Bijlage 2A Toelichting - bijlage 04 Elst 12 Geffen
Tekst van het document
Die is overgenomen in de Structuurvisie Buitengebied van Maasdonk. Kwaliteiten De concentratie beschikt over de volgende kwaliteiten: • Fraaie lanen en historische bebouwing • Fraai contrast Kouwe Noord met open komgebied Knelpunten De volgende knelpunten behoeven verbetering: • Verdwijnen doorzichten, bijna geheel aaneengesloten bebouwing • Steeds minder relatie met het landschap • Hoge bebouwingsdichtheid • Enkele grootschalige bedrijven passen niet in de lintstructuur • Verstedelijking bosgebied In dit gebied wordt zeer terughoudend omgegaan met het toevoegen van bebouwing. Alleen op plaatsen waar een agrarisch bedrijfsgebouw wordt gesloopt is dit mogelijk gewenst. Ook de aanleg van paden is een belangrijk onderdeel van de versterking van het landschap in dit gebied. Eerder gemaakte afspraken
Ruimtelijke onderbouwing Elst 12, Geffen, pag. 24 van 47 25-05-2018
uit de Structuurvisie Buitengebied van de (voormalige) gemeente Maasdonk en de gebiedsvisie GeffenOss komen we na. De bebouwingslinten Bergstraat, een gedeelte van de Bredeweg en de Broekstraat zijn behoorlijk gesloten met slechts sporadisch een doorzicht op het achterliggende open landschap. Alleen op het meest noordwestelijke open gebied is vrij zicht vanaf de Bergstraat. Dit uitzicht wordt ook in de toekomst gehandhaafd. De bestaande opgaande beplanting in de vorm van kleine blokken bos en lijnvormige boselementen wordt gehandhaafd. De eventueel nieuw in te passen bebouwing dient een landelijke uitstraling te hebben en in harmonie met de omgeving ontwikkeld te worden. De aansluiting met de omgeving in fysieke zin, door aanleg van paden, is belangrijk. Naast de woonhuizen en agrarische bedrijven bevinden zich in dit deelgebied ook andere bedrijven. Wat betreft maatvoering en functie is dit meestal geen passende bebouwing. In de toekomst dient gekeken te worden naar de mogelijkheden voor verplaatsing van dit soort bedrijven. De kavels kunnen na verplaatsing mogelijk gebruikt worden voor nieuwe woonhuizen of andere meer landelijke functies. Dit uiteraard onder voorwaarden dat de landschappelijke situatie hierdoor verbeterd en er bijvoorbeeld oude paden worden hersteld.
Het herstel van zichtlijnen op het landschap is van belang om de landelijke karakteristiek in het gebied te versterken. Met het landschappelijke inpassingsplan is rekening gehouden met de ruimtelijke visie op het gebied. Ten aanzien van het toevoegen van de caravanstalling heeft de gemeente de volgende afweging gemaakt: in dit specifieke geval wordt er bij het toekennen van de caravanstalling bebouwing gesloopt. Dit past binnen het uitgangspunt dat er geen bebouwing toegevoegd mag worden. De sloop van de bebouwing leidt tot een kwaliteitsverbetering in het landschap. Daarbij heeft het college van de voormalige gemeente Maasdonk een positief principebesluit genomen aangaande onderhavige ontwikkeling. Dit besluit wenst de gemeente te respecteren. Hierbij zal wel voldaan moeten worden aan de wijzigingsbevoegheid in het vigerende bestemmingsplan. 3.4.2 Toekomstvisie Oss op weg naar 2020 De toekomstvisie ‘Oss op weg naar 2020’ (2004) is richtinggevend voor de beleidsontwikkeling op de langere termijn. Eén van de potenties van Oss ligt volgens deze visie in het gevarieerde landelijk gebied waarin zich tal van kleine kernen bevinden. Uitgangspunt is het werken aan het behoud van het platteland met zijn rust en ruimte, aantrekkelijke kleinschalige toeristische voorzieningen en aan de ontplooiing van levenskrachtige dorpen.
Een andere potentie ligt in het werken aan een duurzame gemeente. Duurzame ontwikkeling van natuur, landschap en ecologie draagt bij aan de leefkwaliteit. De toekomstvisie stelt dat Oss vele ‘kostbare’ plekjes kent en een groots landschap, met ruimte voor landbouw en natuur. ‘Het bewaren van dat kostbare voor de toekomst is een opdracht die we onszelf stellen’. De gemeente zoekt de grens op als het aankomt van op het herbestemmen van voormalige agrarische bedrijfsgebouwen. Zij beidt ruimte voor herbestemming van het perceel. Hiermee past de ontwikkeling binnen het beleid. 3.4.3 Nota Landschapsbeleid - 2015 Binnen de gemeente Oss bestaat grote aandacht voor het landschap en het landelijke gebied. De Nota Landschapsbeleid -2015 zorgt voor een beleidskader welke een sturende werking heeft bij ruimtelijke ontwikkeling in het buitengebied. Ruimtelijke ingrepen en nieuwe functies in het buitengebied hebben een grote uitstraling naar de omgeving. Dit betekent dat bij deze ingrepen (bijvoorbeeld de bouw van agrarische bedrijfsgebouwen) eisen aan de landschappelijke inpassing van objecten moeten worden gesteld. De gemeente wordt verder geconfronteerd met de aanleg (of juist verwijdering) van (landschaps)elementen door particulieren op agrarische percelen in het buitengebied.
Dergelijke initiatieven komen vaak niet overeen met de ter plaatse aanwezige en te behouden landschappelijke kwaliteit (bijvoorbeeld behoud van openheid of gebruik van niet-inheemse boomsoorten). Goede toetsingskaders en sturingsinstrumenten zijn voor bescherming maar ook voor ontwikkeling van het landschap onmisbaar. In de Nota Landschapsbeleid - 2015 wordt per deelgebied beschreven wat de landschappelijke visie is. De verschillende deelgebieden zijn:
Ruimtelijke onderbouwing Elst 12, Geffen, pag. 25 van 47 25-05-2018
- Uiterwaarden - Oeverwal - Komgebied - Dekzandrand - Dekzandrug Per deelgebied wordt aangegeven wat de ontwikkelingsvisie is. Daarbij worden aandachtspunten voor uitwerking en uitvoering geschetst. De dekzandrug is een hoger gelegen zandige afzetting. De bodem bestaat uit voedselarme vochtige tot droge zandgronden. De dekzandrug is voormalig woeste grond. Van oorsprong zijn deze gebieden begroeid met bos. De bevolkingsgroei en ontwikkeling van de landbouw hebben ertoe geleid dat door de kap van bomen heidegebied ontstond en bosgebieden werden omgevormd tot kleinschalig landbouwgebied. De dekzandrug in de gemeente Oss is onder te verdelen in een gebied dat voor een groot deel bosbouwkundig in gebruik is (het stuifduinen- en boscomplex) en een deel dat agrarisch in gebruik is genomen (de kamp- en heideontginningen). De locatie is binnen dit laatste gebied gelegen. kamp- en heideontginningen De kamp- en heideontginningen op de dekzandrug liggen rondom Geffen, ten zuiden van Oss en ten zuiden van Herpen. Dit waren de beste gronden van de dekzandrug en zijn van oudsher in gebruik geweest als akkerland. Ze werden omgeven door houtsingels en –wallen. Deze ontginningsgebieden vormen kleinschalige en gevarieerde gebieden. Er is een onderverdeling te maken in oude en jonge ontginningen, en in kleinschalige en grootschalige.
