archeologische erfgoed als bron van het Europese gemeenschappelijke geheugen en als middel voor geschiedkundige en wetenschappelijke studie. Om dat doel te bereiken moet de wetgever het archeologisch erfgoed betrekken bij de ruimtelijke ordening. Met de wet wordt het Verdrag van Valletta in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De kern van de wet is dat gemeenten verantwoordelijk worden voor de archeologische monumentenzorg binnen de gemeentegrenzen. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient de gemeente rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden. Onderhavige ruimtelijke onderbouwing voorziet in nieuwe bouwmogelijkheden en in aanplant van bomen. De archeologische verwachtingswaarde in het plangebied is hoog. In paragraaf 4.3.1 wordt nader ingegaan op het effect van de voorgenomen ontwikkeling op de archeologische waarden binnen het plangebied. 3.1.4 Wet Natuurbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Deze vervangt drie wetten; de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet.
Bescherming van Natura 2000-gebieden is nagenoeg gelijk gebleven De bescherming van de Beschermde natuurmonumenten is vervallen, maar verder is er voor Natura 2000 weinig veranderd. De bescherming van de Natura 2000-gebieden is gebaseerd op internationale verplichtingen. De toetsing onder de Wet natuurbescherming is vergelijkbaar met die onder de Natuurbeschermingswet 1998. Bescherming van soorten planten en dieren is veranderd Zorgplicht Onder de Wet natuurbescherming geldt, net als voorheen onder de Flora- en faunawet, een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren. De zorgplicht houdt in werkzaamheden die nadelig kunnen zijn voor dieren en planten, in redelijkheid zo veel mogelijk nagelaten moeten worden of dat maatregelen genomen moeten worden om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen. Wijziging beschermingsregimes van soorten De Wet natuurbescherming kent drie beschermingsregimes: Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn, Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn en Beschermingsregime andere soorten. De eerste twee regimes komen overeen met de Europese richtlijnen. Het laatste regime betreft soorten uit de oude Tabel 1, 2 en 3 (Flora- en faunawet) die niet onder de Europese regelgeving beschermd zijn. Hier is een aantal soorten van de Rode lijst aan toegevoegd, die onder de Flora- en faunawet niet beschermd waren.
Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor soorten van het ‘Beschermingsregime andere soorten’. Er is dan geen ontheffing nodig voor werkzaamheden. De beschermde status van deze soorten verschilt dus per provincie. Een aantal soorten die onder de Flora- en faunawet beschermd waren, zijn onder de Wet natuurbescherming niet meer beschermd. Het gaat onder andere om aantal soorten planten (orchideeën), insecten en vissen (o.a. kleine modderkruiper en bittervoorn buiten Natura 2000gebieden). Wijziging verbodsbepalingen De verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming sluiten meer aan op de Europese richtlijnen dan onder de Flora- en faunawet het geval was. Zo is bijvoorbeeld aan het verbod ‘opzettelijk verstoren’ bij soorten van de Vogelrichtlijn toegevoegd: ‘als het van wezenlijke invloed is op de gunstige staat van instandhouding’. Procedure Onder de Wet natuurbescherming geldt, dat onderzocht moet worden of ruimtelijke ingrepen effect hebben op beschermde soorten, beschermde gebieden en beschermde bosopstanden. Vaak begint dat
Ruimtelijke onderbouwing Landgoed Kromme Hoek, pag. 10 van 39 Oktober 2017
met een oriënterend onderzoek, een quickscan. Effecten op Natura 2000-gebieden kunnen nog steeds afzonderlijk beoordeeld worden. Door de integratie van de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet is er nog maar één ‘natuurvergunning’ nodig van één bevoegd gezag. De beslistermijn voor aanvragen om vergunning of ontheffing is aangepast en gelijkgetrokken. De termijn om te beslissen op een aanvraag is 13 weken. Deze termijn is door het bevoegd gezag eenmalig te verlengen met 7 weken. Gedragscodes blijven als instrument (voor vrijstelling) bestaan. Zij moeten wel opnieuw vastgesteld worden door het ministerie van EZ. De bescherming van bosopstanden nagenoeg gelijk De belangrijkste elementen van de Boswet zijn onveranderd overgenomen in de Wet natuurbescherming: de meldingsplicht, de herplantplicht en het kapverbod. Er zijn ook een aantal veranderingen, bijvoorbeeld als het gaat om de eisen aan herplant en de vrijstellingsmogelijkheden. Deze eisen verschillen per provincie. In de Wet natuurbescherming zijn meer uitzonderingen opgenomen op de meld- en herplantplicht. En de meldingsplicht vervalt, als wordt gewerkt met een goedgekeurde gedragscode. Bevoegd gezag Vanaf 2017 zijn de bevoegdheden van het rijk (RVO) aan de provincies overgedragen. Zij maken dan de afwegingen voor de vergunningen en ontheffingen. Gemeenten hebben een loketfunctie en handhavingstaken.
Het is nog steeds mogelijk om een natuurvergunning ‘aan te haken’ bij de omgevingsvergunning, maar dit hoeft niet. Bij de ontwikkeling van het nieuwe landgoed worden nadelige gevolgen voor beschermde flora en fauna voorkomen. Het plangebied is niet gelegen in de buurt van een beschermd natuurgebied. In paragraaf 4.3.2 wordt nader ingegaan op het effect van de voorgenomen ontwikkeling op ecologische waarden in en in de omgeving van het plangebied.
