Bijlage 2A Toelichting - bijlage 11 Lutterstraat 2 Lithoijen/Vlierstraat 17 Oijen
Tekst van het document
In de Verordening ruimte worden slechts de cultuurhistorische vlakken aangegeven. De beschrijving van de cultuurhistorische waarden en kenmerken binnen die vlakken is te vinden in de Cultuurhistorische Waardenkaart (2010) van de provincie Noord-Brabant. Integratie stad – land Onder specifieke voorwaarden is stedelijke ontwikkeling mogelijk in gebieden met bijzondere landschappelijke kwaliteiten, de zogenoemde ‘gebieden integratie stad-land’. In deze gebieden kan stedelijke ontwikkeling plaatsvinden in samenhang met een groene en blauwe landschapsontwikkeling. Ontwikkeling van een middelzwaar of zwaar bedrijventerrein is nadrukkelijk uitgesloten. De voorwaarden waaronder stedelijke ontwikkeling mogelijk is, zijn: - de stedelijke ontwikkeling aansluit bij het bestaand stedelijk gebied of plaatsvindt in een nieuw cluster van stedelijke bebouwing - stedenbouwkundig en landschappelijk rekening houden met ruimtelijke kwaliteiten en structuren - de stedelijke ontwikkeling is in omvang en ruimtelijke kwaliteit evenredig met groene en blauwe landschapsontwikkeling Een bestemmingsplan dat ligt in een zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling kan voorzien in de nieuwbouw van één of meer woningen als het in een bebouwingsconcentratie ligt.
Voorwaarden hiervoor zijn: - verzekeren van een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woningen - geen sprake van aanzet tot stedelijke ontwikkeling (zoals bedoeld in artikel 4) - geen inbreuk wordt gedaan aan de artikelen 6.8 en 7.8 (ruimte-voor-ruimte).
Ruimtelijke onderbouwing Lutterstraat 2/Vlierstraat 17, pag. 26 van 51 Datum 16 maart 2018 Het bestemmingsplan voor de Vlierstraat 17 en de Lutterstraat 2 raakt niet aan aanduidingen die te maken hebben met de integratie van stad en land.
Regionaal bedrijventerrein Bestemmingsplannen kunnen ter plaatse van de aanduiding regionaal bedrijventerrein voorzien in bedrijfspercelen met een omvang groter dan 5000 m2. Agrarische gebieden Bestemmingsplannen kunnen gebieden aanduiden als: - Beperkingen veehouderij - Vestigingsgebied glastuinbouw - Doorgroeigebied glastuinbouw - Teeltondersteunende kassen - Teeltgebied Zundert - Maatwerk glastuinbouw Beperkingen veehouderij Voor de begrenzing van de gebieden met de aanduiding ‘beperkingen veehouderij’ is aangesloten bij de grenzen van het extensiveringsgebied die op grond van de Reconstructiewet waren vastgesteld. De regels binnen het gebied Beperkingen veehouderij gelden in tegenstelling tot de extensiveringsgebieden voor alle veehouderijen. Ook binnen de melkrundveehouderij, die van oudsher als extensief werd aangemerkt, is een tendens waar te nemen naar toenemende intensivering. Doel van de aanduiding is om een verdere intensivering vanwege ontwikkelingen in de veehouderij in de aangeduide gebieden tegen te gaan. Binnen het gebied wordt een uitzondering gemaakt voor grondgebonden veehouderijen; de voorwaarden die hieraan worden gesteld zijn voor alle veehouderijen gelijk. De locatie Lutterstraat 2 is op de kaart ‘Agrarische ontwikkeling en windturbines’ gelegen binnen de aanduiding ‘beperkingen veehouderij’.
In deze gebieden is uitbreiding, vestiging van en omschakeling naar een veehouderij niet toegestaan. Van een dergelijke ontwikkeling is geen sprake en derhalve is het artikel 25.1 Beperkingen veehouderij niet van toepassing. Ter plaatse vindt juist een verbetering van de situatie plaats, aangezien een agrarisch bedrijf wordt beëindigd. De locatie Vlierstraat 17 is gelegen binnen de aanduiding "Stalderingsgebied". Binnen dit gebied gelden extra randvoorwaarden aan ontwikkeling van veehouderijen. Deze voorwaarden geven sturing aan het voorkomen van een verdere regionale concentratie van vee en richten zich daarnaast op het tegengaan van (verdere) leegstand. Vanwege deze extra randvoorwaarden is een toename van de oppervlakte dierenverblijf binnen een bouwperceel alleen mogelijk als er elders dierenverblijven verdwijnen; het zogenaamde stalderen. Het planvoornemen bestaat er uit een agrarisch bedrijf met een aanduiding ‘intensieve veehouderij’ te beëindigen en de locatie te bestemmingen tot ‘Wonen’. Op beide locaties wordt met het planvoornemen een bijdrage geleverd aan het provinciale beleid.
Sanerings- en verplaatsingslocatie Een bestemmingsplan kan in gebieden ter plaatse van de aanduiding sanerings- en verplaatsingslocatie voorzien in een passende herbestemming op locaties waar de volgende regelingen zijn toegepast: - Regeling Beëindiging Veehouderijtakken (RBV) - Subsidieregeling Beëindiging Intensieve Veehouderijen (BIV) - Subsidieregeling sanering glastuinbouwbedrijven in kwetsbare gebieden (GTB) - Verplaatsingsregeling Intensieve veehouderij (VIV) Het bestemmingsplan voor de Vlierstraat 17 en de Lutterstraat 2 raakt niet aan de aanduiding saneringsen verplaatsingslocatie.
Ruimtelijke onderbouwing Lutterstraat 2/Vlierstraat 17, pag. 27 van 51 Datum 16 maart 2018 Zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling Ter plaatse van de aanduiding zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling kan worden voorzien in stedelijke ontwikkeling. Het geldende bestemmingsplan dient te verantwoorden dat: - de stedelijke ontwikkeling aansluit bij bestaand stedelijk gebied of plaatsvindt in een nieuw cluster van stedelijke bebouwing - bij stedenbouwkundige en landschappelijke inrichting rekening wordt gehouden met de aanwezige ruimtelijke kwaliteiten en structuren Een bestemmingsplan dat ligt in een zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling kan voorzien in de nieuwbouw van één of meer woningen als het in een bebouwingsconcentratie ligt. Voorwaarden hiervoor zijn: - verzekeren van een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woningen - geen sprake van aanzet tot stedelijke ontwikkeling (zoals bedoeld in artikel 4) - geen inbreuk wordt gedaan aan de artikelen 6.8 en 7.8 (ruimte-voor-ruimte). Het bestemmingsplan voor de Vlierstraat 17 en de Lutterstraat 2 raakt niet aan de aanduiding Zoekgebied stedelijke ontwikkeling. Zoekgebied voor windturbines De ontwikkeling van windturbines is mogelijk binnen de aanduiding ‘zoekgebied voor windturbines’ als de ontwikkeling aansluit bij het karakter en de kwaliteit van het landschap in Noord-Brabant.
Binnen de gemeente Oss zijn echter geen gebieden aangewezen als zoekgebieden voor windturbines. 3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1 Structuurvisie Buitengebied Oss - 2015 De gemeente Oss heeft een omvangrijk buitengebied. In de afgelopen jaren zijn de buitengebieden van Oss, Lith en Geffen samengevoegd. Voor de afzonderlijke buitengebieden waren al structuurvisies opgesteld. Het is belangrijk dat de gemeente een integrale visie heeft op het totale buitengebied van de gemeente Oss. Deze visie is samengekomen in de ‘Structuurvisie Buitengebied Oss - 2015’. Het plangebied van deze structuurvisie is het totale buitengebied van de gemeente Oss, met uitzondering van motorcrosscircuit Nieuw-Zevenbergen en vakantiepark Herperduin. De structuurvisie biedt de juridische basis voor financiële bijdragen bij ruimtelijke ontwikkelingen. In de structuurvisie zijn doelstellingen opgenomen die moeten leiden tot een robuuste en duurzame ruimtelijke structuur voor een vitaal en multifunctioneel buitengebied.