Geffen bestaat uit een oude kern en een aantal lintstructuren in vooral zuidelijke en oostelijke richting. De omgeving van Geffen kent een kleinschalig karakter. Aan de oost- en zuidzijde van Geffen zijn molens te vinden. Ontwikkelingsvisie Voor de dekzandrug geldt dat er gestreefd wordt naar het verduidelijken van de hoge ligging in het landschap. Dit kan door toepassing van opgaand groen, passend bij dit landschapstype (eik/beuk). Verder is het behoud van reliëfverschillen van belang. De gebieden ten oosten en zuiden van Geffen, het westelijk deel van de zone tussen Oss en Heesch (de Stelt) en het gebied ten zuiden van Herpen vormen de zogenaamde ‘kamp- en heideontginningen’. Er worden hier bosjes (bij voorkeur eikenbeukenbos) en brede houtsingels toegevoegd om het gebied een beslotener karakter te geven. In aansluiting op de karakteristieke opbouw van het landschap en ter versterking van de karakteristieke ontginningspatronen worden kavelgrenzen laanbeplantingen aangelegd. Hierdoor ontstaat een kleinschalig mozaïeklandschap. De opgaande beplantingslijnen dienen als droge ecologische verbindingszones en verhogen de natuurwaarden van het gebied.
aandachtspunten voor uitwerking en uitvoering algemeen • herstel kavelrandbeplanting als voorwaarde bij ontwikkelingen in bestemmingsplan opnemen • onderzoeken hoe uitbreiding van kavelrandbeplanting kan worden bewerkstelligd op gronden van particulieren (subsidievormen stimuleren randen/ landschapspakketten bijvoorbeeld) • behoud zandpaden • nieuwe ontwikkelingen landschappelijk inpassen toetsen • • bescherming van aardkundige waarden (onder andere in bestemmingsplan) • • bestaande kavelrandbeplanting in bestemmingsplan opnemen stimuleren • • open plekken creëren in besloten bosgebied • • bosjes en brede houtsingels toevoegen in de ‘kamp- en heideontginningen’ • • behoud van reliëf bij functieverandering • • ontwikkelen streekeigen bouwstijl in kamp- en heideontginningen • • de situering van een enkel nieuwe landgoed in kamp- en heideontginningen stimuleren.
Ruimtelijke onderbouwing Elst 12, Geffen, pag. 26 van 47 25-05-2018
Met het inpassingsplan is rekening gehouden met de voorwaarden uit deze notitie is hierbij aangesloten. Door uitvoering te geven aan het inpassingsplan, wordt voldaan aan het beleid. 3.4.4 Archeologie en Cultuurhistorie Archeologie: wettelijk kader De gemeente is op basis van artikel 38a van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) verplicht om rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. Archeologie: gemeentelijk en provinciaal beleid Beleidsmatig heeft de gemeente Oss voornoemde wettelijke plicht vertaald in de nota ‘Archeologiebeleid gemeente Oss 2010’, vastgesteld door de gemeenteraad op 14 oktober 2010. Voor wat betreft het grondgebied van de voormalige gemeente Lith, is er nog geen vastgesteld archeologiebeleid maar wel een conceptversie die bruikbaar is als onderbouwing in bestemmingsplantoelichtingen. In de beleidsnota is het grondgebied van de gemeente onderverdeeld in gebieden met verschillende (archeologische) verwachtingswaarden. Er kan sprake zijn van een hoge, een middelhoge of een lage verwachtingswaarde. In het beleid is vastgelegd welke acties moeten worden ondernomen bij voorgenomen ontwikkelingen/werkzaamheden. Een en ander is afhankelijk van de gebiedscategorie (laag, middelhoog, hoog: zie verderop) waarin de voorgenomen ontwikkeling is gelegen.
Zo moet in gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde onderzoek uitgevoerd worden indien de oppervlakte van de ontwikkeling 18 m² of meer bedraagt en de bodem dieper dan 30 cm geroerd wordt. In gebied met een middelhoge verwachtingswaarde is het criterium een oppervlakte van 1000 m² of meer en dieper dan 30 cm roering. Voor bepaalde ook anderszins waardevolle gebieden, zoals historische stadskernen en beschermde stadsgezichten, gelden weer andere criteria. Het verdient aanbeveling om aan de ‘voorkant’, dat wil zeggen voordat de ruimtelijke onderbouwing of plantoelichting wordt opgesteld, onderzoek te doen. Afhankelijk van de verwachtingswaarde van het gebied waarin de ontwikkeling is voorgenomen, kan dat een bureauonderzoek, een booronderzoek, een proefsleuvenonderzoek of een daadwerkelijk opgravingsonderzoek zijn. In geval van onderzoek vooraf is wellicht, uiteraard afhankelijk van de uitkomst daarvan, geen bescherming nodig door het opnemen van een zogenaamde dubbelbestemming in de planregels. Daarover hieronder meer. Indien vooraf geen onderzoek is gedaan is het in elk geval noodzakelijk dat de archeologische (verwachtings)waarde beschermd wordt door borging in de planregels. Het provinciale archeologisch beleid is neergelegd in de Verordening ruimte en op de provinciale Cultuurhistorische waardenkaart 2010.
Hierin is de bescherming van aardkundig waardevolle gebieden en archeologische landschappen geregeld. Het gemeentelijk archeologisch beleid is veel gedetailleerder dan het algemene provinciale beleid op dit punt en prevaleert daarom ook boven het provinciale archeologisch beleid. Overigens is het gemeentelijk beleid getoetst door de provincie en akkoord bevonden. Archeologie: bestemmingsplanregels en regels in provinciale Verordening ruimte Zoals hierboven ook al kort aangestipt vertaalt de gemeente Oss de wet (Wamz) en het archeologisch beleid ook door in standaard bestemmingsplanregels. Zo heeft de gemeente bestemmingsplanregels (dubbelbestemmingen: dat wil zeggen dat deze naast de hoofdbestemming gelden) voor bescherming van historische kernen, beschermde monumenten, monumenten en voor gebieden met een middelhoge of hoge archeologische verwachtingswaarde. Met deze regels kan, ter bescherming van archeologische waarden, worden bepaald wanneer er een omgevingsvergunning voor bepaalde werkzaamheden nodig is, wanneer dat niet het geval is en onder welke omstandigheden en met welke nadere eisen en voorwaarden een omgevingsvergunning kan worden verleend. Ook de provinciale Verordening ruimte bevat regels ter bescherming van aardkundig waardevolle gebieden en archeologische landschappen.
Bescherming van deze laatste categorie geschiedt doordat de ‘vlakken’ met aanduiding archeologisch landschap overeenkomen met de aanduiding aardkundig waardevolle gebieden in de Verordening ruimte. Cultuurhistorie In 2004 heeft de gemeente het ‘Erfgoedplan gemeente Oss’ opgesteld. In dit Erfgoedplan wordt zo goed mogelijk in beeld gebracht welke monumentale, archeologische, cultuurhistorische en landschappelijke waarden de gemeente kent. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met de aanwezige cultuurhistorische waarden. Een belangrijk aspect in dit beleid is een integrale aanpak van het erfgoed in de gemeente. Hieronder vallen monumentenzorg, archeologie en cultuurhistorische waarden in het landschap. Dat wil zeggen, het behoud en beheer van het monumentale gebouw of object blijft alle aandacht en zorg houden, maar de
Ruimtelijke onderbouwing Elst 12, Geffen, pag. 27 van 47 25-05-2018
methoden om dit behoud te garanderen zijn in een groter verband geplaatst. Om deze reden is sprake van een ontwikkeling van zorg voor gebouwen naar integraal beheer van cultuurhistorisch erfgoed. De zorg en zorgvuldige omgang met archeologische en landschappelijke waarden speelt hierin mee. Door deze gewijzigde benadering is het van belang in een vroeg stadium van stadsontwikkeling of gebiedsverandering de positie van monumenten en van archeologische en cultuurhistorische landschappelijke waarden zo optimaal mogelijk te bepalen. Positief gevolg hiervan is dat monumenten, archeologische gegevens en landschap meewegen en zo mogelijk het uitgangspunt gaan vormen voor ruimtelijke ontwikkelingen. De bescherming van rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten is geregeld in de Monumentenwet 1988 en in de Monumentenverordening Oss die in 2010 is vastgesteld. In de verordening zijn verbodsbepalingen met betrekking tot beschermde monumenten opgenomen. De beschermde monumenten staan vermeld in de gemeentelijke monumentenlijst. De monumenten zijn tevens opgenomen in de Welstandsnota gemeente Oss. Ze vallen als specifieke objecten onder welstandsniveau 1. De bescherming van monumenten vindt aldus via twee sporen plaats. Voor het bouwen op, bij, aan of in een monument is altijd een omgevingsvergunning nodig. De welstandstoetsing maakt deel uit van de omgevingsvergunningsprocedure.
