CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2A Toelichting - bijlage 12 Lutterweg 4a Oijen

Gemeenteraad 12 december 2024, gemeente OssBij agendapunt: A Herstelbesluit vaststelling bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’25.057 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De beoogde ontwikkeling zowel vanuit milieuoogpunt, in het bijzonder voor ammoniak, geur, fijnstof en gezondheid voor mensen, als vanuit ruimtelijk oogpunt, in bijzonder voor natuur, landschap en cultuurhistorie, aanvaardbaar is. 3. Toepassing is gegeven aan de vereiste kwaliteitsverbetering/landschapsinvestering. De gemeente Oss hecht belang aan verduurzaming van de agrarische sector. Daarin volgen zij het provinciale beleid. De uitbreidingsmogelijkheden van een agrarisch bedrijf zijn verder afhankelijk van de zonering waarbinnen het bedrijf is gelegen. De bedrijfslocatie aan de Lutterweg 4a is gelegen in het komgebied. De komgebieden hebben in hoofdzaak een agrarische functie. Hier bevinden zich veelal grondgebonden bedrijven, zoals melkveehouderijen. Het recreatief (mede)gebruik is meer bescheiden. De weteringen in het gebied hebben een belangrijke rol voor de waterhuishouding in de regio. Bovendien hebben ze een ecologische waarde die verder ontwikkeld kan worden.

15 NOVEMBER 2017

 19

Ruimtelijke onderbouwing Lutterweg 4a te Oijen

De landbouw heeft nog volop mogelijkheden in het komgebied. De bedrijven hebben vaak een groter bouwvlak dan bedrijven op de oeverwal of op de zandgronden. Het komgebied ligt voor een groot deel in primair agrarisch gebied. Het primair agrarisch gebied is het gebied waarin de veehouderij de beste groeimogelijkheden heeft. In dit gebied wordt gestreefd naar het behoud van duurzame bedrijfslocaties. In het komgebied vindt de gemeente Oss in het algemeen uitbreiding van bouwvlakken tot maximaal 2,5 ha toelaatbaar. Deze maatvoering is op grond van het provinciaal beleid alleen in uitzonderlijke situaties voor sommige bedrijven haalbaar. Onderhavige ontwikkeling betreft de vergroting van een bouwvlak tot 2,0 hectare. Gesteld kan worden dat dit past binnen de beleidsuitgangspunten uit de “Structuurvisie Buitengebied Oss – 2015”. In de volgende hoofdstukken wordt aangetoond dat sprake is van een zogenaamde uitbreidingslocatie, waar het zowel vanuit milieuoogpunt (ammoniak, stank en dergelijke) als vanuit ruimtelijk oogpunt (natuur, landschap en dergelijke) verantwoord is om uit te breiden. Het bedrijf draagt bovendien vrijwillig bij aan het beheer en instandhouden van het open landschap in het komgebied. De grondgebonden landbouw vervult namelijk een blijvende rol in het duurzaam beheer en behoud van het open agrarisch cultuurlandschap en de daarmee verweven natuurwaarden. 3.3.2

Vigerend bestemmingsplan

Op de planlocatie is het bepaalde in het bestemmingsplan “Buitengebied Lith 2013”, vastgesteld door de gemeenteraad op 20 juni 2013, van toepassing. Afbeelding 3.2 betreft een uitsnede van de verbeelding.

Figuur 3.2 Uitsnede verbeelding bestemmingsplan "Buitengebied Lith 2013" (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)

15 NOVEMBER 2017

20 

Ruimtelijke onderbouwing Lutterweg 4a te Oijen

Volgens dit bestemmingsplan is de locatie Lutterweg 4a voorzien van de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschap’, met de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’, en de gebiedsaanduidingen ‘reconstructiewetzone – landbouwontwikkelingsgebied’ en ‘overig – oijense polder’. De oppervlakte van het bouwvlak is circa 1,34 hectare. De gronden met de bestemming ‘Agrarisch’ zijn bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf. Bouwwerken mogen uitsluitend binnen de bouwvlakken worden gebouwd. De gewenste nieuwbouw wordt echter buiten het bouwvlak gerealiseerd. Om de gewenste ontwikkelingen mogelijk te maken, is een bouwvlak van 2,0 hectare noodzakelijk. Het gemeentelijk beleid stelt dat grondgebonden agrarische bedrijven in het komgebied tot deze oppervlakte kunnen groeien. Er wordt tevens aangesloten bij de doelstellingen en ambities vanuit het gemeentelijk beleid. Momenteel is de gemeente Oss bezig met het opstellen van een nieuw bestemmingsplan voor het buitengebied. Voordat de gemeente het verzoek tot vergroting van het bouwvlak en de aanwezige nevenactiviteit kan opnemen in het nieuwe bestemmingsplan moet eerst aangetoond worden dat de uitbreiding noodzakelijk is en dat het geen nadelige gevolgen heeft voor de omgeving. Deze ruimtelijke onderbouwing is opgesteld op verzoek van de gemeente als onderdeel van deze procedure.

15 NOVEMBER 2017

 21

Ruimtelijke onderbouwing Lutterweg 4a te Oijen

RUIMTELIJKE ASPECTEN ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE Op 16 januari 1992 is in Valetta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed, onder meer door de risico’s op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Monumentenwet. Op basis van deze wet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Monumentenwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat, waar nodig, die waarden veilig gesteld kunnen worden en/of het initiatief aangepast kan worden. Het buitengebied van Oss heeft een gevarieerd karakter. Zowel het landschap als de bebouwing zijn afwisselend van aard. De huidige opbouw en het beeld van het buitengebied zijn het resultaat van een eeuwenlang ontwikkelingsproces. Dat heeft zijn sporen nagelaten in de vorm van historische patronen, karakteristieke nederzettingen en bebouwing uit verschillende tijdsperioden.

Samen vormen zij een grote rijkdom aan cultuurhistorische waarden in het buitengebied van Oss. De omgeving van Oss heeft al millennia lang een grote aantrekkingskracht op de mens. Vanaf de jonge steentijd (5300 v. Chr.) zijn restanten van bewoning te vinden in Oss. Vooral op de oeverwal, de dekzandrand en de dekzandrug zijn door archeologische vondsten sporen van bewoning gevonden. De kernen op de dekzandrand en de oeverwal stammen uit de Middeleeuwen. Landbouw vond in die tijd op de hogere gronden plaats. Een groot deel van het Osse grondgebied was niet in gebruik en bestond uit zogenaamde ‘woeste gronden’. De kernen langs de Maas werden in eerste instantie beschermd voor overstromingen door de aanleg van de Maasdijk. Later zorgden zogenaamde dwarsdijken dat de kernen en de nabijgelegen akkers niet overstroomden. In de eerste helft van de 14e eeuw werd de Hertogswetering gegraven. Tegen het einde van de Middeleeuwen was het hele grondgebied ontgonnen en kwamen er vrijwel geen 7‘woeste gronden’ meer voor. Toen in de late Middeleeuwen de wateroverlast door het hoge water op de Maas een steeds groter probleem werd, werden er stroomafwaarts steeds meer dijken aangelegd. De aanleg van dijken vormde geen definitieve oplossing. De grilligheid van de Maas bleef voor problemen zorgen.

In de loop van de 18de eeuw vormde zich achter de oeverwal in het komgebied een tweede Maasloop die gedurende enkele dagen tot maanden per jaar watervoerend was: De Beerse Overlaet (ook wel Maastraverse of Beerse Maas genoemd). De Beerse Overlaet heeft tot 1942 gefunctioneerd. Na de afsluiting van de Beerse Overlaet werd het gebied intensiever in gebruik genomen door de landbouw. Diverse ruilverkavelingen veranderden de kavel- en afwateringsstructuur van het buitengebied ingrijpend.