Dit moet resulteren in: - Een vitaal buitengebied, waar een goed evenwicht is tussen alle aanwezige functies zoals landbouw, toerisme, recreatie, natuur, water en wonen - Een versterking van de ruimtelijke identiteit met aandacht voor verscheidenheid, ruimte en landelijkheid - Een versterking van de aanwezige landschapstypen: uiterwaarden, oeverwal, komgebied, dekzandrand en dekzandrug - Behoud, herstel en/of ontwikkeling van de landschappelijke, cultuurhistorische en ecologische structuren en elementen - Gebieden met blijvende ruimte en mogelijkheden voor (grondgebonden) landbouw, met name binnen het primaire agrarisch gebied - Voldoende afstand tussen slecht verenigbare functies zoals wonen en intensieve veehouderij - De instandhouding van de leefbaarheid door het zorgvuldig en afgewogen bieden van ruimte aan nieuwe economische dragers - Nieuwe impulsen voor toerisme en recreatie, met bijzondere aandacht voor versterking van de recreatie in de Maashorst en het Maasgebied en het ontwikkelen van aantrekkelijke uitloopgebieden met natuur en recreatie nabij de stad Oss en toeristisch-recreatieve verbindingen tussen kernen op afstand van de Maas en de Maasdijk - Het bieden van ruimte voor waterveiligheid, waterkwantiteit en waterkwaliteit De bovenstaande doelstellingen worden doorvertaald naar een ontwikkelingsvisie per landschapstype. We maken onderscheid tussen:
Ruimtelijke onderbouwing Lutterstraat 2/Vlierstraat 17, pag. 28 van 51 Datum 16 maart 2018 -
Uiterwaarden Oeverwal Komgebied Dekzandrand Dekzandrug Primair agrarisch gebied
Per landschapstype is een gebiedsbeschrijving, een ruimtelijke en een functionele visie opgenomen. Naast de visies per landschapstype zijn er ook ontwikkelingsvisies opgesteld per bebouwconcentratie. Per bebouwingsconcentratie is een beschrijving van de ruimtelijke situatie van het gebied gegeven, evenals een visie over landschappelijke kenmerken en de mogelijkheden voor ontwikkelingen en transformaties. We beschrijven in welke bebouwingsconcentraties de realisatie van nieuwe woningen ruimtelijk voorstelbaar is. Daarnaast geven we aan welke andere functies eventueel mogelijk zijn. Uitgangspunt is nieuwe burgerwoningen in het buitengebied niet gewenst zijn. In hoofdlijn zijn de mogelijkheden voor het bouwen van nieuwe burgerwoningen in het buitengebied beperkt tot drie mogelijkheden: in de vorm van een stedelijke ontwikkeling binnen zoekgebied verstedelijking, in de vorm van een ruimte-voor-ruimte woning binnen een bebouwingsconcentratie, of met de regeling kwaliteitsverbetering bebouwingsconcentraties binnen zoekgebied verstedelijking.
Structuurvisie Buitengebied Oss – ruimtelijke en functionele visiekaart met planlocaties.
De locaties Vlierstraat 17 en Lutterstraat 2 zijn op de kaart ‘Ruimtelijke en functionele visiekaart’ in de structuurvisie ‘Buitengebied Oss - 2015’ gelegen op de oeverwal. In de toelichting op de landschappelijke inpassing die als bijlage bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing hoort is onderbouwd dat de landschappelijke inpassing van beide locaties passend is binnen de oeverwal. Als functionele visie is in de structuurvisie voor de oeverwal beschreven dat het functionele gemengde karakter verder ontwikkeld kan worden. Daarbij is het wel van belang dat ruimtelijke ontwikkelingen bestaande bedrijven en bewoners niet mogen belemmeren. De Lutterstraat 2 is gelegen in bebouwingsconcentratie ‘Batterijstraat’.
Ruimtelijke onderbouwing Lutterstraat 2/Vlierstraat 17, pag. 29 van 51 Datum 16 maart 2018
Structuurvisie Buitengebied Oss – bebouwingsconcentraties, locatie binnen rode cirkel
In de Structuurvisie is beschreven dat er binnen deze bebouwingsconcentratie ruimte is voor kleinschalige bedrijvigheid.
Structuurvisie Buitengebied Oss – analyse bebouwingsconcentraties, locatie binnen blauwe cirkel
Ruimtelijke onderbouwing Lutterstraat 2/Vlierstraat 17, pag. 30 van 51 Datum 16 maart 2018 Uit de analyse van de bebouwingsconcentratie blijkt dat de aanwezige loods als storende bouwmassa is getypeert (paars). Het planvoornemen bestaat uit behoud van deze loods, maar deze zal zorgvuldig worden ingepast, waardoor het zicht op deze bouwmassa wordt verzacht. De structuurvisie Buitengebied is niet belemmerend voor ontwikkelingen op de Vlierstraat 17 en de Lutterstraat 2. Met het planvoornemen van kleinschalige bedrijvigheid en een zorgvuldige landschappelijke inpassing van de bestaande loods wordt mede invulling gegeven aan de doelstellingen van de structuurvisie voor deze bebouwingsconcentratie. 3.4.2 Toekomstvisie Oss op weg naar 2020 De toekomstvisie ‘Oss op weg naar 2020’ (2004) is richtinggevend voor de beleidsontwikkeling op de langere termijn. Eén van de potenties van Oss ligt volgens deze visie in het gevarieerde landelijk gebied waarin zich tal van kleine kernen bevinden. Uitgangspunt is het werken aan het behoud van het platteland met zijn rust en ruimte, aantrekkelijke kleinschalige toeristische voorzieningen en aan de ontplooiing van levenskrachtige dorpen. Een andere potentie ligt in het werken aan een duurzame gemeente. Duurzame ontwikkeling van natuur, landschap en ecologie draagt bij aan de leefkwaliteit.
De toekomstvisie stelt dat Oss vele ‘kostbare’ plekjes kent en een groots landschap, met ruimte voor landbouw en natuur. ‘Het bewaren van dat kostbare voor de toekomst is een opdracht die we onszelf stellen’. In de toekomstvisie Oss op weg naar 2020 geeft de gemeente Oss aan dat een duurzame economische ontwikkeling de motor is van de gemeente. Dat betekent: werken aan een gezonde groei van bedrijvigheid en welvaart, waarbij de keuzes ook op langere termijn houdbaar zijn. Dat betekent kiezen voor kwalitatieve oplossingen die niet alleen nu maar ook in de toekomst bijdragen aan de economische vooruitgang. In het buitengebied ziet de gemeente vooral kansen voor de landbouw en de recreatiesector. Op de locatie Lutterstraat 2 is geen sprake van landbouw of recreatie maar wel van duurzame economische ontwikkeling. De bestaande bedrijfsgebouwen blijven namelijk in gebruik. De toekomstvisie Oss is voor de locatie Vlierstraat niet relevant. 3.4.3 Nota Landschapsbeleid - 2015 Binnen de gemeente Oss bestaat grote aandacht voor het landschap en het landelijke gebied. De Nota Landschapsbeleid -2015 zorgt voor een beleidskader welke een sturende werking heeft bij ruimtelijke ontwikkeling in het buitengebied. Ruimtelijke ingrepen en nieuwe functies in het buitengebied hebben een grote uitstraling naar de omgeving.