Wanneer een te verbouwen bouwwerk onder de werking valt van de Monumentenwet 1988 of van een gemeentelijke verordening is, naast een omgevingsvergunning voor het bouwen tevens een ‘monumentenvergunning’ nodig. Beide toetsen verschillen inhoudelijk. De ‘monumentale’ toetsing vindt plaats aan de hand van de redengevende beschrijving die ten grondslag heeft gelegen aan de aanwijzing tot monument. De wijziging aan het bouwwerk wordt beoordeeld binnen het kader van de monumentale en historische waarde ervan zoals vastgelegd in de beschrijving. In de welstandstoetsing wordt het te wijzigen bouwwerk beoordeeld naar redelijke eisen van welstand van het bouwwerk op zichzelf (aan de hand van de in de welstandsnota vastgelegde welstandscriteria) en in relatie tot zijn omgeving. Met betrekking tot dat laatste aspect is in de welstandsnota geregeld dat bij toetsing van een bouwplan aan omliggende panden, binnen een straal van 25 meter van een monument rekening dient te worden gehouden met de uitstraling van het monument. De bescherming van gemeentelijke stads- of dorpsgezichten is eveneens geregeld in de Monumentenverordening 2010. Hierin is opgenomen dat de gemeenteraad ter bescherming van een beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht een bestemmingsplan vaststelt. Archeologie De locatie is gelegen binnen een gebied met een hoge archeologische verwachting.
Dit maakt dat een archeologisch onderzoek noodzakelijk is indien er nieuwe bebouwing wordt opgericht met een 2 oppervlakte van meer dan 200 m en grondwerkzaamheden welke dieper gaan dan 30 centimeter beneden het maaiveld. Ver- of nieuwbouw van bestaande gebouwen, waarbij de oppervlakte niet wordt vergroot of veranderd is eveneens toegestaan. In dit geval wordt bestaande bebouwing gesloopt. De oppervlakte aan bebouwing zal hierbij afnemen. Om deze reden is een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. De archeologische waarde zal in het nieuwe bestemmingsplan worden verankerd. Mochten er in de toekomst nieuwe ontwikkeling op het perceel plaatsvinden, waarbij de onderzoekscriteria worden overschreden, moet dan alsnog een archeologisch onderzoek uitgevoerd worden. Cultuurhistorie De locatie is gelegen binnen het cultuurhistorische landschap De Beerse Maas. De Beerse Maas is een overlaatsysteem dat eeuwenlang het landschap en het bodemgebruik heeft bepaald. Tal van dijken, kaden weteringen en sluizen herinneren aan de wateroverlast, die vrijwel ieder jaar plaatsvond. De Beerse Overlaat en de Baardwijkse Overlaat, die er deel van uitmaakte, was het grootste overlaatsysteem in ons land. De overlaat is pas gesloten in 1942. Het beleid binnen het gebied richt zich op de volgende doelen: • • • •
Behoud open landschap Behoud en beleefbaar maken van eendenkooien, dijken, waterlopen, wielen, en terpen Natuurontwikkeling, waterberging en stedelijke uitbreiding afstemmen op de cultuurhistorische identiteit van de Beerse Overlaat Vergroten cultuurhistorische waardering door vergroting van beleving
Ruimtelijke onderbouwing Elst 12, Geffen, pag. 28 van 47 25-05-2018
Doordat er binnen het projectgebied sprake is van een afname van de hoeveelheid bebouwing, neemt de openheid van het landschap toe. Verder draagt het project, door middel van de landschappelijke inpassing waarbij gebiedseigen beplanting wordt gebruikt, bij aan de natuurontwikkeling. De Elst is op de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie aangemerkt als zijnde een lijn met redelijk hoge waarden. Ten behoeve van het voorliggende project is geen sprake van een nieuwe bebouwing langs deze lijn. Ook zijn nieuwe inritten niet noodzakelijk. De lijn zal door dit project niet worden aangetast. Op de locatie zijn geen monumenten aanwezig. 3.4.7 Welstandsnota Maasdonk In 2004 is de Welstandsnota Maasdonk van de gemeente Maasdonk vastgesteld. In de nota wordt onderscheid gemaakt tussen 3 welstandsniveaus. Voor de beeldbepalende gebieden en zones (rood op bijgaande overzichtskaart) blijft het welstandstoezicht behouden. Voor de overige gebieden wordt het welstandstoezicht versoepeld of is geen welstandstoets meer nodig. In de nota zijn de criteria opgenomen waaraan de Welstandskamer een bouwplan toetst. De locatie is gelegen in een gebied waar welstandsniveau 1 geldt. Met de ontwikkeling van het plan zal met dit welstandsniveau rekening worden gehouden.
3.4.8 Verkeer Mobiliteitsvisie, Balans in beweging In de mobiliteitsvisie (2009) staan drie begrippen centraal; bereikbaarheid, verkeersveiligheid en leefbaarheid. Het centrale doel van de mobiliteitsvisie is het in balans brengen van de bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid in de gemeente, nu en in de toekomst. Om deze balans te bereiken streeft de gemeente naar een verschuiving in het gebruik van vervoerswijzen. Een groter deel van de verplaatsingen moet plaats gaan vinden met de fiets of met het openbaar vervoer. Dit is nodig om Oss bereikbaar en leefbaar te houden. Oss wil de verschuiving bereiken door het gebruik van fiets en openbaar vervoer te stimuleren. Deze vervoerswijzen moeten veilig en comfortabel zijn en men moet snel op de plaats van bestemming kunnen komen. De goede bereikbaarheid is met name gericht op de economisch belangrijke gebieden van Oss. De bedrijventerreinen vallen hieronder. De doorstroming op de wegen naar de bedrijventerreinen (i.c. N329) moet optimaal zijn. Hoewel de bereikbaarheid van de economisch belangrijke gebieden voor alle vervoerswijzen goed moet zijn, streeft de gemeente wel naar een verschuiving van vervoerswijze. Korte verplaatsingen moeten bij voorkeur per fiets of te voet afgelegd worden en niet per auto. Voor het vervoer van goederen zal het gebruik van water en spoor verder gestimuleerd worden.