15 NOVEMBER 2017

22 

Ruimtelijke onderbouwing Lutterweg 4a te Oijen

Om mogelijke archeologische vondsten te beschermen, heeft de gemeente archeologische verwachtingskaarten en een archeologische beleidsadvieskaart gemaakt. De gebieden met een archeologisch (verwachtings)waarde zijn in het bestemmingsplan “Buitengebied Lith 2013” voorzien van een (dubbel)bestemming. In de planregels zijn voorwaarden opgenomen ter bescherming van de archeologische waarden bij nader bepaalde bodem verstorende ingrepen. Het plangebied heeft geen dubbelbestemming ter bescherming van archeologische waarden. Nader archeologisch onderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Wel bestaat er de wettelijke meldingsplicht en de algemene zorgplicht. Zoals blijkt uit figuur 4.1 maakt de omgeving van het plangebied geen deel uit van een gebied met bijzondere cultuurhistorische waarden (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl). Cultuurhistorisch waardevolle elementen in het komgebied worden zoveel mogelijk bewaard, en waar mogelijk hersteld. De oude verkavelingspatronen zijn waardevol en zijn vaak als sloot of greppel terug te vinden in het landschap.

Figuur 4.1 Themakaart cultuurhistorie (

= bedrijfslocatie)

De nieuwbouw wordt in schaal en karakter aangesloten op het omliggende landschap. Alle gebouwen zijn in eenzelfde richting op het erf geplaatst. Ook de uitbreiding van de stal vindt in deze richting plaats, haaks op de weg. De bebouwing is georiënteerd naar de Lutterweg, op de kop van de kavel. Op deze wijze worden de verkavelingsstructuren niet aangetast. Bovendien worden door de aanleg van bomenrijen en sloten de oorspronkelijke structuren juist extra benadrukt. Tot slot kan vermeld worden dat het perceel niet behoort tot een beschermd stads- of dorpsgezicht ex artikel 35 van de Monumentenwet 1988. Geen van de tot de inrichting behorende gebouwen valt onder de wettelijke monumentale bescherming van de Monumentenwet.

15 NOVEMBER 2017

 23

Ruimtelijke onderbouwing Lutterweg 4a te Oijen

VERKEER EN PARKEREN Het parkeren van alle voertuigen geschiedt op eigen terrein. Ten behoeve van de nieuwbouw zijn geen nieuwe parkeerplaatsen nodig. Rondom de nieuwe bouwwerken wordt erfverharding aangebracht. De stal, de sleufsilo’s en het mestbassin moeten namelijk bereikt kunnen worden voor de noodzakelijke aan- en afvoer. Bovendien worden op deze wijze de draaicirkels van de voertuigen die op het bedrijf moeten laden, lossen en parkeren op eigen terrein gerealiseerd. Voor de ontsluiting van het bedrijf wordt gebruik gemaakt van twee inritten vanaf de Lutterweg. De meest oostelijke inrit wordt hoofdzakelijk gebruikt voor privédoeleinden. Op deze wijze ontstaat een veiligere situatie rondom de bedrijfswoning. De inrit aan de westzijde van het perceel wordt gebruikt voor de agrarische doeleinden, zoals de aan- en afvoer van dieren, de aanvoer van voer en de afvoer van melk en mest. Deze situatie zal ten behoeve van de nieuwbouw niet wijzigen. Ook het aantal inritten blijft gelijk. Het bedrijf wordt verlaten via de Lutterweg, die een snelheidsregime van 60 km/uur kent en voldoende breed is. Het perceel is te bereiken zonder (kwetsbare) dorpskommen te doorsnijden. De ontsluiting voor het gemotoriseerde verkeer is goed te noemen. Na circa 2 kilometer in westelijke richting sluit de Lutterweg (via de Lithoijensedijk of de Beatrixweg) namelijk aan op de N625.

Verkeerskundig leidt dit dus niet tot problemen. De geluidsbelasting als gevolg van de bij het bedrijf behorende verkeersbewegingen wordt toegelicht in paragraaf 5.4. NATUUR De provincie Noord-Brabant beschermt het Brabant Natuurnetwerk. Dit is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuur van internationaal, nationaal en provinciaal belang. Dit netwerk bestaat uit alle terreinen met een natuurbestemming binnen de voormalige EHS en bevat tevens een zoekgebied voor te realiseren nieuwe natuur. Zoals blijkt uit onderstaande figuur 4.2 maakt het plangebied geen deel uit van het Natuurnetwerk (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl).

Figuur 4.2 Themakaart natuur en landschap (

15 NOVEMBER 2017

= bedrijfslocatie)

24 

Ruimtelijke onderbouwing Lutterweg 4a te Oijen

In de directe omgeving van het bedrijf zijn geen kwetsbare gebieden in het kader van de Wet Ammoniak en Veehouderij gelegen. Voor de kwetsbare gebieden geldt een beschermingszone van 250 meter (grijze kleur). Het bedrijf van de aanvrager ligt buiten een dergelijke beschermingszone. Dit betekent dat er geen sprake is van een nadelige invloed door het bedrijf op de ecologische situatie van een zeer kwetsbaar gebied. Nederland kreeg in 1967 voor het eerst een Natuurbeschermingswet. Deze wet maakte het mogelijk om natuurgebieden en soorten te beschermen. Op den duur voldeed de wet niet meer aan de eisen die internationale verdragen en Europese verordeningen stellen aan natuurbescherming. Daarom is in 1998 een nieuwe Natuurbeschermingswet gemaakt die alleen gericht is op gebiedsbescherming. De bescherming van soorten is geregeld in de Flora- en faunawet (zie paragraaf 4.4). De Natuurbeschermingswet 1998 is op 1 oktober 2005 gewijzigd. Sindsdien zijn de bepalingen vanuit de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in de Natuurbeschermingswet verwerkt. Natura 2000gebieden (Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden), beschermde natuurmonumenten en wetlands worden aangewezen en beschermd op grond van de Natuurbeschermingswet.

Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied zijn de ‘Uiterwaarden Waal’ (zie gele gebied in figuur 4.3), gelegen op circa 6,5 kilometer ten noord(west)en van de bedrijfslocatie.

Figuur 4.3 Natura 2000-gebieden

Dit gebied heeft betrekking op het uiterwaardengebied tussen Nijmegen en Zaltbommel. De Waal heeft een vrije afvoer naar zee en is de belangrijkste route voor trekvissen van en naar de bovenstroomse delen van de Rijn. De uiterwaarden zijn op de meeste plaatsen breed en - door vergraving - relatief laaggelegen, waardoor natte biotopen als geulen, strangen, vochtige graslanden, moerassige ruigten en zachthoutooibos overheersen. Deze zijn gedurende het hele seizoen belangrijk als rust- en foerageergebied voor talloze water- en graslandvogels.

15 NOVEMBER 2017

 25

Ruimtelijke onderbouwing Lutterweg 4a te Oijen

In de Rijswaard en Kil van Hurwenen, het meest westelijke deel van het Natura 2000-gebied, worden op grote schaal en in goed ontwikkelde vorm soortenrijke hooilanden aangetroffen. Dit gedeelte is aangewezen onder de Habitatrichtlijn, terwijl het gehele Natura 2000-gebied is beschermd onder de Vogelrichtlijn. In de nabije omgeving zijn geen wetlands, Nationale parken en Nationale landschappen gelegen. Als gevolg van de uitbreiding is, op het genoemde Natura 2000-gebied, sprake van een kleine toename van de stikstofdepositie ten opzichte van de huidige situatie (< 1 mol N/ha/jr). Op grond hiervan kunnen significant negatieve effecten als gevolg van het voornemen niet worden uitgesloten. Op 1 juli 2015 is de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) in werking getreden. In de PAS werken overheden en maatschappelijke partners samen om de stikstofuitstoot te verminderen en daarmee ook economische ontwikkelingen mogelijk te maken. Doel van de PAS is de vergunningverlening in het kader van de Natuurbeschermingswet vlot te trekken. Rijk, provincies en natuurorganisaties nemen maatregelen om de natuur te herstellen, door bijvoorbeeld stikstofrijke grondlagen te verwijderen. Agrarische ondernemers nemen maatregelen in hun bedrijfsvoering, zoals mest aanwenden met weinig stikstofverliezen en het gebruik van aangepast voer.