Dit betekent dat bij deze ingrepen (bijvoorbeeld de bouw van agrarische bedrijfsgebouwen) eisen aan de landschappelijke inpassing van objecten moeten worden gesteld. De gemeente wordt verder geconfronteerd met de aanleg (of juist verwijdering) van (landschaps)elementen door particulieren op agrarische percelen in het buitengebied. Dergelijke initiatieven komen vaak niet overeen met de ter plaatse aanwezige en te behouden landschappelijke kwaliteit (bijvoorbeeld behoud van openheid of gebruik van niet-inheemse boomsoorten). Goede toetsingskaders en sturingsinstrumenten zijn voor bescherming maar ook voor ontwikkeling van het landschap onmisbaar. In de Nota Landschapsbeleid - 2015 wordt per deelgebied beschreven wat de landschappelijke visie is. De verschillende deelgebieden zijn: - Uiterwaarden - Oeverwal - Komgebied - Dekzandrand - Dekzandrug Per deelgebied wordt aangegeven wat de ontwikkelingsvisie is. Daarbij worden aandachtspunten voor uitwerking en uitvoering geschetst.
Ruimtelijke onderbouwing Lutterstraat 2/Vlierstraat 17, pag. 31 van 51 Datum 16 maart 2018 In de toelichting op de landschappelijke inpassing voor beide planlocaties welke als bijlage bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing hoort is onderbouwd op welke wijze de ontwikkelingen aansluiten bij de Nota Nota Landschapsbeleid 2015. 3.4.6 Archeologie en Cultuurhistorie Archeologie: wettelijk kader De gemeente is op basis van artikel 38a van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) verplicht om rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. Archeologie: gemeentelijk en provinciaal beleid Beleidsmatig heeft de gemeente Oss voornoemde wettelijke plicht vertaald in de nota ‘Archeologiebeleid gemeente Oss 2010’, vastgesteld door de gemeenteraad op 14 oktober 2010. Voor wat betreft het grondgebied van de voormalige gemeente Lith, is er nog geen vastgesteld archeologiebeleid maar wel een conceptversie die bruikbaar is als onderbouwing in bestemmingsplantoelichtingen. In de beleidsnota is het grondgebied van de gemeente onderverdeeld in gebieden met verschillende (archeologische) verwachtingswaarden. Er kan sprake zijn van een hoge, een middelhoge of een lage verwachtingswaarde. In het beleid is vastgelegd welke acties moeten worden ondernomen bij voorgenomen ontwikkelingen/werkzaamheden.
Een en ander is afhankelijk van de gebiedscategorie (laag, middelhoog, hoog: zie verderop) waarin de voorgenomen ontwikkeling is gelegen. Zo moet in gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde onderzoek uitgevoerd worden indien de oppervlakte van de ontwikkeling 18 m² of meer bedraagt en de bodem dieper dan 30 cm geroerd wordt. In gebied met een middelhoge verwachtingswaarde is het criterium een oppervlakte van 1000 m² of meer en dieper dan 30 cm roering. Voor bepaalde ook anderszins waardevolle gebieden, zoals historische stadskernen en beschermde stadsgezichten, gelden weer andere criteria. Het verdient aanbeveling om aan de ‘voorkant’, dat wil zeggen voordat de ruimtelijke onderbouwing of plantoelichting wordt opgesteld, onderzoek te doen. Afhankelijk van de verwachtingswaarde van het gebied waarin de ontwikkeling is voorgenomen, kan dat een bureauonderzoek, een booronderzoek, een proefsleuvenonderzoek of een daadwerkelijk opgravingsonderzoek zijn. In geval van onderzoek vooraf is wellicht, uiteraard afhankelijk van de uitkomst daarvan, geen bescherming nodig door het opnemen van een zogenaamde dubbelbestemming in de planregels. Daarover hieronder meer. Indien vooraf geen onderzoek is gedaan is het in elk geval noodzakelijk dat de archeologische (verwachtings)waarde beschermd wordt door borging in de planregels.
Het provinciale archeologisch beleid is neergelegd in de Verordening ruimte en op de provinciale Cultuurhistorische waardenkaart 2010. Hierin is de bescherming van aardkundig waardevolle gebieden en archeologische landschappen geregeld. Het gemeentelijk archeologisch beleid is veel gedetailleerder dan het algemene provinciale beleid op dit punt en prevaleert daarom ook boven het provinciale archeologisch beleid. Overigens is het gemeentelijk beleid getoetst door de provincie en akkoord bevonden. Archeologie: bestemmingsplanregels en regels in provinciale Verordening ruimte Zoals hierboven ook al kort aangestipt vertaalt de gemeente Oss de wet (Wamz) en het archeologisch beleid ook door in standaard bestemmingsplanregels. Zo heeft de gemeente bestemmingsplanregels (dubbelbestemmingen: dat wil zeggen dat deze naast de hoofdbestemming gelden) voor bescherming van historische kernen, beschermde monumenten, monumenten en voor gebieden met een middelhoge of hoge archeologische verwachtingswaarde. Met deze regels kan, ter bescherming van archeologische waarden, worden bepaald wanneer er een omgevingsvergunning voor bepaalde werkzaamheden nodig is, wanneer dat niet het geval is en onder welke omstandigheden en met welke nadere eisen en voorwaarden een omgevingsvergunning kan worden verleend.
Ook de provinciale Verordening ruimte bevat regels ter bescherming van aardkundig waardevolle gebieden en archeologische landschappen. Bescherming van deze laatste categorie geschiedt doordat de ‘vlakken’ met aanduiding archeologisch landschap overeenkomen met de aanduiding aardkundig waardevolle gebieden in de Verordening ruimte. Cultuurhistorie In 2004 heeft de gemeente het ‘Erfgoedplan gemeente Oss’ opgesteld. In dit Erfgoedplan wordt zo goed mogelijk in beeld gebracht welke monumentale, archeologische, cultuurhistorische en landschappelijke waarden de gemeente kent. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met de aanwezige cultuurhistorische waarden. Een belangrijk aspect in dit beleid is een integrale aanpak van het erfgoed in de gemeente. Hieronder vallen monumentenzorg, archeologie en cultuurhistorische waarden in het landschap. Dat wil zeggen, het
Ruimtelijke onderbouwing Lutterstraat 2/Vlierstraat 17, pag. 32 van 51 Datum 16 maart 2018 behoud en beheer van het monumentale gebouw of object blijft alle aandacht en zorg houden, maar de methoden om dit behoud te garanderen zijn in een groter verband geplaatst. Om deze reden is sprake van een ontwikkeling van zorg voor gebouwen naar integraal beheer van cultuurhistorisch erfgoed. De zorg en zorgvuldige omgang met archeologische en landschappelijke waarden speelt hierin mee. Door deze gewijzigde benadering is het van belang in een vroeg stadium van stadsontwikkeling of gebiedsverandering de positie van monumenten en van archeologische en cultuurhistorische landschappelijke waarden zo optimaal mogelijk te bepalen. Positief gevolg hiervan is dat monumenten, archeologische gegevens en landschap meewegen en zo mogelijk het uitgangspunt gaan vormen voor ruimtelijke ontwikkelingen. De bescherming van rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten is geregeld in de Monumentenwet 1988 en in de Monumentenverordening Oss die in 2010 is vastgesteld. In de verordening zijn verbodsbepalingen met betrekking tot beschermde monumenten opgenomen. De beschermde monumenten staan vermeld in de gemeentelijke monumentenlijst. De monumenten zijn tevens opgenomen in de Welstandsnota gemeente Oss. Ze vallen als specifieke objecten onder welstandsniveau 1.