3.2
Rijksbeleid
3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 heeft de minister van Infrastructuur en Ruimte de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. De visie stelt het (integrale) kader voor het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau in Nederland. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR drie Rijksdoelen geformuleerd: Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijkeconomische structuur van Nederland. (concurrerend) Het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat. (bereikbaar) Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke cultuurhistorische waarden behouden zijn. (leefbaar en veilig) De SVIR vervangt onder meer de volgende nota’s: de Nota Ruimte; de Structuurvisie Randstad 2040; de Nota Mobiliteit; de MobiliteitsAanpak; de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Verder vervallen met de SVIR de ruimtelijke doelen en uitspraken uit de Agenda Landschap, Agenda Vitaal Platteland en Pieken in de Delta. Oplossingsrichtingen
Ruimtelijke onderbouwing Landgoed Kromme Hoek, pag. 11 van 39 Oktober 2017
Verstedelijkings- en landschapsbeleid wordt overgelaten aan gemeenten en provincies. Gemeenten krijgen ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei geënt op het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen. Bij het beheren en ontwikkelen van natuur krijgen boeren en particulieren in het landelijk gebied een grotere rol. Bij gebiedsontwikkelingen moet de daadwerkelijke vraag van bewoners, bedrijven en organisaties leidend worden. Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen wordt een ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd: eerst kijken of er vraag is naar een bepaalde nieuwe ontwikkeling, vervolgens kijken of het bestaande stedelijk gebied of bestaande bebouwing kan worden hergebruikt en, mocht nieuwbouw echt nodig zijn, altijd zorgen voor een optimale (multimodale) bereikbaarheid. Bij het verbeteren van de bereikbaarheid wordt sterk gelet op het samenspel tussen alle modaliteiten (weg, spoor, water) in samenhang met ruimtelijke ontwikkeling. Er moet innovatief worden omgegaan met de benutting van de infrastructuur. Het Rijk kiest voor een selectieve inzet van rijksbeleid op dertien nationale belangen. Voor die belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaat boeken. Buiten deze dertien belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. De 13 nationale belangen zijn: Vergroten van de concurrentiekracht van Nederland 1.
Een excellente ruimtelijk-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in en goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio’s met een concentratie van topsectoren. 2. Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie. 3. Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen. 4. Efficiënt gebruik van de ondergrond. Verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid. 5. Een robuust hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio’s inclusief de achterlandverbindingen. 6. Betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem. 7. Het instandhouden van het hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen om het functioneren van het mobiliteitssysteem te waarborgen. Waarborgen kwaliteit leefomgeving 8. Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico’s. 9. Ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en kaders voor klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling. 10. Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten. 11. Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten. 12.
Ruimte voor militaire terreinen en activiteiten. Overkoepelend 13. Zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De voorgenomen ontwikkelingen binnen het plangebied vallen niet onder het nationaal belang zoals geformuleerd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De structuurvisie vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Indien nationale belangen met het oog op een goede ruimtelijke ordening dat vergen, kan de minister regels stellen aan de inhoud van bestemmingsplannen. Dit heeft de minister, in de vorm van een algemene maatregel van bestuur, gedaan in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Op 30 december 2011 is dit besluit in werking getreden.
Ruimtelijke onderbouwing Landgoed Kromme Hoek, pag. 12 van 39 Oktober 2017
Het kabinet heeft in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld dat voor een aantal onderwerpen verdere regels gesteld moeten worden. In het Barro komen dertien nationale belangen als titels terug. De volgende kunnen relevant zijn voor ruimtelijke plannen in de gemeente Oss: Rijksvaarwegen Grote rivieren Defensie Hoofdwegen en hoofdspoorwegen Elektriciteitsvoorziening Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen Ecologische hoofdstructuur Primaire waterkeringen buiten het kustfundament De regels in het besluit zijn concreet normstellend benoemd en moeten direct of indirect (door tussenkomst van de provincie) doorwerken tot het niveau van de lokale besluitvorming. De indirecte doorwerking komt enkel bij de Ecologische Hoofdstructuur en de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarden voor. Het Barro voorziet verder in een hoofdstuk overige bepalingen en gaat gepaard met meerdere bijlagen. In deze bijlagen worden onder andere de belangen van de grote rivieren en defensie geografisch begrensd. Bij het opstellen van bestemmingsplannen (en andere ruimtelijke besluiten) dient rekening te worden gehouden met de bepalingen van het Barro. Voor de gemeente Oss zijn met name de titels met betrekking tot de rijksvaarwegen, de grote rivieren, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en defensie (rechtstreeks) van belang.
De regels in titel 2.4 Grote rivieren vormen feitelijk de doorwerking van de Beleidsregels Grote rivieren. Ten aanzien van titel 2.6 Defensie wordt de enige mogelijke beperking gevormd door de bescherming van het radarverstoringsgebied van de vliegbasis Volkel. De voorgenomen ontwikkelingen binnen het plangebied hebben geen betrekking op de bepalingen in het Barro. Het Barro vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
3.2.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Op 1 oktober 2012 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, en is ‘de ladder voor duurzame verstedelijking’ daaraan toegevoegd. De ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van overprogrammering en de keuzes die daaruit volgen (Bro, artikel 3.1.d). Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van ruimte in stedelijke gebieden. Overheden dienen nieuwe stedelijke ontwikkeling te motiveren met de drie opeenvolgende stappen: a) er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte (trede 1); b) indien uit de beschrijving, bedoeld onder a, blijkt dat van een actuele regionale behoefte sprake is, dan wordt beschreven in hoeverre in die behoefte kan worden voorzien in bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins (trede 2); c) blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio plaats kan vinden, dan wordt beschreven in hoeverre in die behoefte wordt voorzien op locaties die, gebruik makend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld (trede 3) De
voorgenomen ontwikkeling binnen het plangebied betreft de realisatie van een nieuw landgoed waarbij twee nieuwe landgoedwoningen worden gerealiseerd. De omvang van de ontwikkeling is dermate klein dat de voorgenomen ontwikkeling niet beschouwd hoeft te worden als een nieuwe stedelijke ontwikkeling.
3.3
Provinciaal beleid
Ruimtelijke onderbouwing Landgoed Kromme Hoek, pag. 13 van 39 Oktober 2017
3.3.1 Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010 – partiële herziening 2014 Op 19 maart 2014 hebben Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2014 vastgesteld. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die in 2010 werd vastgesteld. Met deze structuurvisie geeft de provincie de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijke beleid tot 2025, met een doorkijk naar 2040. De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie en vormt de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten die de Wet ruimtelijke ordening biedt inzet. Naast de Structuurvisie stelt de provincie een verordening ruimte op. In deze verordening vertaalt de provincie de kaderstellende elementen uit het provinciaal beleid in regels die van toepassing zijn op (gemeentelijke) bestemmingsplannen. Aanvullend zijn ook gebiedspaspoorten opgesteld. Deze vormen een uitwerking van de visie en bevatten de landschapskenmerken die bepalend zijn voor de kwaliteit van een gebied of een landschapstype en hoe ruimtelijke ontwikkelingen kunnen bijdragen aan het behoud en versterking daarvan. De provincie kiest met de structuurvisie voor een duurzame ontwikkeling waarin de kwaliteiten van de provincie sturend zijn bij de ruimtelijke keuzes die de komende jaren op de provincie af komen.
Nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan de kracht en identiteit van Noord-Brabant. Provinciale belangen en ruimtelijke keuzes De provincie wil sturen op ruimtelijke kwaliteit. De ruimtelijke keuzes geven inhoud aan het streven naar ruimtelijke kwaliteit en zijn van provinciaal belang. De belangrijkste keuzes voor de gemeente Oss zijn: Regionale contrasten De provincie wil de contrasten tussen klei, zand en veenontginningen versterken. Een multifunctioneel landelijk gebied De provincie kiest voor een integrale aanpak. Waar de landbouw de drager van het landschap is wordt ruimte gegeven aan optimale en duurzame ontwikkeling van de aanwezige landbouwsector. In de jonge rivierkleigebieden moet de agrarische functie (rundveehouderij) behouden blijven. Op de oeverwallen langs de rivieren wordt ruimte geboden voor menging van landbouw, natuur, landschap, recreatie, wonen, werken en zorg. Dit is van belang voor de plattelandseconomie. Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem Het patroon van beken en kreken moet beter beleefbaar worden. De ecologische hoofdstructuur wordt versterkt door het natuursysteem nog beter aan het watersysteem te koppelen. Een betere waterveiligheid door preventie Gestreefd wordt naar vergroting van de watervoerende capaciteit van het rivierbed in combinatie met het concept van de doorbraakvrije dijk.
Concentratie van verstedelijking Brabant heeft de ambitie zich te ontwikkelen tot een top kennis- en innovatieregio op Europees niveau. De provincie vindt het daarom belangrijk dat er verschil blijft tussen de steden en de kernen in het landelijk gebied, de zogenaamde mozaïekstructuur. Sterk stedelijk netwerk De provincie wil een sterk stedelijk netwerk van Brabantse steden. Goede bereikbaarheid tussen de steden onderling en andere omliggende stedelijke netwerken is belangrijk. Groene geledingszones tussen steden De provincie zet in op behoud en ontwikkeling van groene geledingszones tussen de stedelijke kernen. Gedifferentieerd aanbod goed bereikbare vrijetijdsvoorzieningen Een kwalitatief goede vrijetijdsbesteding is een belangrijke voorwaarde voor het realiseren van een goed leef-, werk- en vestigingsklimaat. Belangrijk aandachtspunt daarbij is dat er een breed aanbod aan vrijetijdsvoorzieningen is met een goede toegankelijkheid en bereikbaarheid.
Zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit Nieuwe ontwikkelingen bieden een kans voor behoud en ontwikkeling van het landschap. De hoofdregel is dat ontwikkelruimte dient bij te dragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit. Het ontwikkelen van landschap reikt verder dan vasthouden aan wat er is, ontwikkelen van het landschap gaat ook om het toevoegen van nieuwe kwaliteiten. De zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit bepaalt dat: er zorgvuldig wordt omgegaan met het ruimtegebruik; er rekening wordt houden met de omgeving; de ontwikkeling bijdraagt aan het behoud of de versterking van de ruimtelijke kwaliteit.
Ruimtelijke onderbouwing Landgoed Kromme Hoek, pag. 14 van 39 Oktober 2017
Dit principe is van toepassing op zowel het stedelijk als het landelijk gebied en wordt uitgewerkt in de Verordening ruimte 2012. Zorgvuldig ruimtegebruik De provincie wil dat gemeenten bij ruimtelijke afwegingen het principe van zorgvuldig ruimtegebruik toepassen. Nieuw ruimtebeslag moet zoveel mogelijk voorkomen worden. In eerste instantie krijgen initiatieven een plek binnen bestaand bebouwd gebied. Pas als hier geen mogelijkheden zijn of de kwaliteiten van de geplande ontwikkeling hier niet bij passen, wordt er in de omgeving gezocht naar de best mogelijke plek. Naast zuinig ruimtegebruik richt de provincie zich ook op herstructurering en hergebruik van verouderde locaties in het stedelijk gebied en op sanering van ongewenste functies in het buitengebied. Rekening houden met de omgeving Gebiedskenmerken en omliggende waarden, gebaseerd op de lagenbenadering, zijn leidend bij de vraag “waar” en “hoe” de nieuwe ruimte wordt aangesneden. De ruimtelijke onderbouwing van een ontwikkeling geeft aan hoe is omgegaan met de ambities zoals verwoord in de structuren en in de gebiedspaspoorten. Hierbij wordt een relatie gelegd tussen de ruimtelijke ontwikkeling en de gebiedskenmerken van de plek.
Kwaliteitsverbetering van het landschap Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wil de provincie dat de initiatiefnemer zorgt voor een kwaliteitsverbetering van het landschap om daarmee het verlies aan omgevingskwaliteit te beperken. Dit uitgangspunt geldt voor ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied én buiten de ecologische hoofdstructuur en maakt de principes van ontwikkelingsplanologie toepasbaar. Concreet betekent dit dat passende functies zich kunnen ontwikkelen als er ook een prestatie voor het landschap tegenover staat. Daardoor wordt aantasting van de basiskwaliteit (bodem, water) en verlies aan ecologische, cultuurhistorische en landschappelijke waarden voorkomen. Ontwikkelingen die passen bij de aard, schaal en functie van het landelijk gebied, zoals agrarische en recreatieve ontwikkelingen en kleinschalige dienstverlening zijn mogelijk. Ook de ontwikkeling van andere (rode) functies is onder voorwaarden mogelijk. De ruimtelijke onderbouwing van een besluit geeft aan welke bijdrage wordt geleverd aan de kwaliteitsverbetering van het landschap en hoe dit is geborgd. In principe gaat de provincie uit van de realisering van een fysieke prestatie op de plangebied en/of de directe omgeving. Indien dat niet mogelijk is, is de vorming van gemeentelijk of regionaal landschapsfonds een optie.
