Bijlage 2A Toelichting - bijlage 11 Lutterstraat 2 Lithoijen/Vlierstraat 17 Oijen
Tekst van het document
BESTEMMINGSPLAN Buitengebied Oss - 2020 Bijlagen bij toelichting
Bijlage 11 - ruimtelijke onderbouwing Lutterstraat 2, Lithoijen/ Vlierstraat 17, Oijen
Gemeente Oss | Raadhuislaan 2 | 5341 GM | Oss | T: 14 0412 | F: 0412 642605 | www.oss.nl |
Ruimtelijke onderbouwing Lutterstraat 2/Vlierstraat 17, pag. 1 van 51 Datum 16 maart 2018
Ruimtelijke onderbouwing Lutterstraat 2 Lithoijen / Vlierstraat 17 Oijen
Gemeente Oss, Datum 12 februari 20182017
Ruimtelijke onderbouwing Lutterstraat 2/Vlierstraat 17, pag. 2 van 51 Datum 16 maart 2018
Ruimtelijke onderbouwing Lutterstraat 2/Vlierstraat 17, pag. 3 van 51 Datum 16 maart 2018
INHOUDSOPGAVE Ruimtelijke onderbouwing Hoofdstuk 1
Inleiding ........................................................................................................... 7
1.1
Aanleiding .................................................................................................................... 7
1.2
Begrenzing plangebied ............................................................................................. 7
1.3
Vigerend bestemmingsplan..................................................................................... 7
Vigerend bestemmingsplan met planlocatie Vlierstraat 17, Oijen ........................................ 8 Vigerend bestemmingsplan met planlocatie Lutterstraat 2 Lithoijen.................................... 8 Hoofdstuk 3
Planvoornemen .............................................................................................. 9
2.1
Ontstaansgeschiedenis ............................................................................................ 9
2.2
Bestaande situatie...................................................................................................... 9
2.3
Beoogde situatie....................................................................................................... 10
2.4
Stedenbouwkundige karakteristiek ..................................................................... 11
2.5
Functionele karakteristiek...................................................................................... 11
2.6
Groen en water .......................................................................................................... 11
2.7
Beeldkwaliteit ............................................................................................................ 11
Hoofdstuk 3
Beleidskader ................................................................................................. 11
3.1
Wettelijk kader ........................................................................................................... 11
3.2
Rijksbeleid .................................................................................................................. 13
3.3
Provinciaal beleid ..................................................................................................... 16
3.4
Gemeentelijk beleid ................................................................................................. 27
Hoofdstuk 4
Verantwoording ........................................................................................... 36
4.1
Milieu- en omgevingsaspecten ............................................................................. 36
4.3
Waarden ...................................................................................................................... 44
4.3.4
Defensie ...................................................................................................................... 49
4.3.5
Milieueffectrapportage (M.e.r.) .............................................................................. 50
Hoofdstuk 5. Juridische doorvertaling ..................................................................................... 51 De locatie Vlierstraat 17 ....................................................................................................... 51 Hoofdstuk 6
Haalbaarheid................................................................................................. 51
6.1
Economische uitvoerbaarheid .............................................................................. 51
6.2
Zienswijzen ................................................................................................................ 51
Ruimtelijke onderbouwing Lutterstraat 2/Vlierstraat 17, pag. 4 van 51 Datum 16 maart 2018
BIJLAGEN
Toelichting landschappelijke inpassing Lutterstraat 2 Lithoijen en Vlierstraat 17 Oijen Pouderoyen Memo akoestische onderbouwing, Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV Brief provincie stortplaats Watertoets Lutterstraat 2 Watertoets Vlierstraat 17
Ruimtelijke onderbouwing Lutterstraat 2/Vlierstraat 17, pag. 5 van 51 Datum 16 maart 2018
Ruimtelijke onderbouwing Bestemmingsplan Lutterstraat 2 Lithoijen/ Vlierstraat 17 Oijen
Ruimtelijke onderbouwing Lutterstraat 2/Vlierstraat 17, pag. 6 van 51 Datum 16 maart 2018
Luchtfoto met planlocatie Vlierstraat 17, Oijen.
Luchtfoto met planlocatie Lutterstraat 2, Lithoijen.
Ruimtelijke onderbouwing Lutterstraat 2/Vlierstraat 17, pag. 7 van 51 Datum 16 maart 2018
Hoofdstuk 1
Inleiding
1.1 Aanleiding Het college van B&W van de gemeente Oss en de familie van de Wetering zijn op 22 februari 2017 overeengekomen dat voor twee locaties die eigendom zijn van de familie van de Wetering; Lutterstraat 2 in Lithoijen en de Vlierstraat 17 in Oijen, een bestemmingswijziging wordt meegenomen in het bestemmingsplan Buitengebied Oss -2017. Op de locatie Vlierstraat 17 in Oijen wordt een agrarisch bouwvlak waar een intensief agrarisch bedrijf vergund is wegbestemd. Het perceel krijgt de bestemming Wonen waarbij de bestaande loods op het perceel als bijgebouw bij de woning gehandhaafd blijft en het bouwvlak wordt verkleind. Op de locatie Lutterstraat 2 in Lithoijen wijzigt een bedrijf met een agrarische bestemming naar de bestemming Bedrijf. Op deze manier kan de bestaande loods in gebruik genomen als bedrijfsverzamelgebouw met maximaal 3 bedrijven. Tevens wordt de bestaande mantelzorgsituatie middels een persoonsgebonden overgangsrecht in het bestemmingsplan geregeld. Beide locaties worden landschappelijk ingepast. Hiertoe is een inpassingsplan uitgewerkt dat als bijlage bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing hoort. 1.2 Begrenzing plangebied Voorliggende ruimtelijke onderbouwing betreft twee planlocaties. Op voorliggende pagina staan luchtfoto’s van beide planlocaties. De locatie aan de Vlierstraat 17 in Oijen betreft kadastraal perceel Oijen E 294.
De locatie aan de Lutterstraat 2 in Lithoijen betreft de kadastrale percelen Lith H 577, 575 en 570. 1.3 Vigerend bestemmingsplan Voor de planlocatie Vlierstraat 17 geldt de partiele herziening Buitengebied Lith 2013. De planolocatie heeft de bestemming Agrarisch met waarde – Landschap met een bouwvlak, de functieaanduiding Intensieve veehouderij, de gebiedsaanduiding Verwevingsgebied en de gebiedsaanduiding Oeverwal. Voor de planlocatie Lutterstraat 2 geldt het bestemmingsplan Buitengebied Lith 2013. De planlocatie heeft de bestemming Agrarisch met waarden – Landschap met de dubbelbestemming Archeologische verwachtingswaarde hoog, de gebiedsaanduiding Bebouwingsconcentratie en de gebiedsaanduiding Extensiveringsgebied.
Ruimtelijke onderbouwing Lutterstraat 2/Vlierstraat 17, pag. 8 van 51 Datum 16 maart 2018
Vigerend bestemmingsplan met planlocatie Vlierstraat 17, Oijen
Vigerend bestemmingsplan met planlocatie Lutterstraat 2 Lithoijen.
Ruimtelijke onderbouwing Lutterstraat 2/Vlierstraat 17, pag. 9 van 51 Datum 16 maart 2018 Hoofdstuk 2
Planvoornemen
2.1 Ontstaansgeschiedenis Voor de ontstaansgeschiedenis van beide locaties wordt verwezen naar de toelichting op de landschappelijke inpassing van Pouderoyen, hoofdstuk 2 Ruimtelijke context, welke als bijlage bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing hoort. 2.2 Bestaande situatie 2 Op de locatie Vlierstraat 17 is een bedrijfswoning en een loods van 220 m aanwezig. De locatie beschikt 2 over een agrarisch bouwvlak van 7.300 m met een vergunning voor een varkenshouderij. Op het bouwvlak is een paardenrijbak aanwezig. 2
Op de Lutterstraat 2 is een bedrijfswoning en een loods van 2.500 m aanwezig. De loods wordt gebruikt voor het stallen van boten en een aantal campers en voor opslag van hooi en andere agrarische producten.