De bescherming van monumenten vindt aldus via twee sporen plaats. Voor het bouwen op, bij, aan of in een monument is altijd een omgevingsvergunning nodig. De welstandstoetsing maakt deel uit van de omgevingsvergunningsprocedure. Wanneer een te verbouwen bouwwerk onder de werking valt van de Monumentenwet 1988 of van een gemeentelijke verordening is, naast een omgevingsvergunning voor het bouwen tevens een ‘monumentenvergunning’ nodig. Beide toetsen verschillen inhoudelijk. De ‘monumentale’ toetsing vindt plaats aan de hand van de redengevende beschrijving die ten grondslag heeft gelegen aan de aanwijzing tot monument. De wijziging aan het bouwwerk wordt beoordeeld binnen het kader van de monumentale en historische waarde ervan zoals vastgelegd in de beschrijving. In de welstandstoetsing wordt het te wijzigen bouwwerk beoordeeld naar redelijke eisen van welstand van het bouwwerk op zichzelf (aan de hand van de in de welstandsnota vastgelegde welstandscriteria) en in relatie tot zijn omgeving. Met betrekking tot dat laatste aspect is in de welstandsnota geregeld dat bij toetsing van een bouwplan aan omliggende panden, binnen een straal van 25 meter van een monument rekening dient te worden gehouden met de uitstraling van het monument. De bescherming van gemeentelijke stads- of dorpsgezichten is eveneens geregeld in de Monumentenverordening 2010.
Hierin is opgenomen dat de gemeenteraad ter bescherming van een beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht een bestemmingsplan vaststelt. De locatie Vlierstraat 17 is op de archeologische beleidskaart van de gemeente Oss gelegen in een gebied met een lage archeologische verwachting. De Lutterstraat 2 is gelegen in een gebied met een hoge archeologische verwachting. Op deze locatie wordt echter niets gebouwd waardoor de bodem niet verstoord wordt. Wel worden bomen en struiken aangeplant. Bij de aanplant van de bomen en struiken zal er zorg voor gedragen worden dat niet dieper dan 30 centimeter gegraven zal worden. Dit betekent dat plantmateriaal met een beperkte omvang (met name het wortelstelsel) gebruikt zal worden. In de toelichting op de landschappelijke inpassing voor beide planlocaties welke als bijlage bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing hoort is onderbouwd hoe de cultuurhistorische waarden van de planlocatie Lutterstraat 2 worden versterkt. 3.4.8 Verkeer Mobiliteitsvisie, Balans in beweging In de mobiliteitsvisie (2009) staan drie begrippen centraal; bereikbaarheid, verkeersveiligheid en leefbaarheid. Het centrale doel van de mobiliteitsvisie is het in balans brengen van de bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid in de gemeente, nu en in de toekomst. Om deze balans te bereiken streeft de gemeente naar een verschuiving in het gebruik van vervoerswijzen.
Een groter deel van de verplaatsingen moet plaats gaan vinden met de fiets of met het openbaar vervoer. Dit is nodig om Oss bereikbaar en leefbaar te houden. Oss wil de verschuiving bereiken door het gebruik van fiets en openbaar vervoer te stimuleren. Deze vervoerswijzen moeten veilig en comfortabel zijn en men moet snel op de plaats van bestemming kunnen komen. De goede bereikbaarheid is met name gericht op de economisch belangrijke gebieden van Oss. De bedrijventerreinen vallen hieronder. De doorstroming op
Ruimtelijke onderbouwing Lutterstraat 2/Vlierstraat 17, pag. 33 van 51 Datum 16 maart 2018 de wegen naar de bedrijventerreinen (i.c. N329) moet optimaal zijn. Hoewel de bereikbaarheid van de economisch belangrijke gebieden voor alle vervoerswijzen goed moet zijn, streeft de gemeente wel naar een verschuiving van vervoerswijze. Korte verplaatsingen moeten bij voorkeur per fiets of te voet afgelegd worden en niet per auto. Voor het vervoer van goederen zal het gebruik van water en spoor verder gestimuleerd worden. In de uitwerkingsfase zullen de doelstellingen uit de visie langs drie lijnen worden uitgewerkt: infrastructuur, gedrag en organisatie. Er heeft inmiddels een uitwerking plaatsgevonden in de deelplannen Wegen, Fiets, Openbaar Vervoer en Gedrag. De ontwikkeling op de Vlierstraat 17 zal niet leiden tot extra verkeersbewegingen. De ontwikkeling op de Lutterstraat 2 zal eveneens niet leiden tot extra verkeersbewegingen. Het planvoornemen omvat maximaal 3 bedrijven. De Handreiking Verkeersgeneratie voorzieningen, kengetallen gemotoriseerd verkeer (CROW) maakt onderscheid naar werknemers intensief of extensief en bezoekers intensief of extensief. Bezoekers en personeelsintensieve functies, zoals kantoren en detailhandel, zijn niet toegestaan. Het betreffen slechts kleine bedrijven, waarbij weinig personeel in dienst zal zijn.
De bedrijven kunnen daarom als personeels extensief en bezoekers extensief worden aangemerkt. Het agrarische bedrijf was ook een personeels extensief en bezoekers extensief bedrijf. Het bezoekende verkeer bestaat bij een agrarisch bedrijf voornamelijk uit vrachtverkeer. Ook worden er buiten de huiskavel werkzaamheden verricht op het land, wat verkeersbewegingen met o.a. tractoren met zich meebrengt. Realisatie van het planvoornemen zal voornamelijk verkeersbewegingen met personenauto’s en busjes genereren. Gezien het voorgaande zorgt het planvoornemen voor een gunstig effect op de verkeerssituatie ter plaatse. Daarmee vormt het aspect ‘verkeer’ geen belemmering voor het planvoornemen.
Parkeren Op 22 augustus 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders de nota “parkeernormen voor woonwijken” vastgesteld. In deze notitie staat beschreven welke parkeernormen gehanteerd moeten worden bij nieuwe projecten (zowel uitbreidingen als herstructurering). Uitgangspunt voor herontwikkeling is dat het parkeren op eigen terrein dient te worden opgelost. Ten aanzien van dit plangebied gaat het echter niet om een nieuwe situatie maar om het vastleggen van een bestaande situatie (enkele kleine ontwikkelingen daargelaten).
De ontwikkeling op de Vlierstraat 17 zal niet leiden tot extra parkeerbehoefte. De ontwikkeling op de Lutterstraat 2 zal wel leiden tot een beperkte toename van de parkeerbehoefte. De norm uit de Handreiking Verkeersgeneratie voorzieningen, kengetallen gemotoriseerd verkeer 2 (CROW) voor een bedrijfsverzamelgebouw is 0,8 – 1,7 parkeerplaatsen per 100 m . De loods die in 2 gebruik genomen gaat worden als bedrijfsverzamelgebouw is 2.500 m groot. Bij een dergelijke bedrijfsoppervlakte zijn dan minimaal 20 parkeerplaatsen nodig. Op eigen terrein is voldoende ruimte voor een dergelijk aantal parkeerplaatsen.
Verkeer: ontsluitingswegen Uit het voorgaande blijkt dat de ontwikkeling op de Vlierstraat 17 zal leiden tot een gunstig effect op de verkeerssituatie ter plaatse. Daarmee vormt het aspect ‘verkeer’ geen belemmering voor het planvoornemen. De ontwikkeling op de Vlierstraat 17 zal eveneens niet leiden tot extra verkeersbewegingen.