Structuren: ambitie, beleid en uitvoering De structuren geven een hoofdkoers aan, een ruimtelijk ontwikkelingsperspectief voor een combinatie van functies. Maar ook waar functies worden uitgesloten of welke randvoorwaarden de provincie aan functies stelt. Binnen de structuren is ruimte voor regionaal maatwerk. De volgende vier structuren worden onderscheiden. De groenblauwe structuur Het landelijk gebied De stedelijke structuur De infrastructuur
Ruimtelijke onderbouwing Landgoed Kromme Hoek, pag. 15 van 39 Oktober 2017
Figuur 6. Structuurvisie Ruimtelijke ordening –structurenkaart met plangebied.
De groenblauwe structuur Deze omvat de samenhangende gebieden in Noord-Brabant waar natuur- en waterfuncties behouden en ontwikkeld worden. Niet alleen in, maar ook buiten de natuurgebieden. Er is ruimte voor de ontwikkeling van een natuurlijk en robuust watersysteem. Het vormt de groenblauwe ruggengraat van het landschap en is van belang voor een goede, aantrekkelijke en gezonde woon- en werkomgeving in Noord-Brabant. Binnen deze groenblauwe structuur wil de provincie het volgende bereiken: 1. Positieve ontwikkeling van de biodiversiteit, natuur- en watersystemen zijn beschermd en worden verbeterd door een goede onderlinge verbinding; 2. Een robuuste en veerkrachtige structuur. 3. De natuurlijke basis en landschappelijke contrasten versterken. Versterken van de identiteit van de landschappen; 4. Gebruikswaarde van natuur en water verbeteren. De gebieden in de groenblauwe structuur zijn belangrijk voor recreatie en toerisme. In de groenblauwe structuur worden drie perspectieven onderscheiden: Het kerngebied groenblauw Natuurgebieden in de ecologische hoofdstructuur, robuuste ecologische verbindingszones en belangrijke waterstructuren horen in dit perspectief. De hoofdfunctie is behoud en ontwikkeling van het natuur- en watersysteem. De groenblauwe mantel Overwegend gemengd landelijk gebied met belangrijke nevenfunctie voor natuur en water.
Gebieden grenzend aan het kerngebied die bijdragen aan de bescherming van de waarden. Het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, water(-beheer) en landschap is in de groenblauwe mantel een belangrijke opgave. Vormen van grondgebonden agrarisch gebruik zijn van blijvend belang voor de ontwikkeling van groene en blauwe waarden. Verder liggen er kansen voor recreatie en toerisme. De gebieden voor waterberging Deze gebieden zijn van belang voor hoogwaterbescherming (ruimte voor de rivier) en waterberging (regionale waterberging).
Ruimtelijke onderbouwing Landgoed Kromme Hoek, pag. 16 van 39 Oktober 2017
Het landelijk gebied Het landelijk gebied omvat het gebied buiten de groenblauwe structuur en de stedelijke structuur zoals steden, dorpen en bedrijventerreinen. Het gebied biedt een multifunctionele gebruiksruimte. Naast landen tuinbouw is er ruimte voor niet-agrarische functies. Binnen het landelijk gebied wil de provincie het volgende bereiken: 1. Ruimte voor een breed georiënteerde plattelandseconomie; 2. Ruimte voor duurzame agrarische ontwikkeling; 3. Versterking van het landschap. Er worden binnen het landelijk gebied twee perspectieven onderscheiden: Gemengd landelijk gebied De provincie beschouwt het hele landelijk gebied als een gebied waarbinnen een menging van functies aanwezig is: het gemengd landelijk gebied. Binnen dit gebied wordt de agrarische functie vaak in samenhang met andere functies (in de omgeving) uitgeoefend. Hier kan worden voldaan aan de vraag naar kleinschalige stedelijke voorzieningen, recreatie en ondernemingen in een groene setting. Daarnaast wil de provincie ook dat er ruimte beschikbaar blijft om de agrarische productiestructuur te behouden en te versterken. Dat betekent dat (stedelijke) functies die ten koste gaan van de ruimte voor agrarisch gebruik of die strijdig zijn met de landbouw in die gebieden geweerd worden. Hierdoor blijft er ruimte gereserveerd voor agrarische ontwikkelingen.
De provincie vraagt aan gemeenten om deze gebieden vast te leggen en te beschermen. De landbouwontwikkelingsgebieden en de vestigingsgebieden glastuinbouw beschouwt de provincie in ieder geval als primair agrarisch gebied. Ook delen van het verwevingsgebied richten zich vaak primair op agrarische ontwikkeling. Accentgebied agrarische ontwikkeling Binnen deze gebieden ziet de provincie ruimte en kansen om de agrarische productiestructuur te verduurzamen en te versterken. Op de structurenkaart zijn vanuit een regionaal schaalniveau vier accentgebieden agrarische ontwikkeling aangeduid. De komgebieden van de gemeente Lith maken hiervan deel uit. Hier liggen mogelijkheden voor schaalvergroting en intensivering van de landbouw. Transitie naar een zorgvuldige veehouderij De wens tot verduurzaming van de agrarische sector heeft geleid tot de denklijn ‘Ontwikkelruimte moet je verdienen en is niet onbegrensd’. De denklijn bestaat uit drie uitgangspunten: ontwikkelruimte is alleen mogelijk als dit op bedrijfsniveau bijdraagt aan een verdere verduurzaming door het treffen van extra maatregelen; de som van het effect van alle bedrijven in een gebied kan de draagkracht van een gebied te boven gaan; door het bieden van een economisch perspectief aan de landbouw en agrofood door meer toegevoegde waarde van het product, transparantie en nieuwe verdienmodellen.