Luchtfoto met planlocatie Vlierstraat 17, Oijen.
Ruimtelijke onderbouwing Lutterstraat 2/Vlierstraat 17, pag. 10 van 51 Datum 16 maart 2018
Luchtfoto met planlocatie Lutterstraat 2, Lithoijen.
2.3 Beoogde situatie De familie Van de Wetering is al jarenlang in gesprek met de gemeente Oss over de locatie Lutterstraat 2. In februari 2017 zijn de familie en de gemeente Oss overeengekomen dat de bestaande bebouwing op de Lutterstraat 2 een bedrijfsverzamelgebouw mag worden mits: op de locatie aan Vlierstraat 17 het agrarisch bedrijf met de aanduiding ‘intensieve veehouderij’ wordt gesaneerd. het agrarisch bedrijf aan de Lutterstraat 2 wordt gesaneerd; de omvang van het perceel dient in overeenstemming te worden gebracht met de vereisten uit de Verordening ruimte van de provincie Noord-Brabant; er zijn maximaal 3 bedrijven toegestaan, behorend tot maximaal milieucategorie 2. De bedrijven vallen binnen één bestemmingsvlak en dienen de uitstraling van één bedrijf te hebben; het betreft de bedrijven die Burgemeester en Wethouders hebben genoemd in hun brief van 22 februari 2017, waarbij als één van deze drie bedrijven is toegelaten een aannemersbedrijf van maximaal 1000 m2, en daarnaast de twee andere in die brief genoemde bedrijven, of bedrijven die daarmee vergelijkbaar zijn, met dien verstande dat detailhandel niet is toegestaan. er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing. 2
Het gemeentelijke VAB-beleid staat in reguliere gevallen maximaal 1000 m als hergebruik toe. In dit geval wordt een grotere omvang toegestaan, omdat er twee agrarische bedrijven saneren en omdat er sprake is kwaliteitverbetering. In het bedrijfsverzamelgebouw wordt bedrijvigheid met maximaal milieucategorie 2 toegestaan. Tevens is overeengekomen dat er een mantelzorgwoning in de loods door middel van persoonsgebonden overgangsrecht (tijdelijk) wordt toegestaan. Hierbij ontvangt de oudste generatie Van de Wetering mantelzorg van de jongere generatie Van de Wetering, die woonachtig is in de bedrijfswoning. De inrit naar de mantelzorgwoning verdwijnt daarbij ook nadat de oudste generatie Van de Wetering niet meer woonachtig is in de mantelzorgwoning. De bedrijfswoning zal bewoond worden door een persoon die daar noodzakelijkerwijs ten behoeve van de bedrijvigheid in de loods woont.
Ruimtelijke onderbouwing Lutterstraat 2/Vlierstraat 17, pag. 11 van 51 Datum 16 maart 2018 De beoogde situatie op de Vlierstraat 17 bestaat eruit dat de bestaande loods goed wordt ingepast en dat de vergunning voor de varkenshouderij komt te vervallen. De bedrijfswoning wordt een burgerwoning en het bestaande bouwvlak wordt verkleind. Het saneren van de agrarische bedrijven op beide locaties draagt bij aan het provinciale beleid, aangezien Lutterstraat 2 is gelegen in het gebied ‘beperkingen veehouderij’ en de Vlierstraat 17 is gelegen binnen het ‘stalderingsgebied’. 2.4 Stedenbouwkundige karakteristiek Voor de stedenbouwkundige karakteristiek wordt verwezen naar de toelichting op de landschappelijke inpassing, hoofdstuk 2 Ruimtelijke context, die als bijlage bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing hoort. 2.5 Functionele karakteristiek Voor de functionele karakteristiek wordt verwezen naar de toelichting op de landschappelijke inpassing, hoofdstuk 2 Ruimtelijke context, die als bijlage bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing hoort. 2.6 Groen en water Beide planlocaties worden landschappelijk ingepast met groen en op de Lutterstraat 2 wordt ook water toegevoegd. Voor de beschrijving van de inpassing wordt verwezen naar de toelichting op de landschappelijke inpassing, die als bijlage bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing hoort.
2.7 Beeldkwaliteit U hoeft niets te doen, de gemeente vult deze paragraaf in.
Hoofdstuk 3 3.1
Beleidskader
Wettelijk kader
3.1.1 Wet ruimtelijke ordening Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening in werking getreden. De hoofdlijnen van de nieuwe wet zijn samengevat: - Decentraal wat kan en centraal wat moet: rijk en provincie moeten en mogen niet meer regelen dan wat de taak van deze overheden direct met zich brengt; - Rijk, provincie en gemeente hebben gelijke instrumenten en kunnen die inzetten voor de eigen taken op het gebied van de ruimtelijke ordening: structuurvisie, bestemmingsplan en projectafwijkingsbesluit; - Rijk en provincie kunnen zaken voor gemeente dwingend voorschrijven via een verordening en via een aanwijzing; - Er is een strikte scheiding tussen beleid en bestemmingsplan; beleidsdocumenten hebben geen directe juridische werking meer; - De goedkeuring van de provincie op bestemmingsplannen is vervallen; - De gemeente moet meer werk maken van de herziening van bestemmingsplannen: o Er komt een sanctie op verouderde bestemmingsplannen: geen legesheffing meer mogelijk; o Voor de realisering van projecten kan een projectafwijkingsbesluit genomen worden; - Voor gebieden waar geen ruimtelijke ontwikkelingen spelen kan de gemeente kiezen om een beheersverordening te maken in plaats van een bestemmingsplan; - Er is een drempel voor planschade van 2%; - De mogelijkheid van kostenverhaal bij grondexploitatie is verbeterd; - Bestemmingsplannen moeten analoog en digitaal worden gemaakt.
Ruimtelijke onderbouwing Lutterstraat 2/Vlierstraat 17, pag. 12 van 51 Datum 16 maart 2018 3.1.2 Grondexploitatiewet Tegelijk met de Wet ruimtelijke Ordening is de nieuwe Grondexploitatiewet (Grex-wet) in werking getreden. De grondexploitatiewet is als paragraaf 6.4 in de nieuwe Wet ruimtelijke ordening opgenomen. De Grex-wet is noodzakelijk omdat eerdere wettelijke instrumenten voor kostenverhaal, te weten de exploitatieverordening en de baatbelasting, niet toereikend bleken. Doelstelling van de nieuwe wet is een goede regeling voor kostenverhaal, binnenplanse verevening en enkele locatie-eisen bij particuliere grondexploitatie. Onder de Grex-wet is kostenverhaal mogelijk via het privaatrechtelijke spoor (door middel van een vrijwillige samenwerkingsovereenkomst) en door middel van het publiekrechtelijke spoor. Eén van de belangrijkste vernieuwingen die de wet brengt, is het verplichtende karakter van kostenverhaal. Privaatrechtelijke afspraken hebben de voorkeur. Maar als een gemeente er niet in geslaagd is met alle particuliere eigenaren in een gebied een overeenkomst te sluiten over grondexploitatie moet de gemeente publiekrechtelijk kosten verhalen bij partijen waarmee geen contract is gesloten. Dit publiekrechtelijke verhaal gaat door middel van een exploitatieplan, waarvan de totstandkoming gelijk op moet lopen met een bestemmingsplan.