Ruimtelijke onderbouwing Lutterstraat 2/Vlierstraat 17, pag. 34 van 51 Datum 16 maart 2018 3.4.9 Nota Landschapsbeleid - 2015 Binnen de gemeente Oss bestaat grote aandacht voor het landschap en het landelijke gebied. De Nota Landschapsbeleid -2015 zorgt voor een beleidskader welke een sturende werking heeft bij ruimtelijke ontwikkeling in het buitengebied. Ruimtelijke ingrepen en nieuwe functies in het buitengebied hebben een grote uitstraling naar de omgeving. Dit betekent dat bij deze ingrepen (bijvoorbeeld de bouw van agrarische bedrijfsgebouwen) eisen aan de landschappelijke inpassing van objecten moeten worden gesteld. De gemeente wordt verder geconfronteerd met de aanleg (of juist verwijdering) van (landschaps)elementen door particulieren op agrarische percelen in het buitengebied. Dergelijke initiatieven komen vaak niet overeen met de ter plaatse aanwezige en te behouden landschappelijke kwaliteit (bijvoorbeeld behoud van openheid of gebruik van niet-inheemse boomsoorten). Goede toetsingskaders en sturingsinstrumenten zijn voor bescherming maar ook voor ontwikkeling van het landschap onmisbaar. In de Nota Landschapsbeleid - 2015 wordt per deelgebied beschreven wat de landschappelijke visie is. De verschillende deelgebieden zijn: - Uiterwaarden - Oeverwal - Komgebied - Dekzandrand - Dekzandrug Per deelgebied wordt aangegeven wat de ontwikkelingsvisie is.
Daarbij worden aandachtspunten voor uitwerking en uitvoering geschetst.
Nota Landschapsbeleid 2015 met planlocatie.
De locatie aan de Vlierstraat behoort door de ligging nabij de Maas tot het landschap van de oeverwal. De Lutterstraat ligt op de overgang van de landschappen van het komgebied en die van de oeverwal. Deze landschapstypen worden als volgt gekarakteriseerd. Oeverwal: Vlierstraat 17 Oeverwallen zijn hoger gelegen ruggen in het landschap in binnendijks gebied op enige afstand van de Maas. Het wordt gekenmerkt door een halfopen tot besloten landschap met een regelmatige en blokvormige verkaveling. Het gebruik is overwegend agrarisch en tussen de percelen staan houtwallen, bomenlanen en boomgaarden. De dijk is hierbij een belangrijk landschappelijke element: het vormt een verbindend element tussen de kleine kernen langs de Maas.
Ruimtelijke onderbouwing Lutterstraat 2/Vlierstraat 17, pag. 35 van 51 Datum 16 maart 2018
Er wordt gestreefd naar een versterking van de kleinschaligheid en het groene karakter van de oeverwal. Dit betekent een verdichting rondom de kernen door de aanplant van kleinschalige landschapselementen zoals hagen, boomgaarden, singels en laanbeplanting. Zo ontstaat er een afwisseling tussen open en besloten en wordt het onregelmatige en kleinschalige kavelpatroon versterkt. Komgebied: Lutterstraat 2 Het komgebied bestaat uit laaggelegen en grootschalige polders met voornamelijk een agrarisch gebruik. Het landschap wordt gekenmerkt door de smalle verkaveling, waterlopen en de openheid. In het komgebied streeft men naar een behoud en versterking van de rechtlijnige opbouw en de kenmerkende openheid. Dit kan door een minimum aan opgaande beplanting toe te passen om zo de lange zichtlijnen en brede zichtrelaties te behouden en te versterken.
3.4.11 Beleid aan huis gebonden activiteiten Op 22 november 2012 heeft de gemeenteraad het Beleid aan huis gebonden activiteiten - Actualisatie 2012 vastgesteld. Het beleid voor aan huis gebonden activiteiten is opgesteld om mogelijkheden te bieden aan ondernemen vanuit de eigen woning. Door de jaren heen zijn de activiteiten die aan huis worden ondernomen steeds meer divers geworden. Het gaat allang niet meer alleen om een huisarts of accountant aan huis. Er is een breed scala dat aan huis uitgeoefend kan worden. Voorbeelden zijn een adviesbureau, pedicure of afslanksalon. Ook komen er steeds vaker vragen om kleinschalige cursussen te mogen geven, voor kleinschalige kinderopvang, ambachtelijke bedrijfjes of een bed en breakfast. Met het beleid wordt ingespeeld op de veranderende inzichten over aan huis gebonden activiteiten. Er wordt ruimte gegeven aan deze nieuwe vormen om vanuit de thuissituatie te werken. Het gaat dus altijd om een bewoner die de activiteit uitvoert. Een andere belangrijke voorwaarde is steeds dat de activiteit zich goed verhoudt met de woonomgeving. Het beleid aan huis gebonden activiteiten is er op gericht om zoveel mogelijk rechtstreeks toe te staan. Er is een lijst opgesteld met een breed scala aan activiteiten die rechtstreeks mogen worden uitgeoefend in de woning. Deze lijst is als bijlage opgenomen in de toelichting van het bestemmingsplan.
Bij het opstellen van de lijst van rechtstreeks toegestane activiteiten is de woonomgeving het uitgangspunt geweest. Dit houdt in dat er geen bedrijven op staan die veel verkeer aantrekken of activiteiten die milieuhinder veroorzaken, die niet past in een woonomgeving. Het oppervlak van de 2 rechtstreeks toegestane activiteiten is 35m . Maar niet alle activiteiten kunnen rechtstreeks in een woning worden uitgevoerd. Soms is een toetsing vooraf nodig. Als dit positief is, wordt toestemming verleend in de vorm van een ‘omgevingsvergunning waarbij van het bestemmingsplan wordt afgeweken’. Bij deze afweging spelen publieksaantrekkende werking en milieu- en verkeersaspecten altijd een rol. Voorbeelden van activiteiten waarbij een toetsing vooraf nodig is zijn: een groter oppervlak dan het 2 toegestane 35 m , andere activiteiten dan die in de lijst zijn opgenomen of groepsmatige activiteiten. In het nieuwe beleid worden de mogelijkheden voor dit afwijkend gebruik beschreven. Voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik moet de aanvrager een concrete aanvraag om toestemming bij de gemeente indienen.
U hoeft hier niets te aan te doen.
Ruimtelijke onderbouwing Lutterstraat 2/Vlierstraat 17, pag. 36 van 51 Datum 16 maart 2018
Hoofdstuk 4
Verantwoording
4.1 Milieu- en omgevingsaspecten In deze paragraaf wordt ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten die verband houden met, of betrekking hebben op de ruimtelijke ontwikkeling. Het gaat daarbij meestal om de wisselwerking met de omgeving. Welke gevolgen heeft het initiatief voor de omgeving en omwonenden? Maar ook, welke gevolgen hebben activiteiten in de omgeving voor de mogelijkheden op de projectlocatie? Achtereenvolgens komen de volgende aspecten aan bod: - Bedrijven en milieuzonering (§ 6.1.1) - Bodem (§ 6.1.2) - Externe veiligheid (§ 6.1.3) - Geurhinder: agrarisch (§ 6.2.4) - Geur: industrieel (§ 6.1.5) - Luchtkwaliteit (§ 6.1.6) - Mobiliteit en parkeren (§ 6.1.7) - Straling (§ 6.1.8) - Water (§ 6.1.9) - Weg-, spoor-, en industrielawaai (§ 6.1.10) - Gezondheid (PM) 4.1.1 Bedrijven en milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten van bedrijven en gevoelige functies, zoals woningen. Het doel van milieuzonering is om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast kan milieuzonering bedrijven voldoende zekerheid bieden om hun activiteiten duurzaam uitvoeren. De handreiking Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft richtafstanden om de milieuzonering van bedrijven te kunnen bepalen.