In de uitwerkingsfase zullen de doelstellingen uit de visie langs drie lijnen worden uitgewerkt: infrastructuur, gedrag en organisatie. Er heeft inmiddels een uitwerking plaatsgevonden in de deelplannen Wegen, Fiets, Openbaar Vervoer en Gedrag. De bedrijvigheid op het perceel bestaat uit statische opslag/caravanstalling. Dit zijn bedrijfsvormen welke een lage verkeersgeneratie hebben. Volgens CROW ‘kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ is de 2 verkeersaantrekkende werking 3,9 per 100 m bruto vloeroppervlakte (bvo). De bruto vloeroppervlakte 2 bedraagt 1.000 m . Dit maakt dat de verkeersgeneratie 39 voertuigenbewegingen per dag bedraagt. Dit aantal verkeersbewegingen kan de weg, De Elst, makkelijk verwerken. Aanpassingen aan de infrastructuur zijn niet aan de orde. Parkeren Op 13 december 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders de nota “Parkeernormen 2017” vastgesteld. In deze notitie staat beschreven welke parkeernormen gehanteerd moeten worden bij nieuwe projecten (zowel uitbreidingen als herstructurering). Uitgangspunt voor herontwikkeling is dat het parkeren op eigen terrein dient te worden opgelost. 2
Voor het onderhavige type bedrijvigheid bedraagt de parkeernorm volgens de nota 1,1 per 100 m (bvo). 2 Gezien de oppervlakte van onderhavig initiatief, 1.000 m bvo, wordt er binnen het plangebied voorzien in 11 parkeerplaatsen. Er is voldoende ruimte dit aantal parkeerplaatsen in te passen in het plangebied. Parkeren vormt geen belemmering.
Ruimtelijke onderbouwing Elst 12, Geffen, pag. 29 van 47 25-05-2018
3.4.9 Natuur- en Landschapsvisie De visie vormt een toetsings- en ontwikkelingskader voor het natuur- en landschapsbeleid in Oss. Zij geeft richting aan ontwikkelingen en nodigt initiatiefnemers uit om een bijdrage te leveren aan projecten. De visie heeft als bouwsteen bijgedragen aan de Structuurvisie Oss 2020. De ambities die in de visie zijn opgenomen zijn: - Het realiseren van een tweetal natuur- en landschapsparken, te weten: 'Maashorst-Herperduin' en het Maaspark'. - Het realiseren van stevige verbindingen tussen de natuur- en landschapsparken. - Behoud en herstel van natuur- en landschapswaarden in het 'Land van Grutto en Pastinaak' en het 'Land van Dassen en Struweel'. - Het realiseren van een groenblauw lint door de polder rond de Hertogswetering. - Het ontwikkelen van aantrekkelijke groengebieden in en rond Oss en de dorpen, te weten de 'Groenblauwe Slinger door Oss', de 'Groene geledingszone ten zuiden van Oss', de 'Groene dorpen' en de 'Maasband'. Het initiatief ligt buiten de begrenzing van de Natuur- en landschapsvisie. 3.4.10 Bijzonder waardevolle bomen In 1998 is de beleidsnota “Bijzonder waardevolle bomen” opgesteld, waarin bomen zijn opgenomen die vanwege specifieke waarden bescherming verdienen. De lijst met waardevolle bomen wordt periodiek geactualiseerd. De laatste actualisatie is opgenomen in de nota “Bijzondere bomen Oss 2012”.
In deze nota is vastgelegd dat de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de aangewezen waardevolle bomen altijd geweigerd moet worden tenzij het kappen van deze bomen vanuit het algemene belang noodzakelijk is. Dit is verder vertaald in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Op grond van de APV is voor het kappen van bomen die op de Beschermde bomenlijst staan een vergunning vereist. De vergunning kan op grond van verschillende criteria door het college van burgemeester en wethouders worden geweigerd. Ten behoeve van het project hoeven geen bomen gekapt te worden. Hiermee voldoet het aan het beleid. 3.4.11 Beleid aan huis gebonden activiteiten Op 22 november 2012 heeft de gemeenteraad het Beleid aan huis gebonden activiteiten - Actualisatie 2012 vastgesteld. Het beleid voor aan huis gebonden activiteiten is opgesteld om mogelijkheden te bieden aan ondernemen vanuit de eigen woning. Door de jaren heen zijn de activiteiten die aan huis worden ondernomen steeds meer divers geworden. Het gaat allang niet meer alleen om een huisarts of accountant aan huis. Er is een breed scala dat aan huis uitgeoefend kan worden. Voorbeelden zijn een adviesbureau, pedicure of afslanksalon. Ook komen er steeds vaker vragen om kleinschalige cursussen te mogen geven, voor kleinschalige kinderopvang, ambachtelijke bedrijfjes of een bed en breakfast.
Met het beleid wordt ingespeeld op de veranderende inzichten over aan huis gebonden activiteiten. Er wordt ruimte gegeven aan deze nieuwe vormen om vanuit de thuissituatie te werken. Het gaat dus altijd om een bewoner die de activiteit uitvoert. Een andere belangrijke voorwaarde is steeds dat de activiteit zich goed verhoudt met de woonomgeving. Het beleid aan huis gebonden activiteiten is er op gericht om zoveel mogelijk rechtstreeks toe te staan. Er is een lijst opgesteld met een breed scala aan activiteiten die rechtstreeks mogen worden uitgeoefend in de woning. Deze lijst is als bijlage opgenomen in de toelichting van het bestemmingsplan. Bij het opstellen van de lijst van rechtstreeks toegestane activiteiten is de woonomgeving het uitgangspunt geweest. Dit houdt in dat er geen bedrijven op staan die veel verkeer aantrekken of activiteiten die milieuhinder veroorzaken, die niet past in een woonomgeving. Het oppervlak van de 2 rechtstreeks toegestane activiteiten is 35m . Maar niet alle activiteiten kunnen rechtstreeks in een woning worden uitgevoerd. Soms is een toetsing vooraf nodig. Als dit positief is, wordt toestemming verleend in de vorm van een ‘omgevingsvergunning waarbij van het bestemmingsplan wordt afgeweken’. Bij deze afweging spelen publieksaantrekkende werking en milieu- en verkeersaspecten altijd een rol.
Voorbeelden van activiteiten waarbij een toetsing vooraf nodig is zijn: een groter oppervlak dan het 2 toegestane 35 m , andere activiteiten dan die in de lijst zijn opgenomen of groepsmatige activiteiten. In
Ruimtelijke onderbouwing Elst 12, Geffen, pag. 30 van 47 25-05-2018
het nieuwe beleid worden de mogelijkheden voor dit afwijkend gebruik beschreven. Voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik moet de aanvrager een concrete aanvraag om toestemming bij de gemeente indienen. 3.4.12 Voorwaarden bestemmingsplan Om medewerking te kunnen verlenen is het van belang dat aangetoond wordt dat het project passend is binnen het kader van het voorontwerpbestemmingsplan ‘Buitengebied Oss - 2017’. De voorwaarden waaraan het initiatief moet voldoen zijn opgenomen in artikel 20.4 van dit bestemmingsplan. De voorwaarden zijn als volgt: -
-
uitsluitend statische opslag/opslag van caravans is toegestaan afwijking wordt uitsluitend verleend voor gebouwen voor opslagdoeleinden tot een maximum van 500 m² alle gebouwen dienen te worden gesloopt, met uitzondering van de woning met aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen, 100 m² vrijstaande bijgebouwen, cultuurhistorisch waardevolle bebouwing en 500 m² bebouwing voor de opslagfunctie de opslag dient te voldoen aan de eisen die daaraan uit hoofde van de wettelijke bepalingen inzake externe veiligheid worden gesteld de opslag mag niet leiden tot een onevenredige vergroting van de lokale verkeersdruk bedrijfsmatige activiteiten verband houdend met de opslag zijn niet toegestaan buitenopslag is niet toegestaan het gebouw waar de opslag plaatsvindt, dient landschappelijk te worden ingepast er zijn geen milieuhygiënische bezwaren
Ten aanzien van de gestelde voorwaarden het volgende: Ad a. De locatie zal uitsluitend gebruikt worden voor statische opslag/caravanstalling. Ad b. De locatie is gelegen binnen een bebouwingsconcentratie, te weten de bebouwingsconcentratie Elst, 2 hiermee is maximaal 1.000 m aan bebouwing toegestaan, conform bijlage 1 en de afspraken welke met de voormalige gemeente Maasdonk zijn gemaakt. Ad c. Alle gebouwen die niet gebruikt worden, worden gesloopt, conform de afspraken die gemaakt zijn met de gemeente. Ad d. Aan deze eisen wordt voldaan. Ad e. De verkeersaantrekkende werking van statische opslag/caravangstalling is beperkt. Ad f. Er worden verder geen bedrijfsmatige activiteiten ontplooit. Ad g. Er zal geen sprake zijn van buitenopslag. Ad n. In het navolgende hoofdstuk wordt op deze voorwaarde in gegaan. .