Door deze combinatie van maatregelen ontstaat er ruimte voor nieuwe economische activiteiten. De PAS bepaalt dat een deel van de daling van de stikstofdepositie mag worden ingezet voor nieuwe projecten of projecten waarin uitbreiding van bestaande stikstofemissie aan de orde is. Dit wordt ontwikkelruimte genoemd. Op deze manier blijft de stikstofdepositie dalen, terwijl er ruimte is voor gewenste economische ontwikkeling. Daarmee is er een stimulans voor investeringen in schonere productietechnieken, zoals emissiearme stalsystemen in de veehouderij. Zo ontstaat een evenwichtige benadering, waarbij economische activiteiten mogelijk blijven onder voorwaarde dat de gestelde natuurdoelen worden gehaald. Er moet ontwikkelruimte worden aangevraagd voor alle nieuwe activiteiten die een stikstofdepositie op een stikstofgevoelig habitattype veroorzaken van ten minste 1 mol per hectare per jaar. Dit kan aan de orde zijn in meerdere Natura 2000-gebieden. Projecten en andere handelingen binnen de sectoren industrie, landbouw en infrastructuur moeten worden gemeld als ze een stikstofdepositie op een voor stikstof gevoelig habitattype veroorzaken tussen de 0,05 en 1 mol per hectare per jaar. Voor onderhavige ontwikkeling wordt op grond van artikel 8 van de Regeling Programmatische aanpak stikstof een melding ingediend.

Na de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan buitengebied is overigens een binnenplanse afwijking nodig voor de uitbreiding van de ammoniakemissie ten opzichte van de referentiesituatie (ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan). FLORA EN FAUNA Soortenbescherming wordt gewaarborgd in de Wet natuurbescherming. Deze wet is op 1 januari 2017 in werking getreden en beschermt inheemse dier- en plantensoorten waarbij onderscheid wordt gemaakt in verschillende beschermingscategorieën. Voor alle activiteiten met een mogelijk effect op beschermde dier- en plantensoorten is toetsing aan Wet natuurbescherming noodzakelijk. De nieuwbouw wordt gerealiseerd op gronden, die in gebruik zijn als grasland. Hiervoor worden geen bomen en/of struiken gerooid. In het gebied komen veel konijnen en hazen voor. Op grond van de

15 NOVEMBER 2017

26 

Ruimtelijke onderbouwing Lutterweg 4a te Oijen

landschapsstructuur mag verder worden aangenomen dat kleine zoogdieren, zoals mollen, muizen en spitsmuizen vrij algemeen voorkomen. Het gaat hier echter niet om beschermde soorten. Ook van vleermuizen komen alleen de algemene soorten voor. Het is hoogst onwaarschijnlijk dat er beschermde soorten, gezien de habitateisen, worden verstoord of vernietigd door de geplande activiteiten. Aangezien er op het bedrijf sprake is van veel menselijke activiteiten zullen in de nabije omgeving van de nieuwe bouwwerken geen vogels broeden en/of verblijven in het veld. Bovendien zijn de agrarische bedrijfslocatie en de aangrenzende graslanden altijd intensief gebruikt. Eventueel aanwezige roofvogels hebben voldoende uitwijkmogelijkheden in de omgeving, zodat de jacht ongestoord doorgang kan vinden. Om te beoordelen of er voor de realisering van het initiatief nog een ontheffing (soorten) op grond van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is, is een Quickscan Flora- Fauna uitgevoerd (bijlage 4). De conclusie van dit onderzoek luidt als volgt: “Als de werkzaamheden buiten het broedseizoen aanvangen, dan kunnen effecten op broedvogels voorkomen worden en is er voor vogels geen ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming noodzakelijk.

Er is ook voor de overige natuurwaarden geen ontheffing noodzakelijk” LADDER DUURZAME VERSTEDELIJKING Nationaal belang 13, zoals geformuleerd in de “Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte”, vraagt om een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten (zie paragraaf 3.1.1). Dit moet met behulp van de ‘Ladder duurzame verstedelijking’ worden onderbouwd. Deze verplichte toetsing is vastgelegd in het Barro, welke verwijst naar het Bro. Geformuleerd is dat deze toetsing een procesvereiste is bij alle nieuwe ruimtelijke besluiten en plannen ten aanzien van bijvoorbeeld kantoor- en woningbouwlocaties. Gemotiveerd dient te worden hoe een zorgvuldige afweging is gemaakt ten aanzien van het ruimtegebruik. De toetsing aan de Ladder duurzame verstedelijking werkt volgens drie stappen: 1. beoordeling door betrokken overheden of beoogde ontwikkeling voorziet in een regionale en gemeentelijke behoefte voor bedrijventerreinen, kantoren, woningbouwlocaties, detailhandel en andere stedelijke voorzieningen; 2. indien er een vraag is aangetoond, beoordeling door betrokken overheden of deze binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd door locaties voor herstructurering of transformatie te benutten; 3.

indien herstructurering of transformatie binnen bestaand stedelijk gebied onvoldoende mogelijkheden biedt, beoordelen betrokken overheden of de ontwikkeling zo kan worden gerealiseerd dat deze passend multimodaal ontsloten is of als zodanig wordt ontwikkeld. De ontwikkeling voorziet in de uitbreiding van een bestaand agrarisch bedrijf in het buitengebied van Oijen. Het plan is kleinschalig en betreft geen stedelijke ontwikkeling, zoals bedoeld in het kader van de SVIR en geformuleerd in de Bro (artikel 1.1.1 onder punt i: Ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of een zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen) en zoals tot uiting komt in jurisprudentie hierover. Toetsing aan de ladder duurzame verstedelijking is dan ook niet van toepassing.

15 NOVEMBER 2017

 27

Ruimtelijke onderbouwing Lutterweg 4a te Oijen

STEDENBOUW Voor de uitbreiding van het bedrijf is gekozen voor een compacte variant waarbij de nieuwe stal aan de bestaande stal wordt aangebouwd. De westzijde van de stal aan de landschapszijde is grotendeels open, waardoor de koeien vanaf de weg zichtbaar zijn. Betreft kleur- en materiaalgebruik wordt aangesloten bij de bestaande stal. De nieuwe stal is relatief smal en heeft eenzelfde goot- en nokhoogte als de bestaande stal. Het relatief hoge goot en lage nokhoogte komt de dakgevelverhouding van 2:1 niet ten goede. Het is architectonisch sterker om aan te sluiten bij de bestaande stal dan vast te houden aan de dakgevelverhouding van 2:1. Gezien de verdubbeling van de bestaande stal wordt iets extra’s gevraagd, bijvoorbeeld in de vorm van architectuur, kleur en/of materiaal gebruik en/of duurzaamheid. Het extra wordt geleverd op het gebied van duurzaamheid omdat qua architectuur, kleur- en materiaalgebruik aangesloten wordt bij de bestaande bebouwing. De uitbreiding wordt, evenals de bestaande stal, gebouwd volgens de eisen uit de Maatlat Duurzame Veehouderij (MDV). Dit betekent dat diverse bovenwettelijke maatregelen worden getroffen. De MDV bevordert duurzame innovaties in de veehouderij. Stallen die voldoen aan de criteria van de MDV tonen betrouwbaar aan dat zij voldoen aan de duurzaamheidsdoelstellingen van overheidsregelingen.