Milieuzonering is voor de Vlierstraat 17 geen beperkende factor. In de nabije omgeving van de toekomstige burgerwoning ligt namelijk geen bedrijvigheid. Milieuzonering is voor de ontwikkeling op de Lutterstraat 2 wel een relevante maar geen beperkende factor. In het bedrijfsverzamelgebouw dat wordt mogelijk gemaakt mogen bedrijven worden gehuisvest met een maximale milieucategorie 2. De richtafstand voor dergelijke bedrijven is maximaal 30 meter tot gevoelige objecten in een rustige woonwijken 10 meter voor een gemengd gebied. De onderhavige situatie betreft een gemengd gebied, gezien de aanwezigheid van agrarische en niet-agrarische bedrijvigheid in de omgeving, en de ligging aan een drukke weg. De afstand tussen de inrichtingsgrens en woningen van derden bedraagt minimaal 25. Daarmee wordt er voldaan aan de richtafstand. Door Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV is een memo (M179677.001.001/JSM) opgesteld, waarin wordt ingegaan op de milieucategorie in relatie tot milieuzonering. Hieruit blijkt dat ook bij meerdere bedrijven, er zich geen cumulatie van effecten voordoet. Deze memo is als bijlage toegevoegd aan deze ruimtelijke onderbouwing. NB: de uitsnede van de verbeelding is gebaseerd op een eerdere versie van de verbeelding. Op de huidige verbeelding is het bestemmingsvlak gelijk aan de aanduiding ‘bouwvlak’.
De memo is niet op dit onderdeel aangepast, aangezien dit geen effect heeft op de conclusie.
4.1.2 Bodem Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht, moet in planvorming rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. In de Bouwverordening van de gemeente Oss is geregeld dat onder bepaalde omstandigheden het oprichten van gebouwen pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij iedere nieuwbouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld.
Ruimtelijke onderbouwing Lutterstraat 2/Vlierstraat 17, pag. 37 van 51 Datum 16 maart 2018
Zowel op de Vlierstraat 17 als de Lutterstraat 2 is geen sprake van nieuwe bouwwerken of een gevoeliger gebruik. Een bodemonderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Ter plaatse van een deel van de locatie Lutterstraat 2 te Lith bevindt zich een stortplaats (zie bijlage).
De provincie heeft recent een brief gestuurd aan de initiatiefnemers over de stand van zaken ten aanzien van een eventuele sanering door de provincie. Hierin staat het volgende: Omdat er geen risico’s zijn voor mens, plant dier of onbeheersbare verspreiding hoeft deze stortlocatie in het kader van de Wet bodembescherming niet met spoed gesaneerd te worden en zal de provincie
Ruimtelijke onderbouwing Lutterstraat 2/Vlierstraat 17, pag. 38 van 51 Datum 16 maart 2018 Noord-Brabant in het kader van de Wet bodembescherming de stortplaats op uw perceel niet verwijderen. De onderzoeksinspanningen voor de provincie zijn hiermee afgerond. Daaruit blijkt dat de aanwezigheid van de voormalige stortplaats geen beperking oplevert voor het planvoornemen. De locatie Vlierstraat 17 is onverdacht. Op deze locatie is in 2013 een verkennend bodemonderzoek (kenmerk 66319, d.d. 18 juni 2013) uitgevoerd door Lankelma Ingenieursbureau. Hierbij zijn slechts lichte verontreinigingen gemeten in grond en grondwater.
4.1.3
Externe veiligheid
Rijkskader Externe veiligheid behandelt de risico's die ontstaan als gevolg van opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico’s kunnen hun weerslag hebben op de omgeving. Het wettelijke kader voor externe veiligheid bestaat onder meer uit: - het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) - de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (cRNVGS) - het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Enerzijds gaat het over de risicobronnen (bedrijven of transportroutes). Anderzijds gaat het over de risicoontvangers (omstanders die niets met de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen te maken hebben). Wat betreft de risico-ontvangers maakt de wetgeving onderscheid in kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbare objecten zijn gebouwen, waarin (of waarbij) groepen van circa 50 personen of groter, gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. Ook sommige gebouwen waarin/waarbij kleinere groepen verblijven, worden als kwetsbaar object gezien, wanneer die personen beperkt zelfredzaam zijn (zoals zieken, bejaarden of gehandicapten). Beperkt kwetsbare objecten zijn verspreid liggende woningen en bedrijven waarin/waarbij groepen van minder dan 50 personen gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven.
In de landelijke wetgeving wordt meer gedetailleerd beschreven wat er onder kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten wordt verstaan. Belangrijk is hierbij dat de opsomming in de wetgeving niet limitatief is, zodat er in de verdere uitwerking van het beleid nog enige vrijheid rest. Verder maakt de wetgever onderscheid tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit.
Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Gemeentelijk kader Ook in de gemeente Oss zijn risicobronnen aanwezig in de vorm van transportassen en stationaire activiteiten. Dit vraagt om een gemeentelijke visie. Op 19 mei 2011 heeft de gemeenteraad de Beleidsvisie Externe veiligheid vastgesteld. Deze beleidsvisie beschrijft op welke manier de gemeente Oss externe veiligheid in haar afwegingen betrekt.
Ruimtelijke onderbouwing Lutterstraat 2/Vlierstraat 17, pag. 39 van 51 Datum 16 maart 2018
Risicokaart met planlocaties.
Het planvoornemen, bestaande uit het bedrijfsverzamelgebouw op de Lutterstraat 2 en de burgerwoning op de Vlierstraat 17, zorgen niet voor het toevoegen van (beperkt) kwetsbare objecten in de zin van het Bevi. De locatie Lutterstraat ligt binnen het invloedsgebied van de John F. Kennedeylaan (N625). Over deze weg vindt in beperkte mate vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Dit betekent dat conform art 7 BEVT aandacht aan de mogelijkheden voor zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid moet worden besteed. De gewenste ontwikkeling heeft echter geen negatieve gevolgen. De risicosetting blijft hetzelfde, de mogelijkheden t.a.v. zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid wijzigen ook niet. Bovenstaande geldt ook voor de gewenste ontwikkeling aan de Vlierstraat, waarbij de locatie is gelegen binnen het invloedsgebied van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Maas. Het aspect externe veiligheid is niet belemmerend voor beide ontwikkelingen.
4.1.4
Geurhinder: agrarisch
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is het beoordelingskader voor geur bij milieuvergunningen, bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Het gaat uitdrukkelijk om agrarische geur van landbouwhuisdieren uit dierstallen. De wet maakt onderscheid tussen geurnormen voor intensieve en extensieve veehouderijen. De geurbelasting van intensieve veehouderijen wordt berekend en uitgedrukt in de vorm van een geurcontour. De geurbelasting van extensieve veehouderijen wordt uitgedrukt in vaste afstanden. De gemeente Oss heeft op basis van de wet een eigen geurbeleid opgesteld. Het geurbeleid bestaat uit twee delen: de “Geurgebiedsvisie 2013” en de “Agrarische geurverordening gemeente Oss 2013”. Het hanteert per soort gebied een eigen geurnorm en streeft de volgende doelen na:
Ruimtelijke onderbouwing Lutterstraat 2/Vlierstraat 17, pag. 40 van 51 Datum 16 maart 2018 - de burger beschermen tegen geurhinder - de veehouderijen niet onnodig beperken ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken, onder de voorwaarde dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is. De gemeentelijke “Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder” is van belang voor de vraag of een ruimtelijke ontwikkeling kan plaatsvinden. De beleidsregel geeft aan wanneer sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In de toekomstige situatie zijn de burgerwoning op de Vlierstraat 17 en de bedrijfswoning op de Lutterstraat 2 geurgevoelig object. Voor beide locaties geldt dat in de omgeving agrarische bedrijven zijn gelegen. Deze bedrijven worden echter door andere burgerwoningen die op korter afstand zijn gelegen reeds belemmerd. Op beide locaties is daarnaast sprake van een goed woon- en leefklimaat wat betreft geur. Uit de geurkaarten uit de geurgebiedsvisie 2013 volgt dat het woon- en leefklimaat aan de Lutterstraat als ‘goed’ wordt gekwalificeerd. Aan de Vlierstraat 17 wordt de geurcontour veroorzaakt door het eigen bedrijf. Omliggende gronden, buiten deze contour, hebben de kwalificatie ‘goed’.