Ruimtelijke onderbouwing Elst 12, Geffen, pag. 31 van 47 25-05-2018
Hoofdstuk 4
Verantwoording
4.1 Milieu- en omgevingsaspecten In deze paragraaf wordt ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten die verband houden met, of betrekking hebben op de ruimtelijke ontwikkeling. Het gaat daarbij meestal om de wisselwerking met de omgeving. Welke gevolgen heeft het initiatief voor de omgeving en omwonenden? Maar ook, welke gevolgen hebben activiteiten in de omgeving voor de mogelijkheden op de projectlocatie? Achtereenvolgens komen de volgende aspecten aan bod: - Bedrijven en milieuzonering (§ 6.1.1) - Bodem (§ 6.1.2) - Externe veiligheid (§ 6.1.3) - Geurhinder: agrarisch (§ 6.2.4) - Geur: industrieel (§ 6.1.5) - Luchtkwaliteit (§ 6.1.6) - Mobiliteit en parkeren (§ 6.1.7) - Straling (§ 6.1.8) - Water (§ 6.1.9) - Weg-, spoor-, en industrielawaai (§ 6.1.10) - Gezondheid (PM) 4.1.1 Bedrijven en milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten van bedrijven en gevoelige functies, zoals woningen. Het doel van milieuzonering is om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast kan milieuzonering bedrijven voldoende zekerheid bieden om hun activiteiten duurzaam uitvoeren. De handreiking Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft richtafstanden om de milieuzonering van bedrijven te kunnen bepalen.
De statische opslag van caravans valt in bedrijfscategorie 2. Het provinciale beleid staat een hogere bedrijfscategorie niet toe. De maximale richtafstand van een categorie 2 bedrijf bedraagt 30 meter voor geluid. Binnen een straal van 30 meter zijn geen andere gevoelige van derden objecten gelegen. 4.1.2 Bodem Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht, moet in planvorming rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. In de Bouwverordening van de gemeente Oss is geregeld dat onder bepaalde omstandigheden het oprichten van gebouwen pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij iedere nieuwbouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld. In dit geval is er geen sprake van een bouwactiviteit. Daarbij is de huidige gebruiksfunctie wonen. De toekomstige functie wordt een bedrijfsfunctie (statische opslag). Daar de woonfunctie reeds een gevoelige functie is, welke een hoog beschermingsniveau heeft, is het niet noodzakelijk om in het kader van deze ruimtelijke procedure een bodemonderzoek uit te voeren. 4.1.3
Externe veiligheid
Rijkskader Externe veiligheid behandelt de risico's die ontstaan als gevolg van opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico’s kunnen hun weerslag hebben op de omgeving. Het wettelijke kader voor externe veiligheid bestaat onder meer uit: - het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) - de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (cRNVGS) - het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
Ruimtelijke onderbouwing Elst 12, Geffen, pag. 32 van 47 25-05-2018
Enerzijds gaat het over de risicobronnen (bedrijven of transportroutes). Anderzijds gaat het over de risicoontvangers (omstanders die niets met de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen te maken hebben). Wat betreft de risico-ontvangers maakt de wetgeving onderscheid in kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbare objecten zijn gebouwen, waarin (of waarbij) groepen van circa 50 personen of groter, gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. Ook sommige gebouwen waarin/waarbij kleinere groepen verblijven, worden als kwetsbaar object gezien, wanneer die personen beperkt zelfredzaam zijn (zoals zieken, bejaarden of gehandicapten). Beperkt kwetsbare objecten zijn verspreid liggende woningen en bedrijven waarin/waarbij groepen van minder dan 50 personen gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. In de landelijke wetgeving wordt meer gedetailleerd beschreven wat er onder kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten wordt verstaan. Belangrijk is hierbij dat de opsomming in de wetgeving niet limitatief is, zodat er in de verdere uitwerking van het beleid nog enige vrijheid rest. Verder maakt de wetgever onderscheid tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen.
De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Gemeentelijk kader Ook in de gemeente Oss zijn risicobronnen aanwezig in de vorm van transportassen en stationaire activiteiten. Dit vraagt om een gemeentelijke visie. Op 19 mei 2011 heeft de gemeenteraad de Beleidsvisie Externe veiligheid vastgesteld. Deze beleidsvisie beschrijft op welke manier de gemeente Oss externe veiligheid in haar afwegingen betrekt. Om te bepalen welke risico’s er zijn, is er gekeken op de risicokaart van Nederland.
Het naastgelegen bedrijf betreft een autobedrijf waarbij een tankstation aanwezig is. Dit tankstation verkoopt ook LPG. De risicocontour van het LPG valt voor een deel over het projectgebied. Op de onderstaand figuur is dit weergegeven.
Ruimtelijke onderbouwing Elst 12, Geffen, pag. 33 van 47 25-05-2018
Uitsnede risicokaart
Het is juist binnen het gedeelte van het projectgebied waaroverheen de risicocontour valt, waar de bestaande bebouwing gesloopt gaat worden. De toekomstige te behouden bebouwing zal buiten de risicocontour komen te liggen. De locatie is niet gelegen binnen invloedgebied van een risicobron. De spoorlijn ligt op een afstand van meer dan 370 meter. De risicocontour van het spoor bedraagt volgens de regeling Basisnet 122 meter. Er zijn geen buisleidingen in de omgeving aanwezig. De wegen binnen een straat van 1.000 meter zijn niet aangewezen als transportroute voor gevaarlijke stoffen. Op de locatie zullen geen activiteiten ontplooid worden welke een risicocontour hebben. Er zijn geen belemmeringen voor de voortgang van het plan. 4.1.4
Geurhinder: agrarisch
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is het beoordelingskader voor geur bij milieuvergunningen, bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Het gaat uitdrukkelijk om agrarische geur van landbouwhuisdieren uit dierstallen. De wet maakt onderscheid tussen geurnormen voor intensieve en extensieve veehouderijen. De geurbelasting van intensieve veehouderijen wordt berekend en uitgedrukt in de vorm van een geurcontour. De geurbelasting van extensieve veehouderijen wordt uitgedrukt in vaste afstanden. De gemeente Oss heeft op basis van de wet een eigen geurbeleid opgesteld. Het geurbeleid bestaat uit twee delen: de “Geurgebiedsvisie 2013” en de “Agrarische geurverordening gemeente Oss 2013”. Het hanteert per soort gebied een eigen geurnorm en streeft de volgende doelen na: - de burger beschermen tegen geurhinder - de veehouderijen niet onnodig beperken ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken, onder de voorwaarde dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is.