De verplichting tot een publiekrechtelijke regeling is gekoppeld aan twee voorwaarden: 1. In de eerste plaats is een ruimtelijk besluit op grond van de Wet ruimtelijke ordening nodig. Het publiekrechtelijk instrumentarium is alleen van toepassing bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijziging van een bestemmingsplan, of een projectafwijkingsbesluit. 2. De tweede voorwaarde is dat het ruimtelijk besluit voorziet in nieuwbouw of in belangrijke en omvangrijke verbouwplannen met functiewijzigingen. De bouwplannen waar het om gaat zijn in het Besluit ruimtelijke ordening aangewezen. Dit bestemmingsplan voorziet niet in nieuwe bouwmogelijkheden. De Grondexploitatie-wetgeving is dan ook niet van toepassing. Afspraken tussen de initiatiefnemers en de gemeente Oss zullen vastgelegd worden in een anterieure overeenkomst. 3.1.3 Wet op de archeologische monumentenzorg In de Wet op de archeologische monumentenzorg, aangenomen in 2006, is het doel van het in 1992 gesloten Verdrag van Valletta (Malta) verwerkt: bescherming van het archeologische erfgoed als bron van het Europese gemeenschappelijke geheugen en als middel voor geschiedkundige en wetenschappelijke studie. Om dat doel te bereiken moet de wetgever het archeologisch erfgoed betrekken bij de ruimtelijke ordening. Met de wet wordt het Verdrag van Valletta in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd.
De kern van de wet is dat gemeenten verantwoordelijk worden voor de archeologische monumentenzorg binnen de gemeentegrenzen. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient de gemeente rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden. 3.1.4 Wet natuurbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Deze vervangt drie wetten; de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Bescherming van Natura 2000-gebieden is nagenoeg gelijk gebleven De bescherming van de Beschermde natuurmonumenten is vervallen, maar verder is er voor Natura 2000 weinig veranderd. De bescherming van de Natura 2000-gebieden is gebaseerd op internationale verplichtingen. De toetsing onder de Wet natuurbescherming is vergelijkbaar met die onder de Natuurbeschermingswet 1998. Bescherming van soorten planten en dieren is veranderd Zorgplicht Onder de Wet natuurbescherming geldt, net als voorheen onder de Flora- en faunawet, een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren. De zorgplicht houdt in werkzaamheden die nadelig kunnen zijn voor
Ruimtelijke onderbouwing Lutterstraat 2/Vlierstraat 17, pag. 13 van 51 Datum 16 maart 2018 dieren en planten, in redelijkheid zo veel mogelijk nagelaten moeten worden of dat maatregelen genomen moeten worden om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen. Wijziging beschermingsregimes van soorten De Wet natuurbescherming kent drie beschermingsregimes: Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn, Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn en Beschermingsregime andere soorten. De eerste twee regimes komen overeen met de Europese richtlijnen. Het laatste regime betreft soorten uit de oude Tabel 1, 2 en 3 (Flora- en faunawet) die niet onder de Europese regelgeving beschermd zijn. Hier is een aantal soorten van de Rode lijst aan toegevoegd, die onder de Flora- en faunawet niet beschermd waren. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor soorten van het ‘Beschermingsregime andere soorten’. Er is dan geen ontheffing nodig voor werkzaamheden. De beschermde status van deze soorten verschilt dus per provincie. Een aantal soorten die onder de Flora- en faunawet beschermd waren, zijn onder de Wet natuurbescherming niet meer beschermd. Het gaat onder andere om aantal soorten planten (orchideeën), insecten en vissen (o.a. kleine modderkruiper en bittervoorn buiten Natura 2000gebieden).
Wijziging verbodsbepalingen De verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming sluiten meer aan op de Europese richtlijnen dan onder de Flora- en faunawet het geval was. Zo is bijvoorbeeld aan het verbod ‘opzettelijk verstoren’ bij soorten van de Vogelrichtlijn toegevoegd: ‘als het van wezenlijke invloed is op de gunstige staat van instandhouding’. Procedure Onder de Wet natuurbescherming geldt, dat onderzocht moet worden of ruimtelijke ingrepen effect hebben op beschermde soorten, beschermde gebieden en beschermde bosopstanden. Vaak begint dat met een oriënterend onderzoek, een quickscan. Effecten op Natura 2000-gebieden kunnen nog steeds afzonderlijk beoordeeld worden. Door de integratie van de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet is er nog maar één ‘natuurvergunning’ nodig van één bevoegd gezag. De beslistermijn voor aanvragen om vergunning of ontheffing is aangepast en gelijkgetrokken. De termijn om te beslissen op een aanvraag is 13 weken. Deze termijn is door het bevoegd gezag eenmalig te verlengen met 7 weken. Gedragscodes blijven als instrument (voor vrijstelling) bestaan. Zij moeten wel opnieuw vastgesteld worden door het ministerie van EZ. De bescherming van bosopstanden nagenoeg gelijk De belangrijkste elementen van de Boswet zijn onveranderd overgenomen in de Wet natuurbescherming: de meldingsplicht, de herplantplicht en het kapverbod.
Er zijn ook een aantal veranderingen, bijvoorbeeld als het gaat om de eisen aan herplant en de vrijstellingsmogelijkheden. Deze eisen verschillen per provincie. In de Wet natuurbescherming zijn meer uitzonderingen opgenomen op de meld- en herplantplicht. En de meldingsplicht vervalt, als wordt gewerkt met een goedgekeurde gedragscode. Bevoegd gezag Vanaf 2017 zijn de bevoegdheden van het rijk (RVO) aan de provincies overgedragen. Zij maken dan de afwegingen voor de vergunningen en ontheffingen. Gemeenten hebben een loketfunctie en handhavingstaken. Het is nog steeds mogelijk om een natuurvergunning ‘aan te haken’ bij de omgevingsvergunning, maar dit hoeft niet. 3.2
Rijksbeleid
3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 heeft de minister van Infrastructuur en Ruimte de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. De visie stelt het (integrale) kader voor het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op
Ruimtelijke onderbouwing Lutterstraat 2/Vlierstraat 17, pag. 14 van 51 Datum 16 maart 2018 rijksniveau in Nederland. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR drie Rijksdoelen geformuleerd: - Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijkeconomische structuur van Nederland. (concurrerend) - Het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat. (bereikbaar) - Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke cultuurhistorische waarden behouden zijn. (leefbaar en veilig) De SVIR vervangt onder meer de volgende nota’s: - de Nota Ruimte; - de Structuurvisie Randstad 2040; - de Nota Mobiliteit; - de MobiliteitsAanpak; - de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Verder vervallen met de SVIR de ruimtelijke doelen en uitspraken uit de Agenda Landschap, Agenda Vitaal Platteland en Pieken in de Delta. Oplossingsrichtingen Verstedelijkings- en landschapsbeleid wordt overgelaten aan gemeenten en provincies. Gemeenten krijgen ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei geënt op het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen.
Bij het beheren en ontwikkelen van natuur krijgen boeren en particulieren in het landelijk gebied een grotere rol. Bij gebiedsontwikkelingen moet de daadwerkelijke vraag van bewoners, bedrijven en organisaties leidend worden. Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen wordt een ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd: eerst kijken of er vraag is naar een bepaalde nieuwe ontwikkeling, vervolgens kijken of het bestaande stedelijk gebied of bestaande bebouwing kan worden hergebruikt en, mocht nieuwbouw echt nodig zijn, altijd zorgen voor een optimale (multimodale) bereikbaarheid. Bij het verbeteren van de bereikbaarheid wordt sterk gelet op het samenspel tussen alle modaliteiten (weg, spoor, water) in samenhang met ruimtelijke ontwikkeling. Er moet innovatief worden omgegaan met de benutting van de infrastructuur. Het Rijk kiest voor een selectieve inzet van rijksbeleid op dertien nationale belangen. Voor die belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaat boeken. Buiten deze dertien belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. De 13 nationale belangen zijn: Vergroten van de concurrentiekracht van Nederland 1. Een excellente ruimtelijk-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in en goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio’s met een concentratie van topsectoren. 2.
Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie. 3. Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen. 4. Efficiënt gebruik van de ondergrond. Verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid. 5. Een robuust hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio’s inclusief de achterlandverbindingen. 6. Betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem. 7. Het instandhouden van het hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen om het functioneren van het mobiliteitssysteem te waarborgen. Waarborgen kwaliteit leefomgeving 8. Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico’s. 9. Ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en kaders voor klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling.
Ruimtelijke onderbouwing Lutterstraat 2/Vlierstraat 17, pag. 15 van 51 Datum 16 maart 2018 10. Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten. 11. Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten. 12. Ruimte voor militaire terreinen en activiteiten. Overkoepelend 13. Zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. 3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Indien nationale belangen met het oog op een goede ruimtelijke ordening dat vergen, kan de minister regels stellen aan de inhoud van bestemmingsplannen. Dit heeft de minister, in de vorm van een algemene maatregel van bestuur, gedaan in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Op 30 december 2011 is dit besluit in werking getreden. Het kabinet heeft in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld dat voor een aantal onderwerpen verdere regels gesteld moeten worden. In het Barro komen dertien nationale belangen als titels terug.
De volgende kunnen relevant zijn voor ruimtelijke plannen in de gemeente Oss: - Rijksvaarwegen - Grote rivieren - Defensie - Hoofdwegen en hoofdspoorwegen - Elektriciteitsvoorziening - Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen - Ecologische hoofdstructuur - Primaire waterkeringen buiten het kustfundament De regels in het besluit zijn concreet normstellend benoemd en moeten direct of indirect (door tussenkomst van de provincie) doorwerken tot het niveau van de lokale besluitvorming. De indirecte doorwerking komt enkel bij de Ecologische Hoofdstructuur en de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarden voor. Het Barro voorziet verder in een hoofdstuk overige bepalingen en gaat gepaard met meerdere bijlagen. In deze bijlagen worden onder andere de belangen van de grote rivieren en defensie geografisch begrensd. Bij het opstellen van bestemmingsplannen (en andere ruimtelijke besluiten) dient rekening te worden gehouden met de bepalingen van het Barro. Voor de gemeente Oss zijn met name de titels met betrekking tot de rijksvaarwegen, de grote rivieren, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en defensie (rechtstreeks) van belang. De regels in titel 2.4 Grote rivieren vormen feitelijk de doorwerking van de Beleidsregels Grote rivieren.
Ten aanzien van titel 2.6 Defensie wordt de enige mogelijke beperking gevormd door de bescherming van het radarverstoringsgebied van de vliegbasis Volkel. 3.2.3 Beoordeling duurzame verstedelijking Op 1 oktober 2012 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, en is ‘de ladder voor duurzame verstedelijking’ daaraan toegevoegd; deze is inmiddels vervangen door een vergelijkbare toets, waarin de treden zijn komen te vervallen. De beoordeling ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van overprogrammering en de keuzes die daaruit volgen (Bro, artikel 3.1.d). Doel van de beoordeling duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van ruimte in stedelijke gebieden. Overheden dienen nieuwe stedelijke ontwikkeling te motiveren met de drie opeenvolgende stappen: a) er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte; b) en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Ruimtelijke onderbouwing Lutterstraat 2/Vlierstraat 17, pag. 16 van 51 Datum 16 maart 2018 Het bestemmingsplan voor de locaties Vlierstraat 17 en Lutterstraat 2 brengt geen nieuw ruimtebeslag met zich mee omdat niet voorzien wordt in nieuwe bebouwing. Aard en omvang van de ontwikkeling is beperkt. Daardoor wordt niet voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De ladder voor duurzame verstedelijking is niet van toepassing. 3.3
Provinciaal beleid
3.3.1 Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010 – partiële herziening 2014 Op 19 maart 2014 hebben Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2014 vastgesteld. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die in 2010 werd vastgesteld. Met deze structuurvisie geeft de provincie de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijke beleid tot 2025, met een doorkijk naar 2040. De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie en vormt de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten die de Wet ruimtelijke ordening biedt inzet. Naast de Structuurvisie stelt de provincie een verordening ruimte op. In deze verordening vertaalt de provincie de kaderstellende elementen uit het provinciaal beleid in regels die van toepassing zijn op (gemeentelijke) bestemmingsplannen. Aanvullend zijn ook gebiedspaspoorten opgesteld. Deze vormen een uitwerking van de visie en bevatten de landschapskenmerken die bepalend zijn voor de kwaliteit van een gebied of een landschapstype en hoe ruimtelijke ontwikkelingen kunnen bijdragen aan het behoud en versterking daarvan. De provincie kiest met de structuurvisie voor een duurzame ontwikkeling waarin de kwaliteiten van de provincie sturend zijn bij de ruimtelijke keuzes die de komende jaren op de provincie af komen.
Nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan de kracht en identiteit van Noord-Brabant. Provinciale belangen en ruimtelijke keuzes De provincie wil sturen op ruimtelijke kwaliteit. De ruimtelijke keuzes geven inhoud aan het streven naar ruimtelijke kwaliteit en zijn van provinciaal belang. De belangrijkste keuzes voor de gemeente Oss zijn: - Regionale contrasten De provincie wil de contrasten tussen klei, zand en veenontginningen versterken. - Een multifunctioneel landelijk gebied De provincie kiest voor een integrale aanpak. Waar de landbouw de drager van het landschap is wordt ruimte gegeven aan optimale en duurzame ontwikkeling van de aanwezige landbouwsector. In de jonge rivierkleigebieden moet de agrarische functie (rundveehouderij) behouden blijven. Op de oeverwallen langs de rivieren wordt ruimte geboden voor menging van landbouw, natuur, landschap, recreatie, wonen, werken en zorg. Dit is van belang voor de plattelandseconomie. - Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem Het patroon van beken en kreken moet beter beleefbaar worden. De ecologische hoofdstructuur wordt versterkt door het natuursysteem nog beter aan het watersysteem te koppelen. - Een betere waterveiligheid door preventie Gestreefd wordt naar vergroting van de watervoerende capaciteit van het rivierbed in combinatie met het concept van de doorbraakvrije dijk.
- Concentratie van verstedelijking Brabant heeft de ambitie zich te ontwikkelen tot een top kennis- en innovatieregio op Europees niveau. De provincie vindt het daarom belangrijk dat er verschil blijft tussen de steden en de kernen in het landelijk gebied, de zogenaamde mozaïekstructuur. - Sterk stedelijk netwerk De provincie wil een sterk stedelijk netwerk van Brabantse steden. Goede bereikbaarheid tussen de steden onderling en andere omliggende stedelijke netwerken is belangrijk. - Groene geledingszones tussen steden De provincie zet in op behoud en ontwikkeling van groene geledingszones tussen de stedelijke kernen. - Gedifferentieerd aanbod goed bereikbare vrijetijdsvoorzieningen Een kwalitatief goede vrijetijdsbesteding is een belangrijke voorwaarde voor het realiseren van
Ruimtelijke onderbouwing Lutterstraat 2/Vlierstraat 17, pag. 17 van 51 Datum 16 maart 2018 een goed leef-, werk- en vestigingsklimaat. Belangrijk aandachtspunt daarbij is dat er een breed aanbod aan vrijetijdsvoorzieningen is met een goede toegankelijkheid en bereikbaarheid. Zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit Nieuwe ontwikkelingen bieden een kans voor behoud en ontwikkeling van het landschap. De hoofdregel is dat ontwikkelruimte dient bij te dragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit. Het ontwikkelen van landschap reikt verder dan vasthouden aan wat er is, ontwikkelen van het landschap gaat ook om het toevoegen van nieuwe kwaliteiten. De zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit bepaalt dat: - er zorgvuldig wordt omgegaan met het ruimtegebruik; - er rekening wordt houden met de omgeving; - de ontwikkeling bijdraagt aan het behoud of de versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Dit principe is van toepassing op zowel het stedelijk als het landelijk gebied en wordt uitgewerkt in de Verordening ruimte 2012. Zorgvuldig ruimtegebruik De provincie wil dat gemeenten bij ruimtelijke afwegingen het principe van zorgvuldig ruimtegebruik toepassen. Nieuw ruimtebeslag moet zoveel mogelijk voorkomen worden. In eerste instantie krijgen initiatieven een plek binnen bestaand bebouwd gebied.