Met het intrekken van de omgevingsvergunning voor de intensieve veehouderij ter plaatse, vervalt ook deze geurcontour, waardoor ook hier de achtergrondbelasting als ‘goed’ kan worden gekwalificeerd. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de normen uit de Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder van de gemeente Oss.
Ruimtelijke onderbouwing Lutterstraat 2/Vlierstraat 17, pag. 41 van 51 Datum 16 maart 2018
Uitsnede kaart Classificatie achtergrondbelasting geur, Geurgebiedsvisie 2013, planlocaties in blauwe cirkels
4.1.6 Luchtkwaliteit Het beleid en de regelgeving over luchtkwaliteit heeft tot doel om mensen te beschermen tegen de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging. Ze bevatten luchtkwaliteitsnormen voor verschillende stoffen. Ruimtelijke plannen of projecten die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, zoals bestemmingsplannen, dienen getoetst te worden aan de Wet milieubeheer (afdeling 5.2.). Deze wet bevat grenswaarden voor de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijn stof, lood, benzeen en koolmonoxide in de buitenlucht. In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Overschrijding van de grenswaarden van andere stoffen komt bijna niet voor. De wet maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Kleine projecten zijn projecten die de luchtkwaliteit niet ‘in betekende mate’ (NIBM) verslechteren. Deze projecten hoeven niet meer beoordeeld te worden op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Er is geen belemmering als een klein project niet of nauwelijks bij draagt aan luchtverontreiniging, óók niet in overschrijdingsgebieden (gebieden met te veel luchtvervuiling). De ministeriële Regeling NIBM geeft aan in welke gevallen een nieuw project in ieder geval een NIBMproject is.
Dit is bijvoorbeeld het geval als er minder dan 500 woningen worden gebouwd bij minimaal één ontsluitingsweg, of minder dan 1.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Het Besluit gevoelige bestemmingen beperkt de vestiging van zogeheten ‘gevoelige bestemmingen’, zoals een school, in de nabijheid van provinciale en rijkswegen. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. Waar in zo’n onderzoekszone de grenswaarden voor PM 10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming’ niet toenemen. Dit wordt bereikt door op zo’n plek de vestiging van bijvoorbeeld een school niet toe te staan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.
Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien. De gemeente heeft geen eigen regelgeving en beleid over luchtkwaliteit.
Het bedrijf aan de Lutterstraat 2 genereert in de toekomstige situatie minder verkeersbewegingen per etmaal dan het huidige agrarische bedrijf. Er is daarmee geen sprake van een toename aan verkeersbewegingen en daarmee ook geen negatief effect op de luchtkwaliteit.
Ruimtelijke onderbouwing Lutterstraat 2/Vlierstraat 17, pag. 42 van 51 Datum 16 maart 2018 Aan de Vlierstraat is ook een verbetering van de situatie, aangezien het agrarische bedrijf wordt beëindigd. Het aspect luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.1.8 Straling Het beleid voor elektromagnetische velden is opgenomen in het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4), de Toekomstagenda Milieu en de beleidsnota Nuchter Omgaan met Risico's, beslissen met gevoel voor onzekerheden (2004). Het ministerie van Infrastructuur en milieu heeft het beleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen uitgewerkt in een advies van oktober 2005. Dit advies is verder toegelicht in een brief van november 2008. De gemeente Oss heeft in het Milieubeleidsplan 2010-2014 het rijksadvies vastgelegd als beleidsuitgangspunt. Dit houdt in dat er bij nieuwbouwplannen of het realiseren van nieuwe hoogspanningslijnen voorkomen dient te worden dat er gevoelige bestemmingen terecht komen in een zone waar het magnetische veld gemiddeld over een jaar hoger is dan de norm van 0,4 microtesla. Beide planlocatie zijn niet gelegen binnen een zone van 80 meter van een bovengrondse hoogspanningslijn. Het aspect straling is derhalve niet belemmerend voor de voorgenomen ontwikkelingen. 4.1.9 Water De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater.
Ook verbetert de Waterwet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets verplicht voor ruimtelijke plannen waarin waterbelangen spelen. De watertoets bewaakt de waterkwaliteit en waterkwantiteit. Een watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten zijn onder meer veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verzilting en verdroging. De watertoets heeft betrekking op alle wateren: rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. De gemeente Oss heeft in 2013 een integraal plan Watertaken vastgesteld. Het plan bestaat uit twee delen. Het “verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan” (vGRP) regelt de zorg voor inzameling en transport van afvalwater. Ook regelt het vGPR een doelmatige verwerking van afvloeiend hemelwater en overtollig grondwater. Daarnaast biedt het plan Watertaken een kader voor de andere watertaken van de gemeente. De gemeente is verantwoordelijk voor de openbare ruimte. Het gaat vooral om de zorg voor oppervlaktewater in bebouwd gebied. De gemeente is ook verantwoordelijk voor een goede ruimtelijke ordening. Het gaat om voldoende ruimte voor water in ruimtelijke plannen. De watertoets is opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).
Beleid van gemeente, provincie en rijk is van toepassing bij een watertoets. Toetsing van uw waterparagraaf gebeurt op kwaliteit en kwantiteit. De verwerking van hemelwater, afvalwater en planologische ‘waterbestemmingen’ komen aan bod. De beide locaties betreffen uitsluitend hergebruik van bestaande gebouwen. Er is daarmee geen sprake van nieuwbouw en daarmee verandert er niets in de bestaande watersystemen. Wel zullen aan de Lutterstraat 2 de bedrijven moeten voldoen aan de volgende voorwaarden ten aanzien van de verwerking van afvalwater in het buitengebied: In de zogenaamde buitengebieden wordt gebruik gemaakt van mechanische riolering. Deze wordt aangelegd voor het inzamelen en transport van huishoudelijk afvalwater (of wat daar naar aard en omvang gelijk aan is) en geen afvoer van afstromend hemelwater! Uitgangspunt hierbij is de capaciteit die gelijk wordt gesteld aan een maximaal debiet van 1 m3/h en dat vervolgens maximaal 5 keer één uur per etmaal. Bedrijfsmatige lozingen op deze mechanische riolering moeten altijd in overleg met de beheergroep riolering aangevraagd en besproken worden. Deze beperking is noodzakelijk om het risico van disfunctioneren te verkleinen (samenloop, overcapaciteit, weinig tot geen berging in het systeem, enz.) en een goed functioneren van het systeem te waarborgen.
Ruimtelijke onderbouwing Lutterstraat 2/Vlierstraat 17, pag. 43 van 51 Datum 16 maart 2018 De beide bestemmingsvlakken worden verkleind, waarmee er een afname aan verharding plaatsvindt. Uit de doorlopen watertoets voor beide locaties blijkt dat er geen toetslagen worden geraakt. Het waterschap geeft aan dat er met het ruimtelijk plan geen waterschapsbelang speelt. Zie hiervoor de bijgevoegde bijlagen en navolgende afbeeldingen. Het aspect water vormt derhalve geen belemmering voor het planvoornemen.