Deze doelstellingen zijn uitgewerkt in concrete criteria op het gebied van ammoniak, dierwelzijn, diergezondheid, energie, brandveiligheid en omgeving. Landschappelijke inpassing 4.6.1

Inleiding

Zoals in paragraaf 3.3 reeds is aangegeven, is de bedrijfslocatie gelegen in het komgebied. De komgronden beslaan een groot gedeelte van het grondoppervlak van de gemeente Oss. Deze kleiige, relatief laaggelegen gronden worden in het noorden begrensd door de oeverwal en in het zuiden door de dekzandrand. Het landschap is grootschalig, open tot zeer open en wordt gekenmerkt door een zeer regelmatig, rationeel, rechtlijnig verkavelingspatroon. Dit verkavelingspatroon bestaat over het algemeen uit een slagenverkaveling. De openheid van het gebied is zeer kenmerkend en uniek in het Brabantse land. Deze openheid maakt dit gebied landschappelijk waardevol. Het komgebied was eeuwenlang te nat om in gebruik te nemen. Dat kwam ook door de regelmatige overstromingen door de Beerse Overlaet. Door betere beheersing van de grondwaterstanden en het buiten werking stellen van de Overlaet werd het gebied intensiever in bezit genomen door landbouwbedrijven. De hoger gelegen rivierduinen waarop de kernen Teeffelen, Haren en DeursenDennenburg zijn gelegen, zijn kenmerkend voor het komgebied. Het gewenste ruimtelijke beeld voor de Oijense Polder is een open gebied, geflankeerd door het halfopen landschap van de oeverwal. De agrarische sector en dan in het bijzonder de grondgebonden landbouw staat garant voor een open landschap.

De grootste openheid is te ervaren in het zuiden en in het Landbouwontwikkelingsgebied (LOG). Deze openheid wordt gewaardeerd. De boerenerven vormen een belangrijke landschappelijke bouwsteen van het buitengebied. Nieuw te realiseren stallen zijn met een juiste insteek in staat het landschap te versterken en bieden de burger zicht op moderne landbouw. De afzonderlijke gebouwen op een boerenerf dienen samen een herkenbare eenheid te vormen. Er is samenhang gewenst in architectuur tussen de bedrijfswoning

15 NOVEMBER 2017

28 

Ruimtelijke onderbouwing Lutterweg 4a te Oijen

en de bedrijfsbebouwing. Samen tonen ze de normen en voorkeuren van de ondernemer. De bebouwing wordt in schaal en karakter aangesloten op het omliggende landschap en op de stedenbouwkundige structuur. De nieuwe bouwwerken worden in eenzelfde richting op het erf geplaatst, haaks op de weg. De bebouwing is georiënteerd naar de openbare weg, waarbij de verkavelingsrichting wordt gevolgd. Tevens is uitgegaan van een compacte bouwmassa van bedrijfsgebouwen, zodat zicht op het landschap behouden blijft. De rechthoekige bouwvlakken van zowel de grondgebonden landbouw als van de intensieve veehouderij dienen landschappelijk zorgvuldig ingepast te worden. Ook hier is optimaal behoud van de openheid een belangrijk uitgangspunt. In de Oijense Polder hebben erven geen gesloten karakter; er is zicht op de bedrijven. In verband met behoud van de openheid in de Oijense Polder kan de landschappelijke tegenprestatie hier (deels) bestaan uit architectonische inpassing. Eigentijdse, zorgvuldige architectuur mag gezien worden. Er wordt uitgegaan van een natuurlijk, duurzaam en eigentijds kleur- en materiaalgebruik. De gevels worden uitgevoerd gelijkwaardig aan de bestaande gevels (metselwerk), zoals dit gebruikelijk is in de omgeving. Op deze wijze past het gebouw qua architectuur bij de bestaande bouwmassa. Bovendien geeft dit een rustiger beeld van de inrichting in haar omgeving.

Ook in dit gebied zijn de daken beeldbepalend; in principe geldt een dakgevelverhouding van 2:1. Bijlage 2 geeft een sfeerimpressie van het bedrijf. Met erfbeplanting rond het bedrijf wordt terughoudend omgegaan, omdat dit de openheid kan aantasten. Het verkavelingspatroon wordt zoveel mogelijk behouden, waarbij gebruik gemaakt wordt van watergangen. Deze lijnen geven het landschap namelijk diepte en benadrukken de openheid. Bijlage 1 geeft de landschappelijke inpassing van het plangebied weer. Conform de Verordening ruimte 2014 dient de landschappelijke inpassing ten minste 10% van de omvang van het bouwperceel te omvatten. Dat heeft tot gevolg dat de totale oppervlakte van de landschappelijke inpassing circa 2.000 m² bedraagt. Daarmee wordt voldaan aan de gestelde eis uit de verordening. 4.6.2

Veldesdoornhaag

Langs de inrit naar de ligboxenstal wordt een afschermende haag aangebracht, met een breedte van circa 70 cm en een hoogte van 1 tot 2 meter. Voor de hagen worden 5 stuks veldesdoorn per strekkende meter geplant. De totale lengte wordt in het werk bepaald. De haag draagt bij aan dekking en voedselvoorziening voor dieren. 4.6.3

Hoogstamfruit

Voor de ligboxenstal worden, aan de wegzijde, enkele hoogstamfruitbomen aangeplant. De bomen dienen een onderlinge plantafstand van minimaal 8 meter te krijgen. De fruitbomen bestaan uit hoogstam en worden voorzien van boompaal en boomband. De samenstelling van de vruchtsoorten zal wisselend zijn, waarbij de voorkeur uitgaat naar Oudhollandse rassen. Fruitbomen vormen voor een groot aantal dieren, zoals zoogdieren, insecten en vogels, een belangrijke voedselbron en voor de grotere exemplaren een mogelijke broed- en schuilgelegenheid (vogels als de steenuil). Door de aansluiting bij de overige landschappelijke elementen wordt ten behoeve van flora en fauna een sterke meerwaarde gecreëerd. De realisatie van de aanplant dient bij voorkeur te worden uitgevoerd in de winterperiode tussen oktober en maart.

15 NOVEMBER 2017

 29

Ruimtelijke onderbouwing Lutterweg 4a te Oijen

4.6.4

Bomenrij

Aan de noordoostzijde van het perceel wordt een bomenrij aangeplant De bomen dienen een onderlinge plantafstand van minimaal 10 meter te krijgen. De bomenrij bestaat uit veldesdoorn, wilg of els. De lengte van de bomenrij komt overeen met de lengte van het bouwvlak en bedraagt circa 180 meter. 4.6.5

Rietoever

De bestaande sloot aan de zuidwestzijde van het perceel wordt verbreed ten behoeve van de berging van hemelwater. De sloot krijgt een glooiend verlopende rietoever en een ruigtestrook. De ruigtestrook is gemiddeld 4 meter breed en de rietoever is gemiddeld 3 meter breed. De breedte van beide stroken varieert, om de sloot te laten meanderen. Figuur 4.4 op de volgende pagina geeft een impressie van een dergelijke sloot. De vegetatie zal een versterking vormen van de overige aanwezige landschappelijke elementen. Door het aanbrengen van een rietzone wordt een belangrijke gradiënt aangebracht die een versterking van de diversiteit zal vormen. Om de openheid in het gebied te waarborgen worden in de ruigtestrook geen struik- en boomvormers aangeplant. Bovendien wordt er niet doorgezaaid met zaadmengsels. Juist door het extensieve beheer ontstaat een kruiden- en bloemrijke zone. De combinatie van water, ruigtekruiden en riet maakt de locatie zeer geschikt voor diverse vogels, insecten, planten en zoogdieren. Het dichtgroeien van de sloot is nadelig voor de ontwikkeling van waterdierpopulaties. Daartoe wordt de sloot eens in de 3-5 jaar voor 1/3 deel schoon gemaakt. Door het gefaseerd schonen, verspreid over enkele jaren, hebben deze werkzaamheden weinig (nadelige) invloed op de aanwezige ecosystemen. De oevers en de rietzone worden jaarlijks vrijgehouden van boom- en struikopslag.