Pas als hier geen mogelijkheden zijn of de kwaliteiten van de geplande ontwikkeling hier niet bij passen, wordt er in de omgeving gezocht naar de best mogelijke plek. Naast zuinig ruimtegebruik richt de provincie zich ook op herstructurering en hergebruik van verouderde locaties in het stedelijk gebied en op sanering van ongewenste functies in het buitengebied. Rekening houden met de omgeving Gebiedskenmerken en omliggende waarden, gebaseerd op de lagenbenadering, zijn leidend bij de vraag “waar” en “hoe” de nieuwe ruimte wordt aangesneden. De ruimtelijke onderbouwing van een ontwikkeling geeft aan hoe is omgegaan met de ambities zoals verwoord in de structuren en in de gebiedspaspoorten. Hierbij wordt een relatie gelegd tussen de ruimtelijke ontwikkeling en de gebiedskenmerken van de plek. Kwaliteitsverbetering van het landschap Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wil de provincie dat de initiatiefnemer zorgt voor een kwaliteitsverbetering van het landschap om daarmee het verlies aan omgevingskwaliteit te beperken. Dit uitgangspunt geldt voor ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied én buiten de ecologische hoofdstructuur en maakt de principes van ontwikkelingsplanologie toepasbaar. Concreet betekent dit dat passende functies zich kunnen ontwikkelen als er ook een prestatie voor het landschap tegenover staat.
Daardoor wordt aantasting van de basiskwaliteit (bodem, water) en verlies aan ecologische, cultuurhistorische en landschappelijke waarden voorkomen. Ontwikkelingen die passen bij de aard, schaal en functie van het landelijk gebied, zoals agrarische en recreatieve ontwikkelingen en kleinschalige dienstverlening zijn mogelijk. Ook de ontwikkeling van andere (rode) functies is onder voorwaarden mogelijk. De ruimtelijke onderbouwing van een besluit geeft aan welke bijdrage wordt geleverd aan de kwaliteitsverbetering van het landschap en hoe dit is geborgd. In principe gaat de provincie uit van de realisering van een fysieke prestatie op de projectlocatie en/of de directe projectomgeving. Indien dat niet mogelijk is, is de vorming van gemeentelijk of regionaal landschapsfonds een optie. Structuren: ambitie, beleid en uitvoering De structuren geven een hoofdkoers aan, een ruimtelijk ontwikkelingsperspectief voor een combinatie van functies. Maar ook waar functies worden uitgesloten of welke randvoorwaarden de provincie aan functies stelt. Binnen de structuren is ruimte voor regionaal maatwerk. De volgende vier structuren worden onderscheiden. - De groenblauwe structuur - Het landelijk gebied - De stedelijke structuur - De infrastructuur
Ruimtelijke onderbouwing Lutterstraat 2/Vlierstraat 17, pag. 18 van 51 Datum 16 maart 2018
Structurenkaart
De groenblauwe structuur Deze omvat de samenhangende gebieden in Noord-Brabant waar natuur- en waterfuncties behouden en ontwikkeld worden. Niet alleen in, maar ook buiten de natuurgebieden. Er is ruimte voor de ontwikkeling van een natuurlijk en robuust watersysteem. Het vormt de groenblauwe ruggengraat van het landschap en is van belang voor een goede, aantrekkelijke en gezonde woon- en werkomgeving in Noord-Brabant. Binnen deze groenblauwe structuur wil de provincie het volgende bereiken: 1. Positieve ontwikkeling van de biodiversiteit, natuur- en watersystemen zijn beschermd en worden verbeterd door een goede onderlinge verbinding; 2. Een robuuste en veerkrachtige structuur. 3. De natuurlijke basis en landschappelijke contrasten versterken. Versterken van de identiteit van de landschappen; 4. Gebruikswaarde van natuur en water verbeteren. De gebieden in de groenblauwe structuur zijn belangrijk voor recreatie en toerisme. In de groenblauwe structuur worden drie perspectieven onderscheiden: - Het kerngebied groenblauw Natuurgebieden in de ecologische hoofdstructuur, robuuste ecologische verbindingszones en belangrijke waterstructuren horen in dit perspectief. De hoofdfunctie is behoud en ontwikkeling van het natuur- en watersysteem. - De groenblauwe mantel Overwegend gemengd landelijk gebied met belangrijke nevenfunctie voor natuur en water.
Gebieden grenzend aan het kerngebied die bijdragen aan de bescherming van de waarden. Het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, water(-beheer) en landschap is in de groenblauwe mantel een belangrijke opgave. Vormen van grondgebonden agrarisch gebruik zijn van blijvend belang voor de ontwikkeling van groene en blauwe waarden. Verder liggen er kansen voor recreatie en toerisme. - De gebieden voor waterberging Deze gebieden zijn van belang voor hoogwaterbescherming (ruimte voor de rivier) en waterberging (regionale waterberging). Het landelijk gebied Het landelijk gebied omvat het gebied buiten de groenblauwe structuur en de stedelijke structuur zoals steden, dorpen en bedrijventerreinen. Het gebied biedt een multifunctionele gebruiksruimte. Naast landen tuinbouw is er ruimte voor niet-agrarische functies. Binnen het landelijk gebied wil de provincie het volgende bereiken: 1. Ruimte voor een breed georiënteerde plattelandseconomie; 2. Ruimte voor duurzame agrarische ontwikkeling; 3. Versterking van het landschap. Er worden binnen het landelijk gebied twee perspectieven onderscheiden: Gemengd landelijk gebied De provincie beschouwt het hele landelijk gebied als een gebied waarbinnen een menging van functies aanwezig is: het gemengd landelijk gebied. Binnen dit gebied wordt de agrarische functie vaak in samenhang met andere functies (in de omgeving) uitgeoefend.
Hier kan worden
Ruimtelijke onderbouwing Lutterstraat 2/Vlierstraat 17, pag. 19 van 51 Datum 16 maart 2018
-
voldaan aan de vraag naar kleinschalige stedelijke voorzieningen, recreatie en ondernemingen in een groene setting. Daarnaast wil de provincie ook dat er ruimte beschikbaar blijft om de agrarische productiestructuur te behouden en te versterken. Dat betekent dat (stedelijke) functies die ten koste gaan van de ruimte voor agrarisch gebruik of die strijdig zijn met de landbouw in die gebieden geweerd worden. Hierdoor blijft er ruimte gereserveerd voor agrarische ontwikkelingen. De provincie vraagt aan gemeenten om deze gebieden vast te leggen en te beschermen. De landbouwontwikkelingsgebieden en de vestigingsgebieden glastuinbouw beschouwt de provincie in ieder geval als primair agrarisch gebied. Ook delen van het verwevingsgebied richten zich vaak primair op agrarische ontwikkeling. Accentgebied agrarische ontwikkeling Binnen deze gebieden ziet de provincie ruimte en kansen om de agrarische productiestructuur te verduurzamen en te versterken. Op de structurenkaart zijn vanuit een regionaal schaalniveau vier accentgebieden agrarische ontwikkeling aangeduid. De komgebieden van de gemeente Lith maken hiervan deel uit. Hier liggen mogelijkheden voor schaalvergroting en intensivering van de landbouw.