Ruimtelijke onderbouwing Elst 12, Geffen, pag. 34 van 47 25-05-2018
De gemeentelijke “Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder” is van belang voor de vraag of een ruimtelijke ontwikkeling kan plaatsvinden. De beleidsregel geeft aan wanneer sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De veehouderij welke op de locatie gevestigd was is beëindigd in 1999. Enkel geurgevoelige objecten welke onderdeel uitmaakten van een veehouderij die na 19 maart 2000 is gestopt, worden aangemerkt als niet geurgevoelig. De gehele projectlocatie is om deze reden aan te merken als geurgevoelig. Echter, de aard van een deel van de bedrijfsvoering, statische opslag, maakt dat deze volgens vaste jurisprudentie niet geurgevoelig is (201002614/1/M2, 201206514/1/A4, 200802926/1). Dit omdat het niet aannemelijk is dat er langere tijd mensen verblijven in deze gebouwen. De woning en de overige activiteiten zijn wel geurgevoelig. In de omgeving van de locatie zijn weinig veehouderijen aanwezig. Daarbij is de locatie, net als de omliggende functies, reeds geurgevoelig. Dit maakt dat omliggende veehouderijen in hun ontwikkeling al rekening hebben moeten houden met de projectlocatie. Daarbij is de locatie voor geen van de omliggende veehouderijen het eerst beperkende geurgevoelige object. De veehouderijen in de omgeving liggen allemaal op een afstand groter dan 50 meter, de minimale vaste afstand.
De dichtstbijzijnde veehouderij is gelegen op een afstand van 200 meter (Kepkensdonk 2). Dit betreft een rundvee en paardenhouderij. Daarbij is statische opslag en caravanstalling geen geurgevoelige functies. Door de geringe hoeveelheid veehouderijen in de omgeving waar dieren worden gehouden met emissiefactoren, is de verwachting dat de achtergrondbelasting geur op de locatie om zijn minst acceptabel is. Om dit nader te bepalen is de kaart Classificatie achtergrondbelasting ten aanzien van geurhinder op basis van de Beleidsregel Oss zoals opgenomen in het beleidsdocument Harmonisatie geurnomen Wet Geurhinder en veehouderij van de gemeente Oss, van 2 maart 2017 geraadpleegd. Uit deze kaart blijkt dat de achtergrondbelasting ten aanzien van geur leidt to een geurhinder die acceptabel tot goed is. Er zijn op het geuraspect geen belemmeringen ten aanzien van de ontwikkeling.
Ruimtelijke onderbouwing Elst 12, Geffen, pag. 35 van 47 25-05-2018
Uitsnede kaart Classificatie achtergrondbelasting ten aanzien van geurhinder op basis van de Beleidsregel Oss
4.1.5 Geur: industrieel Het nationale industriële geurbeleid is vastgelegd in de Nederlandse emissierichtlijn (NeR). De brief van het ministerie van Infrastructuur en Milieu van 30 juni 2005 stelt het rijksbeleid in grote lijnen vast. Het algemene uitgangspunt is het voorkomen van (nieuwe) hinder. Dit uitgangspunt vormt samen met het toepassen van de Beste Beschikbare Techniek (BBT) de kern van het geurbeleid. Uitgangspunten van het rijksbeleid zijn: - als er geen hinder is, zijn maatregelen niet nodig; - als er wel hinder is, worden maatregelen getroffen op basis van het Beste Beschikbare Techniekprincipe; - de gemeente stelt vast welke mate van hinder acceptabel is. Gemeenten en provincies hebben de bevoegdheid om een eigen geurbeleid vast te stellen. De provincie Noord-Brabant heeft een eigen geurbeleid voor provinciale bedrijven, de Beleidsregel beoordeling geurhinder omgevingsvergunningen industriële bedrijven Noord-Brabant. De gemeente Oss heeft geen eigen industrieel geurbeleid. Per situatie stelt de gemeente Oss vast of sprake is van een acceptabel geurniveau. Er zijn verschillen in het niveau van bescherming mogelijk. Voor een bedrijfswoning kan bijvoorbeeld een hogere geurbelasting gehanteerd worden dan voor aaneengesloten woonbebouwing. In de omgeving zijn verschillende bedrijven gelegen. Het ten wensten gelegen bedrijf betreft een autobedrijf met tankstation.
Hierbij is geen sprake van geuremissie. Ten oosten van de planlocatie is een opslagbedrijf/elektriciensbedrijf gelegen. Ook bij dit bedrijfstype is geen sprake van geuremissie. Ten noorden van de locatie, aan de overzijde van de weg, is een veehandelsbedrijf gelegen. Op deze locatie worden regelmatig varkens overgeladen. De locatie waar de varkens mogen worden overgeladen is in het vigerende bestemmingsplan voor dit bedrijf vastgelegd. De afstand vanaf dit laadpunt tot de bestaande woning van onderhavige locatie bedraagt 51 meter. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstand (bedraagt 50 meter) welke hiervoor staat. De nieuwe functies op het perceel komen op een grotere afstand van deze functie gelegen. Er zijn geen belemmering en op het gebied van geur afkomstig van industriële bedrijven. 4.1.6 Luchtkwaliteit Het beleid en de regelgeving over luchtkwaliteit heeft tot doel om mensen te beschermen tegen de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging. Ze bevatten luchtkwaliteitsnormen voor verschillende stoffen. Ruimtelijke plannen of projecten die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, zoals bestemmingsplannen, dienen getoetst te worden aan de Wet milieubeheer (afdeling 5.2.). Deze wet bevat grenswaarden voor de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijn stof, lood, benzeen en koolmonoxide in de buitenlucht.
In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Overschrijding van de grenswaarden van andere stoffen komt bijna niet voor. De wet maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Kleine projecten zijn projecten die de luchtkwaliteit niet ‘in betekende mate’ (NIBM) verslechteren. Deze projecten hoeven niet meer beoordeeld te worden op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Er is geen belemmering als een klein project niet of nauwelijks bij draagt aan luchtverontreiniging, óók niet in overschrijdingsgebieden (gebieden met te veel luchtvervuiling). De ministeriële Regeling NIBM geeft aan in welke gevallen een nieuw project in ieder geval een NIBMproject is. Dit is bijvoorbeeld het geval als er minder dan 500 woningen worden gebouwd bij minimaal één ontsluitingsweg, of minder dan 1.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Het Besluit gevoelige bestemmingen beperkt de vestiging van zogeheten ‘gevoelige bestemmingen’, zoals een school, in de nabijheid van provinciale en rijkswegen. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken.
Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. Waar in zo’n onderzoekszone de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming’ niet toenemen. Dit wordt bereikt door op zo’n plek de vestiging van bijvoorbeeld een school niet toe te staan.
Ruimtelijke onderbouwing Elst 12, Geffen, pag. 36 van 47 25-05-2018
Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien. De gemeente heeft geen eigen regelgeving en beleid over luchtkwaliteit. Om te bepalen of er sprake is van een NIBM-project is gebruik gemaakt van de NIBM-tool van 30 maart 2015. Het uitganspunt is de verkeersgeneratie zoals opgenomen in paragraaf 3.4.8 Verkeer. Hieruit blijkt dat er sprake is van 39 extra verkeersbewegingen per dag. Als dit aantal wordt ingevoerd in de tool, waarbij er van wordt uitgegaan dat 10% van het verkeer vrachtwagens betreft, blijkt dat het project is aan te merken als niet in betekenende mate.