Dit kan door een deel te maaien. Hierdoor blijft Figuur 4.4 Impressie rietoever jaarlijks een deel van de kruidenvegetatie behouden, dat kan dienen als overwinteringslocatie voor insecten. 4.6.6

Visuele verlaging goothoogte

Aan de zuidoostzijde van de nieuwe stal wordt een talud aangelegd tot de onderkant van het windbreekgaas. Op deze manier wordt de stenenplint aan het zicht onttrokken en lijkt de stal visueel lager te zijn. Om verdroging van het talud tegen te gaan is een talud van minimaal 1:3 noodzakelijk. Het talud wordt voorzien van gras waardoor het één geheel is met het aangrenzende grasland.

4.6.7

Mestbassin

Om het mestbassin aan het zicht te onttrekken worden de taluds voorzien van gras. Op deze manier lijkt het alsof enkel grasland aanwezig is.

15 NOVEMBER 2017

30 

Ruimtelijke onderbouwing Lutterweg 4a te Oijen

MILIEUASPECTEN BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING Het milieubeleid en de daarop gebaseerde regelgeving spelen een belangrijke rol bij het ruimtelijk ordeningsbeleid. Beide beleidsterreinen richten zich op de bescherming van de kwaliteit van de (leef)omgeving. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering wordt verstaan: het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. De milieuzonering heeft twee doelen:  het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;  het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies.

De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de lijst gelden ten opzichte van het omgevingstype “rustige woonwijk” dan wel “gemengd gebied”. In dit geval is sprake van een rustige ligging in het buitengebied met weinig verstoring. Uitgegaan kan worden van het omgevingstype “rustige woonwijk”.

Volgens de VNG-lijst valt het bedrijf van de aanvrager onder de omschrijving “Fokken en houden van rundvee”, waarvoor de volgende richtafstanden gelden:  voor het aspect ‘geurhinder’ => 100 meter,  voor het aspect ‘stofhinder’ => 30 meter,  voor het aspect ‘geluidhinder’ => 30 meter,  voor het aspect ‘gevaar’ => 0 meter.

15 NOVEMBER 2017

 31

Ruimtelijke onderbouwing Lutterweg 4a te Oijen

In de directe omgeving van het bedrijf zijn geen burgerwoningen aanwezig. De dichtstbijzijnde woning bevindt zich op circa 425 meter vanaf de grens van de inrichting. Het betreft de woning aan de Lutterweg 15 in Oijen, ten zuidwesten van het bedrijf. De afstand tussen deze woning en de stal bedraagt beduidend meer dan 100 meter. Vanuit de milieuzonering bestaan dan ook geen belemmeringen voor dit plan. Voorts stelt deze ruimtelijke onderbouwing geen nieuwe gevoelige functies voor. Vanuit de milieuzonering bestaan dan ook geen belemmeringen voor de ontwikkelingen die in deze ruimtelijke onderbouwing worden voorgesteld. GEURHINDER Het Activiteitenbesluit vormt per 1 januari 2013 het toetsingskader voor geurhinder bij agrarische bedrijven, die volledig onder de werking van dit besluit vallen. Bij agrarische bedrijven, waarvoor een omgevingsvergunning nodig is (agrarische bedrijven die maar gedeeltelijk onder de werking van het Activiteitenbesluit vallen), is de Wet geurhinder en veehouderij het toetsingskader voor geurhinder. Het bedrijf aan de Lutterweg 4a valt volledig onder de werking van het Activiteitenbesluit.

Ingevolge artikel 3.115, eerste lid vindt het oprichten, uitbreiden of wijzigen van een dierenverblijf met dieren met geuremissiefactor niet plaats, indien de geurbelasting die de inrichting vanwege dierenverblijven waar dieren met geuremissiefactor worden gehouden veroorzaakt, op geurgevoelige objecten die zijn gelegen in een concentratiegebied, na de oprichting, uitbreiding of wijziging meer bedraagt dan 3 odour units per kubieke meter lucht (ouE/m³), indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen en meer dan 14 ouE/m³, indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Anders dan voorheen is het mogelijk maatwerk te leveren, niet per bedrijf of object, maar per gebied. Zo kunnen oplossingen worden gezocht voor de spanning tussen het voortbestaan/de ontwikkeling van veehouderijen en de ontwikkeling van dorpskernen of recreatie. De gemeente kan zo een balans vinden tussen de gewenste ruimte voor de veehouderijen enerzijds en de bescherming van gevoelige objecten anderzijds. Voor gemeenten is het, door middel van het vaststellen van een geurverordening, mogelijk om af te wijken van wettelijke normen. De gemeente Oss heeft een geurverordening vastgesteld. Zij heeft voor verschillende gebieden afwijkende normen vastgelegd.

Echter, voor het betreffende gedeelte van het buitengebied heeft zij de norm gelijk gelaten aan de norm zoals opgenomen in het Activiteitenbesluit. Hieruit volgt dat ook in het kader van de geurverordening sprake is van een toetsingsnorm van 14 ouE/m³. Conform de vigerende milieuvergunning is de geuremissie 356 ou/sec (10 vleeskalveren). In de gewenste situatie blijft de totale geuremissie gelijk. Er is dus nagenoeg geen sprake van een toe- of afname van de geuremissie. Met behulp van V-Stacks vergunningen is een geurberekening uitgevoerd om de voorgrondbelasting geur op de geurgevoelige objecten in de planomgeving, welke niet bij een veehouderij horen of hebben gehoord, in kaart te brengen. In bijlage 5 zijn de resultaten van de geurverspreidingsberekening opgenomen. Daaruit blijkt dat ten aanzien van de geurbelasting voldaan wordt aan de normen uit het Activiteitenbesluit en de geurverordening van de gemeente Oss ten aanzien van de geurgevoelige objecten in de omgeving welke niet tot een (voormalige) veehouderij behoren.

15 NOVEMBER 2017

32 

Ruimtelijke onderbouwing Lutterweg 4a te Oijen

Ingevolge artikel 3.117, eerste lid, onder b, vindt het oprichten, uitbreiden of wijzigen van een dierenverblijf met dieren zonder geuremissiefactor niet plaats, indien de afstand tussen enig binnen de inrichting gelegen dierenverblijf waar dieren zonder geuremissiefactor worden gehouden en een geurgevoelig object, na de oprichting, uitbreiding of wijziging minder dan 50 meter bedraagt, indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Verder is in het Activiteitenbesluit een vaste afstandseis opgenomen tussen een mestopslag en geurgevoelige objecten. Deze bedraagt eveneens 50 meter tot geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom. Aan beide afstandseisen wordt voldaan. De uitbreiding kan in het kader van het Activiteitenbesluit worden gerealiseerd. Zoals in de vorige paragraaf reeds is aangegeven, zijn in de directe nabijheid van het bedrijf geen burgerwoningen gelegen. Voor woningen behorende bij andere veehouderijen en voormalige veehouderijen geldt een ander toetsingskader. De afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, of dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij bedraagt ten minste 100 meter als het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen en ten minste 50 meter als het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Aangezien binnen 100 meter van het plangebied geen (bedrijfs)woningen zijn gelegen, zal ook de afstand tot het dichtstbijzijnde geurgevoelige object, dat tot een (voormalige) veehouderij behoort, meer dan 100 meter bedragen. Ook in dit geval wordt dus voldaan aan de normen uit het Activiteitenbesluit. LUCHTKWALITEIT In de Wet Luchtkwaliteit 2007 worden eisen gesteld aan de kwaliteit van de lucht. Eén van de eisen is een maximumwaarde voor de hoeveelheid stof die zich in de lucht bevindt. Het Milieu- en Natuur Planbureau beschikt over kaarten met informatie over de luchtkwaliteit in Nederland. Deze gegevens dateren uit 2015. De achtergrondconcentratie van fijnstof (PM10) in de omgeving van Oijen is 18 - 20 μg/m3. De geproduceerde hoeveelheid fijn stof is afhankelijk van het aantal gehouden dieren en het toegepaste huisvestingssysteem. Op dit moment is de uitstoot van fijnstof (171 melk- en kalfkoeien, 156 stuks vrouwelijk jongvee, 10 vleeskalveren en 1 fokstier) 31,74 kg per jaar. Wanneer de uitbreiding is gerealiseerd, wordt de totale uitstoot 38,91 kg per jaar (221 melk- en kalfkoeien, 150 stuks vrouwelijk jongvee, 10 vleeskalveren en 1 fokstier). Er is dus sprake van een toename van fijn stof. Het plan mag geen nadelige gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit in de planomgeving. Er moet sprake blijven van een goed woon- en leefklimaat.