Transitie naar een zorgvuldige veehouderij De wens tot verduurzaming van de agrarische sector heeft geleid tot de denklijn ‘Ontwikkelruimte moet je verdienen en is niet onbegrensd’. De denklijn bestaat uit drie uitgangspunten: - ontwikkelruimte is alleen mogelijk als dit op bedrijfsniveau bijdraagt aan een verdere verduurzaming door het treffen van extra maatregelen; - de som van het effect van alle bedrijven in een gebied kan de draagkracht van een gebied te boven gaan; - door het bieden van een economisch perspectief aan de landbouw en agrofood door meer toegevoegde waarde van het product, transparantie en nieuwe verdienmodellen. De ontwikkeling van de agrarische sector is gericht op inpassing in het landschap en een transitie naar duurzame en zorgvuldige veehouderij. De stedelijke structuur De stedelijke structuur bestaat uit de steden en dorpen in Noord-Brabant. Binnen de stedelijke structuur heeft de provincie de volgende doelen: 1. Concentratie van verstedelijking 2. Inspelen op demografische ontwikkelingen 3. Zorgvuldig ruimtegebruik 4. Meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit 5. Betere verknoping van stedelijke ontwikkelingen aan de infrastructuur 6.
Versterking van de economische clusters Er worden binnen de stedelijke structuur twee perspectieven onderscheiden: - Stedelijk concentratiegebied In het stedelijk concentratiegebied met de bijhorende zoekgebieden voor verstedelijking wordt het merendeel van de verstedelijkingsopgave opgevangen. De groene ruimten tussen de steden worden open gehouden. - Kernen in landelijk gebied De kernen in het landelijk gebied worden zo veel mogelijk ontzien van verdere verstedelijking doordat daar alleen de opvang van de eigen verstedelijkingsbehoefte wordt opgevangen (migratiesaldo-nul). Zowel de Vlierstraat 17 als de Lutterstraat 2 zijn in de structuurvisie gelegen in het ‘gemengd landelijk gebied’. In dit gebied is een menging van functies toegestaan waarbij nieuwe functies niet in strijd mogen zijn met de agrarische sector. De toekomstige burgerwoning op de Vlierstraat 17 en de toekomstige bedrijfswoning op de Lutterstraat 2 vormen geen belemmering voor omliggende agrarische bedrijven omdat er reeds andere burgerwoningen in de omgeving aanwezig zijn met een belemmerende werking.
Ruimtelijke onderbouwing Lutterstraat 2/Vlierstraat 17, pag. 20 van 51 Datum 16 maart 2018 3.3.2 Verordening ruimte 2014 In de Verordening ruimte 2014 vertaalt de provincie Noord-Brabant de kaderstellende elementen uit haar beleid en rijksbeleid, waaronder het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening, in regels die van toepassing zijn op (gemeentelijke) bestemmingsplannen. De Verordening ruimte 2014 geldt als vervanging van de Verordening ruimte 2012. In artikel 3 van de regels in de Verordening ruimte 2014 worden de algemene regels ten aanzien van het bevorderen van de ruimtelijke kwaliteit gegeven. In het algemeen houdt ruimtelijke kwaliteit in dat gebruikers van een gebied rekening houden met het karakter, de grootte en de functie ervan. De bevordering van de ruimtelijke kwaliteit is uiteengezet in drie artikelen: - Zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit Een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling moet bijdragen aan behoud en ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit. Er moet in ieder geval sprake zijn van een goede landschappelijke inpassing en zorgvuldig ruimtegebruik. Zorgvuldig ruimtegebruik is het gebruik van bestaande ruimte. Dit betekent dat gebruik gemaakt wordt van bestaande bouwpercelen en dat ontwikkelingen worden verantwoord middels de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’.
Er moet ook rekening worden gehouden met de maat en schaal van de ontwikkeling en de impact op de omgeving. - Kwaliteitsverbetering van het landschap Een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied moet gepaard gaan met een fysieke verbetering van het gebied of de omgeving. De verbetering moet zijn financieel, juridisch en feitelijk zijn geborgd en passen in het ruimtelijk beleid. Er moet ook verantwoord worden hoe de regionale afspraken over de kwaliteitsverbetering van het landschap worden nagekomen. - Afwijking in verband met maatwerk Bij ontwikkelingen van een groot openbaar belang kan worden afgeweken van provinciaal beleid. Nieuwvestiging is echter alleen mogelijk als aangetoond kan worden dat er geen mogelijkheden zijn voor vestiging. Deze algemene regels zijn van toepassing op zowel stedelijk, als landelijk gebied. De locaties Vlierstraat 17 en Lutterstraat 2 liggen beiden in het buitengebied en dienen daarom een bijdrage te leveren aan de kwaliteitsverbetering van het landschap. In paragraaf 6.3.3 wordt hier nader op ingegaan.
Ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied: In de Verordening ruimte 2014 worden voor het buitengebied regels gesteld met betrekking tot ruimtelijke ontwikkeling binnen de volgende structuren: de ecologische hoofdstructuur de groenblauwe mantel het gemengd landelijk gebied Ecologische Hoofd Structuur De provincie kiest in de Structuurvisie ruimtelijke ordening voor een vitaal en mooi landelijk gebied in Brabant. In de groenblauwe structuur kiest de provincie voor een koppeling van het water- en natuursysteem van Brabant. Door meer samenhang in natuur en water worden het landschap en recreatiemogelijkheden versterkt. De in artikel 5 opgenomen ecologische hoofdstructuur maakt deel uit van de kern van de groenblauwe structuur. Om de robuustheid van het systeem te bevorderen, zijn er binnen de groenblauwe structuur ook gebieden opgenomen als verbinding tussen de ecologische hoofdstructuur en het landelijk gebied; de groenblauwe mantel (artikel 6). De Ecologische Hoofd Structuur (EHS) is een samenhangend netwerk van natuurgebieden en landbouwgebieden met natuurwaarden van (inter)nationaal belang. Voorbeelden van dergelijke gebieden in Brabant zijn: de bossen, de heide en vennen, de stuifduinen, de schraalgraslanden en wateren zoals rivieren en beken. Het doel van het EHS-beleid is het veiligstellen van ecosystemen en het realiseren van
Ruimtelijke onderbouwing Lutterstraat 2/Vlierstraat 17, pag. 21 van 51 Datum 16 maart 2018 leefgebieden met goede condities voor de biodiversiteit. Deze leefgebieden zijn belangrijk voor dier- en plantensoorten. In artikel 5 zijn de regels opgenomen voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de EHS. Deze regels gaan vooral over de (planologische) bescherming van de EHS, de wijziging van begrenzing en de mogelijkheden tot fysieke en financiële compensatie van aantasting van ecologische waarden. Met het bestemmingsplan voor de Vlierstraat 17 en de Lutterstraat 2 worden geen ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk gemaakt die (deels) binnen de structuur Ecologische Hoofd Structuur vallen.