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)
39
Aandeel vrachtverkeer
10,0%
NO2 in μg/m3
0,09
PM10 in μg/m
0,01
Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m
3
3
1,2
Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig
Uitkomst NIBM-tool
De binnen het plangebied voorziene activiteiten zijn verder niet aan te merken als een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. Het betreffen immers geen kinderopvang, onderwijsinstelling, verzorgingstehuis of een combinatie van voornoemde activiteiten. 4.1.8 Straling Het beleid voor elektromagnetische velden is opgenomen in het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4), de Toekomstagenda Milieu en de beleidsnota Nuchter Omgaan met Risico's, beslissen met gevoel voor onzekerheden (2004). Het ministerie van Infrastructuur en milieu heeft het beleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen uitgewerkt in een advies van oktober 2005. Dit advies is verder toegelicht in een brief van november 2008. De gemeente Oss heeft in het Milieubeleidsplan 2010-2014 het rijksadvies vastgelegd als beleidsuitgangspunt. Dit houdt in dat er bij nieuwbouwplannen of het realiseren van nieuwe hoogspanningslijnen voorkomen dient te worden dat er gevoelige bestemmingen terecht komen in een zone waar het magnetische veld gemiddeld over een jaar hoger is dan de norm van 0,4 microtesla. In de nabijheid van het plangebied zijn geen hoogspanningsleidingen gelegen. 4.1.9 Water De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de Waterwet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening.
Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets verplicht voor ruimtelijke plannen waarin waterbelangen spelen. De watertoets bewaakt de
Ruimtelijke onderbouwing Elst 12, Geffen, pag. 37 van 47 25-05-2018
waterkwaliteit en waterkwantiteit. Een watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten zijn onder meer veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verzilting en verdroging. De watertoets heeft betrekking op alle wateren: rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. De gemeente Oss heeft in 2013 een integraal plan Watertaken vastgesteld. Het plan bestaat uit twee delen. Het “verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan” (vGRP) regelt de zorg voor inzameling en transport van afvalwater. Ook regelt het vGPR een doelmatige verwerking van afvloeiend hemelwater en overtollig grondwater. Daarnaast biedt het plan Watertaken een kader voor de andere watertaken van de gemeente. De gemeente is verantwoordelijk voor de openbare ruimte. Het gaat vooral om de zorg voor oppervlaktewater in bebouwd gebied. De gemeente is ook verantwoordelijk voor een goede ruimtelijke ordening. Het gaat om voldoende ruimte voor water in ruimtelijke plannen. De watertoets is opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Beleid van gemeente, provincie en rijk is van toepassing bij een watertoets. Toetsing van uw waterparagraaf gebeurt op kwaliteit en kwantiteit. De verwerking van hemelwater, afvalwater en planologische ‘waterbestemmingen’ komen aan bod.
Voor de locatie is de watertoets van het Waterschap Aa en Maas ingevuld. Uit deze watertoets blijkt dat 2 er sprake is van een korte procedure. De verhardingstoename bedraagt minder dan 2.000 m en het projectgebied valt niet binnen begrensde waterschapsbelangen. Het toetsresultaat en de samenvatting van de watertoets zijn als bijlage 2 bijgevoegd. Bij aanpassingen aan de bestaande gebouwen zullen geen uitlogende materialen (zoals koper en zink) worden gebruikt. 4.1.10 Weg-, spoor- en industrielawaai De Wet geluidhinder (Wgh) biedt bescherming tegen (spoor)weglawaai en tegen industrielawaai van inrichtingen voor zover gelegen op een gezoneerd industrieterrein. In de Wgh wordt een beperkt aantal typen objecten beschermd, de zogenoemde geluidgevoelige objecten. De Wet geluidhinder kent een stelsel van normen ter voorkoming van geluidhinder. Ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen zijn grenswaarden opgenomen. Hierbij is een ondergrens (voorkeursgrenswaarde) en een bovengrens (maximaal toelaatbare grenswaarde) opgenomen. De Wgh biedt gemeenten de mogelijkheid om gericht in te spelen op de lokale situatie door maatwerk te leveren. Burgemeester en wethouders kunnen een hogere waarde vaststellen dan de ondergrens, maar mogen daarbij de bovengrens niet overschrijden.
In 2010 heeft de gemeenteraad van Oss de geluidsnota “Geluidskwaliteit in de leefomgeving” vastgesteld. De gemeente Oss maakt hierbij gebruik van gebiedsgericht geluidbeleid. Per gebied wordt een geluidskwaliteit nagestreefd. Zo zijn er ‘rustige gebieden’, ‘dynamische gebieden’ en er zijn gebieden die ten aanzien van geluid onder druk staan. De geluidsnota gaat ook in op de realistische inzet van onderzoek, het stellen van eigen criteria voor het toestaan van een hogere waarde en bedrijfswoningen op industrieterreinen. De gemeente Oss streeft naar een leefbare woonsituatie, ook op locaties met een hoge geluidsbelasting. Deze leefbaarheid wordt bereikt door terughoudend te zijn met hogere grenswaarden en door hieraan voorwaarden te verbinden. Deze voorwaarden leggen de initiatiefnemer of de beheerder een inspanning op voor een leefbare woonomgeving als compensatie voor het bouwen en het veroorzaken van een lawaaiige situatie. Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. Ook in Oss is er een aantal gezoneerde industrieterreinen. Met zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel bedrijven als aan bewoners/gebruikers van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen.
Bedrijven kunnen aan de ene kant hun geluidsproducerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen te veel oprukken naar de bedrijven toe. De ontwikkeling ziet (statische opslag/caravanstalling) niet toe op de realisatie van een geluidgevoelig object. Om deze reden is een nader onderzoek naar het geluidsaspect niet noodzakelijk.
Ruimtelijke onderbouwing Elst 12, Geffen, pag. 38 van 47 25-05-2018
4.2 Waarden Binnen het plangebied voorkomende waarden op het vlak van natuur, archeologie of cultuurhistorie dienen te worden gerespecteerd en beschermd, mogelijk zelfs bevorderd. Bij ontwikkelingen moet proactief rekening worden gehouden met de aanwezige waarden. Achtereenvolgens komen aan bod: - Archeologie en cultuurhistorie (§ 4.3.1) - Natuur (§ 4.3.2) - Kwaliteitsverbetering van het landschap (§ 4.3.3) 4.2.1
Archeologie en cultuurhistorie
Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 3.4.4. met dezelfde titel. 4.2.2 Natuur Bij de bescherming van natuurwaarden gaat het enerzijds om soortenbescherming en anderzijds om gebiedsbescherming. Beschermde plant- en diersoorten ontlenen hun bescherming onder andere aan opname in de Flora- en faunawet. Deze bescherming moet er toe leiden dat het voortbestaan van de soort niet in gevaar komt. De gebiedsbescherming is verankerd in de Natuurbeschermingswet. Flora- en faunawet De Flora- en faunawet beschermt in het wild levende planten- en diersoorten. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen leiden tot verstoring, aantasting van broedplaatsen en vernietiging van verblijfplaatsen van beschermde soorten. De mate van bescherming hangt samen met de zeldzaamheid en kwetsbaarheid van de soort. Artikel 2 van de Flora- en faunawet houdt een algemene zorgplicht in. Op basis hiervan worden ook niet beschermde soorten zoveel mogelijk ontzien. De Flora- en faunawet hanteert het ‘nee, tenzij’ principe. Activiteiten die mogelijk leiden tot negatieve effecten op beschermde soorten zijn in principe verboden, tenzij maatregelen kunnen worden genomen om dit te voorkomen. In sommige gevallen dient voor een ruimtelijke ontwikkeling een ontheffing bij het ministerie te worden aangevraagd.