Volgens de wettelijke normen Volgens de wettelijke normen is dit het geval als de achtergrondconcentratie fijn stof de norm van 40,0 μg/m 3 niet overschrijdt, waarbij het aantal overschrijdingsdagen niet meer mag bedragen dan 35 per jaar. In het kader van de Verordening ruimte 2014 mag de achtergrondconcentratie fijn stof niet meer bedragen dan 31,2 μg/m3.

15 NOVEMBER 2017

 33

Ruimtelijke onderbouwing Lutterweg 4a te Oijen

Middels het programma ISL3a is een fijn stofverspreidingsmodel opgesteld (zie bijlage 6). Daaruit blijkt dat er geen sprake is van overschrijding van de wettelijke normen van 40 μg/m3 en 35 overschrijdingsdagen. Ook de norm die genoemd wordt in de Verordening ruimte 2014, zijnde 31,2 μg/m3, wordt niet overschreden. De realisatie van het plan zal geen nadelige gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit ter plaatse en daarmee niet voor het woon- en leefklimaat. Tevens draagt de ontwikkeling van het bedrijf bij aan een duurzame veehouderij in het kader van de Verordening ruimte 2014. De vervoersbewegingen binnen de inrichting bestaan voornamelijk uit vrachtwagens (voor het laden/lossen van dieren, melk en mengvoer). Bij een worst-case benadering gaan we ervan uit dat de fijn stofemissie van de trekker en loader gelijk gesteld worden aan die van een vrachtwagen, namelijk 0,396 gram/km bij een snelheid van 10 km/uur (zie Emissiefactoren verkeer niet-snelwegen op www.vrom.nl). Dit betekent dat voor 1 kg fijn stof per jaar ruim 2.525 km/jaar binnen de inrichting afgelegd moet worden. Dit wordt niet realistisch geacht. Eén kilogram fijn stof door interne vervoersbewegingen is ongeveer 0,002% van de emissie van de dieren. Dit is ruim minder dan 1% en draagt daarmee Niet in Betekende Mate bij aan de luchtkwaliteit in de omgeving.

GELUIDHINDER In de Wet geluidhinder (WGH) is vastgesteld dat, indien in het plangebied geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (rail- en weg)verkeerslawaai, akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden. Onderhavig plan betreft echter het realiseren van een stal ten behoeve van het melken en houden van rundvee en bijbehorende voer- en mestopslagen. Deze bouwwerken worden niet gezien als geluidgevoelige objecten in de zin van de Wet geluidhinder. Derhalve vormt het aspect geluidhinder geen belemmering voor de realisering van het onderhavige plan. Binnen de grenzen van de inrichting zijn een aantal geluidsbronnen te benoemen. Voorbeelden van mobiele bronnen zijn diverse verkeersbewegingen, zoals het aan- en afrijden van voerwagens, mestverwerking en de RMO. Voorbeelden van stationaire bronnen zijn diverse activiteiten als het laden van melk of het lossen van voer. Als gevolg van de nieuwbouw wijzigt het aantal geluidsbronnen en verkeersbewegingen. Het gaat hier echter om vergelijkbare geluidsbronnen en bewegingen die reeds op het bedrijf aanwezig zijn c.q. plaatsvinden. Er is sprake van een toename in het aantal dieren. Dat betekent dat ook de transporten van voer, melk, kadavers en mest toenemen. Er zal getracht worden vollere vrachtwagens te gebruiken, waardoor het aantal extra verkeersbewegingen beperkt wordt.

Daarnaast zal er beperkt sprake zijn van wijziging van los- en laadplaatsen. Omdat de bewegingen verspreid over de week plaatsvinden en niet gelijktijdig met andere activiteiten, zal de invloed hiervan op de geluidsbelasting voor omwonenden gering zijn. Gezien de ligging van het bedrijf ten opzichte van gevoelige locaties wordt een akoestisch onderzoek niet nodig geacht. Het bedrijf moet voldoen aan de geluidgrenswaarden in het Activiteitenbesluit. Bij overtreding daarvan treedt de gemeente handhavend op.

15 NOVEMBER 2017

34 

Ruimtelijke onderbouwing Lutterweg 4a te Oijen

EXTERNE VEILIGHEID Het externe veiligheidsbeleid in Nederland is gericht op het verminderen en beheersen van risico’s en effecten van calamiteiten, alsmede het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. Ten aanzien van externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in: 1. Plaatsgebonden risico (PR): Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van kwetsbare objecten, alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10 -6/jr) ten aanzien van beperkt kwetsbare objecten. 2. Groepsrisico (GR): Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. De gestelde norm is een oriënterende waarde waarvan gemotiveerd mag worden afgeweken. De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype.

De relevante typen zijn:  Bedrijven;  Vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg, het water);  Hoogspanningslijnen;  Ondergrondse (gas)leidingen (c.q. buisleidingen). 5.5.1

Bedrijven

Het plangebied is op de risicokaart van de provincie Noord-Brabant niet aangewezen als gelegen in een risicogebied van een bedrijf met betrekking tot de externe veiligheid of in de nabijheid daarvan. Figuur 5.1 op de volgende pagina geeft een uitsnede van de risicokaart van de provincie NoordBrabant weer. De bedrijfslocatie is rood omcirkeld. Op circa 900 meter ten noordwesten van het plangebied is het terrein van Bio-Energy Maasland BV gelegen. Sommige bedrijven zijn een risicobron omdat ze gevaarlijke stoffen opslaan. Dat kunnen giftige, ontvlambare of explosieve stoffen zijn. In Nederland vallen bedrijven met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen onder het Besluit risico's zware ongevallen (BRZO). Het BRZO voegt wet- en regelgeving op het gebied van arbeidsveiligheid, externe veiligheid en rampbestrijding samen. Het doel van het BRZO is het voorkomen en beheersen van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen. De locatie aan de Lutterweg 4a is echter op een ruime afstand van de risicobron gelegen. Met het voorgenomen initiatief worden er geen kwetsbare objecten binnen risicocontouren gerealiseerd.

15 NOVEMBER 2017

 35

Ruimtelijke onderbouwing Lutterweg 4a te Oijen

Figuur 5.1 Risicokaart externe veiligheid (bron: http://nederland.risicokaart.nl)

5.5.2

Transport

Het transport van gevaarlijke stoffen moet primair via het hoofdwegennet plaatsvinden. Woonkernen moeten hierbij vermeden worden. Een grotere doorgaande weg in de nabijheid van het plangebied, waarover dergelijke transporten zullen plaatsvinden, is de provinciale weg N625. Het plan ligt op een zodanige afstand van deze weg dat beïnvloeding normaliter niet plaats zal vinden. Op het grondgebied van de gemeente Oss bevindt zich het spoortracé Nijmegen – ‘sHertogenbosch. Bovendien is binnen de gemeente de Maas (vaarweg) gelegen. Zowel de spoorlijn als de vaarweg zijn op grote afstand van het plangebied gelegen, waardoor er geen sprake is van risico’s als gevolg van ongevallen met gevaarlijke stoffen. 5.5.3

Hoogspanningslijnen

In de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen hoogspanningslijnen en kan dus ook geen interactie plaatshebben. 5.5.4

Ondergrondse (gas)leidingen (c.q. buisleidingen)

Er bevinden zich in de omgeving van het bedrijf geen buisleidingen die externe veiligheidsrisico’s met zich meebrengen. Het plan ligt op zodanige afstand van buisleidingen dat beïnvloeding niet plaats zal vinden.