De ontwikkeling van de agrarische sector is gericht op inpassing in het landschap en een transitie naar duurzame en zorgvuldige veehouderij. De stedelijke structuur De stedelijke structuur bestaat uit de steden en dorpen in Noord-Brabant. Binnen de stedelijke structuur heeft de provincie de volgende doelen: 1. Concentratie van verstedelijking 2. Inspelen op demografische ontwikkelingen 3. Zorgvuldig ruimtegebruik 4. Meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit 5. Betere verknoping van stedelijke ontwikkelingen aan de infrastructuur 6. Versterking van de economische clusters Er worden binnen de stedelijke structuur twee perspectieven onderscheiden: Stedelijk concentratiegebied In het stedelijk concentratiegebied met de bijhorende zoekgebieden voor verstedelijking wordt het merendeel van de verstedelijkingsopgave opgevangen. De groene ruimten tussen de steden worden open gehouden. Kernen in landelijk gebied
Ruimtelijke onderbouwing Landgoed Kromme Hoek, pag. 17 van 39 Oktober 2017
De kernen in het landelijk gebied worden zo veel mogelijk ontzien van verdere verstedelijking doordat daar alleen de opvang van de eigen verstedelijkingsbehoefte wordt opgevangen (migratiesaldo-nul). Het plangebied is in de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening gelegen in gemengd landelijk gebied met de aanduiding ‘beperkingen veehouderij’. De voorgenomen ontwikkeling is niet belemmerend voor de agrarische economie en past derhalve binnen het beleid voor het gemengd landelijk gebied. In het hoofdstuk ‘Milieu en omgevingsaspecten’ wordt hier nader op ingegaan.
3.3.2 Verordening ruimte 2014 In de Verordening ruimte 2014 vertaalt de provincie Noord-Brabant de kaderstellende elementen uit haar beleid en rijksbeleid, waaronder het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening, in regels die van toepassing zijn op (gemeentelijke) bestemmingsplannen. De Verordening ruimte 2014 geldt als vervanging van de Verordening ruimte 2012. In artikel 3 van de regels in de Verordening ruimte 2014 worden de algemene regels ten aanzien van het bevorderen van de ruimtelijke kwaliteit gegeven. In het algemeen houdt ruimtelijke kwaliteit in dat gebruikers van een gebied rekening houden met het karakter, de grootte en de functie ervan. De bevordering van de ruimtelijke kwaliteit is uiteengezet in drie artikelen: Zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit Een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling moet bijdragen aan behoud en ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit. Er moet in ieder geval sprake zijn van een goede landschappelijke inpassing en zorgvuldig ruimtegebruik. Zorgvuldig ruimtegebruik is het gebruik van bestaande ruimte. Dit betekent dat gebruik gemaakt wordt van bestaande bouwpercelen en dat ontwikkelingen worden verantwoord middels de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’. Er moet ook rekening worden gehouden met de maat en schaal van de ontwikkeling en de impact op de omgeving.
Kwaliteitsverbetering van het landschap Een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied moet gepaard gaan met een fysieke verbetering van het gebied of de omgeving. De verbetering moet zijn financieel, juridisch en feitelijk zijn geborgd en passen in het ruimtelijk beleid. Er moet ook verantwoord worden hoe de regionale afspraken over de kwaliteitsverbetering van het landschap worden nagekomen. Afwijking in verband met maatwerk Bij ontwikkelingen van een groot openbaar belang kan worden afgeweken van provinciaal beleid. Nieuwvestiging is echter alleen mogelijk als aangetoond kan worden dat er geen mogelijkheden zijn voor vestiging. Deze algemene regels zijn van toepassing op zowel stedelijk, als landelijk gebied. Ten behoeve van de ontwikkeling van het nieuwe landgoed Landgoed Kromme Hoek wordt gebruik gemaakt van artikel 7.9 ‘Landgoederen’ uit de Verordening ruimte 2014. In dit artikel is in lid 6 opgenomen dat artikel 3.2 ‘Kwaliteitsverbetering van het landschap’ niet van toepassing is bij de ontwikkeling van een nieuw landgoed.
Ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied: In de Verordening ruimte 2014 worden voor het buitengebied regels gesteld met betrekking tot ruimtelijke ontwikkeling binnen de volgende structuren: de ecologische hoofdstructuur de groenblauwe mantel het gemengd landelijk gebied Gemengd landelijk gebied Dit artikel geeft twee mogelijke ontwikkellijnen aan om op te nemen in een bestemmingsplan in agrarisch gebied: een gemengde plattelandseconomie en een agrarische economie. Gemeenten houden bij het bepalen van het lokale beleid rekening met de aard van de economieën die in een bepaald gebied
Ruimtelijke onderbouwing Landgoed Kromme Hoek, pag. 18 van 39 Oktober 2017
aanwezig zijn. Het artikel veronderstelt dat het bedoelde lokale beleid een ruimtelijke ontwikkelvisie op het agrarische gebied bevat, bij voorkeur gebaseerd op de gemeentelijke structuurvisie. De aanduiding van een gebied als gemengde plattelandseconomie impliceert meer ruimte voor niet-agrarische functies. Het gaat daarbij onder andere om het zoeken naar nieuwe economische dragers voor een vitaal platteland. Op delen van het gemengd landelijk gebied is een aanduiding zoekgebied stedelijke ontwikkeling of integratie stad-land gelegd. Indien toepassing wordt gegeven aan de mogelijkheden voor stedelijke ontwikkeling geldt deze bepaling niet. Binnen de structuur gemengd landelijk gebied worden kaders gegeven voor ruimtelijke ontwikkelingen.
Er worden regels gesteld voor: beschrijving gemengd landelijk gebied (vollegronds)teeltbedrijven veehouderijen afwijkende regels veehouderij glastuinbouwbedrijven overige agrarische bedrijven wonen ruimte-voor-ruimte landgoederen niet-agrarische functies afwijkende regels voor agrarisch-technische hulpbedrijven en agrarisch-verwante bedrijven afwijkende regels voor mestbewerking afwijkende regels recreatieve bedrijven afwijkende regels voor horecabedrijven en maatschappelijke voorzieningen afwijkende regels voor tuincentra kleinschalige voorzieningen watergebonden voorzieningen lawaaisporten wegen Het plangebied is binnen de Verordening ruimte gelegen in ‘gemend landelijk gebied’ waarvoor de regels zijn opgenomen in artikel 7 ‘Gemengd landelijk gebied’. In dit gebied zijn nieuwe bestemmingen mogelijk mits deze geen afbreuk doen aan de ontwikkeling van de agrarische economie. De voorgenomen ontwikkeling is niet belemmerend voor de agrarische economie. In het hoofdstuk ‘Milieu en omgevingsaspecten’ wordt hier nader op ingegaan. Voor de ontwikkeling van het nieuwe landgoed wordt gebruik gemaakt van artikel 7.9 ‘Landgoederen’. Hieronder is per lid van artikel 7.9 onderbouwd op welke wijze de ontwikkeling van Landgoed Kromme Hoek voldoet aan dit artikel. 1.