De groenblauwe mantel De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw uit de Structuurvisie RO (in deze verordening: de ecologische hoofdstructuur) en het landelijk gebied, alsook het stedelijk gebied. De mantel beschermt het kerngebied groenblauw en zorgt voor verbinding met het omliggende gebied. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Binnen de groenblauwe mantel hanteert de provincie een 'ja, mits' benadering. De 'mits' is daarbij vooral gericht op de voorwaarde dat een ontwikkeling een positieve bijdrage levert aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken in het gebied. Deze voorwaarde wordt in het algemeen aan ontwikkelingen binnen de groenblauwe mantel gesteld en geeft daarmee verplichte invulling van de verplichte verbetering van de kwaliteit van het landschap zoals opgenomen in artikel 3.2. Binnen de structuur groenblauwe mantel worden kaders gegeven voor ruimtelijke ontwikkelingen.
Er worden regels gesteld voor: - bescherming groenblauwe mantel - teeltbedrijven - veehouderijen - afwijkende regels veehouderij - glastuinbouwbedrijven - overige agrarische bedrijven - wonen - ruimte-voor-ruimte - landgoederen - niet-agrarische functies - afwijkende regels recreatiebedrijven - afwijkende regels voor horecabedrijven en maatschappelijke voorzieningen - afwijkende regels voor tuincentra - kleinschalige voorzieningen - watergebonden voorzieningen - lawaaisporten - wegen De mogelijkheden die in dit bestemmingsplan voor niet-agrarische ontwikkelingen geboden worden dienen te passen binnen de kaders van de verordening. Met het bestemmingsplan voor de Vlierstraat 17 en de Lutterstraat 2 worden geen ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk gemaakt die (deels) binnen de groenblauwe mantel vallen. De Verordening ruimte 2014 kent verder meerdere gebiedsaanduidingen en/of aandachtsvelden die doorwerking dienen te krijgen in bestemmingsplannen. In paragraaf 6.1.1 zal hier nader op worden ingegaan. Hier wordt tevens aangegeven hoe aan de voorwaarden van de aanduidingen wordt voldaan.
Ruimtelijke onderbouwing Lutterstraat 2/Vlierstraat 17, pag. 22 van 51 Datum 16 maart 2018 Gemengd landelijk gebied Dit artikel geeft twee mogelijke ontwikkellijnen aan om op te nemen in een bestemmingsplan in agrarisch gebied: een gemengde plattelandseconomie en een agrarische economie. Gemeenten houden bij het bepalen van het lokale beleid rekening met de aard van de economieën die in een bepaald gebied aanwezig zijn. Het artikel veronderstelt dat het bedoelde lokale beleid een ruimtelijke ontwikkelvisie op het agrarische gebied bevat, bij voorkeur gebaseerd op de gemeentelijke structuurvisie. De aanduiding van een gebied als gemengde plattelandseconomie impliceert meer ruimte voor niet-agrarische functies. Het gaat daarbij onder andere om het zoeken naar nieuwe economische dragers voor een vitaal platteland. Op delen van het gemengd landelijk gebied is een aanduiding zoekgebied stedelijke ontwikkeling of integratie stad-land gelegd. Indien toepassing wordt gegeven aan de mogelijkheden voor stedelijke ontwikkeling geldt deze bepaling niet. Binnen de structuur gemengd landelijk gebied worden kaders gegeven voor ruimtelijke ontwikkelingen.
Er worden regels gesteld voor: - beschrijving gemengd landelijk gebied - (vollegronds)teeltbedrijven - veehouderijen - afwijkende regels veehouderij - glastuinbouwbedrijven - overige agrarische bedrijven - wonen - ruimte-voor-ruimte - landgoederen - niet-agrarische functies - afwijkende regels voor agrarisch-technische hulpbedrijven en agrarisch-verwante bedrijven - afwijkende regels voor mestbewerking - afwijkende regels recreatieve bedrijven - afwijkende regels voor horecabedrijven en maatschappelijke voorzieningen - afwijkende regels voor tuincentra - kleinschalige voorzieningen - watergebonden voorzieningen - lawaaisporten - wegen Zowel de Vlierstraat 17 als de Lutterstraat 2 zijn gelegen in het ‘gemengd landelijk gebied’. Artikel 7.1 Beschrijving gemengd landelijk gebied zijn voor beide locatie is van toepassing 1. Een bestemmingsplan gelegen in gemengd landelijk gebied onderscheidt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening gebieden waar: a. een gemengde plattelandseconomie wordt nagestreefd met daarbij passende bestemmingen; b. een in hoofdzaak agrarische economie wordt nagestreefd met daarbij passende bestemmingen. 2. De toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid bevat een verantwoording waaruit blijkt dat: a.
het aanwijzen van bestemmingen, als bedoeld in het eerste lid, een uitwerking is van de voorgenomen ontwikkeling en het te voeren ruimtelijk beleid voor dat gebied en tevens bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit als bedoeld in artikel 3.1; b. het aanwijzen van bestemmingen in het gebied als bedoeld in het eerste lid, onder b geen afbreuk doet aan de ontwikkeling van de agrarische economie. De ontwikkelingen op de locaties Vlierstraat 17 en Lutterstraat 2 doen geen afbreuk aan de ontwikkeling van de agrarische economie. De toekomstige burgerwoning op de Vlierstraat 17 en de toekomstige bedrijfswoning op de Lutterstraat 2 vormen geen belemmering voor omliggende agrarische bedrijven omdat er reeds andere burgerwoningen in de omgeving aanwezig zijn met een belemmerende werking.
Ruimtelijke onderbouwing Lutterstraat 2/Vlierstraat 17, pag. 23 van 51 Datum 16 maart 2018 De ontwikkelingen op de locaties Vlierstraat 17 en Lutterstraat 2 dragen bij aan de ruimtelijke kwaliteit. Dit is nader toegelicht in paragraaf 6.3.3. Artikel 7.7 Wonen is voor de Vlierstraat 17 van toepassing 1. Een bestemmingsplan dat is gelegen in gemengd landelijk gebied bepaalt dat: a. alleen bestaande burgerwoningen, bedrijfswoningen of solitaire recreatiewoningen zijn toegestaan; b. zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen, al dan niet solitaire recreatiewoningen en andere niet voor bewoning bestemde gebouwen is uitgesloten. 2. In afwijking van het eerste lid kan een bestemmingsplan voorzien in de nieuwbouw van ten hoogste één bedrijfswoning ten behoeve van een op grond van deze verordening toegelaten bedrijf binnen het bij dat bedrijf behorende bouwperceel mits de toelichting een verantwoording bevat waaruit blijkt dat: a. de noodzaak vanwege de aard van de bedrijfsvoering aanwezig is; b. de noodzaak van deze nieuwbouw niet het gevolg is van een eerder aanwezige, inmiddels afgestoten bedrijfswoning. 3. In afwijking van het eerste lid kan een bestemmingsplan voorzien in: a. de bouw van een woning ter vervanging van een bestaande woning binnen het daartoe aangewezen bouwperceel, mits is verzekerd dat: I. de bestaande woning feitelijk wordt opgeheven; II.
overtollige bebouwing wordt gesloopt. b. de vestiging van of de splitsing in meerdere woonfuncties in cultuurhistorisch waardevolle bebouwing indien dit is gericht op het behoud of herstel van deze bebouwing, waarbij artikel 3.1, tweede lid, onder a (verbod op nieuwvestiging) niet van toepassing is. 4. In afwijking van het eerste lid kan een bestemmingsplan voorzien in het gebruik van een burgerwoning als bedrijfswoning, mits de woning binnen het bouwperceel van het bedrijf wordt gebracht en daarmee een ruimtelijke eenheid vormt. 5. In afwijking van het eerste lid en artikel 3.1, tweede lid, onder a (verbod op nieuwvestiging) kan een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid voorzien in het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning, mits is verzekerd dat: a. er geen splitsing in meerdere woonfuncties plaatsvindt; b. overtollige bebouwing wordt gesloopt; c. de vestiging van andere functies is uitgesloten in het geval er sprake is van afsplitsing van een voormalige bedrijfswoning. 6. Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid kan voorzien in een éénmalige vergroting van de inhoud van een solitaire recreatiewoning met ten hoogste 10 % van de op grond van het per 1 maart 2011 geldende bestemmingsplan toegelaten inhoud. In het bestemmingsplan voor de Vlierstraat 17 wordt vastgelegd dat geen splitsing in meerdere woonfuncties plaatsvindt.