15 NOVEMBER 2017

36 

Ruimtelijke onderbouwing Lutterweg 4a te Oijen

BODEM In de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten (NRB) is een lijst opgenomen met activiteiten die als bodembedreigend worden beschouwd. Zo worden bijvoorbeeld de opslag van dieselolie in een bovengrondse tank, de opslag van oliën in emballage, de opslag van ruwvoer en bijproducten (CCM) en de opslag van dierlijke meststoffen in een put/bassin op grond van de NRB als bodembedreigende activiteiten aangemerkt. In het Activiteitenbesluit worden gedragsregels en voorzieningen met het oog op de bescherming van de bodem voorgeschreven. Conform de “Bodematlas provincie Noord-Brabant” is niet bekend of er ter plaatse van het plangebied sprake is van bodemverontreiniging. Op grond van artikel 8 van de Woningwet bevat de bouwverordening voorschriften omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. Deze voorschriften hebben uitsluitend betrekking op bouwwerken waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen aanwezig zullen zijn. Volgens een notitie van de Animal Science Group uit Lelystad, onderdeel van de Landbouwuniversiteit Wageningen, wordt gesteld dat bij een uitbreiding van een melkstal (met robot) > 500 m2 er een verblijftijd wordt verondersteld die structureel meer is dan 2 uur per dag. Gemeente Oss volgt dit beleid waardoor een historische bodemtoets conform NEN 5725 dient te worden uitgevoerd.

Het onderzoek is als bijlage bijgevoegd (bijlage 7). De conclusie van dit luidt als volgt” “Op de onderzoekslocatie is geen sprake (geweest) van bodembedreigende activiteiten die de bodemkwaliteit mogelijk hebben beïnvloed. Op basis van de resultaten van het vooronderzoek wordt de hypothese gesteld dat de onderzoekslocatie onverdacht is met betrekking tot bodemverontreiniging en derhalve geen belemmering vormt voor de aanstaande vergroting bouwvlak en uitbreiding van een stal en ruwvoer- en mestopslag ter plaatse. Verkennend bodemonderzoek wordt derhalve niet noodzakelijk geacht.” De bodem ter plaatse van het bedrijf is opgebouwd uit zware klei. Ten behoeve van de nieuwbouw vinden graafwerkzaamheden plaats. De grond die hierbij vrijkomt, wordt elders op het perceel gebruikt om hoogteverschillen te vereffenen. De regels van het Bouwstoffenbesluit en het Besluit bouwkwaliteit zijn derhalve niet van toepassing. Aangezien sprake is van klei, is het uitvoeren van sonderingen waarschijnlijk nodig. Voor de omgevingsvergunning wordt het plan nader constructief onderbouwd.

15 NOVEMBER 2017

 37

Ruimtelijke onderbouwing Lutterweg 4a te Oijen

WATERPARAGRAAF BELEID Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. Om de problemen van wateroverlast en verdroging het hoofd te bieden is een ingrijpende herinrichting van het watersysteem nodig. De Commissie Waterbeheer voor de 21e eeuw pleit voor de toepassing van een drietrapsstrategie voor het waterbeheer:  eerst vasthouden van het regenwater in het gebied waar het valt;  vervolgens het bergen van wateroverschotten in speciaal daarvoor aangelegde voorzieningen of aangewezen gebieden;  pas dan het water afvoeren via waterlopen en gemalen. De gemeente Oss heeft in 2013 een integraal plan Watertaken vastgesteld. Het plan bestaat uit twee delen. Het “verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (vGRP)” regelt de zorg voor inzameling en transport van afvalwater. Ook regelt het vGRP een doelmatige verwerking van afvloeiend hemelwater en overtollig grondwater. Daarnaast biedt het plan Watertaken een kader voor de andere watertaken van de gemeente. De gemeente is verantwoordelijk voor de openbare ruimte. Het gaat vooral om de zorg voor oppervlaktewater in bebouwd gebied. De gemeente is ook verantwoordelijk voor een goede ruimtelijke ordening. Het gaat om voldoende ruimte voor water in ruimtelijke plannen. Sinds 1 november 2003 is voor alle plannen de watertoets verplicht.

De watertoets moet ervoor zorgen dat bij ruimtelijke plannen rekening wordt gehouden met ruimte voor water en watervoorzieningen. Dit verkleint de kans op problemen zoals overstroming door onvoldoende veilige dijken, wateroverlast door onvoldoende bergingsmogelijkheden voor hemelwater of een slechte waterkwaliteit. Het resultaat is een ruimtelijk plan dat waterbestendig is. Maar het gaat niet alleen om het voorkomen van problemen. Ruimte voor water kan ook de ruimtelijke kwaliteit en de leefomgeving van mens en dier verbeteren. Het plangebied is gelegen binnen het beheersgebied van het waterschap Aa en Maas. Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert het waterschap een aantal uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient de initiatiefnemer invulling te geven aan de hiernavolgende punten. WATEROVERLASTVRIJ BESTEMMEN Bij de locatiekeuze voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met de norm uit het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW). In eerste instantie zal bij de locatiekeuze van een ontwikkeling gezocht moeten worden naar een plek ‘die hoog en droog genoeg’ is.

Mocht dit echter niet mogelijk of wenselijk zijn, dan zal in de compenserende of mitigerende sfeer gezocht moeten worden naar maatregelen die het gewenste beschermingsniveau tegen wateroverlast helpen realiseren. Liever nog dan mitigeren of compenseren, wordt bij voorkeur gebouwd op locaties die als gevolg van hun ligging nú al voldoen aan de NBW-norm voor de toekomstige functie.

15 NOVEMBER 2017

38 

Ruimtelijke onderbouwing Lutterweg 4a te Oijen

De hoogte van het maaiveld ligt gemiddeld op circa 5,6 meter + NAP. De bodem bestaat voornamelijk uit zware zavel en lichte klei (kalkloze poldervaaggronden). De Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) is hier 25 – 40 cm beneden maaiveld. De locatie is niet binnen een waterbergings-, grondwaterbeschermings- of een waterwingebied gelegen. Om wateroverlastvrij te bestemmen, wordt hydrologisch neutraal ontwikkeld. Aangezien sprake is van een toename van het verharde oppervlak zijn hiervoor aanvullende maatregelen nodig. Dit is verder uitgewerkt in paragraaf 6.5. GESCHEIDEN HOUDEN VAN VUIL WATER EN SCHOON HEMELWATER Het streefbeeld is het afvoeren van het vuile water via de riolering en het binnen het plangebied verwerken van het schone hemelwater. Afhankelijk van de omstandigheden ter plaatse kan een compromis gesloten worden, waarbij de minimale inzet (in bestaand bebouwd gebied) is om het vuile en het schone water gescheiden aan te bieden op het (reeds aanwezige) gemengde rioolstelsel. Het waterschap zal echter niet akkoord gaan met de aanleg van nieuwe gemengde rioolstelsels. Vuilwater, afkomstig van bedrijfsactiviteiten, wordt op dit moment afgevoerd naar de mestkelder. Dit zal in de nieuwe situatie ook het geval zijn.