Kaart Watertoets Lutterstraat 2
Kaart Watertoets Vlierstraat 17
4.1.10 Weg-, spoor- en industrielawaai De Wet geluidhinder (Wgh) biedt bescherming tegen (spoor)weglawaai en tegen industrielawaai van inrichtingen voor zover gelegen op een gezoneerd industrieterrein. In de Wgh wordt een beperkt aantal typen objecten beschermd, de zogenoemde geluidgevoelige objecten.
Ruimtelijke onderbouwing Lutterstraat 2/Vlierstraat 17, pag. 44 van 51 Datum 16 maart 2018 De Wet geluidhinder kent een stelsel van normen ter voorkoming van geluidhinder. Ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen zijn grenswaarden opgenomen. Hierbij is een ondergrens (voorkeursgrenswaarde) en een bovengrens (maximaal toelaatbare grenswaarde) opgenomen. De Wgh biedt gemeenten de mogelijkheid om gericht in te spelen op de lokale situatie door maatwerk te leveren. Burgemeester en wethouders kunnen een hogere waarde vaststellen dan de ondergrens, maar mogen daarbij de bovengrens niet overschrijden. In 2010 heeft de gemeenteraad van Oss de geluidsnota “Geluidskwaliteit in de leefomgeving” vastgesteld. De gemeente Oss maakt hierbij gebruik van gebiedsgericht geluidbeleid. Per gebied wordt een geluidskwaliteit nagestreefd. Zo zijn er ‘rustige gebieden’, ‘dynamische gebieden’ en er zijn gebieden die ten aanzien van geluid onder druk staan. De geluidsnota gaat ook in op de realistische inzet van onderzoek, het stellen van eigen criteria voor het toestaan van een hogere waarde en bedrijfswoningen op industrieterreinen. De gemeente Oss streeft naar een leefbare woonsituatie, ook op locaties met een hoge geluidsbelasting. Deze leefbaarheid wordt bereikt door terughoudend te zijn met hogere grenswaarden en door hieraan voorwaarden te verbinden.
Deze voorwaarden leggen de initiatiefnemer of de beheerder een inspanning op voor een leefbare woonomgeving als compensatie voor het bouwen en het veroorzaken van een lawaaiige situatie. Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. Ook in Oss is er een aantal gezoneerde industrieterreinen. Met zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel bedrijven als aan bewoners/gebruikers van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Bedrijven kunnen aan de ene kant hun geluidsproducerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen te veel oprukken naar de bedrijven toe. In de huidige situatie zijn de woningen op de Vlierstraat 17 en de Lutterstraat 2 geluidsgevoelige objecten volgens de Wgh. Het bedrijfsverzamelgebouw valt niet onder de geluidsgevoelige objecten. Beide woningen zijn in de bestaande situatie reeds aanwezig en planologisch wijzigt er niets ten aanzien van geluid voor de woningen.
Geluid is derhalve geen belemmerend aspect voor de ontwikkelingen op beide locaties. Het planvoornemen heeft mogelijk effect op de omgeving, vanwege de bedrijvigheid die wordt toegestaan en de akoestische effecten die dit op de omgeving kan hebben. Door Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV is een memo (M179677.001.001/JSM) opgesteld, waarin wordt ingegaan op dit aspect. Deze is als bijlage toegevoegd aan deze ruimtelijke onderbouwing. Hieruit blijkt dat er door het planvoornemen sprake is van een akoestisch gunstiger situatie.
4.3 Waarden Binnen het plangebied voorkomende waarden op het vlak van natuur, archeologie of cultuurhistorie dienen te worden gerespecteerd en beschermd, mogelijk zelfs bevorderd. Bij ontwikkelingen moet proactief rekening worden gehouden met de aanwezige waarden. Achtereenvolgens komen aan bod: - Archeologie en cultuurhistorie (§ 6.3.1) - Natuur (§ 6.3.2) - Kwaliteitsverbetering van het landschap (§ 6.3.3) 4.3.2 Natuur Bij de bescherming van natuurwaarden gaat het enerzijds om soortenbescherming en anderzijds om gebiedsbescherming. Beschermde plant- en diersoorten ontlenen hun bescherming onder andere aan opname in de Wet Natuurbescherming. Deze bescherming moet ertoe leiden dat het voortbestaan van de soort niet in gevaar komt. De gebiedsbescherming is ook verankerd in de Wet Natuurbescherming..
Ruimtelijke onderbouwing Lutterstraat 2/Vlierstraat 17, pag. 45 van 51 Datum 16 maart 2018
Op beide planlocaties vindt geen verstoring van beschermde flora- en fauna plaats. Op beide locaties wordt namelijk niet gebouwd en niet gesloopt. Wel worden beide locaties vanwege de landschappelijke inpassing ecologisch versterkt met inheemse bomen en struiken. Ook hebben de ontwikkelingen op beide locaties geen impact op beschermde natuurgebieden in de omgeving. Het aspect flora & fauna is niet belemmerend voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.3.3
Kwaliteitsverbetering van het landschap
Beide planlocaties zijn gelegen in het buitengebied. Derhalve moet hoe met artikel 3.2 van de Verordening ruimte 2014 (regeling kwaliteitsverbetering van het landschap) wordt omgegaan. De ontwikkeling op de Vlierstraat 17 valt onder categorie 2 van het afsprakenkader van de provincie met de gemeenten in de regio Noordoost. Voor ontwikkelingen die binnen deze categorie vallen is een landschappelijke inpassing vereist. De inpassing en de toelichting daarop is als bijlage aan de ruimtelijke onderbouwing toegevoegd. De ontwikkeling op de Lutterstraat 2 valt onder categorie 3 van het afsprakenkader van de provincie met de gemeenten in de regio Noordoost. Voor ontwikkelingen die binnen deze categorie vallen is compensatie in de vorm van ruimtelijke kwaliteitswinst vereist. In de toelichting op de ruimtelijke kwaliteitswinst die als bijlage bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing hoort is de ruimtelijke kwaliteitswinst waarmee de ontwikkelingen gepaard gaan uitgewerkt.
Regeling ‘kwaliteitsverbetering van het landschap’ In 2010 is de regeling ‘Kwaliteitsverbetering van het landschap’ uit de Verordening ruimte (destijds art. 2.2, nu artikel 3.2) in werking getreden. In het RRO van januari 2013 is het afsprakenkader over de toepassing en uitwerking van deze regeling vastgesteld. In 2014 – 2015 is de regeling geëvalueerd en zijn aanbevelingen opgesteld voor bijstelling van het afsprakenkader. Toepassingsbereik De notitie toepassingsbereik vormt het basisdocument voor het afsprakenkader van de provincie met de gemeenten in de regio Noordoost. Deze notitie bevat de categorie-indeling voor de niet-planmatige ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied en de bijbehorende tegenprestatie. Voor planmatige ontwikkelingen in het buitengebied is art. 3.2. altijd van toepassing. Deze notitie geeft de minimale inspanning aan die we regionaal hebben afgesproken. Gemeenten hebben alle vrijheid om meer kwaliteitsverbetering te verlangen als ze dat nodig vinden op basis van beleids- of gebiedsambities. Het afsprakenkader is nadrukkelijk geen ruimtelijk afwegingskader. Gemeenten moeten zelf beoordelen of een ontwikkeling ruimtelijk gewenst is. Vervolgens kan aan de hand van het afsprakenkader beoordeeld worden waar de kwaliteitsverbetering minimaal aan moet voldoen. Afspraken toepassingsbereik 1.