Van overtollige bebouwing is geen sprake en van afsplitsing van een voormalige bedrijfswoning is ook geen sprake. Artikel 7.10 Niet agrarisch functies is voor de Lutterstraat 2 van toepassing 1. Een bestemmingsplan dat is gelegen in gemengd landelijk gebied kan voorzien in een vestiging van een niet-agrarische functie, anders dan bepaald in de artikelen 7.7 tot en met artikel 7.9 mits: a. de totale omvang van het bouwperceel van de beoogde ontwikkeling ten hoogste 2 5.000m bedraagt; b. dit bijdraagt en past binnen de beoogde ontwikkeling van gemengd landelijk gebied als bedoeld in artikel 7.1; c. is verzekerd dat overtollige bebouwing wordt gesloopt; d. de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een bedrijf, behorend tot de milieucategorie 3 of hoger; e. de beoogde ontwikkeling niet leidt tot twee of meer zelfstandige bedrijven;
Ruimtelijke onderbouwing Lutterstraat 2/Vlierstraat 17, pag. 24 van 51 Datum 16 maart 2018 f.
de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een al dan niet zelfstandige kantoorvoorziening met een baliefunctie; g. de beoogde ontwikkeling niet leidt tot al dan niet zelfstandige detailhandelsvoorziening 2; met een verkoopvloeroppervlakte van meer dan 200 m h. is aangetoond dat de ruimtelijke ontwikkeling ook op langere termijn past binnen de op grond van deze verordening toegestane omvang; i. de beoogde activiteit niet leidt tot een grootschalige ontwikkeling. Het bestemmingsvlak van het toekomstige bedrijf aan de Lutterstraat 2 is in het bestemmingsplan 2 begrensd op 5.000 m . De ontwikkeling van het bedrijf is niet belemmerend voor omliggende agrarische bedrijven. Er is geen sprake van overtollige bebouwing. De maximaal toegestane milieucategorie is in het bestemmingsplan vastgelegd op 2. Ter plaatse wordt een bedrijfsverzamelgebouw mogelijk gemaakt met daarin maximaal 3 bedrijven. De bedrijven zijn gezamenlijk opgenomen in één bestemmingsvlak; splitsing hiervan is niet mogelijk. Er worden geen separate uitbreidingsmogelijkheden geboden. Het perceel behoudt de ruimtelijke uitstraling van één bedrijf. Op de Lutterstraat 2 wordt geen zelfstandige kantoorvoorziening met baliefunctie of detailhandelsvoorziening mogelijk gemaakt. Het bedrijfsverzamelgebouw dat wordt mogelijk gemaakt in het bestemmingsplan is economisch toekomst bestendig.
Er ontstaat geen grootschalige ontwikkeling. De Verordening ruimte 2014 kent verder meerdere gebiedsaanduidingen en/of aandachtsvelden die doorwerking dienen te krijgen in bestemmingsplannen. Hieronder wordt aangegeven hoe aan de voorwaarden van de aanduidingen wordt voldaan. Ecologische Hoofdstructuur Met betrekking tot de ecologische hoofdstructuur (EHS) zijn er, naast de ecologische hoofdstructuur zelf, twee aanduidingen opgenomen in de Verordening ruimte: - ecologische verbindingszones; - attentiegebieden ecologische hoofdstructuur. Het bestemmingsplan voor de Vlierstraat 17 en de Lutterstraat 2 raakt niet aan ecologische verbindingszones of attentiegebied EHS. Water Ten aanzien van water zijn in de Verordening ruimte wateraanduidingen opgenomen. Deze aanduidingen zijn: - Regionale waterberging - Reservering waterberging - Waterwingebied - Grondwaterbeschermingsgebied - Aansluiting primaire waterkering - Rivierbed - Boringsvrije zone - Behoud en herstel van watersystemen
Het bestemmingsplan voor de Vlierstraat 17 en de Lutterstraat 2 raakt niet aan wateraanduidingen. . Aardkunde en cultuurhistorie In de verordening stelt de provincie aanduidingen op ten aanzien van: - aardkundig waardevolle gebieden; - cultuurhistorische vlakken; - de Nieuwe Hollandse Waterlinie;
Ruimtelijke onderbouwing Lutterstraat 2/Vlierstraat 17, pag. 25 van 51 Datum 16 maart 2018 -
complexen van cultuurhistorisch belang.
In het plangebied zijn geen onderdelen van de Nieuwe Hollandse Waterlinie gelegen. De betreffende regels van de verordening vinden dan ook geen doorwerking in dit bestemmingsplan. Het bestemmingsplan voor de Vlierstraat 17 en de Lutterstraat 2 raakt niet aan aanduidingen op het gebeid van aardkunde, Nieuwe Hollandse Waterlinie en complexen van cultuurhistorisch belang. De locatie Lutterstraat 2 is gelegen in het cultuurhistorisch vlak Beerse Overlaat. De Beerse Maas is een overlaatsysteem dat eeuwenlang het landschap en het bodemgebruik heeft bepaald. Tal van dijken, kaden, weteringen en sluizen herinneren aan de wateroverlast, die vrijwel ieder jaar plaatsvond. De Beerse Overlaat en de Baardwijkse Overlaat, die er deel van uitmaakte, was het grootste overlaatsysteem in ons land. De overlaat is pas gesloten in 1942. De samenhang tussen dijken, dwarskaden, weteringen, terpen en sluizen is waardevol. Ook de relatie tussen de openheid en het vrijwel ontbreken van bebouwing is waardevol. Door de periodieke overstromingen was het gebied van de Beerse Overlaat onbebouwd en ontbrak opgaande begroeiing geheel. Het is een van de meest uitgestrekte open landschappen in ons land. Ondanks de bouw van nieuwe boerderijen heeft het gebied zijn weidse en open karakter behouden. Het gebied maakte als inundatiegebied onderdeel uit van de Zuiderwaterlinie.
Op de locatie Lutterstraat 2 zijn geen dijken, dwarskaden, terpen, sluizen of wetering uit de tijd van de Beerse Overlaat aanwezig. In de Verordening ruimte is in artikel 22 Cultuurhistorisch vlak bepaald dat een bestemmingsplan dat is gelegen in een cultuurhistorisch vlak mede is gericht op behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van de kernkwaliteiten van de onderscheiden gebieden. Ook moeten regels gesteld worden ter bescherming van de kernkwaliteiten van de onderscheiden gebieden. In het geval van de locatie Lutterstraat zijn de cultuurhistorische waarden uit de tijd van Zuidwaterlinie interessanter. De locatie Lutterstraat 2 is cultuurhistorisch wel relevant. De planlocatie ligt ter plaatse van het fort van Luttereind. Dit maakte deel uit van de verdedigingsstelling van Lithoijen, die uit drie verdedigingswerken bestond en op zijn beurt weer deel uit maakte van de Noord-Brabantse Waterlinie. Het fort van Luttereind is op gericht in 1833 en diende om de verhoogde weg tussen Oss en Lithoijen te beschermen en zondig te kunnen afsluiten. Het bestond uit aarden wallen met een brede gracht eromheen. In het inpassingsplan voor de Lutterstraat 2 is op verzoek van de gemeente Oss een aanzet voor het zichtbaar maken van het vroegere fort meegenomen. Voor een toelichting wordt verwezen maar de toelichting op de landschappelijke inpassing.