Het brengen van afvalwater in de mestkelder is alleen toegestaan voor dierlijke meststoffen en stoffen die in bijlage Aa van de “Uitvoeringsregeling meststoffenwet” zijn aangewezen. Afvalwater verontreinigd met dierlijke mest valt onder de categorie dierlijke meststoffen. Mengen van verschillende stromen is alleen toegestaan voor de dierlijke meststoffen en voor de stoffen die zijn opgenomen in bijlage Aa, categorie 3. Dit volgt uit artikel 5 van het “Uitvoeringsbesluit meststoffenwet” en artikel 6 van de “Uitvoeringsregeling meststoffenwet”. In artikel 22.1, lid 9 van de “Wet milieubeheer” is bepaald dat hoofdstuk 10 (afvalstoffen) niet van toepassing is op stoffen die onder de “Meststoffenwet” vallen (het blijven wel afvalstoffen). Afvalwaterstromen die niet zijn aangewezen als meststof, zijn afvalstoffen waar hoofdstuk 10 wel op van toepassing is. In artikel 2.12, vierde lid, van het “Activiteitenbesluit” is opgenomen dat afvalwater waarvan het lozen op of in de bodem is toegestaan, mogen worden gemengd met meststoffen voor zover dit niet in strijd is met artikel 5 van het “Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet”. Bij de verschillende agrarische activiteiten is vermeld of het brengen in de mestkelder is toegestaan. Het hemelwater, wat valt op de nieuwe verharding, wordt niet afgevoerd via het riool.

Dit wordt, onder de in paragraaf 6.5 genoemde voorwaarden, afgevoerd naar een aparte voorziening (de sloot aan de zuidwestzijde van het perceel). Dat heeft als voordelen dat de rioolwaterzuiveringsinstallatie niet wordt overbelast en dat er minder of geen overstorten van het riool zullen plaatsvinden bij hevige buien. Doordat het schone hemelwater niet in contact komt met bedrijfsprocessen, raakt het niet vervuild en kan het rechtstreeks afgevoerd worden naar de sloot. Het erf wordt bovendien regelmatig drooggereinigd om te voorkomen dat hemelwater in contact komt met vervuilende stoffen als mest, voeders, etc. HERGEBRUIK - INFILTRATIE - BUFFERING - AFVOER In aansluiting op het landelijke beleid (NW4, WB21) hanteert het waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht dient te worden hoe omgegaan kan worden met het schone hemelwater. Hierbij worden de afwegingsstappen ‘hergebruik – infiltratie – buffering – afvoer’ (afgeleid van de trits ‘vasthouden – bergen – afvoeren’) doorlopen.

15 NOVEMBER 2017

 39

Ruimtelijke onderbouwing Lutterweg 4a te Oijen

Hergebruik van hemelwater wordt voornamelijk overwogen bij grootschalige voorzieningen als scholen, kantoorgebouwen, e.d. Voor particuliere woningen wordt dit, ook gezien de landelijke ervaringen met grijswatersystemen, niet gestimuleerd. Binnen grondwaterbeschermingsgebieden kunnen door de grondwaterbeheerder (provincie) aanvullende kwalitatieve eisen gesteld worden in de Provinciale Milieu Verordening. Ook kan een vergunning nodig zijn van de grondwaterbeheerder. Hergebruik van hemelwater wordt bij particuliere (kleinschalige) initiatieven niet gestimuleerd. Dit is dan bij onderhavig plan ook niet aan de orde. Infiltratie betekent het langzaam in de bodem brengen van hemelwater. Bij de nieuwe bebouwing wordt buffering toegepast door het opvangen van het hemelwater in een sloot aan de zuidwestzijde van het perceel. Deze sloot wordt zodanig verbreed dat er voldoende waterberging aanwezig is. Daarnaast wordt deze sloot voorzien van een V-vormige stuw, waarvan de onderzijde van de V op 4,2 m + NAP wordt aangebracht zodat sprake is van een vertraagde afvoer. Op de situatietekening (bijlage 1) is de plaats van de sloot weergegeven. HYDROLOGISCH NEUTRAAL ONTWIKKELEN (HNO) Nieuwe ontwikkelingen dienen te voldoen aan het principe van hydrologisch neutraal ontwikkelen, waarbij de hydrologische situatie minimaal gelijk moet blijven aan de uitgangssituatie.

Hierbij mag de natuurlijke GHG (Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand) niet verlaagd worden en mag bijvoorbeeld bij transformatie van landelijk naar bebouwd gebied de oorspronkelijke landelijke afvoer in de normale situatie niet overschreden worden. Het waterpeil sluit aan bij optimale grondwaterstanden en in poldergebieden worden seizoensfluctuaties toegestaan. Hydrologisch neutraal ontwikkelen houdt in dat de ontwikkeling geen hydrologische achteruitgang ten opzichte van de referentiesituatie tot gevolg heeft. Er mogen geen hydrologische knelpunten worden gecreëerd voor de te handhaven en de vastgelegde toekomstige landgebruikfuncties in het plangebied en het beïnvloedingsgebied. Concreet betekent dit dat:  de afvoer uit het gebied niet groter is dan in de referentiesituatie;  de omvang van grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt;  de grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties;  de (grond)waterstanden in het plangebied moeten aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied zelf;  het plangebied zo moet worden ingericht, dat de gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving, die van invloed zijn op de (grond)waterstanden, niet leiden tot knelpunten in het plangebied.

De realisatie van de nieuwbouw op het bedrijf aan de Lutterweg 4a leidt tot een toename van verhardingen en bebouwing. Het oppervlak van de uit te breiden stal en de buitenste rand (talud) van de mestopslag bedraagt circa 2.050 m². De oppervlakte van de te verlengen sleufsilo’s is niet meegerekend. Deze verharding wordt namelijk aangesloten op een opslagvoorziening voor perssappen en percolaat. Ook de binnenzijde van het mestbassin is niet meegerekend. Het regenwater wat hier valt stroomt niet weg aangezien dit lager ligt dan het talud maar verdampt naar verloop van tijd. In de nieuwe Brabant Keur is een eenvoudige rekenregel opgenomen voor plannen met een verhardingstoename tussen 2.000 en 10.000 m²: Benodigde compensatie (in m³) = Toename verhard oppervlak (m²) * Gevoeligheidsfactor * 0,06 (in m).

15 NOVEMBER 2017

40 

Ruimtelijke onderbouwing Lutterweg 4a te Oijen

Op basis van deze rekenregel bedraagt de benodigde compensatie 2.050 * 1 * 0,06 = 123 m3. Uitgaande van een maximale diepte van 0,3 meter (boven GHG) dient een oppervlak van minimaal 441m² te worden gereserveerd om het water te kunnen bergen. Dit betekend een verbreding van 1.96 m. Door de initiatiefnemer is de keuze gemaakt om de sloot aan de zuidwestzijde van het perceel over een lengte van 225 meter te voorzien van een rietoever met een gemiddelde breedte van 3 meter. Deze rietoever wordt gebruikt voor de compenserende waterberging. De waterberging zal tegelijk met de landschappelijke inpassing gerealiseerd worden (zie bijlage 1), waardoor een meanderende sloot ontstaat. Daarmee wordt voldaan aan de door het waterschap gestelde eis. WATER ALS KANS ‘Water’ wordt door stedenbouwkundigen bij inrichtingsvraagstukken vaak benaderd als een probleem (‘er moet ook ruimte voor water gecreëerd worden, en vierkante meters zijn duur’). Dat is erg jammer, want ‘water’ kan ook een meerwaarde geven aan het plan, bijvoorbeeld door gebruik te maken van de belevingswaarde van water. Zo is ‘wonen aan het water’ erg gewild, een mooie waterpartij met bijbehorend groen wordt door vele inwoners gewaardeerd, etc. Het begrip water kan een meerwaarde aan een plan geven, door gebruik te maken van de belevenissen van water en de effecten hiervan op de omliggende natuur.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=0b90e1fa-2613-4c26-9daa-fe056f6010db