Een bestemmingsplan dat is gelegen in gemengd landelijk gebied, niet zijnde een vestigingsgebied glastuinbouw, kan voorzien in de aanwijzing van een landgoed. Het plangebied is aangewezen als gemengd landelijk gebied en maakt geen onderdeel uit van een vestigingsgebied glastuinbouw. 2. Op het bestemmingsplan bedoeld in het eerste lid zijn de volgende regels van toepassing: a. het landgoed wordt als zodanig aangewezen met een omvang van ten minste 10 hectare, bestaande agrarische bedrijven met daarbij horende bebouwing alsmede gronden gelegen binnen de ecologische hoofdstructuur kunnen hiervan deel uitmaken. Het plangebied heeft een omvang van 12,3 hectare. b. In afwijking van artikel 7.7, eerste lid (wonen), kunnen er één of meer woongebouwen worden opgericht, waarbij: i. de woongebouwen een karakteristieke verschijningsvorm van allure hebben en de situering en omvang daarvan passen bij de aard en het karakter van het landgoed;
Ruimtelijke onderbouwing Landgoed Kromme Hoek, pag. 19 van 39 Oktober 2017
ii. per 750 m3 woongebouw maximaal één woonfunctie wordt toegelaten; iii. artikel 3.1, tweede lid onder a (verbod nieuwvestiging), niet van toepassing is. Binnen het nieuwe landgoed worden twee nieuwe landgoedwoningen van allure gerealiseerd. Door de stedenbouwkundige en architectonische uitgangspunten voor de nieuwe landgoedwoningen te baseren op onder andere de cultuurhistorische- en landschappelijke waarden wordt gewaarborgd dat de nieuwe landgoedwoningen qua situering en omvang passen bij de aard en het karakter van het landgoed. Ook verwijzen naar IB-plan. 3
c. Ingeval van nieuwbouw van woongebouwen wordt per 1500 m woongebouw tenminste 5 hectare landgoed aangewezen, waarvan een gebied van ten minste 2,5 hectare wordt aangewezen ten behoeve van het realiseren van nieuwe natuur, waaronder mede begrepen een gebied waar een daadwerkelijke bijdrage aan de realisering van de ecologische hoofdstructuur wordt voorzien. 3 In totaal wordt er 2 woongebouwen van ieder 1500 m mogelijke gemaakt en wordt 5,51 hectare nieuwe natuur opgericht. d. In afwijking van het bepaalde onder b en c kan worden voorzien in de vestiging van of splitsing in meerdere woonfuncties in cultuurhistorisch waardevolle bebouwing indien dit mede is gericht op het behoud of herstel van deze bebouwing. Niet van toepassing e. Het bestemmingsplan kan voorzien in de vestiging van een (vollegronds)teeltbedrijf of een veehouderij die blijvend beschikt over voldoende grond voor een veebezetting van 2 GVE per hectare of minder; Er wordt geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid een agrarisch bedrijf te vestigen in het plangebied. f. De bebouwing wordt zoveel mogelijk geconcentreerd opgericht, waarbij in ieder geval een situering in de ecologische hoofdstructuur is uitgesloten; De twee nieuwe woningen worden geclusterd met de bestaande boerderij. Zie voor nadere onderbouwing het inrichtings- en beeldkwaliteitsplan bij onderhavig plan.
g. De nodige voorzieningen worden getroffen voor extensieve recreatie, waarbij feitelijk en juridisch is verzekerd dat deze voorzieningen openbaar toegankelijk zijn; Landgoed Kromme Hoek wordt opengesteld voor publiek. Hierdoor draagt het landgoed bij aan de mogelijkheden voor extensieve recreatie voor bewoners van de gemeente Oss. Zie voor nadere onderbouwing het inrichtings- en beeldkwaliteitsplan bij onderhavig plan. h. De aanleg en duurzame instandhouding van het landgoed, met inbegrip van de op grond van dit lid vereiste voorzieningen, zijn verzekerd. Ten behoeve van de realisatie van Landgoed Kromme Hoek wordt het bestemmingsplan buitengebied van de gemeente Oss herzien. Naast de planologische zekerstelling wordt een privaatrechtelijke overeenkomst gesloten tussen de gemeente Oss en de eigenaar van Landgoed Kromme Hoek. In deze overeenkomst wordt ook de openbare toegankelijkheid gewaarborgd. 3. De toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid bevat een verantwoording waaruit blijkt dat de op grond van het tweede lid toegelaten ontwikkeling leidt tot een duurzame verrijking van de aanwezige cultuurhistorische, landschappelijke, ecologische en waterhuishoudkundige waarden en kenmerken.