Deze ontheffing wordt alleen verleend, als aangetoond wordt dat de voorgenomen ruimtelijke ingreep geen afbreuk zal doen aan de gunstige staat van instandhouding van de beschermde soorten. Om in kaart te brengen of er binnen het plangebied beschermde flora- en fauna aanwezig is, is door Exlan Consultants een Quickscan Flora en Fauna uitgevoerd (zie bijlage 3). De conclusie en aanbevelingen van deze Quickscan zijn als volgt: Conclusie Voor de bepaling van de effecten en voor de beantwoording van de vraag of men in strijd komt met de Flora- en faunawet, wordt de relatie gelegd tussen het initiatief met deze wet door waar mogelijk antwoord te geven op de volgende vragen: 1. Heeft de voorgenomen activiteit directe gevolgen op de voortplantingslocatie of standplaats? 2. Heeft de voorgenomen activiteit indirecte gevolgen op de voortplantingslocatie of standplaats? En welk deel van het leefgebied wordt aangetast? 3. Heeft de ingreep een invloed op individueel, lokaal, regionaal of Nederlands niveau? 4. Blijven er voldoende alternatieve leefgebieden in het plangebied of in de omgeving over waar de soort naar toe kan uitwijken? Uit de effectenbeschrijving blijkt dat er geen directe of indirecte gevolgen zijn van de voorgenomen activiteit op de voortplanting en instandhouding van beschermde dier- en plantsoorten.
Lokaal zullen niet specifiek beschermde diersoorten (muizen, konijnen, vogels) uit het plangebied trekken op zoek naar een vervangende biotoop. Voor eventuele aanwezige soorten is in de omgeving voldoende vervangende biotoop aanwezig. Het voornemen zal naar verwachting geen effect hebben op beschermde planten. Binnen het plangebied komen geen beschermde plantensoorten voor. Voor aanvang van de wijzigingen binnen het plangebied, dient geen ontheffing ex art. 75 van de Flora- en faunawet aangevraagd te worden voor strikt beschermde soorten. De werkzaamheden kunnen leiden tot een beschadiging of vernietiging van mogelijke verblijfplaatsen en/of verstoring van eventueel aanwezige soorten. De werkzaamheden
Ruimtelijke onderbouwing Elst 12, Geffen, pag. 39 van 47 25-05-2018
brengen het voortbestaan van deze en algemene soorten echter niet in gevaar. Een ontheffing of eventuele compensatie is hier niet van toepassing. Uit dit onderzoek blijkt dat de werkzaamheden binnen het plangebied geen significant negatief effect hebben op de natuurwaarden binnen het plangebied. Omdat er verwacht wordt dat geen strikt beschermde flora en fauna in het plangebied verblijven, zal de ingreep geen negatief effect hebben op deze soorten en hun omgeving. Voor het merendeel van de aanwezige of te verwachten beschermde soorten zijn de effecten gering. Vrijstellingen en ontheffingen Uitvoering van de sloopwerkzaamheden zal niet leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen waarvoor vrijstelling geldt of ontheffing zal moeten worden verkregen. Voor ‘categorie 1-soorten’ geldt een algemene vrijstelling indien de werkzaamheden zijn te karakteriseren als ruimtelijk ingreep of bestendig gebruik en beheer. Ook voor de ‘categorie 2-soorten’ geldt een vrijstelling onder deze voorwaarden in combinatie met gedragscode. Er zijn geen categorie 2 en 3 soorten aangetroffen of te verwachten. Derhalve worden geen verbodsbepalingen overtreden. De zorgplicht blijft altijd geldig. Aanbevelingen Met de voorgenomen activiteit kan er sprake zijn van lokale en tijdelijke effecten, met name in de sloopfase.
Om de risico’s op verstoring van beschermde soorten binnen het plangebied te minimaliseren, wordt aanbevolen om voorafgaand aan de werkzaamheden het terrein te controleren op de aanwezigheid van beschermde soorten. De meeste in het plangebied voorkomende algemene soorten zullen wegtrekken naar geschikt terrein in de omgeving. Door ingrijpende verstorende werkzaamheden (graafwerkzaamheden) buiten het broedseizoen uit te voeren wordt mogelijke verstoring voorkomen. Voor soorten die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht en voor alle overige beschermde soorten, geldt een algemene zorgplicht volgens de Flora- en faunawet. Hierbij moeten passende maatregelen worden genomen om schade aan beschermde soorten te voorkomen of te beperken. Het plaatsvinden van werkzaamheden buiten het broed- /voortplantingseizoen valt hier onder. Volgens de wetgeving geldt dat de werkzaamheden buiten het broedseizoen moeten worden uitgevoerd. Concluderend kan gesteld worden dat er geen belemmering zijn voor het aspect flora en fauna. 4.2.3 Kwaliteitsverbetering van het landschap Regeling ‘kwaliteitsverbetering van het landschap’ In 2010 is de regeling ‘Kwaliteitsverbetering van het landschap’ uit de Verordening ruimte (destijds art. 2.2, nu artikel 3.2) in werking getreden. In het RRO van januari 2013 is het afsprakenkader over de toepassing en uitwerking van deze regeling vastgesteld.
In 2014 – 2015 is de regeling geëvalueerd en zijn aanbevelingen opgesteld voor bijstelling van het afsprakenkader. Toepassingsbereik De notitie toepassingsbereik vormt het basisdocument voor het afsprakenkader van de provincie met de gemeenten in de regio Noordoost. Deze notitie bevat de categorie-indeling voor de niet-planmatige ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied en de bijbehorende tegenprestatie. Voor planmatige ontwikkelingen in het buitengebied is art. 3.2. altijd van toepassing. Deze notitie geeft de minimale inspanning aan die we regionaal hebben afgesproken. Gemeenten hebben alle vrijheid om meer kwaliteitsverbetering te verlangen als ze dat nodig vinden op basis van beleids- of gebiedsambities. Het afsprakenkader is nadrukkelijk geen ruimtelijk afwegingskader. Gemeenten moeten zelf beoordelen of een ontwikkeling ruimtelijk gewenst is. Vervolgens kan aan de hand van het afsprakenkader beoordeeld worden waar de kwaliteitsverbetering minimaal aan moet voldoen.
Ruimtelijke onderbouwing Elst 12, Geffen, pag. 40 van 47 25-05-2018
Afspraken toepassingsbereik 1. de notitie Toepassingsbereik en met name de verdeling van ruimtelijke ontwikkelingen over de verschillende categorieën is de basis voor het afsprakenkader over toepassingsbereik. 2. bij planmatige (stedelijke) ontwikkelingen is kwaliteitsverbetering altijd van toepassing; 3. bij niet-planmatige ontwikkelingen: tegenprestatie gerelateerd aan impact: • cat. 1 geen impact: geen tegenprestatie • cat. 2 beperkte impact: landschappelijke inpassing • cat. 3 grote impact: berekende kwaliteitsverbetering van het landschap Kwaliteitsverbetering Binnen de regio is geen unaniem beeld over de toepassing van de landschappelijke tegenprestatie die geleverd moet worden. Er wordt ingezet op keuzevrijheid voor de afzonderlijke gemeenten. Afspraken kwaliteitsverbetering 1. Bij planmatige (stedelijke) ontwikkelingen: storting in een landschapsfonds of bijdrage in natura in landschapsversterkend project. 2. Bij niet-planmatige ontwikkelingen zijn gemeenten zelf verantwoordelijk voor de toepassing: in natura (op of nabij de projectlocatie), financiële bijdrage in landschapsfonds of een combinatie van beide. 3. Bij kwaliteitsverbetering in natura (op of nabij de projectlocatie) bevat het ruimtelijk plan de verantwoording van de kwaliteitsverbetering. 4. De regio kiest niet voor een (sub)regionaal landschapsfonds.