Het inrichtingsplan- en beeldkwaliteitsplan, bevat een analyse van de bestaande waarden in het plangebied en de omgeving en een verantwoording van de versterkingen van de omgevingswaarden die met het oprichten van het nieuwe landgoed tot stand komt. In inrichtingsplan is een verantwoording opgenomen van de genoemde waarden uitgezonderd de waterhuishoudkundige waarden. Dit aspect is in paragraaf 4.1.9 van onderhavig plan uitgewerkt. 4. Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid kan voorzien in een planologische gebruiksactiviteit binnen de op grond van het tweede lid, onder b, toegelaten woonbebouwing, anders
Ruimtelijke onderbouwing Landgoed Kromme Hoek, pag. 20 van 39 Oktober 2017
dan wonen, mits de beoogde ruimtelijke ontwikkeling ondergeschikt blijft aan de woonfunctie en niet leidt tot: a. een bedrijf, behorend tot de milieucategorie 3 of hoger; b. twee of meer zelfstandige bedrijven; c. een al dan niet zelfstandige kantoorvoorziening met een baliefunctie; d. een al dan niet zelfstandige detailhandelsvoorziening met een verkoopoppervlakte van meer dan 200 m2. Het plan voorziet niet in het ontplooien van een bedrijf binnen het landgoed. 5. Een landgoed dat is aangemerkt als complex van cultuurhistorisch belang bedoeld in artikel 24, kan niet worden aangewezen als landgoed bedoeld in dit artikel. Het plangebied is niet aangewezen als complex van cultuurhistorische belang. De Verordening ruimte 2014 kent verder meerdere gebiedsaanduidingen en/of aandachtsvelden die doorwerking dienen te krijgen in bestemmingsplannen. Hieronder wordt aangegeven hoe aan de voorwaarden van de aanduidingen wordt voldaan. Ecologische Hoofdstructuur Met betrekking tot de ecologische hoofdstructuur (EHS) zijn er, naast de ecologische hoofdstructuur zelf, twee aanduidingen opgenomen in de Verordening ruimte: ecologische verbindingszones; attentiegebieden ecologische hoofdstructuur. Water Ten aanzien van water zijn in de Verordening ruimte wateraanduidingen opgenomen.
Deze aanduidingen zijn: Regionale waterberging Reservering waterberging Waterwingebied Grondwaterbeschermingsgebied Aansluiting primaire waterkering Rivierbed Boringsvrije zone Behoud en herstel van watersystemen Het plangebied is niet nader aangeduid in de Verordening ruimte 2014 op de thema kaart ‘Natuur en Landschap’ en de themakaart ‘Water’. Net buiten het plangebied is de EHS en de aanduiding ‘rivierbed’ gelegen. De aanduiding ‘rivierbed’ betreft de rivierbedding van de Maas en de dijk. Aardkunde en cultuurhistorie In de verordening stelt de provincie aanduidingen op ten aanzien van: aardkundig waardevolle gebieden; cultuurhistorische vlakken; de Nieuwe Hollandse Waterlinie; complexen van cultuurhistorisch belang. Op de themakaart ‘Cultuurhistorie’ van de Verordening ruimte 2014 is het plangebied niet nader aangeduid. Net buiten het plangebied ligt het cultuurhistorisch vlak OB07 ‘Keent’. Dit gebied is tevens als aardkundig vlak aangewezen. In de Verordening ruimte worden slechts de cultuurhistorische vlakken aangegeven. De beschrijving van de cultuurhistorische waarden en kenmerken binnen die vlakken is te vinden in de Cultuurhistorische Waardenkaart (2010) van de provincie Noord-Brabant. Integratie stad – land
Ruimtelijke onderbouwing Landgoed Kromme Hoek, pag. 21 van 39 Oktober 2017
Onder specifieke voorwaarden is stedelijke ontwikkeling mogelijk in gebieden met bijzondere landschappelijke kwaliteiten, de zogenoemde ‘gebieden integratie stad-land’. In deze gebieden kan stedelijke ontwikkeling plaatsvinden in samenhang met een groene en blauwe landschapsontwikkeling. Ontwikkeling van een middelzwaar of zwaar bedrijventerrein is nadrukkelijk uitgesloten. De voorwaarden waaronder stedelijke ontwikkeling mogelijk is, zijn: de stedelijke ontwikkeling aansluit bij het bestaand stedelijk gebied of plaatsvindt in een nieuw cluster van stedelijke bebouwing stedenbouwkundig en landschappelijk rekening houden met ruimtelijke kwaliteiten en structuren de stedelijke ontwikkeling is in omvang en ruimtelijke kwaliteit evenredig met groene en blauwe landschapsontwikkeling Een bestemmingsplan dat ligt in een zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling kan voorzien in de nieuwbouw van één of meer woningen als het in een bebouwingsconcentratie ligt. Voorwaarden hiervoor zijn: verzekeren van een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woningen geen sprake van aanzet tot stedelijke ontwikkeling (zoals bedoeld in artikel 4) geen inbreuk wordt gedaan aan de artikelen 6.8 en 7.8 (ruimte-voor-ruimte). Het plangebied is niet gelegen binnen de aanduiding ‘integratie stad-land’.
Regionaal bedrijventerrein Bestemmingsplannen kunnen ter plaatse van de aanduiding regionaal bedrijventerrein voorzien in bedrijfspercelen met een omvang groter dan 5000 m2. Agrarische gebieden Bestemmingsplannen kunnen gebieden aanduiden als: Beperkingen veehouderij Vestigingsgebied glastuinbouw Doorgroeigebied glastuinbouw Teelt ondersteunende kassen Teeltgebied Zundert Maatwerk glastuinbouw Het plangebied is niet gelegen binnen de aanduiding ‘regionaal bedrijventerrein’. Het plangebied heeft op de themakaart ‘Agrarische ontwikkeling en windturbines’ de aanduiding ‘Beperkingen veehouderij’. In gebieden met een dergelijke aanduiding is uitbreiding, vestiging en omschakeling naar een veehouderij niet mogelijk. Binnen de nieuwe landgoedontwikkeling is geen sprake van uitbreiding, vestiging of omschakeling naar een veehouderij. Zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling Ter plaatse van de aanduiding zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling kan worden voorzien in stedelijke ontwikkeling.
Het geldende bestemmingsplan dient te verantwoorden dat: de stedelijke ontwikkeling aansluit bij bestaand stedelijk gebied of plaatsvindt in een nieuw cluster van stedelijke bebouwing bij stedenbouwkundige en landschappelijke inrichting rekening wordt gehouden met de aanwezige ruimtelijke kwaliteiten en structuren Een bestemmingsplan dat ligt in een zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling kan voorzien in de nieuwbouw van één of meer woningen als het in een bebouwingsconcentratie ligt. Voorwaarden hiervoor zijn: verzekeren van een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woningen geen sprake van aanzet tot stedelijke ontwikkeling (zoals bedoeld in artikel 4) geen inbreuk wordt gedaan aan de artikelen 6.8 en 7.8 (ruimte-voor-ruimte). Het plangebied is niet gelegen in een gebied met de aanduiding ‘Zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling’. Zoekgebied voor windturbines
Ruimtelijke onderbouwing Landgoed Kromme Hoek, pag. 22 van 39 Oktober 2017
De ontwikkeling van windturbines is mogelijk binnen de aanduiding ‘zoekgebied voor windturbines’ als de ontwikkeling aansluit bij het karakter en de kwaliteit van het landschap in Noord-Brabant. Binnen de gemeente Oss zijn echter geen gebieden aangewezen als zoekgebieden voor windturbines. 3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1 Structuurvisie Buitengebied Oss - 2015 De gemeente Oss heeft een omvangrijk buitengebied. In de afgelopen jaren zijn de buitengebieden van Oss, Lith en Geffen samengevoegd. Voor de afzonderlijke buitengebieden waren al structuurvisies opgesteld. Het is belangrijk dat de gemeente een integrale visie heeft op het totale buitengebied van de gemeente Oss. Deze visie is samengekomen in de ‘Structuurvisie Buitengebied Oss - 2015’. Het plangebied van deze structuurvisie is het totale buitengebied van de gemeente Oss, met uitzondering van motorcrosscircuit Nieuw-Zevenbergen en vakantiepark Herperduin. De structuurvisie biedt de juridische basis voor financiële bijdragen bij ruimtelijke ontwikkelingen. In de structuurvisie zijn doelstellingen opgenomen die moeten leiden tot een robuuste en duurzame ruimtelijke structuur voor een vitaal en multifunctioneel buitengebied.
Dit moet resulteren in: Een vitaal buitengebied, waar een goed evenwicht is tussen alle aanwezige functies zoals landbouw, toerisme, recreatie, natuur, water en wonen Een versterking van de ruimtelijke identiteit met aandacht voor verscheidenheid, ruimte en landelijkheid Een versterking van de aanwezige landschapstypen: uiterwaarden, oeverwal, komgebied, dekzandrand en dekzandrug Behoud, herstel en/of ontwikkeling van de landschappelijke, cultuurhistorische en ecologische structuren en elementen Gebieden met blijvende ruimte en mogelijkheden voor (grondgebonden) landbouw, met name binnen het primaire agrarisch gebied Voldoende afstand tussen slecht verenigbare functies zoals wonen en intensieve veehouderij De instandhouding van de leefbaarheid door het zorgvuldig en afgewogen bieden van ruimte aan nieuwe economische dragers Nieuwe impulsen voor toerisme en recreatie, met bijzondere aandacht voor versterking van de recreatie in de Maashorst en het Maasgebied en het ontwikkelen van aantrekkelijke uitloopgebieden met natuur en recreatie nabij de stad Oss en toeristisch-recreatieve verbindingen tussen kernen op afstand van de Maas en de Maasdijk Het bieden van ruimte voor waterveiligheid, waterkwantiteit en waterkwaliteit De bovenstaande doelstellingen worden door vertaald naar een ontwikkelingsvisie per landschapstype.
We maken onderscheid tussen: Uiterwaarden Oeverwal Komgebied Dekzandrand Dekzandrug Primair agrarisch gebied Per landschapstype is een gebiedsbeschrijving, een ruimtelijke en een functionele visie opgenomen. Naast de visies per landschapstype zijn er ook ontwikkelingsvisies opgesteld per bebouwconcentratie. Per bebouwingsconcentratie is een beschrijving van de ruimtelijke situatie van het gebied gegeven, evenals een visie over landschappelijke kenmerken en de mogelijkheden voor ontwikkelingen en transformaties. We beschrijven in welke bebouwingsconcentraties de realisatie van nieuwe woningen ruimtelijk voorstelbaar is. Daarnaast geven we aan welke andere functies eventueel mogelijk zijn. Uitgangspunt is nieuwe burgerwoningen in het buitengebied niet gewenst zijn. In hoofdlijn zijn de mogelijkheden voor het bouwen van nieuwe burgerwoningen in het buitengebied beperkt tot drie mogelijkheden: in de vorm van een stedelijke ontwikkeling binnen zoekgebied verstedelijking, in de vorm van een ruimte-voor-ruimte woning binnen een bebouwingsconcentratie, of met de regeling kwaliteitsverbetering bebouwingsconcentraties binnen zoekgebied verstedelijking.
Ruimtelijke onderbouwing Landgoed Kromme Hoek, pag. 23 van 39 Oktober 2017
Figuur 7. Structuurvisie Buitengebied Oss – ruimtelijke en functionele visiekaart met projectlocatie.
Het plangebied is gelegen in het landschapstype ‘oeverwal’, De oeverwal heeft hoge landschappelijke en cultuurhistorische waarden. In dit kleinschalige gebied wordt ruimte geboden aan ontwikkeling van natuur en landschap. Landschapselementen als houtwallen en –singels kunnen worden toegevoegd. De ontwikkeling van Landgoed Kromme Hoek past binnen deze ruimtelijke visie van de gemeente Oss. In het inrichtings- en beeldkwaliteitsplan van Landgoed Kromme Hoek is dit nader onderbouwd. In de structuurvisie is tevens aangegeven dat binnen de gebieden die wat betreft landschapstype aangeduid zijn als oeverwallen, de ontwikkeling van nieuwe landgoederen mogelijk is. 3.4.2 Toekomstvisie Oss op weg naar 2020 De toekomstvisie ‘Oss op weg naar 2020’ (2004) is richtinggevend voor de beleidsontwikkeling op de langere termijn. Eén van de potenties van Oss ligt volgens deze visie in het gevarieerde landelijk gebied waarin zich tal van kleine kernen bevinden. Uitgangspunt is het werken aan het behoud van het platteland met zijn rust en ruimte, aantrekkelijke kleinschalige toeristische voorzieningen en aan de ontplooiing van levenskrachtige dorpen. Een andere potentie ligt in het werken aan een duurzame gemeente. Duurzame ontwikkeling van natuur, landschap en ecologie draagt bij aan de leefkwaliteit.